§ flandrepo

Programmadecreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing 2023

Vlaamse Regering #1699 Staatsblad 29 augustus 2023 NUMAC 2023044295
38 artikels gewijzigd
+2 −1 codex-wonen/art. 4.17
43° wooninfrastructuur aanleggen als vermeld in artikel 5.23;43° wooninfrastructuur aanleggen als vermeld in artikel 5.23;
54° zelf woonprojecten realiseren die ofwel vernieuwend of experimenteel zijn, ofwel noodzakelijk zijn ter uitvoering van het investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.22, § 1, bij gebrek aan initiatieven van actoren als vermeld in artikel 4.13, of van initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29;54° zelf woonprojecten realiseren die ofwel vernieuwend of experimenteel zijn, ofwel noodzakelijk zijn ter uitvoering van het investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.22, § 1, bij gebrek aan initiatieven van actoren als vermeld in artikel 4.13, of van initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29;
65° grondbeleidsmaatregelen uitvoeren die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen.65° grondbeleidsmaatregelen uitvoeren die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen;
76° de subsidies, vermeld in artikel 4.42, §4, en in artikel 5.52/1, tweede lid, uitbetalen.
7De Vlaamse Regering legt een nadere omschrijving vast van het begrip "grondbeleidsmaatregelen die noodzakelijk worden geacht om een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen", vermeld in het eerste lid, 5°.8De Vlaamse Regering legt een nadere omschrijving vast van het begrip "grondbeleidsmaatregelen die noodzakelijk worden geacht om een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen", vermeld in het eerste lid, 5°.
+72 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.2.4.0.7
1Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 1°, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel:1§1. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 1°, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel:
2Brandstofsoort2Brandstofsoort
3Cilinderinhoud in cc3Cilinderinhoud in cc
8623686236
8723887238
88§2. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, §2/2 en artikel 2.2.4.0.1, §3/3, bepaald volgens volgende formule:
89CO2-uitstoot = Constante + (Parameter_CC x CC) + (Parameter_KW x KW) + (Parameter_FPK x FPK) + (Parameter_ZP x ZP) + (Parameter_CC_KW x CC x KW)
90+ (Parameter_CC_FPK x CC x FPK) + (Parameter_KW_FPK x KW x FPK) + (Para- meter_CC_KW_FPK x CC x KW x FPK).
91De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt: 1° CC = de cilinderinhoud in cc gedeeld door 1000;
922° KW = het vermogen van de motor uitgedrukt in kilowatt gedeeld door 100; 3° FPK = het vermogen van de motor uitgedrukt in fiscale pk;
934° ZP = het aantal zitplaatsen.
94De overige parameters, vermeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van deze formule, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, vermeld in de volgende tabel:
95Benzine en andere
96brandstoffen, met uitzondering van aardgas, diesel en
97plug-inhybride
98Diesel
99Benzine plug- inhybride
100Diesel plug- inhybride
101Aardgas
102Parameter constante
10358.3304
1041017.5710
10575.3124
1061716.4604
1077627.0345
108Parameter_CC
1092.9316
110-403.6269
111-126.9417
112-102.5352
113-8617.6901
114Parameter_KW
11553.6921
116-817.4980
11756.3978
118-1333.5261
119-8710.9573
120Parameter_FPK
1215.0617
122-96.0669
12327.1787
124-229.5888
125-606.3489
126Parameter_ZP
1271.9861
1281.9861
1291.9861
1301.9861
1311.9861
132Parameter_CC_ KW
13317.2267
134399.2770
135-51.8607
136-344.2686
1378134.2581
138Parameter_CC_ FPK
139-0.2578
14041.8433
141-1.0233
14251.2497
143817.4474
144Parameter_ KW_FPK
145-5.4089
14676.3656
147-2.7148
148245.7955
149905.1812
150Parameter_CC_ KW_FPK
1510.1784
152-34.3605
1533.1869
154-30.2220
155-854.6351
156De CO2-uitstoot, zoals berekend in het eerste lid, is minstens gelijk aan nul.
157Een plug-inhybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
158Een voertuig op aardgas is een voertuig waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas.
+155 −12 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.3.4.1.6
1Als de CO2-uitstoot van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel :1§1. Als de CO2-uitstoot van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.3.4.2.1, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel :
2brandstofsoort
2brandstofsoort cilinderinhoud in cc Euronorm3cilinderinhoud in cc
36 5 4 3 2 1 0
4Euronorm
56
65
74
83
92
101
110
4CO2-emissies in g/km12CO2-emissies in g/km
5benzine en andere brandstoffen, met uitzondering van diesel en aardgas minder dan 1400 117 125 140 150 164 173 17513benzine en andere brandstoffen, met uitzondering van diesel en aardgas
14minder dan 1400
15117
16125
17140
18150
19164
20173
21175
61400 tot en met 2000 150 159 172 185 200 211 213221400 tot en met 2000
7meer dan 2000 228 238 247 259 279 295 297
8diesel minder dan 1400 98 103 120 116 125 132 133
23150
24159
25172
26185
27200
28211
29213
30meer dan 2000
31228
32238
33247
34259
35279
36295
37297
38diesel
39minder dan 1400
4098
41103
42120
43116
44125
45132
46133
91400 tot en met 2000 117 125 144 151 163 173 174471400 tot en met 2000
10meer dan 2000 159 169 201 199 214 226 228
11aardgas minder dan 1400 94 100 112 120 131 139 140
48117
49125
50144
51151
52163
53173
54174
55meer dan 2000
56159
57169
58201
59199
60214
61226
62228
63aardgas
64minder dan 1400
6594
66100
67112
68120
69131
70139
71140
121400 tot en met 2000 120 127 138 148 160 169 171721400 tot en met 2000
13meer dan 2000 182 190 198 207 223 236 238
73120
74127
75138
76148
77160
78169
79171
80meer dan 2000
81182
82190
83198
84207
85223
86236
87238
88§2. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.3.4.1.2/1, bepaald volgens volgende formule: CO2-uitstoot = Constante + (Parameter_CC x CC) + (Parameter_KW x KW) + (Parameter_FPK x FPK) + (Parameter_ZP x ZP) + (Parameter_CC_KW x CC x KW) + (Parameter_CC_FPK x CC x FPK) + (Parameter_KW_FPK x KW x FPK)
89+ (Parameter_CC_KW_FPK x CC x KW x FPK).
90De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt: 1° CC = de cilinderinhoud in cc gedeeld door 1000;
912° KW = het vermogen van de motor uitgedrukt in kilowatt gedeeld door 100; 3° FPK = het vermogen van de motor uitgedrukt in fiscale pk;
924° ZP = het aantal zitplaatsen.
93De overige parameters, vermeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van deze formule, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, vermeld in de volgende tabel:
94Benzine en andere brand- stoffen, met uitzondering van aardgas, diesel en
95plug-inhybride
96Diesel
97Benzine plug- inhybride
98Diesel plug- inhybride
99Aardgas
100Parameter constante
10158.3304
1021017.5710
10375.3124
1041716.4604
1057627.0345
106Parameter_ CC
1072.9316
108-403.6269
109-126.9417
110-102.5352
111-8617.6901
112Parameter_ KW
11353.6921
114-817.4980
11556.3978
116-1333.5261
117-8710.9573
118Parameter_ FPK
1195.0617
120-96.0669
12127.1787
122-229.5888
123-606.3489
124Parameter_ ZP
1251.9861
1261.9861
1271.9861
1281.9861
1291.9861
130Parameter_ CC_KW
13117.2267
132399.2770
133-51.8607
134-344.2686
1358134.2581
136Parameter_ CC_FPK
137-0.2578
13841.8433
139-1.0233
14051.2497
141817.4474
142Parameter_ KW_FPK
143-5.4089
14476.3656
145-2.7148
146245.7955
147905.1812
148Parameter_ CC_KW_ FPK
1490.1784
150-34.3605
1513.1869
152-30.2220
153-854.6351
154De CO2-uitstoot, zoals berekend in het eerste lid, is minstens gelijk aan nul.
155Een plug-inhybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
156Een voertuig op aardgas is een voertuig waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 19 opgeheven
1Het Eigen Vermogen van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, opgericht bij het koninklijk besluit van 22 september 1931 betreffende het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen - rechtspersoonlijkheid, dat rechtspersoonlijkheid geniet bij wet van 27 juni 1930, wordt geregeld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
+0 −4 decreet-2019-03-29/art. 20 opgeheven
1Het Eigen Vermogen van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen wordt bestuurd door een beheerscommissie.
2De beheerscommissie is samengesteld uit:
31° de voorzitter, de ondervoorzitter en het onafhankelijk bestuurslid aangeduid als secretaris, van de raad van bestuur van het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen;
42° één afgevaardigde van de stad Antwerpen.
+0 −2 decreet-2019-03-29/art. 21 opgeheven
1De leden van de beheerscommissie, vermeld in artikel 20, tweede lid, 1°, worden door hun aanstelling in de raad van bestuur van het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen van rechtswege benoemd als lid van de commissie, voor de termijn van hun bestuursmandaat bij dat agentschap.
2Het lid van de beheerscommissie, vermeld in artikel 20, tweede lid, 2°, wordt door de stad Antwerpen benoemd. De stad Antwerpen kan op elk moment een nieuwe afgevaardigde benoemen.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 22 opgeheven
1De leden van de beheerscommissie oefenen hun mandaat onbezoldigd uit. Aan de leden kan evenwel een vergoeding voor reis- en verblijfkosten worden toegekend.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 23 opgeheven
1De voorzitter, de ondervoorzitter en de secretaris van het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen zijn van rechtswege voorzitter, ondervoorzitter en secretaris van de beheerscommissie.
+0 −2 decreet-2019-03-29/art. 24 opgeheven
1In geval van afwezigheid of ontslag van de voorzitter wordt zijn functie waargenomen door de ondervoorzitter of, bij zijn ontslag of afwezigheid, door de oudste van de aanwezige bestuurders.
2De beheerscommissie kan slechts een geldige beslissing nemen wanneer de meerderheid van de leden aanwezig is. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter beslissend.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 25 opgeheven
1De beheerscommissie vergadert na bijeenroeping door de voorzitter of, bij diens afwezigheid, door de ondervoorzitter. De beheerscommissie wordt schriftelijk bijeengeroepen en, behoudens in dringende gevallen, minstens zeven kalenderdagen voor de datum van de geplande vergadering. De bijeenroeping vermeldt de agenda, de datum en het uur van de vergadering.
+0 −2 decreet-2019-03-29/art. 26 opgeheven
1De beslissingen van de beheerscommissie worden opgenomen in de notulen die worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris. Zij worden van kracht na goedkeuring in de eerstvolgende vergadering. De notulen worden opgestuurd aan alle leden van de beheerscommissie.
2De beheerscommissie vertegenwoordigt het eigen vermogen in en buiten rechte. Het eigen vermogen wordt in alle handelingen in en buiten rechte rechtsgeldig vertegenwoordigd door de gezamenlijke handtekening van de voorzitter en de secretaris.
+0 −2 decreet-2019-03-29/art. 27 opgeheven
1De beheerscommissie staat in voor het beheer van het eigen vermogen.
2De beheerscommissie zal de engagementen en verplichtingen nakomen die zijn aangegaan door de commissie Eigen Vermogen conform het koninklijk besluit van 22 september 1931 Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen - rechtspersoonlijkheid.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 28 opgeheven
1De beheerscommissie stelt een huishoudelijk reglement op voor haar leden.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 29 opgeheven
1De beheerscommissie mag werken laten uitvoeren in het belang van de vereniging zonder winstoogmerk Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen en de kunstwerken die deze vereniging zonder winstoogmerk beheert.
+0 −2 decreet-2019-03-29/art. 30 opgeheven
1Ieder jaar maakt de beheerscommissie het ontwerp van begroting op van haar ontvangsten en uitgaven.
2Ieder jaar stelt de beheerscommissie de rekening van het vorige begrotingsjaar op.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 31 opgeheven
1Uiterlijk op 1 april van elk jaar zal de beheerscommissie aan de Vlaamse Regering verslag uitbrengen over haar activiteiten gedurende het vorige werkingsjaar.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 32 opgeheven
1De Vlaamse Regering mag voorschrijven dat de rekeningen van het vermogen op geregelde tijdstippen zullen worden nagezien.
+0 −1 decreet-2019-03-29/art. 33 opgeheven
1Het koninklijk besluit van 22 september 1931 Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen - rechtspersoonlijkheid, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 en 4 juli 2014, wordt opgeheven, met uitzondering van artikel 1.
+4 −4 decreet-2011-12-23-1021295/art. 46
776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
798° in de heffingsjaren 2020, 2021 en 2022 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
809° in het heffingsjaar 2023 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;809° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8110° in het heffingsjaar 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;8110° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8211° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.8211° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.
83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.
84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.29/2 nieuw
1De Vlaamse Regering financiert, binnen de perken van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003 en van de Vlaamse begroting, de werking van de accreditatieorganisatie.
2De accreditatieorganisatie kan het gedeelte van de toegekende financiële ondersteuning dat de aanvaarde kosten overschrijdt, aanwenden voor de aanleg van reserves van maximaal 20% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag. De totale gecumuleerde reserves mogen maximaal 50% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag bedragen. De accreditatieorganisatie rapporteert jaarlijks over de reservevorming.
+28 −14 codex-hoger-onderwijs/art. III.5
89VOWhko201489VOWhko2014
90bedrag professionele kunstopleidingen90bedrag professionele kunstopleidingen
91bedrag bijzondere weddeschalen91bedrag bijzondere salarisschalen
922012922012
93800.00093800.000
10010.900.00010010.900.000
101100.000101100.000
102900.000
10320161022016
10414.300.00010314.300.000
105100.000104100.000
1063.700.000
10720171052017
10817.666.52010617.666.520
109100.000107100.000
1103.700.000
11120181082018
11220.966.52010920.966.520
113100.000110100.000
1143.700.000
11520191112019
11624.366.52011224.366.520
117100.000113100.000
1183.700.000
11920201142020
12027.766.52011527.766.520
121100.000116100.000
1223.700.000
12320211172021
12427.766.52011827.766.520
125100.000119100.000
1263.700.000
12720221202022
12831.166.52012131.166.520
129100.000122100.000
1303.700.000
1232.000.000
13120231242023
13234.566.52012534.566.520
133100.000126100.000
1343.700.000
1272.000.000
135vanaf 2024128vanaf 2024
13637.066.52012937.066.520
137100.000130100.000
1383.700.000
1312.000.000
139De bedragen die in het begrotingsjaar t nominaal worden toegevoegd, zijnde de verschillen tussen de bedragen voor het begrotingsjaar t en de bedragen voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, worden vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen voor VOWprof en VOWprof2014 als een geheel beschouwd.132De bedragen die in het begrotingsjaar t nominaal worden toegevoegd, zijnde de verschillen tussen de bedragen voor het begrotingsjaar t en de bedragen voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, worden vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen voor VOWprof en VOWprof2014 als een geheel beschouwd.
140Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt jaarlijks een bedrag toegevoegd van 1.254.057,83 euro aan VOWhko2014. Dit bedrag is op indexniveau 2011 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule vermeld in paragraaf 9.133Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt jaarlijks een bedrag toegevoegd van 1.254.057,83 euro aan VOWhko2014. Dit bedrag is op indexniveau 2011 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule vermeld in paragraaf 9.
141Het bedrag dat nodig is voor de aanpassing van de regeling van de bijzondere weddeschalen, wordt alleen toegekend als er een generieke regeling is uitgewerkt voor de uitoefening van nevenactiviteiten in het hoger onderwijs.
134Het bedrag bijzondere salarisschalen, vermeld in het eerste lid, wordt gedurende de begrotingsjaren 2022 tot en met 2028 volgens de volgende percentages verdeeld over de hogescholen:
135Hogeschool Gent
13631,35%
137Erasmushogeschool Brussel
13820,66%
139LUCA School of Arts
14023,17%
141Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen
1425,11%
143Hogeschool PXL
1444,86%
145Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
14614,85%
147Met ingang van het begrotingsjaar 2023 wordt ieder jaar 1/7 van het bedrag bijzondere salarisschalen, vermeld in het eerste lid, overgedragen naar VOWhko2014.
148Het bedrag voor de aanpassing van de bijzondere salarisschalen is op indexniveau 2022 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2023 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9.
142§13. De bedragen VOWun en VOZun, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden vermeerderd met de volgende bedragen en de bedragen, vermeld in paragraaf 2, zijn de volgende (uitgedrukt in euro):149§13. De bedragen VOWun en VOZun, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden vermeerderd met de volgende bedragen en de bedragen, vermeld in paragraaf 2, zijn de volgende (uitgedrukt in euro):
143Begrotingsjaar150Begrotingsjaar
2162° VOWhko2014: 452.000 euro.2232° VOWhko2014: 452.000 euro.
217De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn op indexniveau 2016 en worden vanaf het begrotingsjaar 2017 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.224De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn op indexniveau 2016 en worden vanaf het begrotingsjaar 2017 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.
218§ 16. Volgende bedragen, uitgedrukt in euro, worden toegevoegd aan de bedragen VOWprof, als vermeld of berekend overeenkomstig dit artikel:225§ 16. Volgende bedragen, uitgedrukt in euro, worden toegevoegd aan de bedragen VOWprof, vermeld of berekend overeenkomstig dit artikel:
219Begrotingsjaar 2019226Begrotingsjaar 2019
22025.594,2022725.594,20
223Begrotingsjaar 2021230Begrotingsjaar 2021
22476.782,6023176.782,60
225Vanaf begrotingsjaar 2022232Begrotingsjaar 2022
226102.376,80233102.376,80
234Vanaf begrotingsjaar 2023
235127.971,00
227Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.236Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.
228§ 17. Vanaf het begrotingsjaar 2022 is het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWhbo, vermeld in paragraaf 2/1, gelijk aan het bedrag dat overgedragen wordt conform artikel III.42/1.237§ 17. Vanaf het begrotingsjaar 2022 is het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWhbo, vermeld in paragraaf 2/1, gelijk aan het bedrag dat overgedragen wordt conform artikel III.42/1.
231§ 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro.240§ 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro.
232§ 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro.241§ 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro.
242§20. Het bedrag VOWprof als vermeld in of berekend conform dit artikel, wordt vermeerderd met de volgende bedragen:
2431° in het begrotingsjaar 2022 met 12.000.000 euro;
2442° in het begrotingsjaar 2023 met 16.000.000 euro;
2453° vanaf het begrotingsjaar 2024 met 20.000.000 euro.
246Bij de opmaak van de begroting 2023 wordt het groeipad, vermeld in paragraaf 18 tot en met 20, geëvalueerd.
+11 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.70/1 nieuw
1Ter versterking van de studentenvoorzieningen kan de Vlaamse Regering binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap aan de hogescholen en universiteiten een bijkomende toelage toekennen in de volgende gevallen:
21° bij een onvoorziene stijgende financiële hulpvraag van studenten die aanwijs- baar leidt tot een tekort van de toegekende sociale toelage, vermeld in artikel
3III.67 en III.68;
42° bij een onvoorziene stijging van de kosten voor het uitvoeren van de activiteiten in een van de werkvelden, vermeld in artikel II.348, ten opzichte van de toegekende toelage, vermeld in artikel III.67 en III.68.
5Het vaststellen van het bedrag van de bijkomende toelage per hogeschool of universiteit gebeurt als volgt:
61° het aandeel van elke hogeschool of universiteit in de bijkomende toelage wordt berekend op basis van het aandeel van elke hogeschool en universiteit in het totale aantal opgenomen studiepunten van alle hogescholen en universiteiten samen;
72° de bijkomende toelage voor een hogeschool of een universiteit kan nooit hoger zijn dan:
8a) het bedrag berekend overeenkomstig punt 1°; en
9b) de aangetoonde tekorten en de aangetoonde stijging van de kosten, vermeld in het eerste lid.
10De opgenomen studiepunten, vermeld in het tweede lid, 1°, in een hogeschool of universiteit voor het begrotingsjaar t zijn het gemiddelde aantal studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een graduaatsopleiding of een initiële bachelor- of masteropleiding in de desbetreffende instelling.
11De Vlaamse Regering legt de modaliteiten vast hoe de universiteiten en hogescholen hun tekorten of hun stijging van de kosten, vermeld in het eerste lid, kunnen aantonen.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.119
6De toelage aan PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) wordt voor de begrotingsjaren 2022 en 2023 vastgesteld op 461.000 euro.6De toelage aan PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) wordt voor de begrotingsjaren 2022 en 2023 vastgesteld op 461.000 euro.
7De bedragen, vermeld in deze paragraaf, worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2022 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.5, § 9.7De bedragen, vermeld in deze paragraaf, worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2022 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
8Aan PoPoK wordt voor het begrotingsjaar 2023 een bijkomend transitiebudget van 60.000 euro voor een transitie- en onderzoekscoördinator en 25.000 euro aan werkingsmiddelen toegekend om de gesprekken en onderhandelingen met betrekking tot structurele, inhoudelijke en financiële samenwerkingen verder te zetten, en tegelijkertijd met deze transitie de programma’s van de huidige studenten te bestendigen.
8§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.9§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.
9De in paragraaf 1 bedoelde andere instellingen zijn instellingen die excellente hogere kunstopleidingen organiseren, doch krachtens artikel II.3 niet als hogescholen kunnen beschouwd worden.10De in paragraaf 1 bedoelde andere instellingen zijn instellingen die excellente hogere kunstopleidingen organiseren, doch krachtens artikel II.3 niet als hogescholen kunnen beschouwd worden.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
31° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
42° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
75° voor de CLB's: 178.000 euro;75° voor de CLB's: 178.000 euro;
86° voor de basiseducatie: 77.500 euro.86° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
97° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..10Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.11§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
31° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
42° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
75° voor de CLB's: 178.000 euro;75° voor de CLB's: 178.000 euro;
86° voor de basiseducatie: 77.500 euro.86° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
97° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..10Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.11§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 9
31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 354.000 euro;
64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
75° voor de CLB's: 178.000 euro;75° voor de CLB's: 178.000 euro;
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
31° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
42° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
75° voor de CLB's: 178.000 euro;75° voor de CLB's: 178.000 euro;
86° voor de basiseducatie: 77.500 euro.86° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
97° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..10Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.11§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
31° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
42° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
75° voor de CLB's: 178.000 euro;75° voor de CLB's: 178.000 euro;
86° voor de basiseducatie: 77.500 euro.86° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
97° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..10Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.11§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+6 −5 decreet-2009-05-08/art. 9
1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.1§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
2§ 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015:
31° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;
42° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;
2§ 2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld:
31° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
42° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024;
53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;53° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;64° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
75° voor de CLB's: 178.000 euro;75° voor de CLB's: 178.000 euro;
86° voor de basiseducatie: 77.500 euro.86° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
97° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
9Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..10Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex..
10§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.11§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 10
1De nascholingsmiddelen worden in twee schijven aan de besturen van de instellingen uitbetaald. De eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar, de tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar. 1De nascholingsmiddelen worden in twee schijven aan de besturen van de instellingen uitbetaald. De eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar, de tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting of het programmadecreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing, van het begrotingsjaar waarin de nascholingsmiddelen voor het betrokken begrotingsjaar zijn opgenomen, aanleiding geeft tot meer nascholingsmiddelen voor de instellingen, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.
2Elk bestuur wendt de middelen uitsluitend aan voor de nascholing van de personeelsleden van de instelling die recht heeft op de nascholingsmiddelen, en dit overeenkomstig het goedgekeurde nascholingsplan.2Elk bestuur wendt de middelen uitsluitend aan voor de nascholing van de personeelsleden van de instelling die recht heeft op de nascholingsmiddelen, en dit overeenkomstig het goedgekeurde nascholingsplan.
3Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal 50 % van de jaarlijkse middelen.3Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal 50 % van de jaarlijkse middelen.
+2 −5 decreet-2007-06-15/art. 108
30Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %.30Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %.
31Vanaf het schooljaar 2023-2024 wordt het totaal volume aan werkingsmiddelen vermeerderd met 1.953.622,94 euro.31Vanaf het schooljaar 2023-2024 wordt het totaal volume aan werkingsmiddelen vermeerderd met 1.953.622,94 euro.
32§ 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen en daarvoor een financiële bijdrage van minder dan 96 euro heeft ontvangen, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1.32§ 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen bij een specifieke doelgroep die recht heeft op een verminderde financiële bijdrage als vermeld in artikel 8 van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1.
33De aanvullende werkingstoelage bedraagt:
341° 60 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie heeft betaald;
352° 48 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een deelkwalificatie heeft betaald.
33De aanvullende werkingstoelage bedraagt de helft van de volledige financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie of een deelkwalificatie als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2019 betreffende de uitvoering van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, zoals van kracht op de datum van de inwerkingtreding van artikel 11 van het programmadecreet van 30 juni 2023 houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing 2023.
36Voor de berekening van de aanvullende werkingstoelage komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf zoals bedoeld in artikel 1, 48°.34Voor de berekening van de aanvullende werkingstoelage komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf zoals bedoeld in artikel 1, 48°.
37De bedragen, vermeld in het tweede lid, worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2019. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal.
+2 −0 decreet-2007-06-15/art. 196sexies
6Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.6Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
7Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.7Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
8Ten laste van het begrotingsjaar 2023 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
9De centra voor volwassenenonderwijs kunnen na een voorafgaand akkoord in het bevoegde lokale comité de toegekende leraarsuren ten laste van het begrotingsjaar 2023 omzetten in werkingsmiddelen voor contractuele aanwervingen ten belope van de lesopdracht tijdens de maanden juli en augustus. Voor de omzetting geldt één leraarsuur voor 63,64 euro. Uiterlijk twee maanden na de melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de om te zetten leraarsuren voor de aanwerving van contractuele personeelsleden worden 80% van deze omgezette werkingsmiddelen als voorschot aan de centra uitbetaald. Het resterende saldo van 20% wordt uitbetaald uiterlijk in de loop van de maand december van het kalenderjaar 2023. Het centrum moet alle aangewende middelen bewijzen met facturen of betalingen die werden gedaan in het kader van deze contractuele aanstellingen. Niet-aangewende middelen worden na het einde van het kalenderjaar 2023 teruggestort. Daarvoor deelt het centrum het niet-aangewende bedrag mee aan de bevoegde administratie
8§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.10§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.
9§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.11§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.
+10 −3 codex-secundair-onderwijs/art. 221
1§1. Aan elke school voor voltijds secundair onderwijs met ten minste vijfentwintig regelmatige leerlingen op de toepasbare teldatum in structuuronderdelen met in de benaming "topsport" die onder toepassing valt van het gesloten topsportconvenant, wordt een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking van topsportschoolcoordinator toegekend. Die betrekking wordt niet meer toegekend als de norm twee aansluitende schooljaren niet wordt bereikt.1§1. Aan elke school voor voltijds secundair onderwijs met ten minste vijfentwintig regelmatige leerlingen op de toepasbare teldatum in structuuronderdelen met in de benaming "topsport" die onder toepassing valt van het gesloten topsportconvenant, wordt een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking van topsportschoolcoordinator toegekend. Die betrekking wordt niet meer toegekend als de norm twee aansluitende schooljaren niet wordt bereikt.
2Deze bijkomende betrekking is niet opdeelbaar; ze kan slechts door één personeelslid, dat exclusief en voltijds met topsportschoolcoördinatie is belast, worden uitgeoefend. De betrekking wordt ingericht in één van de volgende ambten, naar keuze van het betrokken schoolbestuur : adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator, technisch adviseur, leraar.2Deze bijkomende betrekking is niet opdeelbaar; ze kan slechts door één personeelslid, dat exclusief en voltijds met topsportschoolcoördinatie is belast, worden uitgeoefend. De betrekking wordt ingericht in één van de volgende ambten, naar keuze van het betrokken schoolbestuur : adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator, technisch adviseur, leraar.
3§2. In geval de betrekking wordt ingericht in het ambt van leraar, dan wordt de opdracht uitgeoefend onder vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.3§2. In geval de betrekking wordt ingericht in het ambt van leraar, dan wordt de opdracht uitgeoefend onder vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.
4In voorkomend geval worden de desbetreffende uren niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3 % van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken, zoals vermeld in artikel 212. (220)4In voorkomend geval worden de desbetreffende uren niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3 % van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken, zoals vermeld in artikel 212.
5§3. Aan elke school voor voltijds secundair onderwijs met ten minste één regelmatige leerling op de toepasbare teldatum in structuuronderdelen met in de benaming “topsport”, wordt een aantal specifieke uren-leraar toegekend onder de volgende modaliteiten:
61° het aantal uren-leraar bedraagt 0,2 uren-leraar per regelmatige leerling vanaf de 26e regelmatige leerling;
72° indien het aantal regelmatige leerlingen lager ligt dan 25, bedraagt het aantal uren-leraar 0,85 uren-leraar per regelmatige leerling;
83° het aantal toegekende uren-leraar bedraagt maximaal 22.
9De specifieke uren-leraar, vermeld in het eerste lid, worden ingericht onder de vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.
10De desbetreffende uren worden niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3% van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken als vermeld in artikel 212.
11Voor de toepassing van deze paragraaf worden scholen van hetzelfde schoolbestuur als één school beschouwd. De specifieke uren-leraar worden in dat geval steeds toegekend aan de school die valt onder de toepassing van het gesloten topsportconvenant.
+8 −5 decreet-2018-04-27/art. 18
1De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare kredieten jaarlijks forfaitaire subsidies verlenen aan het gemeenschapsonderwijs en elke representatieve vereniging van de besturen van de centra voor leerlingenbegeleiding van het gesubsidieerd onderwijs. Hiermee kan de sector aan innovatie of digitalisering werken, steeds met het oog op het begeleiden, ondersteunen en versterken van centra in het uitvoeren van hun opdracht.
2De Vlaamse Regering bepaalt:
31° de voorwaarden waaronder de subsidie kan worden toegekend;
42° de aanwendingsmogelijkheden van de subsidie, waaronder in elk geval de verplichting dat de diverse begunstigden van die subsidie de ontvangen middelen moeten samenleggen om ze optimaal en efficiënt te besteden;
53° de controle op de aanwending.
1Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt jaarlijks per schooljaar, startend met het schooljaar 2023-2024, binnen de beschikbare begrotingskredieten een extra werkingsbudget van maximaal 1.000.000 euro toegekend aan de permanente ondersteuningscellen. Het werkingsbudget wordt toegekend aan de gefinancierde permanente ondersteuningscel, de gesubsidieerde vrije permanente ondersteuningscel, de permanente ondersteuningscel van de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten en de permanente ondersteuningscel van het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen verrekend conform hun personeelsomkadering, vermeld in artikel 40, §2, eerste lid, 1°, en tweede lid. Het extra werkingsbudget wordt netoverstijgend ingezet door alle permanente ondersteuningscellen samen.
2De middelen worden ingezet voor netoverstijgende innovatieve digitaliseringsprojecten, met het oog op het kwaliteitsvol begeleiden van leerlingen, waaronder minstens:
31° de ontwikkeling, het onderhoud en de implementatie van een online hulpverleningsaanbod door alle centra voor leerlingenbegeleiding;
42° de ontwikkeling, het onderhoud en de implementatie van een digitaal multidisciplinair dossier voor de leerling als vermeld in artikel 10 en de gegevensoverdracht vanuit het digitaal multidisciplinair dossier van de leerling, vermeld in artikel 17;
53° de ontwikkeling, het onderhoud en de implementatie van een laagdrempelig toegankelijk digitaal platform voor leerlingen, ouders, scholen, leersteuncentra en netwerkpartners.
6Alle permanente ondersteuningscellen werken tegen 31 december 2023 netoverstijgend samen aan hun visie op digitalisering met doelstellingen die ze op korte en lange termijn willen bereiken en hoe ze deze doelstellingen op korte en langere termijn zullen realiseren. Hierbij worden ook de opdrachten, vermeld in het tweede lid, opgenomen, alsook de inzet van de middelen, vermeld in het eerste lid. De visie wordt door alle permanente ondersteuningcellen samen besproken met de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering voor 31 januari 2024. Op het einde van elk schooljaar gaan alle permanente ondersteuningscellen samen in overleg met de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering om te rapporteren over de realisatie van hun doelstellingen en de inzet van de middelen van het lopende schooljaar en de planning met inzet van de middelen voor het volgende schooljaar.
7Het extra werkingsbudget wordt ten laatste in december van het lopende schooljaar uitbetaald.
8Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt het extra werkingsbudget van maximaal 1.000.000 euro geïndexeerd conform de bepaling opgenomen in artikel 29, §1, vijfde lid.
+7 −0 decreet-2018-04-27/art. 32/2 nieuw
1Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt jaarlijks per schooljaar, startend met het schooljaar 2023-2024, binnen de beschikbare begrotingskredieten een extra werkingsbudget van maximaal 7.562.000 euro toegekend aan de centra. Het extra werkingsbudget wordt onder de centra verdeeld op basis van hun aandeel in de nieuwe omkadering, berekend conform artikel 40 en 41.
2De middelen worden ingezet voor de versterking van de leerlingenbegeleiding en laten de centra toe om:
31° meer in de scholen aanwezig te zijn en hierbij extra in te zetten op het verhogen van het psychosociaal functioneren van de leerlingen;
42° in te zetten op en mee te werken aan initiatieven inzake het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten en ongekwalificeerde uitstroom;
53° onderling samen te werken rond de thema’s, vermeld in artikel 16, §2, eerste lid, 1°, a) tot en met i).
6Het extra werkingsbudget wordt ten laatste in december van het lopende schooljaar uitbetaald.
7Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt het extra werkingsbudget van maximaal 7.562.000 euro geïndexeerd conform de bepaling opgenomen in artikel 29, §1, vijfde lid.
+2 −2 decreet-2007-12-14/art. 3
21° tussen onderwijsinstellingen en ondernemingen de vraag naar en het aanbod van infrastructuur, apparatuur en uitrusting voor onderwijs die een pedagogisch-didactische rol kan vervullen, door een of meer infrastructurele inbeddingen te ontwikkelen of te ondersteunen, op elkaar afstemmen; en21° tussen onderwijsinstellingen en ondernemingen de vraag naar en het aanbod van infrastructuur, apparatuur en uitrusting voor onderwijs die een pedagogisch-didactische rol kan vervullen, door een of meer infrastructurele inbeddingen te ontwikkelen of te ondersteunen, op elkaar afstemmen; en
32° aanvullend op de nascholing in scholen professionalisering op het vlak van nieuwe technologieën en STEM faciliteren of coördineren; en32° aanvullend op de nascholing in scholen professionalisering op het vlak van nieuwe technologieën en STEM faciliteren of coördineren; en
43° een platform creëren waarin onderwijsinstellingen en ondernemingen kennis en ervaring kunnen uitwisselen; en/of43° een platform creëren waarin onderwijsinstellingen en ondernemingen kennis en ervaring kunnen uitwisselen;
54° tussen onderwijsinstellingen en ondernemingen de mogelijkheden tot werkplekleren faciliteren; en/of54° tussen onderwijsinstellingen en ondernemingen de mogelijkheden tot werkplekleren inclusief duaal leren faciliteren; en/of
65° noden, behoeften en tendensen met betrekking tot materies op het snijvlak onderwijs-arbeidsmarkt signaleren aan en ontvangen van het Departement Onderwijs en Vorming.65° noden, behoeften en tendensen met betrekking tot materies op het snijvlak onderwijs-arbeidsmarkt signaleren aan en ontvangen van het Departement Onderwijs en Vorming.
+4 −0 decreet-2007-12-14/art. 6/1 nieuw
1In het kader van de beheersovereenkomst met de Vlaamse Regering en binnen de beschikbare begrotingskredieten heeft een RTC recht op specifieke werkingstoelagen ter ondersteuning van het duaal leren. De specifieke werkingstoelagen worden geïndexeerd.
2Deze specifieke werkingstoelagen worden per schooljaar per RTC bepaald zoals omschreven in artikel 6, §2, 2°. In afwijking hiervan gaat voor het schooljaar 2023-2024 de periode in op 1 oktober 2023.
3Naast het actieplan, vermeld in artikel 4, §2, eerste lid, 3°, maken de vijf RTC’s samen voor de periode 1 oktober 2023 tot 31 augustus 2024 een actieplan op met de concrete stappen ter ondersteuning van het duaal leren, inclusief een financieel plan per RTC. Het actieplan is complementair aan de activiteiten van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren en de sectorale partnerschappen Duaal Leren. Het actieplan wordt voor advies voorgelegd aan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.
4De Vlaamse Regering bepaalt de rapporterings- en uitbetalingsmodaliteiten van de specifieke werkingstoelagen, vermeld in het eerste lid.
+13 −0 decreet-2023-05-05/art. 132
1In artikel 9 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 25 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
21° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
3“§2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen vanaf het begrotingsjaar 2024:
41°...;
52° voor het secundair onderwijs: 6.251.000 euro;
63° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
74° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
85° voor de CLB’s: 178.000 euro;
96° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
107° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
11Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden die bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.”;
122° er wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
13“§4. In afwijking van paragraaf 3 worden voor de telling op 1 februari 2023 de ondersteuners die zijn aangesteld in scholen voor buitengewoon onderwijs, niet meegeteld, en wordt voor de leersteuncentra in het jaar 2024 het aandeel in de middelen, bepaald in paragraaf 2, 7°, waarop elk leersteuncentrum recht heeft, pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in het leersteuncentrum op 1 oktober 2023.”.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd