§ flandrepo

Decreet houdende diverse bepalingen inzake omgeving, leefmilieu en natuur, ruimtelijke ordening en landbouw

Vlaamse Regering #780 Staatsblad 10 augustus 2026 NUMAC 2026005973
23 artikels gewijzigd
+1 −1 decreet-2009-03-27/art. 2.1.3
83° de instrumenten, vermeld in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;83° de instrumenten, vermeld in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
94° de Vlaamse voorkooprechten, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten;94° de Vlaamse voorkooprechten, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten;
105° de koopplichten, vermeld in artikel 20 van het decreet van 16 juni 2006 houdende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen;
105° de koopplichten, vermeld in artikel 21, § 1, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023;
116° het recht van wederinkoop, vermeld in artikel 5.92 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;116° het recht van wederinkoop, vermeld in artikel 5.92 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
127° het sociaal beheersrecht, vermeld in boek 5, deel 7, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;127° het sociaal beheersrecht, vermeld in boek 5, deel 7, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
+1 −1 bodemdecreet-van-27-oktober-2006/art. 149 opgeheven
1Binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroep, wordt de indiener van het beroep door de Vlaamse Regering of de daartoe gemachtigde ambtenaar bij aangetekende brief in kennis gesteld over de ontvankelijkheid van het beroep.1Binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroep, wordt de indiener van het beroep door de Vlaamse Regering of de daartoe gemachtigde ambtenaar in kennis gesteld over de ontvankelijkheid van het beroep.
+1 −1 bodemdecreet-van-27-oktober-2006/art. 150
1§ 1. Het administratief beroep, vermeld in artikel 146, beperkt zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de bestreden beslissing van de OVAM.1§ 1. Het administratief beroep, vermeld in artikel 146, beperkt zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de bestreden beslissing van de OVAM.
2§ 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de verzendingsdatum van de kennisgeving van het ontvankelijk beroep, doet de Vlaamse Regering uitspraak over het beroep. De beslissing van de Vlaamse Regering wordt binnen tien dagen na datum van deze beslissing bij aangetekende brief ter kennis gebracht van alle personen en overheidsorganen die in kennis werden gesteld van het ontvankelijk beroep.2§ 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de verzendingsdatum van de kennisgeving van het ontvankelijk beroep, doet de Vlaamse Regering uitspraak over het beroep. De beslissing van de Vlaamse Regering wordt binnen tien dagen na datum van deze beslissing ter kennis gebracht van alle personen en overheidsorganen die in kennis werden gesteld van het ontvankelijk beroep.
3§ 3. Als de uitspraak over het ingediende beroep en de kennisgeving ervan niet gebeurt binnen de termijn, vermeld in § 2, wordt het beroep geacht verworpen te zijn.3§ 3. Als de uitspraak over het ingediende beroep en de kennisgeving ervan niet gebeurt binnen de termijn, vermeld in § 2, wordt het beroep geacht verworpen te zijn.
4§ 4. De uitspraak wordt op de wijze, vastgesteld krachtens artikel 51, bekendgemaakt.4§ 4. De uitspraak wordt op de wijze, vastgesteld krachtens artikel 51, bekendgemaakt.
+1 −1 bodemdecreet-van-27-oktober-2006/art. 154
1§ 1. Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingediend met een aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van de OVAM overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.1§ 1. Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingediend met een aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van de OVAM overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.
2Bij het beroepschrift wordt, op straffe van onontvankelijkheid, een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere documenten, op straffe van onontvankelijkheid, bij het beroepschrift moeten worden gevoegd.2Bij het beroepschrift wordt, op straffe van onontvankelijkheid, een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere documenten, op straffe van onontvankelijkheid, bij het beroepschrift moeten worden gevoegd.
3§ 2. Binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroep wordt de indiener van het beroep door de Vlaamse Regering of de daartoe gemachtigde ambtenaar bij aangetekende brief in kennis gesteld over de ontvankelijkheid van het beroep.3§ 2. Binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroep wordt de indiener van het beroep door de Vlaamse Regering of de daartoe gemachtigde ambtenaar in kennis gesteld over de ontvankelijkheid van het beroep.
+1 −1 bodemdecreet-van-27-oktober-2006/art. 155
1§ 1. Het administratief beroep, vermeld in artikel 153, is een vol beroep als het beroep betrekking heeft op een beslissing van de OVAM over de aanduiding van de saneringsplichtige of de vrijstelling van de saneringsplicht, met uitzondering van die onderdelen van voormelde beslissingen waarbij de OVAM als bodemsaneringsdeskundige uitspraak heeft gedaan.1§ 1. Het administratief beroep, vermeld in artikel 153, is een vol beroep als het beroep betrekking heeft op een beslissing van de OVAM over de aanduiding van de saneringsplichtige of de vrijstelling van de saneringsplicht, met uitzondering van die onderdelen van voormelde beslissingen waarbij de OVAM als bodemsaneringsdeskundige uitspraak heeft gedaan.
2In de andere gevallen beperkt het administratief beroep, vermeld in artikel 153, zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de bestreden beslissing van de OVAM of het betreffende onderdeel ervan.2In de andere gevallen beperkt het administratief beroep, vermeld in artikel 153, zich tot een marginale toetsing waarbij de Vlaamse Regering uitspraak doet over de manifeste onredelijkheid van de bestreden beslissing van de OVAM of het betreffende onderdeel ervan.
3§ 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de verzendingsdatum van de kennisgeving van het ontvankelijk beroep doet de Vlaamse Regering uitspraak over het beroep. De beslissing wordt binnen tien dagen na de datum ervan bij aangetekende brief ter kennis gebracht van alle personen en overheidsorganen die in kennis werden gesteld van het ontvankelijke beroep.3§ 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de verzendingsdatum van de kennisgeving van het ontvankelijk beroep doet de Vlaamse Regering uitspraak over het beroep. De beslissing wordt binnen tien dagen na de datum ervan ter kennis gebracht van alle personen en overheidsorganen die in kennis werden gesteld van het ontvankelijke beroep.
4§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen voor de behandeling van het beroep.4§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen voor de behandeling van het beroep.
+1 −1 bodemdecreet-van-27-oktober-2006/art. 161bis
1De saneringsplichtige, vermeld in artikel 11, 22 en 132, § 1, stelt op verzoek van de OVAM, financiële zekerheden tot waarborg van de uitvoering van de verplichting tot beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering en eventuele nazorg opgelegd door of krachtens dit decreet. De OVAM kan de aanpassing van de voormelde financiële zekerheid eisen. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast over het bedrag en de looptijd van de financiële zekerheden, en de wijze waarop die financiële zekerheden worden gesteld en aangepast.1De saneringsplichtige, vermeld in artikel 11, 22, 132, § 1, en artikel 157, eerste lid, stelt op verzoek van de OVAM, financiële zekerheden tot waarborg van de uitvoering van de verplichting tot beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering en eventuele nazorg opgelegd door of krachtens dit decreet. De OVAM kan de aanpassing van de voormelde financiële zekerheid eisen. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast over het bedrag en de looptijd van de financiële zekerheden, en de wijze waarop die financiële zekerheden worden gesteld en aangepast.
+4 −3 bodemdecreet-van-27-oktober-2006/art. 174bis
19§4. De verwerkte persoonsgegevens hebben betrekking op de volgende natuurlijke personen voor zover zij geïdentificeerd of identificeerbaar zijn:19§4. De verwerkte persoonsgegevens hebben betrekking op de volgende natuurlijke personen voor zover zij geïdentificeerd of identificeerbaar zijn:
201° de eigenaar en de gebruiker van de grond en de exploitant op de grond;201° de eigenaar en de gebruiker van de grond en de exploitant op de grond;
212° de rechtsvoorgangers, de rechtsopvolgers en de vertegenwoordigers van de personen, vermeld in punt 1°;212° de rechtsvoorgangers, de rechtsopvolgers en de vertegenwoordigers en de contactpersonen van de personen, vermeld in punt 1°;
223° de contactpersonen van erkende organisaties;223° de contactpersonen van erkende organisaties;
234° de personen werkzaam bij de politiediensten en overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, §1, eerste lid, van het bestuursdecreet van 7 december 2018, die bevoegdheid hebben of openbare verantwoordelijkheden of functies uitoefenen inzake het leefmilieu of het waterbeleid;234° de personen werkzaam bij de politiediensten en overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, §1, eerste lid, van het bestuursdecreet van 7 december 2018, die bevoegdheid hebben of openbare verantwoordelijkheden of functies uitoefenen inzake het leefmilieu of het waterbeleid;
245° de instrumenterende ambtenaren;245° de instrumenterende ambtenaren;
256° andere belanghebbenden.256° andere belanghebbenden;
267° de relevante voormalige eigenaars en gebruikers van, en de relevante voormalige exploitanten op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand gekomen is.
26§5. De verwerkte persoonsgegevens hebben betrekking op de volgende categorieën van persoonsgegevens:27§5. De verwerkte persoonsgegevens hebben betrekking op de volgende categorieën van persoonsgegevens:
271° contactgegevens;281° contactgegevens;
403° toezichthouders die belast zijn met het toezicht op de bepalingen van dit decreet;413° toezichthouders die belast zijn met het toezicht op de bepalingen van dit decreet;
414° professionele raadgevers van de betrokkenen, vermeld in paragraaf 6, 1°, of van de OVAM of andere belanghebbenden;424° professionele raadgevers van de betrokkenen, vermeld in paragraaf 6, 1°, of van de OVAM of andere belanghebbenden;
425° bodemsaneringsdeskundigenof de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II;435° bodemsaneringsdeskundigen, het Fonds, vermeld in artikel 82bis, 2°, of de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II;
436° derden wanneer de OVAM of de Vlaamse Regering een verplichting heeft om de persoonsgegevens te verstrekken;446° derden wanneer de OVAM of de Vlaamse Regering een verplichting heeft om de persoonsgegevens te verstrekken;
447° de Vlaamse Milieumaatschappij;457° de Vlaamse Milieumaatschappij;
+8 −2 bodemdecreet-van-27-oktober-2006/art. 174quater
1§1. Deze bepaling regelt de verwerking van persoonsgegevens door de bodemsaneringsdeskundige in het kader van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, en in het kader van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en de uitvoeringsbesluiten ervan.
1§1. De bodemsaneringsdeskundige treedt op als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 2.2De bodemsaneringsdeskundige treedt op als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 2.
2De verwerkingen door de bodemsaneringsdeskundige zijn noodzakelijk voor de vervulling van de taken van algemeen belang overeenkomstig artikel 6, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming.3De verwerkingen door de bodemsaneringsdeskundige zijn noodzakelijk voor de vervulling van de taken van algemeen belang overeenkomstig artikel 6, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming.
3§2. De bodemsaneringsdeskundige verwerkt de persoonsgegevens voor de volgende doeleinden:4§2. De bodemsaneringsdeskundige verwerkt de persoonsgegevens voor de volgende doeleinden:
141° de eigenaar en gebruiker van de grond;151° de eigenaar en gebruiker van de grond;
152° de exploitant op de grond;162° de exploitant op de grond;
163° de bodemsaneringsdeskundige.
173° de bodemsaneringsdeskundige, zijn kwaliteitsverantwoordelijke en de persoon die beschikt over de individuele handtekeningsbevoegdheid;
184° de opdrachtgever van de verslagen, rapporten en studies die de bodemsaneringsdeskundige opmaakt in het kader van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;
195° de uitvoerder van de bodemsaneringswerken en de uitvoerder van de maatregelen, vermeld in artikel 82octies;
206° de relevante voormalige eigenaars en gebruikers van, en de relevante voormalige exploitanten op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand gekomen is;
217° de aanvrager, vermeld in artikel 82bis, 1° ;
228° de vertegenwoordigers en de contactpersonen van de personen, vermeld in punt 1° tot en met 7°.
17§5. De bodemsaneringsdeskundige kan de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, verstrekken aan:23§5. De bodemsaneringsdeskundige kan de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, verstrekken aan:
181° de OVAM;241° de OVAM;
+4 −2 bodemdecreet-van-27-oktober-2006/art. 174quinquies
1§1. Deze bepaling regelt de verwerking van persoonsgegevens door de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, in het kader van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
1§1. De organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, treden op als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 2.2De organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, treden op als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 2.
2De verwerkingen door de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, zijn noodzakelijk voor de vervulling van de taken van algemeen belang overeenkomstig artikel 6, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming.3De verwerkingen door de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, zijn noodzakelijk voor de vervulling van de taken van algemeen belang overeenkomstig artikel 6, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming.
3§2. De organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, verwerken de persoonsgegevens voor het beheer van het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen en de doeleinden, vermeld in artikel 138, §1.4§2. De organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, verwerken de persoonsgegevens voor het beheer van het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen en de doeleinden, vermeld in artikel 138, §1.
102° de exploitant op de grond;112° de exploitant op de grond;
113° de bodemsaneringsdeskundige;123° de bodemsaneringsdeskundige;
124° de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II.134° de organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II;
145° de eindgebruiker, de initiatiefnemer, de ontvanger, de uitvoerder van de werken en de vervoerder van de bodemmaterialen, vermeld in de regeling, vastgesteld krachtens artikel 138, § 1.
13§5. De organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, kunnen de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, verstrekken aan:15§5. De organisaties, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling II, kunnen de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, verstrekken aan:
141° de OVAM;161° de OVAM;
+18 −0 bodemdecreet-van-27-oktober-2006/art. 174septies nieuw
1§ 1. De erkende organisaties, vermeld in artikel 95, treden op als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 2.
2De verwerkingen door de erkende organisaties, vermeld in artikel 95, zijn noodzakelijk om de taken van algemeen belang te vervullen overeenkomstig artikel 6, lid 1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming.
3§ 2. De erkende organisaties, vermeld in artikel 95, verwerken de persoonsgegevens in het kader van hun verplichte en facultatieve taken, vermeld in artikel 96 en 97.
4§ 3. De verwerkte persoonsgegevens hebben betrekking op de volgende gegevens:
51° identiteitsgegevens;
62° adresgegevens;
73° gegevens die verband houden met de grond en de overeenkomsten, vermeld in artikel 97.
8§ 4. De verwerkte persoonsgegevens hebben betrekking op de volgende natuurlijke personen voor zover ze geïdentificeerd of identificeerbaar zijn:
91° de eigenaar en gebruiker van de grond;
102° de exploitant op de grond;
113° de bodemsaneringsdeskundige;
124° de saneringsplichtige, vermeld in artikel 11 en 22;
135° de saneringswillige, vermeld in artikel 92.
14§ 5. De erkende organisaties, vermeld in artikel 95, kunnen de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, verstrekken aan:
151° de OVAM;
162° de Vlaamse Regering;
173° derden als de erkende organisaties, vermeld in artikel 95, een wettelijke of decretale verplichting hebben om de persoonsgegevens te verstrekken.
18§ 6. De persoonsgegevens kunnen worden bewaard tot maximaal tien jaar na de beëindiging van de taken, vermeld in paragraaf 2, of tot maximaal één jaar na het verstrijken van de toepasselijke verjaringstermijnen als die termijnen langer zijn.
+3 −1 decreet-2011-12-23-1021295/art. 3
9g) stoffen die bestemd zijn voor gebruik als voedermiddelen als vermeld in artikel 3, lid 2, g), van verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie, en die geen dierlijke bijproducten bevatten of daaruit bestaan;9g) stoffen die bestemd zijn voor gebruik als voedermiddelen als vermeld in artikel 3, lid 2, g), van verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie, en die geen dierlijke bijproducten bevatten of daaruit bestaan;
10h) het gebruik van teruggewonnen water waarvoor een toelating voor gebruik werd afgeleverd of waarvoor een melding met aktename gebeurde overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2023 houdende reglementering inzake de kwaliteit en de productie, de levering en het gebruik van teruggewonnen water;10h) het gebruik van teruggewonnen water waarvoor een toelating voor gebruik werd afgeleverd of waarvoor een melding met aktename gebeurde overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2023 houdende reglementering inzake de kwaliteit en de productie, de levering en het gebruik van teruggewonnen water;
11i) ongezuiverd afwater, uitgezonderd afvalwater van afvalverwerkende activiteiten, dat met het oog op de zuivering en lozing ervan, vervoerd wordt tussen twee bedrijven die behoren tot dezelfde vennootschapsgroep;11i) ongezuiverd afvalwater, uitgezonderd afvalwater van afvalverwerkende activiteiten, dat met het oog op de zuivering en lozing ervan, vervoerd wordt tussen twee bedrijven die behoren tot dezelfde vennootschapsgroep;
12j) het al dan niet verontreinigde water dat wordt geloosd in een oppervlaktewater of in de openbare waterzuiveringsstructuur. In deze context wordt de in-situbehandeling, met inbegrip van de ontwatering van het ter plaatse geproduceerde slib, die bedoeld is om dat water in overeenstemming te brengen met de milieuvoorwaarden die gelden voor de lozing, niet als een afvalstoffenverwerking aanzien;
13k) bemalingswater zoals gedefinieerd in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne dat terug in de ondergrond gebracht of nuttig gebruikt wordt overeenkomstig de bepalingen van titel II van VLAREM;
122° afvalstoffenhandelaar : iedere onderneming die als verantwoordelijke optreedt bij het aankopen en vervolgens verkopen van afval, met inbegrip van handelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;142° afvalstoffenhandelaar : iedere onderneming die als verantwoordelijke optreedt bij het aankopen en vervolgens verkopen van afval, met inbegrip van handelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;
133° afvalstoffenmakelaar : iedere onderneming die ten behoeve van anderen de verwijdering of de nuttige toepassing van afvalstoffen organiseert, met inbegrip van makelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;153° afvalstoffenmakelaar : iedere onderneming die ten behoeve van anderen de verwijdering of de nuttige toepassing van afvalstoffen organiseert, met inbegrip van makelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;
+4 −4 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 1.3.2.2
171° het gebruik van pesticiden is als vermeld in artikel 3 van het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, verboden in de oeverzone en binnen 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam. Van dat verbod kan worden afgeweken in de gevallen, vermeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, en volgens de procedures, vastgesteld ter uitvoering van dat decreet;171° het gebruik van pesticiden is als vermeld in artikel 3 van het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, verboden in de oeverzone en binnen 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam. Van dat verbod kan worden afgeweken in de gevallen, vermeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, en volgens de procedures, vastgesteld ter uitvoering van dat decreet;
182° binnen 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam mag geen nitraatgevoelige teelt aanwezig zijn.182° binnen 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam mag geen nitraatgevoelige teelt aanwezig zijn.
19In afwijking van het eerste lid, 1° tot en met 3°, gelden voor oeverzones die enkel de taluds omvattenen die gelegen zijn langs oppervlaktewaterlichamen die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, vanaf 1 januari 2026 de volgende bepalingen:19In afwijking van het eerste lid, 1° tot en met 3°, gelden voor oeverzones die enkel de taluds omvatten, die onderdeel zijn van een landbouwgrond of gelegen langs een landbouwgrond, en die gelegen zijn langs oppervlaktewaterlichamen die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, vanaf 1 januari 2026 de volgende bepalingen:
201° in de beschermingsstrook is elke vorm van bemesting verboden, met inbegrip van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing. In afwijking hiervan is elke vorm van bemesting met inbegrip van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, verboden over een strook van minimaal 10 meter vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, voor percelen gelegen in het Vlaams Ecologisch Netwerk of voor percelen waar een helling grenst aan de waterloop.201° in de beschermingsstrook is elke vorm van bemesting verboden, met inbegrip van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing. In afwijking hiervan is elke vorm van bemesting met inbegrip van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, verboden over een strook van minimaal 10 meter vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, voor percelen gelegen langs oppervlaktewaterlichamen die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas gelegen in het Vlaams Ecologisch Netwerk of voor percelen waar een helling grenst aan de waterloop.
21In afwijking hiervan is op de beschermingsstrook of de strook van 10 meter bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing toegestaan, als de beschermingsstrook of in voorkomend geval de strook van 10 meter:21In afwijking hiervan is op de beschermingsstrook of de strook van 10 meter bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing toegestaan, als de beschermingsstrook of in voorkomend geval de strook van 10 meter:
22a) hetzij behoort tot een perceel waarop als hoofdteelt gras verbouwd wordt;22a) hetzij behoort tot een perceel waarop als hoofdteelt gras verbouwd wordt;
264° bewerkingen, uitgevoerd buiten de beschermingsstrook, moeten beantwoorden aan de code van goede landbouwpraktijken;264° bewerkingen, uitgevoerd buiten de beschermingsstrook, moeten beantwoorden aan de code van goede landbouwpraktijken;
275° in de beschermingsstrook zijn bewerkingen met inbegrip van het betreden of berijden van de beschermingsstrook, verboden. Op het gedeelte vanaf 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, zijn de volgende uitzonderingen op het bewerkingsverbod toegestaan:275° in de beschermingsstrook zijn bewerkingen met inbegrip van het betreden of berijden van de beschermingsstrook, verboden. Op het gedeelte vanaf 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, zijn de volgende uitzonderingen op het bewerkingsverbod toegestaan:
28a) beschermingsstroken waarop niet-houtige vegetatie aanwezig is. Hiervoor is het toegelaten om te maaien op voorwaarde dat het maaien niet gebeurt in de periode vanaf 15 maart tot en met 15 juli;28a) beschermingsstroken waarop niet-houtige vegetatie aanwezig is. Hiervoor is het toegelaten om te maaien op voorwaarde dat het maaien niet gebeurt in de periode vanaf 1 mei tot en met 15 juni. Dit geldt niet voor stroken die grenzen aan of deel zijn van een perceel grasland. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin in afwijking van het voorgaande wel gemaaid mag worden;
29b) bewerkingen die noodzakelijk zijn om probleemonkruiden mechanisch te bestrijden en op voorwaarde dat de bestrijding van de onkruiden gericht en pleksgewijs gebeurt;29b) bewerkingen die noodzakelijk zijn om probleemonkruiden mechanisch te bestrijden en op voorwaarde dat de bestrijding van de onkruiden gericht en pleksgewijs gebeurt;
30c) bewerkingen die nodig zijn om het meerjarig buffergewas te vernieuwen, met dien verstande dat dit maximaal eenmaal om de drie jaar mogelijk is;30c) bewerkingen die nodig zijn om het meerjarig buffergewas te vernieuwen, met dien verstande dat dit maximaal eenmaal om de drie jaar mogelijk is;
33Bij het verbouwen van een buffergewas als vermeld in het derde lid, 3°, of het uitvoeren van bewerkingen als vermeld in het derde lid, 5°, wordt er voor gezorgd dat de stabiliteit van het talud gegarandeerd blijft.33Bij het verbouwen van een buffergewas als vermeld in het derde lid, 3°, of het uitvoeren van bewerkingen als vermeld in het derde lid, 5°, wordt er voor gezorgd dat de stabiliteit van het talud gegarandeerd blijft.
34In afwijking van het derde lid kan, mits voorafgaandelijk positief advies van de waterloopbeheerders en mits dit geen risico’s voor de waterveiligheid met zich meebrengt, de Vlaamse Regering in de zone binnen 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, bepaalde maatregelen toestaan.34In afwijking van het derde lid kan, mits voorafgaandelijk positief advies van de waterloopbeheerders en mits dit geen risico’s voor de waterveiligheid met zich meebrengt, de Vlaamse Regering in de zone binnen 1 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, bepaalde maatregelen toestaan.
35De beschermingsstrook als vermeld in het derde lid is een strook die onderdeel is van of gelegen is langs een perceel landbouwgrond en dat vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas:35De beschermingsstrook als vermeld in het derde lid is een strook die vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas:
361° minimaal 3 meter is;361° minimaal 3 meter is;
372° in afwijking van punt 1° is de beschermingsstrook minimaal 5 meter voor percelen:372° in afwijking van punt 1° is de beschermingsstrook minimaal 5 meter voor percelen:
+1 −0 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 1.4.2.2 nieuw
1De Vlaamse Regering stelt een hydrogeologische codering van de ondergrond van Vlaanderen vast om de hydrogeologische lagen te karakteriseren en te identificeren.
+0 −1 decreet-1995-04-05/art. 4.1.5
1Voor een project dat conform artikel 4.3.3 onder de werkingssfeer van deze titel valt, kan de Vlaamse Regering bepalen op welke wijze de bepalingen over de screening of de milieubeoordeling in de besluitvorming over dit project geïnte-greerd worden.1Voor een project dat conform artikel 4.3.3 onder de werkingssfeer van deze titel valt, kan de Vlaamse Regering bepalen op welke wijze de bepalingen over de screening of de milieubeoordeling in de besluitvorming over dit project geïnte-greerd worden.
2Als bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering geen wijze van integratie is bepaald, dan gelden voor een project dat overeenkomstig artikel 4.3.3 onder de werkingssfeer van deze titel valt, de bepalingen zoals voorzien in deze titel.
+1 −1 decreet-1995-04-05/art. 4.3.2
1§1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd voor de volgende plannen en programma’s:1§1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd voor de volgende plannen en programma’s:
21° de plannen of programma’s die voorbereid worden voor landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, regionale ontwikkeling, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor een project als vermeld in bijlage I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage;21° de plannen of programma’s die voorbereid worden voor landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, regionale ontwikkeling, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor een project als vermeld in bijlage 1 en 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2025 tot uitvoering van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft de milieueffectrapportage;
32° de plannen of programma’s waarvoor, gelet op het mogelijke effect op gebieden, een passende beoordeling vereist is conform artikel 36ter, §3, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.32° de plannen of programma’s waarvoor, gelet op het mogelijke effect op gebieden, een passende beoordeling vereist is conform artikel 36ter, §3, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
4§2. Voor de plannen of programma’s, vermeld in paragraaf 1, die het gebruik bepalen van kleine gebieden op provinciaal of gemeentelijk niveau, of voor kleine wijzigingen aan die plannen of programma’s, is een milieubeoordeling alleen vereist als op basis van de screening blijkt dat het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben.4§2. Voor de plannen of programma’s, vermeld in paragraaf 1, die het gebruik bepalen van kleine gebieden op provinciaal of gemeentelijk niveau, of voor kleine wijzigingen aan die plannen of programma’s, is een milieubeoordeling alleen vereist als op basis van de screening blijkt dat het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
+1 −1 decreet-1995-04-05/art. 4.3.6
1§1. Voor de projecten die de Vlaamse Regering conform artikel 4.3.3, §1, 2°, aanwijst, toetst de initiatiefnemer aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, in een screening of het voorgenomen project aanzienlijke milieueffecten kan hebben.1§1. Voor de projecten die de Vlaamse Regering conform artikel 4.3.3, §1, 2°, aanwijst, toetst de initiatiefnemer aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, in een screening of het voorgenomen project aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
2§2. De bevoegde overheid beslist zo snel mogelijk en uiterlijk binnen negentig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de screening bij de bevoegde overheid heeft ingediend of het project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen. 2§2. De bevoegde overheid beslist zo snel mogelijk en uiterlijk binnen negentig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de screening bij de bevoegde overheid heeft ingediend of het project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld afhankelijk van de aard, de complexiteit, de locatie of de omvang van het project, kan de bevoegde overheid die termijn verlengen. In dat geval deelt ze de initiatiefnemer mee welke redenen aan de basis liggen van de termijnverlenging en op welke datum een beslissing wordt verwacht.
3Als de bevoegde overheid beslist dat het project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de bevoegde overheid de belangrijkste redenen die haar beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd.3Als de bevoegde overheid beslist dat het project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de bevoegde overheid de belangrijkste redenen die haar beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd.
4Als de bevoegde overheid beslist dat het project niet aan een milieubeoorde-ling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de bevoegde overheid de belangrijkste redenen die haar beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, en, als de initiatiefnemer deze heeft voorgesteld, de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.4Als de bevoegde overheid beslist dat het project niet aan een milieubeoorde-ling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de bevoegde overheid de belangrijkste redenen die haar beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, en, als de initiatiefnemer deze heeft voorgesteld, de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.
+1 −1 decreet-1995-04-05/art. 15.11.1
1De bevoegde instantie brengt tweejaarlijks, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze titel, rapport uit aan de Vlaamse Regering over de toepassing van deze titel.1De bevoegde instantie brengt vijfjaarlijks, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze titel, rapport uit aan de Vlaamse Regering over de toepassing van deze titel.
2Dit rapport omvat minstens de volgende informatie :2Dit rapport omvat minstens de volgende informatie :
31° de genomen maatregelen ter bevordering van het gebruik van instrumenten van financiële zekerheid en de resultaten ervan;31° de genomen maatregelen ter bevordering van het gebruik van instrumenten van financiële zekerheid en de resultaten ervan;
+1 −1 decreet-1995-04-05/art.
186° een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die gebruikt zijn voor de identificatie en de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van een overzicht van de moeilijkheden (bijvoorbeeld technische gebreken of ontbrekende kennis) die zijn ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie en de belangrijkste onzekerheden;186° een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die gebruikt zijn voor de identificatie en de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van een overzicht van de moeilijkheden (bijvoorbeeld technische gebreken of ontbrekende kennis) die zijn ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie en de belangrijkste onzekerheden;
197° een beschrijving van de geplande maatregelen om alle geïdentificeerde aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen, te beperken of zo mogelijk te compenseren en, in voorkomend geval, van eventuele voorgestelde monitoringsregelingen (bijvoorbeeld de voorbereiding van een postprojectanalyse). In die beschrijving moet worden uitgelegd in welke mate aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd, zowel in de bouwfase als in de bedrijfsfase;197° een beschrijving van de geplande maatregelen om alle geïdentificeerde aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen, te beperken of zo mogelijk te compenseren en, in voorkomend geval, van eventuele voorgestelde monitoringsregelingen (bijvoorbeeld de voorbereiding van een postprojectanalyse). In die beschrijving moet worden uitgelegd in welke mate aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd, zowel in de bouwfase als in de bedrijfsfase;
208° een beschrijving van de verwachte aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project, voor risico’s op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie. Daarvoor kan gebruikgemaakt worden van beschikbare relevante informatie die is verkregen met toepassing van het samenwerkingsakkoord van 5 juni 2015 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken of de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle of overeenkomstig andere uitgevoerde relevante beoordelingen die zijn gemaakt met toepassing van titel IV of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving, als aan de vereisten, vermeld in titel IV, hoofdstuk 4, wordt voldaan. In voorkomend geval moet de beschrijving de geplande maatregelen ter voorkoming of verzachting van de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen omvatten, alsook details over de paraatheid en het voorgenomen reactievermogen bij dergelijke noodsituaties;208° een beschrijving van de verwachte aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project, voor risico’s op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie. Daarvoor kan gebruikgemaakt worden van beschikbare relevante informatie die is verkregen met toepassing van het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken of de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle of overeenkomstig andere uitgevoerde relevante beoordelingen die zijn gemaakt met toepassing van titel IV of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving, als aan de vereisten, vermeld in titel IV, hoofdstuk 4, wordt voldaan. In voorkomend geval moet de beschrijving de geplande maatregelen ter voorkoming of verzachting van de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen omvatten, alsook details over de paraatheid en het voorgenomen reactievermogen bij dergelijke noodsituaties;
219° een niet-technische samenvatting van de informatie die verstrekt is conform punt 1° tot en met 8°;219° een niet-technische samenvatting van de informatie die verstrekt is conform punt 1° tot en met 8°;
2210° een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het rapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen.2210° een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het rapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen.
+2 −2 decreet-1991-07-24/art. 16
1§1. De belasting op de afgifte van de jachtverloven en de jachtvergunningen wordt vanaf het jachtseizoen 1992-1993 als volgt vastgesteld:1§1. De belasting op de afgifte van de jachtverloven en de jachtvergunningen wordt als volgt vastgesteld:
21° voor het jachtverlof dat elke dag van het jachtseizoen geldig is: 175 euro;21° voor het jachtverlof dat elke dag van het jachtseizoen geldig is: 175 euro;
32° voor het jachtverlof dat elke zondag van het jachtseizoen geldig is: 120 euro; 3° voor de jachtvergunning die vijf vooraf bepaalde dagen in het jachtseizoen32° voor het jachtverlof dat elke zondag van het jachtseizoen geldig is: 120 euro; 3° voor de jachtvergunning die vijf vooraf bepaalde dagen in het jachtseizoen
4geldig is: 45 euro.4geldig is: 45 euro.
5§2. Het in paragraaf 1 vermelde bedrag wordt op 31 juli van het jaar 2023 en vervolgens in de daaropvolgende jaren op 31 juli jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van de maand juni. 5§2. Het bedrag, vermeld in paragraaf 1, wordt voor het jachtseizoen 2026-2027 en vervolgens voor elk jachtseizoen aangepast aan de gezondheidsindex van de maand juli van het voorgaande jachtseizoen met als referentie de gezondheidsindex van de maand juli 2023. Het bedrag wordt telkens afgerond op de hogere euro.
+9 −0 decreet-1991-07-24/art. 23/1 nieuw
1De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor het doden van grof wild met ernstig fysiek trauma, met als doel het dierenwelzijn van de dieren niet verder te laten afnemen of met als doel de openbare veiligheid te vrijwaren.
2Daarbij worden minstens de volgende aspecten geregeld:
31° de criteria waaraan voldaan moet worden om de dieren te doden;
42° de te volgen procedure om over te gaan tot het doden;
53° de te volgen procedure om de casussen te documenteren;
64° wat er met de gedode dieren moet gebeuren;
75° welke personen gemachtigd zijn om de dieren te doden;
86° op welke wijze het toezicht op de procedure moet verlopen.
9De Vlaamse Regering kan bepalen welke middelen gebruikt kunnen worden voor het doel, vermeld in het eerste lid.
+0 −2 decreet-1991-07-24/art. 26
32° wild mag worden vervoerd als het gaat om specimens die het voorwerp zijn geweest van bestrijding als vermeld in artikel 22;32° wild mag worden vervoerd als het gaat om specimens die het voorwerp zijn geweest van bestrijding als vermeld in artikel 22;
43° wild mag worden vervoerd als het gaat om specimens die het voorwerp zijn geweest van een afwijking met toepassing van artikel 33.43° wild mag worden vervoerd als het gaat om specimens die het voorwerp zijn geweest van een afwijking met toepassing van artikel 33.
5Het verbod van het eerste lid slaat niet op wildpreparaten met bedoelde wildsoorten, wanneer het wild dat er in is verwerkt volledig onherkenbaar is.
6De Vlaamse regering kan jaarlijks bepalen dat het vervoeren of het in de handel brengen van levend of dood wild eveneens verboden is of alleen onder door haar te stellen voorwaarden geoorloofd is in de periode vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild.5De Vlaamse regering kan jaarlijks bepalen dat het vervoeren of het in de handel brengen van levend of dood wild eveneens verboden is of alleen onder door haar te stellen voorwaarden geoorloofd is in de periode vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild.
7Wanneer de jacht in een beperkt gebied geopend is, kan de Vlaamse regering tijdens de betrokken periode machtiging verlenen tot het vervoer van geschoten wild en de voorwaarden bepalen waaronder dit vervoer mag geschieden.6Wanneer de jacht in een beperkt gebied geopend is, kan de Vlaamse regering tijdens de betrokken periode machtiging verlenen tot het vervoer van geschoten wild en de voorwaarden bepalen waaronder dit vervoer mag geschieden.
8De Vlaamse regering kan eveneens de voorwaarden bepalen waaronder het vervoer en de handel van wildsoorten of delen van wildsoorten waarvoor zij een afschotplan gesteld heeft, mogen plaatshebben.7De Vlaamse regering kan eveneens de voorwaarden bepalen waaronder het vervoer en de handel van wildsoorten of delen van wildsoorten waarvoor zij een afschotplan gesteld heeft, mogen plaatshebben.
9Het is eveneens verboden aan handelaars in eetwaren, traiteurs en restaurateurs het in het eerste lid genoemde wild bij zich te houden, zelfs buiten hun woning, en het is aan iedereen verboden de genoemde wildsoorten te verbergen of bij zich te houden voor rekening van de voormelde handelaars, traiteurs en restaurateurs.
10Onder de door de Vlaamse regering voorgeschreven voorwaarden en het door haar geregelde toezicht, is het vervoer, de opslag en de handel van diepgevroren wild geoorloofd buiten de periode vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild.8Onder de door de Vlaamse regering voorgeschreven voorwaarden en het door haar geregelde toezicht, is het vervoer, de opslag en de handel van diepgevroren wild geoorloofd buiten de periode vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild.
+24 −0 decreet-1991-07-24/art. 32/4 nieuw
1De Vlaamse Regering kan voor elk administratief proces met betrekking tot wildbeheer nadere regels bepalen voor gegevensverzameling, gegevensverwerking en gegevensbescherming. Het Agentschap voor Natuur en Bos fungeert daarbij als verwerkingsverantwoordelijke van deze gegevens, met uitzondering van de gegevens verzameld in de processen met betrekking tot jachtplannen en jachtverloven. Voor de gegevens verzameld in de processen met betrekking tot jachtplannen en jachtverloven fungeren de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 7 en 14, als verwerkingsverantwoordelijke.
2De categorieën van de betrokken personen van wie gegevens kunnen worden verwerkt, zijn:
31° de eigenaar en gebruiker;
42° de exploitant;
53° de exploitant op de grond;
64° de jager;
75° de jachtrechthouder;
86° de bestrijder;
97° de wildbeheereenheid;
108° de wettelijk verantwoordelijken, aangestelden of vertegenwoordigers van de actoren;
119° aanvragers of begunstigden.
12De personen die toegang krijgen tot de gegevens zijn:
131° de dossierbehandelaars voor de respectievelijke processen;
142° politiediensten;
153° natuurinspectie;
164° de federale wapendiensten.
17De categorieën van gegevens die kunnen worden verwerkt, zijn:
181° identiteitsgegevens;
192° adresgegevens;
203° de identificatiegegevens van de aanvragers of begunstigden, waaronder het rijksregisternummer en, in voorkomend geval, het BIS-nummer;
214° gegevens in verband met de onroerende goederen en de percelen in verband waarmee een vergoeding wordt gevraagd, waaronder kadastrale gegevens, gegevens over erfdienstbaarheden en de verwervingswaarde;
22De persoonsgegevens kunnen worden bewaard tot maximaal dertig jaar na het beëindigen van het administratief proces.
23De doelstelling van de verwerking van de persoonsgegevens is het voorzien in een digitaal platform voor de verzameling, de verwerking en de bescherming van gegevens met betrekking tot wildbeheer.
24De Vlaamse Regering kan ook nadere regels bepalen voor gegevensuitwisseling tussen bevoegde overheidsdiensten.
+5 −0 decreet-1991-07-24/art. 32/5 nieuw
1De Vlaamse Regering voorziet in een digitaal platform voor de verzameling, de verwerking en de bescherming van gegevens met betrekking tot wildbeheer.
2Ze kan nadere regels bepalen voor het gebruik en de werking van dat digitale platform.
3Ze kan bepalen dat administratieve handelingen voor meldingen, aanvragen en rapportering met betrekking tot wildbeheer via dat digitale platform verlopen.
4Ze kan bepalen dat administratieve handelingen voor de controle en goedkeuring met betrekking tot wildbeheer via dat digitale platform verlopen.
5De Vlaamse Regering kan ook nadere regels bepalen voor gegevensuitwisseling tussen bevoegde overheidsdiensten via dat platform.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd