Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2026
21 artikels gewijzigd
| 3 | § 3. Het fonds wordt gespijsd door de volgende ontvangsten : | 3 | § 3. Het fonds wordt gespijsd door de volgende ontvangsten : |
| 4 | 1° de bijdragen van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen zoals opgenomen in artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, in de mate dat deze jaarlijkse ontvangsten het bedrag van 5.539.000 euro overschrijden; | 4 | 1° de bijdragen van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen zoals opgenomen in artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, in de mate dat deze jaarlijkse ontvangsten het bedrag van 5.539.000 euro overschrijden; |
| 5 | 2° de jaarlijkse ontvangsten vanaf 1 januari 2018 uit de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen en de strafrechtelijke boeten die verband houden met de inbreuken op de reglementering inzake verkeersveiligheid, die krachtens artikel 6, § 1, XII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoort, enerzijds tot en met het bedrag van 17.051.300 euro en anderzijds alle jaarlijkse ontvangsten in de mate dat die het bedrag van 161.243.000 overschrijden; | 5 | 2° de jaarlijkse ontvangsten vanaf 1 januari 2018 uit de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen en de strafrechtelijke boeten die verband houden met de inbreuken op de reglementering inzake verkeersveiligheid, die krachtens artikel 6, § 1, XII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoort, enerzijds tot en met het bedrag van 17.044.600 euro en anderzijds alle jaarlijkse ontvangsten in de mate dat die het bedrag van 161.243.000 overschrijden; |
| 6 | 3° de bijdrage en overschotten bedoeld in artikel 8 en 9 van het decreet van 8 juli 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2016 | 6 | 3° de bijdrage en overschotten bedoeld in artikel 8 en 9 van het decreet van 8 juli 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2016 |
| 7 | 4° de middelen voortvloeiend uit de activa van het Fonds voor Voorziening en van Openbaar Nut voor de Inspectie van Automobielen, afgekort FIA, vereniging zonder winstoogmerk, opgericht op 7 juli 1970. | 7 | 4° de middelen voortvloeiend uit de activa van het Fonds voor Voorziening en van Openbaar Nut voor de Inspectie van Automobielen, afgekort FIA, vereniging zonder winstoogmerk, opgericht op 7 juli 1970; |
| 8 | 5° de vergoedingen van de erkende herstellers, vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 maart 2024 over herkeuringen van voertuigen door erkende keurders bij erkende herstellers in het kader van een proefproject. | ||
| 8 | § 4. Het fonds wordt aangewend ter financiering van uitgaven voor werking, subsidies en investeringen ten bate van verkeersveiligheid met inbegrip van de regeling van de regularisatie van de exploitatievoorwaarden van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen teneinde de organisatie van deze controle over het hele grondgebied te verzekeren. | 9 | § 4. Het fonds wordt aangewend ter financiering van uitgaven voor werking, subsidies en investeringen ten bate van verkeersveiligheid met inbegrip van de regeling van de regularisatie van de exploitatievoorwaarden van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen teneinde de organisatie van deze controle over het hele grondgebied te verzekeren. |
| 9 | § 5. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het fonds. | 10 | § 5. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het fonds. |
| 109 | Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 20 miljoen euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen. | 109 | Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 20 miljoen euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen. |
| 110 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2024 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. | 110 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2024 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. |
| 111 | §15. In het begrotingsjaar 2026 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen eenmalig vermeerderd met 11.500.000 euro. Dat bedrag wordt verdeeld op basis van het aandeel van elke hogeschool in het totale aantal financieringspunten dat wordt gegenereerd door de graduaatsopleidingen in de academiejaren 2021-2022 tot en met 2023-2024. | ||
| 1 | Vanaf het begrotingsjaar 2026 tot en met begrotingsjaar 2030 kan jaarlijks een bijkomende werkingstoelage van maximaal 4.000.000 euro aan de Vrije Universiteit Brussel worden toegekend voor de financiering van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde. De instelling dient daartoe jaarlijks een aanvraagdossier in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 oktober van het voorafgaande begrotingsjaar. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt het aanvraagdossier uiterlijk op 1 juli 2026 verwacht. Dit aanvraagdossier bevat een overzicht van de geraamde kosten van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde in het begrotingsjaar in kwestie en de daaropvolgende begrotingsjaren tot en met 2030. Deze bijkomende werkingstoelage wordt alleen toegekend en uitbetaald na controle en goedkeuring van het aanvraagdossier door de regeringscommissaris. De regeringscommissaris beoordeelt het getrouwheidsgehalte van het budget en bevestigt dat het voorgestelde budget uitgaven betreft die niet door andere subsidiestromen gedekt zijn. | ||
| 2 | De Vrije Universiteit Brussel rapporteert over de eigen genomen initiatieven en de effecten en de resultaten ervan. De Vrije Universiteit Brussel dient daarvoor een beknopt rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. In dit rapport wordt de evolutie in aantal studenten en personeelsleden voor de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde opgenomen, en ook een gedetailleerde verantwoording van de kosten voor het personeel, de infrastructuur, andere kosten en de mogelijke reserveopbouw. Het rapport wordt ter controle voorgelegd aan de regeringscommissaris. De regeringscommissaris gaat na of de vermelde financiële gegevens in het verantwoordingsrapport correct zijn. | ||
| 3 | De Vrije Universiteit Brussel kan een gedeelte van de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de aanleg van een reserve. Maximaal 20% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage kan worden aangewend voor de aanleg van reserves. In afwijking hiervan kan in begrotingsjaar 2026 maximaal 50% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage aangewend worden voor de aanleg van reserves. | ||
| 4 | De totaal gecumuleerde reserves, vermeld in het derde lid, kunnen maximaal 50% van de maximale totale bijkomende werkingstoelage voor de begrotingsjaren 2026 tot en met 2030 bedragen en moeten ten laatste in het begrotingsjaar 2030 worden besteed. | ||
| 5 | De Vlaamse Regering kan de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk terugvorderen in een van de volgende gevallen: | ||
| 6 | 1° als de bacheloropleiding, vermeld in het eerste lid, niet uiterlijk in het academiejaar 2027-2028 aangeboden wordt; | ||
| 7 | 2° als de Vrije Universiteit Brussel niet uiterlijk voor 1 maart 2029 bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag indient waarin de doelmatigheid van de opleiding master in de Tandheelkunde overeenkomstig artikel II.153 wordt beoordeeld; | ||
| 8 | 3° als de kosten niet voldoende aangetoond kunnen worden in de jaarlijkse rapportering. |
| 1 | Vanaf het begrotingsjaar 2026 tot en met begrotingsjaar 2030 kan jaarlijks een bijkomende werkingstoelage van maximaal 2.000.000 euro worden toegekend aan de Universiteit Hasselt voor de financiering van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleiding master in de Geneeskunde. De instelling dient daartoe jaarlijks een aanvraagdossier in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 oktober van het voorafgaande begrotingsjaar. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt het aanvraagdossier uiterlijk op 1 juli 2026 verwacht. Dit aanvraagdossier bevat een overzicht van de geraamde kosten van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleiding master in de Geneeskunde in het begrotingsjaar in kwestie en de daaropvolgende begrotingsjaren tot en met 2030. Deze bijkomende werkingstoelage wordt alleen toegekend en uitbetaald na controle en goedkeuring van het aanvraagdossier door de regeringscommissaris. De regeringscommissaris beoordeelt het getrouwheidsgehalte van het budget en bevestigt dat het voorgestelde budget uitgaven betreft die niet door andere subsidiestromen gedekt zijn. | ||
| 2 | De Universiteit Hasselt rapporteert over de eigen genomen initiatieven en de effecten en de resultaten ervan. De Universiteit Hasselt dient daarvoor een beknopt rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. In dit rapport wordt de evolutie in aantal studenten en personeelsleden voor de opleiding master in de Geneeskunde opgenomen, en ook een gedetailleerde verantwoording van de kosten voor het personeel, de infrastructuur en andere kosten, en de mogelijke reserveopbouw. Het rapport wordt ter controle voorgelegd aan de regeringscommissaris. De regeringscommissaris gaat na of de vermelde financiële gegevens in het verantwoordingsrapport correct zijn. | ||
| 3 | De Universiteit Hasselt kan een gedeelte van de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de aanleg van een reserve. Maximaal 20% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage kan worden aangewend voor de aanleg van reserves. In afwijking hiervan kan in begrotingsjaar 2026 maximaal 50% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage aangewend worden voor de aanleg van reserves. | ||
| 4 | De totaal gecumuleerde reserves, vermeld in het derde lid, kunnen maximaal 50% van de maximale totale bijkomende werkingstoelage voor de begrotingsjaren 2026 tot en met 2030 bedragen en moeten ten laatste in het begrotingsjaar 2030 worden besteed. | ||
| 5 | Als de Universiteit Hasselt voor de opleiding, vermeld in het eerste lid, niet uiterlijk voor 1 maart 2027 een aanvraag waarin de macrodoelmatigheid conform artikel II.153 wordt beoordeeld, heeft ingediend bij de Commissie Hoger Onderwijs, of als de kosten niet voldoende aangetoond kunnen worden in de jaarlijkse rapportering, kan de Vlaamse Regering de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, volledig of gedeeltelijk terugvorderen. |
| 1 | Vanaf het begrotingsjaar 2026 tot en met begrotingsjaar 2030 kan jaarlijks een bijkomende werkingstoelage van maximaal 1.000.000 euro aan de Katholieke Universiteit Leuven worden toegekend voor de gerichte uitbouw op het grondgebied van de stad Kortrijk van de master in de Handelswetenschappen, met een uitgesproken focus op artificiële intelligentie, werkveldintegratie via een pilootconcept, toegankelijke leerpaden voor werkstudenten en de valorisatie en verspreiding naar andere hogeronderwijsinstellingen. De instelling dient daartoe jaarlijks een aanvraagdossier in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 oktober van het voorafgaande begrotingsjaar. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt het aanvraagdossier uiterlijk op 1 juli 2026 verwacht. Dit aanvraagdossier bevat een overzicht van de geraamde kosten van bijkomende personele en infrastructurele inzet voor curriculumontwikkeling, de uitbouw van de werkveldcomponent en de ondersteuning van hybride trajecten voor werkstudenten en bevat concrete doelstellingen en KPI's. Het dossier bevat eveneens een financiële raming voor de daaropvolgende begrotingsjaren tot en met 2030. Deze bijkomende werkingstoelage wordt alleen toegekend en uitbetaald na een inhoudelijke en financiële controle en de goedkeuring van het aanvraagdossier door de regeringscommissaris. De regeringscommissaris beoordeelt het getrouwheidsgehalte van het budget en bevestigt dat het voorgestelde budget uitgaven betreft die niet door andere subsidiestromen gedekt zijn. | ||
| 2 | De Katholieke Universiteit Leuven rapporteert over de eigen genomen initiatieven en de effecten en de resultaten ervan. De Katholieke Universiteit Leuven dient daarvoor een beknopt rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. In dit rapport wordt minstens de evolutie in aantal studenten en personeelsleden voor de opleiding master in de Handelswetenschappen opgenomen, en ook een gedetailleerde verantwoording van de kosten voor het personeel, de infrastructuur, en andere kosten en de mogelijke reserveopbouw. Het rapport wordt ter controle voorgelegd aan de regeringscommissaris. De regeringscommissaris gaat na of de vermelde financiële gegevens in het verantwoordingsrapport correct zijn. | ||
| 3 | De Katholieke Universiteit Leuven kan een gedeelte van de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de aanleg van een reserve. Maximaal 20% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage kan worden aangewend voor de aanleg van reserves. In afwijking hiervan kan in begrotingsjaar 2026 maximaal 50% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage aangewend worden voor de aanleg van reserves. | ||
| 4 | De totaal gecumuleerde reserves, vermeld in het derde lid, kunnen maximaal 50% van de maximale totale bijkomende werkingstoelage voor de begrotingsjaren 2026 tot en met 2030 bedragen en moeten ten laatste in het begrotingsjaar 2030 worden besteed. | ||
| 5 | De Vlaamse Regering kan de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, volledig of gedeeltelijk terugvorderen of niet of gedeeltelijk toekennen in een van de volgende gevallen: | ||
| 6 | 1° als de masteropleiding, vermeld in het eerste lid, niet uiterlijk in het academiejaar 2027-2028 aangeboden wordt; | ||
| 7 | 2° als de kosten niet voldoende aangetoond kunnen worden in de jaarlijkse rapportering; | ||
| 8 | 3° als uit het rapport, vermeld in het tweede lid, blijkt dat de doelstellingen of KPI's niet of onvoldoende werden bereikt. |
| 1 | §1. In deze paragraaf wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° student met andere thuistaal dan het Nederlands: een student die toen hij leerling was in het secundair onderwijs, volgens de meest recente gegevens beschikbaar in DISCIMUS, beantwoordde aan de gelijkekansindicator, vermeld in artikel 233, § 1, 5°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010; | ||
| 3 | 2° trajectstarter: een student die zich voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een specifieke opleiding van het hoger beroepsonderwijs of een initiële professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs, ongeacht de instelling waarin de student is ingeschreven. Een student is een trajectstarter bij: | ||
| 4 | a) een eerste inschrijving in die specifieke opleiding; | ||
| 5 | b) een nieuwe inschrijving in een andere opleiding dan een vorige opleiding. | ||
| 6 | Ter versterking van het niveau Nederlands van trajectstarters en generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen, wordt in de begrotingsjaren 2026 en 2027 een bijkomende werkingstoelage aan de hogescholen en universiteiten van 2.500.000 euro toegekend, en wordt in de begrotingsjaren 2028 en 2029 een bijkomende werkingstoelage aan de hogescholen en universiteiten van 5.000.000 euro toegekend, hierna taalmiddelen te noemen. | ||
| 7 | De taalmiddelen, vermeld in het tweede lid, worden verdeeld over de hogescholen en universiteiten op basis van de volgende formules: | ||
| 8 | 1° voor elke instelling wordt het gewogen aantal trajectstarters en generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen in de referentieperiode t-3/2 bepaald door het aantal trajectstarters met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen van de instelling te vermeerderen met het aantal generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen van de instelling, vermenigvuldigd met factor 2; | ||
| 9 | 2° de verdeling over de instellingen gebeurt pro rata hun gewogen aantal trajectstarters en generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen als vermeld in punt 1°, ten opzichte van de som van de gewogen aantallen trajectstarters en generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen van alle instellingen. | ||
| 10 | §2. De hogescholen en universiteiten die taalmiddelen als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, ontvangen, rapporteren over de door hen genomen initiatieven en de effecten en de resultaten ervan. De instellingen dienen daarvoor een beknopt inhoudelijk rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. De instellingen nemen de verantwoording over de besteding van de taalmiddelen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, op in hun jaarrekening, vermeld in artikel IV.83. |
| 10 | Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 10 | Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 11 | Ten laste van het begrotingsjaar 2025 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmid-delen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende voltijdsequivalenten, 1494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie. | 11 | Ten laste van het begrotingsjaar 2025 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmid-delen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende voltijdsequivalenten, 1494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie. |
| 12 | Ten laste van het begrotingsjaar 2026 worden 14.540,37 aanvullende leraarsuren, 212,66 aanvullende punten en een bedrag van 266.863,97 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 40 aanvullende vte's, 659,47 aanvullende punten en een bedrag van 489.666,91 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie. | ||
| 12 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. | 13 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. |
| 13 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. | 14 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. |
| 1 | In afwijking van artikel 107, § 1, wordt het totale volume van leraarsuren en punten voor alle studiegebieden samen die verdeeld moeten worden, met uitzondering van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, voor het schooljaar 2026-2027 zonder toepassing van het groeipercentage, vermeld in artikel 107, § 1, eerste lid, 1° of 2°, respectievelijk op 2.136.593,03 leraarsuren en 37.602 punten vastgelegd. | ||
| 2 | Met behoud van de toepassing van de afwijking voor het schooljaar 2026-2027, vermeld in het eerste lid, blijft het referentiepunt, vermeld in artikel 107, § 1, tijdens dat schooljaar de evolutie van de gewogen financieringspunten volgen en behoudt het zijn geldigheid voor de toepassing van het groeipercentage in het daaropvolgende schooljaar. |
| 1 | Bijlage 6 | 1 | Bijlage 6 |
| 2 | I. Laagfactor | 2 | Tabel I. Laagfactor |
| 3 | Code | 3 | code |
| 4 | Hydrogeologische hoofdeenheid | 4 | hydrogeologische hoofdeenheid |
| 5 | laagfactor | 5 | laagfactor |
| 6 | 0100 | ||
| 6 | A0100 | ||
| 7 | Quartaire aquifersystemen | 7 | Quartaire aquifersystemen |
| 8 | 1 | 8 | 1 |
| 9 | 0200 | ||
| 9 | A0200 | ||
| 10 | Kempens aquifersysteem | 10 | Kempens aquifersysteem |
| 11 | 1 | 11 | 1 |
| 12 | 0300 | ||
| 12 | A0300 | ||
| 13 | Boom aquitard | 13 | Boom aquitard |
| 14 | 1 | 14 | 1 |
| 15 | 0400 | ||
| 15 | A0400 | ||
| 16 | Oligoceen aquifersysteem | 16 | Oligoceen aquifersysteem |
| 17 | 1 | 17 | 1 |
| 18 | 0500 | ||
| 18 | A0500 | ||
| 19 | Bartoon aquitardsysteem | 19 | Bartoon aquitardsysteem |
| 20 | 1 | 20 | 1 |
| 21 | 0600 | ||
| 21 | A0600 | ||
| 22 | Ledo -Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem | 22 | Ledo Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem |
| 23 | 1 | 23 | 1 |
| 24 | 0700 | ||
| 24 | A0700 | ||
| 25 | Paniseliaan aquitard | 25 | Paniseliaan aquitardsysteem |
| 26 | 1 | 26 | 1 |
| 27 | 0800 | ||
| 27 | A0800 | ||
| 28 | Ieperiaan aquifer | 28 | Ieperiaan aquifersysteem |
| 29 | 1 | 29 | 1 |
| 30 | 0900 | ||
| 30 | A0900 | ||
| 31 | Ieperiaan aquitardsysteem | 31 | Ieperiaan aquitardsysteem |
| 32 | 1 | 32 | 1 |
| 33 | 1000 | ||
| 33 | A1000 | ||
| 34 | Paleoceen aquifersysteem | 34 | Paleoceen aquifersysteem |
| 35 | 1 | 35 | 1 |
| 36 | 1100 | ||
| 36 | A1100 | ||
| 37 | Krijt aquifersysteem | 37 | Krijt aquifersysteem |
| 38 | 1 | 38 | 1 |
| 39 | 1200 | ||
| 39 | A1200 | ||
| 40 | Jura Trias Perm | 40 | Jura - Trias - Perm |
| 41 | 1 | 41 | 1 |
| 42 | 1300 | ||
| 42 | A1300 | ||
| 43 | Sokkel | 43 | Sokkel |
| 44 | 1 | 44 | 1 |
| 45 | II. Gebiedsfactor | 45 | Tabel II. Gebiedsfactor |
| 46 | Code gebied | 46 | code gebied |
| 47 | Hydrogeologische hoofdeenheid | 47 | hydrogeologische hoofdeenheid |
| 48 | Zone | 48 | zone |
| 49 | Gebiedsfactor heffingsjaar 2018 | ||
| 50 | Jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023 | ||
| 49 | Huidige gebiedsfactor | ||
| 51 | 0100_niet-afgesloten | 50 | A0100_niet-afgesloten |
| 52 | 0100 | ||
| 51 | A0100 | ||
| 53 | Quartaire aquifersystemen | 52 | Quartaire aquifersystemen |
| 54 | 1,28 | 53 | 1,43625 |
| 55 | 0,03125 | ||
| 56 | 0200_niet-afgesloten | 54 | A0200_niet-afgesloten |
| 57 | 0200 | ||
| 55 | A0200 | ||
| 58 | Kempens aquifersysteem | 56 | Kempens aquifersysteem |
| 59 | 1,28 | 57 | 1,43625 |
| 60 | 0,03125 | ||
| 61 | 0400_niet-afgesloten | 58 | A0400_niet-afgesloten |
| 62 | 0400 | ||
| 59 | A0400 | ||
| 63 | Nietafgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem | 60 | Niet-afgesloten delen van het Oligoceen aquifersysteem |
| 64 | 1,28 | 61 | 1,43625 |
| 65 | 0,03125 | ||
| 66 | 0400_ afgesloten | 62 | A0400_ afgesloten |
| 67 | 0400 | ||
| 63 | A0400 | ||
| 68 | Afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied | 64 | Afgesloten delen van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied |
| 69 | 1,81 | ||
| 70 | 0,0625 | ||
| 65 | 2,1225 | ||
| 71 | 0400_actiegebied | 66 | A0400_actiegebied |
| 72 | 0400 | ||
| 67 | A0400 | ||
| 73 | Actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem | 68 | Actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem |
| 74 | 3,72 | ||
| 75 | 0,21875 | ||
| 69 | 4,81375 | ||
| 76 | 0600_niet-afgesloten | 70 | A0600_niet-afgesloten |
| 77 | 0600 | ||
| 71 | A0600 | ||
| 78 | Nietafgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem | 72 | Niet-afgesloten delen van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem |
| 79 | 1,28 | 73 | 1,43625 |
| 80 | 0,03125 | ||
| 81 | 0600_ afgesloten | 74 | A0600_ afgesloten |
| 82 | 0600 | ||
| 75 | A0600 | ||
| 83 | Afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem | 76 | Afgesloten delen van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem buiten het actiegebied |
| 84 | 1,81 | ||
| 85 | 0,0625 | ||
| 77 | 2,1225 | ||
| 86 | 0600_actiegebied | 78 | A0600_actiegebied |
| 87 | 0600 | ||
| 79 | A0600 | ||
| 88 | Actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo -Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem | 80 | Actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem |
| 89 | 2,63 | ||
| 90 | 0,125 | ||
| 81 | 3,255 | ||
| 91 | 0800_niet-afgesloten | 82 | A0800_niet-afgesloten |
| 92 | 0800 | ||
| 83 | A0800 | ||
| 93 | Nietafgesloten deel van de Ieperiaan aquifer | 84 | Niet-afgesloten delen van de Ieperiaan aquifersysteem |
| 94 | 1,28 | 85 | 1,43625 |
| 95 | 0,03125 | ||
| 96 | 0800_ afgesloten | 86 | A0800_ afgesloten |
| 97 | 0800 | ||
| 87 | A0800 | ||
| 98 | Afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer | 88 | Afgesloten delen van de Ieperiaan aquifersysteem buiten het actiegebied |
| 99 | 1,81 | ||
| 100 | 0,0625 | ||
| 89 | 2,1225 | ||
| 101 | 0800_actiegebied | 90 | A0800_actiegebied |
| 102 | 0800 | ||
| 91 | A0800 | ||
| 103 | Actiegebied in de Ieperiaan Aquifer | 92 | Actiegebied in het Ieperiaan Aquifersysteem |
| 104 | 2,63 | ||
| 105 | 0,125 | ||
| 93 | 3,255 | ||
| 106 | 1000_niet-afgesloten | 94 | A1000_niet-afgesloten |
| 107 | 1000 | ||
| 95 | A1000 | ||
| 108 | Nietafgesloten deel van het Paleoceen Aquifersysteem | 96 | Niet-afgesloten delen van het Paleoceen Aquifersysteem |
| 109 | 1,28 | 97 | 1,43625 |
| 110 | 0,03125 | ||
| 111 | 1000_ afgesloten | 98 | A1000_ afgesloten |
| 112 | 1000 | ||
| 99 | A1000 | ||
| 113 | Afgesloten deel van het Paleoceen Aquifersysteem | 100 | Afgesloten delen van het Paleoceen Aquifersysteem buiten de actiegebieden |
| 114 | 1,81 | ||
| 115 | 0,0625 | ||
| 116 | 1000_actiegebied_4 | ||
| 117 | 1000 | ||
| 118 | Actiegebied 4 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | ||
| 119 | 1,81 | ||
| 120 | 0,0625 | ||
| 121 | 1000_actiegebied_3 | ||
| 122 | 1000 | ||
| 123 | Actiegebied 3 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | ||
| 124 | 2,63 | 101 | 2,1225 |
| 125 | 0,125 | ||
| 126 | 1000_actiegebied_2 | ||
| 127 | 1000 | ||
| 128 | Actiegebied 2 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | ||
| 129 | 5,38 | ||
| 130 | 0,375 | ||
| 131 | 1000_actiegebied_1 | 102 | A1000_actiegebied_1 |
| 132 | 1000 | ||
| 103 | A1000 | ||
| 133 | Actiegebied 1 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | 104 | Actiegebied 1 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem |
| 134 | 5,38 | ||
| 135 | 0,375 | ||
| 105 | 7,255 | ||
| 106 | A1000_actiegebied_2 | ||
| 107 | A1000 | ||
| 108 | Actiegebied 2 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | ||
| 109 | 7,255 | ||
| 110 | A1000_actiegebied_3 | ||
| 111 | A1000 | ||
| 112 | Actiegebied 3 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | ||
| 113 | 3,255 | ||
| 114 | A1000_actiegebied_4 | ||
| 115 | A1000 | ||
| 116 | Actiegebied 4 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | ||
| 117 | 2,1225 | ||
| 136 | 1100_niet-afgesloten | 118 | A1100_niet-afgesloten |
| 137 | 1100+1300 | ||
| 119 | A1100+A1300 | ||
| 138 | Nietafgesloten deel van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel | 120 | Niet-afgesloten delen van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel |
| 139 | 1,28 | 121 | 1,43625 |
| 140 | 0,03125 | ||
| 141 | 1100_afgesloten | 122 | A1100_afgesloten |
| 142 | 1100+1300 | ||
| 123 | A1100+A1300 | ||
| 143 | Afgesloten deel van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel | 124 | Afgesloten delen van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel buiten de actiegebieden |
| 144 | 1,81 | ||
| 145 | 0,0625 | ||
| 146 | 1300_actiegebied_4 | ||
| 147 | 1100+1300 | ||
| 148 | Actiegebied 4 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem | ||
| 149 | 1,81 | ||
| 150 | 0,0625 | ||
| 151 | 1300_actiegebied_3 | ||
| 152 | 1100+1300 | ||
| 125 | 2,1225 | ||
| 126 | A1300_actiegebied_1 | ||
| 127 | A1100+A1300 | ||
| 153 | Actiegebied 3 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem | 128 | Actiegebied 1 in het Krijt Aquifer-systeem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem |
| 154 | 2,63 | ||
| 155 | 0,125 | ||
| 129 | 7,255 | ||
| 156 | 1300_actiegebied_2 | 130 | A1300_actiegebied_2 |
| 157 | 1100+1300 | ||
| 131 | A1100+A1300 | ||
| 158 | Actiegebied 2 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem | 132 | Actiegebied 2 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem |
| 159 | 5,38 | ||
| 160 | 0,375 | ||
| 161 | 1300_actiegebied_1 | ||
| 162 | 1100+1300 | ||
| 133 | 7,255 | ||
| 134 | A1300_actiegebied_3 | ||
| 135 | A1100+A1300 | ||
| 163 | Actiegebied 1 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem | 136 | Actiegebied 3 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem |
| 164 | 5,38 | ||
| 165 | 0,375 | ||
| 137 | 3,255 | ||
| 138 | A1300_actiegebied_4 | ||
| 139 | A1100+A1300 | ||
| 140 | Actiegebied 4 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem | ||
| 141 | 2,1225 | ||
| 166 | De gebiedsfactor is in de overige zones gelijk aan de gebiedsfactor van het gebied met code 0100_niet-afgesloten. | 142 | De gebiedsfactor is in de overige zones gelijk aan de gebiedsfactor van het gebied met code A0100_niet afgesloten. |
| 167 | De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast. | 143 | De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast. |
| 1 | In het begrotingsjaar 2026 wordt er, ter ondersteuning van de implementatie van de minimumdoelen in het kleuteronderwijs, een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon basisonderwijs met kleuteronderwijs en scholen buitengewoon basisonderwijs met kleuteronderwijs. Het extra werkingsbudget wordt ingezet voor de professionalisering van het personeel en de aankoop van didactisch materiaal in het kleuteronderwijs. | ||
| 2 | Het extra werkingsbudget, vermeld in het eerste lid, kan tot en met 30 juni 2028 worden gebruikt voor de doelstelling, vermeld in het eerste lid. | ||
| 3 | Voor de maatregel, vermeld in het eerste lid, is een budget van 13.552.000 euro voorzien. | ||
| 4 | Het extra werkingsbudget per school is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige kleuters op de eerste schooldag van februari 2026 of voor scholen opgericht op 1 september 2026 de eerste schooldag van oktober 2026 in de school met het binnen de begroting voorziene werkingsbudget, vermeld in het derde lid, gedeeld door het totale aantal regelmatige kleuters in de scholen voor gewoon basisonderwijs en scholen voor buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari 2026 of voor scholen opgericht op 1 september 2026 de eerste schooldag van oktober 2026. | ||
| 5 | Het bedrag van het extra werkingsbudget, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald voor 31 december 2026. |
| 3 | Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur tijdens de schooljaren 2025-2026 tot en met 2029-2030 maximaal 20% van de aan de school toegekende vacante lestijden, vermeld in artikel 132, 134, 135, 137bis, 138, § 1, eerste lid, 6°, 141, § 2, 173quater of 173quinquies/1, omzetten in punten of uren voor de aanwending ervan in ambten van het beleids- en ondersteunend personeel of van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. | 3 | Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur tijdens de schooljaren 2025-2026 tot en met 2029-2030 maximaal 20% van de aan de school toegekende vacante lestijden, vermeld in artikel 132, 134, 135, 137bis, 138, § 1, eerste lid, 6°, 141, § 2, 173quater of 173quinquies/1, omzetten in punten of uren voor de aanwending ervan in ambten van het beleids- en ondersteunend personeel of van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. |
| 4 | De omzettingen, vermeld in het tweede lid, kunnen telkens gebeuren vanaf 1 oktober van het lopende schooljaar in kwestie en gelden voor de duur van het lopende schooljaar. In afwijking hiervan eindigt een omzetting van lestijden als het personeelslid dat aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd ingericht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel of in een ambt van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel, tijdens het schooljaar vrijwillig ontslag neemt volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of volgens artikel 26 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. In dit geval eindigt de omzetting voor het overeenkomend deel van de lestijden vanaf het ogenblik dat het ontslag ingaat. | 4 | De omzettingen, vermeld in het tweede lid, kunnen telkens gebeuren vanaf 1 oktober van het lopende schooljaar in kwestie en gelden voor de duur van het lopende schooljaar. In afwijking hiervan eindigt een omzetting van lestijden als het personeelslid dat aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd ingericht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel of in een ambt van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel, tijdens het schooljaar vrijwillig ontslag neemt volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of volgens artikel 26 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. In dit geval eindigt de omzetting voor het overeenkomend deel van de lestijden vanaf het ogenblik dat het ontslag ingaat. |
| 5 | In afwijking van het tweede en derde lid kan een schoolbestuur bij een tekort aan onderwijzend personeel voor haar scholen die gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, tijdens het schooljaar 2025-2026meer dan 20% van de aan de school toegekende vacante lestijden, ver-meld in het tweede lid, omzetten in punten voor de aanwending ervan in ambten van het beleids- en ondersteunend personeel of in uren voor de aanwending ervan in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. De omzettingen kunnen gebeuren vanaf 1 september 2025 onder al de volgende voorwaarden: | 5 | In afwijking van het tweede en derde lid kan een schoolbestuur bij een tekort aan onderwijzend personeel voor haar scholen die gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, tijdens het schooljaar 2026-2027 meer dan 20% van de aan de school toegekende vacante lestijden, vermeld in het tweede lid, omzetten in punten voor de aanwending ervan in ambten van het beleids- en ondersteunend personeel of in uren voor de aanwending ervan in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. De omzettingen kunnen gebeuren vanaf 1 september 2026 onder al de volgende voorwaarden: |
| 6 | 1° het schoolbestuur legt per school een voorstel om af te wijken van de ingangsdatum van 1 oktober, vermeld in het derde lid, en van het maximum van 20% van de aan de school toegekende vacante lestijden, vermeld in het tweede lid, voor onderhandeling voor in het bevoegde lokaal comité; | 6 | 1° het schoolbestuur legt per school een voorstel om af te wijken van de ingangsdatum van 1 oktober, vermeld in het derde lid, en van het maximum van 20% van de aan de school toegekende vacante lestijden, vermeld in het tweede lid, voor onderhandeling voor in het bevoegde lokaal comité; |
| 7 | 2° het schoolbestuur moet, voordat het overgaat tot omzetting van de vacante lestijden ten aanzien van die vacante lestijden op 1 september de verplichtingen tot reaffectatie of wedertewerkstelling, vermeld in artikel 34, §1, A, 2° tot en met 4°, artikel 34, §1, B, 2° tot en met 4bis°, en artikel 34, §1, C, 2° tot en met 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, zoals die van kracht waren op 31 augustus 2025, naleven; | 7 | 2° het schoolbestuur moet, voordat het overgaat tot omzetting van de vacante lestijden ten aanzien van die vacante lestijden op 1 september de verplichtingen tot reaffectatie of wedertewerkstelling, vermeld in artikel 34, §1, A, 2° tot en met 4°, artikel 34, §1, B, 2° tot en met 4bis°, en artikel 34, §1, C, 2° tot en met 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, zoals die van kracht waren op 31 augustus 2026, naleven; |
| 8 | 3° het schoolbestuur moet voordat het overgaat tot omzetting van de vacante lestijden ten aanzien van die vacante lestijden op 1 september het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur naleven van de tijdelijke personeelsleden die daar een beroep op kunnen doen volgens artikel 21 of 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of volgens artikel 23 of 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. | 8 | 3° het schoolbestuur moet voordat het overgaat tot omzetting van de vacante lestijden ten aanzien van die vacante lestijden op 1 september het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur naleven van de tijdelijke personeelsleden die daar een beroep op kunnen doen volgens artikel 21 of 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of volgens artikel 23 of 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. |
| 9 | De punten of uren die verkregen worden door de omzetting, vermeld in het tweede en vierde lid, worden maximaal ter ondersteuning van de leraar in de scholen basisonderwijs aangewend zodat die zich kan focussen op zijn kerntaak: lesgeven. | 9 | De punten of uren die verkregen worden door de omzetting, vermeld in het tweede en vierde lid, worden maximaal ter ondersteuning van de leraar in de scholen basisonderwijs aangewend zodat die zich kan focussen op zijn kerntaak: lesgeven. |
| 29 | 2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en | 29 | 2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en |
| 30 | 3° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor buitengewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. | 30 | 3° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor buitengewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. |
| 31 | § 11. Een aantal punten wordt toegekend afhankelijk van het aantal regelmatige leerlingen van alle scholen van de scholengemeenschap, met inbegrip van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs,op de gebruikelijke teldatum, meer bepaald : | ||
| 32 | a) tussen 900 en 3999 leerlingen : 120 punten; | ||
| 33 | b) tussen 4.000 en 6.499 leerlingen : 180 punten; | ||
| 34 | c) tussen 6.500 en 7.999 leerlingen : 240 punten; | ||
| 35 | d) tussen 8.000 en 9.499 leerlingen : 300 punten; | ||
| 36 | e) tussen 9.000 en 10.999 leerlingen : 360 punten; | ||
| 37 | f) vanaf 11.000 leerlingen : 420 punten. | ||
| 38 | Het aantal van 120 punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum van 900 leerlingen niet meer wordt bereikt. | ||
| 31 | § 11. ... | ||
| 39 | § 12. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs. | 32 | § 12. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs. |
| 40 | § 13. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 9 en § 10, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren. | 33 | § 13. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 9 en § 10, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren. |
| 2 | Voordat de scholengemeenschap overgaat tot de verdeling van de punten, kan ze een aantal punten voorafnemen om haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op niveau van de scholengemeenschap gestalte te geven. Deze voorafname bedraagt maximum 10% van de puntenenveloppe. | 2 | Voordat de scholengemeenschap overgaat tot de verdeling van de punten, kan ze een aantal punten voorafnemen om haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op niveau van de scholengemeenschap gestalte te geven. Deze voorafname bedraagt maximum 10% van de puntenenveloppe. |
| 3 | Een overschrijding van de 10% voorafname is mogelijk : | 3 | Een overschrijding van de 10% voorafname is mogelijk : |
| 4 | 1° als de voorafname minder bedraagt dan het aantal punten bedoeld in artikel 25, § 11. In dat geval kan de scholengemeenschap de 10% overschrijden tot het aantal punten overeenkomt met de punten die haar volgens artikel 25, § 11, toekomen op basis van het aantal leerlingen van de scholengemeenschap; | 4 | 1° als het aantal punten van de 10% voorafname minder bedraagt dan het aantal punten volgens het hierna volgend aantal regelmatige leerlingen dat de scholengemeenschap telt op 1 februari van het voorgaande schooljaar, mag de 10% voorafname worden overschreden tot het hierna volgend aantal punten: |
| 5 | a) van 900 tot en met 3999 leerlingen: 120 punten; | ||
| 6 | b) van 4000 tot en met 6499 leerlingen: 180 punten; | ||
| 7 | c) van 6500 tot en met 7999 leerlingen: 240 punten; | ||
| 8 | d) van 8000 tot en met 9499 leerlingen: 300 punten; | ||
| 9 | e) van 9500 tot en met 10.999 leerlingen: 360 punten; | ||
| 10 | f) 11.000 leerlingen of meer: 420 punten; | ||
| 5 | 2° als zowel over de besteding van de punten als over de gevolgen hiervan op de personeelsleden, binnen het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap een akkoord wordt bereikt. | 11 | 2° als zowel over de besteding van de punten als over de gevolgen hiervan op de personeelsleden, binnen het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap een akkoord wordt bereikt. |
| 6 | De scholengemeenschap verschaft ten aanzien van het lokaal comité van de scholengemeenschap en ten aanzien van het personeel van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van voorafname van de puntenenveloppe creëert op het niveau van de scholengemeenschap. Tevens toont de scholengemeenschap aan dat de aldus ingerichte betrekkingen haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op het niveau van de scholengemeenschap daadwerkelijk gestalte geven. | 12 | De scholengemeenschap verschaft ten aanzien van het lokaal comité van de scholengemeenschap en ten aanzien van het personeel van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van voorafname van de puntenenveloppe creëert op het niveau van de scholengemeenschap. Tevens toont de scholengemeenschap aan dat de aldus ingerichte betrekkingen haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op het niveau van de scholengemeenschap daadwerkelijk gestalte geven. |
| 23 | § 4. Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur tijdens de schooljaren 2025-2026 tot en met 2029-2030 maximaal 20% van de aan de school toegekende vacante uren-leraar, vermeld in artikel 209, § 1, 1°, 226, 227, 234 en 235, omzetten in punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel. | 23 | § 4. Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur tijdens de schooljaren 2025-2026 tot en met 2029-2030 maximaal 20% van de aan de school toegekende vacante uren-leraar, vermeld in artikel 209, § 1, 1°, 226, 227, 234 en 235, omzetten in punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel. |
| 24 | De omzettingen, vermeld in het eerste lid, kunnen telkens gebeuren vanaf 1 oktober van het lopende schooljaar in kwestie en gelden voor de duur van het lopende schooljaar. In afwijking hiervan eindigt een omzetting van uren-leraar als het personeelslid dat aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd opgericht in een ambt van het ondersteunend personeel, tijdens het schooljaar vrijwillig ontslag neemt volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of volgens artikel 26 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. In dit geval eindigt de omzetting voor het overeenkomend deel van de uren-leraar vanaf het ogenblik dat het ontslag ingaat. | 24 | De omzettingen, vermeld in het eerste lid, kunnen telkens gebeuren vanaf 1 oktober van het lopende schooljaar in kwestie en gelden voor de duur van het lopende schooljaar. In afwijking hiervan eindigt een omzetting van uren-leraar als het personeelslid dat aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd opgericht in een ambt van het ondersteunend personeel, tijdens het schooljaar vrijwillig ontslag neemt volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of volgens artikel 26 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. In dit geval eindigt de omzetting voor het overeenkomend deel van de uren-leraar vanaf het ogenblik dat het ontslag ingaat. |
| 25 | In afwijking van het eerste en tweede lid kan een schoolbestuur bij een tekort aan onderwijzend personeel voor haar scholen die gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad tijdens het schooljaar 2025-2026meer dan 20% van de aan de school toegekende vacante uren-leraar, vermeld in het eerste lid, omzetten in punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel. De omzettingen kunnen gebeuren vanaf 1 september 2025 onder al de volgende voorwaarden: | 25 | In afwijking van het eerste en tweede lid kan een schoolbestuur bij een tekort aan onderwijzend personeel voor haar scholen die gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad tijdens het schooljaar 2026-2027 meer dan 20% van de aan de school toegekende vacante uren-leraar, vermeld in het eerste lid, omzetten in punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel. De omzettingen kunnen gebeuren vanaf 1 september 2026 onder al de volgende voorwaarden: |
| 26 | 1° het schoolbestuur legt per school een voorstel om af te wijken van de ingangsdatum van 1 oktober, vermeld in het tweede lid, en van het maximum van 20% van de aan de school toegekende vacante uren-leraar, vermeld in het eerste lid, voor onderhandeling voor in het bevoegde lokaal comité; | 26 | 1° het schoolbestuur legt per school een voorstel om af te wijken van de ingangsdatum van 1 oktober, vermeld in het tweede lid, en van het maximum van 20% van de aan de school toegekende vacante uren-leraar, vermeld in het eerste lid, voor onderhandeling voor in het bevoegde lokaal comité; |
| 27 | 2° het schoolbestuur moet, voordat het overgaat tot omzetting van de vacante uren-leraar ten aanzien van die vacante uren-leraar op 1 sep-tember de verplichtingen tot reaffectatie of wedertewerkstelling, ver-meld in artikel 36, §2, A, 1° tot en met 3°, artikel 36, §2, B, 1° en 2°, en artikel 36, §2, C, 1° tot en met 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wacht-geld of wachtgeldtoelage, zoals die van kracht waren op 31 augustus 2025, naleven; | 27 | 2° het schoolbestuur moet, voordat het overgaat tot omzetting van de vacante uren-leraar ten aanzien van die vacante uren-leraar op 1 sep-tember de verplichtingen tot reaffectatie of wedertewerkstelling, ver-meld in artikel 36, §2, A, 1° tot en met 3°, artikel 36, §2, B, 1° en 2°, en artikel 36, §2, C, 1° tot en met 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wacht-geld of wachtgeldtoelage, zoals die van kracht waren op 31 augustus 2026, naleven; |
| 28 | 3° het schoolbestuur moet, voordat het overgaat tot omzetting van de vacante uren-leraar ten aanzien van die vacante uren-leraar op 1 sep-tember het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur nale-ven van de tijdelijke personeelsleden die daar een beroep op kunnen doen volgens artikel 21 of 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of volgens artikel 23 of 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. | 28 | 3° het schoolbestuur moet, voordat het overgaat tot omzetting van de vacante uren-leraar ten aanzien van die vacante uren-leraar op 1 sep-tember het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur nale-ven van de tijdelijke personeelsleden die daar een beroep op kunnen doen volgens artikel 21 of 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of volgens artikel 23 of 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. |
| 29 | De punten die verkregen worden door de omzetting, vermeld in het eerste en derde lid, worden maximaal ter ondersteuning van de leraar in de scholen aangewend zodat die zich kan focussen op zijn kerntaak: lesgeven. | 29 | De punten die verkregen worden door de omzetting, vermeld in het eerste en derde lid, worden maximaal ter ondersteuning van de leraar in de scholen aangewend zodat die zich kan focussen op zijn kerntaak: lesgeven. |
| 1 | Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur tijdens de schooljaren 2025-2026 tot en met 2029-2030 maximaal 20% van de aan de school toegekende vacante lesuren, vermeld in artikel 298, 318 en 319, omzetten in punten en uren voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel of van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel. | 1 | Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur tijdens de schooljaren 2025-2026 tot en met 2029-2030 maximaal 20% van de aan de school toegekende vacante lesuren, vermeld in artikel 298, 318 en 319, omzetten in punten en uren voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel of van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel. |
| 2 | De omzettingen, vermeld in het eerste lid, kunnen telkens gebeuren vanaf 1 oktober van het lopende schooljaar in kwestie en gelden voor de duur van het lopende schooljaar. In afwijking hiervan eindigt een omzetting van lesuren als het personeelslid dat aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd opgericht in een ambt van het ondersteunend personeel of in een ambt van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel, tijdens het schooljaar vrijwillig ontslag neemt volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of volgens artikel 26 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. In dit geval eindigt de omzetting voor het overeenkomend deel van de lesuren vanaf het ogenblik dat het ontslag ingaat. | 2 | De omzettingen, vermeld in het eerste lid, kunnen telkens gebeuren vanaf 1 oktober van het lopende schooljaar in kwestie en gelden voor de duur van het lopende schooljaar. In afwijking hiervan eindigt een omzetting van lesuren als het personeelslid dat aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd opgericht in een ambt van het ondersteunend personeel of in een ambt van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel, tijdens het schooljaar vrijwillig ontslag neemt volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of volgens artikel 26 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. In dit geval eindigt de omzetting voor het overeenkomend deel van de lesuren vanaf het ogenblik dat het ontslag ingaat. |
| 3 | In afwijking van het eerste en tweede lid kan een schoolbestuur bij een tekort aan onderwijzend personeel voor haar scholen die gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad tijdens het schooljaar 2025-2026meer dan 20% van de aan de school toegekende vacante lesuren, vermeld in het eerste lid, omzetten in punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel of in uren voor de aanwending in ambten van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel. De omzettingen kunnen gebeuren vanaf 1 september 2025 onder al de volgende voorwaarden: | 3 | In afwijking van het eerste en tweede lid kan een schoolbestuur bij een tekort aan onderwijzend personeel voor haar scholen die gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad tijdens het schooljaar 2026-2027 meer dan 20% van de aan de school toegekende vacante lesuren, vermeld in het eerste lid, omzetten in punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel of in uren voor de aanwending in ambten van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel. De omzettingen kunnen gebeuren vanaf 1 september 2026 onder al de volgende voorwaarden: |
| 4 | 1° het schoolbestuur legt per school een voorstel om af te wijken van de ingangsdatum van 1 oktober, vermeld in het tweede lid, en van het maximum van 20% van de aan de school toegekende vacante lesuren, vermeld in het eerste lid, voor onderhandeling voor in het bevoegde lokaal comité; | 4 | 1° het schoolbestuur legt per school een voorstel om af te wijken van de ingangsdatum van 1 oktober, vermeld in het tweede lid, en van het maximum van 20% van de aan de school toegekende vacante lesuren, vermeld in het eerste lid, voor onderhandeling voor in het bevoegde lokaal comité; |
| 5 | 2° het schoolbestuur moet voordat het overgaat tot omzetting van de vacante lesuren ten aanzien van die vacante lesuren op 1 september de verplichtingen tot reaffectatie of wedertewerkstelling, vermeld in artikel 36, §2, A, 1° tot en met 3°, artikel 36, §2, B, 1° tot en met 2bis°, en artikel 36, §2, C, 1° tot en met 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaf-fectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, zoals die van kracht waren op 31 augustus 2025, naleven; | 5 | 2° het schoolbestuur moet voordat het overgaat tot omzetting van de vacante lesuren ten aanzien van die vacante lesuren op 1 september de verplichtingen tot reaffectatie of wedertewerkstelling, vermeld in artikel 36, §2, A, 1° tot en met 3°, artikel 36, §2, B, 1° tot en met 2bis°, en artikel 36, §2, C, 1° tot en met 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaf-fectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, zoals die van kracht waren op 31 augustus 2026, naleven; |
| 6 | 3° het schoolbestuur moet voordat het overgaat tot omzetting van de vacante lesuren ten aanzien van die vacante lesuren op 1 september het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur naleven van de tijdelijke personeelsleden die daar een beroep op kunnen doen volgens artikel 21 of 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of volgens artikel 23 of 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. | 6 | 3° het schoolbestuur moet voordat het overgaat tot omzetting van de vacante lesuren ten aanzien van die vacante lesuren op 1 september het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur naleven van de tijdelijke personeelsleden die daar een beroep op kunnen doen volgens artikel 21 of 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of volgens artikel 23 of 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. |
| 7 | De punten of uren die verkregen worden door de omzetting, vermeld in het eerste en derde lid, worden maximaal ter ondersteuning van de leraar in de scholen aangewend zodat die zich kan focussen op zijn kerntaak: lesgeven. | 7 | De punten of uren die verkregen worden door de omzetting, vermeld in het eerste en derde lid, worden maximaal ter ondersteuning van de leraar in de scholen aangewend zodat die zich kan focussen op zijn kerntaak: lesgeven. |
| 1 | Er wordt een begrotingsfonds Vrijwilligersbeleid opgericht, hierna "het Fonds" te noemen. | ||
| 2 | Het Fonds is een begrotingsfonds zoals vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof. | ||
| 3 | Het Fonds wordt gefinancierd door alle ontvangsten die voortvloeien uit de overdracht van de reserve, die de Vereniging van de Vlaamse Provincies heeft aangelegd met de middelen die de Nationale Loterij ter beschikking heeft gesteld voor de financiering van de vrijwilligersverzekering. | ||
| 4 | Het Fonds wordt aangewend voor de financiering van de verzekering als bedoeld in artikel 6 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, en voor het beheer en de promotie ervan. |
| 1 | Bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media wordt een fonds, het `Fonds CED-ECP' genoemd, opgericht, in de zin van artikel 15, §2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019. | ||
| 2 | De middelen van het fonds kunnen uitsluitend aangewend worden voor de kosten die ontstaan in het kader van de werking van de Creative Europe Desk (CED) en het Burgerschapscontactpunt (ECP). | ||
| 3 | Aan het fonds worden toegewezen de subsidies die in het kader van subsidie-overeenkomsten met de Europese Commissie worden ontvangen ter ondersteuning van de Creative Europe Desk en het Burgerschapscontactpunt (co-financiering) en de middelen die het Vlaams Audiovisueel Fonds ter beschikking stelt van de Creative Europe Desk. |
| 1 | § 1. Vanaf de publicatie van deze bepalingen in het Belgisch Staatsblad krijgen het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels een basistoelage en een recurrente toelage in functie van een aantal vierkante meter schoolinfrastructuur in het kader van het DBFM-programma met het oog op enerzijds een algemene informering en anderzijds een individuele begeleiding van de inrichtende machten. | ||
| 2 | § 2. De vermelde toelagen zijn beperkt tot het per Gemeenschapsonderwijs en onderwijskoepel aantal vierkante meter schoolinfrastructuur overeenkomstig de investeringslijst van het DBFM-programma op 1 januari 2009. | ||
| 3 | § 3. De toelagen worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex. | ||
| 4 | De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 januari 2009. |
| 1 | § 1. Een basistoelage van 2 euro per vierkante meter schoolinfrastructuur wordt betaald door AGIOn aan het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels op basis van het aantal effectieve vierkante meter schoolinfrastructuur van het respectievelijke jaar, per respectievelijk het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels en voor de individuele DBFM-contracten waarvoor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen werd aangevraagd. | ||
| 2 | § 2. Gedurende het eerste jaar wordt een voorschot betaald op de basistoelage. Dit voorschot bedraagt 50 % van het product van 2 euro en het aantal vierkante meter schoolinfrastructuur overeenkomstig de investeringslijst van het DBFM-programma op 1 januari 2009 per Gemeenschapsonderwijs en onderwijskoepel. | ||
| 3 | In het eerste jaar wordt dit voorschot betaald na de vaststelling door AGIOn dat het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels een algemeen informatieprogramma hebben uitgewerkt. | ||
| 4 | § 3. In het begin van het jaar, gebeurt jaarlijks een afrekening tussen het totaal van de toelage die overeenstemt met het effectief aantal vierkante meter schoolinfrastructuur en het totaal van de toelagen die voorgaande jaren werd betaald. | ||
| 5 | Het effectief aantal gecontracteerde vierkante meter schoolinfrastructuur wordt hierbij minstens gelijkgesteld aan 50 % van het aantal vierkante meter schoolinfrastructuur overeenkomstig de investeringslijst van het DBFM-programma op 1 januari 2009 per Gemeenschapsonderwijs en onderwijskoepel. |
| 1 | Vanaf het vijfde jaar na het afsluiten van de overeenkomst wordt jaarlijks gedurende de resterende duurtijd van het DBFM-programma een recurrente toelage van 0,5 euro per vierkante meter schoolinfrastructuur betaald door AGIOn aan het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels op basis van 25 % van het totaal effectief aantal vierkante meters schoolinfrastructuur per respectievelijk het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels op 31 december van het voorgaande jaar. |
| 1 | § 1. Het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels verbinden zich ertoe om de inrichtende machten te informeren, sensibiliseren en te ondersteunen in het kader van de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur. | ||
| 2 | Zij ontwikkelen hiervoor de noodzakelijke en gepaste initiatieven en activiteiten zoals onder meer informatiesessies, overleg met en bijstand bieden aan de individuele inrichtende machten, constructieve samenwerking met de DBFM-vennootschap en AGIOn. | ||
| 3 | § 2. AGIOn kan steeds om alle nodig geachte informatie verzoeken bij het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels over hun initiatieven en activiteiten zoals bedoeld in vorige paragraaf. | ||
| 4 | Het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels zullen in elke geval jaarlijks een duidelijk en gedetailleerd activiteitenverslag overmaken aan AGIOn. Hierin zal onder meer een verklaring van de individuele inrichtende macht worden opgenomen betreffende de geleverde ondersteuningsactiviteit in het licht van het sluiten van het individueel DBFM-contract. |