| 1 | Vanaf het begrotingsjaar 2026 tot en met begrotingsjaar 2030 kan jaarlijks een bijkomende werkingstoelage van maximaal 4.000.000 euro aan de Vrije Universiteit Brussel worden toegekend voor de financiering van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde. De instelling dient daartoe jaarlijks een aanvraagdossier in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 oktober van het voorafgaande begrotingsjaar. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt het aanvraagdossier uiterlijk op 1 juli 2026 verwacht. Dit aanvraagdossier bevat een overzicht van de geraamde kosten van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde in het begrotingsjaar in kwestie en de daaropvolgende begrotingsjaren tot en met 2030. Deze bijkomende werkingstoelage wordt alleen toegekend en uitbetaald na controle en goedkeuring van het aanvraagdossier door de regeringscommissaris. De regeringscommissaris beoordeelt het getrouwheidsgehalte van het budget en bevestigt dat het voorgestelde budget uitgaven betreft die niet door andere subsidiestromen gedekt zijn. |
| 2 | De Vrije Universiteit Brussel rapporteert over de eigen genomen initiatieven en de effecten en de resultaten ervan. De Vrije Universiteit Brussel dient daarvoor een beknopt rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. In dit rapport wordt de evolutie in aantal studenten en personeelsleden voor de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde opgenomen, en ook een gedetailleerde verantwoording van de kosten voor het personeel, de infrastructuur, andere kosten en de mogelijke reserveopbouw. Het rapport wordt ter controle voorgelegd aan de regeringscommissaris. De regeringscommissaris gaat na of de vermelde financiële gegevens in het verantwoordingsrapport correct zijn. |
| 3 | De Vrije Universiteit Brussel kan een gedeelte van de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de aanleg van een reserve. Maximaal 20% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage kan worden aangewend voor de aanleg van reserves. In afwijking hiervan kan in begrotingsjaar 2026 maximaal 50% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage aangewend worden voor de aanleg van reserves. |
| 4 | De totaal gecumuleerde reserves, vermeld in het derde lid, kunnen maximaal 50% van de maximale totale bijkomende werkingstoelage voor de begrotingsjaren 2026 tot en met 2030 bedragen en moeten ten laatste in het begrotingsjaar 2030 worden besteed. |
| 5 | De Vlaamse Regering kan de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk terugvorderen in een van de volgende gevallen: |
| 6 | 1° als de bacheloropleiding, vermeld in het eerste lid, niet uiterlijk in het academiejaar 2027-2028 aangeboden wordt; |
| 7 | 2° als de Vrije Universiteit Brussel niet uiterlijk voor 1 maart 2029 bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag indient waarin de doelmatigheid van de opleiding master in de Tandheelkunde overeenkomstig artikel II.153 wordt beoordeeld; |
| 8 | 3° als de kosten niet voldoende aangetoond kunnen worden in de jaarlijkse rapportering. |