§ flandrepo
10 regels · van kracht sinds 7 jun 2026
1§1. Als een persoon of een van de rechtspersonen, verenigingen of organisaties, vermeld in artikel 41, in een burgerrechtelijke procedure voor een bevoegd gerecht of in een procedure voor de geschillenkamer van het Vlaams Mensenrechteninstituut, vermeld in het decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut, de schending inroept van dit decreet en feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden, valt de bewijslast dat er geen discriminatie is, ten laste van de verweerder.
2Als de vermeende discriminatie betrekking heeft op beloningsdiscriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen en de werkgever de beloningstransparantieverplichtingen conform hoofdstuk 2 van het decreet van 12 juni 2026 over beloningstransparantie en maatregelen voor een gelijke beloning niet heeft vervuld, valt de bewijslast dat er geen discriminatie is, ten laste van de werkgever, tenzij de werkgever aantoont dat de inbreuk op die beloningstransparantieverplichtingen onmiskenbaar onopzettelijk en van geringe aard was.
3§2. Onder feiten die het bestaan van een directe discriminatie op grond van een beschermd kenmerk kunnen doen vermoeden, wordt onder meer, doch niet uitsluitend, begrepen :
41° de gegevens waaruit een bepaald patroon van ongunstige behandeling blijkt ten aanzien van personen die drager zijn van een of meer welbepaalde beschermde kenmerken, onder meer via verschillende, los van elkaar staande meldingen, die bij het Vlaams Mensenrechteninstituut of bij een van de rechtspersonen, verenigingen of organisaties, vermeld in artikel 41 van dit decreet, werden gedaan;
52° de gegevens waaruit blijkt dat de situatie van het slachtoffer van de ongunstiger behandeling, vergelijkbaar is met de situatie van de referentiepersoon.
6§3. Onder feiten die het bestaan van een indirecte discriminatie op grond van een beschermd kenmerk kunnen doen vermoeden, wordt onder andere, doch niet uitsluitend, begrepen :
71° algemene statistieken over de situatie van de groep waartoe het slachtoffer van de discriminatie behoort of feiten van algemene bekendheid;
82° het gebruik van een intrinsiek verdacht criterium van onderscheid;
93° elementair statistisch materiaal waaruit een ongunstige behandeling blijkt.
10§4. Het aanvoeren van feiten die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden, vereist geen bewijs van opzet of enige andere specifieke drijfveer van de verweerder.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd