§ flandrepo

Decreet over het onderwijs XXXVI

Vlaamse Regering #844 Staatsblad 26 augustus 2026 NUMAC 2026005886
121 artikels gewijzigd
+5 −3 decreet-2009-05-08/art. 2
108° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen of de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een CLB of een leersteuncentrum moet voldoen;108° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen of de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een CLB of een leersteuncentrum moet voldoen;
119° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;119° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;
129°/1 GI-school: de school, vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 17 mei 2024 over het onderwijs in de gemeenschapsinstellingen die ter uitvoering van het jeugddelinquentierecht zijn opgericht;
1210° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;1310° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
1311° instelling : onderwijsinstelling, onderwijsinternaat, CLB of leersteuncentrum;1411° instelling : onderwijsinstelling, onderwijsinternaat, CLB of leersteuncentrum;
28b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;29b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
2916° pedagogische begeleiding: de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen, CLB’s en leersteuncentra in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs, kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding en kwaliteitsvolle leersteun ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie;3016° pedagogische begeleiding: de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen, CLB’s en leersteuncentra in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs, kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding en kwaliteitsvolle leersteun ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie;
3016°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingenuitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling;3116°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingen, met uitzondering van de GI-school, uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling;
3116°/2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB;3216°/2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB;
3216°/3 referentiekader kwaliteitsvolle leersteun: het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leersteun door de leersteuncentra uitzet; het kader is opgebouwd rond de drie rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het leersteuncentrum;3316°/3 referentiekader kwaliteitsvolle leersteun: het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leersteun door de leersteuncentra uitzet; het kader is opgebouwd rond de drie rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het leersteuncentrum;
3416°/3/1 referentiekader kwaliteit van onderwijs in de gemeenschapsinstellingen: het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle onderwijstrajecten door de GI-school uitzet. Dat kader is opgebouwd rond de volgende vier rubrieken: resultaten en effecten, stimuleren van ontwikkeling, kwaliteitsontwikkeling en beleid. Het houdt rekening met de context en input van de onderwijsinstelling;
3316°/4 referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit: het kader dat de ver- wachtingen voor kwaliteitsvol verblijf en kwaliteitsvolle begeleiding uitzet. Het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, beleid en kwaliteitsontwikkeling en het houdt rekening met context en input van het onderwijsinternaat;3516°/4 referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit: het kader dat de ver- wachtingen voor kwaliteitsvol verblijf en kwaliteitsvolle begeleiding uitzet. Het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, beleid en kwaliteitsontwikkeling en het houdt rekening met context en input van het onderwijsinternaat;
3417° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en die een werking ontplooit ten behoeve van de inspectie;3617° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en die een werking ontplooit ten behoeve van de inspectie;
3619° secundair onderwijs : het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs;3819° secundair onderwijs : het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
3720° structuuronderdeel : onderverdeling in het onderwijsaanbod die afzonderlijk erkend kan worden;3920° structuuronderdeel : onderverdeling in het onderwijsaanbod die afzonderlijk erkend kan worden;
3820°/1 toezichtkader : kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om haar doorlichtingsinstrumenten te ontwikkelen, gebaseerd op de referentiekaders zoals bedoeld in punt 16°/1, 16°/2, 16°/3en 16°/4. Het toezichtkader heeft betrekking op de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling, en beleid en houdt rekening met context en input van de instelling;4020°/1 toezichtkader : kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om haar doorlichtingsinstrumenten te ontwikkelen, gebaseerd op de referentiekaders zoals bedoeld in punt 16°/1, 16°/2, 16°/3, 16°/3/1 en 16°/4. Het toezichtkader heeft betrekking op de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling, en beleid en houdt rekening met context en input van de instelling;
3921° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende centra voor volwassenenonderwijs en de erkende centra voor basiseducatie, vermeld in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.4121° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende centra voor volwassenenonderwijs en de erkende centra voor basiseducatie, vermeld in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
4022° leeftijdsgrens : na het einde van het jaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 heeft bereikt.
4222° ...
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 39
25§7. Voor het basisen secundair onderwijs zijn volgende evaluaties van het gelijkeonderwijskansenbeleid mogelijk:25§7. Voor het basisen secundair onderwijs zijn volgende evaluaties van het gelijkeonderwijskansenbeleid mogelijk:
261° een positieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, alsook, naargelang het geval, de SES-lestijden, de aanvullende lestijden, de extra uren-leraar of de extra lesuren ontvangt tot de daaropvolgende schooldoorlichting, conform de berekeningen gebaseerd op, naargelang het geval, artikel 85, §2, 134 en 139ter decies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 227, 235, 249 of 319 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;261° een positieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, alsook, naargelang het geval, de SES-lestijden, de aanvullende lestijden, de extra uren-leraar of de extra lesuren ontvangt tot de daaropvolgende schooldoorlichting, conform de berekeningen gebaseerd op, naargelang het geval, artikel 85, §2, 134 en 139ter decies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 227, 235, 249 of 319 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
272° een negatieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school een engagement tot remediëring met externe begeleiding en ondersteuning moet aangaan. Als de eerstvolgende evaluatie door de onderwijsinspectie opnieuw negatief is, dan ontvangt de school vanaf het daaropvolgend schooljaar, slechts de helft van het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken , alsook, naargelang het geval, de helft van het aantal SES-lestijden, aanvullende lestijden, extra uren-leraar of extra lesuren waarop ze normaliter recht heeft en dat tot en met het schooljaar waarin een evaluatie positief is. De onderwijsinspectie evalueert de school opnieuw binnen een termijn van 1 jaar. 272° een negatieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school zich verplicht engageert tot remediëring met externe begeleiding en ondersteuning. De onderwijsinspectie evalueert in dat geval opnieuw het gelijkeonderwijskansenbeleid na een termijn van minstens 180 kalenderdagen. Als die evaluatie opnieuw negatief is, ontvangt de school vanaf het daaropvolgend schooljaar, slechts de helft van het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken en, naargelang het geval, de helft van het aantal SES-lestijden, aanvullende lestijden, extra uren-leraar of extra lesuren waarop ze normaliter recht heeft en dat tot en met het schooljaar waarin een evaluatie positief is. Evaluaties ten gevolge van een negatieve evaluatie kunnen plaatsvinden buiten de schooldoorlichting, vermeld in artikel 38, §1, eerste lid. In het geval de omkadering en het werkingsbudget zijn gehal-veerd, wordt vanaf het daaropvolgend schooljaar de evaluatie jaarlijks herhaald totdat de evaluatie positief is. Hierbij kan de termijn tussen twee opeenvolgende evaluaties nooit minder dan 180 kalenderdagen bedragen.
+3 −0 decreet-2009-05-08/art. 149
162° geniet het personeelslid het brutoactiviteitssalaris dat verbonden is aan het ambt waarin het vastbenoemd was.162° geniet het personeelslid het brutoactiviteitssalaris dat verbonden is aan het ambt waarin het vastbenoemd was.
17Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.17Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.
18§3. De Vlaamse Regering kan een einde maken aan de tijdelijke aanstelling, vaste benoeming of het mandaat van een personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft. De Vlaamse Regering neemt hierbij een opzeggingstermijn in acht, gelijk aan 3 maanden per begonnen schijf van 10 jaar dienstanciënniteit die het personeelslid heeft verworven. De opzegging wordt gemotiveerd.
19Met behoud van de toepassing van het eerste lid, kan het personeelslid bij het voltooien van de opzeggingstermijn voortwerken tot het einde van de maand waarin het personeelslid de opzeggingstermijn volbracht heeft.
20De opzeggingstermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de maandag die volgt op de week waarin de Vlaamse Regering, het personeelslid op de hoogte heeft gebracht van het ontslag.
+1 −2 decreet-2009-05-08/art. 150
1Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een tijdelijk aangesteld en een vastbenoemd personeelslid eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging of tot beëindiging van de tijdelijke aanstelling :1Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een tijdelijk aangesteld en een vastbenoemd personeelslid eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging of tot beëindiging van de tijdelijke aanstelling :
21° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn bedraagt vijftien kalenderdagen, tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen. Het personeelslid deelt het vrijwillig ontslag mee per aangetekende brief;21° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn bedraagt vijftien kalenderdagen, tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen. Het personeelslid deelt het vrijwillig ontslag mee per aangetekende brief;
32° de pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens.
4In afwijking van artikel 150, eerste lid, 2°, en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 62, § 2 en § 3, eindigt de aanstelling niet na het bereiken van de leeftijdsgrens indien het betrokken personeelslid en de inspecteur-generaal overeenkomen de aanstelling te verlengen. Dergelijke verlenging van de aanstelling geldt telkens enkel voor de duur van maximum één jaar.
32° ...
+1 −2 decreet-2009-05-08/art. 151
1Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een personeelslid dat een mandaat bekleedt, eveneens aanleiding tot beëindiging van het mandaat :1Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een personeelslid dat een mandaat bekleedt, eveneens aanleiding tot beëindiging van het mandaat :
21° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn zoals vermeld in artikel 87, § 1, moet worden nageleefd;21° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn zoals vermeld in artikel 87, § 1, moet worden nageleefd;
32° de pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens.
4In afwijking van artikel 151, eerste lid, 2°, en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 62, § 2 en § 3, eindigt het mandaat niet na het bereiken van de leeftijdsgrens indien het betrokken personeelslid en de inspecteur-generaal overeenkomen het mandaat te verlengen. Dergelijke verlenging van het mandaat geldt telkens enkel voor de duur van maximum één jaar.
32° ...
+9 −0 decreet-2009-05-08/art. 152/1 nieuw
1De Vlaamse Regering mag, met toepassing van artikel 149, alleen eenzijdig een einde maken aan de tijdelijke aanstelling of vaste benoeming van een personeelslid om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening door het personeelslid volgens de geldende regelgeving van een van de volgende rechten:
21° het recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling;
32° het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
43° het recht op afwezigheid voor verminderde prestaties voor zorgdoeleinden;
54° het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen;
65° het recht om een nevenactiviteit uit te oefenen, binnen de grenzen van de cumulatieregeling en de regeling rond onverenigbaarheden van de inspectie;
76° het recht op een ambtswijziging of om werk met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden te vragen.
8Het verbod om eenzijdig een einde maken aan de tijdelijke aanstelling of vaste benoeming van een personeelslid om de redenen, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag van de aanvraag van een van de rechten, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof dat ingaat op de dag van de geboorte van het kind.
9De Vlaamse Regering deelt het personeelslid schriftelijk mee wat de redenen voor het ontslag zijn. Als de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan de uitoefening van de rechten, vermeld in het eerste lid, of als er geen reden opgegeven is, krijgt het personeelslid aanvullend op de opzeggingstermijn of -vergoeding een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden. Die forfaitaire vergoeding mag bij het ontslag van een personeelslid niet samen genoten worden met andere vergoedingen die in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag zijn bepaald.
+4 −3 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 3
21° de ARGO: de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs;21° de ARGO: de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs;
32° de centrale raad: de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988;32° de centrale raad: de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988;
43° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de scholengemeenschapsinstellingen de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de leersteuncentra, de onderwijsinternaten, de semi-internaten, de pedagogische begeleidingsdienst en de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel. Voor de personeelsleden die op basis van artikel 32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bij de scholengroep aangesteld zijn, en voor de vastbenoemde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel die bij de scholengroep aangesteld zijn, wordt de scholengroep voor de toepassing van dit decreet beschouwd als een instelling;43° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de GI-school, de scholengemeenschapsinstellingen de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de leersteuncentra, de onderwijsinternaten, de semi-internaten, de pedagogische begeleidingsdienst en de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel. Voor de personeelsleden die op basis van artikel 32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bij de scholengroep aangesteld zijn, en voor de vastbenoemde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel die bij de scholengroep aangesteld zijn, wordt de scholengroep voor de toepassing van dit decreet beschouwd als een instelling;
54° het schooljaar: de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar;54° het schooljaar: de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar;
65° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt;65° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt;
3935° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs.3935° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs.
4036° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs;4036° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs;
4137° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
4137° ...
4238° het net :4238° het net :
43- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;43- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;
5043° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;5043° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
5144° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie;5144° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie;
5245° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20, §1, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun.5245° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20, §1, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun;
5346° GI-school: de school, vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 17 mei 2024 over het onderwijs in de gemeenschapsinstellingen die ter uitvoering van het jeugddelinquentierecht zijn opgericht.
+2 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 4
19§4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker.19§4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker.
20Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.20Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
21Voor de toepassing van hoofdstuk III kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, beschouwen als diensten die gepresteerd zijn in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan daarbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen voor maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
22Voor de toepassing van hoofdstuk III kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, beschouwen als diensten die gepresteerd zijn in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 2, §1. De raad van bestuur kan daarbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen voor maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
21§5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.23§5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.
+7 −2 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 20bis
1§1. Een tijdelijk personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur, tenzij het personeelslid voldoet aan artikel 21, 21bis, 100quater decies of 100quinquies decies.1§1. Een tijdelijk personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur, tenzij het personeelslid voldoet aan artikel 21, 21bis, 100quater decies of 100quinquies decies.
2Tijdens de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft een tijdelijk personeelslid recht op aanvangsbegeleiding. Het tijdelijke personeelslid wordt tijdens de periode van aanvangsbegeleiding gecoacht en ondersteund. De duur en intensiteit van de aanvangsbegeleiding worden bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator en opgenomen in een schriftelijke overeenkomst. De schriftelijke overeenkomst wordt in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator tijdens de periode van de aanvangsbegeleiding aangepast als gevolg van nieuwe afspraken.2Tijdens de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft een tijdelijk personeelslid recht op aanvangsbegeleiding. Het tijdelijke personeelslid wordt tijdens de periode van aanvangsbegeleiding gecoacht en ondersteund. De duur en intensiteit van de aanvangsbegeleiding worden bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator en opgenomen in een schriftelijke overeenkomst. De schriftelijke overeenkomst wordt in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator tijdens de periode van de aanvangsbegeleiding aangepast als gevolg van nieuwe afspraken.
3Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de raad van bestuur, door de afgevaardigd bestuurder in het geval van het vormingscentrum, of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.3Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de raad van bestuur, door de afgevaardigd bestuurder in het geval van het vormingscentrum, of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.
4§2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 55bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.4§2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 55bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.
5§3. Een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, zorgt ervoor dat een startend personeelslid dat in het basis- of secundair onderwijs tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het recht op aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, gedeeltelijk kan uitoefenen in maximum 20% van diens toegekende opdracht, rekening houdend met de afspraken en de criteria die lokaal worden vastgelegd, vermeld in het vierde lid. In dat deel van de aanvangsbegeleiding wordt gewerkt aan het verbeteren van klasmanagement en vakdidactiek, en aan andere aspecten verbonden aan diens aanvangsbegeleiding. Daarbij wordt altijd uitgegaan van een verplichte aanwezigheid op school.
6Daarvoor wendt een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie aan zoals vermeld in artikel 153tricies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. In het schooljaar 2026-2027 kan een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie ook voor andere doelstellingen aanwenden, conform artikel 153tricies, §1, tweede lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3, §1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. Voor die eenheden die voor andere doelstellingen worden aangewend, zijn de bepalingen opgenomen in dit artikel niet van toepassing.
7Scholen kunnen ook organieke omkadering aanwenden voor dat doel zoals vermeld in artikel 163bis van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 212 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
8Over de aanwending van eenheden inductie of organieke omkadering in de vorm van bijzondere pedagogische taken voor dat doel voor de startende personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden in het bevoegde lokaal comité algemene afspraken onderhandeld. Mits een akkoord binnen het bevoegde lokaal comité kunnen er daarbij criteria worden vastgelegd om te bepalen voor welke groepen startende personeelsleden de eenheden inductie prioritair worden aangewend. Een startend personeelslid heeft ook dan recht op een deel van deze eenheden inductie als het aangeeft nood te hebben aan een inductiejaar, tenzij alle eenheden inductie al zijn aangewend. Zonder een akkoord in het lokaal comité over de aanwendingscriteria worden de eenheden inductie in verhouding tot hun opdracht evenredig verdeeld over de startende personeelsleden.
9De opdracht van die startende personeelsleden kan nooit meer dan een voltijdse opdracht zijn.
+7 −10 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 23
1Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg voor het geheel of een deel van de opdracht:1§1. Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg voor het geheel of een deel van de opdracht:
2a) bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;2a) bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;
3b) op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk aangesteld personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een ander personeelslid:3b) op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk aangesteld personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een ander personeelslid:
10d) ...10d) ...
11e) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur;11e) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur;
12f) bij het bereiken van de leeftijdsgrens;
12f) ...;
13g) overeenkomstig artikel 24 voor personeelsleden die aangesteld zijn voor bepaalde duur;13g) overeenkomstig artikel 24 voor personeelsleden die aangesteld zijn voor bepaalde duur;
14h) door afschaffing van de betrekking;14h) door afschaffing van de betrekking;
15i) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 17;15i) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 17;
16j) voor de personeelsleden die werden aangesteld met miskenning van de in de artikel 21 of 21bis bedoelde voorrangsregels;16j) voor de personeelsleden die werden aangesteld met miskenning van de in de artikel 21 of 21bis bedoelde voorrangsregels;
17k) op het ogenblik dat wordt vastgesteld dat de betrekking buiten de reglementaire normen werd opgericht.17k) op het ogenblik dat wordt vastgesteld dat de betrekking buiten de reglementaire normen werd opgericht.
18l) bij de definitieve pensionering;
19m) bij het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel. »;
20In afwijking van punt f) eindigt de aanstelling van een personeelslid niet na het bereiken van de leeftijdsgrens als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
21Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :
221° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;
232° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt' zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.
18l) ...;
19m) ...;
24Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld onder f) als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.20Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.
25De directeur of in voorkomend geval de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.21De directeur of in voorkomend geval de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.
22§2. De directeur of, in voorkomend geval, de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, in geval van een vormingscentrum, en het personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, kunnen in onderling akkoord een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Dat akkoord blijkt uit een geschrift. Het geschrift vermeldt de datum van de beëindiging van de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur en wordt door beide partijen ondertekend.
+14 −9 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 31
1§1. Een personeelslid kan binnen dezelfde scholengroep mits zijn akkoord een nieuwe affectatie krijgen in een vacante betrekking van het ambt waarin het vast benoemd is, voor zover die betrekking, krachtens de reglementering terzake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld. Dat akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds uit één instelling met een tweede en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.1§1. Een personeelslid kan binnen dezelfde scholengroep mits zijn akkoord een nieuwe affectatie krijgen in een vacante betrekking van het ambt waarin het vast benoemd is, voor zover die betrekking, krachtens de reglementering terzake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld. Dat akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds uit één instelling met een tweede en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.
2Een personeelslid kan, op zijn verzoek, worden gemuteerd in een vacante betrekking, voorzover die betrekking, krachtens de reglementering terzake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld.2Een personeelslid kan, op zijn verzoek, worden gemuteerd in een vacante betrekking, voorzover die betrekking, krachtens de reglementering terzake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld.
3De betrekking kan bij wijze van affectatie of mutatie worden toegewezen aan het personeelslid dat in die betrekking werd gereaffecteerd.3De betrekking kan bij wijze van affectatie of mutatie worden toegewezen aan het personeelslid dat in die betrekking werd gereaffecteerd.
4§2. Voor de affectatie of mutatie van een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht is de instemming vereist van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.4§2. Voor de affectatie of mutatie van een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht is de instemming vereist van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.
5§3. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.5§3. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.
6In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.6In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.
7§4. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.7§4. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.
8In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.8In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.
9§4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.9§4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
10In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.10In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
11§ 5. ...
12§ 6. ...
13§ 7. ...
11§5. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in het wervingsambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het ambt van leraar secundair onderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in dat ambt.
12In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 2, §1, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat wervingsambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het wervingsambt van het ondersteunend personeel waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het wervingsambt van affectatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat wervingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het wervingsambt van affectatie.
13In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van affectatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat selectie- of bevorderingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van affectatie.
14§6. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in het wervingsambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een centrum voor volwassenenonderwijs, op diens verzoek op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het ambt van leraar secundair onderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in dat ambt.
15In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 2, §1, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat wervingsambt. Als het personeelslid de mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het wervingsambt van het ondersteunend personeel waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het wervingsambt van mutatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat wervingsambt in een centrum voor volwassenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het wervingsambt van affectatie.
16In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van mutatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat selectie- of bevorderingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van mutatie.
17§7. ...
14§8. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buitengewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, mits zijn akkoord, op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.18§8. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buitengewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, mits zijn akkoord, op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
15In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buiten- gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.19In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buiten- gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
16Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.20Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.
18§9. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.22§9. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
19In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.23In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
24§10. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2026 vastbenoemd is in een ambt en werkt in een gemeenschapsinstelling als vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, op diens verzoek op 1 september 2026 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in de GI-school, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid die mutatie opneemt, aanvaardt het personeelslid de salarisschaal die verbonden is aan dat ambt, tenzij het personeelslid een beroep kan doen op een overgangsmaatregel.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 50
54° in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst.54° in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst.
6Tijdens die periode blijft het personeelslid in voorkomend geval titularis van het ambt waarin het vast benoemd is.6Tijdens die periode blijft het personeelslid in voorkomend geval titularis van het ambt waarin het vast benoemd is.
7§ 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de raad van bestuur na de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 23, f), een definitief gepensioneerde waarnemend aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, 1°, 2° en 4°. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet tot de proeftijd worden toegelaten of vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.7§ 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de raad van bestuur een definitief gepensioneerde waarnemend aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, 1°, 2° en 4°. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet tot de proeftijd worden toegelaten of vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.
8§ 2. Het personeelslid dat wordt aangesteld voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 46, 1° tot en met 4°. De personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst moeten tevens aan de voorwaarden van artikel 46bis voldoen.8§ 2. Het personeelslid dat wordt aangesteld voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 46, 1° tot en met 4°. De personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst moeten tevens aan de voorwaarden van artikel 46bis voldoen.
9Wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen:9Wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen:
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 61
76° het ontslag. Naargelang de aard van de redenen waarom een ontslag gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen;76° het ontslag. Naargelang de aard van de redenen waarom een ontslag gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen;
87° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom de afzetting gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen.87° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom de afzetting gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen.
9Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, dan kan de tuchtstraf enkel worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.9Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, dan wordt de tuchtstraf meegedeeld aan de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.
10§ 2. ...10§ 2. ...
+4 −2 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 77quinquies
1Een personeelslid dat met toepassing van artikelen 41 en 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 door de werkgever verwijderd werd uit een risico kan door de bevoegde inrichtende macht belast worden met pedagogische ofadministratieve taken in een nietorganieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum in kwestie en/of voor de scholengemeenschap. Mits onderling akkoord kan het personeelslid deze taken ook uitoefenen in een andere instelling van de scholengemeenschap.1Als een raad van bestuur en, voor het vormingscentrum, de afgevaardigd bestuurder voor een tijdelijk of vastbenoemd personeelslid voor wie volgens artikel 41 van de arbeidswet van 16 maart 1971 een risico is vastgesteld, geen toepassing kunnen maken van de maatregelen, vermeld in artikel 42, §1, eerste lid, 1° of 2°, van de voormelde wet, moeten de raad van bestuur en, voor het vormingscentrum, de afgevaardigd bestuurder dat personeelslid belasten met in haar toestand toelaatbare pedagogische taken of, als het personeelslid niet in het bezit is van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs, met in haar toestand toelaatbare administratieve taken in een niet-organieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld.
2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere administratieve en geldelijke gevolgen van deze maatregel.
2Als de raad van bestuur het personeelslid niet met de hiervoor vermelde taken kan belasten in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld, belast de raad van bestuur het personeelslid met de hiervoor vermelde taken in een andere instelling of een ander centrum van de scholengroep of van de scholengemeenschap. Daarbij geldt steeds dat de afstand over de openbare weg tussen de instelling van aanstelling of affectatie en de instelling waar het personeelslid wordt belast met de hiervoor vermelde taken, nooit meer dan 25 kilometer mag bedragen. Dat geldt niet als het personeelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden.
3In afwijking van het tweede lid belast de raad van bestuur het personeelslid van een centrum voor volwassenenonderwijs met de hiervoor vermelde taken altijd in hetzelfde centrum en dit rekening houdend met artikel 40duodecies.
4Tijdens de periode waarin het personeelslid met een niet-organieke betrekking als vermeld in het eerste lid wordt belast, is het personeelslid in dienstactiviteit. Het personeelslid blijft titularis van haar betrekking, behoudt daarbij haar salaris en kan worden vervangen volgens de gebruikelijke vervangingsregeling.
+12 −8 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 88
1Voor de vastbenoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging :1§1. Voor de vastbenoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging :
21° het vrijwillige ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten met inachtneming van een opzeggingstermijn van21° het vrijwillige ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten met inachtneming van een opzeggingstermijn van
3tenminste vijftien kalenderdagen;3tenminste vijftien kalenderdagen;
42° het bereiken van de leeftijdsgrens;
42° ...;
53° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 61, 6° of 7°;53° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 61, 6° of 7°;
64° bij toepassing van artikel 83, § 1;64° bij toepassing van artikel 83, § 1;
75° de definitieve pensionering;
86° het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel;
75° ...;
86° ...;
97° ...;97° ...;
108° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.108° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.
11In afwijking van punt 2° geeft het bereiken van de leeftijdsgrens geen aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
12Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :
131° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;
142° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt', zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.
11§2. De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, kan een einde maken aan de vaste benoeming of aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van een personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft. De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht, die gelijk is aan drie maanden per begonnen schijf van tien jaar dienstanciënniteit die het personeelslid heeft verworven. De opzegging wordt gemotiveerd.
12Met behoud van de toepassing van het eerste lid, kan het personeelslid bij het voltooien van de opzeggingstermijn voortwerken tot het einde van de maand waarin het personeelslid de opzeggingstermijn volbracht heeft.
13De opzeggingstermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de maandag die volgt op de week waarin de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, in geval van een vormingscentrum, het personeelslid op de hoogte heeft gebracht van het ontslag.
14De kennisgeving gebeurt op straffe van nietigheid op een van de volgende wijzen:
151° met een aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van de verzending ervan;
162° bij deurwaardersexploot.
17Op straffe van nietigheid vermeldt de kennisgeving, vermeld in het vierde lid, het begin en de duur van de opzeggingstermijn.
18In afwijking van het eerste lid kunnen de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, in geval van een vormingscentrum, en het personeelslid in onderling akkoord een einde maken aan de vaste benoeming of aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Dat akkoord blijkt uit een geschrift. Het geschrift vermeldt de datum van de beëindiging van de vaste benoeming of van de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur en wordt door beide partijen ondertekend.
+9 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 88ter nieuw
1De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, mag, met toepassing van artikel 88, §2, alleen eenzijdig een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of aan de vaste benoeming van een personeelslid om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening door het personeelslid volgens de geldende regelgeving van een van de volgende rechten:
21° het recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling;
32° het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
43° het recht op afwezigheid voor verminderde prestaties voor zorgdoeleinden;
54° het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen;
65° het recht om een nevenactiviteit uit te oefenen binnen de grenzen van de cumulatieregeling en de regeling rond onverenigbaarheden van het schoolbestuur;
76° het recht op een nieuwe affectatie of mutatie of om werk met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden te vragen.
8Het principe, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag van de aanvraag van een van de rechten, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, dat ingaat op de dag van de geboorte van het kind.
9De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, deelt het personeelslid schriftelijk mee wat de redenen voor het ontslag zijn. Als de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan de uitoefening van het recht waarvan het personeelslid gebruikmaakt of als er geen reden opgegeven is, betaalt de raad van bestuur aan het personeelslid aanvullend op de opzeggingstermijn een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden. Die vergoeding mag bij het ontslag van een personeelslid niet samen genoten worden met andere vergoedingen die in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag zijn bepaald.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 5
3225° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs.3225° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs.
3326° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs.3326° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs.
3427° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
3427° ...
3528° de inrichtende macht : de schoolbesturen van het basisonderwijs en van het voltijds secundair onderwijs, de besturen van de leersteuncentra, de centrumbesturen van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de rechtspersonen die bevoegdheid dragen voor de scholengemeenschapsinstellingen, de centrumbesturen van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, de schoolbesturen van het deeltijds kunstonderwijs, de besturen van de pedagogische begeleidingsdiensten en de onderwijsinternaatsbesturen van de onderwijsinternaten;3528° de inrichtende macht : de schoolbesturen van het basisonderwijs en van het voltijds secundair onderwijs, de besturen van de leersteuncentra, de centrumbesturen van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de rechtspersonen die bevoegdheid dragen voor de scholengemeenschapsinstellingen, de centrumbesturen van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, de schoolbesturen van het deeltijds kunstonderwijs, de besturen van de pedagogische begeleidingsdiensten en de onderwijsinternaatsbesturen van de onderwijsinternaten;
3629° leerkracht levensbeschouwelijk onderricht: de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer;3629° leerkracht levensbeschouwelijk onderricht: de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer;
+2 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 6
20§4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker.20§4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker.
21Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.21Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
22Voor de toepassing van hoofdstuk III kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, beschouwen als diensten die gepresteerd zijn in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan daarbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen voor maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
23Voor de toepassing van hoofdstuk III kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, beschouwen als diensten die gepresteerd zijn in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 4, §1. De inrichtende macht kan daarbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen voor maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
22§5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.24§5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.
+5 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 20bis
3Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de inrichtende macht of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.3Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de inrichtende macht of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.
4§ 2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 44bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.4§ 2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 44bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.
5§3. Een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, zorgt ervoor dat een startend personeelslid dat in het basis- of secundair onderwijs tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het recht op aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, gedeeltelijk kan uitoefenen in maximum 20% van diens toegekende opdracht, rekening houdend met de afspraken en de criteria die lokaal worden vastgelegd, vermeld in het vierde lid. In dat deel van de aanvangsbegeleiding wordt gewerkt aan het verbeteren van klasmanagement en vakdidactiek, en aan andere aspecten verbonden aan diens aanvangsbegeleiding. Daarbij wordt altijd uitgegaan van een verplichte aanwezigheid op school.
6Daarvoor wendt een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie aan zoals vermeld in artikel 153tricies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. In het schooljaar 2026-2027 kan een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie ook voor andere doelstellingen aanwenden, conform artikel 153tricies, §1, tweede lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3, §1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. Voor die eenheden die voor andere doelstellingen worden aangewend, zijn de bepalingen opgenomen in dit artikel niet van toepassing.
7Scholen kunnen ook organieke omkadering aanwenden voor dat doel zoals vermeld in artikel 163bis van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 212 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
8Over de aanwending van eenheden inductie of organieke omkadering in de vorm van bijzondere pedagogische taken voor dat doel voor de startende personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden in het bevoegde lokaal comité algemene afspraken onderhandeld. Mits een akkoord in het lokaal comité kunnen daarbij criteria worden vastgelegd om te bepalen voor welke groepen startende personeelsleden de eenheden inductie prioritair worden aangewend. Een startend personeelslid heeft ook dan recht op een deel van deze eenheden inductie als het aangeeft nood te hebben aan een inductiejaar, tenzij alle eenheden inductie al zijn aangewend. Zonder een akkoord in het lokaal comité over de aanwendingscriteria worden de eenheden inductie in verhouding tot hun opdracht evenredig verdeeld over de startende personeelsleden.
9De opdracht van die startende personeelsleden kan nooit meer dan een voltijdse opdracht zijn.
+5 −8 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 21
10e) ...10e) ...
11f) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;11f) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
12g) bij het bereiken van de leeftijdsgrens;
12g) ...;
13h) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 19.13h) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 19.
14i) bij de definitieve pensionering;
15j) bij het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van deze paragraaf.
16In afwijking van punt g) eindigt de aanstelling van een personeelslid niet na het bereiken van de leeftijdsgrens als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
17Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :
181° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;
192° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt' zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.
14i) ...;
15j) ...
20Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld onder g) als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.16Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Die aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.
17§1/1. De inrichtende macht en het personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, kunnen in onderling akkoord een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Dat akkoord blijkt uit een geschrift. Het geschrift vermeldt de datum van de beëindiging van de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur en wordt door beide partijen ondertekend.
21§ 2. De inrichtende macht moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.18§ 2. De inrichtende macht moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.
22§ 3. Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur eindigt eveneens voor het geheel of een deel van de opdracht overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26.19§ 3. Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur eindigt eveneens voor het geheel of een deel van de opdracht overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 42
82° ...;82° ...;
9d) in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst.9d) in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst.
10§ 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de inrichtende macht een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 21, § 1, g), tijdelijk aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, a), b) en d). Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.10§ 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de inrichtende macht een definitief gepensioneerde tijdelijk aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, a), b) en d). Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.
11§ 2. Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 40. Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een ambt van de pedagogische begeleidingsdiensten moet bovendien voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 40bis.11§ 2. Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 40. Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een ambt van de pedagogische begeleidingsdiensten moet bovendien voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 40bis.
12In afwijking van artikel 40, 1°, kan een personeelslid met een ander bekwaamheidsbewijs worden aangesteld wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen.12In afwijking van artikel 40, 1°, kan een personeelslid met een ander bekwaamheidsbewijs worden aangesteld wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen.
+13 −9 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 45
1§1. De mutatie bestaat in het toewijzen bij een andere inrichtende macht van een andere betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. Een mutatie geschiedt niet dan op verzoek van een personeelslid.1§1. De mutatie bestaat in het toewijzen bij een andere inrichtende macht van een andere betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. Een mutatie geschiedt niet dan op verzoek van een personeelslid.
2§2. De nieuwe affectatie bestaat in het toewijzen van een personeelslid aan een instelling of centrum ingericht door dezelfde inrichtende macht in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. In de instellingen en centra van het gesubsidieerd vrij onderwijs geschiedt de nieuwe affectatie niet dan met akkoord van het personeelslid. Dit akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds één instelling met een tweede, en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.2§2. De nieuwe affectatie bestaat in het toewijzen van een personeelslid aan een instelling of centrum ingericht door dezelfde inrichtende macht in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. In de instellingen en centra van het gesubsidieerd vrij onderwijs geschiedt de nieuwe affectatie niet dan met akkoord van het personeelslid. Dit akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds één instelling met een tweede, en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.
3§3. In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.3§3. In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.
4In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.4In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.
5§4. In afwijking van paragraaf 2 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.5§4. In afwijking van paragraaf 2 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.
6In afwijking van paragraaf 2 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.6In afwijking van paragraaf 2 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.
7§4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.7§4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
8In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.8In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
9§ 5. ...
10§ 6. ...
11§ 7. ...
9§5. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in het wervingsambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het ambt van leraar secundair onderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in dat ambt.
10In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 4, §1, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat wervingsambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het wervingsambt van het ondersteunend personeel waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het wervingsambt van affectatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat wervingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het wervingsambt van affectatie.
11In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van affectatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat selectie- of bevorderingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van affectatie.
12§6. In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in het wervingsambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een centrum voor volwassenenonderwijs, op diens verzoek op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het ambt van leraar secundair onderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in dat ambt.
13In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 4, §1, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat wervingsambt. Als het personeelslid de mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het wervingsambt van het ondersteunend personeel waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het wervingsambt van mutatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat wervingsambt in een centrum voor volwassenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het wervingsambt van affectatie.
14In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van mutatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat selectie- of bevorderingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van mutatie.
15§7. ...
12§8. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onder- wijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.16§8. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onder- wijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
13In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervings- ambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitenge- woon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.17In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervings- ambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitenge- woon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
14Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.18Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.
+4 −2 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 51quinquies
1Een personeelslid dat met toepassing van de artikelen 41 en 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 door de werkgever verwijderd werd uit een risico , kan door de bevoegde inrichtende macht belast worden met pedagogische ofadministratieve taken in een niet-organieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum in kwestie en/of voor de scholengemeenschap. Mits onderling akkoord kan het personeelslid deze taken ook uitoefenen in een andere instelling van de scholengemeenschap.1Als een inrichtende macht voor een tijdelijk of vastbenoemd personeelslid voor wie volgens artikel 41 van de arbeidswet van 16 maart 1971 een risico is vastgesteld, geen toepassing kan maken van de maatregelen, vermeld in artikel 42, §1, eerste lid, 1° of 2°, van de voormelde wet, moet de inrichtende macht dat personeelslid belasten met in haar toestand toelaatbare pedagogische taken of, als het personeelslid niet in het bezit is van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs, met in haar toestand toelaatbare administratieve taken in een niet-organieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld.
2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere administratieve en geldelijke gevolgen van deze maatregel.
2Als de inrichtende macht het personeelslid niet met de hiervoor vermelde taken kan belasten in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld, belast de inrichtende macht het personeelslid met de hiervoor vermelde taken in een andere instelling of een ander centrum van de inrichtende macht of van de scholengemeenschap. Daarbij geldt steeds dat de afstand over de openbare weg tussen de instelling van aanstelling of affectatie en de instelling waar het personeelslid wordt belast met de hiervoor vermelde taken, nooit meer dan 25 kilometer mag bedragen. Dat geldt niet als het personeelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden.
3In afwijking van het tweede lid belast de inrichtende macht het personeelslid van een centrum voor volwassenenonderwijs altijd in hetzelfde centrum met de hiervoor vermelde taken en dit rekening houdend met artikel 36novies/2.
4Tijdens de periode waarin het personeelslid met een niet-organieke betrekking als vermeld in het eerste lid wordt belast, is het personeelslid in dienstactiviteit. Het personeelslid blijft titularis van haar betrekking, behoudt daarbij haar salaris en kan worden vervangen volgens de gebruikelijke vervangingsregeling.
+11 −8 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 62
1Voor de vastbenoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:1§1. Voor de vastbenoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:
21° het vrijwillig ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten na inachtneming van een opzeggingstermijn van minstens vijftien kalenderdagen;21° het vrijwillig ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten na inachtneming van een opzeggingstermijn van minstens vijftien kalenderdagen;
32° het bereiken van de leeftijdsgrens;
32° ...;
43° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 64, 6° of 7°;43° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 64, 6° of 7°;
54° de definitieve pensionering;
65° het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel;
54° ...;
65° ...;
76° ...;76° ...;
87° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.87° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.
9In afwijking van punt 2° geeft het bereiken van de leeftijdsgrens geen aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
10Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :
111° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;
122° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt' zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.
9§2. De inrichtende macht kan een einde maken aan de vaste benoeming of aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van een personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft. De inrichtende macht neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht, die gelijk is aan drie maanden per begonnen schijf van tien jaar dienstanciënniteit die het personeelslid heeft verworven. De opzegging wordt gemotiveerd.
10Met behoud van de toepassing van het eerste lid, kan het personeelslid bij het voltooien van de opzeggingstermijn voortwerken tot het einde van de maand waarin het personeelslid de opzeggingstermijn volbracht heeft.
11De opzeggingstermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de maandag die volgt op de week waarin de inrichtende macht het personeelslid op de hoogte heeft gebracht van het ontslag.
12De kennisgeving gebeurt op straffe van nietigheid op een van de volgende wijzen:
131° met een aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van de verzending ervan;
142° bij deurwaardersexploot.Op straffe van nietigheid vermeldt de kennisgeving, vermeld in het vierde lid, het begin en de duur van de opzeggingstermijn.
15In afwijking van het eerste lid kunnen de inrichtende macht en het personeelslid in onderling akkoord een einde maken aan de vaste benoeming of aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Dat akkoord blijkt uit een geschrift. Het geschrift vermeldt de datum van de beëindiging van de vaste benoeming of van de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur en wordt door beide partijen ondertekend.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 64
87° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom tot afzetting wordt overgegaan, kan de inrichtende macht beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen of centra.87° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom tot afzetting wordt overgegaan, kan de inrichtende macht beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen of centra.
9Een tuchtmaatregel is definitief indien de termijn waarin is voorzien voor het instellen van een beroep is verstreken of nadat in beroep een definitieve beslissing werd genomen.9Een tuchtmaatregel is definitief indien de termijn waarin is voorzien voor het instellen van een beroep is verstreken of nadat in beroep een definitieve beslissing werd genomen.
10Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht dan kan de tuchtstraf enkel worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.10Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht dan wordt de tuchtstraf meegedeeld aan de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 3
32° aanvullende uren: uren paramedische, medische, psychologische, sociale of orthopedagogische hulp toegekend voor specifieke behoeften;32° aanvullende uren: uren paramedische, medische, psychologische, sociale of orthopedagogische hulp toegekend voor specifieke behoeften;
43° administratieve vestigingsplaats: vestigingsplaats door het schoolbestuur gekozen als administratieve zetel van de school;43° administratieve vestigingsplaats: vestigingsplaats door het schoolbestuur gekozen als administratieve zetel van de school;
54° afstand: de kortst mogelijke afstand gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2.1van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, éénrichtingsverkeer en autosnelwegen;54° afstand: de kortst mogelijke afstand gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2, I, 1, van het koninklijk besluit van 3 juni 2024 betreffende de code van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, éénrichtingsverkeer en autosnelwegen;
64° bis afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;64° bis afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;
74° bis/1 afzonderingskamer: een specifieke, veilig ingerichte, hoog beveiligde ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;74° bis/1 afzonderingskamer: een specifieke, veilig ingerichte, hoog beveiligde ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;
+8 −2 decreet-1997-02-25/art. 12/1
1§1. Leerlingen die zes jaar worden vóór 1 januari van het lopende schooljaar worden nog één schooljaar toegelaten tot een erkende school voor het Nederlandstalig gewoon kleuteronderwijs als ze behoren tot een van de volgende categorieën:
21° de leerlingen die het kleuteronderwijs conform artikel 13, §1, niet met vrucht beëindigd hebben;
32° de leerlingen met een IAC-verslag waarvan de school, conform artikel 13, §2, beslist heeft dat de leerling niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs;
43° de leerlingen, die het voorafgaande schooljaar niet ingeschreven waren in een erkende school voor het gewoon Nederlandstalig kleuteronderwijs.
5Leerlingen die zes jaar worden vóór 1 januari van het lopende schooljaar en die het kleuteronderwijs wel met vrucht beëindigd hebben of die een IAC-verslag hebben en mogen doorstromen naar het gewoon lager onderwijs, kunnen zich niet meer inschrijven in een erkende school voor het gewoon Nederlandstalig kleuteronderwijs, tenzij na gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar kleuteronderwijs heeft gevolgd. De klassenraad neemt een beslissing op verzoek van de ouders. De klassenraad geeft de ouders toelichting bij de beslissing.
6In afwijking van het tweede lid beslist bij schoolverandering de klassenraad van de school waar de leerling zich wil inschrijven of de leerling die het kleuteronderwijs met vrucht beëindigd heeft of die een IAC-verslag heeft en die kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs en die zes jaar wordt voor 1 januari van het lopende schooljaar nog één schooljaar gewoon Nederlandstalig kleuteronderwijs kan volgen. De klassenraad neemt een beslissing op verzoek van de ouders. De klassenraad geeft de ouders toelichting bij de beslissing.
7De beslissing over toelating van de leerlingen door de klassenraad van de school waar de leerling zich wil inschrijven, wordt uiterlijk vijftien kalenderdagen na de aanvang van de regelmatige lesbijwoning genomen. De leerlingen worden ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. Bij overschrijding van de termijn is de leerling toegelaten. De inschrijving onder ontbindende voorwaarde wordt ontbonden de dag na de mededeling van de ongunstige beslissing van de klassenraad kleuteronderwijs aan de ouders. Bij schoolverandering in de loop van het schooljaar wordt de beslissing van de klassenraad overgedragen naar de nieuwe school.
1§ 1. In het gewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar nog één schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden. De klassenraad adviseert over de toelating tot het kleuteronderwijs en na kennisneming van en toelichting bij het advies nemen de ouders daaromtrent een beslissing .8Leerlingen die zes jaar worden voor 1 januari van het lopende schooljaar kunnen nog één schooljaar toegelaten worden tot een school voor Franstalig onderwijs in de rand- en taalgrensgemeenten die deel uitmaken van het Nederlandse taalgebied, na gunstige beslissing van de klassenraad kleuteronderwijs.
2Voor leerlingen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is geen advies als vermeld in het eerste lid, vereist.
3§ 2. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden. Het volgen van kleuteronderwijs kan daarna nog met één schooljaar verlengd worden. De klassenraad adviseert over de toelating tot het kleuteronderwijs en na kennisneming van en toelichting bij het advies nemen de ouders daaromtrent een beslissing.9§ 2. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden. Het volgen van kleuteronderwijs kan daarna nog met één schooljaar verlengd worden. De klassenraad adviseert over de toelating tot het kleuteronderwijs en na kennisneming van en toelichting bij het advies nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
4Voor leerlingen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is geen advies als vermeld in het eerste lid, vereist.10Voor leerlingen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is geen advies als vermeld in het eerste lid, vereist.
+12 −0 decreet-1997-02-25/art. 13
1§1. Voor leerlingen die ingeschreven zijn in het Nederlandstalig erkend gewoon kleuteronderwijs en die vijf jaar zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar evalueert de klassenraad kleuteronderwijs of die leerlingen in voldoende mate de doelen uit het leerplan die de te bereiken of na te streven minimumdoelen, vermeld in artikel 44, §1, 2° en 3°, beogen, hebben bereikt of nagestreefd, naar gelang het geval.
2De leerlingenevaluatie resulteert in de beslissing van de klassenraad over het al dan niet met vrucht beëindigen van het gewoon kleuteronderwijs.
3§2. Voor leerlingen met een IAC-verslag die ingeschreven zijn in het gewoon Nederlandstalig erkend kleuteronderwijs en die vijf jaar worden vóór 1 januari van het lopende schooljaar maakt de klassenraad de afweging of de leerling in het kader van het individueel aangepast curriculum kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs.
4§3. Op initiatief van de klassenraad kunnen ook leerlingen die nog geen vijf jaar zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar, geëvalueerd worden door de klassenraad conform de doelen, vermeld in paragraaf 1. De leerlingenevaluatie resulteert in de beslissing van de klassenraad over het al dan niet met vrucht beëindigen van het gewoon kleuteronderwijs. Op initiatief van de klassenraad kan de klassenraad ook voor leerlingen met een IAC-verslag die nog geen vijf jaar zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar beslissen dat in het kader van het individueel aangepast curriculum de leerling kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs, conform paragraaf 2.
5§4. Bij een beslissing van de klassenraad over het met vrucht beëindigen van het gewoon Nederlandstalig kleuteronderwijs of bij een beslissing over het doorstromen van een leerling met een IAC-verslag naar het gewoon lager onderwijs, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, geldt altijd een vermoeden van deskundigheid.
6§5. Bij een beslissing van de klassenraad kleuteronderwijs over het al dan niet met vrucht beëindigen van het gewoon Nederlandstalig kleuteronderwijs, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 3, beslist de klassenraad kleuteronderwijs of de leerling in het volgend schooljaar een taalintegratietraject als vermeld in artikel 11quater, §3, moet volgen in het gewoon kleuteronderwijs of in het gewoon lager onderwijs.
7Voor leerlingen die ingeschreven zijn in het Nederlandstalig gewoon kleuteronderwijs en die zes jaar worden vóór 1 januari van het lopend schooljaar beslist de klassenraad kleuteronderwijs of die leerlingen een taalintegratietraject als vermeld in artikel 11quater, §3, in het gewoon lager onderwijs moeten volgen.
8In afwijking van het eerste lid hoeft er voor een leerling zonder IAC-verslag die doof of slechthorend is als vermeld in artikel 37/8, §5, of artikel 37/45, §5, en die ingeschreven is in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal, en voor een leerling die speciale onderwijsleermiddelen in de vorm van tolken ter beschikking krijgt als vermeld in artikel 91, §1 en §2, geen beslissing tot het volgen van een taalintegratietraject te worden genomen.
9§6. De beslissing over het al dan niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs en de beslissing over het doorstromen van een leerling met een IAC-verslag naar het gewoon lager onderwijs, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, wordt uiterlijk op 30 juni aan de ouders meegedeeld. De beslissing van de klassenraad tot niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs of tot het niet doorstromen van een leerling met een IAC-verslag naar het gewoon lager onderwijs bevat de schriftelijke motivering waarom het kleuteronderwijs niet met vrucht beëindigd werd of waarom de leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs alsook de aandachtspunten voor de toekomst. De ouders worden geacht die beslissing uiterlijk op 1 juli in ontvangst te hebben genomen. Bij de mededeling van de beslissing wordt ook vermeld of de leerling een taalintegratietraject als vermeld in paragraaf 5, eerste lid, moet volgen.
10Voor leerlingen die voor 1 januari van het lopende schooljaar 6 jaar zijn geworden en waarvoor dus alleen een beslissing over het opleggen van het taalintegratietraject genomen wordt als vermeld in paragraaf 5, tweede lid, wordt de beslissing tot het opleggen van een taalintegratietraject uiterlijk op 30 juni aan de ouders meegedeeld.
11Als de ouders niet akkoord gaan met de beslissing dat het kleuteronderwijs niet met vrucht beëindigd is of dat de leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, volgt er, op verzoek van de ouders, een overleg met de directeur of zijn afgevaardigde, binnen een termijn die is vastgelegd in het schoolreglement. De school kan dat overleg niet weigeren. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Dat overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen om de beslissing tot het niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs of de beslissing dat de leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs te bevestigen of te wijzigen. De ouders nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen schriftelijk in ontvangst. De school wijst de ouders schriftelijk op de mogelijkheid tot beroep vermeld in artikel 37/1 tot en met 37/3. Het is voor de ouders niet mogelijk om in beroep te gaan tegen het opleggen van het taalintegratietraject, vermeld in paragraaf 5.
12§7. De Vlaamse regering bepaalt de modaliteiten, de vorm en de procedure tot aflevering van de beslissing over het al dan niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs of de beslissing dat de leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs en de beslissing tot het opleggen van een taalintegratietraject zoals vermeld in paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 en paragraaf 5.
+14 −0 decreet-1997-02-25/art. 13/0 nieuw
1§1. De volgende leerlingen worden als regelmatige leerling toegelaten tot het gewoon Nederlandstalig lager onderwijs:
21° leerlingen die het kleuteronderwijs met vrucht beëindigd hebben of leerlingen met een IAC-verslag waarvan de klassenraad beslist heeft dat ze kunnen doorstromen naar het gewoon lager onderwijs als vermeld in artikel 13, §1, §2 en §3;
32° leerlingen die zeven jaar of ouder worden vóór 1 januari van het lopende schooljaar;
43° leerlingen die de leeftijd van zeven jaar nog niet bereikt hebben voor 1 januari van het lopende schooljaar en die het voorafgaande schooljaar niet ingeschreven waren in een erkende school voor Nederlandstalig gewoon kleuteronderwijs, na een gunstige beslissing van de klassenraad lager onderwijs.
5De beslissing over de toelating van de leerlingen, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt uiterlijk vijftien kalenderdagen na de aanvang van de regelmatige lesbijwoning genomen. De leerlingen, vermeld in het eerste lid, 3°, worden ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. Als de termijn van vijftien kalenderdagen is overschreden, is de leerling toegelaten. De inschrijving onder ontbindende voorwaarde wordt ontbonden de dag na de mededeling van de negatieve beslissing van de klassenraad lager onderwijs aan de ouders. De leerling bijft conform artikel 12/1, §1, toegelaten tot het gewoon kleuteronderwijs
6Bij schoolverandering in de loop van het schooljaar wordt de beslissing van de klassenraad overgedragen naar de nieuwe school, tenzij kennelijk blijkt dat de beslissing is verkregen zonder dat de leerling het oogmerk had om in de school in kwestie daadwerkelijk en regelmatig de lessen te volgen. In dat geval is de klassenraad van de nieuwe school bevoegd om zelf een beslissing te nemen.
7§2. Leerlingen die ingeschreven zijn in scholen voor Franstalig onderwijs in de rand- en taalgrensgemeenten worden toegelaten tot het gewoon lager onderwijs als ze de leeftijd van zes jaar bereikt hebben vóór 1 januari van het lopende schooljaar. Leerlingen die nog niet de leeftijd van zes jaar bereikt hebben vóór 1 januari van het lopende schooljaar kunnen starten in het Franstalig onderwijs, na toelating van de klassenraad.
8§3. Om toegelaten te worden tot het buitengewoon lager onderwijs moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar.
9Een leerling die de leeftijd van zes jaar voor 1 januari van het lopende schooljaar niet bereikt heeft, kan tot het buitengewoon lager onderwijs toegelaten worden onder de volgende voorwaarden:
101° voor leerlingen die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven waren in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor Nederlandstalig kleuteronderwijs:
11a) een gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling voorafgaand aan de instap in het buitengewoon lager onderwijs kleuteronderwijs gevolgd heeft;
12b) bij een ongunstige beslissing van de klassenraad als vermeld in punt a), een gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling het buitengewoon lager onderwijs wil volgen;
132° voor leerlingen die in het voorgaande schooljaar niet ingeschreven waren in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor Nederlandstalig kleuteronderwijs: een gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling het buitengewoon lager onderwijs wil volgen.
14De beslissing van de school voor kleuteronderwijs, vermeld in het tweede lid, 1°, a), wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk op 30 juni. De ouders worden geacht die beslissing uiterlijk op 1 juli in ontvangst te hebben genomen. De beslissing door de school voor lager onderwijs, vermeld in het tweede lid, 1), b) en 2°, wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk 15 september bij inschrijving vóór 1 september van het lopende schooljaar, of, bij inschrijving vanaf 1 september, uiterlijk vijftien kalenderdagen na die inschrijving. Als de leerling geen beroep kan doen op het behoud van in-schrijving conform artikel 37bis, §4, is de leerling in afwachting van die mededeling ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. Bij overschrijding van de termijn is de leerling ingeschreven of toegelaten. De inschrijving onder ontbindende voorwaarde wordt ontbonden de dag na de mededeling van de negatieve beslissing van de klas-senraad lager onderwijs aan de ouders. De leerling bijft conform artikel 12/1, §3, toegelaten tot het buitengewoon kleuteronderwijs.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 13/1
18§4/1. In afwijking van paragraaf 2 hoeft er bij de adviezen en beslissingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, a) en b), 2°, a) en b), en 3°, voor een leerling die doof of slechthorend is als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven is in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal of voor een leerling die speciale onderwijsmiddelen in de vorm van tolken ter beschikking krijgt als vermeld in artikel 91, §1 en §2, of voor een leerling die beschikt over een IAC-verslag, geen advies te worden gegeven over de beheersing van het Nederlands en is er geen verplichting voor de klassenraad om een taalintegratietraject op te leggen.18§4/1. In afwijking van paragraaf 2 hoeft er bij de adviezen en beslissingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, a) en b), 2°, a) en b), en 3°, voor een leerling die doof of slechthorend is als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven is in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal of voor een leerling die speciale onderwijsmiddelen in de vorm van tolken ter beschikking krijgt als vermeld in artikel 91, §1 en §2, of voor een leerling die beschikt over een IAC-verslag, geen advies te worden gegeven over de beheersing van het Nederlands en is er geen verplichting voor de klassenraad om een taalintegratietraject op te leggen.
19§ 5. Om toegelaten te worden tot het buitengewoon lager onderwijs vanaf het schooljaar 2021-2022 moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar.19§ 5. Om toegelaten te worden tot het buitengewoon lager onderwijs vanaf het schooljaar 2021-2022 moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar.
20§6. Dit artikel is van toepassing voor de toelatingen tot en met het schooljaar 2026-2027.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 14/0
7b) voor leerlingen die in het voorgaande schooljaar niet ingeschreven waren in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor Nederlandstalig kleuteronderwijs: een gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling het buitengewoon lager onderwijs wil volgen;7b) voor leerlingen die in het voorgaande schooljaar niet ingeschreven waren in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor Nederlandstalig kleuteronderwijs: een gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling het buitengewoon lager onderwijs wil volgen;
8c) het advies door de school voor kleuteronderwijs wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk op 30 juni. De beslissing door de school voor lager onderwijs wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk de tiende schooldag van september bij inschrijving vóór 1 september van het lopende schooljaar, of, bij inschrijving vanaf 1 september, uiterlijk tien schooldagen na die inschrijving. Als de leerling geen beroep kan doen op het behoud van inschrijving conform artikel 37bis, §4, is de leerling in afwachting van die mededeling ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. Bij overschrijding van de voormelde termijn is de leerling ingeschreven of toegelaten. De inschrijving onder ontbindende voorwaarde wordt ontbonden de dag na de mededeling van de negatieve beslissing van de klassenraad lager onderwijs aan de ouders.8c) het advies door de school voor kleuteronderwijs wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk op 30 juni. De beslissing door de school voor lager onderwijs wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk de tiende schooldag van september bij inschrijving vóór 1 september van het lopende schooljaar, of, bij inschrijving vanaf 1 september, uiterlijk tien schooldagen na die inschrijving. Als de leerling geen beroep kan doen op het behoud van inschrijving conform artikel 37bis, §4, is de leerling in afwachting van die mededeling ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. Bij overschrijding van de voormelde termijn is de leerling ingeschreven of toegelaten. De inschrijving onder ontbindende voorwaarde wordt ontbonden de dag na de mededeling van de negatieve beslissing van de klassenraad lager onderwijs aan de ouders.
9Dit artikel is van toepassing voor de toelatingen tot en met het schooljaar 2026-2027.
+6 −6 decreet-1997-02-25/art. 14/1
1§ 1. Een leerling die het getuigschrift basisonderwijs behaald heeft, kan geen lager onderwijs meer volgen, tenzij na gunstig advies door de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd. De klassenraad geeft het advies op vraag van de ouders. De klassenraad geeft de ouders toelichting bij het advies. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van de klassenraad nemen de ouders daaromtrent een beslissing.1§ 1. Een leerling die het getuigschrift basisonderwijs behaald heeft, kan geen lager onderwijs meer volgen, tenzij na gunstige beslissing door de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd. De klassenraad geeft de beslissing op vraag van de ouders. De klassenraad geeft de ouders toelichting bij de beslissing. Na kennisneming van en toelichting bij de beslissing van de klassenraad nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
2Als de leerling het voorafgaande schooljaar geen les heeft gevolgd in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt het advies verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het gewoon lager onderwijs wil volgen.2Als de leerling het voorafgaande schooljaar geen les heeft gevolgd in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt de beslissing verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het gewoon lager onderwijs wil volgen.
3§ 2. In het gewoon lager onderwijs kan een leerling die veertien jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na gunstig advies van de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd. De klassenraad geeft advies op vraag van de ouders of op eigen initiatief. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van de klassenraad nemen de ouders daaromtrent een beslissing.3§ 2. In het gewoon lager onderwijs kan een leerling die veertien jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd. De klassenraad geeft de beslissing op vraag van de ouders of op eigen initiatief. Na kennisneming van en toelichting bij de beslissing van de klassenraad nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
4Als de leerling het voorafgaande schooljaar geen les heeft gevolgd in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt het advies verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het gewoon lager onderwijs wil volgen..4Als de leerling het voorafgaande schooljaar geen les heeft gevolgd in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt de beslissing verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het gewoon lager onderwijs wil volgen..
5§ 3.In het buitengewoon lager onderwijs kan een leerling die veertien jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na advies van de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd. De klassenraad geeft advies op vraag van de ouders of op eigen initiatief. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van de klassenraad nemen de ouders daaromtrent een beslissing.5§ 3.In het buitengewoon lager onderwijs kan een leerling die veertien jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na advies van de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd. De klassenraad geeft advies op vraag van de ouders of op eigen initiatief. Na kennisneming van en toelichting bij de beslissing van de klassenraad nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
6Als een leerling het voorgaande schooljaar niet ingeschreven was in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt het advies verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het buitengewoon lager onderwijs wil volgen.6Als een leerling het voorgaande schooljaar niet ingeschreven was in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt de beslissing verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het buitengewoon lager onderwijs wil volgen.
7Op basis van het cyclisch proces van handelingsplanmatig werken geeft de school voor buitengewoon basisonderwijs, in samenspraak met de ouders, jaarlijks aan het CLB door voor welke leerlingen een evaluatie aangewezen is van de inschrijving van een leerling in de school voor buitengewoon basisonderwijs. Ouders kunnen de evaluatie ook rechtstreeks aan het CLB vragen. De evaluatie gebeurt door het CLB op basis van een handelingsgericht diagnostisch traject samen met de leerling tenzij dat niet mogelijk is, de ouders en de school, waarbij samen wordt bekeken of de leerling kan terugkeren naar het gewoon basisonderwijs binnen het gemeenschappelijke curriculum, of om een individueel aangepast curriculum te volgen.7Op basis van het cyclisch proces van handelingsplanmatig werken geeft de school voor buitengewoon basisonderwijs, in samenspraak met de ouders, jaarlijks aan het CLB door voor welke leerlingen een evaluatie aangewezen is van de inschrijving van een leerling in de school voor buitengewoon basisonderwijs. Ouders kunnen de evaluatie ook rechtstreeks aan het CLB vragen. De evaluatie gebeurt door het CLB op basis van een handelingsgericht diagnostisch traject samen met de leerling tenzij dat niet mogelijk is, de ouders en de school, waarbij samen wordt bekeken of de leerling kan terugkeren naar het gewoon basisonderwijs binnen het gemeenschappelijke curriculum, of om een individueel aangepast curriculum te volgen.
8Als ouders beslissen voor een leerling om terug te keren naar het gewoon basisonderwijs, ondersteunen de school voor buitengewoon basisonderwijs en het CLB de ouders bij het vinden van en bij de overstap naar een school voor gewoon basisonderwijs waar de leerling wordt ingeschreven in geval van een GC-verslag, of onder ontbindende voorwaarde wordt ingeschreven in geval van een IAC-verslag met het oog op de afweging van redelijke aanpassingen.8Als ouders beslissen voor een leerling om terug te keren naar het gewoon basisonderwijs, ondersteunen de school voor buitengewoon basisonderwijs en het CLB de ouders bij het vinden van en bij de overstap naar een school voor gewoon basisonderwijs waar de leerling wordt ingeschreven in geval van een GC-verslag, of onder ontbindende voorwaarde wordt ingeschreven in geval van een IAC-verslag met het oog op de afweging van redelijke aanpassingen.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 15
1§ 1. Naast de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 12, § 1, 12/1, § 2, 13/1, § 5, 14/0, 2°, en 14/1, § 1, § 3, § 4, is voor de toelating van een leerling tot het buitengewoon onderwijs, met uitzondering voor de toelating tot type 5, of voor een individueel aangepast curriculum in het gewoon basisonderwijs, het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject met de opmaak van een IAC-verslag van een CLB vereist, opgesteld met inachtname van artikel 7 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, waaruit blijkt:1§ 1. Naast de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 12, § 1, 12/1, § 2, 13/0, §3, en 14/1, § 1, § 3, § 4, is voor de toelating van een leerling tot het buitengewoon onderwijs, met uitzondering voor de toelating tot type 5, of voor een individueel aangepast curriculum in het gewoon basisonderwijs, het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject met de opmaak van een IAC-verslag van een CLB vereist, opgesteld met inachtname van artikel 7 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, waaruit blijkt:
21° dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;21° dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;
32° dat met toepassing van de principes van artikel 8, tweede lid, de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;32° dat met toepassing van de principes van artikel 8, tweede lid, de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 20
1§1. Een regelmatige leerling is een leerling die:1§1. Een regelmatige leerling is een leerling die:
21° voldoet aan de toelatingsvoorwaarden zoals bepaald in de artikelen 12, 12/1, 13/1, 14/0, 14/1, 15 of 16;21° voldoet aan de toelatingsvoorwaarden zoals bepaald in de artikelen 12, 12/1, 13/0, 14/1, 15 of 16;
32° slechts in één school is ingeschreven.32° slechts in één school is ingeschreven.
4§2. Leerplichtigen of leerlingen die niet leerplichtig zijn, maar ingeschreven zijn in het lager onderwijs zijn een regelmatige leerling als ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, en aan al de volgende voorwaarden:4§2. Leerplichtigen of leerlingen die niet leerplichtig zijn, maar ingeschreven zijn in het lager onderwijs zijn een regelmatige leerling als ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, en aan al de volgende voorwaarden:
+2 −1 decreet-1997-02-25/art. 20/1
1§1. Leerlingen die ingeschreven zijn in een school voor basisonderwijs, kunnen deeltijds lessen en activiteiten volgen in een andere school voor basisonderwijs dan de school waar ze ingeschreven zijn of in een school voor voltijds secundair onderwijs. Lesbijwoning in een school voor buitengewoon onderwijs is alleen mogelijk voor leerlingen met een IAC-verslag die ingeschreven zijn in een school voor gewoon onderwijs.1§1. Leerlingen die ingeschreven zijn in een school voor basisonderwijs, kunnen deeltijds lessen en activiteiten volgen in een andere school voor basisonderwijs dan de school waar ze ingeschreven zijn of in een school voor voltijds secundair onderwijs. Lesbijwoning in een school voor buitengewoon onderwijs is alleen mogelijk voor leerlingen met een IAC-verslag.
2§1/1. In afwijking van paragraaf 1 is voor het volgen van de taalheldklassen, vermeld in artikel 139vicies semel, §2, voltijdse lesbijwoning in een andere school mogelijk.
2§2. Als de lesbijwoning, vermeld in paragraaf 1, kadert in de organisatie van een taalintegratietraject als vermeld in artikel 11quater, §3, werken de scholen samen voor de organisatie van het vervoer van de ingeschreven leerling van en naar de school die het taalintegratietraject organiseert.3§2. Als de lesbijwoning, vermeld in paragraaf 1, kadert in de organisatie van een taalintegratietraject als vermeld in artikel 11quater, §3, werken de scholen samen voor de organisatie van het vervoer van de ingeschreven leerling van en naar de school die het taalintegratietraject organiseert.
3§3. In afwijking van paragraaf 1 kunnen leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van leerlingen van type 5, voltijds lessen of activiteiten volgen in een school voor gewoon basisonderwijs voor een periode van maximaal twee schooljaren, met het oog op een overstap naar het gewoon onderwijs. In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB ondersteunt de school voor buitengewoon onderwijs de school voor gewoon onderwijs.4§3. In afwijking van paragraaf 1 kunnen leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van leerlingen van type 5, voltijds lessen of activiteiten volgen in een school voor gewoon basisonderwijs voor een periode van maximaal twee schooljaren, met het oog op een overstap naar het gewoon onderwijs. In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB ondersteunt de school voor buitengewoon onderwijs de school voor gewoon onderwijs.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 31
43° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de ouders er zich expliciet tegen verzetten, na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien.43° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de ouders er zich expliciet tegen verzetten, na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien.
54° de vorige school van inschrijving brengt de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag of GC-verslag. Het CLB dat verbonden is aan de vorige school van inschrijving brengt het CLB dat verbonden is met de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag of GC-verslag. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen die overdrachten niet verzetten;54° de vorige school van inschrijving brengt de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag of GC-verslag. Het CLB dat verbonden is aan de vorige school van inschrijving brengt het CLB dat verbonden is met de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag of GC-verslag. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen die overdrachten niet verzetten;
64°/1 het tuchtdossier, vermeld in artikel 33, 1°/1 en 3°, wordt alleen bezorgd aan een lid van het schoolteam dat betrokken is bij de begeleiding van de leerling en dat daarvoor gemandateerd is door het schoolbestuur. Het lid van het schoolteam behandelt het dossier vertrouwelijk en kan alleen met andere leden van het schoolteam informatie die is opgenomen in het tuchtdossier, vermeld in artikel 33, 1°/1 en 3°, delen als dat noodzakelijk is voor de begeleiding van de leerling en als dat in het belang van de leerling is. Voor de informatie uit het tuchtdossier, vermeld in artikel 33, 1°/1 en 3°, wordt gedeeld, gaat de school in gesprek met de ouders en de leerling. Ook de andere leden van het schoolteam met wie de informatie gedeeld wordt, behandelen de informatie vertrouwelijk. Ouders kunnen zich niet verzetten tegen de overdracht van het tuchtdossier, vermeld in artikel 33, 1°/1 en 3°
65° het schoolbestuur van de onderwijsinstelling of de gemandateerde is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens voor de looptijd dat deze bewaard dienen te worden;75° het schoolbestuur van de onderwijsinstelling of de gemandateerde is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens voor de looptijd dat deze bewaard dienen te worden;
76° het centrumbestuur van het CLB dat het IAC-verslag of het GC-verslag, vermeld in punt 4°, heeft opgesteld, is verantwoordelijke voor de verwerking door of ter voorbereiding van het IAC-verslag of GC-verslag. Het centrumbestuur van het overnemende CLB is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking na de ontvangst van het IAC-verslag of GC-verslag.86° het centrumbestuur van het CLB dat het IAC-verslag of het GC-verslag, vermeld in punt 4°, heeft opgesteld, is verantwoordelijke voor de verwerking door of ter voorbereiding van het IAC-verslag of GC-verslag. Het centrumbestuur van het overnemende CLB is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking na de ontvangst van het IAC-verslag of GC-verslag.
8Gegevens die betrekking hebben op schending van leefregels door de leerling zijn echter nooit tussen scholen overdraagbaar.
9De Vlaamse Regering kan de regels bepalen omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke, veilige en transparante verwerking.9De Vlaamse Regering kan de regels bepalen omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke, veilige en transparante verwerking.
10§ 2. Paragraaf 1 is, met uitzondering van het eerste lid, 4°, ook van toepassing bij schoolverandering van basisonderwijs naar secundair onderwijs.10§ 2. Paragraaf 1 is, met uitzondering van het eerste lid, 4°, ook van toepassing bij schoolverandering van basisonderwijs naar secundair onderwijs.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 33
1Tijdelijke en definitieve uitsluitingen kunnen alleen uitgevoerd worden na een procedure die de rechten van verdediging waarborgt en waarin de volgende principes gerespecteerd worden:1Tijdelijke en definitieve uitsluitingen kunnen alleen uitgevoerd worden na een procedure die de rechten van verdediging waarborgt en waarin de volgende principes gerespecteerd worden:
21° het voorafgaandelijke advies van de klassenraad moet worden ingewonnen. In geval van een definitieve uitsluiting moet de klassenraad uitgebreid worden met een vertegenwoordiger van het CLB die een adviserende stem heeft;21° het voorafgaandelijke advies van de klassenraad moet worden ingewonnen. In geval van een definitieve uitsluiting moet de klassenraad uitgebreid worden met een vertegenwoordiger van het CLB die een adviserende stem heeft;
31°/1 in het tuchtdossier worden de maatregelen opgenomen die de school heeft genomen om de leerling te begeleiden. Als er geen begeleidende maatregelen zijn genomen, wordt aangegeven waarom begeleiding niet mogelijk is en welke stappen de school heeft gezet om, in samenwerking met de ouders en eventueel externe partners, de onmogelijkheid te vermijden;
32° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de ouders schriftelijk ter kennis gebracht;42° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de ouders schriftelijk ter kennis gebracht;
43° de ouders en de leerling hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling, met inbegrip van het advies van de klassenraad, en worden gehoord, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon;53° de ouders en de leerling hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling, met inbegrip van het advies van de klassenraad, en worden gehoord, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon;
+20 −2 decreet-1997-02-25/art. 35
1§1. Leerlingen die vijf jaar of ouder geworden zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 15, §1, maar voor wie het omwille van een handicap permanent onmogelijk is onderwijs te volgen op school, hebben na gunstig advies van de onderwijsinspectie, recht op permanent onderwijs aan huis.1§1. Leerlingen die vijf jaar of ouder geworden zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar en die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 15, §1, maar voor wie het vanwege een handicap permanent onmogelijk is onderwijs te volgen op school, hebben na een gunstige beslissing van het CLB recht op permanent onderwijs aan huis.
2§ 2. De ouders kiezen in overleg met het CLB de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon onderwijs van hun vrije keuze om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. Deze school wordt aangeduid door de onderwijsinspectie. Omwille van omstandigheden eigen aan het kind en mits omstandige motivering kan een andere school voor buitengewoon onderwijs worden gekozen.
2Ouders kunnen een aanvraag voor permanent onderwijs aan huis indienen bij het begeleidende CLB van de basisschool van hun kind. Indien het kind nog niet ingeschreven is in een basisschool, dan kan de ouder de vraag richten aan het CLB van een onderwijsnet naar keuze, het dichtst gelegen bij de woonplaats van de leerling.
3Voor leerlingen die nog niet over een IAC-verslag beschikken, wordt er een handelingsgericht diagnostisch traject opgestart. Voor leerlingen die al over een IAC-verslag beschikken, sluit de aanvraag, vermeld in het tweede lid, aan bij verdere stappen in hun handelingsgericht diagnostisch traject.
4§2. De basis voor de beslissing door het CLB over de overweging of permanent onderwijs aan huis voor de leerling het meest passend aanbod is, ligt in het handelingsgericht diagnostisch traject van de leerling. De beslissing wordt toegevoegd aan het IAC-verslag van de leerling. Het CLB kent het recht op permanent onderwijs aan huis toe op basis van de volgende criteria:
51° de mate waarin de leerling slechts een beperkt onderwijsaanbod aankan door de absolute prioriteit van de nood aan zorg en comfort;
62° de mate waarin in een school verzekerd kan worden dat de leerling veilig onderwijs kan volgen. Het CLB maakt een afweging van de mate waarin een specifieke context is vereist voor de veiligheid van de leerling. Een specifieke context is vereist voor:
7a) het tijdig opmerken van een medisch probleem met grote impact op het functioneren of de veiligheid van het kind en een gepaste reactie daarop;
8b) het voorkomen en hanteren van een uitgesproken gedragsstoornis waarbij de leerling zichzelf of anderen regelmatig ernstig in gevaar brengt;
93° de mate waarin de verplaatsing naar de school mogelijk is omwille van de medische of psychische conditie van de leerling;
104° de contextfactoren in combinatie met criterium 1°, 2° of 3° waardoor permanent onderwijs aan huis de enige mogelijkheid is om het leerrecht vorm te geven. Gebrek aan capaciteit kan in deze niet ingeroepen worden als een contextfactor.
11De motivatie door het CLB op basis van bovenstaande criteria wordt aangevuld met een medisch attest van een arts-specialist dat bevestigt dat permanent aan huis nodig is. Het medisch attest wordt ook toegevoegd aan het IAC-verslag.
12§3. Het CLB, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, bepaalt hoe lang de leerling recht heeft op permanent onderwijs aan huis. Het CLB kent dat recht toe voor een periode van maximaal drie schooljaren. Het recht kan verlengd worden met periodes van maximaal drie schooljaren na een nieuwe aanvraag door de ouders. Het CLB kent de verlenging toe, tenzij er bij de leerling een evolutie vastgesteld wordt die een heroverweging ten gronde noodzakelijk maakt. Het recht loopt in ieder geval af op het einde van het buitengewoon basisonderwijs.
13In afwijking van het eerste lid is in geval van toekenning van permanent onderwijs aan huis op basis van een gedragsstoornis jaarlijks zowel een beslissing door het CLB als een medisch attest door een arts-specialist nodig.
14§4. De beslissing over de aanvraag voor permanent onderwijs aan huis door het CLB wordt genomen binnen zestig kalenderdagen na de aanvraag.
15§5. Als ouders en het CLB geen akkoord bereiken over de behoefte aan permanent onderwijs aan huis als meest passende aanbod, kan een beroep gedaan worden op de klachtenprocedure die van toepassing is bij onenigheid over de noodzaak of inhoud van het IAC-verslag, conform artikel 16, §3, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding en artikel 15, §7, van dit decreet.
16§6. In afwijking van artikel 37bis tot en met 37vicies septies en de bepalingen van hoofdstuk IV/2 hebben de leerlingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, onverkort recht op inschrijving in de vestigingsplaats voor buitengewoon basisonderwijs op de kortst mogelijke afstand over de berijdbare weg van ofwel het officieel onderwijs ofwel het gesubsidieerd vrij onderwijs, naar keuze van de ouders, bij de verblijfplaats van de leerling, dat het type, vermeld in het IAC-verslag, aanbiedt.
17De leerling met een IAC-verslag van type 4, 6 of 7 zonder school van keuze met dat aanbod op een redelijke afstand van de verblijfplaats van de leerling kan het onverkort recht op inschrijving laten gelden in de dichtstbijzijnde vestigingsplaats voor buitengewoon basisonderwijs op de kortst mogelijke afstand over de berijdbare weg van ofwel het officieel onderwijs ofwel het gesubsidieerd vrij onderwijs, naar keuze van de ouders bij de verblijfplaats van de leerling.
18In afwijking van artikel 37bis tot en met 37vicies septies en de bepalingen van hoofdstuk IV/2, kan een schoolbestuur de inschrijving van een leerling met recht op permanent onderwijs aan huis weigeren in een andere vestigingsplaats dan vermeld in het eerste en het tweede lid.
19§7. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kunnen de leerlingen die voldoen aan de voor-waarden, vermeld in artikel 15, §1, en aan wie permanent onderwijs aan huis in het buitengewoon basisonderwijs toegekend werd voor 1 september 2026, gedurende maximaal drie schooljaren na 2025-2026 en uiterlijk tot het einde van het onderwijsniveau verder gebruik maken van het permanent onderwijs aan huis in de school van het buitengewoon basisonderwijs, binnen de door de onderwijsinspectie toegekende periode. Als de toegekende periode afloopt op het einde van het schooljaar 2026-2027 kan de periode door het CLB verlengd worden zonder een overweging ten gronde, met maximaal 1 schooljaar binnen hetzelfde onderwijsniveau.
20§8. De toepassing door de CLB’s van de bepalingen opgenomen in dit artikel worden vanaf het schooljaar 2026-2027 gemonitord en in het schooljaar 2027-2028 geëvalueerd.
+2 −1 decreet-1997-02-25/art. 37
1813° richtlijnen over aanwezigheden, in het bijzonder voor de leerplichtige kleuters, en te laat komen;1813° richtlijnen over aanwezigheden, in het bijzonder voor de leerplichtige kleuters, en te laat komen;
1914° dat er leersteun kan worden geboden voor leerlingen met een GC-verslag of IAC-verslag en bij welk leersteuncentrum de school aangesloten is;1914° dat er leersteun kan worden geboden voor leerlingen met een GC-verslag of IAC-verslag en bij welk leersteuncentrum de school aangesloten is;
2015° de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen opgelegde verbod op slimme apparaten, vermeld in artikel 37/0, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding van het verbod op het gebruik van slimme apparaten.2015° de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen opgelegde verbod op slimme apparaten, vermeld in artikel 37/0, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding van het verbod op het gebruik van slimme apparaten;
2116° de procedure tegen de beslissing tot het al dan niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs of de beslissing over de doorstroom van een leerling met een IAC-verslag naar het gewoon lager onderwijs, vermeld in artikel 13, §1 tot en met §3, met inbegrip van de beroepsprocedure, vermeld in artikel 37/1 tot en met 37/3
21§ 3. Voor het lager onderwijs bevat het schoolreglement ten minste de volgende elementen:22§ 3. Voor het lager onderwijs bevat het schoolreglement ten minste de volgende elementen:
221° het reglement inzake tucht en schending van de leefregels van de leerlingen met inbegrip van een preventieve schorsing, een tijdelijke uitsluiting of een definitieve uitsluiting en inzake de beroepsprocedure zoals vermeld in onderafdeling F van deze afdeling, inbegrepen het hanteren van redelijke en haalbare termijnen;231° het reglement inzake tucht en schending van de leefregels van de leerlingen met inbegrip van een preventieve schorsing, een tijdelijke uitsluiting of een definitieve uitsluiting en inzake de beroepsprocedure zoals vermeld in onderafdeling F van deze afdeling, inbegrepen het hanteren van redelijke en haalbare termijnen;
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 37/1
1Ouders die niet akkoord gaan met het niet toekennen van een getuigschrift basisonderwijs aan hun kind , hebben toegang tot een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het schoolreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling. Ouders kunnen evenwel slechts een beroep instellen na het overleg zoals bepaald in artikel 55 .1Ouders die niet akkoord gaan met het niet toekennen van een getuigschrift basisonderwijs aan hun kind of die niet akkoord gaan met de beslissing tot het niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs door hun kind of voor kinderen met een IAC-verslag dat hun kind niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs, vermeld in arti-kel 13, §1 tot en met §3, hebben toegang tot een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het schoolreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling. Ouders kunnen evenwel slechts een beroep instellen na het overleg zoals bepaald in artikel 55 of artikel 13, §6.
2In afwijking van het eerste lid moeten de ouders van kinderen die een negatieve beslissing van de examencommissie, vermeld in artikel 56, hebben ontvangen over het toekennen van het getuigschrift basisonderwijs, geen overleg vragen met de directeur of zijn afgevaardigde als vermeld in artikel 55, eerste lid, voor ze een beroep kunnen instellen. Indien er toch overleg wordt gevraagd door de ouders, kan de directeur of zijn afgevaardigde dit overleg niet weigeren.2In afwijking van het eerste lid moeten de ouders van kinderen die een negatieve beslissing van de examencommissie, vermeld in artikel 56, hebben ontvangen over het toekennen van het getuigschrift basisonderwijs, geen overleg vragen met de directeur of zijn afgevaardigde als vermeld in artikel 55, eerste lid, voor ze een beroep kunnen instellen. Indien er toch overleg wordt gevraagd door de ouders, kan de directeur of zijn afgevaardigde dit overleg niet weigeren.
3De ouders stellen het beroep in bij het schoolbestuur. Het beroep wordt gedateerd en ondertekend en vermeldt ten minste het voorwerp van het beroep met beschrijving van de feiten en motivering van de ingeroepen bezwaren. Bij deze beschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd.3De ouders stellen het beroep in bij het schoolbestuur. Het beroep wordt gedateerd en ondertekend en vermeldt ten minste het voorwerp van het beroep met beschrijving van de feiten en motivering van de ingeroepen bezwaren. Bij deze beschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 37/2
3a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het schoolreglement, is overschreden;3a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het schoolreglement, is overschreden;
4b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het schoolreglement;4b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het schoolreglement;
52° hetzij de bevestiging van het niet toekennen van het getuigschrift basisonderwijs, hetzij de toekenning van het getuigschrift basisonderwijs. Het schoolbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor de beslissing van de beroepscommissie.
52° hetzij de bevestiging van het niet toekennen van het getuigschrift basisonderwijs, hetzij de toekenning van het getuigschrift basisonderwijs, hetzij de bevestiging van het niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs, hetzij de beslissing dat het kleuteronderwijs met vrucht is beëindigd of hetzij de be-vestiging dat een leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs of de beslissing dat een leerling met een IAC-verslag wel kan door-stromen naar het gewoon lager onderwijs. Het schoolbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor de beslissing van de beroepscommissie.
6Het resultaat van het beroep wordt aan de ouders schriftelijk ter kennis gebracht uiterlijk op 15 september daaropvolgend.6Het resultaat van het beroep wordt aan de ouders schriftelijk ter kennis gebracht uiterlijk op 15 september daaropvolgend.
+3 −3 decreet-1997-02-25/art. 37/3
2§ 2. Het schoolbestuur of zijn afgevaardige bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:2§ 2. Het schoolbestuur of zijn afgevaardige bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
31° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;31° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
42° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van de klassenraad die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen ,waaronder alleszins de directeur of zijn afgevaardigde, eventueel aangevuld met een lid van het schoolbestuur; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan dat schoolbestuur en aan de school die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet uit te reiken .42° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van de klassenraad die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen of die beslist heeft dat de kleuter het kleuteronderwijs niet met vrucht heeft beëindigd of die beslist heeft dat de leerling met een IAC-verslag niet kan door-stromen naar het gewoon lager onderwijs,, waaronder alleszins de directeur of zijn afgevaardigde, eventueel aangevuld met een lid van het schoolbestuur; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan dat schoolbestuur en aan de school die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet uit te reiken of die beslist heeft dat de kleuter het kleuteronderwijs niet met vrucht heeft beëindigd of dat de leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs.
5In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:5In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:
6a) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;6a) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;
7b) wordt een lid van de ouderraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen , geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt a) van toepassing is;7b) wordt een lid van de ouderraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen of die beslist heeft dat de kleuter het kleuteronderwijs niet met vrucht heeft beëindigd of die beslist heeft dat een leerling met een IAC-verslag niet kan door-stromen naar het gewoon lager onderwijs, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt a) van toepassing is;
83° de voorzitter wordt door het schoolbestuur onder de externe leden aangeduid.83° de voorzitter wordt door het schoolbestuur onder de externe leden aangeduid.
9§ 3. Het schoolbestuur bepaalt de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:9§ 3. Het schoolbestuur bepaalt de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
112° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;112° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
123° een beroepscommissie hoort de ouders in kwestie;123° een beroepscommissie hoort de ouders in kwestie;
134° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad die het getuigschrift basisonderwijs niet toegekend heeft ;134° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad die het getuigschrift basisonderwijs niet toegekend heeft of die beslist heeft dat het kleuteronderwijs niet met vrucht is beëindigd of die beslist heeft dat de leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs;
145° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van individuele personeelsleden van het onderwijs;145° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van individuele personeelsleden van het onderwijs;
156° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de reglementaire onderwijsbepalingen en met het schoolreglement.156° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de reglementaire onderwijsbepalingen en met het schoolreglement.
+2 −1 decreet-1997-02-25/art. 37novies
2In het gewoon basisonderwijs bepaalt het schoolbestuur de capaciteit op het niveau van de school, van de vestigingsplaats, het niveau kleuteronderwijs en het niveau lager onderwijs. Het schoolbestuur kan de capaciteit voor het kleuteronderwijs ook op niveau van het geboortejaar en voor het lager onderwijs ook op niveau van het leerjaar bepalen.2In het gewoon basisonderwijs bepaalt het schoolbestuur de capaciteit op het niveau van de school, van de vestigingsplaats, het niveau kleuteronderwijs en het niveau lager onderwijs. Het schoolbestuur kan de capaciteit voor het kleuteronderwijs ook op niveau van het geboortejaar en voor het lager onderwijs ook op niveau van het leerjaar bepalen.
3Een schoolbestuur kan voor anderstalige nieuwkomers, als bedoeld in artikel 3, 4°quater, een capaciteit bepalen, enkel indien aldus geweigerde leerlingen een plaats gegarandeerd wordt binnen een school, gelegen op een redelijke afstand en rekening houdend met de vrije keuze van de ouders. Schoolbesturen met scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP maken daartoe binnen het LOP afspraken. Een schoolbestuur met scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP maakt daartoe afspraken met de schoolbesturen van scholen gelegen in dezelfde gemeente. De capaciteit voor anderstalige nieuwkomers kan nooit minder zijn dan acht leerlingen voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van meer dan honderd leerlingen, en vier leerlingen voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van maximaal honderd leerlingen.3Een schoolbestuur kan voor anderstalige nieuwkomers, als bedoeld in artikel 3, 4°quater, een capaciteit bepalen, enkel indien aldus geweigerde leerlingen een plaats gegarandeerd wordt binnen een school, gelegen op een redelijke afstand en rekening houdend met de vrije keuze van de ouders. Schoolbesturen met scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP maken daartoe binnen het LOP afspraken. Een schoolbestuur met scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP maakt daartoe afspraken met de schoolbesturen van scholen gelegen in dezelfde gemeente. De capaciteit voor anderstalige nieuwkomers kan nooit minder zijn dan acht leerlingen voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van meer dan honderd leerlingen, en vier leerlingen voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van maximaal honderd leerlingen.
4In het buitengewoon basisonderwijs bepaalt het schoolbestuur de capaciteit op het niveau van de school, van de vestigingsplaats, het niveau kleuteronderwijs, het niveau lager onderwijs en voor elk type afzonderlijk.
4In het buitengewoon basisonderwijs bepaalt het schoolbestuur de capaciteit op het niveau van de school, van de vestigingsplaats, het niveau kleuteronderwijs, het niveau lager onderwijs en voor elk type afzonderlijk. Het schoolbestuur kan de capaciteit voor het kleuteronderwijs bepalen op het niveau van het geboortejaar en voor het lager onderwijs ook op niveau van het leerjaar, voor een school voor buitengewoon basisonderwijs die samenwerkt met een school voor gewoon onderwijs in een project dat bijdraagt aan de transitie naar inclusief onderwijs als vermeld in artikel IV.55/1 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016. Bij het bepalen van de capaciteit kan een schoolbestuur ervoor kiezen om de capaciteit van kleuters die conform artikel 12/1 nog een schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden, samen te voegen met de capaciteit van het laatste geboortejaar van het kleuteronderwijs waarvoor een kind toegelaten kan worden tot het kleuteronderwijs, zonder een beroep te doen op artikel 12/1.
5In afwijking van het vierde lid is een schoolbestuur niet verplicht om voor zijn scholen voor type 5 de capaciteit te bepalen.5In afwijking van het vierde lid is een schoolbestuur niet verplicht om voor zijn scholen voor type 5 de capaciteit te bepalen.
6§ 2. Met toepassing van paragraaf 1 maakt een schoolbestuur, voor al zijn scholen, de capaciteiten die hij bepaald heeft, bekend aan alle belanghebbenden. Een schoolbestuur deelt voor al zijn scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP de capaciteiten die hij bepaald heeft, mee aan dat LOP.6§ 2. Met toepassing van paragraaf 1 maakt een schoolbestuur, voor al zijn scholen, de capaciteiten die hij bepaald heeft, bekend aan alle belanghebbenden. Een schoolbestuur deelt voor al zijn scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP de capaciteiten die hij bepaald heeft, mee aan dat LOP.
12§ 3. In afwijking van paragraaf 1 kan een schoolbestuur, met toepassing van artikel 37duodecies, § 2, en met toepassing van de overeenkomstig artikel 37septies te bepalen contingenten, de capaciteit, vermeld in paragraaf 1, verhogen na de start van de inschrijvingen.12§ 3. In afwijking van paragraaf 1 kan een schoolbestuur, met toepassing van artikel 37duodecies, § 2, en met toepassing van de overeenkomstig artikel 37septies te bepalen contingenten, de capaciteit, vermeld in paragraaf 1, verhogen na de start van de inschrijvingen.
13In gemeenten gelegen in een werkingsgebied van een LOP, moet de verhoging door het LOP zijn goedgekeurd. In gemeenten gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP deelt het schoolbestuur de verhoging ter kennisgeving mee aan de schoolbesturen van de andere scholen gelegen in die gemeente.13In gemeenten gelegen in een werkingsgebied van een LOP, moet de verhoging door het LOP zijn goedgekeurd. In gemeenten gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP deelt het schoolbestuur de verhoging ter kennisgeving mee aan de schoolbesturen van de andere scholen gelegen in die gemeente.
14Het schoolbestuur kan ervoor kiezen om de capaciteit te verhogen in een school voor buitengewoon basisonderwijs die samenwerkt met een school voor gewoon onderwijs in een project dat bijdraagt aan de transitie naar inclusief onderwijs als vermeld in artikel IV.55/1 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016. In dat geval kan de school ervoor opteren om de capaciteit voor een ander type, geboortejaar of leerjaar met evenveel plaatsen te verminderen. Die keuze is alleen mogelijk als er na de inschrijvingen, of in voorkomend geval na het aflopen van de inschrijvingen van de aangemelde leerlingen voor het desbetreffende capaciteitsniveau, geen niet-gerealiseerde inschrijvingen zijn waarvan de volgorde conform artikel 37duodecies gerespecteerd wordt.
14§ 4. Een schoolbestuur weigert elke bijkomende inschrijving wanneer de capaciteit, als vermeld in paragraaf 1 en 3, overschreden wordt en als een bijkomende inschrijving na de start van de inschrijvingen voor volgend schooljaar er toe zou leiden dat de capaciteit, als vermeld in paragraaf 1 en 3, voor dat volgend schooljaar overschreden zou worden.15§ 4. Een schoolbestuur weigert elke bijkomende inschrijving wanneer de capaciteit, als vermeld in paragraaf 1 en 3, overschreden wordt en als een bijkomende inschrijving na de start van de inschrijvingen voor volgend schooljaar er toe zou leiden dat de capaciteit, als vermeld in paragraaf 1 en 3, voor dat volgend schooljaar overschreden zou worden.
15§ 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een schoolbestuur in volgende situaties toch overgaan tot een inschrijving :16§ 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een schoolbestuur in volgende situaties toch overgaan tot een inschrijving :
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 37/26
3§ 2. Met uitzondering van leerlingen die zijn ingeschreven in overcapaciteit conform artikel 37/28, wordt bij het invullen van vrijgekomen plaatsen of bijkomende plaatsen door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 37/20, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd, met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/22, 37/22/1 en 37/24, en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. En dit wat de leerlingen, vermeld in artikel 37/24 betreft, met het oog op het bereiken van het respectievelijke aandeel in artikel 37/24, § 1. Voor kleuters geboren in het meest recente kalenderjaar dat mogelijk is voor de inschrijvingen van het betrokken schooljaar, wordt deze volgorde gerespecteerd tot en met 30 juni van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Uiterlijk vanaf 1 juli geldt de volgorde van de weigeringen van kleuters van hetzelfde geboortejaar voor het volgende schooljaar.3§ 2. Met uitzondering van leerlingen die zijn ingeschreven in overcapaciteit conform artikel 37/28, wordt bij het invullen van vrijgekomen plaatsen of bijkomende plaatsen door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 37/20, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd, met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/22, 37/22/1 en 37/24, en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. En dit wat de leerlingen, vermeld in artikel 37/24 betreft, met het oog op het bereiken van het respectievelijke aandeel in artikel 37/24, § 1. Voor kleuters geboren in het meest recente kalenderjaar dat mogelijk is voor de inschrijvingen van het betrokken schooljaar, wordt deze volgorde gerespecteerd tot en met 30 juni van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Uiterlijk vanaf 1 juli geldt de volgorde van de weigeringen van kleuters van hetzelfde geboortejaar voor het volgende schooljaar.
4Ouders van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.4Ouders van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.
5Een schoolbestuur kan ervoor opteren om de volgorde van de weigeringen niet te respecteren voor een leerling die via een aanmeldingsprocedure geweigerd is en al ingeschreven is in een school van hogere keuze.
5§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.6§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.
6§ 4. Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.7§ 4. Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 37/28
14§2. In afwijking van artikel 37/20, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20/1, §3, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.14§2. In afwijking van artikel 37/20, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20/1, §3, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
15§3. In afwijking van artikel 37/20, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1.15§3. In afwijking van artikel 37/20, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1.
16§4. In afwijking van artikel 37/20, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in, in het lager onderwijs die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het kleuteronderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het verlengd verblijf in het kleuteronderwijs met toepas-sing van artikel 12/1.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 37/62
3§ 2. Met uitzondering van leerlingen die zijn ingeschreven in overcapaciteit conform artikel 37/64, wordt bij het invullen van vrijgekomen plaatsen of bijkomende plaatsen door een verhoogde capaciteit, vermeld in artikel 37/55, § 3, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/57, 37/57/1, 37/58 en 37/60, en, wat de leerlingen, vermeld in artikel 37/58 en artikel 37/60, betreft, met het oog op het bereiken van hun respectievelijke aandeel, vermeld in artikel 37/58, § 3, en artikel 37/60, § 1, en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Voor kleuters geboren in het meest recente kalenderjaar dat mogelijk is voor de inschrijvingen van het betrokken schooljaar, wordt deze volgorde gerespecteerd tot en met 30 juni van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Uiterlijk vanaf 1 juli geldt de volgorde van de weigeringen van kleuters van hetzelfde geboortejaar voor het volgende schooljaar.3§ 2. Met uitzondering van leerlingen die zijn ingeschreven in overcapaciteit conform artikel 37/64, wordt bij het invullen van vrijgekomen plaatsen of bijkomende plaatsen door een verhoogde capaciteit, vermeld in artikel 37/55, § 3, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/57, 37/57/1, 37/58 en 37/60, en, wat de leerlingen, vermeld in artikel 37/58 en artikel 37/60, betreft, met het oog op het bereiken van hun respectievelijke aandeel, vermeld in artikel 37/58, § 3, en artikel 37/60, § 1, en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Voor kleuters geboren in het meest recente kalenderjaar dat mogelijk is voor de inschrijvingen van het betrokken schooljaar, wordt deze volgorde gerespecteerd tot en met 30 juni van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Uiterlijk vanaf 1 juli geldt de volgorde van de weigeringen van kleuters van hetzelfde geboortejaar voor het volgende schooljaar.
4Ouders van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.4Ouders van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.
5Een schoolbestuur kan ervoor opteren om de volgorde van de weigeringen niet te respecteren voor een leerling die via een aanmeldingsprocedure geweigerd is en al ingeschreven is in een school van hogere keuze.
5§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.6§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.
6§ 4. Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.7§ 4. Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 37/64
14§2. In afwijking van artikel 37/55, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20/1, §3, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.14§2. In afwijking van artikel 37/55, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20/1, §3, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
15§3. In afwijking van artikel 37/55, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1.15§3. In afwijking van artikel 37/55, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1.
16§4. In afwijking van artikel 37/55, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in, in het lager onderwijs die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het kleuteronderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het verlengd verblijf in het kleuteronderwijs met toepas-sing van artikel 12/1.
+8 −8 decreet-1997-02-25/art. 44
181° Nederlands;181° Nederlands;
192° wiskunde;192° wiskunde;
202°/1 voor taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal: Vlaamse Gebarentaal en dovencultuur;
203° geschiedenis;213° geschiedenis;
214° aardrijkskunde;224° aardrijkskunde;
271° Nederlands;281° Nederlands;
282° wiskunde;292° wiskunde;
302°/1 voor taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal: Vlaamse Gebarentaal en dovencultuur;
293° Frans313° Frans
304° geschiedenis;324° geschiedenis;
39Het finale ontwerp van het geheel van minimumdoelen wordt bepaald door de expertencommissie. Het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering legt dat finale ontwerp vervolgens voor advies voor aan de Vlaamse Onderwijsraad, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de vertegenwoor-digers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs. De Vlaamse Onderwijsraad, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de onderwijsverstrekkers baseren hun advies minstens op de kwaliteitscriteria, vermeld in het eerste lid. Het advies van de Vlaamse Onderwijsraad wordt verstrekt binnen de termijn, vermeld in artikel 72 van het decreet van 2 april 2004 betreffende de participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen wordt verstrekt binnen de termijn, vermeld in artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen. Het advies van de vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs wordt verstrekt binnen een termijn van dertig kalenderdagen. In spoedeisende gevallen, die met redenen worden omkleed, kan de adviesverzoeker de termijn inkorten op voorwaarde dat die termijn ten minste tien werkdagen bedraagt.41Het finale ontwerp van het geheel van minimumdoelen wordt bepaald door de expertencommissie. Het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering legt dat finale ontwerp vervolgens voor advies voor aan de Vlaamse Onderwijsraad, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de vertegenwoor-digers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs. De Vlaamse Onderwijsraad, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de onderwijsverstrekkers baseren hun advies minstens op de kwaliteitscriteria, vermeld in het eerste lid. Het advies van de Vlaamse Onderwijsraad wordt verstrekt binnen de termijn, vermeld in artikel 72 van het decreet van 2 april 2004 betreffende de participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen wordt verstrekt binnen de termijn, vermeld in artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen. Het advies van de vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs wordt verstrekt binnen een termijn van dertig kalenderdagen. In spoedeisende gevallen, die met redenen worden omkleed, kan de adviesverzoeker de termijn inkorten op voorwaarde dat die termijn ten minste tien werkdagen bedraagt.
40De minimumdoelen worden periodiek gescreend op hun actualiteitswaarde en worden zo nodig bijgestuurd. Minstens om de vijf jaar wordt over die screening gerapporteerd aan het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de procedure.42De minimumdoelen worden periodiek gescreend op hun actualiteitswaarde en worden zo nodig bijgestuurd. Minstens om de vijf jaar wordt over die screening gerapporteerd aan het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de procedure.
41Het bereiken van de minimumdoelen en de leerwinst bij kleuters wordt om de drie jaar gepeild door middel van een representatieve steekproef in het laatste jaar van het kleuteronderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de procedure.
42§4. In afwachting van na te streven en te bereiken minimumdoelen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel blijven de bestaande ontwikkelingsdoelen en eindtermen van toepassing. In afwijking van paragraaf 3 en 5 kan de regering de bestaande ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs herordenen en technisch aanpassen.43§4. In afwachting van na te streven en te bereiken minimumdoelen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel blijven de bestaande ontwikkelingsdoelen en eindtermen van toepassing. In afwijking van paragraaf 3 en 5 kan de regering de bestaande ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs herordenen en technisch aanpassen.
43Bij de ontwikkeling en de implementatie van de na te streven en te bereiken minimumdoelen wordt rekening gehouden met de coherentie en continuïteit over het kleuter- en lager onderwijs heen en de aansluiting op de eindtermen en ontwikkelingsdoelen van het secundair onderwijs, zonder de eigenheid van het basisonderwijs uit het oog te verliezen.44Bij de ontwikkeling en de implementatie van de na te streven en te bereiken minimumdoelen wordt rekening gehouden met de coherentie en continuïteit over het kleuter- en lager onderwijs heen en de aansluiting op de eindtermen en ontwikkelingsdoelen van het secundair onderwijs, zonder de eigenheid van het basisonderwijs uit het oog te verliezen.
44§5. De minimumdoelen worden bij decreet vastgesteld.45§5. De minimumdoelen worden bij decreet vastgesteld.
45§6. In afwachting van na te streven en te bereiken minimumdoelen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel, kan een klassenraad, na overleg met de ouders, beslissen om de ontwikkelingsdoelen voor het gewoon kleuteronderwijs, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen in het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997 die opgenomen zijn in bijlage 5 bij dit decreet niet na te streven bij leerlingen die doof of slechthorend zijn als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven zijn in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal.
46De klassenraad neemt de voormelde ontwikkelingsdoelen die niet nagestreefd worden op in een afsprakenkader. Het afsprakenkader wordt tot één schooljaar nadat de leerling voor het laatst ingeschreven was in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal bewaard. Het voormelde afsprakenkader kan ter verificatie worden voorgelegd aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
46§6. ...
47§7. In afwachting van na te streven en te bereiken minimumdoelen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel, kan er voor leerlingen die doof of slechthorend zijn als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven zijn in het lager onderwijs in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal een afwijking voorzien worden op sommige van de bestaande eindtermen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen in het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997. Er kan worden afgeweken van de eindtermen opgenomen in bijlage 5 bij dit decreet.47§7. Voor leerlingen die doof of slechthorend zijn als vermeld in artikel 37/8, §5, of artikel 37/45, §5, en die ingeschreven zijn in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal en voor wie bepaalde minimumdoelen niet haalbaar zijn, kan in een vrijstelling voorzien worden voor sommige minimumdoelen, vermeld in paragraaf 2 en opgenomen in bijlage 6, of voor sommige eindtermen, vermeld in de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen in het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997, als die conform paragraaf 9, tweede lid, 4°, nog toegepast worden. De minimumdoelen en eindtermen waarvoor een vrijstelling gegeven kan worden, zijn opgenomen in bijlage 5 bij dit decreet.
48Na instemming van de ouders bepaalt de klassenraad welke eindtermen, vermeld in het eerste lid, niet haalbaar zijn en waarvoor in een afwijking moet worden voorzien. De klassenraad neemt de voormelde afwijkingen van de eindtermen op in een afsprakenkader.48Na instemming van de ouders bepaalt de klassenraad welke minimumdoelen niet haalbaar zijn en waarvoor in een vrijstelling wordt voorzien.
49Het afsprakenkader, vermeld in het tweede lid, wordt tot één schooljaar nadat de leerling voor het laatst ingeschreven was in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal bewaard. Het voormelde afsprakenkader kan ter verificatie worden voorgelegd aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.49Het afsprakenkader, vermeld in het tweede lid, wordt tot één schooljaar nadat de leerling voor het laatst ingeschreven was in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal bewaard. Het voormelde afsprakenkader kan ter verificatie worden voorgelegd aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
50§8. In afwachting van na te streven en te bereiken minimumdoelen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel, krijgen de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon onderwijs type 7, vermeld in de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7, bekrachtigd bij het decreet van 25 mei 2003 met betrekking tot Communicatie en taal: Vlaamse Gebarentaal, en met betrekking tot Wereldoriëntatie: dovencultuur het statuut van eindtermen in het lager onderwijs in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal.50§8. In afwachting van de na te streven en te bereiken minimumdoelen Vlaamse Gebarentaal en dovencultuur, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°/1, en tweede lid, 2°/1, tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel, krijgen de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon onderwijs type 7, vermeld in de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7, bekrachtigd bij het decreet van 25 mei 2003 met betrekking tot Communicatie en taal: Vlaamse Gebarentaal, en met betrekking tot Wereldoriëntatie: dovencultuur het statuut van na te streven of te bereiken minimumdoelen in het kleuteronderwijs en in het lager onderwijs in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal.
51In afwijking van het eerste lid krijgen de volgende ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon onderwijs type 7 niet het statuut van eindtermen of ontwikkelingsdoelen:51In afwijking van het eerste lid krijgen de volgende ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon onderwijs type 7 niet het statuut van na te streven of te bereiken minimumdoelen:
521° met betrekking tot Communicatie en taal: Vlaamse Gebarentaal:521° met betrekking tot Communicatie en taal: Vlaamse Gebarentaal:
53a) punt 1 Lezen;53a) punt 1 Lezen;
721° kunnen scholen vanaf 1 september 2025 de minimumdoelen, vermeld in het eerste lid, aanbieden als aanvullende doelen of in de eigen ruimte, vermeld in artikel 45, §1, eerste lid;721° kunnen scholen vanaf 1 september 2025 de minimumdoelen, vermeld in het eerste lid, aanbieden als aanvullende doelen of in de eigen ruimte, vermeld in artikel 45, §1, eerste lid;
732° implementeren de scholen in het schooljaar 2026-2027 de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, en wetenschappen en techniek, vermeld in het eerste lid, 1°, alleen bij de leerlingengroepen die het getuigschrift basisonderwijs, vermeld in artikel 53, volgens het normale leerproces in het schooljaar 2029-2030 en de volgende schooljaren kunnen behalen;732° implementeren de scholen in het schooljaar 2026-2027 de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, en wetenschappen en techniek, vermeld in het eerste lid, 1°, alleen bij de leerlingengroepen die het getuigschrift basisonderwijs, vermeld in artikel 53, volgens het normale leerproces in het schooljaar 2029-2030 en de volgende schooljaren kunnen behalen;
743° implementeren de scholen in het schooljaar 2027-2028 alleen de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, en wetenschappen en techniek, vermeld in het eerste lid, 1°, bij de leerlingengroepen die het getuigschrift basisonderwijs, vermeld in artikel 53, volgens het normale leerproces in het schooljaar 2028-2029 en het schooljaar 2029-2030 kunnen behalen en wordt het getuigschrift basisonderwijs uitgereikt op basis van de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, wetenschappen en techniek;743° implementeren de scholen in het schooljaar 2027-2028 alleen de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, en wetenschappen en techniek, vermeld in het eerste lid, 1°, bij de leerlingengroepen die het getuigschrift basisonderwijs, vermeld in artikel 53, volgens het normale leerproces in het schooljaar 2028-2029 en het schooljaar 2029-2030 kunnen behalen en wordt het getuigschrift basisonderwijs uitgereikt op basis van de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, wetenschappen en techniek, en van de doelen uit het leerplan, die het bereiken van de eindtermen voor de leergebieden Frans, lichamelijke opvoeding, mens en maatschappij en muzische vorming beogen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997;
754° passen de scholen de eindtermen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997, toe bij de leerlingengroepen die het getuigschrift basisonderwijs, vermeld in artikel 53, volgens het normale leerproces in de schooljaren 2026-2027 en 2027-2028 kunnen behalen en wordt het getuigschrift basisonderwijs uitgereikt op basis van de eindtermen.754° passen de scholen de eindtermen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997, toe bij de leerlingengroepen die het getuigschrift basisonderwijs, vermeld in artikel 53, volgens het normale leerproces in de schooljaren 2026-2027 en 2027-2028 kunnen behalen en wordt het getuigschrift basisonderwijs uitgereikt op basis van de eindtermen.
+10 −7 decreet-1997-02-25/art. 44bis
1§1. Als een schoolbestuur oordeelt dat de minimumdoelen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of er onverzoenbaar mee zijn, dient het bij de regering een aanvraag tot gelijk-waardigheid in door vervangende minimumdoelen voor te stellen. Het school-bestuur dient die aanvraag in, uiterlijk op 1 september van het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de vervangende minimumdoelen zullen gelden.1§1. Als een schoolbestuur oordeelt dat de minimumdoelen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of er onverzoenbaar mee zijn, dient het bij de regering een aanvraag tot gelijk-waardigheid in door vervangende minimumdoelen voor te stellen. Het school-bestuur dient die aanvraag in, uiterlijk op 1 september van het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de vervangende minimumdoelen zullen gelden.
2In afwijking van het eerste lid kunnen aanvragen tot gelijkwaardigheid voor het schooljaar 2026-2027 ingediend worden tot en met 30 november 2025.2In afwijking van het eerste lid kunnen aanvragen tot gelijkwaardigheid voor het schooljaar 2026-2027 ingediend worden tot en met 15 januari 2026.
3Als de aanvraag wordt ingediend naar aanleiding van een wijziging van minimumdoelen, geldt een gedoogperiode van één volledig schooljaar waar-binnen de aanvrager nog met de oude eindtermen of minimumdoelen of ontwikkelingsdoelen of in voorkomend geval oude afwijkende eindtermen of minimum¬doelen of ontwikkelingsdoelen mag werken.3Als de aanvraag wordt ingediend naar aanleiding van een wijziging van minimumdoelen, geldt een gedoogperiode van één volledig schooljaar waar-binnen de aanvrager nog met de oude eindtermen of minimumdoelen of ontwikkelingsdoelen of in voorkomend geval oude afwijkende eindtermen of minimum¬doelen of ontwikkelingsdoelen mag werken.
4De aanvraag is alleen ontvankelijk als precies wordt aangegeven waarom de minimumdoelen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of waarom ze er onverzoenbaar mee zijn. Het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende minimumdoelen voor.4De aanvraag is alleen ontvankelijk als precies wordt aangegeven waarom de minimumdoelen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of waarom ze er onverzoenbaar mee zijn. Het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende minimumdoelen voor.
5§2. De regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de vervangende minimumdoelen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die minimumdoelen goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en bijgevolg toelaten gelijkwaardige studiebewijzen af te leveren. De regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.5§2. De regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de vervangende minimumdoelen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die minimumdoelen goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en bijgevolg toelaten gelijkwaardige studiebewijzen af te leveren. De regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.
6De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:6De gelijkwaardigheid wordt in haar geheel beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
71° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;71° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;
82° de vereiste inhoud, in functie van de sleutelcompetenties, zoals bepaald in artikel 44;
82° de vereiste inhoud:
9a) het onderwijsaanbod in de minimumdoelen voor het kleuteronderwijs omvat de inhouden van de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, wetenschap en techniek, lichamelijke opvoeding, muzische vorming, attitudes;
10b) het onderwijsaanbod in de minimumdoelen voor het lager onderwijs omvat de inhouden van de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, wetenschap en techniek, ICT, lichamelijke opvoeding, muzische vorming, attitudes, en Frans naargelang van het geval;
93° de formulering113° de formulering:
10a) gebeurt onder de vorm van na te streven of te bereiken minimumdoelen, naargelang van het geval;12a) gebeurt in de vorm van te bereiken of na te streven minimumdoelen, naargelang van het geval;
11b) laat toe om na te gaan in welke mate bij een leerlingenpopulatie minimumdoelen worden nagestreefd of bereikt.13b) laat toe om na te gaan in welke mate bij een leerlingenpopulatie of een leerling minimumdoelen worden bereikt of nagestreefd, naargelang van het ge-val;
144° de ordening van de minimumdoelen, vermeld in artikel 44, §1, 1°.
12Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerd advies ingewonnen van een commissie van deskundigen en van de onderwijsinspectie en wordt telkens de aanvrager gehoord. De regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling van de commissie van deskundigen en van de procedure.15Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerd advies ingewonnen van een commissie van deskundigen en van het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen en wordt telkens de aanvrager gehoord. De regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling van de commissie van deskundigen en van de procedure.
13§ 3. De vervangende na te streven of te bereiken minimumdoelen die door de regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement.16§ 3. De vervangende na te streven of te bereiken minimumdoelen die door de regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement.
+4 −0 decreet-1997-02-25/art. 44octies nieuw
1§1. Het bereiken van de minimumdoelen en de leerwinst bij kleuters wordt om de drie jaar gepeild door middel van een representatieve steekproef in het laatste jaar van het gewoon kleuteronderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure daarvoor.
2De school neemt de kleuterpeiling af als ze op basis van een representatieve steekproef wordt geselecteerd om deel te nemen.
3De kleuterpeiling is een representatieve, wetenschappelijk en gestandaardiseerde evaluatie van de te bereiken minimumdoelen in het gewoon kleuteronderwijs die binnen drie jaar vanaf 1 september 2025 en daarna om de drie jaar plaatsvindt.
4§2. De leerlingen van de school, vermeld in paragraaf 1, die zich op het einde van het gewoon kleuteronderwijs bevinden, nemen deel aan de kleuterpeiling, tenzij ze op de dag van de kleuterpeiling gewettigd afwezig zijn.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 44nonies nieuw
1Scholen die op basis van een representatieve steekproef worden geselecteerd om deel te nemen aan internationaal vergelijkend onderwijsonderzoek waarbij prestaties worden gemeten en waaraan de Vlaamse Gemeenschap deelneemt, nemen deel aan dat onderwijsonderzoek.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 45
51° voor het schooljaar 2025-2026;51° voor het schooljaar 2025-2026;
62° voor het schooljaar 2026-2027, met uitzondering van de leerplannen die betrekking hebben op de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, en wetenschap en techniek.62° voor het schooljaar 2026-2027, met uitzondering van de leerplannen die betrekking hebben op de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, en wetenschap en techniek.
7De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. 7De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. De regering bepaalt de beroepsprocedure voor een beslissing die de indiener betwist.
8§2. Alle leerplannen, met inbegrip van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing, zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en respecteren de goedgekeurde na te streven en te bereiken minimumdoelen. De leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing respecteren tevens de interlevensbeschouwelijke competenties.8§2. Alle leerplannen, met inbegrip van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing, zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en respecteren de goedgekeurde na te streven en te bereiken minimumdoelen. De leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing respecteren tevens de interlevensbeschouwelijke competenties.
9De directeur kan de levensbeschouwelijke leerlingengroepen tijdens de levensbeschouwelijke les bezoeken om administratieve redenen, om algemeen pedagogische redenen, om na te gaan of de grondwettelijke rechten en vrijheden gevrijwaard worden of voor een bespreking met de leerlingen. De directeur - of een ander personeelslid dat aangesteld is als evaluator - kan de les ook bijwonen, gelet op zijn bevoegdheid als evaluator voor niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten.9De directeur kan de levensbeschouwelijke leerlingengroepen tijdens de levensbeschouwelijke les bezoeken om administratieve redenen, om algemeen pedagogische redenen, om na te gaan of de grondwettelijke rechten en vrijheden gevrijwaard worden of voor een bespreking met de leerlingen. De directeur - of een ander personeelslid dat aangesteld is als evaluator - kan de les ook bijwonen, gelet op zijn bevoegdheid als evaluator voor niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten.
+2 −0 decreet-1997-02-25/art. 51
93° bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;93° bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;
104° bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen.104° bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen.
11In het kader van de toepassing van het eerste lid, 3°, zijn sponsoring en bedoelde mededelingen die betrekking hebben op betalende bijlessen, niet verenigbaar met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school.
12In deze paragraaf wordt verstaan onder bijlessen: lessen die niet door de school georganiseerd worden en die de realisatie van onderwijsinhouden van de leerling beogen. Therapeutische tussenkomsten worden niet beschouwd als bijlessen.
+2 −0 decreet-1997-02-25/art. 125novies
117° maakt algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen en evaluaties;117° maakt algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen en evaluaties;
128° maakt algemene afspraken over de interne afstemming van het personeelsbeleid binnen de scholengemeenschap en over de aanvangsbegeleiding van personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur;128° maakt algemene afspraken over de interne afstemming van het personeelsbeleid binnen de scholengemeenschap en over de aanvangsbegeleiding van personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur;
139° maakt afspraken over de aanwendingen van de aanvullende lestijden voor de organisatie van taalheldklassen;
1410° maakt afspraken over de verdeling over haar scholen van de eenheden inductie, vermeld in artikel 153tricies, en over de organisatie van de inductie. Over de criteria voor die verdeling wordt onderhandeld in het bevoegde lokale onderhandelingscomité van de scholengemeenschap.
13§ 2. Het schoolbestuur/de schoolbesturen kan/kunnen de beslissingsbevoegdheid inzake de in § 1 bedoelde aan-gelegenheden overdragen naar het niveau van de scholengemeenschap.15§ 2. Het schoolbestuur/de schoolbesturen kan/kunnen de beslissingsbevoegdheid inzake de in § 1 bedoelde aan-gelegenheden overdragen naar het niveau van de scholengemeenschap.
+2 −1 decreet-1997-02-25/art. 125decies
54° ...54° ...
65° het gebruik van de infrastructuur;65° het gebruik van de infrastructuur;
76° de overdracht naar een andere scholengemeenschap van punten ter ondersteuning van de werking, die verkregen zijn op basis van artikel 125duodecies, §1, of van punten voor het voeren van een zorgbeleid, die verkregen zijn op basis van artikel 125duodecies1, §1, op voorwaarde dat een school op basis van artikel 125quinquies, §4, de scholengemeenschap verlaat en toetreedt tot de scholengemeenschap waarnaar de punten worden overgedragen. Een overdracht naar een andere scholengemeenschap van punten ter ondersteuning van de werking kan evenwel niet in het schooljaar 2025-2026. De overdacht van de punten mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk gereaffecteerd of wedertewerkgesteld kunnen worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap voor de duur van het volledige schooljaar.76° de overdracht naar een andere scholengemeenschap van punten ter ondersteuning van de werking, die verkregen zijn op basis van artikel 125duodecies, §1, of van punten voor het voeren van een zorgbeleid, die verkregen zijn op basis van artikel 125duodecies1, §1, op voorwaarde dat een school op basis van artikel 125quinquies, §4, de scholengemeenschap verlaat en toetreedt tot de scholengemeenschap waarnaar de punten worden overgedragen. Een overdracht naar een andere scholengemeenschap van punten ter ondersteuning van de werking kan evenwel niet in het schooljaar 2025-2026. De overdacht van de punten mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk gereaffecteerd of wedertewerkgesteld kunnen worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap voor de duur van het volledige schooljaar;
87° de overdracht naar een andere scholengemeenschap van eenheden in-ductie als vermeld in artikel 153tricies.
+3 −0 decreet-1997-02-25/art. 153undetricies nieuw
1Voor de toepassing van deze afdeling worden personeelsleden beschouwd als startende personeelsleden als ze aan de volgende voorwaarden voldoen:
21° ze zijn aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel;
32° ze hadden tijdens het voorgaande schooljaar geen aanstelling in dat ambt.
+14 −0 decreet-1997-02-25/art. 153tricies nieuw
1§1. Vanaf het schooljaar 20TT – 20TT+1, startende in 2026 - 2027, worden jaarlijks eenheden inductie toegekend aan iedere scholengemeenschap en aan iedere school die geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap voor de personeelsleden en de doelstelling, vermeld in artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. Het aantal eenheden inductie van een scholengemeenschap is de som van de eenheden inductie die, in overeenstemming met paragraaf 3, eerste en tweede lid, aan iedere school van de scholengemeenschap worden toegekend.
2In het schooljaar 2026-2027 kunnen de eenheden inductie ook voor een andere doelstelling aangewend worden dan deze, vermeld in artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. Ook dan kunnen deze eenheden inductie alleen aangewend worden in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel.
3§2. Voor de maatregel, vermeld in paragraaf 1 en in artikel 34/3, §1 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, wordt voor het basis- en secundair onderwijs samen jaarlijks in een bedrag van 48,7 miljoen euro voorzien.
4Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt over het gewoon basisonderwijs, het buitengewoon basisonderwijs, het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs verdeeld op basis van het aandeel van elk van deze niveaus in het totale aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettair voltijdse equivalenten in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT.
5Het totale aantal eenheden inductie voor het gewoon basisonderwijs is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het bedrag dat met toepassing van het tweede lid voor het gewoon basisonderwijs is verkregen, met 7,53.
6Het totale aantal eenheden inductie voor het buitengewoon basisonderwijs is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het bedrag dat met toepassing van het tweede lid voor het buitengewoon basisonderwijs is verkregen, met 7,51.
7§3. De inductiecoëfficiënt voor het gewoon basisonderwijs wordt verkregen door het totale aantal eenheden inductie, met toepassing van paragraaf 2, derde lid, te delen door het aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijdse equivalenten in het gewoon basisonderwijs in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT. Het aantal eenheden inductie dat voor iedere school voor gewoon basisonderwijs wordt berekend, is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten, in de school in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT- 1 en 20TT- 1 – 20TT, met de inductiecoëfficiënt voor het gewoon basisonderwijs.
8De inductiecoëfficiënt voor het buitengewoon basisonderwijs wordt verkregen door het totale aantal eenheden inductie, met toepassing van paragraaf 2, vierde lid, te delen door het totale aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten, in het buitengewoon basisonderwijs in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT. Het aantal eenheden inductie dat voor iedere school voor buitengewoon basisonderwijs wordt berekend, is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten in de school in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT, met de inductiecoëfficiënt voor het buitengewoon basisonderwijs.
9Het verkregen aantal eenheden inductie, conform het eerste en het tweede lid, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere gehele getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere gehele getal.
10§4. Voor de aanwending van de eenheden inductie wordt de volgende formule toegepast: X x aantal aanstellingsdagen / 7 = Y, waarbij
111° X = de opdracht op weekbasis van het personeelslid dat met eenheden inductie wordt aangesteld, uitgedrukt in 10.000sten, waarbij 10.000 de voltijdse weekop-dracht uitdrukt;
122° aantal aanstellingsdagen = het aantal dagen waarop het personeelslid met eenheden inductie wordt aangesteld, met inbegrip van een wettelijke feestdag, een weekeinde, de herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie voor zover die periode in het aantal inductiedagen begrepen is;
133° Y = het aantal eenheden inductie, afgerond naar de hogere eenheid, als het resultaat van de deling na de komma 5 of meer bedraagt.
14§5. Het deel van de betrekking dat met deze omkadering wordt opgericht, kan niet vacant worden verklaard. Er kan in geen geval een personeelslid in vast benoemd, geaffecteerd of gemuteerd worden en er kan ook niet in vervangen worden.
+2 −2 decreet-1997-02-25/art. 154
1§ 1. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget bedoeld in artikel 76 onder meer administratief, meester-, vak- en dienstpersoneel, opvoedend hulppersoneel en per-soneel voor specifieke opdrachten aanwerven.1§ 1. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget bedoeld in artikel 76 en 87septies onder meer administratief, meester-, vak- en dienstpersoneel, opvoedend hulppersoneel en per-soneel voor specifieke opdrachten aanwerven.
2Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.2Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
3§ 2. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 76 of artikel 87quinquies, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken of ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.3§ 2. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 76, artikel 87quinquies, of 87septies, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken of ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
4De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.4De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
5Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.5Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 177
1§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 174 kunnen volgende overtredingen na aanmaning aanleiding geven tot sancties door de Vlaamse regering:1§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 174 kunnen volgende overtredingen na aanmaning aanleiding geven tot sancties door de Vlaamse regering:
21° het niet naleven van de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 12, 12/1, 13/1, 14/0, 14/1, 15 en 16;21° het niet naleven van de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 12, 12/1, 13/0, 14/1, 15 en 16;
32° ...32° ...
43° het niet naleven van de bepalingen inzake de keuze en de vrijstelling van keuze tussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer zoals bedoeld in artikel 29;43° het niet naleven van de bepalingen inzake de keuze en de vrijstelling van keuze tussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer zoals bedoeld in artikel 29;
+24 −16 decreet-1997-02-25/art. Bijlage 5
1Vervanging van bijlage 5 bij het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997
1Bijlage 5. Lijst met ontwikkelingsdoelen van het gewoon kleuteronderwijs en eindtermen van het gewoon lager onderwijs waarvan kan worden afweken worden voor dove en slechthorende kinderen binnen de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal, als vermeld in artikel 44, §6 en §7, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 19972Bijlage 5. Lijst met minimumdoelen waarvan kan worden afgeweken voor dove en slechthorende kinderen binnen de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal, als vermeld in artikel 44, §7 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997
2Artikel 1. Van de volgende ontwikkelingsdoelen voor het gewoon kleuteronderwijs, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen in het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997 kan volgens de procedure en voor de leerlingen, vermeld in artikel 44, §6, beslist worden dat ze niet na te streven zijn:
31° van de ontwikkelingsdoelen lichamelijke opvoeding bij motorische competenties alleen ontwikkelingsdoel 1.6, wat betreft het snel reageren op auditieve signalen;
3Vrijstellingen van de minimumdoelen
4Van de volgende minimumdoelen, vermeld in bijlage 6, kan een vrijstelling worden verleend:
51° van de minimumdoelen Nederlands:
6a) van de minimumdoelen kleuters: van 1.1.1 tot en met 1.1.4, 1.1.7, 1.1.9, van 1.3.1 tot en met 1.3.4, van 1.3.6 tot en met 1.3.9, 1.4.4, 1.4.5, 1.5.2, 1.5.4. en 1.5.5;
7b) Van de minimumdoelen 4de jaar: 1.1.2, 1.1.3, 1.1.9, 1.1.10, van 1.3.1 tot en met 1.3.5, van 1.3.7 tot en met 1.3.14, 1.4.6., 1.4.8 1.5.6 en 1.5.8;
8c) Van de minimumdoelen 6de jaar: 1.1.2, 1.2.4, van 1.3.1 tot en met 1.3.4, 1.3.6, 1.3.10,1.5.2;
92° van de minimumdoelen Wiskunde-getallenkennis (2.1): voor de kleuters: minimumdoel 2.1.1;
103° van de minimumdoelen Wetenschappen en techniek:
11a) van de minimumdoelen kleuters: 3.1.2, 3.4.1 en 3.5.3;
12b) van de minimumdoelen 4de jaar: 3.5.5;
13c) van de minimumdoelen 6de jaar: 3.5.5;
42° van de ontwikkelingsdoelen muzische vorming:144° van de minimumdoelen muzische vorming:
5a) de ontwikkelingsdoelen van 2 Muziek;
6b) van de ontwikkelingsdoelen van 4 Beweging alleen de volgende ontwikkelingsdoelen:
71) ontwikkelingsdoel 4.1 spontaan meebewegen op muziek;
82) ontwikkelingsdoel 4.4 waargenomen klanken omzetten in beweging;
9c) van de ontwikkelingsdoelen media alleen het ontwikkelingsdoel 5.3 met betrekking tot het vaststellen, veranderen, schikken, herschikken van de volgorde van een reeks klanken en geluiden en er een nieuw verhaal rond vertellen;
103° van de ontwikkelingsdoelen Nederlands:
11a) de ontwikkelingsdoelen van 1 Luisteren;
12b) de ontwikkelingsdoelen van 2 Spreken;
13c) van de ontwikkelingsdoelen van 5 Taalbeschouwing alleen ontwikkelingsdoel 5.5 wat betreft het discrimineren van klanken en woorden en de ritmische aspecten van taal en rijmen;
144° van de ontwikkelingsdoelen wetenschap en techniek alleen ontwikkelingsdoel 1.1 wat betreft het kunnen onderscheiden van verschillen in geluid.
15a) van de minimumdoelen kleuters: 6.1.1, 6.1.2 wat betreft muziek, van 6.2.1 tot en met 6.2.4, 6.4.3 en 6.6.3;
16b) van de minimumdoelen 4de jaar: van 6.1.2 tot en met 6.1.4, wat betreft muziek, van 6.2.1 tot en met 6.2.5., 6.6.1, 6.6.2 en 6.6.5;
17c) van de minimumdoelen 6de jaar: van 6.1.2 tot en met 6.1.4, wat betreft muziek, van 6.2.1 tot en met 6.2.6, 6.2.8 en 6.6.5;
185° van de minimumdoelen lichamelijke opvoeding:
19a) van de minimumdoelen kleuters: 7.1.8 wat betreft het auditief gedeelte;
20b) van de minimumdoelen 4de jaar: 7.1.9, wat betreft de auditieve instructies;
216° van de minimumdoelen 4de jaar persoonsvormende en socialiserende vaardigheden: 9.1.1., wat betreft de auditieve signalen;
227° van de minimumdoelen 6de jaar Frans: van 10.1.1 tot en met 10.1.6., van 10.3.1 tot en met 10.3.10, van 10.4.1. tot en met 10.4.6; 10.5.6, 10.6.2, 10.6.3, 10.7.6, 10.7.7, 10.9.1 en 10.9.2.
23Vrijstelling voor de leerlingen die nog het curriculum volgens de oude eindtermen volgen:
15Art. 2. Van de volgende eindtermen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen in het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997 kan volgens de procedure en voor de leerlingen, vermeld in artikel 44, 24Van de volgende eindtermen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen in het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997 kan volgens de procedure en voor de leerlingen, vermeld in artikel 44, §7, een vrijstelling worden verleend:
16§7, een afwijking voorzien worden:
171° van de eindtermen Nederlands:251° van de eindtermen Nederlands:
18a) alle eindtermen van 1 Luisteren;26a) alle eindtermen van 1 Luisteren;
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. Bijlage 6
1Minimumdoelen voor het derde jaar kleuteronderwijs, het vierde jaar lager onderwijs en het zesde jaar lager onderwijs1Minimumdoelen voor het derde jaar kleuteronderwijs, het vierde jaar lager onderwijs en het zesde jaar lager onderwijs
2(→ link naar de bijlage nog in te voegen)
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 3
1Voor de toepassing van de bepalingen opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs worden de volgende begrippen gebruikt :1Voor de toepassing van de bepalingen opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs worden de volgende begrippen gebruikt :
21° administratieve groep : entiteit binnen de onderwijsstructuur geïdentificeerd door een uniek administratief groepsnummer;21° administratieve groep : entiteit binnen de onderwijsstructuur geïdentificeerd door een uniek administratief groepsnummer;
31°/1 afstand : de kortst mogelijke afstand tussen de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de ene school tot de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de andere school gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen;31°/1 afstand : de kortst mogelijke afstand tussen de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de ene school tot de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de andere school gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2, I, 1, van het koninklijk besluit van 3 juni 2024 betreffende de Code van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen;
41°/2 afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon41°/2 afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon
5niet zelfstandig kan verlaten;5niet zelfstandig kan verlaten;
+2 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 10
43° sponsoring en bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;43° sponsoring en bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;
54° sponsoring en bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen.54° sponsoring en bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen.
6In het kader van de toepassing van het eerste lid, 3°, zijn sponsoring en bedoelde mededelingen die betrekking hebben op betalende bijlessen, niet verenigbaar met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school.
7In dit artikel wordt verstaan onder bijlessen: lessen die niet door de school georganiseerd worden en die de realisatie van onderwijsinhouden van het structuuronder-deel van de leerling beogen. Therapeutische tussenkomsten worden niet beschouwd als bijlessen.
+3 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 34/2 nieuw
1Voor de toepassing van deze onderafdeling worden personeelsleden beschouwd als startende personeelsleden als ze aan de volgende voorwaarden voldoen:
21° ze zijn aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel;
32° ze hadden tijdens het voorgaande schooljaar geen aanstelling in dat ambt.
+14 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 34/3 nieuw
1§1. Vanaf het schooljaar 20TT – 20TT+1, startende in 2026 - 2027, worden jaarlijks eenheden inductie toegekend aan iedere scholengemeenschap en aan iedere school die geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap, voor de personeelsleden en de doelstelling, vermeld in artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. Het aantal eenheden inductie van een scholengemeenschap is de som van de eenheden inductie die, in overeenstemming met paragraaf 3, eerste en tweede lid, aan iedere school van de scholengemeenschap worden toegekend.
2In het schooljaar 2026-2027 kunnen de eenheden inductie ook voor een andere doelstelling aangewend worden dan deze, vermeld in artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 20bis, §3, eerste lid van het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. Ook dan kunnen deze eenheden inductie alleen aangewend worden in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel.
3§2. Voor de maatregel, vermeld in paragraaf 1 en in artikel 153tricies, §1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, wordt voor het basis- en secundair onderwijs samen jaarlijks in een bedrag van 48,7 miljoen euro voorzien.
4Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt over het gewoon basisonderwijs, het buitengewoon basisonderwijs, het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs verdeeld op basis van het aandeel van elk van die ni-veaus in het totale aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT.
5Het totale aantal eenheden inductie voor het gewoon voltijds secundair onderwijs is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het bedrag dat met toepassing van het tweede lid voor het voltijds gewoon secundair onderwijs is verkregen, met 6,62.
6Het totale aantal eenheden inductie voor het buitengewoon secundair onderwijs is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het bedrag dat met toepassing van het tweede lid voor het buitengewoon secundair onderwijs is verkregen, met 7,18.
7§3. De inductiecoëfficiënt voor het gewoon voltijds secundair onderwijs wordt verkregen door het totale aantal eenheden inductie, met toepassing van paragraaf 2, derde lid, te delen door het aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten in het gewoon voltijds secundair onderwijs in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT. Het aantal eenheden inductie dat voor iedere school voor gewoon voltijds secundair onderwijs wordt berekend, is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal startende personeelsleden, uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten, in de school in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT, met de inductiecoëfficiënt voor het gewoon voltijds secundair onderwijs.
8De inductiecoëfficiënt voor het buitengewoon secundair onderwijs wordt verkregen door het totale aantal eenheden inductie, met toepassing van paragraaf 2, vierde lid, te delen door het totale aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten in het buitengewoon secundair onderwijs in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT. Het aantal eenheden inductie dat voor iedere school voor buitengewoon secundair onderwijs wordt berekend, is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten, in de school in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT, met de inductiecoëfficiënt voor het buitengewoon secundair onderwijs.
9Het verkregen aantal eenheden inductie, conform het eerste en het tweede lid, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere gehele getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere gehele getal.
10§4. Voor de aanwending van de eenheden inductie wordt de volgende formule toegepast: X x aantal aanstellingsdagen / 7 = Y, waarbij
111° X = de opdracht op weekbasis van het personeelslid dat met eenheden inductie wordt aangesteld, uitgedrukt in 10.000sten waarbij 10.000 de voltijdse weekopdracht uitdrukt;
122° aantal aanstellingsdagen = het aantal dagen waarop het personeelslid met eenheden inductie wordt aangesteld, met inbegrip van een wettelijke feestdag, een weekeinde, de herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie als die periode in het aantal inductiedagen begrepen is;
133° Y = het aantal eenheden inductie, afgerond naar de hogere eenheid, als het resultaat van de deling na de komma 5 of meer bedraagt.
14§5. Het deel van de betrekking dat met die omkadering wordt opgericht, kan niet vacant worden verklaard. Er kan er in geen geval een personeelslid in vast benoemd, geaffecteerd of gemuteerd worden en er kan ook niet in vervangen worden.
+5 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 48
1De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, voorzien in bijkomende financiering voor scholen met technisch of beroepsgerichte opleidingen die leiden tot de invulling van knelpuntberoepen, ten einde de kost voor leerlingen in voormelde opleidingen te verminderen. Op basis van criteria die verband houden met de kostprijzen van de opleidingen, bepaalt de Vlaamse Regering de lijst van opleidingen die voor deze bijkomende financiering in aanmerking komen en modaliteiten van deze bijkomende financiering. (47)
1§1. De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, voorzien in bijkomende financiering om de kost voor leerlingen te verminderen. De maatregel geldt voor de tweede en derde graad tso, bso en kso in het gewoon secundair onderwijs, de tweede en derde graad tso, bso en kso in opleidingsvorm 4 in het buitengewoon onderwijs alsook voor de integratie- en kwalificatiefase in opleidingsvorm 3 in het buitengewoon onderwijs.
2De toekenning gebeurt op basis van een indeling in clusters. Voor elke cluster wordt een basisbedrag per gewogen leerling bepaald.
3De Vlaamse Regering bepaalt de clusters van structuuronderdelen of opleidingen die voor deze bijkomende financiering in aanmerking komen en het eraan verbonden gewicht, en houdt daarbij rekening met de kostprijs, de doorstroomkansen naar de arbeidsmarkt of naar het hoger onderwijs en hun maatschappelijke relevantie.
4De Vlaamse Regering kan bijkomende randvoorwaarden opleggen om de kosten in betrokken structuuronderdelen en opleidingen van de tweede en derde graad in het gewoon secundair onderwijs, in opleidingsvorm 4 in het buitengewoon onderwijs alsook voor de integratie- en kwalificatiefase in opleidingsvorm 3 in het buitengewoon onderwijs te doen dalen.
5§2. Onverminderd artikel 35 kan de Vlaamse Regering bijkomende maatregelen vaststellen die ertoe strekken de transparantie van de bijdrageregeling te verhogen.
+3 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 57
109° maakt afspraken/beslist over de aanwending van de punten voor ICT-coördinatie;109° maakt afspraken/beslist over de aanwending van de punten voor ICT-coördinatie;
1110° ...1110° ...
1211° kan afspraken maken over de engagementsverklaring vermeld in artikel 111. (56)1211° kan afspraken maken over de engagementsverklaring vermeld in artikel 111;
1312° maakt afspraken over de verdeling over haar scholen van de eenheden inductie, vermeld in artikel 34/3, en over de organisatie van de inductie. Over de criteria wordt onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap;
1413° kan afspraken maken over de overdracht naar een andere scholengemeenschap van eenheden inductie als vermeld in artikel 34/3.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 110/31
73° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;73° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
84° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.84° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.
9Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht van de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend als de leerling voorafgaand aan het hervatten van het huisonderwijs zes maanden ingeschreven was in een van de scholen, vermeld in het eerste lid, in die school voldoende aanwezig was, behoudens gewettigde afwezigheid en mits voorafgaande toestemming van de onderwijsinspectie. De termijn van zes maanden wordt geschorst tijdens de zomervakantie. De toestemming van de onderwijsinspectie kan door de ouders worden aangevraagd vanaf twee maanden voor het einde van de termijn van zes maanden. De toestemming van de onderwijsinspectie kan door de ouders worden aangevraagd vanaf twee maanden voor het einde van de zes maanden. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen die worden aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt.9Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht van de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend als de leerling voorafgaand aan het hervatten van het huisonderwijs zes maanden ingeschreven was in een van de scholen, vermeld in het eerste lid, in die school voldoende aanwezig was, behoudens gewettigde afwezigheid en mits voorafgaande toestemming van de onderwijsinspectie. De termijn van zes maanden wordt geschorst tijdens de zomervakantie. De toestemming van de onderwijsinspectie kan door de ouders worden aangevraagd vanaf twee maanden voor het einde van de termijn van zes maanden. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen die worden aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt.
10Een leerling wordt tijdens de zes maanden, vermeld in het tweede lid, geacht niet voldoende aanwezig als vermeld in het tweede lid te zijn als de leerling 15 al dan niet gespreide halve dagen problematisch afwezig is geweest.10Een leerling wordt tijdens de zes maanden, vermeld in het tweede lid, geacht niet voldoende aanwezig als vermeld in het tweede lid te zijn als de leerling 15 al dan niet gespreide halve dagen problematisch afwezig is geweest.
11De Vlaamse Regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast.11De Vlaamse Regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast.
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 113
52° in het kader van redelijke aanpassingen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of omwille van medische redenen;52° in het kader van redelijke aanpassingen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of omwille van medische redenen;
63° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, tijdens extra-murosactiviteiten;63° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, tijdens extra-murosactiviteiten;
74° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, voor individuele leerlingen, in de tweede graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs , omwille van persoonlijke omstandigheden.74° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, voor individuele leerlingen, in de tweede graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en van het buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 4, omwille van persoonlijke omstandigheden.
8§2. Het is leerlingen van de derde graad van het voltijds gewoon en opleidingsvorm 4 buitengewoon secundair onderwijs, de kwalificatiefase en facultatieve integratiefase van opleidingsvorm 3 buitengewoon secundair onderwijs en in de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, verboden om slimme apparaten te gebruiken tijdens de lessen.8§2. Het is leerlingen van de derde graad van het voltijds gewoon en opleidingsvorm 4 buitengewoon secundair onderwijs, de kwalificatiefase en integratiefase van opleidingsvorm 3 buitengewoon secundair onderwijs en in de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, verboden om slimme apparaten te gebruiken tijdens de lessen.
9In afwijking van het eerste lid is het gebruik van slimme apparaten toege-staan in de volgende gevallen:9In afwijking van het eerste lid is het gebruik van slimme apparaten toege-staan in de volgende gevallen:
101° voor onderwijsdoeleinden die de school bepaalt;101° voor onderwijsdoeleinden die de school bepaalt;
+1 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 115/12 nieuw
1Scholen die op basis van een representatieve steekproef worden geselecteerd om deel te nemen aan internationaal vergelijkend onderwijsonderzoek waarbij prestaties worden gemeten en waaraan de Vlaamse Gemeenschap deelneemt, nemen deel aan dat onderwijsonderzoek.
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 116
21° secundair onderwijs : het secundair onderwijs met uitzondering van :21° secundair onderwijs : het secundair onderwijs met uitzondering van :
3a) de structuuronderdelen van het voltijds secundair onderwijs zonder basisvorming en het hoger beroepsonderwijs;3a) de structuuronderdelen van het voltijds secundair onderwijs zonder basisvorming en het hoger beroepsonderwijs;
4b) het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
4b) ...;
5c) de alternerende beroepsopleiding in het buitengewoon secundair onderwijs;5c) de integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs;
6De Vlaamse Regering kan beslissen de punten a, b of c toch te beschouwen als secundair onderwijs.6De Vlaamse Regering kan beslissen de punten a, b of c toch te beschouwen als secundair onderwijs.
72° ...;72° ...;
+20 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 118
1§1. Leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden maar voor wie het omwille van een handicap permanent onmogelijk is secundair onderwijs te volgen op school, hebben na gunstig advies van de onderwijsinspectie, recht op permanent onderwijs aan huis.1§1. Leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 294, §2, voor wie het vanwege een handicap permanent onmogelijk is onderwijs te volgen op school, hebben na een gunstige beslissing van het centrum voor leerlingenbegeleiding, recht op permanent onderwijs aan huis.
2§ 2. De ouders kiezen in overleg met het centrum voor leerlingenbegeleiding de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon onderwijs van hun vrije keuze om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. Deze school wordt aangeduid door de onderwijsinspectie. Omwille van omstandigheden eigen aan de leerling en mits omstandige motivering kan een andere school voor buitengewoon secundair onderwijs worden gekozen.
2Ouders kunnen een aanvraag voor permanent onderwijs aan huis indienen bij het begeleidende centrum voor leerlingenbegeleiding van de secundaire school van hun kind. Indien het kind nog niet ingeschreven is in een secundaire school, dan kan de ouder de vraag richten aan het centrum voor leerlingenbegeleiding van een onderwijsnet naar keuze, dichtst gelegen bij de woonplaats van de leerling.
3Voor leerlingen die nog niet over een IAC-verslag of OV4-verslag beschikken, wordt er een handelingsgericht diagnostisch traject opgestart. Voor leerlingen die al over een IAC-verslag of OV4-verslag beschikken, sluit die aanvraag aan bij verdere stappen in hun handelingsgericht diagnostisch traject.
4§2. De basis voor de beslissing door het centrum voor leerlingenbegeleiding over de overweging of permanent onderwijs aan huis voor de leerling het meest passende aanbod is, ligt in het handelingsgericht diagnostisch traject van de leerling. Die beslissing wordt toegevoegd aan het IAC-verslag of OV4-verslag van de leerling. Het centrum voor leerlingenbegeleiding kent het recht op permanent onderwijs aan huis toe op basis van de volgende criteria:
51° de mate waarin de leerling slechts een beperkt onderwijsaanbod aankan door de absolute prioriteit van de nood aan zorg en comfort;
62° de mate waarin in een school verzekerd kan worden dat de leerling veilig onderwijs kan volgen. Het centrum voor leerlingenbegeleiding maakt een afweging van de mate waarin een specifieke context is vereist voor de veiligheid van de leerling. Een specifieke context is vereist voor:
7a) Het tijdig opmerken van een medisch probleem met grote impact op het functioneren of de veiligheid van het kind en een gepaste reactie daarop;
8b) Het voorkomen en hanteren van een uitgesproken gedragsstoornis waarbij de leerling zichzelf of anderen regelmatig ernstig in gevaar brengt.
93° de mate waarin de verplaatsing naar de school mogelijk is omwille van de medische of psychische conditie van de leerling;
104° 4de contextfactoren in combinatie met criterium 1°, 2° of 3° waardoor permanent onderwijs aan huis de enige mogelijkheid is om het leerrecht vorm te geven, Gebrek aan capaciteit kan in deze niet ingeroepen worden als een context-factor.
11De motivatie door het centrum voor leerlingenbegeleiding op basis van bovenstaande criteria wordt aangevuld met een medisch attest van een arts-specialist dat bevestigt dat permanent onderwijs aan huis nodig is. Het medisch attest wordt ook toegevoegd aan het IAC- of OV4-verslag.
12§3. Het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, be-paalt hoe lang de leerling recht heeft op permanent onderwijs aan huis. Het centrum voor leerlingenbegeleiding kent dat recht toe voor een periode van maximaal drie schooljaren. Het recht kan verlengd worden met periodes van maximaal drie schooljaren na een nieuwe aanvraag door de ouders. Het centrum voor leerlingenbegeleiding kent de verlenging toe, tenzij er bij de leerling een evolutie vastgesteld wordt die een heroverweging ten gronde noodzakelijk maakt. Het recht loopt in ieder geval af op het einde van het buitengewoon secundair onderwijs.
13In afwijking van het eerste lid is in geval van toekenning van permanent onderwijs aan huis op basis van een gedragsstoornis jaarlijks zowel een beslissing door het centrum voor leerlingenbegeleiding als een medisch attest door een arts-specialist nodig.
14§4. De beslissing over de aanvraag voor permanent onderwijs aan huis door het centrum voor leerlingenbegeleiding wordt genomen binnen zestig kalenderdagen na de aanvraag.
15§5. Als ouders en het centrum voor leerlingenbegeleiding geen akkoord bereiken over de behoefte aan permanent onderwijs aan huis als meest passende aanbod, kan een beroep gedaan worden op de klachtenprocedure die van toepassing is bij onenigheid over de noodzaak of inhoud van een IAC-verslag of OV4-verslag, conform artikel 16, §3, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding en artikel 294, §8, van deze codex.
16§6. In afwijking van artikel 110/1 tot en met 110/27 en de bepalingen van deel V, titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 2, hebben de leerlingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, onverkort recht op inschrijving in de vestigingsplaats voor buitengewoon secundair onderwijs op de kortst mogelijke afstand over de berijdbare weg van ofwel het offici-eel onderwijs ofwel het gesubsidieerd vrij onderwijs, naar keuze van de ouders, bij de verblijfplaats van de leerling dat het type en de opleidingsvorm vermeld in het IAC-verslag of het OV4-verslag aanbiedt.
17De leerling met een IAC-verslag of OV4-verslag van type 4, 6 of 7 zonder vestigingsplaats van keuze met dat aanbod op een redelijke afstand van de verblijfplaats van de leerling kan het onverkort recht op inschrijving laten gelden in de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon secundair onderwijs op de kortst mogelijke afstand over de berijdbare weg van ofwel het officieel onderwijs ofwel het gesubsidieerd vrij onderwijs, naar keuze van de ouders bij de verblijfplaats van de leerling.
18In afwijking van artikel 110/1 tot en met 110/27 en de bepalingen van deel V, titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 2, kan een schoolbestuur de inschrijving van een leerling met recht op permanent onderwijs aan huis weigeren in een andere vestigingsplaats dan vermeld in het eerste en tweede lid.
19§7. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kunnen de leerlingen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 294, §2, en aan wie permanent onderwijs aan huis in het buitengewoon secundair onderwijs toegekend werd voor 1 september 2026, geduren-de maximaal drie schooljaren na 2025-2026 en uiterlijk tot het einde van het onder-wijsniveau verder gebruik maken van het permanent onderwijs aan huis in de school van het buitengewoon secundair onderwijs, binnen de door de onderwijsinspectie toegekende periode. Als de toegekende periode afloopt op het einde van het schooljaar 2026-2027 kan de periode door het centrum voor leerlingebegeleiding verlengd worden zonder een overweging ten gronde, met maximaal 1 schooljaar binnen hetzelfde onderwijsniveau.
20§8. De toepassing door de CLB’s van de bepalingen opgenomen in dit artikel worden vanaf het schooljaar 2026-2027 gemonitord en in het schooljaar 2027-2028 geëvalueerd.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 122/6
1Met het oog op een mogelijke bijsturing wordt het interactief afstandsonderwijs in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3 en opleidingsvorm 4, in het schooljaar 2027-2028 geëvalueerd.1Met het oog op een mogelijke bijsturing wordt het interactief afstandsonderwijs in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3 en opleidingsvorm 4, in het schooljaar 2026-2027 geëvalueerd.
2De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten van deze evaluatie bepalen en heeft bij die evaluatie minstens aandacht voor de gelijke onderwijskansen van alle leerlingen.2De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten van deze evaluatie bepalen en heeft bij die evaluatie minstens aandacht voor de gelijke onderwijskansen van alle leerlingen.
+1 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 123/6
43° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien;43° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien;
54° de vorige school van inschrijving brengt de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag. Het CLB dat verbonden is aan de vorige school van inschrijving brengt het CLB dat verbonden is met de school waar nu wordt ingeschreven, op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen die overdrachten niet verzetten;54° de vorige school van inschrijving brengt de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag. Het CLB dat verbonden is aan de vorige school van inschrijving brengt het CLB dat verbonden is met de school waar nu wordt ingeschreven, op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen die overdrachten niet verzetten;
64°/1 het tuchtdossier, vermeld in artikel 123/9, wordt alleen bezorgd aan een lid van het schoolteam dat betrokken is bij de begeleiding van de leerling en dat daarvoor gemandateerd is door het schoolbestuur. Het lid van het schoolteam behandelt het dossier vertrouwelijk en kan alleen met andere leden van het schoolteam informatie die is opgenomen in het tuchtdossier, vermeld in artikel 123/9, delen als dat noodzakelijk is voor de begeleiding van de leerling en in het belang is van de leerling. Voor de informatie uit het tuchtdossier, vermeld in artikel 123/9, wordt gedeeld, gaat de school in gesprek met de betrokken personen en de minderjarige leerling. Ook de andere leden van het schoolteam met wie de informatie gedeeld wordt, behandelen de informatie vertrouwelijk. Betrokken personen kunnen zich niet verzetten tegen de overdracht van het tuchtdossier, vermeld in artikel 123/9;
65° het schoolbestuur van de onderwijsinstelling of de gemandateerde is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens voor de looptijd dat deze bewaard dienen te worden;75° het schoolbestuur van de onderwijsinstelling of de gemandateerde is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens voor de looptijd dat deze bewaard dienen te worden;
76° het centrumbestuur van het CLB dat het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag, vermeld in punt 4°, heeft opgesteld, is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen door of ter voorbereiding van het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag. Het centrumbestuur van het overnemende CLB is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen na de ontvangst van het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag.86° het centrumbestuur van het CLB dat het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag, vermeld in punt 4°, heeft opgesteld, is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen door of ter voorbereiding van het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag. Het centrumbestuur van het overnemende CLB is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen na de ontvangst van het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag.
+2 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 123/9
1Voor een tuchtdossier gelden de volgende regels, inherent aan tuchtrechtspleging:1Voor een tuchtdossier gelden de volgende regels, inherent aan tuchtrechtspleging:
21° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;21° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;
31°/1 in het tuchtdossier worden de maatregelen opgenomen die de school heeft genomen om de leerling te begeleiden. Als er geen begeleidende maatregelen zijn genomen, wordt aangegeven waarom begeleiding en preventie niet mogelijk zijn en welke stappen de school heeft gezet om, in samenwerking met de ouders en eventueel externe partners, de onmogelijkheid te vermijden;
32° de betrokken personen evenals de leerling, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon, worden gehoord;42° de betrokken personen evenals de leerling, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon, worden gehoord;
43° elke genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd; bij definitieve uitsluiting wordt schriftelijk verwezen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure;53° elke genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd; bij definitieve uitsluiting wordt schriftelijk verwezen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure;
76° de tuchtstraf moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten;86° de tuchtstraf moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten;
87° de betrokken personen hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling;97° de betrokken personen hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling;
98° het tuchtdossier en de tuchtmaatregel zijn niet overdraagbaar naar een andere onderwijsinstelling.
108° ...
+4 −3 codex-secundair-onderwijs/art. 146
4§ 2. In afwijking op het in paragraaf 1 gestelde, kan voor eindtermen die als basisgeletterdheid zijn aangeduid, geen gelijkwaardigheid worden aangevraagd.4§ 2. In afwijking op het in paragraaf 1 gestelde, kan voor eindtermen die als basisgeletterdheid zijn aangeduid, geen gelijkwaardigheid worden aangevraagd.
5§ 3. De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die, goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en derhalve toelaten gelijkwaardige studiebewijzen af te leveren. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.5§ 3. De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die, goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en derhalve toelaten gelijkwaardige studiebewijzen af te leveren. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.
6De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:6De gelijkwaardigheid wordt in haar geheel beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
71° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;71° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;
82° de vereiste inhoud, in functie van de sleutelcompetenties, zoals bepaald in artikel 139, § 2, en 262, § 2;
82° de vereiste inhoud: het onderwijsaanbod voor het secundair onderwijs omvat de inhouden voor de sleutelcompetenties als vermeld in artikel 139, §2, en artikel 262, §2, en de inhouden voor de wetenschapsdomeinen, zoals bepaald in artikel 145, derde lid, naargelang van het geval;
93° de formulering93° de formulering
10a) gebeurt onder de vorm van eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen, naargelang van het geval;10a) gebeurt onder de vorm van eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen, naargelang van het geval;
11b) laat toe om na te gaan in welke mate bij een leerlingenpopulatie of een leerling eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands of specifieke eindtermen worden bereikt of bij een leerlingenpopulatie ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd.11b) laat toe om na te gaan in welke mate bij een leerlingenpopulatie of een leerling eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands of specifieke eindtermen worden bereikt of bij een leerlingenpopulatie ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd;
124° de ordening van de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen, naargelang van het geval, vermeld in artikel 139, §3, eerste lid, artikel 140, tweede lid, artikel 141 en artikel 145, tweede, vierde en vijfde lid.
12Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerd advies ingewonnen van een commissie van deskundigen en van het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen en wordt telkens de aanvrager gehoord. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling van de commissie van deskundigen en van de procedure.13Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerd advies ingewonnen van een commissie van deskundigen en van het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen en wordt telkens de aanvrager gehoord. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling van de commissie van deskundigen en van de procedure.
13§ 4. De vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen die door de Vlaamse Regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement.14§ 4. De vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen die door de Vlaamse Regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 147/3
2In de leerplannen, vermeld in het eerste lid, zijn in elk geval alle betrokken eindtermen die het Vlaams Parlement heeft goedgekeurd, letterlijk opgenomen. Het leerplan bevat een concordantietabel met de overeenkomst tussen de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit, en de leerplandoelen.2In de leerplannen, vermeld in het eerste lid, zijn in elk geval alle betrokken eindtermen die het Vlaams Parlement heeft goedgekeurd, letterlijk opgenomen. Het leerplan bevat een concordantietabel met de overeenkomst tussen de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit, en de leerplandoelen.
3Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit.3Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit.
4De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een school te kaderen. 4De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een school te kaderen. De Vlaamse Regering bepaalt de beroepsprocedure voor een beslissing die de indiener betwist.
5§2. In afwijking van paragraaf 1 vormen curriculumdossiers niet de basis voor het opstellen van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie en kunnen die leerplannen niet voor advies worden voorgelegd aan het agentschap, vermeld in paragraaf 1, derde lid.5§2. In afwijking van paragraaf 1 vormen curriculumdossiers niet de basis voor het opstellen van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie en kunnen die leerplannen niet voor advies worden voorgelegd aan het agentschap, vermeld in paragraaf 1, derde lid.
6De leerplannen, vermeld in het eerste lid, worden publiek bekendgemaakt.6De leerplannen, vermeld in het eerste lid, worden publiek bekendgemaakt.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 168/3
9Uitsluitend voor cursisten en studenten die uiterlijk in het schooljaar 2022-2023 al in een opleiding Verpleegkunde waren ingeschreven, wordt de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs:9Uitsluitend voor cursisten en studenten die uiterlijk in het schooljaar 2022-2023 al in een opleiding Verpleegkunde waren ingeschreven, wordt de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs:
101° vanaf het schooljaar 2023-2024 en tot en met het einde van het schooljaar 2025-2026 in een uitdoofscenario door elke school georganiseerd;101° vanaf het schooljaar 2023-2024 en tot en met het einde van het schooljaar 2025-2026 in een uitdoofscenario door elke school georganiseerd;
112° vanaf het schooljaar 2026-2027 en tot en met het einde van het schooljaar 2027-2028 in een uitdoofscenario door één school per provincie georganiseerd. De samenwerkingsverbanden, vermeld in artikel II.397 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, wijzen die scholen in onderling overleg aan.112° vanaf het schooljaar 2026-2027 en tot en met het einde van het schooljaar 2027-2028 in een uitdoofscenario door minstens één school per provincie georganiseerd.
12De cursisten en studenten, vermeld in het derde lid, hebben het recht om in de periode in kwestie de opleiding Verpleegkunde van het hoger be-roepsonderwijs te voltooien, tenzij ze hun opleiding gedurende minstens een volledig schooljaar onderbreken.12De cursisten en studenten, vermeld in het derde lid, hebben het recht om in de periode in kwestie de opleiding Verpleegkunde van het hoger be-roepsonderwijs te voltooien, tenzij ze hun opleiding gedurende minstens een volledig schooljaar onderbreken.
13§3. De organisatie van de opleidingen, vermeld in paragraaf 1, is gebaseerd op een samenwerkingsverband tussen één hogeschool met onderwijsbevoegdheid voor de bacheloropleiding Verpleegkunde, en een of meer scholen van het voltijds secundair onderwijs. De organisatie en de opdrachten van het samenwerkingsverband worden geregeld conform artikel II.397 en artikel II.398 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.13§3. De organisatie van de opleidingen, vermeld in paragraaf 1, is gebaseerd op een samenwerkingsverband tussen één hogeschool met onderwijsbevoegdheid voor de bacheloropleiding Verpleegkunde, en een of meer scholen van het voltijds secundair onderwijs. De organisatie en de opdrachten van het samenwerkingsverband worden geregeld conform artikel II.397 en artikel II.398 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 169
3- de norm vastgelegd in de sectoren en niveaus waarvoor reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden;3- de norm vastgelegd in de sectoren en niveaus waarvoor reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden;
4- het bepalen van het werkingsbudget en/of uitrustingskredieten en -toelagen.4- het bepalen van het werkingsbudget en/of uitrustingskredieten en -toelagen.
5§ 2. In afwijking van § 1 worden voor de telling per school voor voltijds secundair onderwijs van het aantal regelmatige leerlingen van 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt die over één of drie semesters worden georganiseerd en van het aantal cursisten van het hoger beroepsonderwijs, twee data vastgesteld in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar :5§ 2. In afwijking van § 1 worden voor de telling per school voor voltijds secundair onderwijs van het aantal regelmatige leerlingen van 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt en van het aantal cursisten van het hoger beroepsonderwijs, twee data vastgesteld in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar :
6- namelijk 15 januari of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt,6- namelijk 15 januari of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt,
7- en 15 mei of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt.7- en 15 mei of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt.
+2 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 252/1
1Onverminderd de door de Vlaamse Regering bepaalde toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 252, beslist de klassenraad of een leerling die uiterlijk op 31 december na de aanvang van het schooljaar de leeftijd van 19 jaar heeft bereikt, kan worden toegelaten tot een structuuronderdeel van de eerste of tweede graad.
1Onverminderd de door de Vlaamse Regering bepaalde toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 252, is het voltijds gewoon secundair onderwijs toegankelijk voor leerlingen die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Het kan worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin de leerlingen de leeftijd van 25 jaar bereiken.2Onverminderd de door de Vlaamse Regering bepaalde toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 252, is de derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs toegankelijk voor leerlingen die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Het kan worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin de leerlingen de leeftijd van 25 jaar bereiken.
2Deze maximumleeftijd is evenwel niet van toepassing op :3Deze maximumleeftijd is evenwel niet van toepassing op :
31° ...;41° ...;
+1 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 253/18
3§ 2. Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 253/20, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 253/13, § 2, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd, met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, in voorkomend geval met het oog op het bereiken van hun respectieve aandeel en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.3§ 2. Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 253/20, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 253/13, § 2, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd, met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, in voorkomend geval met het oog op het bereiken van hun respectieve aandeel en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.
4Betrokken personen van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de betrokken personen de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.4Betrokken personen van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de betrokken personen de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.
5Een schoolbestuur kan ervoor opteren om de volgorde van de weigeringen niet te respecteren voor een leerling die via een aanmeldingsprocedure geweigerd is en al ingeschreven is in een school van hogere keuze.
5§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.6§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.
6§ 4. Het verloop van inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.7§ 4. Het verloop van inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/20
93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;
104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vesti-gingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maxi-maal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. 115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vesti-gingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maxi-maal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
12Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.12Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
13In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13.13In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/20
93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;
104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vesti-gingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maxi-maal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats wordt berekend door de kortste afstand te meten langs de openbare weg, vermeld in het koninklijk besluit van 3 juni 2024 betreffende de Code van de openbare weg. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
12Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.12Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
13In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13.13In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/24
8e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294.8e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294.
93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de volzetverklaring is vastgelegd. Dit vastgelegd aantal leerlingen waarop volzet is verklaard mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend structuuronderdeel op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats wordt berekend door de kortste afstand te meten langs de openbare weg, vermeld in het koninklijk besluit van 3 juni 2024 betreffende de Code van de openbare weg. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de volzetverklaring is vastgelegd. Dit vastgelegd aantal leerlingen waarop volzet is verklaard mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend structuuronderdeel op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na volzetverklaring, vermeld in artikel 253/22, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of het centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na volzetverklaring, vermeld in artikel 253/22, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of het centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.
12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van volzetverklaring.12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van volzetverklaring.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/24
8e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294.8e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294.
93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de volzetverklaring is vastgelegd. Dit vastgelegd aantal leerlingen waarop volzet is verklaard mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend structuuronderdeel op de gebrui-kelijke teldatum van het vorige schooljaar. 104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de volzetverklaring is vastgelegd. Dit vastgelegd aantal leerlingen waarop volzet is verklaard mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend structuuronderdeel op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na volzetverklaring, vermeld in artikel 253/22, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of het centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na volzetverklaring, vermeld in artikel 253/22, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of het centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.
12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van volzetverklaring.12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van volzetverklaring.
+1 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 253/49
3§ 2. Met uitzondering van de inschrijvingen van leerlingen die zijn ingeschreven in overcapaciteit conform artikel 253/51, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit, vermeld in artikel 253/42, § 2, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 253/43 tot en met 253/46, en, wat de leerlingen, vermeld in artikel 253/44, 253/45 en 253/46, betreft, met het oog op het bereiken van hun respectievelijke aandeel, vermeld in artikel 253/44, § 3, artikel 253/45, § 3, en artikel 253/46, § 1, en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.3§ 2. Met uitzondering van de inschrijvingen van leerlingen die zijn ingeschreven in overcapaciteit conform artikel 253/51, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit, vermeld in artikel 253/42, § 2, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 253/43 tot en met 253/46, en, wat de leerlingen, vermeld in artikel 253/44, 253/45 en 253/46, betreft, met het oog op het bereiken van hun respectievelijke aandeel, vermeld in artikel 253/44, § 3, artikel 253/45, § 3, en artikel 253/46, § 1, en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.
4Betrokken personen van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de betrokken personen de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.4Betrokken personen van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de betrokken personen de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.
5Een schoolbestuur kan ervoor opteren om de volgorde van de weigeringen niet te respecteren voor een leerling die via een aanmeldingsprocedure geweigerd is en al ingeschreven is in een school van hogere keuze.
5§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.6§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.
6§ 4. Het verloop van inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.7§ 4. Het verloop van inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/51
93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/40, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/40, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;
104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. 115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
12§ 2. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.12§ 2. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
13§ 3. In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/42.13§ 3. In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/42.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/51
93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/40, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/40, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;
104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats wordt berekend door de kortste afstand te meten langs de openbare weg, vermeld in het koninklijk besluit van 3 juni 2024 betreffende de Code van de openbare weg. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
12§ 2. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.12§ 2. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
13§ 3. In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/42.13§ 3. In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/42.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/55
82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de bereikte capaciteit;82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de bereikte capaciteit;
93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats wordt berekend door de kortste afstand te meten langs de openbare weg, vermeld in het koninklijk besluit van 3 juni 2024 betreffende de Code van de openbare weg. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na het bereiken van de capaciteit, zoals bepaald in artikel 253/53, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na het bereiken van de capaciteit, zoals bepaald in artikel 253/53, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.
12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van de bereikte capaciteit.12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van de bereikte capaciteit.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/55
82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de bereikte capaciteit;82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de bereikte capaciteit;
93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na het bereiken van de capaciteit, zoals bepaald in artikel 253/53, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na het bereiken van de capaciteit, zoals bepaald in artikel 253/53, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.
12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van de bereikte capaciteit.12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van de bereikte capaciteit.
+7 −3 codex-secundair-onderwijs/art. 253/62
4a) een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 20232024;4a) een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 20232024;
5b) een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;5b) een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;
6c) een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025;6c) een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of de examencommissie van de Vlaamse Gemeen-schap tot en met het schooljaar 2024-2025;
7d) een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;7d) een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;
8d)/1 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een cen-trum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2026-2027
8e) een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;9e) een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;
9f) een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;10f) een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;
182° medische, psychische of sociale redenen;192° medische, psychische of sociale redenen;
193° het algemene niveau van de cursist, getoetst met een toelatingsproef die wordt georganiseerd binnen vijf lesdagen nadat de cursist met de opleiding is gestart.203° het algemene niveau van de cursist, getoetst met een toelatingsproef die wordt georganiseerd binnen vijf lesdagen nadat de cursist met de opleiding is gestart.
20De organisatie op verzoek van de cursist van een toelatingsproef als vermeld in het tweede lid kan niet worden geweigerd. De proef wordt beoordeeld door de klassenraad, die nagaat of de cursist over de kennis en vaardigheden beschikt die vereist zijn om de opleiding in kwestie aan te vangen. Van de beoordeling wordt een schriftelijk verslag gemaakt, dat wordt opgenomen in het dossier van de cursist.21De organisatie op verzoek van de cursist van een toelatingsproef als vermeld in het tweede lid kan niet worden geweigerd. De proef wordt georganiseerd en beoordeeld door de klassenraad, die nagaat of de cursist over de kennis en vaardigheden beschikt die vereist zijn om de opleiding in kwestie aan te vangen. Van de beoordeling wordt een schriftelijk verslag gemaakt, dat wordt opgenomen in het dossier van de cursist.
21Het schoolreglement van de school in kwestie bevat het vrijstellingenbeleid.
22In afwijking van het derde lid, kan het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 168/3, §3, de bevoegdheid om de toelatingsproef te organiseren en te beoordelen van de klassenraad overdragen aan een validerende instantie als vermeld in artikel II.232 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.
23Voor de registratie van de kandidaten voor de toetsing van de afwijkende toelatingsvoorwaarden voor de opleiding Basisverpleegkunde, leggen de scholen, de hogescholen en de associaties een register aan. Voor de gegevensdeling tussen die instellingen en de eventuele koppeling met de administratieve toepassingen om leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming uit te wisselen, wordt het identificatienummer van het Rijksregister gebruikt.
24Iedere school, hogeschool en associatie stelt een interne of externe functionaris met betrekking tot de gegevensbescherming aan. De scholen, de hogescholen en de associaties worden voor die verwerking aangewezen als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken en verwerken de gegevens over de studieloopbaan en de gegevens voor de toetsing van de afwijkende toelatingsvoorwaarden, vermeld in het tweede lid. Het register wordt maximaal tien jaar bewaard.
22§1/1. De school biedt ten minste het standaardtraject aan, met een studieomvang van 27 tot 33 studiepunten per semester of 54 tot 66 studiepunten per schooljaar.25§1/1. De school biedt ten minste het standaardtraject aan, met een studieomvang van 27 tot 33 studiepunten per semester of 54 tot 66 studiepunten per schooljaar.
23Een cursist volgt in de opleiding Basisverpleegkunde:26Een cursist volgt in de opleiding Basisverpleegkunde:
241° hetzij het standaardtraject;271° hetzij het standaardtraject;
252° hetzij, na een gunstige beslissing van de klassenraad, een traject dat meer of minder studiepunten omvat dan het standaardtraject. Dat af-wijkende traject wordt vastgelegd voor een individuele cursist of voor een groep van cursisten.282° hetzij, na een gunstige beslissing van de klassenraad, een traject dat meer of minder studiepunten omvat dan het standaardtraject. Dat af-wijkende traject wordt vastgelegd voor een individuele cursist of voor een groep van cursisten.
29§1/2. Het schoolreglement van de school in kwestie bevat het vrijstellingenbeleid.
26§2. Om tot een sequentieel geordende module van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs toegelaten te worden, voldoet de cursist aan een van de volgende voorwaarden:30§2. Om tot een sequentieel geordende module van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs toegelaten te worden, voldoet de cursist aan een van de volgende voorwaarden:
271° het bezit van het deelcertificaat van een sequentieel voorafgaande module;311° het bezit van het deelcertificaat van een sequentieel voorafgaande module;
+2 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 256/2/1 nieuw
1Binnen de beschikbare specifieke kredieten richt de examencommissie zich in haar doelgroep ook tot gedetineerden in penitentiaire instellingen met het oog op de organisatie van examens die leiden tot de bewijzen, vermeld in artikel 256/2, eerste lid, 1° tot en met 6°.
2De leidend ambtenaar van de instantie waaraan de organisatie van de examencommissie is opgedragen, sluit daarvoor een protocol met de Vlaamse overheidsdienst Justitie.
+4 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 256/3
1§1. Onverminderd de examens die leiden tot het bewijs, vermeld in artikel 256/2, eerste lid, 5°, bepaalt de examencommissie over welke structuuronderdelen en onderliggende beroepskwalificaties van het voltijds secundair onderwijsaanbod, die de Vlaamse Regering vastlegt, examens kunnen worden afgelegd. De examencommissie houdt daarbij per structuuronderdeel en per onderliggende beroepskwalificatie ten minste rekening met de hiernavolgende criteria:1§1. Onverminderd de examens die leiden tot het bewijs, vermeld in artikel 256/2, eerste lid, 5°, bepaalt de examencommissie over welke structuuronderdelen en onderliggende beroepskwalificaties van het voltijds secundair onderwijsaanbod, die de Vlaamse Regering vastlegt, examens kunnen worden afgelegd. De examencommissie houdt daarbij per structuuronderdeel en per onderliggende beroepskwalificatie ten minste rekening met de hiernavolgende criteria:
21° de technische en praktische haalbaarheid van de organisatie van de examens;21° de technische en praktische haalbaarheid van de organisatie van de examens;
32° de financiële kost van de organisatie van de examens;32° de financiële kost van de organisatie van de examens;
43° het te verwachten aantal inschrijvingen van kandidaten;43° het te verwachten aantal inschrijvingen van kandidaten;
54° de mate waarin een doorsnee kandidaat er zelfstandig in slaagt om zich afdoende op het examenprogramma voor te bereiden.54° de mate waarin een doorsnee kandidaat er zelfstandig in slaagt om zich afdoende op het examenprogramma voor te bereiden.
6§2. Het examenprogramma voor een structuuronderdeel is opgebouwd uit vakken. Het wordt ontwikkeld door de examencommissie, rekening houdend met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden als referentiekader voor de ontwikkeling van een examenprogramma, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden die zijn bepaald in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving, gehanteerd.6§2. Het examenprogramma voor een structuuronderdeel is opgebouwd uit vakken en wordt ontwikkeld door de examencommissie. Voor structuuronderdelen die leiden tot een onderwijskwalificatie wordt bij de ontwikkeling rekening gehouden met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Voor structuuronderdelen die niet leiden tot een onderwijskwalificatie, worden als referentiekader voor de ontwikkeling, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden, vermeld in Vlaamse regelgeving, gehanteerd.
7Elk examenprogramma dient, voorafgaand aan de invoering, door de onderwijsinspectie te worden goedgekeurd. De onderwijsinspectie kan de goedkeuring van een examenprogramma intrekken op grond van onvoldoende actualiteitswaarde.
7De Vlaamse Regering kan onderwijsdoelen uit onderwijskwalificaties of uit referentiekaders als vermeld in het eerste lid, aanduiden die binnen de context van de examencommissie niet evalueerbaar of niet haalbaar zijn en bijgevolg buiten beschouwing worden gelaten bij de ontwikkeling van examenprogramma’s.
8§3. In afwijking van paragraaf 1 en 2, eerste lid, bestaat, voor wat betreft de examens tot het behalen van een getuigschrift van de eerste graad, het examenprogramma uit de basisvorming van de A- stroom of de basisvorming van de B-stroom, naargelang van de keuze van de kandidaat.8§3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bestaat, voor wat betreft de examens tot het behalen van een getuigschrift van de eerste graad, het examenprogramma uit de basisvorming van de A- stroom of de basisvorming van de B-stroom, naargelang van de keuze van de kandidaat.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 256/4
6Het bedrag, vermeld in 2°, wordt jaarlijks vanaf 1 november als volgt aangepast : het bedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het kalenderjaar in kwestie en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2012. Het resultaat van die berekening wordt afgerond naar de lagere eenheid bij een cijfer van minder dan vijf na de komma en afgerond naar de hogere eenheid bij een cijfer van vijf of meer na de komma.6Het bedrag, vermeld in 2°, wordt jaarlijks vanaf 1 november als volgt aangepast : het bedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het kalenderjaar in kwestie en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2012. Het resultaat van die berekening wordt afgerond naar de lagere eenheid bij een cijfer van minder dan vijf na de komma en afgerond naar de hogere eenheid bij een cijfer van vijf of meer na de komma.
7§ 2. Het inschrijvingsgeld geldt voor het geheel van de examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen.7§ 2. Het inschrijvingsgeld geldt voor het geheel van de examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen.
8§ 3. Onwettige afwezigheidop examens wordt van rechtswege gelijkgesteld met uitschrijving. De resterende examens kunnen pas worden afgelegd als opnieuw voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.8§ 3. Onwettige afwezigheid, zoals bepaald in het examenreglement, op examens wordt van rechtswege gelijkgesteld met uitschrijving. De resterende examens kunnen pas worden afgelegd als opnieuw voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.
9§ 4. Voor een examen over hetzelfde vak kan een kandidaat zich per jaar maximaal drie keer inschrijven.9§ 4. Voor een examen over hetzelfde vak kan een kandidaat zich per jaar maximaal drie keer inschrijven.
10§ 5. Zolang niet alle examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen, zijn afgelegd, blijft het resultaat voor een afgelegd examen geldig gedurende zeven kalenderjaren, te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van het resultaat.10§ 5. Zolang niet alle examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen, zijn afgelegd, blijft het resultaat voor een afgelegd examen geldig gedurende zeven kalenderjaren, te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van het resultaat.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 306
1Maximum 3 % van het lesurenpakket en van het urenpakket, bedoeld in artikel 311, kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor het buitengewoon secundair beroepsonderwijs dat georganiseerd is volgens een modulair stelsel of in de vorm van een alternerende beroepsopleiding. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (305)1Maximum 3 % van het lesurenpakket en van het urenpakket, bedoeld in artikel 311, kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor de integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden.
+4 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 308/1
1§ 1. Met behoud van de toepassing van het reglementair vastgelegde lesurenpakket dat wordt toegekend, wordt een specifiek aantal lesuren toegekend aan elke door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instelling voor buitengewoon secundair onderwijs, die opleidingen aanbiedt die verwant zijn aan land- en tuinbouw. De Vlaamse Regering bepaalt welke opleidingen uit het studiegebied of studiedomein land- en tuinbouw daarvoor in aanmerking komen. Dit moeten opleidingen zijn waarvoor er een noodzaak is om culturen, serres of veestapel uit te baten of onderhouden, die van de instelling afhangen.1§ 1. Met behoud van de toepassing van het reglementair vastgelegde lesurenpakket dat wordt toegekend, wordt een specifiek aantal lesuren toegekend aan elke door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instelling voor buitengewoon secundair onderwijs, die opleidingen aanbiedt die verwant zijn aan land- en tuinbouw. De Vlaamse Regering bepaalt welke opleidingen uit het studiedomein land- en tuinbouw daarvoor in aanmerking komen. Dit moeten opleidingen zijn waarvoor er een noodzaak is om culturen, serres of veestapel uit te baten of onderhouden, die van de instelling afhangen.
2Het specifieke aantal lesuren, vermeld in het eerste lid, dat respectievelijk overeenstemt met één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met praktische vakken in de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 of één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met beroepsgerichte vorming in opleidingsvorm 3, staat de instelling toe de volgende opdrachten uit te voeren:2Het specifieke aantal lesuren, vermeld in het eerste lid, dat respectievelijk overeenstemt met één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met praktische vakken in de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 of één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met beroepsgerichte vorming in opleidingsvorm 3, staat de instelling toe de volgende opdrachten uit te voeren:
31° de culturen, de serres en de veestapel die van de instelling afhangen, uitbaten en onderhouden;31° de culturen, de serres en de veestapel die van de instelling afhangen, uitbaten en onderhouden;
42° tijdens de praktijklessen aan de leerlingen van het studiegebied of studiedomein land- en tuinbouw illustratieve demonstraties geven die rekening houden met de technische en technologische ontwikkelingen in de sector.42° tijdens de praktijklessen aan de leerlingen van het studiedomein land- en tuinbouw illustratieve demonstraties geven die rekening houden met de technische en technologische ontwikkelingen in de sector.
5§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt rekening gehouden met:5§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt rekening gehouden met:
61° voor opleidingsvorm 3: alle administratieve groepen uit de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de integratiefase van de opleidingen die de Vlaamse Regering bepaalt, die behoren tot het studiegebied of studiedomein land- en tuinbouw;61° voor opleidingsvorm 3: alle administratieve groepen uit de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de integratiefase van de opleidingen die de Vlaamse Regering bepaalt, die behoren tot het studiedomein land- en tuinbouw;
72° voor opleidingsvorm 4: alle structuuronderdelen van het studiegebied of studiedomein land- en tuinbouw die zich over de tweede en derde graad van het technisch en beroepssecundair onderwijs uitstrekken, met uitzondering van die structuuronderdelen waarvan de wekelijkse lessentabel geen praktijkvakken bevat.72° voor opleidingsvorm 4: alle structuuronderdelen van het studiedomein land- en tuinbouw, met uitzondering van die structuuronderdelen waarvan de wekelijkse lessentabel geen praktijkvakken bevat.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 314
1Maximum 3 % van het urenpakket en van het lesurenpakket kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor het buitengewoon secundair beroepsonderwijs dat georganiseerd is volgens een modulair stelsel of in de vorm van een alternerende beroepsopleiding. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (313)1Maximum 3 % van het urenpakket en van het lesurenpakket kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor de integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (313)
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 332/1
1Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 329 , ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken of ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.1Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 329 of artikel X/4.1 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken of ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
2De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.2De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
3Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.3Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 333
1Het buitengewoon secundair onderwijs in deze opleidingsvormen wordt verstrekt naar rata van minimum 32 lesuren en maximum 36 lesuren van 50 minuten per week, gespreid over 9 halve dagen, met uitzondering van de facultatieve integratiefase van opleidingsvorm 3, waar 38 lesuren per week worden verstrekt.1Het buitengewoon secundair onderwijs in deze opleidingsvormen wordt verstrekt naar rata van minimum 32 lesuren en maximum 36 lesuren van 50 minuten per week, gespreid over 9 halve dagen, met uitzondering van de integratiefase van opleidingsvorm 3, waar 38 lesuren per week worden verstrekt.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 335/1
1De bepalingen van dit artikel treden progressief, te beginnen met de observatiefase, in werking vanaf 1 september 2020.1De bepalingen van dit artikel treden progressief, te beginnen met de observatiefase, in werking vanaf 1 september 2020.
2In de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de facultatieve integratiefase worden opleidingen onderscheiden, die als finaliteit arbeidsmarkt hebben. Die opleidingen worden geordend in een matrix op basis van studiedomeinen zoals vastgelegd door de Vlaamse Regering.2In de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de integratiefase worden opleidingen onderscheiden, die als finaliteit arbeidsmarkt hebben. Die opleidingen worden geordend in een matrix op basis van studiedomeinen zoals vastgelegd door de Vlaamse Regering.
3De studiedomeinen zijn:3De studiedomeinen zijn:
41° taal en cultuur;41° taal en cultuur;
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 336
1§1. Opleidingsvorm 3 omvat vier fases: de observatiefase, de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de facultatieve integratiefase:1§1. Opleidingsvorm 3 omvat vier fases: de observatiefase, de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de integratiefase:
21° de observatiefase omvat één schooljaar;21° de observatiefase omvat één schooljaar;
32° de opleidingsfase omvat twee schooljaren;32° de opleidingsfase omvat twee schooljaren;
43° de kwalificatiefase omvat twee schooljaren;43° de kwalificatiefase omvat twee schooljaren;
54° de facultatieve integratiefase omvat één schooljaar in de vorm van een alternerende beroepsopleiding, bestaande uit 1200 uur vorming op school en werkervaring in een bedrijf. De vorming op school bestaat uit minimum 400 uur algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. De werkervaring bestaat uit minimum 700 uur werkervaring in een regulier bedrijf in de vorm van leerlingenstage.54° de integratiefase omvat één schooljaar in de vorm van een alternerende beroepsopleiding, bestaande uit 1200 uur vorming op school en werkervaring in een bedrijf. De vorming op school bestaat uit minimum 400 uur algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. De werkervaring bestaat uit minimum 700 uur werkervaring in een regulier bedrijf in de vorm van leerlingenstage.
6§2. In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage.6§2. In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage.
7Als er geen of onvoldoende stageplaatsen beschikbaar zijn in de kwalificatiefase, zet de school maximaal in op observatieactiviteiten in een organisatie of onderneming waarbij de leerling, zonder effectief aan het arbeidsproces te participeren, kennismaakt met een beroep of een specifieke werkplek.7Als er geen of onvoldoende stageplaatsen beschikbaar zijn in de kwalificatiefase, zet de school maximaal in op observatieactiviteiten in een organisatie of onderneming waarbij de leerling, zonder effectief aan het arbeidsproces te participeren, kennismaakt met een beroep of een specifieke werkplek.
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 357/2
87° modulair: een organisatievorm waarbij een duaal structuuronderdeel of aanloopstructuuronderdeel als vermeld in deel V/2, opgebouwd is uit één of meer clusters, samenhangende en afgeronde gehelen van competenties, die een lerende de mogelijkheid biedt via een individuele leerweg toe te werken naar een studiebekrachtiging met waarborg voor aansluiting op vervolgopleidingen of tewerkstellingsmogelijkheden;87° modulair: een organisatievorm waarbij een duaal structuuronderdeel of aanloopstructuuronderdeel als vermeld in deel V/2, opgebouwd is uit één of meer clusters, samenhangende en afgeronde gehelen van competenties, die een lerende de mogelijkheid biedt via een individuele leerweg toe te werken naar een studiebekrachtiging met waarborg voor aansluiting op vervolgopleidingen of tewerkstellingsmogelijkheden;
98° onderneming: elke natuurlijke persoon, privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon die een leerling opleidt met een overeenkomst tot uitvoering van een alternerende opleiding;98° onderneming: elke natuurlijke persoon, privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon die een leerling opleidt met een overeenkomst tot uitvoering van een alternerende opleiding;
109° opleidingsplan: een plan dat het individuele leertraject van de leerling bevat, dat het standaardtraject omvat;109° opleidingsplan: een plan dat het individuele leertraject van de leerling bevat, dat het curriculumdossier omvat;
1110° opleidingsuur: zowel de tijdspanne van vijftig minuten waarin een les of een met een les gelijkgestelde activiteit wordt georganiseerd, als de tijdspanne van zestig minuten waarin de opleiding op de werkplek wordt georganiseerd;1110° opleidingsuur: zowel de tijdspanne van vijftig minuten waarin een les of een met een les gelijkgestelde activiteit wordt georganiseerd, als de tijdspanne van zestig minuten waarin de opleiding op de werkplek wordt georganiseerd;
1211° organisatoren: organisaties met publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, of natuurlijke personen, die leerlingen ondersteunen tijdens de invulling van de werkplekcomponent;1211° organisatoren: organisaties met publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, of natuurlijke personen, die leerlingen ondersteunen tijdens de invulling van de werkplekcomponent;
1312° schoolcomponent: het deel van de opleiding dat lessen bij de aanbieder duaal leren of met lessen gelijkgestelde activiteiten, buiten de werkplekcomponent, omvat;1312° schoolcomponent: het deel van de opleiding dat lessen bij de aanbieder duaal leren of met lessen gelijkgestelde activiteiten, buiten de werkplekcomponent, omvat;
1413° sector: een groep professionele activiteiten ingedeeld naar belangrijkste dienst, product, technologie, naar belangrijkste economische functie of naar bedrijfstak;1413° sector: een groep professionele activiteiten ingedeeld naar belangrijkste dienst, product, technologie, naar belangrijkste economische functie of naar bedrijfstak;
1514° standaardtraject: een eenvormig traject per duaal structuuronderdeel dat de minimale inhoudelijke en organisatorische modaliteiten van het traject bevat;
1514° ...;
1615° trajectbegeleider: het gemandateerde personeelslid van een aanbieder duaal leren, dat belast is met de opvolging en begeleiding van de leerling met het oog op de volledige realisatie van het opleidingsplan;1615° trajectbegeleider: het gemandateerde personeelslid van een aanbieder duaal leren, dat belast is met de opvolging en begeleiding van de leerling met het oog op de volledige realisatie van het opleidingsplan;
1716° trajectbegeleiding: een continu proces van begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en de vorming van de leerling zowel tijdens de schoolcomponent als tijdens de werkplekcomponent;1716° trajectbegeleiding: een continu proces van begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en de vorming van de leerling zowel tijdens de schoolcomponent als tijdens de werkplekcomponent;
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 357/6
1Een aanbieder duaal leren kan een duaal structuuronderdeel opstarten tot en met de eerste lesdag van oktober. Een structuuronderdeel 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt kan ook opgestart worden op de eerste lesdag van februari van het lopende schooljaar. Als een aanbieder duaal leren ten minste één regelmatige leerling in een duaal structuuronderdeel of aanloopstructuuronderdeel als vermeld in 357/43, eerste lid, 1° of 2°, die zijn opgenomen in hetzelfde standaardtraject, heeft ingeschreven op de eerste lesdag van oktober, is de duale opleiding opgenomen in het studieaanbod van de aanbieder.1Een aanbieder duaal leren kan een duaal structuuronderdeel opstarten tot en met de eerste lesdag van oktober. Een structuuronderdeel 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt kan ook opgestart worden op de eerste lesdag van februari van het lopende schooljaar. Als een aanbieder duaal leren ten minste één regelmatige leerling in een duaal structuuronderdeel of aanloopstructuuronderdeel als vermeld in 357/43, eerste lid, 1° of 2°, die zijn opgenomen in hetzelfde curriculumdossier, heeft ingeschreven op de eerste lesdag van oktober, is de duale opleiding opgenomen in het studieaanbod van de aanbieder.
2In afwijking van het eerste lid kan een duaal structuuronderdeel ook opstarten na de eerste lesdag van oktober als de instroom in dat structuuronderdeel op dat moment al voorbehouden wordt voor leerlingen die bij dezelfde aanbieder duaal leren kunnen overstappen van een aanloopstructuuronderdeel als vermeld in deel V/2, naar een duaal structuuronderdeel dat aan dat aanloopstructuuronderdeel gekoppeld is. In voorkomend geval wordt de eerste lesdag van juni als tweede referentiedatum beschouwd voor de vaststelling of het aanloopstructuuronderdeel of het duale structuuronderdeel in het schooljaar in kwestie al dan niet in het studieaanbod van de aanbieder duaal leren in kwestie voorkomt.2In afwijking van het eerste lid kan een duaal structuuronderdeel ook opstarten na de eerste lesdag van oktober als de instroom in dat structuuronderdeel op dat moment al voorbehouden wordt voor leerlingen die bij dezelfde aanbieder duaal leren kunnen overstappen van een aanloopstructuuronderdeel als vermeld in deel V/2, naar een duaal structuuronderdeel dat aan dat aanloopstructuuronderdeel gekoppeld is. In voorkomend geval wordt de eerste lesdag van juni als tweede referentiedatum beschouwd voor de vaststelling of het aanloopstructuuronderdeel of het duale structuuronderdeel in het schooljaar in kwestie al dan niet in het studieaanbod van de aanbieder duaal leren in kwestie voorkomt.
+2 −13 codex-secundair-onderwijs/art. 357/7
1§1. In afwachting van de invoering van curriculumdossiers als vermeld in artikel 138, eerste lid, zijn de duale structuuronderdelen ingericht volgens standaardtrajecten.
2§ 2. Voor elk duaal structuuronderdeel wordt één standaardtraject ontwikkeld, gebaseerd op een of meerdere beroepskwalificaties of één of meerdere deelkwalificaties, onder coördinatie van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap in overleg met de betrokken sector, het Gemeenschapsonderwijs, de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs, een afvaardiging van de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. Standaardtrajecten worden door de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Werk ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.
3Een standaardtraject bevat in elk geval:
41° de reguliere opleidingsduur uitgedrukt in jaren of semesters;
52° de specifieke toelatingsvoorwaarden;
63° de graad en het studiegebied waartoe het structuuronderdeel behoort;
74° een clustering van beroepsgerichte competenties gebaseerd op een of meerdere beroepskwalificaties of een of meerder deelkwalificaties;
85° in voorkomend geval de algemeen vormende competenties, gebaseerd op de toepasbare eindtermen voor het overeenstemmend niet-duaal leren. Indien de aanbieder van de duale opleiding een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is, zijn evenwel niet van toepassing:
91° vóór de modernisering: de eindtermen lichamelijke opvoeding van het beroepssecundair onderwijs als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000, bekrachtigd bij het decreet van 18 januari 2002, en het besluit van de Vlaamse Regering van 20 september 2002, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2002;
102° ...;
116° de omvang van de werkplekcomponent;
127° welke cluster van competenties of welke combinatie van clusters van competenties die een leerling met vrucht beëindigt, recht geeft op een studiebekrachtiging;
138° de aanloopstructuuronderdelen die, afgeleid van dit standaardtraject, georganiseerd kunnen worden conform deel V/2.
1§1. ...
2§ 2. ...
14§ 3. Een duaal structuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd.3§ 3. Een duaal structuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd.
15§ 4. Als de aanbieder een school voor voltijds secundair onderwijs is, dan geldt de verplichting tot organisatie van levensbeschouwelijk onderricht. Deze cursussen vallen buiten het standaardtraject. Als de aanbieder duaal leren een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is, worden levensbeschouwelijke vakken niet aangeboden.4§ 4. Als de aanbieder een school voor voltijds secundair onderwijs is, dan geldt de verplichting tot organisatie van levensbeschouwelijk onderricht. Deze cursussen vallen buiten het standaardtraject. Als de aanbieder duaal leren een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is, worden levensbeschouwelijke vakken niet aangeboden.
+1 −6 codex-secundair-onderwijs/art. 357/9
1§ 1. In het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin eventueel met een duaal structuuronderdeel wordt gestart, wordt aan de leerling een niet-bindend advies gegeven. Het advies wordt tijdig verstrekt met het oog op een vlotte studiekeuze en -voortgang van de leerling.
2Het niet-bindende advies heeft betrekking op de instap in een duaal structuuronderdeel en geeft inzicht in de arbeidsbereidheid en arbeidsrijpheid van de leerling.
3Het niet-bindende karakter van het advies waarborgt de keuzevrijheid van de leerling en is geen toelatingsvoorwaarde voor een duaal structuuronderdeel.
4In het tweede lid wordt verstaan onder:
51° arbeidsbereid: gemotiveerd om te leren en te participeren op de werkplek;
62° arbeidsrijp: competent om te leren en te participeren op de werkplek.
1§ 1....
7§ 2. Met behoud van de toepassing van artikel 123/20, kan een leerling die niet meer voltijds leerplichtig is, een verkennende leerlingenstage lopen in een onderneming in elk schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin eventueel met een duaal structuuronderdeel wordt gestart.2§ 2. Met behoud van de toepassing van artikel 123/20, kan een leerling die niet meer voltijds leerplichtig is, een verkennende leerlingenstage lopen in een onderneming in elk schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin eventueel met een duaal structuuronderdeel wordt gestart.
8Die leerlingenstage:3Die leerlingenstage:
+0 −9 codex-secundair-onderwijs/art. 357/10 opgeheven
1In dit artikel wordt verstaan onder:
21° equivalent leefloongerechtigde: de persoon die recht heeft op bijstand van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, waarvoor de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van de federale overheid zijn op basis van artikel 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
32° leefloongerechtigde: de persoon, vermeld in artikel 2 en 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of de behoeftige, vermeld in artikel 5 van de voormelde wet van 2 april 1965.
4Het niet-bindende advies, vermeld in artikel 357/9, wordt gegeven op de volgende wijze:
51° voor een leerling uit een niet-duaal ingericht arbeidsmarktgericht structuuronderdeel en voor een leerling uit een niet-duaal ingericht structuuronderdeel met dubbele finaliteit wordt het advies verplicht gegeven door de klassenraad van dat structuuronderdeel;
62° voor een zijinstromer, die geen leefloongerechtigde of equivalent leefloongerechtigde is, wordt het advies gegeven door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding gaat daarbij na wat de meest passende opleiding in zijn traject naar werk is. Bij een negatief advies voor duaal leren stelt de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding een meer passend opleidings- of begeleidingstraject aan de zijinstromer voor;
73° voor een zijinstromer, die een leefloongerechtigde of equivalent leefloongerechtigde is, wordt het advies gegeven door het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn;
84° in alle andere situaties wordt het advies verstrekt op vraag van de leerling of de betrokken personen, door de klassenraad van het voorafgaande structuuronderdeel of door de trajectbegeleider van de aanbieder duaal leren waar de leerling duaal leren wensen te volgen.
9In afwachting van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019, wordt het advies, vermeld in punt 1°, gegeven in structuuronderdelen die na concordantie door de Vlaamse Regering beschouwd worden als structuuronderdelen met arbeidsmarktgerichte of dubbele finaliteit.
+0 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 357/11 opgeheven
1Om als regelmatige leerling tot een duaal structuuronderdeel te kunnen worden toegelaten, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn:
21° voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht;
32° beantwoorden aan de specifieke toelatingsvoorwaarden tot het duale structuuronderdeel in kwestie zoals bepaald in het standaardtraject; in afwijking hiervan geldt voor leerlingen die hetzij overstappen van een school met een buitenlands onderwijssysteem of van een school die is erkend door de Franse of Duitstalige Gemeenschap van België en al dan niet onthaalonderwijs hebben gevolgd, hetzij overstappen van een school voor buitengewoon secundair onderwijs, behoudens opleidingsvorm 4, een gunstige beslissing met betrekking tot vereiste vooropleiding of studiebewijzen van de klassenraad die beslist over de toelating als toelatingsvoorwaarde, zonder afbreuk te doen aan de specifieke toelatingsvoorwaarden van het duale structuuronderdeel;
43° voor zijinstromers een gunstige beslissing van de klassenraad gekregen hebben.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 357/12 opgeheven
1De klassenraad van een niet-duaal structuuronderdeel beslist over de instap van een leerling die overkomt uit een duaal structuuronderdeel en alleen in het bezit is van een bewijs van beroepskwalificatie, een bewijs van deelkwalificatie of een bewijs van competenties.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 357/13 opgeheven
1Tot en met de eerste lesdag van november kan een leerling van rechtswege instappen in een duaal structuuronderdeel als die leerling voldoet aan de toelatingsvoorwaarden. Leerlingen die na de eerste lesdag van november willen instappen, worden toegelaten via een klassenraad.
+0 −3 codex-secundair-onderwijs/art. 357/14 opgeheven
1De trajectbegeleider en de mentor zijn ambtshalve stemgerechtigde leden van de klassenraad.
2In afwijking van het eerste lid is de mentor geen lid van de klassenraad als die klassenraad zou beslissen over de toelating van leerlingen in het kader van de toelatingsvoorwaarden.
3De Vlaamse Regering bepaalt de praktische afspraken over het functioneren van de mentor in de klassenraad.
+0 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 357/18 opgeheven
1Voor een regelmatige leerling die zijn opleiding in de loop van of op het einde van het schooljaar beëindigt, beslist de klassenraad, na evaluatie, over de studiebekrachtiging. De studiebekrachtiging in duale structuuronderdelen is gebaseerd op onderwijskwalificaties en beroepskwalificaties of op onderdelen ervan.
2De Vlaamse Regering legt de lijst van studiebewijzen vast die uitgereikt kunnen worden in duale structuuronderdelen.
+0 −6 codex-secundair-onderwijs/art. 357/19/1 opgeheven
1Artikel 357/9, § 1, artikel 357/10 tot en met 357/13, artikel 357/14, eerste en tweede lid, artikel 357/16 en artikel 357/18 houden op uitwerking te hebben ingevolge de modernisering van het secundair onderwijs op de volgende data:
21° 14 juni 2022: in het eerste leerjaar van de tweede graad;
32° 31 augustus 2022: in het tweede leerjaar van de tweede graad;
43° 31 augustus 2023: in het eerste leerjaar van de derde graad;
54° 31 augustus 2024: in het tweede leerjaar van de derde graad;
65° 31 augustus 2025: in het derde leerjaar van de derde graad.
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 357/43
1Voor de invulling van een aanloopstructuuronderdeel zijn er twee mogelijkheden:1Voor de invulling van een aanloopstructuuronderdeel zijn er twee mogelijkheden:
21° een aanloopstructuuronderdeel is een bundeling van competenties uit een standaardtraject als vermeld in artikel 357/7;21° een aanloopstructuuronderdeel is een bundeling van competenties uit een duaal structuuronderdeel;
32° een aanloopstructuuronderdeel is een bundeling van competenties uit standaardtrajecten als vermeld in artikel 357/7, die gekoppeld zijn aan een studiedomein of een afgebakend geheel binnen een studiedomein. Deze invulling is enkel mogelijk op niveau van de tweede graad.32° een aanloopstructuuronderdeel is een bundeling van competenties uit duale structuuronderdelen, die gekoppeld zijn aan een studiedomein of een afgebakend geheel binnen een studiedomein. Deze invulling is enkel mogelijk op niveau van de tweede graad.
4De Vlaamse Regering bepaalt de invulling van een aanloopstructuuronderdeel.4De Vlaamse Regering bepaalt de invulling van een aanloopstructuuronderdeel.
5Een aanloopstructuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd.5Een aanloopstructuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 357/46
1§ 1. De aanbieder van de aanloopfase staat in voor de invulling van de aanloopcomponent en kan daarbij beroep doen op een organisator.1§ 1. De aanbieder van de aanloopfase staat in voor de invulling van de aanloopcomponent en kan daarbij beroep doen op een organisator.
2§ 2. De aanloopcomponent is een individueel traject op maat van de leerling. De inhoud en de duur van het individuele traject worden bepaald door het resultaat van de screening, vermeld in artikel 357/47, en worden verankerd in een individueel opleidingsplan, gebaseerd op het standaardtraject.2§ 2. De aanloopcomponent is een individueel traject op maat van de leerling. De inhoud en de duur van het individuele traject worden bepaald door het resultaat van de screening, vermeld in artikel 357/47, en worden verankerd in een individueel opleidingsplan, gebaseerd op het curriculumdossier.
3§ 3. De aanloopcomponent focust op het stimuleren van de arbeidsrijpheid van de leerling en is gericht op:3§ 3. De aanloopcomponent focust op het stimuleren van de arbeidsrijpheid van de leerling en is gericht op:
41° het verbeteren van de arbeidsgerichte competenties van de leerling of;41° het verbeteren van de arbeidsgerichte competenties van de leerling of;
+4 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 357/62
1Voor elk duaal structuuronderdeel wordt één standaardtraject ontwikkeld dat gebaseerd is op een of meerdere beroepskwalificaties, onder coördinatie van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap en in overleg met de betrokken sector, het Gemeenschapsonderwijs, de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs, een afvaardiging van de centra voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. Standaardtrajecten worden op voordracht van de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Werk ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.1Voor elk duaal structuuronderdeel van opleidingsvorm 3 wordt één standaardtraject ontwikkeld dat gebaseerd is op een of meerdere beroepskwalificaties, onder coördinatie van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap en in overleg met de betrokken sector, het Gemeenschapsonderwijs, de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs, een afvaardiging van de centra voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. Standaardtrajecten worden op voordracht van de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Werk ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.
2Een standaardtraject vermeldt in elk geval:2Een standaardtraject vermeldt in elk geval:
31° de reguliere opleidingsduur uitgedrukt in jaren of semesters;31° de reguliere opleidingsduur uitgedrukt in jaren of semesters;
42° de specifieke toelatingsvoorwaarden;42° de specifieke toelatingsvoorwaarden;
53° voor opleidingsvorm 4: de graad en het studiegebied waartoe het structuuronderdeel behoort;
53° ...;
64° voor opleidingsvorm 3: de fase waartoe het structuuronderdeel behoort;64° de fase waartoe het structuuronderdeel behoort;
75° een clustering van beroepsgerichte competenties, die gebaseerd zijn op een of meer beroepskwalificaties;75° een clustering van beroepsgerichte competenties, die gebaseerd zijn op een of meer beroepskwalificaties;
86° in voorkomend geval de algemeen vormende competenties, die gebaseerd zijn op de toepasbare eindtermen voor het overeenstemmende niet-duaal leren voor opleidingsvorm 4 en op de toepasbare ontwikkelingsdoelen voor het overeenstemmend niet-duaal leren voor opleidingsvorm 3, of op de toepasbare eindtermen voor het overeenstemmende niet-duaal leren, als in opleidingsvorm 3 voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 335/1, vierde lid;86° de toepasbare ontwikkelingsdoelen voor het overeenstemmend niet-duaal leren voor opleidingsvorm 3, of op de toepasbare eindtermen voor het overeenstemmende niet-duaal leren, als in opleidingsvorm 3 voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 262, §4;
97° de omvang van de werkplekcomponent;97° de omvang van de werkplekcomponent;
108° welke cluster van competenties of welke combinatie van clusters van competenties die een leerling met vrucht beëindigt, recht geeft op een studiebekrachtiging;108° welke cluster van competenties of welke combinatie van clusters van competenties die een leerling met vrucht beëindigt, recht geeft op een studiebekrachtiging;
+2 −20 codex-secundair-onderwijs/art. 357/65
1§ 1. Artikel 357/9 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
2Artikel 357/10 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
3Artikel 357/11 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat ook de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 293, § 2, en artikel 294, van toepassing zijn.
4Artikel 357/12 tot en met 357/14 zijn ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
5Artikel 357/15 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dien verstande dat de woorden "algemene vorming" voor opleidingsvorm 3 als de woorden "de algemene en sociale vorming" worden gelezen.
6Artikel 357/16 en 357/17 zijn ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
7Artikel 357/18 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat voor opleidingsvorm 3 moet worden aangevuld dat het behalen van de eindstudiebekrachtiging op het einde van de kwalificatiefase of de integratiefase niet tot gevolg mag hebben dat een leerling vóór het jaar waarin hij de leeftijd van achttien jaar bereikt, zijn opleiding of deelname aan het leerplichtonderwijs beëindigt.
8Artikel 357/19 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, als de aanpassingen de werkplekcomponent betreffen.
9§ 2. De bepalingen in paragraaf 1 houden op uitwerking te hebben ingevolge de modernisering van het secundair onderwijs op de volgende data:
101° 14 juni 2022: in het eerste leerjaar van de tweede graad;
112° 31 augustus 2022: in het tweede leerjaar van de tweede graad;
123° 31 augustus 2023:
13a) in het eerste leerjaar van de derde graad;
14b) in het eerste leerjaar van de kwalificatiefase;
154° 31 augustus 2024:
16a) in het tweede leerjaar van de derde graad;
17b) in het tweede leerjaar van de kwalificatiefase;
185° 31 augustus 2025:
19a) in het derde leerjaar van de derde graad;
20b) in de integratiefase.
1§ 1. ...
2§ 2. ...
21§ 3. Artikel 357/9 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.3§ 3. Artikel 357/9 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
22Artikel 357/14 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.4Artikel 357/14 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
+1 −0 decreet-2018-04-27/art. 5
4In de fase uitbreiding van zorg bespreekt het centrum met de school en de leerling de hulpvraag en bepaalt het centrum handelingsgericht welke kernactiviteit het zal inzetten om de hulpvraag te beantwoorden.4In de fase uitbreiding van zorg bespreekt het centrum met de school en de leerling de hulpvraag en bepaalt het centrum handelingsgericht welke kernactiviteit het zal inzetten om de hulpvraag te beantwoorden.
5De Vlaamse Regering kan de verdere operationalisering van de kernactiviteit draaischijffunctie bepalen.5De Vlaamse Regering kan de verdere operationalisering van de kernactiviteit draaischijffunctie bepalen.
6Het centrum beslist, in de fase van uitbreiding van zorg na een vraag van de ouders, in het kader van handelingsgerichte diagnostiek over de toekenning en de duur van het recht op permanent onderwijs aan huis voor een leerling als vermeld in artikel 35 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 118 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
+1 −5 decreet-2022-06-03-1037193/art. 24
1In afwijking van artikel 26bis/1 van hetzelfde decreet geldt de termijn voor het indienen van een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap niet voor het huisonderwijs dat wordt georganiseerd voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan . Voor die kinderen kan dus op elk moment een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.1In afwijking van artikel 26bis/1 van hetzelfde decreet geldt de termijn voor het indienen van een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap niet voor het huisonderwijs dat wordt georganiseerd voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan als die kinderen bij de start van het schooljaar minder dan één jaar geleden voor het eerst zijn gedomicilieerd in België of als die kinderen voor 1 januari 2027 twaalf jaar of ouder zijn. Voor die kinderen kan dus op elk moment een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
2Met behoud van de toepassing van het eerste lid en in afwijking van artikel 26bis/1 van hetzelfde decreet geldt voor het huisonderwijs dat gefaciliteerd en ondersteund wordt door het lokaal bestuur, vermeld in artikel 2, dat:
31° de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs ook wordt ingediend voor nog niet leerplichtige kinderen;
42° het lokaal bestuur de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs indient voor elk kind waarvoor het lokaal bestuur subsidies als vermeld in artikel 2 ontvangt om het huisonderwijs te ondersteunen en te faciliteren;
53° de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie alleen de bijhorende informatie over het huisonderwijs, vermeld in artikel 26bis/1, § 1, tweede lid, 1°, van hetzelfde decreet bevat, met uitzondering van de persoonsgegevens van de ouders, alsook de bijhorende informatie, vermeld in artikel 26bis/1, § 1, tweede lid, 4°, van hetzelfde decreet bevat.
+1 −1 decreet-2022-06-03-1037193/art. 25
1Artikel 26bis/2 tot en met 26quater van hetzelfde decreet zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat georganiseerd wordt voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan .1Artikel 26bis/2 tot en met 26quater van hetzelfde decreet zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat georganiseerd wordt voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan als die kinderen bij de start van het schooljaar minder dan één jaar geleden voor het eerst zijn gedomicilieerd in België of voor zover die kinderen voor 1 januari 2027 twaalf jaar of ouder zijn.
+1 −5 decreet-2022-06-03-1037193/art. 38
1In afwijking van artikel 110/29, § 1, van dezelfde codex geldt de termijn voor het indienen van een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap niet voor het huisonderwijs dat wordt georganiseerd voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan . Voor die kinderen kan dus op elk moment een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.1In afwijking van artikel 110/29, § 1, van dezelfde codex geldt de termijn voor het indienen van een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap niet voor het huisonderwijs dat wordt georganiseerd voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan als die kinderen bij de start van het schooljaar minder dan één jaar geleden voor het eerst zijn gedomicilieerd in België of voor zover die kinderen voor 1 januari 2027 zestien jaar of ouder zijn. Voor die kinderen kan dus op elk moment een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
2Met behoud van de toepassing van het eerste lid en in afwijking van artikel 110/29 van dezelfde codex geldt voor het huisonderwijs, vermeld in artikel 2, dat gefaciliteerd en ondersteund wordt door het lokaal bestuur dat:
31° de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over huisonderwijs ook wordt ingediend voor nog niet leerplichtige kinderen;
42° het lokaal bestuur de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs indient voor elk kind waarvoor een lokaal bestuur subsidies als vermeld in artikel 2 ontvangt om het huisonderwijs te ondersteunen en te faciliteren;
53° de verklaring van huisonderwijs alleen de bijhorende informatie over het huisonderwijs, vermeld in artikel 110/29, § 1, eerste lid, 1°, van dezelfde codex bevat, met uitzondering van de persoonsgegevens van de ouders, alsook de bijhorende informatie, vermeld in artikel 110/29, § 1, eerste lid, 4°, van dezelfde codex.
+1 −1 decreet-2022-06-03-1037193/art. 39
1Artikel 110/30 tot en met 110/32 van dezelfde codex zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat georganiseerd wordt voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan .1Artikel 110/30 tot en met 110/32 van dezelfde codex zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat georganiseerd wordt voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan voor zover die kinderen bij de start van het schooljaar minder dan één jaar geleden voor het eerst gedomicilieerd waren in België of voor zover die kinderen voor 1 janu-ari 2027 de leeftijd van 16 jaar of ouder bereikt hebben.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd