§ flandrepo
43 regels · van kracht sinds 1 jan 2021
1§1. Vanaf het begrotingsjaar 2013 ontvangen de hogescholen jaarlijks een bedrag van 11.039.000,00 euro voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel III.5, §9.
2Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt een bedrag van 3.016.980 euro toegevoegd voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit bedrag is op indexniveau 2011 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel III.5, §9.
3Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt een bedrag van 1.000.000 euro toegevoegd voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel III.5, §9.
4Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt een bedrag van minstens 10.000.000 euro toegevoegd voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2018 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel III.5, § 9.
5§2. De bedragen, vermeld in paragraaf 1, worden vermeerderd met de volgende bedragen (uitgedrukt in miljoen euro):
6begrotingsjaar
7bedrag (uitgedrukt in miljoen euro)
82013
90,6
102014
111,1
122015
131,5
142016
152,0
162017
172,5
182018
193,0
202019
213,4
222020
233,9
242021
253,9
262022
274,5
282023
294,8
30vanaf 2024
315,2
32Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
33§3. De bedragen, verkregen na toepassing van paragraaf 1 en 2, worden verdeeld onder de hogescholen op basis van de som van:
341° 100% van het aantal opgenomen studiepunten in de initiële professionele bacheloropleidingen, berekend overeenkomstig artikel III.7;
352° 50% van het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten zich hebben ingeschreven in een diplomacontract voor bachelor-na-bacheloropleidingen.
36In afwijking van het eerste lid kan vanaf het begrotingsjaar 2019 de jaarlijkse toename van de middelen voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek verdeeld worden op basis van outputindicatoren. De Vlaamse Regering stelt daarvoor een werkgroep samen die uiterlijk tegen 30 juni 2015 een voorstel uitwerkt. Op basis van dat voorstel legt de Vlaamse Regering tegen 1 januari 2016 de lijst van outputindicatoren vast, alsook de concrete verdelingswijze.
37§4. De toegekende bedragen worden door de hogescholen besteed aan het dekken van zowel de kosten voor het opzetten van een organieke ondersteuningsstructuur als de kosten verbonden met de uitvoering van de projecten van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek in het kader van het professioneel hoger onderwijs.
38De hogeschool stelt samen met de associatie waartoe ze behoort een onderzoeksreglement op. Dat reglement bevat ten minste de volgende elementen:
391° de looptijd van de projecten;
402° de (voorwaarden voor de) wetenschappelijke ondersteuning van de projecten;
413° de methodologie die gevolgd wordt bij de ex-ante-evaluatie van de ingediende voorstellen, de ex-postevaluatie van de uitgevoerde projecten en eventueel de tussentijdse evaluatie van de projecten die in uitvoering zijn.
42§ 5. De bedragen voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek, berekend overeenkomstig dit artikel met
43uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 2 die vanaf 2015 toegevoegd worden, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd