Tot wijziging van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt en het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid #1937
Gemerged Vlaamse Regering voegde 45 artikels samen in decreet-2002-05-08decreet-2008-07-10-1017082 · 22 december 2023 Alle checks geslaagd
45 artikels gewijzigd
De instructies van dit stuk toegepast op de wet zoals die gold op 21 mrt 2024. De officiële tekst blijft het document van het Parlement.
| 1 | §1. In dit artikel wordt verstaan onder Vlaamse administratie: de entiteiten, vermeld in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 december 2004 houdende maatregelen ter bevordering en ondersteuning van het gelijkekansen- en diversiteitsbeleid in de Vlaamse administratie. | ||
| 2 | §2. Voor de verwerking van persoonsgegevens van de Vlaamse administratie conform dit decreet op een gestructureerde en systematische wijze, treden de entiteiten op als verwerkingsverantwoordelijken als vermeld in artikel 4, 7), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). De doeleinden voor de verwerking van persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijken betreffen de opdrachten, vermeld in artikel 5 en 7, wat betreft de Vlaamse administratie. | ||
| 3 | De verwerking van de persoonsgegevens is beperkt tot wat noodzakelijk is om het doel, vermeld in het eerste lid, te bereiken. | ||
| 4 | §3. De verwerkingsverantwoordelijken kunnen conform de bepalingen van dit decreet de volgende categorieën van persoonsgegevens verwerken: | ||
| 5 | 1° identificatiegegevens; | ||
| 6 | 2° contactgegevens; | ||
| 7 | 3° het rijksregisternummer met het doel om op een unieke wijze natuurlijke personen te identificeren; | ||
| 8 | 4° gegevens over de huidige betrekking; | ||
| 9 | 5° gegevens over persoonlijke bijzonderheden; | ||
| 10 | 6° de gegevens, vermeld in artikel 2, 8° en 9°; | ||
| 11 | 7° financiële gegevens; | ||
| 12 | 8° gegevens betreffende de gezondheid. | ||
| 13 | De Vlaamse Regering kan de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, nader omschrijven. | ||
| 14 | §4. De verwerkingsverantwoordelijken kunnen conform de bepalingen van dit decreet de persoonsgegevens van de Vlaamse administratie van de volgende categorieën van personen verwerken: | ||
| 15 | 1° personeelsleden; | ||
| 16 | 2° stagiairs; | ||
| 17 | 3° sollicitanten; | ||
| 18 | 4° personeelsleden die uitgestroomd zijn. | ||
| 19 | De Vlaamse Regering kan de categorieën van personen, vermeld in het eerste lid, nader omschrijven. | ||
| 20 | §5. De gegevens die verwerkt worden conform dit decreet kunnen uitgewisseld worden met de organisaties die de Vlaamse Regering daarvoor machtigt, als dat noodzakelijk is in het kader van hun wettelijke opdracht of ter uitvoering van dit decreet. | ||
| 21 | §6. De personen die toegang kunnen krijgen tot de persoonsgegevens zijn: | ||
| 22 | 1° de personen die hiertoe aangesteld zijn door de Vlaamse administratie en de verwerkingsverantwoordelijken; | ||
| 23 | 2° de personen die hiertoe aangesteld zijn door de organisaties, gemachtigd conform paragraaf 5. | ||
| 24 | §7. De verwerkingsverantwoordelijken nemen de gepaste technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen conform voormelde verordening. | ||
| 25 | §8. De verwerkingsverantwoordelijken en de organisaties, vermeld in paragraaf 5, bewaren de voormelde categorieën van persoonsgegevens in ieder geval conform de bewaartermijnen in het kader van de oorspronkelijke verzamelingsdoeleinden. | ||
| 26 | De persoonsgegevens die verkregen zijn in het kader van de doeleinden, bepaald in dit decreet, worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor het doeleinde van de gegevensverwerking. De maximale bewaartermijn zal niet langer dan tien jaar zijn nadat het personeelslid is uitgestroomd, na de stage van de stagiair of de sollicitatieprocedure van de sollicitant bij de Vlaamse administratie, tenzij bepaalde toepasselijke regelgeving een langere maximale bewaartermijn vooropstelt. |
Art. 3. In artikel 12 van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2019 en 19 maart 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede “, overeenkomstig de vigerende procedures, een met redenen omklede klacht” vervangen door de woorden “een melding heeft gedaan of een klacht”;
2° in paragraaf 1 wordt tussen de woorden “vreemd zijn aan die” en de woorden
“klacht of”, de zinsnede “melding, aan die” ingevoegd;
3° aan paragraaf 1 wordt de zinsnede “, of aan de inhoud ervan” toegevoegd;
4° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
“§2. Om de bescherming, vermeld in paragraaf 1, te genieten moet de persoon op wie de vermeende inbreuk betrekking heeft aantonen dat er een melding werd gedaan, een klacht werd ingediend of een rechtsvordering werd ingesteld omwille van een inbreuk op dit decreet. Dit bewijs kan met elk rechtsmiddel geleverd worden.
Wanneer de werkgever, binnen twaalf maanden nadat deze kennis had van de melding of de klacht of nadat deze redelijkerwijs kennis kon hebben van de melding of klacht, de persoon op wie de vermeende inbreuk betrekking heeft, ontslaat of de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigt, valt de bewijslast dat de nadelige maatregel geen verband houdt met de melding of de klacht, of met de inhoud ervan, ten laste van de werkgever. Deze bewijslast valt eveneens ten laste van de werkgever in geval van ontslag of eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden nadat de rechtsvordering werd ingesteld, en dit tot drie maanden na de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden.
Wanneer de persoon op wie de vermeende inbreuk betrekking heeft een melding doet, een klacht indient of een rechtsvordering instelt of wanneer een persoon als vermeld in paragraaf 6 de handelingen, vermeld in paragraaf 6, stelt, kan die daarvan een schriftelijk en gedateerd bewijs vragen bij de instantie, rechtspersoon, vereniging of organisatie waar de melding wordt gedaan, de klacht wordt ingediend of de rechtsvordering wordt ingesteld.
Dit schriftelijke bewijs, verstrekt door de instantie, rechtspersoon, vereniging of organisatie, vermeld in het derde lid, bevat de identiteit van de persoon, de ondernomen acties, de datum van de actie en de datum waarop het bewijs werd gevraagd.”;
5° in paragraaf 4 en 5, eerste lid, wordt het woord “vergoeding” vervangen door het woord “schadevergoeding”;
6° aan paragraaf 4 en 5 wordt telkens een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“De schadevergoeding, bedoeld in deze paragraaf, kan gecumuleerd worden met de schadevergoedingen wegens discriminatie, voorzien in artikel 28, §2, van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid.”.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | Elk vonnis of arrest dat door de hoven en rechtbanken wordt gewezen op grond van dit decreet wordt binnen acht dagen te rekenen vanaf de uitspraak ter kennis gebracht aan het Vlaams Mensenrechteninstituut, vermeld in het decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut, door de griffier van het betrokken rechtscollege. | ||
| 2 | Bovendien licht de griffier van het hof of de rechtbank waar een beroep, verzet of derdenverzet, is ingesteld tegen een rechterlijke beslissing als vermeld in het eerste lid onverwijld het voormelde Vlaams Mensenrechteninstituut in. |
| 1 | Bij dit decreet worden de volgende Europese richtlijnen omgezet : | 1 | Bij dit decreet worden de volgende Europese richtlijnen gedeeltelijk omgezet : |
| 2 | 1° richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming; | 2 | 1° richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming; |
| 3 | 2° richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep; | 3 | 2° richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep; |
| 4 | 3° richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden; | 4 | 3° richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden; |
| 5 | 4° richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten; | 5 | 4° richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten; |
| 6 | 5° richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking). | 6 | 5° richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking); |
| 7 | 6° richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad; | ||
| 8 | 7° richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven; | ||
| 9 | 8° richtlijn 2014/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende maatregelen om de uitoefening van de in de context van het vrije verkeer van werknemers aan werknemers verleende rechten te vergemakkelijken; | ||
| 10 | 9° richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten; | ||
| 11 | 10° richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad; | ||
| 12 | 11° richtlijn (EU) 2023/970 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid door middel van beloningstransparantie en handhavingsmechanismen. | ||
| 7 | Dit decreet geeft uitvoering aan volgende verdragen : | 13 | Dit decreet geeft uitvoering aan volgende verdragen : |
| 8 | 1° Verdrag van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie; | 14 | 1° Verdrag van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie; |
| 9 | 2° Verdrag van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen; | 15 | 2° Verdrag van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen; |
| 10 | 3° Verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap. | 16 | 3° Verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap; |
| 17 | 4° Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, gedaan te Istanbul op 11 mei 2011. |
Art. 6. In artikel 6 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 28 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 1°, wordt de zinsnede “artikel 16, §3” vervangen door de zinsnede “artikel 15bis”;
2° in paragraaf 2, 2°, wordt het woord “geaardheid” vervangen door het woord
“oriëntatie”;
3° in paragraaf 2 wordt punt 5° vervangen door wat volgt:
“5° door digitale inclusie en de integrale toegankelijkheid van informatie die voor een publiek toegankelijk is te bevorderen;”;
4° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Digitale inclusie als vermeld in het eerste lid, 5°, heeft als doelstelling dat iedereen ten volle kan deelnemen aan de digitale samenleving. Deze doelstelling wordt gerealiseerd door:
1° de toegang tot internet, hardware en software te versterken;
2° digitale competenties te versterken;
3° een toegankelijk ondersteuningsnetwerk voor digitale vragen op te zetten;
4° digitale informatie en dienstverlening gebruiksvriendelijk en toegankelijk te maken.”.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | De Vlaamse Regering stelt binnen negen maanden na haar aantreden de strategische en operationele doelstellingen vast, waarmee op elk beleidsdomein de doelstellingen van het gelijkekansenbeleid, zoals omschreven in artikel 6, § 2, zullen worden ingevuld. | 1 | §1. De Vlaamse Regering stelt binnen zes maanden na haar aantreden de doelstellingen en beleidsprioriteiten vast waarmee op elk relevant beleidsdomein de doelstellingen van het Vlaamse gelijkekansenbeleid, vermeld in artikel 5 en 6, zullen worden ingevuld. De Vlaamse Regering maakt ook een analyse van de maatschappelijke context waarin de voormelde doelstellingen gerealiseerd moeten worden. |
| 2 | Binnen zes maanden nadat de Vlaamse Regering de doelstellingen heeft vastgelegd, stelt ze een geïntegreerd actieplan op. In het voormelde actieplan worden alleen de acties opgenomen die aanvullend aan het reguliere beleid binnen de domeinen genomen worden en waarbij er samenwerking tussen beleidsdomeinen vereist is. | ||
| 3 | Het geïntegreerde actieplan, vermeld in het tweede lid, omvat minstens al de volgende elementen: | ||
| 4 | 1° een beknopte omschrijving van de geformuleerde doelstellingen en de beleidsdomeinen waarvoor ze gelden; | ||
| 5 | 2° de concrete acties die genomen moeten worden om de geformuleerde doelstellingen te realiseren; | ||
| 6 | 3° het tijdpad dat is opgesteld voor de uitvoering van de acties, vermeld in punt 2°; | ||
| 7 | 4° de opgave van de indicatoren waarmee de voortgang wordt gemeten; | ||
| 8 | 5° de ingezette middelen en instrumenten. | ||
| 9 | §2. De Vlaamse Regering kan het geïntegreerde actieplan, vermeld in paragraaf 1, tweede en derde lid, afstemmen op het geïntegreerde actieplan, vermeld in artikel 5, §1, tweede en derde lid, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid. |
| 1 | Per beleidsdomein wordt minstens een strategische doelstelling geformuleerd die betrekking heeft op de voorwaarden, vermeld in artikel 6, § 2, 1° en 3°. |
| 1 | Binnen zes maanden nadat de Vlaamse Regering de strategische en operationele doelstellingen heeft vastgelegd, wordt een geïntegreerd actieplan opgesteld. | ||
| 2 | Dat actieplan omvat minstens : | ||
| 3 | 1° de beschrijving van de geformuleerde strategische en operationele doelstellingen binnen elk beleidsdomein; | ||
| 4 | 2° een analyse per beleidsdomein van de maatschappelijke context waarbinnen die doelstellingen gerealiseerd moeten worden; | ||
| 5 | 3° de concrete acties; | ||
| 6 | 4° het tijdpad, opgesteld voor de uitvoering van die acties; | ||
| 7 | 5° de opgave van de indicatoren waarmee de voortgang wordt gemeten; | ||
| 8 | 6° de ingezette middelen en instrumenten. | ||
| 1 | De Vlaamse Regering bepaalt de beleidsdomeinen en de betrokken departementen en intern en extern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid die relevant zijn voor het gelijkekansenbeleid, vermeld in artikel 5 en 6. | ||
| 2 | Binnen de beleidsdomeinen die de Vlaamse Regering als relevant aanwijst, staan de Vlaamse Regering, de betrokken departementen en de intern en extern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid in voor de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het gelijkekansenbeleid, vermeld in artikel 5 en 6. |
| 1 | Het actieplan wordt na twee jaar geactualiseerd. Die actualisering omvat minstens : | ||
| 2 | 1° een analyse per beleidsdomein van de maatschappelijke ontwikkelingen, die relevant zijn voor het gelijkekansenbeleid; | ||
| 3 | 2° een beschrijving per beleidsdomein van de voortgang van de acties, en de eventuele bijsturingen; | ||
| 4 | 3° de nieuwe acties binnen elk beleidsdomein, met opgave van het tijdpad en de indicatoren. | ||
| 1 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de departementen en de intern en extern verzelfstandigde agentschappen het gelijkekansenbeleid, vermeld in artikel 5 en 6, vormgeven. |
| 1 | Om de doelstellingen van het gelijkekansenbeleid voor de thema’s, vermeld in artikel 6, §2, eerste lid, 1° tot en met 3°, te realiseren, erkent de Vlaamse Regering partnerorganisaties voor gelijke kansen. De erkenning wordt verleend voor vijf jaar. | ||
| 2 | De Vlaamse Regering bepaalt de beleidsdoelstellingen die uitvoering geven aan de thema’s, vermeld in het eerste lid. |
| 1 | De erkende partnerorganisaties voor gelijke kansen, vermeld in artikel 14bis, geven invulling aan minimum twee van de volgende vier rollen voor de thema’s, vermeld in artikel 6, §2, eerste lid, 1° tot en met 3°: | ||
| 2 | 1° een rol als belangenbehartiger met signaalfunctie aan de Vlaamse overheid en aanjager van het maatschappelijke debat; | ||
| 3 | 2° een rol als expertisecentrum voor praktijkgeoriënteerde expertiseontwikkeling, kennis- en informatieopbouw; | ||
| 4 | 3° een rol op het vlak van dienstverlening, ondersteuning of informatieverschaffing; | ||
| 5 | 4° een rol als netwerkorganisatie die mensen en organisaties verbindt en die gericht is op de versterking van gelijke kansen. | ||
| 6 | De Vlaamse Regering bepaalt de rollen, vermeld in het eerste lid, nader. |
| 1 | Elke erkende partnerorganisatie voor gelijke kansen, vermeld in artikel 14bis, sluit voor een periode van vijf jaar een samenwerkingsovereenkomst met de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering legt een erkende partnerorganisatie door middel van deze samenwerkingsovereenkomst de rollen, vermeld in artikel 14ter, op. In deze samenwerkingsovereenkomst wordt ook de praktische en concrete invulling van de opgelegde rollen, vermeld in artikel 14ter, opgenomen. | ||
| 2 | In de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, worden ook de strategische en operationele doelstellingen opgenomen. Per operationele doelstelling worden een of meer indicatoren bepaald. | ||
| 3 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van totstandkoming van de samenwerkingsovereenkomst. |