§ flandrepo

Programmadecreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing 2023

Vlaamse Regering #1699 Staatsblad 29 augustus 2023 NUMAC 2023044295
35 artikels gewijzigd
+2 −1 codex-wonen/art. 4.17
443° wooninfrastructuur aanleggen als vermeld in artikel 5.23;
554° zelf woonprojecten realiseren die ofwel vernieuwend of experimenteel zijn, ofwel noodzakelijk zijn ter uitvoering van het investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.22, § 1, bij gebrek aan initiatieven van actoren als vermeld in artikel 4.13, of van initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29;
6−5° grondbeleidsmaatregelen uitvoeren die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen.
6+5° grondbeleidsmaatregelen uitvoeren die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen;
7+6° de subsidies, vermeld in artikel 4.42, §4, en in artikel 5.52/1, tweede lid, uitbetalen.
78De Vlaamse Regering legt een nadere omschrijving vast van het begrip "grondbeleidsmaatregelen die noodzakelijk worden geacht om een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen", vermeld in het eerste lid, 5°.
+72 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.2.4.0.7
1−Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 1°, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel:
1+§1. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 1°, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel:
22Brandstofsoort
33Cilinderinhoud in cc
8686236
8787238
88+§2. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, §2/2 en artikel 2.2.4.0.1, §3/3, bepaald volgens volgende formule:
89+CO2-uitstoot = Constante + (Parameter_CC x CC) + (Parameter_KW x KW) + (Parameter_FPK x FPK) + (Parameter_ZP x ZP) + (Parameter_CC_KW x CC x KW)
90++ (Parameter_CC_FPK x CC x FPK) + (Parameter_KW_FPK x KW x FPK) + (Para- meter_CC_KW_FPK x CC x KW x FPK).
91+De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt: 1° CC = de cilinderinhoud in cc gedeeld door 1000;
92+2° KW = het vermogen van de motor uitgedrukt in kilowatt gedeeld door 100; 3° FPK = het vermogen van de motor uitgedrukt in fiscale pk;
93+4° ZP = het aantal zitplaatsen.
94+De overige parameters, vermeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van deze formule, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, vermeld in de volgende tabel:
95+Benzine en andere
96+brandstoffen, met uitzondering van aardgas, diesel en
97+plug-inhybride
98+Diesel
99+Benzine plug- inhybride
100+Diesel plug- inhybride
101+Aardgas
102+Parameter constante
103+58.3304
104+1017.5710
105+75.3124
106+1716.4604
107+7627.0345
108+Parameter_CC
109+2.9316
110+-403.6269
111+-126.9417
112+-102.5352
113+-8617.6901
114+Parameter_KW
115+53.6921
116+-817.4980
117+56.3978
118+-1333.5261
119+-8710.9573
120+Parameter_FPK
121+5.0617
122+-96.0669
123+27.1787
124+-229.5888
125+-606.3489
126+Parameter_ZP
127+1.9861
128+1.9861
129+1.9861
130+1.9861
131+1.9861
132+Parameter_CC_ KW
133+17.2267
134+399.2770
135+-51.8607
136+-344.2686
137+8134.2581
138+Parameter_CC_ FPK
139+-0.2578
140+41.8433
141+-1.0233
142+51.2497
143+817.4474
144+Parameter_ KW_FPK
145+-5.4089
146+76.3656
147+-2.7148
148+245.7955
149+905.1812
150+Parameter_CC_ KW_FPK
151+0.1784
152+-34.3605
153+3.1869
154+-30.2220
155+-854.6351
156+De CO2-uitstoot, zoals berekend in het eerste lid, is minstens gelijk aan nul.
157+Een plug-inhybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
158+Een voertuig op aardgas is een voertuig waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas.
+155 −12 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.3.4.1.6
1−Als de CO2-uitstoot van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel :
1+§1. Als de CO2-uitstoot van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.3.4.2.1, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel :
2+brandstofsoort
2−brandstofsoort cilinderinhoud in cc Euronorm
3+cilinderinhoud in cc
3−6 5 4 3 2 1 0
4+Euronorm
5+6
6+5
7+4
8+3
9+2
10+1
11+0
412CO2-emissies in g/km
5−benzine en andere brandstoffen, met uitzondering van diesel en aardgas minder dan 1400 117 125 140 150 164 173 175
13+benzine en andere brandstoffen, met uitzondering van diesel en aardgas
14+minder dan 1400
15+117
16+125
17+140
18+150
19+164
20+173
21+175
6−1400 tot en met 2000 150 159 172 185 200 211 213
22+1400 tot en met 2000
7−meer dan 2000 228 238 247 259 279 295 297
8−diesel minder dan 1400 98 103 120 116 125 132 133
23+150
24+159
25+172
26+185
27+200
28+211
29+213
30+meer dan 2000
31+228
32+238
33+247
34+259
35+279
36+295
37+297
38+diesel
39+minder dan 1400
40+98
41+103
42+120
43+116
44+125
45+132
46+133
9−1400 tot en met 2000 117 125 144 151 163 173 174
47+1400 tot en met 2000
10−meer dan 2000 159 169 201 199 214 226 228
11−aardgas minder dan 1400 94 100 112 120 131 139 140
48+117
49+125
50+144
51+151
52+163
53+173
54+174
55+meer dan 2000
56+159
57+169
58+201
59+199
60+214
61+226
62+228
63+aardgas
64+minder dan 1400
65+94
66+100
67+112
68+120
69+131
70+139
71+140
12−1400 tot en met 2000 120 127 138 148 160 169 171
72+1400 tot en met 2000
13−meer dan 2000 182 190 198 207 223 236 238
73+120
74+127
75+138
76+148
77+160
78+169
79+171
80+meer dan 2000
81+182
82+190
83+198
84+207
85+223
86+236
87+238
88+§2. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.3.4.1.2/1, bepaald volgens volgende formule: CO2-uitstoot = Constante + (Parameter_CC x CC) + (Parameter_KW x KW) + (Parameter_FPK x FPK) + (Parameter_ZP x ZP) + (Parameter_CC_KW x CC x KW) + (Parameter_CC_FPK x CC x FPK) + (Parameter_KW_FPK x KW x FPK)
89++ (Parameter_CC_KW_FPK x CC x KW x FPK).
90+De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt: 1° CC = de cilinderinhoud in cc gedeeld door 1000;
91+2° KW = het vermogen van de motor uitgedrukt in kilowatt gedeeld door 100; 3° FPK = het vermogen van de motor uitgedrukt in fiscale pk;
92+4° ZP = het aantal zitplaatsen.
93+De overige parameters, vermeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van deze formule, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, vermeld in de volgende tabel:
94+Benzine en andere brand- stoffen, met uitzondering van aardgas, diesel en
95+plug-inhybride
96+Diesel
97+Benzine plug- inhybride
98+Diesel plug- inhybride
99+Aardgas
100+Parameter constante
101+58.3304
102+1017.5710
103+75.3124
104+1716.4604
105+7627.0345
106+Parameter_ CC
107+2.9316
108+-403.6269
109+-126.9417
110+-102.5352
111+-8617.6901
112+Parameter_ KW
113+53.6921
114+-817.4980
115+56.3978
116+-1333.5261
117+-8710.9573
118+Parameter_ FPK
119+5.0617
120+-96.0669
121+27.1787
122+-229.5888
123+-606.3489
124+Parameter_ ZP
125+1.9861
126+1.9861
127+1.9861
128+1.9861
129+1.9861
130+Parameter_ CC_KW
131+17.2267
132+399.2770
133+-51.8607
134+-344.2686
135+8134.2581
136+Parameter_ CC_FPK
137+-0.2578
138+41.8433
139+-1.0233
140+51.2497
141+817.4474
142+Parameter_ KW_FPK
143+-5.4089
144+76.3656
145+-2.7148
146+245.7955
147+905.1812
148+Parameter_ CC_KW_ FPK
149+0.1784
150+-34.3605
151+3.1869
152+-30.2220
153+-854.6351
154+De CO2-uitstoot, zoals berekend in het eerste lid, is minstens gelijk aan nul.
155+Een plug-inhybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
156+Een voertuig op aardgas is een voertuig waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 19 opgeheven
1−Het Eigen Vermogen van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, opgericht bij het koninklijk besluit van 22 september 1931 betreffende het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen - rechtspersoonlijkheid, dat rechtspersoonlijkheid geniet bij wet van 27 juni 1930, wordt geregeld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
+0 −4 decreet-2019-03-29/art. 20 opgeheven
1−Het Eigen Vermogen van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen wordt bestuurd door een beheerscommissie.
2−De beheerscommissie is samengesteld uit:
3−1° de voorzitter, de ondervoorzitter en het onafhankelijk bestuurslid aangeduid als secretaris, van de raad van bestuur van het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen;
4−2° één afgevaardigde van de stad Antwerpen.
+0 −2 decreet-2019-03-29/art. 21 opgeheven
1−De leden van de beheerscommissie, vermeld in artikel 20, tweede lid, 1°, worden door hun aanstelling in de raad van bestuur van het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen van rechtswege benoemd als lid van de commissie, voor de termijn van hun bestuursmandaat bij dat agentschap.
2−Het lid van de beheerscommissie, vermeld in artikel 20, tweede lid, 2°, wordt door de stad Antwerpen benoemd. De stad Antwerpen kan op elk moment een nieuwe afgevaardigde benoemen.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 22 opgeheven
1−De leden van de beheerscommissie oefenen hun mandaat onbezoldigd uit. Aan de leden kan evenwel een vergoeding voor reis- en verblijfkosten worden toegekend.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 23 opgeheven
1−De voorzitter, de ondervoorzitter en de secretaris van het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen zijn van rechtswege voorzitter, ondervoorzitter en secretaris van de beheerscommissie.
+0 −2 decreet-2019-03-29/art. 24 opgeheven
1−In geval van afwezigheid of ontslag van de voorzitter wordt zijn functie waargenomen door de ondervoorzitter of, bij zijn ontslag of afwezigheid, door de oudste van de aanwezige bestuurders.
2−De beheerscommissie kan slechts een geldige beslissing nemen wanneer de meerderheid van de leden aanwezig is. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter beslissend.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 25 opgeheven
1−De beheerscommissie vergadert na bijeenroeping door de voorzitter of, bij diens afwezigheid, door de ondervoorzitter. De beheerscommissie wordt schriftelijk bijeengeroepen en, behoudens in dringende gevallen, minstens zeven kalenderdagen voor de datum van de geplande vergadering. De bijeenroeping vermeldt de agenda, de datum en het uur van de vergadering.
+0 −2 decreet-2019-03-29/art. 26 opgeheven
1−De beslissingen van de beheerscommissie worden opgenomen in de notulen die worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris. Zij worden van kracht na goedkeuring in de eerstvolgende vergadering. De notulen worden opgestuurd aan alle leden van de beheerscommissie.
2−De beheerscommissie vertegenwoordigt het eigen vermogen in en buiten rechte. Het eigen vermogen wordt in alle handelingen in en buiten rechte rechtsgeldig vertegenwoordigd door de gezamenlijke handtekening van de voorzitter en de secretaris.
+0 −2 decreet-2019-03-29/art. 27 opgeheven
1−De beheerscommissie staat in voor het beheer van het eigen vermogen.
2−De beheerscommissie zal de engagementen en verplichtingen nakomen die zijn aangegaan door de commissie Eigen Vermogen conform het koninklijk besluit van 22 september 1931 Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen - rechtspersoonlijkheid.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 28 opgeheven
1−De beheerscommissie stelt een huishoudelijk reglement op voor haar leden.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 29 opgeheven
1−De beheerscommissie mag werken laten uitvoeren in het belang van de vereniging zonder winstoogmerk Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen en de kunstwerken die deze vereniging zonder winstoogmerk beheert.
+0 −2 decreet-2019-03-29/art. 30 opgeheven
1−Ieder jaar maakt de beheerscommissie het ontwerp van begroting op van haar ontvangsten en uitgaven.
2−Ieder jaar stelt de beheerscommissie de rekening van het vorige begrotingsjaar op.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 31 opgeheven
1−Uiterlijk op 1 april van elk jaar zal de beheerscommissie aan de Vlaamse Regering verslag uitbrengen over haar activiteiten gedurende het vorige werkingsjaar.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 32 opgeheven
1−De Vlaamse Regering mag voorschrijven dat de rekeningen van het vermogen op geregelde tijdstippen zullen worden nagezien.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 33 opgeheven
1−Het koninklijk besluit van 22 september 1931 Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen - rechtspersoonlijkheid, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 en 4 juli 2014, wordt opgeheven, met uitzondering van artikel 1.
+4 −4 decreet-2011-12-23-1021295/art. 46
77776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
78787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
79−8° in de heffingsjaren 2020, 2021 en 2022 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
79+8° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
80−9° in het heffingsjaar 2023 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
80+9° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
81−10° in het heffingsjaar 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
81+10° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
82−11° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.
82+11° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.
8383Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.
8484Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.29/2 nieuw
1+De Vlaamse Regering financiert, binnen de perken van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003 en van de Vlaamse begroting, de werking van de accreditatieorganisatie.
2+De accreditatieorganisatie kan het gedeelte van de toegekende financiële ondersteuning dat de aanvaarde kosten overschrijdt, aanwenden voor de aanleg van reserves van maximaal 20% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag. De totale gecumuleerde reserves mogen maximaal 50% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag bedragen. De accreditatieorganisatie rapporteert jaarlijks over de reservevorming.
+28 −14 codex-hoger-onderwijs/art. III.5
8989VOWhko2014
9090bedrag professionele kunstopleidingen
91−bedrag bijzondere weddeschalen
91+bedrag bijzondere salarisschalen
92922012
9393800.000
10010010.900.000
101101100.000
102−900.000
1031022016
10410314.300.000
105104100.000
106−3.700.000
1071052017
10810617.666.520
109107100.000
110−3.700.000
1111082018
11210920.966.520
113110100.000
114−3.700.000
1151112019
11611224.366.520
117113100.000
118−3.700.000
1191142020
12011527.766.520
121116100.000
122−3.700.000
1231172021
12411827.766.520
125119100.000
126−3.700.000
1271202022
12812131.166.520
129122100.000
130−3.700.000
123+2.000.000
1311242023
13212534.566.520
133126100.000
134−3.700.000
127+2.000.000
135128vanaf 2024
13612937.066.520
137130100.000
138−3.700.000
131+2.000.000
139132De bedragen die in het begrotingsjaar t nominaal worden toegevoegd, zijnde de verschillen tussen de bedragen voor het begrotingsjaar t en de bedragen voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, worden vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen voor VOWprof en VOWprof2014 als een geheel beschouwd.
140133Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt jaarlijks een bedrag toegevoegd van 1.254.057,83 euro aan VOWhko2014. Dit bedrag is op indexniveau 2011 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule vermeld in paragraaf 9.
141−Het bedrag dat nodig is voor de aanpassing van de regeling van de bijzondere weddeschalen, wordt alleen toegekend als er een generieke regeling is uitgewerkt voor de uitoefening van nevenactiviteiten in het hoger onderwijs.
134+Het bedrag bijzondere salarisschalen, vermeld in het eerste lid, wordt gedurende de begrotingsjaren 2022 tot en met 2028 volgens de volgende percentages verdeeld over de hogescholen:
135+Hogeschool Gent
136+31,35%
137+Erasmushogeschool Brussel
138+20,66%
139+LUCA School of Arts
140+23,17%
141+Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen
142+5,11%
143+Hogeschool PXL
144+4,86%
145+Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
146+14,85%
147+Met ingang van het begrotingsjaar 2023 wordt ieder jaar 1/7 van het bedrag bijzondere salarisschalen, vermeld in het eerste lid, overgedragen naar VOWhko2014.
148+Het bedrag voor de aanpassing van de bijzondere salarisschalen is op indexniveau 2022 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2023 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9.
142149§13. De bedragen VOWun en VOZun, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden vermeerderd met de volgende bedragen en de bedragen, vermeld in paragraaf 2, zijn de volgende (uitgedrukt in euro):
143150Begrotingsjaar
2162232° VOWhko2014: 452.000 euro.
217224De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn op indexniveau 2016 en worden vanaf het begrotingsjaar 2017 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.
218−§ 16. Volgende bedragen, uitgedrukt in euro, worden toegevoegd aan de bedragen VOWprof, als vermeld of berekend overeenkomstig dit artikel:
225+§ 16. Volgende bedragen, uitgedrukt in euro, worden toegevoegd aan de bedragen VOWprof, vermeld of berekend overeenkomstig dit artikel:
219226Begrotingsjaar 2019
22022725.594,20
223230Begrotingsjaar 2021
22423176.782,60
225−Vanaf begrotingsjaar 2022
232+Begrotingsjaar 2022
226233102.376,80
234+Vanaf begrotingsjaar 2023
235+127.971,00
227236Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.
228237§ 17. Vanaf het begrotingsjaar 2022 is het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWhbo, vermeld in paragraaf 2/1, gelijk aan het bedrag dat overgedragen wordt conform artikel III.42/1.
231240§ 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro.
232241§ 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro.
242+§20. Het bedrag VOWprof als vermeld in of berekend conform dit artikel, wordt vermeerderd met de volgende bedragen:
243+1° in het begrotingsjaar 2022 met 12.000.000 euro;
244+2° in het begrotingsjaar 2023 met 16.000.000 euro;
245+3° vanaf het begrotingsjaar 2024 met 20.000.000 euro.
246+Bij de opmaak van de begroting 2023 wordt het groeipad, vermeld in paragraaf 18 tot en met 20, geëvalueerd.
+11 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.70/1 nieuw
1+Ter versterking van de studentenvoorzieningen kan de Vlaamse Regering binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap aan de hogescholen en universiteiten een bijkomende toelage toekennen in de volgende gevallen:
2+1° bij een onvoorziene stijgende financiële hulpvraag van studenten die aanwijs- baar leidt tot een tekort van de toegekende sociale toelage, vermeld in artikel
3+III.67 en III.68;
4+2° bij een onvoorziene stijging van de kosten voor het uitvoeren van de activiteiten in een van de werkvelden, vermeld in artikel II.348, ten opzichte van de toegekende toelage, vermeld in artikel III.67 en III.68.
5+Het vaststellen van het bedrag van de bijkomende toelage per hogeschool of universiteit gebeurt als volgt:
6+1° het aandeel van elke hogeschool of universiteit in de bijkomende toelage wordt berekend op basis van het aandeel van elke hogeschool en universiteit in het totale aantal opgenomen studiepunten van alle hogescholen en universiteiten samen;
7+2° de bijkomende toelage voor een hogeschool of een universiteit kan nooit hoger zijn dan:
8+a) het bedrag berekend overeenkomstig punt 1°; en
9+b) de aangetoonde tekorten en de aangetoonde stijging van de kosten, vermeld in het eerste lid.
10+De opgenomen studiepunten, vermeld in het tweede lid, 1°, in een hogeschool of universiteit voor het begrotingsjaar t zijn het gemiddelde aantal studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een graduaatsopleiding of een initiële bachelor- of masteropleiding in de desbetreffende instelling.
11+De Vlaamse Regering legt de modaliteiten vast hoe de universiteiten en hogescholen hun tekorten of hun stijging van de kosten, vermeld in het eerste lid, kunnen aantonen.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.119
66De toelage aan PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) wordt voor de begrotingsjaren 2022 en 2023 vastgesteld op 461.000 euro.
77De bedragen, vermeld in deze paragraaf, worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2022 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
8+Aan PoPoK wordt voor het begrotingsjaar 2023 een bijkomend transitiebudget van 60.000 euro voor een transitie- en onderzoekscoördinator en 25.000 euro aan werkingsmiddelen toegekend om de gesprekken en onderhandelingen met betrekking tot structurele, inhoudelijke en financiële samenwerkingen verder te zetten, en tegelijkertijd met deze transitie de programma’s van de huidige studenten te bestendigen.
89§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.
910De in paragraaf 1 bedoelde andere instellingen zijn instellingen die excellente hogere kunstopleidingen organiseren, doch krachtens artikel II.3 niet als hogescholen kunnen beschouwd worden.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
11§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2−§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
3−1° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
4−2° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2+§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
3+1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
4+2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
553° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
664° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
775° voor de CLB's: 178.000 euro;
8−6° voor de basiseducatie: 77.500 euro.
8+6° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
9+7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9−Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10+Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
1011§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
11§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2−§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
3−1° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
4−2° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2+§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
3+1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
4+2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
553° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
664° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
775° voor de CLB's: 178.000 euro;
8−6° voor de basiseducatie: 77.500 euro.
8+6° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
9+7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9−Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10+Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
1011§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
11§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2−§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
3−1° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
4−2° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2+§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
3+1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
4+2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
553° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
664° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
775° voor de CLB's: 178.000 euro;
8−6° voor de basiseducatie: 77.500 euro.
8+6° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
9+7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9−Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10+Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
1011§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 9
331° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
442° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
5−3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
5+3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 354.000 euro;
664° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
775° voor de CLB's: 178.000 euro;
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
11§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2−§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
3−1° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
4−2° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2+§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
3+1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
4+2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
553° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
664° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
775° voor de CLB's: 178.000 euro;
8−6° voor de basiseducatie: 77.500 euro.
8+6° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
9+7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9−Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10+Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
1011§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
11§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2−§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
3−1° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
4−2° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2+§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
3+1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
4+2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
553° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
664° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
775° voor de CLB's: 178.000 euro;
8−6° voor de basiseducatie: 77.500 euro.
8+6° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
9+7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9−Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10+Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
1011§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 10
1−De nascholingsmiddelen worden in twee schijven aan de besturen van de instellingen uitbetaald. De eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar, de tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar.
1+De nascholingsmiddelen worden in twee schijven aan de besturen van de instellingen uitbetaald. De eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar, de tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting of het programmadecreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing, van het begrotingsjaar waarin de nascholingsmiddelen voor het betrokken begrotingsjaar zijn opgenomen, aanleiding geeft tot meer nascholingsmiddelen voor de instellingen, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.
22Elk bestuur wendt de middelen uitsluitend aan voor de nascholing van de personeelsleden van de instelling die recht heeft op de nascholingsmiddelen, en dit overeenkomstig het goedgekeurde nascholingsplan.
33Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal 50 % van de jaarlijkse middelen.
+2 −5 decreet-2007-06-15/art. 108
3030Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %.
3131Vanaf het schooljaar 2023-2024 wordt het totaal volume aan werkingsmiddelen vermeerderd met 1.953.622,94 euro.
32−§ 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen en daarvoor een financiële bijdrage van minder dan 96 euro heeft ontvangen, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1.
32+§ 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen bij een specifieke doelgroep die recht heeft op een verminderde financiële bijdrage als vermeld in artikel 8 van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1.
33−De aanvullende werkingstoelage bedraagt:
34−1° 60 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie heeft betaald;
35−2° 48 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een deelkwalificatie heeft betaald.
33+De aanvullende werkingstoelage bedraagt de helft van de volledige financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie of een deelkwalificatie als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2019 betreffende de uitvoering van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, zoals van kracht op de datum van de inwerkingtreding van artikel 11 van het programmadecreet van 30 juni 2023 houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing 2023.
3634Voor de berekening van de aanvullende werkingstoelage komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf zoals bedoeld in artikel 1, 48°.
37−De bedragen, vermeld in het tweede lid, worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2019. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal.
+2 −0 decreet-2007-06-15/art. 196sexies
66Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
77Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
8+Ten laste van het begrotingsjaar 2023 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
9+De centra voor volwassenenonderwijs kunnen na een voorafgaand akkoord in het bevoegde lokale comité de toegekende leraarsuren ten laste van het begrotingsjaar 2023 omzetten in werkingsmiddelen voor contractuele aanwervingen ten belope van de lesopdracht tijdens de maanden juli en augustus. Voor de omzetting geldt één leraarsuur voor 63,64 euro. Uiterlijk twee maanden na de melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de om te zetten leraarsuren voor de aanwerving van contractuele personeelsleden worden 80% van deze omgezette werkingsmiddelen als voorschot aan de centra uitbetaald. Het resterende saldo van 20% wordt uitbetaald uiterlijk in de loop van de maand december van het kalenderjaar 2023. Het centrum moet alle aangewende middelen bewijzen met facturen of betalingen die werden gedaan in het kader van deze contractuele aanstellingen. Niet-aangewende middelen worden na het einde van het kalenderjaar 2023 teruggestort. Daarvoor deelt het centrum het niet-aangewende bedrag mee aan de bevoegde administratie
810§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.
911§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.
+10 −3 codex-secundair-onderwijs/art. 221
1−§1. Aan elke school voor voltijds secundair onderwijs met ten minste vijfentwintig regelmatige leerlingen op de toepasbare teldatum in structuuronderdelen met in de benaming "topsport" die onder toepassing valt van het gesloten topsportconvenant, wordt een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking van topsportschoolcoordinator toegekend. Die betrekking wordt niet meer toegekend als de norm twee aansluitende schooljaren niet wordt bereikt.
1+§1. Aan elke school voor voltijds secundair onderwijs met ten minste vijfentwintig regelmatige leerlingen op de toepasbare teldatum in structuuronderdelen met in de benaming "topsport" die onder toepassing valt van het gesloten topsportconvenant, wordt een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking van topsportschoolcoordinator toegekend. Die betrekking wordt niet meer toegekend als de norm twee aansluitende schooljaren niet wordt bereikt.
22Deze bijkomende betrekking is niet opdeelbaar; ze kan slechts door één personeelslid, dat exclusief en voltijds met topsportschoolcoördinatie is belast, worden uitgeoefend. De betrekking wordt ingericht in één van de volgende ambten, naar keuze van het betrokken schoolbestuur : adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator, technisch adviseur, leraar.
3−§2. In geval de betrekking wordt ingericht in het ambt van leraar, dan wordt de opdracht uitgeoefend onder vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.
3+§2. In geval de betrekking wordt ingericht in het ambt van leraar, dan wordt de opdracht uitgeoefend onder vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.
4−In voorkomend geval worden de desbetreffende uren niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3 % van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken, zoals vermeld in artikel 212. (220)
4+In voorkomend geval worden de desbetreffende uren niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3 % van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken, zoals vermeld in artikel 212.
5+§3. Aan elke school voor voltijds secundair onderwijs met ten minste één regelmatige leerling op de toepasbare teldatum in structuuronderdelen met in de benaming “topsport”, wordt een aantal specifieke uren-leraar toegekend onder de volgende modaliteiten:
6+1° het aantal uren-leraar bedraagt 0,2 uren-leraar per regelmatige leerling vanaf de 26e regelmatige leerling;
7+2° indien het aantal regelmatige leerlingen lager ligt dan 25, bedraagt het aantal uren-leraar 0,85 uren-leraar per regelmatige leerling;
8+3° het aantal toegekende uren-leraar bedraagt maximaal 22.
9+De specifieke uren-leraar, vermeld in het eerste lid, worden ingericht onder de vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.
10+De desbetreffende uren worden niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3% van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken als vermeld in artikel 212.
11+Voor de toepassing van deze paragraaf worden scholen van hetzelfde schoolbestuur als één school beschouwd. De specifieke uren-leraar worden in dat geval steeds toegekend aan de school die valt onder de toepassing van het gesloten topsportconvenant.
+8 −5 decreet-2018-04-27/art. 18
1−De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare kredieten jaarlijks forfaitaire subsidies verlenen aan het gemeenschapsonderwijs en elke representatieve vereniging van de besturen van de centra voor leerlingenbegeleiding van het gesubsidieerd onderwijs. Hiermee kan de sector aan innovatie of digitalisering werken, steeds met het oog op het begeleiden, ondersteunen en versterken van centra in het uitvoeren van hun opdracht.
2−De Vlaamse Regering bepaalt:
3−1° de voorwaarden waaronder de subsidie kan worden toegekend;
4−2° de aanwendingsmogelijkheden van de subsidie, waaronder in elk geval de verplichting dat de diverse begunstigden van die subsidie de ontvangen middelen moeten samenleggen om ze optimaal en efficiënt te besteden;
5−3° de controle op de aanwending.
1+Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt jaarlijks per schooljaar, startend met het schooljaar 2023-2024, binnen de beschikbare begrotingskredieten een extra werkingsbudget van maximaal 1.000.000 euro toegekend aan de permanente ondersteuningscellen. Het werkingsbudget wordt toegekend aan de gefinancierde permanente ondersteuningscel, de gesubsidieerde vrije permanente ondersteuningscel, de permanente ondersteuningscel van de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten en de permanente ondersteuningscel van het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen verrekend conform hun personeelsomkadering, vermeld in artikel 40, §2, eerste lid, 1°, en tweede lid. Het extra werkingsbudget wordt netoverstijgend ingezet door alle permanente ondersteuningscellen samen.
2+De middelen worden ingezet voor netoverstijgende innovatieve digitaliseringsprojecten, met het oog op het kwaliteitsvol begeleiden van leerlingen, waaronder minstens:
3+1° de ontwikkeling, het onderhoud en de implementatie van een online hulpverleningsaanbod door alle centra voor leerlingenbegeleiding;
4+2° de ontwikkeling, het onderhoud en de implementatie van een digitaal multidisciplinair dossier voor de leerling als vermeld in artikel 10 en de gegevensoverdracht vanuit het digitaal multidisciplinair dossier van de leerling, vermeld in artikel 17;
5+3° de ontwikkeling, het onderhoud en de implementatie van een laagdrempelig toegankelijk digitaal platform voor leerlingen, ouders, scholen, leersteuncentra en netwerkpartners.
6+Alle permanente ondersteuningscellen werken tegen 31 december 2023 netoverstijgend samen aan hun visie op digitalisering met doelstellingen die ze op korte en lange termijn willen bereiken en hoe ze deze doelstellingen op korte en langere termijn zullen realiseren. Hierbij worden ook de opdrachten, vermeld in het tweede lid, opgenomen, alsook de inzet van de middelen, vermeld in het eerste lid. De visie wordt door alle permanente ondersteuningcellen samen besproken met de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering voor 31 januari 2024. Op het einde van elk schooljaar gaan alle permanente ondersteuningscellen samen in overleg met de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering om te rapporteren over de realisatie van hun doelstellingen en de inzet van de middelen van het lopende schooljaar en de planning met inzet van de middelen voor het volgende schooljaar.
7+Het extra werkingsbudget wordt ten laatste in december van het lopende schooljaar uitbetaald.
8+Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt het extra werkingsbudget van maximaal 1.000.000 euro geïndexeerd conform de bepaling opgenomen in artikel 29, §1, vijfde lid.
+7 −0 decreet-2018-04-27/art. 32/2 nieuw
1+Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt jaarlijks per schooljaar, startend met het schooljaar 2023-2024, binnen de beschikbare begrotingskredieten een extra werkingsbudget van maximaal 7.562.000 euro toegekend aan de centra. Het extra werkingsbudget wordt onder de centra verdeeld op basis van hun aandeel in de nieuwe omkadering, berekend conform artikel 40 en 41.
2+De middelen worden ingezet voor de versterking van de leerlingenbegeleiding en laten de centra toe om:
3+1° meer in de scholen aanwezig te zijn en hierbij extra in te zetten op het verhogen van het psychosociaal functioneren van de leerlingen;
4+2° in te zetten op en mee te werken aan initiatieven inzake het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten en ongekwalificeerde uitstroom;
5+3° onderling samen te werken rond de thema’s, vermeld in artikel 16, §2, eerste lid, 1°, a) tot en met i).
6+Het extra werkingsbudget wordt ten laatste in december van het lopende schooljaar uitbetaald.
7+Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt het extra werkingsbudget van maximaal 7.562.000 euro geïndexeerd conform de bepaling opgenomen in artikel 29, §1, vijfde lid.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd