Decreet tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut
5 artikels gewijzigd
| 1 | − | § 1. Op verzoek van de persoon die meent het slachtoffer te zijn van discriminatie of op verzoek van een van de organen, verenigingen of organisaties, vermeld in artikelen 40 en 41, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of, naargelang van de aard van de daad, de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende daad waardoor de bepalingen van dit decreet worden overtreden en beveelt hij de staking ervan. | |
| 1 | + | § 1. Op verzoek van de persoon die meent het slachtoffer te zijn van discriminatie of op verzoek van een van de instellingen, verenigingen of organisaties, vermeld in artikel 41, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of, naargelang van de aard van de daad, de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende daad waardoor de bepalingen van dit decreet worden overtreden en beveelt hij de staking ervan. | |
| 2 | 2 | De voorzitter van de rechtbank kan de opheffing van de staking bevelen zodra bewezen is dat een einde is gemaakt aan de overtreding. | |
| 3 | 3 | § 2. Op verzoek van het slachtoffer kan de voorzitter van de rechtbank de forfaitaire schadevergoeding, vermeld in artikel 28, § 2, aan het slachtoffer toekennen. | |
| 1 | − | De rechter kan op verzoek van het slachtoffer van de discriminatie, van het orgaan of de organen in de zin van artikel 40, of van een van de verenigingen of organisatiesin de zin van artikel 41 , diegene die de discriminatie heeft gepleegd, veroordelen tot de betaling van een dwangsom als aan die discriminatie geen einde is gemaakt. De rechter doet uitspraak overeenkomstig artikel 1385bis tot en met 1385nonies van het Gerechtelijk Wetboek. | |
| 1 | + | De rechter kan op verzoek van het slachtoffer van de discriminatie of van een van de instellingen, verenigingen of organisaties, vermeld in artikel 41 van dit decreet, diegene die de discriminatie heeft gepleegd, veroordelen tot de betaling van een dwangsom als aan die discriminatie geen einde is gemaakt. De rechter doet uitspraak overeenkomstig artikel 1385bis tot en met 1385nonies van het Gerechtelijk Wetboek. |
| 1 | − | § 1. Als een persoon of een van de instellingen, organen of verenigingen , vermeld in artikelen 40 en 41, in een burgerrechtelijke procedure voor een bevoegd gerecht de schending inroept van dit decreet en feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden, valt de bewijslast dat er geen discriminatie is, ten laste van de verweerder. | |
| 1 | + | § 1. Als een persoon of een van de instellingen, verenigingen of organisaties, vermeld in artikel 41, in een burgerrechtelijke procedure voor een bevoegd gerecht de schending inroept van dit decreet en feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden, valt de bewijslast dat er geen discriminatie is, ten laste van de verweerder. | |
| 2 | 2 | § 2. Onder feiten die het bestaan van een directe discriminatie op grond van een beschermd kenmerk kunnen doen vermoeden, wordt onder meer, doch niet uitsluitend, begrepen : | |
| 3 | − | 1° de gegevens waaruit een bepaald patroon van ongunstige behandeling blijkt ten aanzien van personen die drager zijn van een of meer welbepaalde beschermde kenmerken, onder meer via verschillende, los van elkaar staande meldingen, die bij het orgaan of de organen in de zin van artikel 40, of bij een van de verenigingen of organisatiesin de zin van artikel 41 , werden gedaan; | |
| 3 | + | 1° de gegevens waaruit een bepaald patroon van ongunstige behandeling blijkt ten aanzien van personen die drager zijn van een of meer welbepaalde beschermde kenmerken, onder meer via verschillende, los van elkaar staande meldingen, die bij het Vlaams Mensenrechteninstituut of bij een van de instellingen, verenigingen of organisaties, vermeld in artikel 41 van dit decreet, werden gedaan; | |
| 4 | 4 | 2° de gegevens waaruit blijkt dat de situatie van het slachtoffer van de ongunstiger behandeling, vergelijkbaar is met de situatie van de referentiepersoon. | |
| 5 | 5 | § 3. Onder feiten die het bestaan van een indirecte discriminatie op grond van een beschermd kenmerk kunnen doen vermoeden, wordt onder andere, doch niet uitsluitend, begrepen : | |
| 1 | 1 | § 1. Als door of ten voordele van een persoon een melding of klacht wordt ingediend of een procedure wordt ingesteld, die gericht is op het doen naleven van dit decreet, dan mogen zij die het voorwerp zijn van die melding, klacht of procedure geen nadelige maatregelen treffen ten aanzien van die persoon, behalve om redenen die vreemd zijn aan die melding, klacht of procedure. | |
| 2 | 2 | § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder klacht begrepen : | |
| 3 | − | - een met redenen omklede klacht ingediend door de betrokkene bij de instantie of organisatie, waar de discriminatie plaats vond of bij de met toezicht belaste ambtenaren, in de zin van artikel 39 van dit decreet ; | |
| 3 | + | 1° een met redenen omklede klacht die de betrokkene heeft ingediend bij de instantie of organisatie waar de discriminatie plaatsvond of bij de ambtenaren die krachtens artikel 39 van dit decreet belast zijn met het toezicht op de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan; | |
| 4 | − | - een met redenen omklede klacht ingediend door de betrokkene bij een orgaan, in de zin van artikel 40 van dit decreet of bij een organisatie, in de zin van artikel 41 van dit decreet; | |
| 4 | + | 2° een met redenen omklede melding of klacht die de betrokkene heeft ingediend bij het Vlaams Mensenrechteninstituut of bij een instelling, vereniging of organisatie als vermeld in artikel 41 van dit decreet; | |
| 5 | − | - een met redenen omklede klacht ingediend ten voordele van de betrokkene door een organisatie, in de zin van artikel 41 van dit decreet of door een orgaan, in de zin van artikel 40 van dit decreet bij de instantie of organisatie, waar de discriminatie plaats vond; | |
| 5 | + | 3° een met redenen omklede klacht die ingediend is ten voordele van de betrokkene door een instelling, vereniging of organisatie als vermeld in artikel 41 van dit decreet, bij de instantie of organisatie waar de discriminatie plaatsvond; | |
| 6 | − | - een rechtsvordering ingesteld door de betrokkene ; | |
| 6 | + | 4° een rechtsvordering die de betrokkene heeft ingesteld; | |
| 7 | − | - een rechtsvordering ingesteld ten voordele van de betrokkene door een organisatie, in de zin van artikel 41 van dit decreet of door een orgaan, in de zin van artikel 40 van dit decreet. | |
| 7 | + | 5° een rechtsvordering die ingesteld is ten voordele van de betrokkene door een instelling, vereniging of organisatie als vermeld in artikel 41 van dit decreet. | |
| 8 | 8 | § 3. De bewijslast van die redenen rust op de persoon die de nadelige maatregelen trof, als die maatregelen worden getroffen binnen twaalf maanden na de melding. De bewijslast rust eveneens op de persoon die de nadelige maatregelen trof als de nadelige maatregelen werden getroffen nadat een rechtsvordering werd ingesteld, en dit tot drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke beslissing. | |
| 9 | 9 | § 4. Als ten aanzien van een persoon, in strijd met § 1, nadelige maatregelen worden getroffen, dan verzoekt die persoon of de verenigingen of organisaties in de zin van artikel 41 tot opheffing of intrekking van die maatregelen. | |
| 1 | − | § 1. De Vlaamse Regering wijst een of meer organen aan die in rechte kunnen optreden in de geschillen waartoe dit decreet aanleiding kan geven ingeval van discriminatie op grond van geslacht, genderidentiteit, genderexpressie, leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, taal, gezondheidstoestand, handicap, fysieke of genetische eigenschap, sociale positie, nationaliteit, zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming. | |
| 2 | − | Als de vordering betrekking heeft op een discriminatie van of een overtreding tegen een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, dan is de vordering van de organen, vermeld in het eerste lid, pas ontvankelijk als ze bewijzen dat ze handelen met instemming van die natuurlijke persoon of rechtspersoon. | |
| 3 | − | § 2. De organen, vermeld in paragraaf 1, zijn voor de beschermde kenmerken waarvoor ze bevoegd zijn, eveneens bevoegd voor : | |
| 4 | − | 1° het ontvangen en behandelen van meldingen en het uitvoeren van elke bemiddelings- of verzoeningsopdracht die het orgaan nuttig acht, onverminderd de bevoegdheid van de ombudsdiensten waarvan de bevoegdheid wordt bepaald door of krachtens een wet, decreet of ordonnantie en onverminderd de bevoegdheid van de bemiddelaars die de betrokkenen hebben aangewezen; | |
| 5 | − | 2° het verrichten van onafhankelijke studies en onderzoeken over discriminatie, alsook het verrichten van alle overige studies en onderzoeken die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in deze paragraaf; | |
| 6 | − | 3° het verstrekken van onafhankelijke adviezen en aanbevelingen aan elke overheid ter verbetering van de reglementering en de wetgeving; | |
| 7 | − | 4° het verstrekken van onafhankelijke adviezen en aanbevelingen aan elke overheid, privé-instelling of -persoon naar aanleiding van de resultaten van de studies en onderzoeken, vermeld in punt 2° ; | |
| 8 | − | 5° het verlenen van bijstand aan iedereen die om raad vraagt in verband met de omvang van zijn rechten en verplichtingen. Die bijstand bestaat in het verstrekken van inlichtingen en raadgevingen aan de betrokkenen, onder meer over de middelen die eenieder kan aanwenden om de rechten die door dit decreet gegarandeerd worden, te kunnen afdwingen; | |
| 9 | − | 6° het ondersteunen en begeleiden van instellingen, organisaties en rechtshulpverleners; | |
| 10 | − | 7° het vragen aan overheden om, als het orgaan feiten aandraagt die wijzen op een vermoeden van discriminatie als vermeld in artikel 36, zich te informeren en het orgaan op de hoogte te houden van de resultaten van de desbetreffende feiten; | |
| 11 | − | 8° het organiseren van sensibiliseringsacties; | |
| 12 | − | 9° het organiseren, naast een centraal meldpunt, van lokale meldpunten waar een melding kan worden gedaan, in samenwerking met de gewesten, de gemeenschappen, de provincies en de gemeenten; | |
| 13 | − | 10° het bevorderen van de gelijkheid van kansen en de omgang met de diversiteit in onze samenleving, en het bestrijden van elke vorm van discriminatie, onderscheid, uitsluiting, beperking, uitbuiting of voorkeur op grond van een beschermd kenmerk; | |
| 14 | − | 11° het vervullen van taken als vermeld in artikel 33, 2, van het verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap. |