Decreet tot opheffing van meerdere onderwijsbepalingen
108 artikels gewijzigd
| 1 | § 1. Het hoger beroepsonderwijs is hoger onderwijs dat beroepsgericht is, dat gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door instellingen voor voltijds secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs en hogescholen. | 1 | § 1. Het hoger beroepsonderwijs is hoger onderwijs dat beroepsgericht is, dat gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door instellingen voor voltijds secundair onderwijs en hogescholen. |
| 2 | Een opleiding van het hoger beroepsonderwijs leidt tot een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 5, die bestaat uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 5. | 2 | Een opleiding van het hoger beroepsonderwijs leidt tot een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 5, die bestaat uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 5. |
| 3 | §2. Bacheloropleidingen zijn ofwel professioneel gericht ofwel academisch gericht. Masteropleidingen zijn academisch gericht maar kunnen daarenboven een professionele gerichtheid hebben. | 3 | §2. Bacheloropleidingen zijn ofwel professioneel gericht ofwel academisch gericht. Masteropleidingen zijn academisch gericht maar kunnen daarenboven een professionele gerichtheid hebben. |
| 1 | § 1. Vanaf het academiejaar 2019-2020 worden de specifieke lerarenopleidingen, die georganiseerd werden aan een centrum voor volwassenenonderwijs overgedragen aan een hogeschool of universiteit. | ||
| 2 | § 2. ... | ||
| 3 | § 3. Vanaf het academiejaar dat de Evangelische Theologische Faculteit in Heverlee een educatieve masteropleiding aanbiedt, bouwt deze instelling de specifieke lerarenopleiding die ze tot dan aangeboden heeft, af. Vanaf dat academiejaar kunnen er geen nieuwe studenten meer worden ingeschreven in de specifieke lerarenopleiding. Studenten die bij de aanvang van het academiejaar dat de Evangelische Theologische Faculteit een educatieve masteropleiding organiseert, reeds vijftien studiepunten in de specifieke lerarenopleiding verworven hebben, hebben het recht om hun opleiding af te werken tot en met het daaropvolgend academiejaar. |
| 1 | § 1. Om voor de financiering van de investeringen in aanmerking te komen moet de hogeschool eigenaar zijn van het onroerend goed, ofwel een zakelijk recht bezitten op het onroerend goed dat haar het genot waarborgt voor ten minste een periode van dertig jaar. Deze voorwaarde geldt niet bij de aankoop van een gebouw, van grond of van zware didactische en wetenschappelijke apparatuur. | 1 | § 1. Om voor de financiering van de investeringen in aanmerking te komen moet de hogeschool eigenaar zijn van het onroerend goed, ofwel een zakelijk recht bezitten op het onroerend goed dat haar het genot waarborgt voor ten minste een periode van dertig jaar. Deze voorwaarde geldt niet bij de aankoop van een gebouw, van grond of van zware didactische en wetenschappelijke apparatuur. |
| 2 | § 2. In de schoot van de associatie wordt een advies gegeven over de meerjarenplanning en over de besteding van de investeringsmiddelen. Dit advies is gebaseerd op het in artikel II.11, tweede lid, 7°, bedoelde meerjarenplan voor de onderlinge afstemming van investeringen, infrastructuur, bibliotheek- en documentatievoorzieningen. | ||
| 2 | § 2. ... |
| 2 | 1° het basisonderwijs; | 2 | 1° het basisonderwijs; |
| 3 | 2° het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs samen; | 3 | 2° het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs samen; |
| 4 | 3° de CLB's. | 4 | 3° de CLB's; |
| 5 | 4° de leersteuncentra. | ||
| 5 | § 2. Per 350 organieke betrekkingen in een van de niveaus, vermeld in § 1, heeft een pedagogische begeleidingsdienst recht op een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur. | 6 | § 2. Per 350 organieke betrekkingen in een van de niveaus, vermeld in § 1, heeft een pedagogische begeleidingsdienst recht op een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur. |
| 6 | Per pedagogische begeleidingsdienst die overeenkomstig het eerste lid over een personeelsformatie beschikt, wordt in een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur voor de centra voor leerlingenbegeleiding voorzien. | 7 | Per pedagogische begeleidingsdienst die overeenkomstig het eerste lid over een personeelsformatie beschikt, wordt in een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur voor de centra voor leerlingenbegeleiding en voor de leersteuncentra voorzien. |
| 7 | § 3. De berekening gebeurt op basis van het aantal organieke betrekkingen, vastgesteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de onderwijsinstellingen en CLB's die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdienst. | 8 | § 3. De berekening gebeurt op basis van het aantal organieke betrekkingen, vastgesteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de onderwijsintellingen, CLB’s en leersteuncentra die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdienst. Voor de berekening kan een onderwijskoepel ervoor kiezen om de organieke betrekkingen van de leersteuncentra, vermeld in paragraaf 1, 4°, te laten meetellen bij de personeelsformatie, vermeld in paragraaf 1, 1° of 2°. In voorkomend geval meldt de onderwijskoepel dit aan AGODI uiterlijk op 31 januari 2024. |
| 8 | § 4. Als een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft op twintig halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur, kunnen twee halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur worden omgezet in één voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van adviseur-coördinator. Per aanvullende schijf van 35 halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur waarop een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft, kan een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur worden omgezet in één bijkomende halftijdse betrekking van adviseur-coördinator. | 9 | § 4. Als een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft op twintig halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur, kunnen twee halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur worden omgezet in één voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van adviseur-coördinator. Per aanvullende schijf van 35 halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur waarop een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft, kan een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur worden omgezet in één bijkomende halftijdse betrekking van adviseur-coördinator. |
| 9 | Een pedagogische begeleidingsdienst die recht heeft op minder dan twintig halftijdse betrekkingen, heeft het recht om één halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur om te zetten in één halftijdse betrekking van adviseur-coördinator. | 10 | Een pedagogische begeleidingsdienst die recht heeft op minder dan twintig halftijdse betrekkingen, heeft het recht om één halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur om te zetten in één halftijdse betrekking van adviseur-coördinator. |
| 10 | § 5. Maximaal 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van elke pedagogische begeleidingsdienst kan worden ingenomen door personeelsleden die vastbenoemd zijn in een betrekking van pedagogisch adviseur of adviseur-coördinator. | 11 | § 5. Maximaal 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van elke pedagogische begeleidingsdienst kan worden ingenomen door personeelsleden die vastbenoemd zijn in een betrekking van pedagogisch adviseur of adviseur-coördinator. |
| 11 | § 6. Binnen iedere pedagogische begeleidingsdienst kan, met het oog op de uitoefening van bestuurlijke en organisatorische taken ten behoeve van deze pedagogische begeleidingsdienst, aan maximum drie voltijdse of zes halftijdse vastbenoemde pedagogische adviseurs een verlof wegens opdracht worden toegekend, zoals vermeld in artikel 51quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. | 12 | § 6. Binnen iedere pedagogische begeleidingsdienst kan, met het oog op de uitoefening van bestuurlijke en organisatorische taken ten behoeve van deze pedagogische begeleidingsdienst, aan maximum drie voltijdse of zes halftijdse vastbenoemde pedagogische adviseurs een verlof wegens opdracht worden toegekend, zoals vermeld in artikel 51quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. |
| 12 | § 7. De pedagogische begeleidingsdienst die op 1 februari 2015 voor het eerst 350 of meer organieke betrekkingen telt in een van de niveaus, vermeld in § 1, zal voor het schooljaar 2015-2016 tot en met het schooljaar 2019-2020 niet over een personeelsformatie beschikken. | ||
| 13 | § 7. ... | ||
| 1 | § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten kunnen beschikken over een aantal personeelsleden uit de instellingen aan wie een verlof wegens bijzondere opdracht, zoals vermeld in artikel 51quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, is toegekend. | 1 | § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten kunnen beschikken over een aantal personeelsleden uit de instellingen aan wie een verlof wegens bijzondere opdracht, zoals vermeld in artikel 51quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, is toegekend. |
| 2 | Dat verlof wegens bijzondere opdracht kan voor schooljaar 2021-2022 worden uitgeoefend in 150,5 voltijdse betrekkingen. Voor schooljaar 2022-2023 kan het verlof wegens bijzondere opdracht worden uitgeoefend in 106 voltijdse betrekkingen. Vanaf schooljaar 2023-2024 kunnen er 53,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht worden uitgeoefend. | ||
| 2 | Vanaf schooljaar 2023-2024 kunnen er 53,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht worden uitgeoefend. | ||
| 3 | § 2. De pedagogische begeleidingsdiensten die niet beschikken over een personeelsformatie hebben samen elk schooljaar recht op 1,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht. De overige betrekkingen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten met personeelsformatie naar rato van het aandeel in de organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen die verbonden zijn aan die pedagogische begeleidingsdiensten. | 3 | § 2. De pedagogische begeleidingsdiensten die niet beschikken over een personeelsformatie hebben samen elk schooljaar recht op 1,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht. De overige betrekkingen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten met personeelsformatie naar rato van het aandeel in de organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen die verbonden zijn aan die pedagogische begeleidingsdiensten. |
| 1 | In afwijking van artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 september 1984, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2007, wordt met betrekking tot de materies, bedoeld in artikel 11, § 1 en § 2, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, een onderhandelingscomité opgericht. De coördinerend inspecteur-generaal en met ingang van 1 september 2009 de inspecteur-generaal of zijn gemandateerde zit dit onderhandelingscomité voor. | 1 | In afwijking van artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 september 1984, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2007, wordt met betrekking tot de materies, bedoeld in artikel 11, § 1 en § 2, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, een onderhandelingscomité opgericht. De inspecteur-generaal of zijn gemandateerde zit dit onderhandelingscomité voor. |
| 1 | De personeelsleden van de inspectie die op 31 augustus 2009 tijdelijk zijn aangesteld, tot de proeftijd zijn toegelaten of vastbenoemd zijn in het ambt van inspecteur basisonderwijs, inspecteur secundair onderwijs, inspecteur kunstonderwijs, inspecteur volwassenenonderwijs of inspecteur van de centra op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk tijdelijk aangesteld, tot de proeftijd toegelaten of vastbenoemd in het ambt van inspecteur. Ze behouden hun salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling gunstiger is. | 1 | De personeelsleden van de inspectie die op 31 augustus 2009 tijdelijk zijn aangesteld of vastbenoemd zijn in het ambt van inspecteur basisonderwijs, inspecteur secundair onderwijs, inspecteur kunstonderwijs, inspecteur volwassenenonderwijs of inspecteur van de centra op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk tijdelijk aangesteld of vastbenoemd in het ambt van inspecteur. Ze behouden hun salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling gunstiger is. |
| 2 | De diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur basisonderwijs, inspecteur secundair onderwijs, inspecteur kunstonderwijs, inspecteur volwassenenonderwijs of inspecteur van de centra worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur. | 2 | De diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur basisonderwijs, inspecteur secundair onderwijs, inspecteur kunstonderwijs, inspecteur volwassenenonderwijs of inspecteur van de centra worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur. |
| 1 | Personeelsleden van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling die op 31 augustus 2009 vastbenoemd, tot de proeftijd zijn toegelaten of tijdelijk zijn aangesteld in het ambt van adviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of in het ambt van navorser bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk vastbenoemd, tot de proeftijd toegelaten of tijdelijk aangesteld in het ambt van inspecteur. Ze behouden hun salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling gunstiger is. | 1 | Personeelsleden van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling die op 31 augustus 2009 vastbenoemd of tijdelijk zijn aangesteld in het ambt van adviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of in het ambt van navorser bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk vastbenoemd of tijdelijk aangesteld in het ambt van inspecteur. Ze behouden hun salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling gunstiger is. |
| 2 | De diensten gepresteerd in het ambt van adviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of navorser bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur. | 2 | De diensten gepresteerd in het ambt van adviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of navorser bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur. |
| 1 | De personeelsleden die op 31 augustus 2009 een verlof wegens bijzondere opdracht of een verlof wegens opdracht uitoefenen bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of bij de inspectie, krijgen op hun vraag, mits toestemming van hun inrichtende macht en mits instemming van de leidinggevende van een dienst van de Vlaamse Regering tot 31 augustus 2011 een verlof wegens opdracht bij die dienst. |
| 1 | In afwijking van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1991 tot uitvoering van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden de kandidaten die geslaagd zijn in de proef, vermeld in artikel 23 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, vanaf 1 mei 2009, ambtshalve toegelaten tot de proeftijd in het ambt van onderwijsadviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling. | ||
| 2 | De prestaties die door de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden uitgeoefend binnen een door de Vlaamse Regering aangeduide dienst en die slaan op opdrachten die tot 31 augustus 2009 behoorden tot de opdrachten van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, vermeld in artikel 9, § 1, van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden beschouwd als effectieve prestaties tijdens de proeftijd in het ambt van inspecteur, zoals vermeld in artikel 70. |
| 1 | Er kunnen geen personeelsleden tot de proeftijd toegelaten of vastbenoemd worden in het ambt van inspecteur, zolang het percentage, vermeld in artikel 62, § 2, bereikt of overschreden is. | 1 | Er kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden in het ambt van inspecteur, zolang het percentage, vermeld in artikel 62, § 2, bereikt of overschreden is. |
| 2 | In afwijking van het eerste lid kunnen de personeelsleden die op 31 augustus 2009 tot de proeftijd toegelaten zijn, vastbenoemd worden na het doorlopen van de proeftijd als de evaluatie van de proeftijd wordt afgesloten met het gemotiveerd voorstel tot benoeming in vast verband of als na toepassing van artikel 73 respectievelijk de raad van beroep of de Vlaamse Regering beslist heeft om het voorstel tot ontslag te verwerpen. |
| 1 | Als een Centrum voor Volwassenenonderwijs succesvol de accreditatie als bacheloropleiding verkrijgt voor een opleiding van het hoger beroepsonderwijs en die overdraagt naar een hogeschool, als vermeld in artikel II.138 en II.378, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs, dan worden de lesurencursist gegenereerd door die opleiding tijdens de laatste afgesloten referteperiode, nog vijf jaar na de overdracht meegeteld voor het bepalen van de aantallen lesuurcursist, vermeld in artikel 97. |
| 1 | § 1. De Centra voor Volwassenenonderwijs bouwen de opleidingen van de categorie pedagogisch van het hoger onderwijs voor sociale promotie af met ingang van het schooljaar 2007-2008. | ||
| 2 | § 2. Cursisten die uiterlijk in het schooljaar 2006-2007 ingeschreven waren in een opleiding die leidt tot het behalen van het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid hebben het recht voor 1 september 2010 die opleiding te voltooien. | ||
| 3 | § 3. De Centra voor Volwassenenonderwijs bepalen de voorwaarden waaronder de cursisten, bedoeld in § 2, het diploma van leraar kunnen behalen. |
| 21 | § 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn: | 21 | § 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn: |
| 22 | 1° het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen. | 22 | 1° het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen. |
| 23 | Voor de schooljaren 2019-2020 en 2020-2021 komen eveneens in aanmerking voor voorrang: de leefeenheid ontving in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen. Met leefeenheid wordt bedoeld, een of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook een of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen of studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres; | ||
| 24 | 2° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs. | 23 | 2° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs. |
| 25 | § 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen. | 24 | § 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen. |
| 1 | Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 37quindecies duidt de Vlaamse Regering per provincie, een LOP-deskundige en een onderwijsinspecteur aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen. | 1 | Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 37quindecies duidt de Vlaamse Regering per provincie, een LOP-deskundige aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen. |
| 13 | Het LOP maakt de bepaalde aantallen bekend aan alle belanghebbenden. | 13 | Het LOP maakt de bepaalde aantallen bekend aan alle belanghebbenden. |
| 14 | Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands, mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1. | 14 | Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands, mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1. |
| 15 | § 4. Leerlingen die naast de voorwaarde, vermeld in paragraaf 2, ook beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 37/60, tellen niet mee voor het bereiken van het in paragraaf 3 vermelde aantal. Deze leerlingen worden ingeschreven tot het contingent voor de leerlingen die beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 37/60, § 3, bereikt is. | ||
| 15 | § 4. ... | ||
| 1 | § 1. Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsbudgetten voor het gewoon basisonderwijs 402.900.000 euro. | ||
| 2 | § 2. 1° Vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs. | ||
| 3 | 2° Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs. | ||
| 1 | § 1. ... | ||
| 2 | § 2. 1° ... | ||
| 3 | 2° ... | ||
| 4 | 3° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs. | 4 | 3° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs. |
| 5 | § 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van 402.900.000 euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. | ||
| 6 | Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. | 5 | § 3. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. |
| 7 | De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend : | 6 | De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend : |
| 8 | 1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij : | 7 | 1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij : |
| 12 | a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1; | 11 | a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1; |
| 13 | b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. | 12 | b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. |
| 14 | 3° in afwijking van § 3, 2°, is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 en 2011 gelijk aan 1. | ||
| 15 | 4° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4. | ||
| 16 | 5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4. | ||
| 17 | 6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4; | ||
| 18 | 7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 8.101.000 euro; | ||
| 19 | 8° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van paragraaf 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 69.545.000 euro. | ||
| 13 | 3°... | ||
| 14 | 4° ... | ||
| 15 | 5° ... | ||
| 16 | 6° ..; | ||
| 17 | 7° ...; | ||
| 18 | 8° ... | ||
| 20 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. | 19 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. |
| 21 | § 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 486.000 euro. | ||
| 20 | § 4. ... | ||
| 73 | § 4. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van volgende formule : | 73 | § 4. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van volgende formule : |
| 74 | B_SchK = B - V1 - V2 - B_lli. | 74 | B_SchK = B - V1 - V2 - B_lli. |
| 75 | Voor het begrotingsjaar 2010 wordt het B_SchK bepaald door toepassing van volgende formule : | ||
| 76 | B_SchK = GPP_SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 81, 1° en 2°, | ||
| 77 | waarbij : GPP_SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009. | ||
| 1 | § 1. Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsmiddelen voor het buitengewoon basisonderwijs 35.599.000 euro. | ||
| 2 | § 2. 1° Vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs. | ||
| 3 | 2° Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs. | ||
| 1 | § 1. ... | ||
| 2 | § 2. 1° ... | ||
| 3 | 2° ... | ||
| 4 | 3° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs; | 4 | 3° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs; |
| 5 | § 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van 35.599.000 euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. | ||
| 6 | Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. | 5 | § 3. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. |
| 7 | De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend : | 6 | De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend : |
| 8 | 1° A1 = 0,6 +0,4 (punten 1/punten 0), waarbij : | 7 | 1° A1 = 0,6 +0,4 (punten 1/punten 0), waarbij : |
| 12 | a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1; | 11 | a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1; |
| 13 | b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. | 12 | b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. |
| 14 | 3° in afwijking van 2° is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 en 2011 gelijk aan 1; | ||
| 15 | 4° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4. | ||
| 16 | 5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4. | ||
| 17 | 6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4; | ||
| 18 | 7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015, verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 731.000 euro; | ||
| 19 | 8° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van § 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 983.000 euro. | ||
| 13 | 3° ...; | ||
| 14 | 4° ... | ||
| 15 | 5° ... | ||
| 16 | 6° ...; | ||
| 17 | 7° ...; | ||
| 18 | 8° .... | ||
| 20 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. | 19 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. |
| 21 | § 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 53.000 euro. | ||
| 20 | § 4. .... | ||
| 9 | § 3. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule : | 9 | § 3. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule : |
| 10 | B_SchK = B - V1 - V2. | 10 | B_SchK = B - V1 - V2. |
| 11 | Voor het begrotingsjaar 2010 wordt het B_SchK bepaald door toepassing van volgende formule : | ||
| 12 | B_SchK = GPP_SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 85quater, 1° en 2°, | ||
| 13 | waarbij : GPP_SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009. | ||
| 1 | § 1. ... | ||
| 2 | § 2. ... | ||
| 3 | De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend: | ||
| 4 | 1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij: | ||
| 5 | a) punten 1 = de som van het totale aantal punten voor schoolkenmerk 1 en 2, berekend na de toepassing van artikel 81, voor de leerlingen van het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar en het totaal aantal punten voor schoolkenmerk 3, 4, 5 en 6 zoals berekend na toepassing van artikel 85quater, voor de leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar; | ||
| 6 | b) punten 0 = de som van het totale aantal punten voor schoolkenmerk 1 en 2, berekend na de toepassing van artikel 81, voor de leerlingen van het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het voorlaatste schooljaar en het totale aantal punten voor schoolkenmerk 3, 4, 5 en 6, zoals berekend na toepassing van artikel 85quater, voor de leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het voorlaatste schooljaar; | ||
| 7 | 2° A2 = (Cx-1/Cx-2), waarbij: | ||
| 8 | a) Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1; | ||
| 9 | b) Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. | ||
| 10 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. | ||
| 11 | § 3. Voor het begrotingsjaar 2019 wordt een extra werkingsbudget van 10.000.000 euro toegekend aan de scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019. Deze middelen kunnen ook aangewend worden tijdens het schooljaar 2019-2020. | ||
| 12 | Het extra werkingsbudget per school is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal kleuters in de school op 1 februari 2018, met de G_Kl, waarbij: | ||
| 13 | G_Kl = het extra werkingsbudget vermeld in het eerste lid, gedeeld door het totaal aantal kleuters in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs op 1 februari 2018. | ||
| 14 | Het extra werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uitbetaald uiterlijk op 31 maart 2019."; | ||
| 15 | § 4. Voor het begrotingsjaar 2019 wordt een extra werkingsbudget van 397.607 euro toegekend aan het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019. Deze middelen kunnen ook aangewend worden tijdens het schooljaar 2019-2020. | ||
| 16 | Het extra werkingsbudget per school is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal kleuters in de school op 1 februari 2018, met de G_Kl, waarbij: | ||
| 17 | G_Kl = het extra werkingsbudget, vermeld in het eerste lid, gedeeld door het totaal aantal kleuters in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs op 1 februari 2018. | ||
| 18 | Het extra werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uitbetaald uiterlijk op 31 maart 2019. |
| 1 | Aan scholen voor buitengewoon basisonderwijs die actief zijn in het ondersteuningsmodel, in toepassing van de artikelen 172quinquies en 172quinquies/1, wordt voor het schooljaar 2021-2022 eenmalig een budget toegekend in functie van het professionaliseren van ondersteuners. Voor het begrotingsjaar 2021 gaat het om 957.284 euro en voor het begrotingsjaar 2022 gaat het om 1.915.237 euro. De middelen worden ingezet om in het schooljaar 2021-2022 en in het eerste trimester van het schooljaar 2022-2023 personeelsleden aan te stellen die ondersteuners vervangen tijdens een periode van professionalisering. De Vlaamse Regering legt daartoe het verdelingsmechanisme over de scholen, de toepassingsmodaliteiten en de modaliteiten met betrekking tot het lokaal sociaal overleg vast. |
| 1 | § 1. Voor het schooljaar 2021-2022 wordt een extra werkingsbudget van 7.692.000 euro toegekend aan scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, exclusief type 5. Ten laste van dit werkingsbudget moet personeel worden aangeworven voor beleidsondersteuning of administratieve ondersteuning conform artikel 154, § 2. | ||
| 2 | § 2. Het extra werkingsbudget per school wordt berekend door het aantal regelmatige leerlingen, dat de school telt op de eerste schooldag van februari 2021, te vermenigvuldigen met 10,53 euro. | ||
| 3 | Het werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uiterlijk vóór 1 februari 2022 uitbetaald. |
| 1 | Het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming voert jaarlijks een monitoring uit van de bepalingen in deze sectie. Hierbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de evolutie van de verschillende componenten van de basisomkadering. De resultaten van deze monitoring worden aan de Regering bezorgd. |
| 1 | §1. Het lestijdenpakket wordt aangewend vanaf 1 september en geldt voor de duur van een schooljaar. | 1 | §1. Het lestijdenpakket wordt aangewend vanaf 1 september en geldt voor de duur van een schooljaar. |
| 2 | §2. Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, op de instapdata vermeld in artikel 12, § 2, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar. | 2 | §2. Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, op de instapdata vermeld in artikel 12, § 2, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar. |
| 3 | Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, van scholen die, na hun programmatieperiode, een vestigingsplaats met kleuteronderwijs opgericht hebben conform artikel 108bis, gedurende het tweede, derde en vierde bestaansjaar van deze vestigingsplaats, voor zover het niveau kleuter in deze vestigingsplaats nog bestaat, op de instapdag vermeld in artikel 12, § 2, 1°, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar. | 3 | Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, van scholen die, na hun programmatieperiode, een vestigingsplaats met kleuteronderwijs opgericht hebben conform artikel 108bis, gedurende het tweede, derde en vierde bestaansjaar van deze vestigingsplaats, voor zover het niveau kleuter in deze vestigingsplaats nog bestaat, op de instapdag vermeld in artikel 12, § 2, 1°, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar. |
| 4 | Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, van scholen die, na hun programmatieperiode, een niveau kleuter opgericht hebben conform artikel 110, gedurende het tweede, derde en vierde bestaansjaar van dit niveau, voor zover dit niveau nog bestaat, op de instapdag vermeld in artikel 12, § 2, 1°, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar. | 4 | Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, van scholen die, na hun programmatieperiode, een niveau kleuter opgericht hebben conform artikel 110, gedurende het tweede, derde en vierde bestaansjaar van dit niveau, voor zover dit niveau nog bestaat, op de instapdag vermeld in artikel 12, § 2, 1°, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar. |
| 5 | De betrekkingen die worden ingericht op basis van herberekende lestijden komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. | 5 | De betrekkingen die worden ingericht op basis van herberekende lestijden komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. |
| 6 | § 3. Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden voor het schooljaar 2016-2017 de lestijden voor het kleuteronderwijs berekend volgens artikel 132, § 1, herberekend op 1 juni 2016 bij een stijging in de school van het aantal kleuters dat voldoet aan artikel 133, § 1, c), of artikel 173quinquies/2, § 1, 2°. | ||
| 6 | §3. ... | ||
| 7 | §4. Een school kan tijdens de schooljaren 2023-2024 en 2024-2025 het lestijdenpakket, vermeld in paragraaf 1, ook aanwenden voor het inzetten van een gastleraar. Het aantal vacante lestijden dat aan gastleraren kan worden besteed, wordt door het schoolbestuur vastgelegd na onderhandeling in het lokaal comité. Per gastleraar kan maximum het aantal lestijden worden aangewend dat overeenstemt met een derde van een voltijdse lesopdracht. | ||
| 8 | Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de school. Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, geeft in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, in een of enkele onderdelen van een specifiek leergebied gastlessen in de school of op een andere locatie in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma en vanuit zijn deskundigheid of ervaring in dat leergebied. | ||
| 9 | Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 – model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van het voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven. Daarnaast toont de voormelde gastleraar die gastlessen geeft in een school die in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, aan dat hij de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheerst op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De voormelde gastleraar bewijst de voormelde vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen: | ||
| 10 | 1° met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal; | ||
| 11 | 2° met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont; | ||
| 12 | 3° met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont; | ||
| 13 | 4° met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont. | ||
| 14 | Bij de wijze van aanwending, vermeld in het eerste lid, worden lestijden ten belope van de lesopdracht van de gastleraar omgezet in een krediet. De regering bepaalt de wijze van melding van voormelde aanwending aan de dienst van de administratie die de regering aanwijst, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet. | ||
| 15 | De maatregelen, vermeld in deze paragraaf, worden geëvalueerd tijdens het schooljaar 2024-2025. |
| 1 | Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2018 en houdt op uitwerking te hebben op 1 juli 2020. |
| 1 | Voor begrotingsjaar 2018 wordt een extra werkingsbudget van 9.000.000 euro toegekend aan de scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019. | ||
| 2 | Dit werkingsbudget moet worden aangewend om in het basisonderwijs de leerkracht in de klas te ondersteunen. De criteria met betrekking tot de aanwending van het werkingsbudget in de school, moeten onderhandeld worden in het bevoegde lokaal comité. Als de school deel uitmaakt van een scholengemeenschap, maakt de scholengemeenschap afspraken over de aanwending van de middelen. | ||
| 3 | De regering bepaalt de verdeling van het extra werkingsbudget over de scholen, de berekeningswijze per school en houdt daarbij minstens rekening met het aantal leerlingen per school, en de uitbetalingsmodaliteiten. |
| 1 | § 1. Aan de scholen voor gewoon basisonderwijs die aan een van volgende criteria voldoen, wordt een extra toelage toegekend uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands voor het schooljaar 2015-2016 die berekend wordt volgens paragraaf 2 : | ||
| 2 | 1° de school kent op de eerste schooldag van februari 2016 een stijging van het aantal kleuters die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2015-2016; | ||
| 3 | 2° de school telt op de eerste schooldag van februari 2016 minstens één leerling die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar jonger dan vijf jaar is en die op de eerste schooldag van februari 2016, gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet : | ||
| 4 | a) hij is een nieuwkomer, dit wil zeggen dat hij pas vanaf 1 juli 2015 of later in België verblijft; | ||
| 5 | b) hij heeft niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal; | ||
| 6 | c) hij beheerst onvoldoende de onderwijstaal om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen; | ||
| 7 | d) hij is maximaal negen maanden ingeschreven, vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen, in een school met het Nederlands als onderwijstaal. | ||
| 8 | § 2. De extra toelage waar de school recht op heeft, is 950 euro maal (C + (D-C)), waarbij, als D-C negatief is, dit gelijkgesteld wordt aan 0. | ||
| 9 | C = het totale aantal kleuters in de school dat op de eerste schooldag van februari 2016 voldoet aan paragraaf 1, 2° ; | ||
| 10 | D = de totale stijging aan kleuters in de school, die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), op de eerste schooldag van februari van 2016 ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2015-2016. |
| 1 | § 1. Aan de scholen voor gewoon basisonderwijs die aan een van de volgende criteria voldoen, wordt in het schooljaar 2016-2017 een extra toelage toegekend uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands die berekend wordt volgens paragraaf 2: | ||
| 2 | 1° de school kent op 14 november 2016 een stijging van het aantal kleuters die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2016-2017; | ||
| 3 | 2° de school telt op 14 november 2016 minstens één leerling die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar jonger dan vijf jaar is en die op 14 november 2016, gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet: | ||
| 4 | a) hij is een nieuwkomer, dit wil zeggen dat hij pas vanaf 1 juli 2016 of later in België verblijft; | ||
| 5 | b) hij heeft niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal; | ||
| 6 | c) hij beheerst onvoldoende de onderwijstaal om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen; | ||
| 7 | d) hij is maximaal negen maanden ingeschreven, vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen, in een school met het Nederlands als onderwijstaal. | ||
| 8 | § 2. De extra toelage waar de school recht op heeft, is 950 euro maal (C + (D-C)), waarbij, als D-C negatief is, dit gelijkgesteld wordt aan 0. | ||
| 9 | C = het totale aantal kleuters in de school dat op 14 november 2016 voldoet aan paragraaf 1, 2° ; | ||
| 10 | D = de totale stijging aan kleuters in de school, die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), op 14 november 2016 ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2016-2017. | ||
| 11 | § 3. De scholen kunnen de extra toelage berekend volgens paragraaf 2 uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands voor het schooljaar 2016-2017 aanwenden. |
| 1 | § 1. Aan de scholen voor gewoon basisonderwijs die aan een van volgende criteria voldoen, wordt in het schooljaar 2017-2018 een extra toelage toegekend uitsluitend voor activiteiten als vermeld in paragraaf 3 en die berekend wordt volgens paragraaf 2: | ||
| 2 | 1° de school vertoont op 27 oktober 2017 een stijging van het aantal kleuters die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor het schooljaar 2017-2018; | ||
| 3 | 2° de school telt op 27 oktober 2017 minstens één leerling die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar jonger is dan vijf jaar en die op 27 oktober 2017 gelijktijdig aan al de volgende voorwaarden voldoet: | ||
| 4 | a) hij is een nieuwkomer, dat wil zeggen dat hij pas sinds 1 juli 2017 of later in België verblijft; | ||
| 5 | b) hij heeft niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal; | ||
| 6 | c) hij beheerst onvoldoende de onderwijstaal om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen; | ||
| 7 | d) hij is maximaal negen maanden ingeschreven, vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen, in een school met het Nederlands als onderwijstaal. | ||
| 8 | § 2. De extra toelage waar de school recht op heeft, vermeld in paragraaf 1, wordt berekend conform de volgende formule: 950 euro x (C + (D-C)), waarbij: | ||
| 9 | 1° als D-C negatief is, dit gelijkgesteld wordt aan 0; | ||
| 10 | 2° C: het totale aantal kleuters in de school, die op 27 oktober 2017 voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 2° ; | ||
| 11 | 3° D: de totale stijging aan kleuters in de school, die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), op 27 oktober 2017 ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor het schooljaar 2017-2018. | ||
| 12 | § 3. De scholen, vermeld in paragraaf 1, mogen de extra toelage berekend conform paragraaf 2, uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands voor het schooljaar 2017-2018 aanwenden. |
| 1 | Scholen die een herstructurering hebben doorgevoerd op 1 september 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 of 2007 hebben de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar als teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen tijdens het schooljaar van de herstructurering. | ||
| 2 | In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor kleuteronderwijs of van een niveau kleuteronderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren. | ||
| 3 | In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor basisonderwijs of lager onderwijs of van een onderwijsniveau lager onderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de vijf daaropvolgende schooljaren. | ||
| 4 | In het geval van oprichting van een type in een school voor buitengewoon basisonderwijs geldt die teldag voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren. |
| 1 | Scholen die opgericht werden op 1 september 2004, 2005, 2006 of 2007 hebben een programmatieperiode van vier schooljaren. |
| 1 | De teldag voor de berekening van het werkingsbudget is voor scholen die op 1 september 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 of 2007 betrokken waren bij een herstructurering, voor het schooljaar van de herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. | ||
| 2 | In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor kleuteronderwijs of van een niveau kleuteronderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren. | ||
| 3 | In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor basisonderwijs of lager onderwijs of van een onderwijsniveau lager onderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de vijf daaropvolgende schooljaren. | ||
| 4 | In het geval van oprichting van een type in een school voor buitengewoon basisonderwijs geldt die teldag voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren. |
| 1 | Scholen die voor het schooljaar 2007-2008 van de regering een afwijking gekregen hebben op de rationalisatienormen, komen in aanmerking om een beroep te doen op de bepalingen van artikel 115 voor het schooljaar 2008-2009. |
| 1 | In afwijking van artikel 139ter, 139ter /1 en 139quater behouden de scholen voor gewoon basisonderwijs tijdens het schooljaar 2011-2012 de aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkonderwijskansenbeleid, die ze in het schooljaar 2010-2011 hebben ontvangen. |
| 1 | Gedurende het schooljaar 2010-2011 zijn artikel 139septies en 139octies niet van toepassing. |
| 1 | Er wordt, voor de schooljaren 2012-2013, 2013-2014 en 2014-2015 voorzien in een sociale overgangsmaatregel voor de scholen die aan de voorwaarden vervat in bijlage 4 van dit decreet voldoen en dit volgens de bepalingen van deze bijlage. | ||
| 2 | De betrekkingen die worden ingericht op basis van deze sociale maatregel komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. |
| 1 | Bijlage 4. - Sociale maatregel in het kader van het nieuwe omkaderingssysteem in het gewoon basisonderwijs tijdens de schooljaren 2012-2013, 2013-2014 en 2014-2015 bij het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 | ||
| 2 | A. Lager onderwijs | ||
| 3 | I. De additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs worden, in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2012-2013, toegekend aan scholen die aan de voorwaarde, zoals bepaald in II, voldoen en worden berekend volgens de bepalingen van III. | ||
| 4 | II. Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen : | ||
| 5 | Het quotiënt 24A/B is groter dan 16. Waarbij : | ||
| 6 | 1° A = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013 zoals bepaald in artikel 132. | ||
| 7 | 2° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 2, en de additionele lestijden volgens de schalen in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 1, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 173quater worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som. | ||
| 8 | III. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het lager onderwijs zijn gelijk aan K op voorwaarde dat K een positief getal is en voor afronding groter of gelijk is aan 1. In alle andere gevallen ontvangt de school geen additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs. | ||
| 9 | Waarbij K het resultaat is van volgende berekening : | ||
| 10 | K = G - (C+2) | ||
| 11 | Waarbij : | ||
| 12 | o K als volgt wordt afgerond : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 13 | o C = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 2, en de additionele lestijden volgens de schalen in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 1, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 173quater worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som. | ||
| 14 | o G = (E/D)*F waarbij : | ||
| 15 | o E = de som van : | ||
| 16 | ° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden toegekend op basis van artikel 173 quater, waar de school voor het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had; | ||
| 17 | ° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding waar de school in het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had; | ||
| 18 | ° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag. | ||
| 19 | ° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag. | ||
| 20 | o D = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011-2012. | ||
| 21 | o F = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013. | ||
| 22 | o Als het resultaat van E/D groter is dan 1,6, dan wordt E/D gelijkgesteld aan 1,6. | ||
| 23 | § 2. In afwijking van § 1 worden, voor een school die ontstaat op 1 september 2012 uit een fusie, zoals bepaald in artikel 3, 15°, D en E als volgt bepaald : | ||
| 24 | o D = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de verschillende scholen die fusioneren telden op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011 - 2012. | ||
| 25 | o E = de som van : | ||
| 26 | ° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden toegekend op basis van artikel 173 quater, waar de scholen die fusioneren voor het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden; | ||
| 27 | ° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding waar de scholen die fusioneren in het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden; | ||
| 28 | ° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag. | ||
| 29 | ° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag. | ||
| 30 | § 3. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2012 tot 31 augustus 2013. | ||
| 31 | § 4. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2012-2013 vallen ten laste van het schoolbestuur. | ||
| 32 | § 5. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten : | ||
| 33 | - de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur; | ||
| 34 | - de betrekkingen in het ambt van onderwijzer; | ||
| 35 | - de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding. | ||
| 36 | IV. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2013-2014 = K*(2/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 37 | § 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2013 tot 31 augustus 2014. | ||
| 38 | § 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2013-2014 vallen ten laste van het schoolbestuur. | ||
| 39 | § 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten : | ||
| 40 | - de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur; | ||
| 41 | - de betrekkingen in het ambt van onderwijzer; | ||
| 42 | - de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding. | ||
| 43 | V. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2014-2015 = K*(1/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 44 | § 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2014 tot 31 augustus 2015. | ||
| 45 | § 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2014-2015 vallen ten laste van het schoolbestuur. | ||
| 46 | § 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten : | ||
| 47 | - de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur; | ||
| 48 | - de betrekkingen in het ambt van onderwijzer; | ||
| 49 | - de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding. | ||
| 50 | B. Kleuteronderwijs | ||
| 51 | VI. De additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs worden, in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2012-2013, toegekend aan scholen die aan de voorwaarde, zoals bepaald in VII, voldoen en worden berekend volgens de bepalingen van VIII. | ||
| 52 | VII. Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen : | ||
| 53 | Het quotiënt van 24A/B is groter dan 16. | ||
| 54 | Waarbij : | ||
| 55 | 1° A = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013 zoals bepaald in artikel 132. | ||
| 56 | 2° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 1, en de additionele lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 4, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 141, § 2, worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som. | ||
| 57 | VIII. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het kleuteronderwijs zijn gelijk aan K op voorwaarde dat K een positief getal is en voor afronding groter of gelijk is aan 1. In alle andere gevallen ontvangt de school geen additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs. | ||
| 58 | Waarbij K het resultaat is van volgende berekening : K = G - (C+2) | ||
| 59 | Waarbij : | ||
| 60 | o K als volgt wordt afgerond : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 61 | o C = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 1, en de additionele lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 4, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 141, § 2, worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som. | ||
| 62 | o G = (E/D)*F waarbij : | ||
| 63 | o E = de som van : | ||
| 64 | ° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden bepaald in artikel 141, § 2, waar de school voor het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had; | ||
| 65 | ° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding, uitgezonderd de herrekende lestijden op de instapdagen, waar de school in het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had; | ||
| 66 | ° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag. | ||
| 67 | ° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid, toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had. | ||
| 68 | ° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag. | ||
| 69 | o D = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011-2012. | ||
| 70 | o F = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013. | ||
| 71 | o Als het resultaat van E/D groter is dan 1,6, dan wordt E/D gelijkgesteld aan 1,6. | ||
| 72 | § 2. In afwijking van § 1 worden, voor een school die ontstaat op 1 september 2012 uit een fusie, zoals bepaald in artikel 3, 15°, D en E als volgt bepaald : | ||
| 73 | o D = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de verschillende scholen die fusioneren telden op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011-2012. | ||
| 74 | o E = de som van : | ||
| 75 | ° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden bepaald in artikel 141, § 2, waar de scholen die fusioneren voor het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden; | ||
| 76 | ° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding, uitgezonderd de herrekende lestijden op de instapdagen, waar de scholen die fusioneren in het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden; | ||
| 77 | ° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag. | ||
| 78 | ° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid, toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden. | ||
| 79 | ° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag. | ||
| 80 | § 3. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2012 tot 31 augustus 2013. | ||
| 81 | § 4. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2012-2013 vallen ten laste van het schoolbestuur. | ||
| 82 | § 5. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten : | ||
| 83 | - de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur; | ||
| 84 | - de betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer; | ||
| 85 | - de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding. | ||
| 86 | IX. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2013-2014 = K*(2/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 87 | § 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2013 tot 31 augustus 2014. | ||
| 88 | § 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2013-2014 vallen ten laste van het schoolbestuur. | ||
| 89 | § 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten : | ||
| 90 | - de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur; | ||
| 91 | - de betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer; | ||
| 92 | - de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding. | ||
| 93 | X. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2014-2015 = K*(1/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 94 | § 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2014 tot 31 augustus 2015. | ||
| 95 | § 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2014-2015 vallen ten laste van het schoolbestuur. | ||
| 96 | § 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten : | ||
| 97 | - de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur; | ||
| 98 | - de betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer; | ||
| 99 | - de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding. |
| 7 | 5° optimaliseert de dienstverlening voor de leerlingen in de academies; | 7 | 5° optimaliseert de dienstverlening voor de leerlingen in de academies; |
| 8 | 6° stimuleert en ondersteunt alle mogelijke vormen van samenwerking tussen de academies. | 8 | 6° stimuleert en ondersteunt alle mogelijke vormen van samenwerking tussen de academies. |
| 9 | Het Samenwerkingsforum stelt bij gewone meerderheid van de totaal uitgebrachte stemmen een huishoudelijk reglement op en legt dit ter bekrachtiging voor aan de Vlaamse Regering. | ||
| 10 | § 2. Het Samenwerkingsforum oefent tenminste de volgende opdrachten uit : | 9 | § 2. Het Samenwerkingsforum oefent tenminste de volgende opdrachten uit : |
| 11 | 1° de realisatie van de doelstellingen, vermeld in paragraaf 1; | 10 | 1° de realisatie van de doelstellingen, vermeld in paragraaf 1; |
| 13 | 3° alle opdrachten, die een schoolbestuur apart aan het Samenwerkingsforum toewijst of die de academies gezamenlijk aan het Samenwerkingsforum toewijzen, uitvoeren. | 12 | 3° alle opdrachten, die een schoolbestuur apart aan het Samenwerkingsforum toewijst of die de academies gezamenlijk aan het Samenwerkingsforum toewijzen, uitvoeren. |
| 14 | § 3. Het Samenwerkingsforum kan nooit zelf over onderwijsbevoegdheid beschikken. | 13 | § 3. Het Samenwerkingsforum kan nooit zelf over onderwijsbevoegdheid beschikken. |
| 15 | § 4. Het Samenwerkingsforum legt jaarlijks uiterlijk op 1 april een werkingsverslag voor aan de Vlaamse Regering, die bijsturingen kan voorstellen. Bovendien bezorgt het Samenwerkingsforum jaarlijks uiterlijk op 1 april een zelfevaluatierapport aan de bevoegde administratie van het Ministerie van Onderwijs en Vorming. In dit rapport komen minstens de volgende elementen aan bod : | ||
| 16 | 1° een beschrijving van de evolutie van het deeltijds kunstonderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad sinds het schooljaar van de opstart van het Samenwerkingsforum; | ||
| 17 | 2° een beschrijving en beoordeling van de sterke en de te verbeteren punten, de kansen en de moeilijkheden van de werking van het Samenwerkingsforum. | ||
| 14 | § 4. ... | ||
| 13 | b) B : de omkadering berekend volgens artikel 69, maar in afwijking van artikel 67, § 3, vijfde lid, worden de betrokken leerlingen aan 1 gewogen. | 13 | b) B : de omkadering berekend volgens artikel 69, maar in afwijking van artikel 67, § 3, vijfde lid, worden de betrokken leerlingen aan 1 gewogen. |
| 14 | Y wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier. | 14 | Y wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier. |
| 15 | Als de betrokken academie, conform artikel 155, recht heeft op additionele lestijden voor de eerste, tweede en derde graad dan wordt de helft van Y, voor de betrokken academie, afgetrokken van de lestijden bekomen voor de eerste, tweede en derde graad volgens artikel 155. Als het hierdoor bekomen aantal lestijden negatief is dan wordt het aantal lestijden volgens artikel 155 voor de betrokken academie voor de eerste, tweede en derde graad gelijkgesteld met nul. | ||
| 16 | Als de betrokken academie, conform artikel 155, recht heeft op additionele lestijden voor de vierde graad en de kortlopende studierichtingen dan wordt de helft van Y, voor de betrokken academie, afgetrokken van de lestijden bekomen voor de vierde graad en de kortlopende studierichtingen, conform artikel 155. Als het hierdoor bekomen aantal lestijden negatief is, wordt het aantal lestijden, conform artikel 155, voor de betrokken academie voor vierde graad en de kortlopende studierichtingen gelijkgesteld met nul. | ||
| 1 | In afwijking van artikel 69 heeft een academie voor de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad voor het schooljaar 2018-2019 recht op het aantal lestijden berekend volgens de omkaderingreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de lagere en middelbare graad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2018. | ||
| 2 | In afwijking van artikel 69 heeft een academie voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen voor het schooljaar 2018-2019 recht op het aantal lestijden berekend volgens de omkaderingsreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de hogere en specialisatiegraad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2018. | ||
| 3 | In afwijking van het eerste en tweede lid is de teldag voor domeinen in oprichting, waarvan de programmatie vóór 31 augustus 2018 van start is gegaan, 1 oktober 2018, als die teldag een hogere omkadering oplevert dan de teldag 1 februari 2018. | ||
| 4 | De omkadering toegekend volgens het eerste, tweede en derde lid kan aangewend worden overeenkomstig de bepalingen in artikel 74, eerste en tweede lid. |
| 1 | Er worden voor de schooljaren 2019-2020, 2020-2021 en 2021-2022 additionele lestijden toegekend aan de academies die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 155. | ||
| 2 | Voor de berekening van de additionele lestijden bepaalt de Vlaamse Regering welke opleidingen in de nieuwe structuur vanaf 1 september 2018 overeenkomen met welke opleidingen in de oude structuur voor 1 september 2018. | ||
| 3 | De betrekkingen die worden georganiseerd op basis van de additionele lestijden, vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen. |
| 1 | § 1. Voor het schooljaar 2019-2020 zijn er 783 additionele lestijden beschikbaar voor het geheel van de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad, hierna L genoemd, en 775 additionele lestijden voor het geheel van de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen, hierna H genoemd. | ||
| 2 | § 2. De additionele lestijden voor het schooljaar 2019-2020 worden toegekend aan academies die voldoen aan de volgende voorwaarden : | ||
| 3 | 1° voor het geheel van de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad : | ||
| 4 | A - B > 0 lestijden, | ||
| 5 | waarbij : | ||
| 6 | 1) A : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad berekend volgens de omkaderingreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de lagere en middelbare graad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2019; | ||
| 7 | 2) B : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de eerste, tweede en derde graad, berekend volgens artikel 69 op 1 februari 2019; | ||
| 8 | 2° voor het geheel van de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen : | ||
| 9 | C- D > 0 lestijden, | ||
| 10 | waarbij : | ||
| 11 | 1) C : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen berekend volgens de omkaderingreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de hogere en specialisatiegraad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2019; | ||
| 12 | 2) D : het aantal lestijden voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen, berekend conform artikel 69 op 1 februari 2019. | ||
| 13 | § 3. Een academie die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 1°, voor de eerste, tweede en derde graad, heeft voor het schooljaar 2019-2020 recht op Z lestijden. Z wordt berekend volgens de formule : | ||
| 14 | Z = q x w, | ||
| 15 | waarbij : | ||
| 16 | 1° q : A - B, | ||
| 17 | waarbij : | ||
| 18 | a) A : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad berekend volgens de omkaderingsreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de lagere en middelbare graad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2019; | ||
| 19 | b) B : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de eerste, tweede en derde graad, berekend conform artikel 69 op 1 februari 2019; | ||
| 20 | 2° w = L/y, | ||
| 21 | waarbij : | ||
| 22 | y : de som van de resultaten van A - B voor alle academies waarvoor A - B > 0, waarbij : | ||
| 23 | 1) A : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad berekend volgens de omkaderingreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de lagere en middelbare graad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2019; | ||
| 24 | 2) B : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de eerste, tweede en derde graad, berekend volgens artikel 69 op 1 februari 2019; | ||
| 25 | 3° Z gelijk wordt gesteld met q, als Z groter is dan q. | ||
| 26 | § 4. Een academie die voldoet aan de voorwaarden in § 2, 2°, heeft voor het schooljaar 2019-2020 recht op Z lestijden. Z wordt berekend volgens de formule : | ||
| 27 | Z = q x w, | ||
| 28 | waarbij : | ||
| 29 | 1° q = C - D, | ||
| 30 | waarbij : | ||
| 31 | a) C : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen berekend volgens de omkaderingreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de hogere en specialisatiegraad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2019; | ||
| 32 | b) D : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen, berekend conform artikel 69 op 1 februari 2019; | ||
| 33 | 2° waarbij w= H/y, | ||
| 34 | waarbij : | ||
| 35 | y : de som van de resultaten van C - D voor alle academies waarvoor C - D > 0, waarbij : | ||
| 36 | 1) C : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen berekend volgens de omkaderingreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de hogere en specialisatiegraad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2019; | ||
| 37 | 2) D : het aantal lestijden voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen, berekend conform artikel 69 op 1 februari 2019; | ||
| 38 | 3° Z gelijk wordt gesteld met q, als Z groter is dan q. | ||
| 39 | § 5. Een academie die voldoet aan de voorwaarden in paragraaf 2 heeft voor het schooljaar 2020-2021 recht op 50/100 van Z lestijden, berekend conform paragraaf 3 en 4. | ||
| 40 | Een academie die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, heeft voor het schooljaar 2021-2022 recht op 7/100 van Z lestijden berekend conform paragraaf 3 en 4. | ||
| 41 | § 6. De resultaten van de berekeningen, vermeld in paragraaf 3, 4 en 5, worden afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier. |
| 1 | § 1. De tijdelijke projecten regionale netwerken voor expertise-uitwisseling inzake kunst- en cultuureducatie worden onder dezelfde voorwaarden als vermeld in artikel II.54 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, verlengd tot 31 augustus 2019. | ||
| 2 | § 2. De tijdelijke projecten, vermeld in artikel II.55, 3° en 10°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, worden met ongewijzigde voorwaarden verlengd tot 31 augustus 2019. | ||
| 3 | § 3. De tijdelijke projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen die de onderwijsinspectie in haar eindevaluatie gunstig beoordeelt worden onder dezelfde voorwaarden als vermeld in artikel IV.46 tot en met IV.51 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, verlengd tot 31 augustus 2019. |
| 1 | Deze onderafdeling is van toepassing op de wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, die worden vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en in artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsi-dieerd onderwijs van 27 maart 1991 en die worden tewerkgesteld in het secundair onderwijs. |
| 1 | Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt begrepen onder : | ||
| 2 | 1° reguliere vervanging : een vervanging van een afwezigheid van minder dan een schooljaar die voldoet aan volgende voorwaarden : | ||
| 3 | - het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het onderwijs; | ||
| 4 | - het personeelslid dat afwezig is, kan worden vervangen volgens de gangbare financierings- en subsidiëringsregels; | ||
| 5 | 2° samenwerkingsplatform : | ||
| 6 | - een scholengemeenschap of; | ||
| 7 | - meerdere scholengemeenschappen of; | ||
| 8 | - een scholengemeenschap en één of meer scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren of; | ||
| 9 | - meerdere scholengemeenschappen en één of meer scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren; | ||
| 10 | 3° inzetbaarheidspercentage : de verhouding tussen de totale duur van de uitgeoefende reguliere vervangingen, uitgedrukt in kalenderdagen, en de totale duur van de aanstelling, uitgedrukt in kalenderdagen, telkens vermenigvuldigd met het volume van de opdracht. |
| 1 | Tijdens het schooljaar 2018-2019 en het schooljaar 2019-2020 wordt een pilootproject `lerarenplatform' opgezet om tijdelijk aangestelde personeelsleden werkzekerheid te bieden. |
| 1 | In het secundair onderwijs kunnen een aantal projectscholen die deel uitmaken van een samenwerkingsplatform deelnemen binnen het voorziene aantal voltijdse equivalenten. De selectie van de samenwerkingsplatformen gebeurt door de Vlaamse Regering op voorstel van de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners op basis van volgende criteria : | ||
| 2 | - evenredige spreiding over de netten volgens lesurenpakket; | ||
| 3 | - geografische spreiding; | ||
| 4 | - grootte van het samenwerkingsplatform; | ||
| 5 | - de inhoud van de protocollen van de onderhandelingen. |
| 1 | De deelnemende scholen moeten in het bevoegde lokaal comité onderhandelen over : | ||
| 2 | - de deelname aan het lerarenplatform; | ||
| 3 | - de criteria van aanstelling van de betrokken personeelsleden; | ||
| 4 | - de criteria van inzetbaarheid van de betrokken personeelsleden in pedagogisch zinvolle taken; | ||
| 5 | - de inzetbaarheid in de verschillende scholengemeenschappen indien het samenwerkingsplatform bestaat uit meerdere scholengemeenschappen of in de scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap. |
| 1 | De totale som van de uren-leraar en lesuren zoals bepaald in artikel 22/8 van alle deelnemende scholen mag niet meer bedragen dan 167.448 uren-leraar/lesuren. Het aantal beschikbare voltijdse equivalenten bedraagt 394,69 voor het secundair onderwijs voor het totaal van alle deelnemende scholen. De omzetting van voltijds equivalenten naar lesuren of uren-leraar gebeurt door het aantal voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 21,47. |
| 1 | Alle deelnemende scholen ontvangen lesuren of uren-leraar voor de aanstelling van personeelsleden in het lerarenplatform. Het volume van deze lesuren of uren-leraar per deelnemende school wordt berekend a rato van het aandeel van de lesuren of uren-leraar van vorig schooljaar van de betreffende school ten opzichte van het totaal aantal lesuren of uren-leraar van vorig schooljaar van alle deelnemende scholen samen waarbij onder het totaal aantal lesuren of uren-leraar wordt verstaan de som van het totale aantal : | ||
| 2 | - uren-leraar voor de levensbeschouwelijke en de niet-levensbeschouwelijke vakken; | ||
| 3 | - uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod; | ||
| 4 | - lesuren voor levensbeschouwing en niet-levensbeschouwing; | ||
| 5 | - lesuren geïntegreerd ondersteuningsaanbod. |
| 1 | De lesuren en uren-leraar voor het lerarenplatform worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsplatform. Deze lesuren en uren-leraar kunnen niet worden overgedragen naar het volgende schooljaar of naar een ander samenwerkingsplatform. | ||
| 2 | Het personeelslid in het lerarenplatform krijgt een aanstelling die ten vroegste aanvangt op 1 oktober en uiterlijk eindigt op het einde van het schooljaar. De aanstelling is alleen mogelijk in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel. | ||
| 3 | De decreten Rechtspositie zijn van toepassing voor wat betreft de tijdelijke aanstelling, maar de betrekking komt niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren, muteren, reaffecteren of wedertewerkstellen in deze betrekkingen. |
| 1 | Het personeelslid wordt voor ten minste een halftijdse opdracht aangesteld in de scholen die deel uitmaken van het samenwerkingsplatform. De halftijdse opdracht kan bestaan uit lesuren en uren-leraar voor het lerarenplatform en andere lesuren en uren-leraar. |
| 1 | Een personeelslid in het lerarenplatform wordt ingezet voor reguliere vervangingen. |
| 1 | Als het personeelslid niet kan worden ingezet voor reguliere vervangingen, wordt het op basis van zijn bekwaamheidsbewijs ingezet in zinvolle pedagogische taken. |
| 1 | De personeelsleden aangesteld in het lerarenplatform moeten op het niveau van het samenwerkingsplatform samen een inzetbaarheidspercentage van 85 procent bereiken. | ||
| 2 | Als het bereikte inzetbaarheidspercentage op positieve of negatieve wijze afwijkt van dit vooropgesteld percentage, zal dit verschil - op positieve of negatieve wijze - worden verrekend op de middelen lerarenplatform die in voorkomend geval het daarop volgend schooljaar worden toegekend aan het samenwerkingsplatform. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage lager lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lesuren/uren-leraar dat wordt toegekend aan een samenwerkingsplatform verminderd met het aantal lesuren/uren-leraar dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage hoger lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lesuren/uren-leraar vermeerderd met het aantal lesuren/uren-leraar dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken. |
| 1 | Het pilootproject lerarenplatform wordt opgevolgd en gemonitord in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners, met het oog op een mogelijke verdere implementatie van de maatregel. |
| 1 | Deze afdeling treedt in werking op 1 oktober 2018 en houdt op uitwerking te hebben op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum. |
| 1 | Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2018 en houdt op uitwerking te hebben op 1 juli 2020. |
| 4 | Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. | 4 | Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. |
| 5 | § 4. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. | 5 | § 4. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. |
| 6 | § 5. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met HBO5 verpleegkunde, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. | 6 | § 5. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met hoger beroepsonderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. |
| 7 | Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. | 7 | Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. |
| 8 | Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. | 8 | Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. |
| 10 | Voor de toepassing van deze bepalingen : | 10 | Voor de toepassing van deze bepalingen : |
| 11 | 1° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld niet in aanmerking genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische verpleegkunde, stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde; | 11 | 1° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld niet in aanmerking genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische verpleegkunde, stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde; |
| 12 | 2° komen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, in aanmerking in de school voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht. De uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd; | 12 | 2° komen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, in aanmerking in de school voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht. De uren-leraar, aangewend voor gastleraren, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd; |
| 13 | 3° mogen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een school die uitsluitend de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert gevoegd worden bij één school die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die geen eerste graad organiseert. | 13 | 3° mogen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een school die uitsluitend de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert gevoegd worden bij één school die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die geen eerste graad organiseert. |
| 14 | § 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daar aan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. | 14 | § 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daar aan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. |
| 16 | Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. | 16 | Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. |
| 17 | Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt. | 17 | Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt. |
| 18 | Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd. | 18 | Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor gastleraren, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd. |
| 19 | § 7. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt. | 19 | § 7. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt. |
| 20 | In afwijking van het eerste lid van deze paragraaf, wordt voor de berekening van de globale puntenenveloppe voor schooljaar 2023-2024 geen rekening gehouden met de lesuren beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld waarin ondersteuners zijn aangesteld in schooljaar 2022-2023. | ||
| 20 | § 8. De door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar of lesuren, ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld, bedoeld in § 5, § 6 en § 7, die in een school of centrum ontoereikend zijn om het door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten, of een veelvoud daarvan, te genereren, kunnen op het niveau van de scholengemeenschap samengevoegd worden om alsnog tot desbetreffend aantal punten, of een veelvoud daarvan, te leiden. | 21 | § 8. De door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar of lesuren, ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld, bedoeld in § 5, § 6 en § 7, die in een school of centrum ontoereikend zijn om het door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten, of een veelvoud daarvan, te genereren, kunnen op het niveau van de scholengemeenschap samengevoegd worden om alsnog tot desbetreffend aantal punten, of een veelvoud daarvan, te leiden. |
| 21 | § 9. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend : | 22 | § 9. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend : |
| 37 | § 12. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs. | 38 | § 12. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs. |
| 38 | § 13. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 9 en § 10, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren. | 39 | § 13. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 9 en § 10, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren. |
| 39 | § 14. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2 tot en met § 6, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (24) | ||
| 40 | § 14. ... | ||
| 16 | § 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs. | 16 | § 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs. |
| 17 | § 7. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren. | 17 | § 7. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren. |
| 18 | § 8. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2 en § 3, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (25) | ||
| 18 | § 8. ... | ||
| 2 | § 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. | 2 | § 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. |
| 3 | § 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt. | 3 | § 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt. |
| 4 | In afwijking van het eerste lid wordt voor de berekening van de globale puntenenveloppe voor schooljaar 2023-2024 geen rekening gehouden met de lesuren beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld waarin ondersteuners zijn aangesteld in schooljaar 2022-2023. | ||
| 4 | § 4. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt die varieert naargelang van de omvang van de leerlingenpopulatie. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. In afwijking hierop heeft een school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5 die beschouwd wordt als een ziekenhuisschool elk schooljaar recht op 82 punten. | 5 | § 4. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt die varieert naargelang van de omvang van de leerlingenpopulatie. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. In afwijking hierop heeft een school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5 die beschouwd wordt als een ziekenhuisschool elk schooljaar recht op 82 punten. |
| 5 | § 5. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. | 6 | § 5. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. |
| 6 | § 6. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren. | 7 | § 6. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren. |
| 7 | § 7. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (26) | ||
| 8 | § 7. ... | ||
| 6 | Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. | 6 | Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. |
| 7 | Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt. | 7 | Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt. |
| 8 | Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd. | 8 | Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor gastleraren, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd. |
| 9 | § 4. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2 en § 3, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (27) | ||
| 9 | § 4. ... | ||
| 6 | De scholengemeenschap verschaft ten aanzien van het lokaal comité van de scholengemeenschap en ten aanzien van het personeel van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van voorafname van de puntenenveloppe creëert op het niveau van de scholengemeenschap. Tevens toont de scholengemeenschap aan dat de aldus ingerichte betrekkingen haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op het niveau van de scholengemeenschap daadwerkelijk gestalte geven. | 6 | De scholengemeenschap verschaft ten aanzien van het lokaal comité van de scholengemeenschap en ten aanzien van het personeel van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van voorafname van de puntenenveloppe creëert op het niveau van de scholengemeenschap. Tevens toont de scholengemeenschap aan dat de aldus ingerichte betrekkingen haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op het niveau van de scholengemeenschap daadwerkelijk gestalte geven. |
| 7 | De verdeling van de puntenenveloppe mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar. | 7 | De verdeling van de puntenenveloppe mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar. |
| 8 | § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, kent de scholengemeenschap tot en met het schooljaar 2013-2014 aan elke instelling voor buitengewoon secundair onderwijs die op of na 1 september 2011 voor het eerst toetreedt tot een scholengemeenschap, ten minste het aantal punten toe dat zij voor deze instelling ontvangt volgens de parameters vastgelegd in artikel 25, § 9, 3°. | ||
| 8 | § 2. ... | ||
| 1 | De gewone leerlingencoëfficiënten tot vaststelling van het aantal wekelijkse uren-leraar voor scholen die behoren tot een scholengemeenschap en gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, worden verhoogd met : | 1 | De gewone leerlingencoëfficiënten tot vaststelling van het aantal wekelijkse uren-leraar voor scholen die behoren tot een scholengemeenschap en gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, worden verhoogd met : |
| 2 | 1° 0,10 : voor de eerste graad; | 2 | 1° 0,10 : voor de eerste graad; |
| 3 | 2° 0,20 : voor de tweede, de derde en de vierde graad en het hoger beroepsonderwijs. (61) | 3 | 2° 0,20 : voor de tweede en de derde graad en het hoger beroepsonderwijs. (61) |
| 8 | c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid; | 8 | c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid; |
| 9 | 4° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen; | 9 | 4° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen; |
| 10 | 5° voor inschrijvingen die betrekking hebben op het schooljaar 2015-2016 of het schooljaar 2016-2017 of het schooljaar 2017-2018 door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst op minstens niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken: | ||
| 11 | a) een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont; | ||
| 12 | b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont; | ||
| 13 | c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid. | ||
| 10 | 5° ... | ||
| 14 | § 3. Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. | 11 | § 3. Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. |
| 15 | Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 55 % leerlingen in de school met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Binnen het LOP van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan afgesproken worden om een hoger percentage dan 55 te hanteren. | 12 | Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 55 % leerlingen in de school met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Binnen het LOP van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan afgesproken worden om een hoger percentage dan 55 te hanteren. |
| 21 | § 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn: | 21 | § 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn: |
| 22 | 1° het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar, dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen. | 22 | 1° het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar, dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen. |
| 23 | Voor de schooljaren 2019-2020 en 2020-2021 komen eveneens in aanmerking voor voorrang: de leefeenheid, ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of het gezin heeft een beperkt inkomen. Met leefeenheid wordt bedoeld, een of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook een of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen of studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres; | ||
| 24 | 2° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs. | 23 | 2° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs. |
| 25 | § 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de in paragraaf 3 opgesomde indicatoren aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen. | 24 | § 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de in paragraaf 3 opgesomde indicatoren aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen. |
| 1 | Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 110/15, duidt de Vlaamse Regering per provincie een LOP-deskundige en een onderwijsinspecteur aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen. | 1 | Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 110/15, duidt de Vlaamse Regering per provincie een LOP-deskundige aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen. |
| 1 | Teneinde overeenstemming te bereiken met de structuur, zoals vermeld in voorgaande artikel, wordt per 1 september 2009 : | ||
| 2 | 1° de optie verpleegkunde van de vierde graad van het beroepssecundair onderwijs van rechtswege omgezet naar een gelijknamige opleiding van het hoger beroepsonderwijs met een duurtijd van zes semesters; | ||
| 3 | 2° elke tot en met het schooljaar 2008-2009 bestaande optie van het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs aangeduid als specialisatiejaar, van rechtswege omgezet naar een gelijknamige optie aangeduid als Se-n-Se met een duurtijd van twee semesters en gerangschikt als specifiek. (124) |
| 32 | 30) podiumkunsten. | 32 | 30) podiumkunsten. |
| 33 | De Vlaamse Regering rangschikt elk structuuronderdeel in één van desbetreffende studiegebieden. | 33 | De Vlaamse Regering rangschikt elk structuuronderdeel in één van desbetreffende studiegebieden. |
| 34 | Voor de toepassing van deze bepaling wordt met structuuronderdeel bedoeld : een optie van de tweede, derde of vierde graad en de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. (125) | 34 | Voor de toepassing van deze bepaling wordt met structuuronderdeel bedoeld : een optie van de derde graad en de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. (125) |
| 1 | De opties « elektronica militaire wapensystemen », « militaire en sociale wetenschappen » en « militaire bewapeningstechnieken » van het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs zijn voorbehouden voor de instellingen van de Krijgsmacht. Op deze opties zijn de bepalingen van artikelen 126, 127 en 128 niet van toepassing. (132) |
| 20 | Binnen de finaliteit doorstroom zijn de studierichtingen van het algemeen secundair onderwijs domeinoverschrijdend en zijn de studierichtingen van het technisch en kunstsecundair onderwijs domeingebonden. | 20 | Binnen de finaliteit doorstroom zijn de studierichtingen van het algemeen secundair onderwijs domeinoverschrijdend en zijn de studierichtingen van het technisch en kunstsecundair onderwijs domeingebonden. |
| 21 | Sommige studierichtingen zijn niche-studierichtingen. Het aanbod ervan wordt aan beperkingen of voorwaarden gekoppeld vanuit macrodoelmatigheid. | 21 | Sommige studierichtingen zijn niche-studierichtingen. Het aanbod ervan wordt aan beperkingen of voorwaarden gekoppeld vanuit macrodoelmatigheid. |
| 22 | Het Se-n-Se bevat studierichtingen die een van de volgende zaken doen: | ||
| 23 | 1° beroepsgericht specialiseren; | ||
| 22 | De 7de leerjaren zijn studierichtingen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen: | ||
| 23 | 1° gericht zijn op instroom arbeidsmarkt; | ||
| 24 | 2° voorbereiden op het hoger onderwijs, met in elk geval één studierichting die volgt op studierichtingen met finaliteit arbeidsmarkt van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad en die leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding. | 24 | 2° gericht zijn op het hoger onderwijs, met in elk geval één studierichting die volgt op studierichtingen met finaliteit arbeidsmarkt van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad en die leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding. |
| 25 | In de matrix: | 25 | In de matrix: |
| 26 | 1° worden ook het studieaanbod van het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd en het studieaanbod van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3, opgenomen onder de finaliteit arbeidsmarkt; | 26 | 1° wordt het studieaanbod van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3, opgenomen onder de finaliteit arbeidsmarkt; |
| 27 | 2° wordt ook het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 1 en 2, opgenomen, maar buiten de ordening op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen; | 27 | 2° wordt het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 1 en 2, opgenomen, maar buiten de ordening op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen; |
| 28 | 3° wordt het onthaaljaar niet opgenomen; | 28 | 3° wordt het onthaaljaar niet opgenomen; |
| 29 | 4° wordt het Se-n-Se niet aan onderwijsvormen gekoppeld, behoudens bij financiering als die ook voor andere structuuronderdelen dan Se-n-Se op onderwijsvormen is gebaseerd. | 29 | 4° worden de 7de leerjaren niet aan onderwijsvormen gekoppeld, behalve bij financiering als die ook voor andere structuuronderdelen dan de 7de leerjaren op onderwijsvormen is gebaseerd |
| 30 | . | ||
| 30 | Met inachtname van het eerste tot en met het achtste lid legt de Vlaamse Regering de matrix vast. | 31 | Met inachtname van het eerste tot en met het achtste lid legt de Vlaamse Regering de matrix vast. |
| 31 | De Vlaamse Regering bepaalt ook de niche-studierichtingen en de beperkingen of voorwaarden die, per niche-studierichting, aan het aanbod zijn gekoppeld. | 32 | De Vlaamse Regering bepaalt ook de niche-studierichtingen en de beperkingen of voorwaarden die, per niche-studierichting, aan het aanbod zijn gekoppeld. |
| 88 | De Vlaamse Regering rangschikt de studierichtingen, vermeld in het eerste lid, in de disciplines, vermeld in het derde lid. | 89 | De Vlaamse Regering rangschikt de studierichtingen, vermeld in het eerste lid, in de disciplines, vermeld in het derde lid. |
| 89 | § 2. De studierichtingen van de finaliteit doorstroom en de dubbele finaliteit leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4. | 90 | § 2. De studierichtingen van de finaliteit doorstroom en de dubbele finaliteit leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4. |
| 90 | Het Se-n-Se in het derde leerjaar van de derde graad waarmee een diploma behaald kan worden dat toegang verleent tot een bacheloropleiding, leidt tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4. | 91 | Het 7de leerjaar dat gericht is op het hoger onderwijs en waarmee een diploma behaald kan worden dat toegang verleent tot een bacheloropleiding, leidt tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4. |
| 91 | De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 3. | 92 | De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 3. |
| 92 | De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt kunnen in het tweede leerjaar van de tweede graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 2 leiden, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 14 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. | 93 | De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt kunnen in het tweede leerjaar van de tweede graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 2 leiden, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 14 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. |
| 93 | Het Se-n-Se in het derde leerjaar van de derde graad als beroepsgerichte specialisatie leidt tot een of meer bewijzen van beroepskwalificaties niveau 3 of 4, eventueel aangevuld met een of meer bewijzen van deelkwalificaties. | 94 | Het 7de leerjaar dat gericht is op instroom arbeidsmarkt leidt tot een of meer bewijzen van beroepskwalificaties niveau 3 of 4, eventueel aangevuld met een of meer bewijzen van deelkwalificaties. |
| 1 | Het gefinancierd en gesubsidieerd secundair onderwijs wordt verstrekt gedurende een maximum aantal wekelijkse lestijden. (147) |
| 1 | Het gefinancierd en gesubsidieerd secundair onderwijs wordt verstrekt gedurende een maximum aantal wekelijkse lestijden dat op 32 is vastgesteld, met uitzondering van het onderwijs in : | ||
| 2 | 1° het tweede leerjaar van de eerste graad met tenminste 4 wekelijkse lestijden praktische vakken en het beroepsvoorbereidend leerjaar, waarvoor dit maximum 34 bedraagt; | ||
| 3 | 2° de derde graad van het algemeen secundair onderwijs met tenminste 2 wekelijkse lestijden lichamelijke opvoeding en tenminste 1 wekelijkse lestijd artistieke opvoeding of esthetica, waarvoor dit maximum 33 bedraagt; | ||
| 4 | 3° het technisch, het kunst- en het beroepssecundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, waarvoor dit maximum 36 bedraagt. | ||
| 5 | De hiervoor vermelde maxima kunnen worden overschreden door |
| 1 | § 1. Zowel in het eerste leerjaar A als in het eerste leerjaar B worden ten minste zevenentwintig wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming. | ||
| 2 | § 2. Op voorwaarde dat hetzelfde studiepeil voor de basisvorming wordt gegarandeerd, kan de Vlaamse Regering aan scholen individuele afwijkingen verlenen van het in § 1 vermelde aantal wekelijkse lesuren. De afwijkingen dienen gebaseerd te zijn, op de aan de betrokken scholen, eigen programmatische, methodologische of pedagogische inzichten. | ||
| 3 | § 3. Voor het eerste leerjaar A bestaat de basisvorming, bedoeld in § 1, uit de volgende vakken : | ||
| 4 | - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer; | ||
| 5 | - Nederlands; | ||
| 6 | - Frans; | ||
| 7 | - wiskunde; | ||
| 8 | - geschiedenis; | ||
| 9 | - aardrijkskunde; | ||
| 10 | - natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en vervangen vanaf 1 september 2010 door natuurwetenschappen; | ||
| 11 | - artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding; | ||
| 12 | - lichamelijke opvoeding; | ||
| 13 | - technologische opvoeding en vervangen vanaf 1 september 2010 door techniek; | ||
| 14 | - eventueel Engels. | ||
| 15 | Deze basisvorming dient georganiseerd te worden op grond van minstens een zelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school dient gevolgd te worden. | ||
| 16 | § 4. Voor het eerste leerjaar B bestaat de basisvorming, bedoeld in § 1, uit volgende vakken : | ||
| 17 | - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer; | ||
| 18 | - Nederlands; | ||
| 19 | - wiskunde; | ||
| 20 | - maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde; | ||
| 21 | - natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en vervangen vanaf 1 september 2010 door natuurwetenschappen; | ||
| 22 | - artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding; | ||
| 23 | - lichamelijke opvoeding; | ||
| 24 | - technologische opvoeding en vervangen vanaf 1 september 2010 door techniek; | ||
| 25 | - eventueel Frans en vervangen vanaf 1 september 2010 door Frans. | ||
| 26 | Deze basisvorming dient georganiseerd te worden op grond van minstens een zelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school, van het eerste leerjaar B dient gevolgd te worden. | ||
| 27 | Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans onder project algemene vakken vergt vanaf 1 september 2010 altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het eerste leerjaar B. | ||
| 28 | § 5. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van de § 3 en § 4 : | ||
| 29 | « - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie;". (152) |
| 1 | § 1. In het tweede leerjaar van de eerste graad worden ten minste vierentwintig wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming. | ||
| 2 | § 2. De basisvorming, bedoeld in § 1, bestaat uit volgende vakken : | ||
| 3 | - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer; | ||
| 4 | - Nederlands; | ||
| 5 | - Frans; | ||
| 6 | - Engels; | ||
| 7 | - wiskunde; | ||
| 8 | - geschiedenis; | ||
| 9 | - aardrijkskunde; | ||
| 10 | - natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk en vervangen vanaf 1 september 2011 door natuurwetenschappen; | ||
| 11 | - artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding; | ||
| 12 | - lichamelijke opvoeding; | ||
| 13 | - technologische opvoeding en vervangen vanaf 1 september 2010 door techniek. | ||
| 14 | Deze basisvorming dient voor ten minste veertien wekelijkse lesuren georganiseerd te worden op grond van minstens een zelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school dient gevolgd te worden. | ||
| 15 | § 3. In het beroepsvoorbereidend leerjaar worden ten minste zestien wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming die bestaat uit volgende vakken : | ||
| 16 | - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer; | ||
| 17 | - Nederlands; | ||
| 18 | - wiskunde; | ||
| 19 | - maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde; | ||
| 20 | - natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk en vervangen vanaf 1 september 2011 door natuurwetenschappen; | ||
| 21 | - artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding; | ||
| 22 | - lichamelijke opvoeding; | ||
| 23 | - eventueel Frans en vervangen vanaf 1 september 2011 door Frans. | ||
| 24 | Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans onder project algemene vakken vergt vanaf 1 september 2011 altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het beroepsvoorbereidende leerjaar. | ||
| 25 | § 4. Op voorwaarde dat hetzelfde studiepeil voor de basisvorming wordt gegarandeerd kan de Vlaamse Regering aan scholen individuele afwijkingen verlenen van het in § 1 en § 3 vermelde aantal wekelijkse lesuren. De afwijkingen dienen gebaseerd te zijn op de aan de betrokken scholen eigen programmatische, methodologische of pedagogische inzichten. | ||
| 26 | § 5. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van de § 2 en § 3 als volgt : | ||
| 27 | « - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie;". (153) |
| 1 | § 1. In het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad van het algemeen secundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken : | ||
| 2 | - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer; | ||
| 3 | - Nederlands; | ||
| 4 | - Frans; | ||
| 5 | - Engels; | ||
| 6 | - wiskunde; | ||
| 7 | - geschiedenis; | ||
| 8 | - aardrijkskunde; | ||
| 9 | - natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm; | ||
| 10 | - lichamelijke opvoeding. | ||
| 11 | § 2. In het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken : | ||
| 12 | - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer; | ||
| 13 | - Nederlands; | ||
| 14 | - Frans of Engels en vervangen vanaf 1 september 2012 door Frans en Engels in het eerste leerjaar van de tweede graad en vanaf 1 september 2013 in het tweede leerjaar van de tweede graad; | ||
| 15 | - wiskunde; | ||
| 16 | - geschiedenis; | ||
| 17 | - aardrijkskunde; | ||
| 18 | - natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm; | ||
| 19 | - lichamelijke opvoeding. | ||
| 20 | § 3. In het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken : | ||
| 21 | - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer; | ||
| 22 | - Nederlands; | ||
| 23 | - wiskunde en/of toegepaste natuurwetenschappen en/of toegepaste fysica en/of toegepaste chemie en/of toegepaste biologie, al of niet in een geïntegreerde vorm; | ||
| 24 | - maatschappelijke vorming of natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde; | ||
| 25 | - lichamelijke opvoeding. | ||
| 26 | - Frans of Engels vanaf 1 september 2010 in het eerste leerjaar van de tweede graad en vanaf 1 september 2011 in het tweede leerjaar van de tweede graad. | ||
| 27 | Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken vergt vanaf 1 september 2010 altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs. | ||
| 28 | § 4. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van § 1 tot en met § 3 : | ||
| 29 | « - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie; ». (155) |
| 1 | § 1. De instellingen voor secundair onderwijs die in toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de organisatie van CLIL-projecten in het secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 4 juli 2008, gedurende het schooljaar 2009-2010 een dergelijk project organiseren, mogen gedurende het schooljaar 2010-2011 dit project verder zetten, overeenkomstig de bepalingen van het besluit in kwestie, met dien verstande dat de organisatie : | ||
| 2 | 1° op één leerlingencohorte betrekking heeft; | ||
| 3 | 2° zowel in het eerste als in het tweede leerjaar van een graad mag plaatsvinden; | ||
| 4 | 3° niet aan een leerlingennorm is onderworpen; | ||
| 5 | 4° geen extra middelen genereert. | ||
| 6 | § 2. De scholen voor secundair onderwijs die gedurende het schooljaar 2010-2011 een CLIL-project organiseren, behouden tot aan een datum te bepalen door de Vlaamse Regering de mogelijkheid tot het aanbieden van CLIL, onder de volgende voorwaarden : | ||
| 7 | 1° CLIL wordt georganiseerd in overeenstemming met de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de organisatie van CLIL-projecten in het secundair onderwijs, maar met dien verstande dat het niet aan een leerlingennorm is onderworpen en geen extra middelen genereert; | ||
| 8 | 2° over het behoud van de mogelijkheid tot organisatie van CLIL werd vooraf onderhandeld in het bevoegde lokale comité van de betrokken school. |
| 1 | De scholen die gedurende het schooljaar 2010-2011 deelnemen aan één van de tijdelijke projecten, vermeld in het decreet van 10 juli 2008 houdende verlenging van sommige van de tijdelijke projecten die zijn vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs, kunnen gedurende de schooljaren 2011-2012 en 2012-2013 : | ||
| 2 | 1° structuuronderdelen organiseren die ze zonder normering hebben geprogrammeerd, op basis van een afwijking van de vigerende decretale en reglementaire bepalingen verkregen ingevolge hetzelfde decreet van 10 juli 2008, onder de volgende voorwaarden : | ||
| 3 | a) het structuuronderdeel komt niet voor in het regulier voltijds gewoon secundair onderwijs; | ||
| 4 | b) het structuuronderdeel werd door de betrokken school al georganiseerd tijdens het schooljaar 2010-2011; | ||
| 5 | c) het structuuronderdeel werd, na kennisname van een positieve evaluatie door de onderwijsinspectie en een expertenpanel, positief geadviseerd door de stuurgroep, vermeld in hetzelfde besluit van 23 juni 2006; | ||
| 6 | 2° leerplannen hanteren die geen overheidsgoedkeuring behoeven, op basis van een afwijking van de vigerende decretale en reglementaire bepalingen verkregen ingevolge hetzelfde decreet van 10 juli 2008, onder de volgende voorwaarden : | ||
| 7 | a) de leerplannen worden enkel toegepast binnen de in 1° bedoelde structuuronderdelen; | ||
| 8 | b) de in a) bedoelde toepassing vond al in het schooljaar 2010-2011 plaats; | ||
| 9 | 3° aspecten van modulaire onderwijsinrichting invoeren, op basis van een afwijking van de vigerende decretale en reglementaire bepalingen verkregen ingevolge hetzelfde decreet van 10 juli 2008, onder de volgende voorwaarden : | ||
| 10 | a) de aspecten van modulaire onderwijsinrichting worden enkel toegepast binnen de in 1° bedoelde structuuronderdelen; | ||
| 11 | b) de in a) bedoelde toepassing vond al in het schooljaar 2010-2011 plaats. |
| 1 | § 1. De rationalisatienorm voor een school die enkel de vierde graad of hoger beroepsonderwijs organiseert, wordt vastgesteld op 100. | 1 | § 1. De rationalisatienorm voor een school die enkel hoger beroepsonderwijs organiseert, wordt vastgesteld op 100. |
| 2 | § 2. De respectieve rationalisatienormen vermeld in artikel 190 tot en met 194 worden verhoogd met 100 indien de school naast andere graden eveneens een vierde graad of hoger beroepsonderwijs organiseert. (194) | 2 | § 2. De respectieve rationalisatienormen vermeld in artikel 190 tot en met 194 worden verhoogd met 100 indien de school naast andere graden eveneens hoger beroepsonderwijs organiseert. (194) |
| 3 | a) aantal uren-leraar : de uren, verkregen in toepassing van de bepalingen inzake het aantal wekelijkse uren leraar dat aan elke school wordt toegekend, en, in voorkomend geval, in toepassing van de bepalingen inzake deeltijds beroepssecundair onderwijs, vermeerderd of verminderd met de uren-leraar ingevolge herverdeling van uren-leraar door het schoolbestuur van de school, door overname van uren-leraar van het voorgaande schooljaar, door overname van uren-leraar van een andere school, ingevolge fusie of door toetreding tot een scholengemeenschap; | 3 | a) aantal uren-leraar : de uren, verkregen in toepassing van de bepalingen inzake het aantal wekelijkse uren leraar dat aan elke school wordt toegekend, en, in voorkomend geval, in toepassing van de bepalingen inzake deeltijds beroepssecundair onderwijs, vermeerderd of verminderd met de uren-leraar ingevolge herverdeling van uren-leraar door het schoolbestuur van de school, door overname van uren-leraar van het voorgaande schooljaar, door overname van uren-leraar van een andere school, ingevolge fusie of door toetreding tot een scholengemeenschap; |
| 4 | b) plage-uren : de uren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren, vereist voor het ambt met volledige prestaties van leraar of godsdienstleraar, ongeacht het feit of deze uren wel of niet worden geput uit de uren, bedoeld onder a). | 4 | b) plage-uren : de uren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren, vereist voor het ambt met volledige prestaties van leraar of godsdienstleraar, ongeacht het feit of deze uren wel of niet worden geput uit de uren, bedoeld onder a). |
| 5 | § 2. Scholen die behoren tot een scholengemeenschap : vanaf het schooljaar 2004-2005 : ten opzichte van de som van de aantallen uren-leraar van de individuele scholen mogen binnen de scholengemeenschap maximum 1,3 % plage-uren worden georganiseerd. | ||
| 5 | § 2. Scholen die behoren tot een scholengemeenschap. | ||
| 6 | Vanaf het schooljaar 2011-2012 : enerzijds mag ten opzichte van het aantal uren-leraar van de individuele school maximum 3 procent plage-uren worden georganiseerd en anderzijds mogen ten opzichte van de som van de aantallen uren-leraar van de individuele scholen binnen de scholengemeenschap maximum 1,3 procent plage-uren worden georganiseerd. | 6 | Vanaf het schooljaar 2011-2012 : enerzijds mag ten opzichte van het aantal uren-leraar van de individuele school maximum 3 procent plage-uren worden georganiseerd en anderzijds mogen ten opzichte van de som van de aantallen uren-leraar van de individuele scholen binnen de scholengemeenschap maximum 1,3 procent plage-uren worden georganiseerd. |
| 7 | § 3. Scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap : vanaf het schooljaar 2002-2003 mag het maximum % niet hoger liggen dan het % van het schooljaar 2001-2002. | 7 | § 3. Scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap. |
| 8 | Vanaf het schooljaar 2011-2012 : het maximum procent plage-uren mag niet hoger liggen dan het procent van het schooljaar 2001-2002. Het maximum procent plage-uren wordt evenwel vastgelegd op 3 procent indien het procent van het schooljaar 2001-2002 meer dan 3 procent bedraagt. | 8 | Vanaf het schooljaar 2011-2012 : het maximum procent plage-uren mag niet hoger liggen dan het procent van het schooljaar 2001-2002. Het maximum procent plage-uren wordt evenwel vastgelegd op 3 procent indien het procent van het schooljaar 2001-2002 meer dan 3 procent bedraagt. |
| 9 | § 4. De scholengemeenschappen en de scholen informeren de bevoegde onderhandelingsorganen over de verdeling en aanwending van de plage-uren. | 9 | § 4. De scholengemeenschappen en de scholen informeren de bevoegde onderhandelingsorganen over de verdeling en aanwending van de plage-uren. |
| 11 | d) de organisatie van neutraal onderwijs, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 1 (V1) te noemen; | 11 | d) de organisatie van neutraal onderwijs, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 1 (V1) te noemen; |
| 12 | e) het aanbod van de keuze tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 2 (V2) te noemen. | 12 | e) het aanbod van de keuze tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 2 (V2) te noemen. |
| 13 | In afwijking van het eerste lid, 1°, b), wordt voor het begrotingsjaar 2020 voor de scholen die tellen conform artikel 169, onder leerlingenkenmerk 2 begrepen, het krijgen van een schooltoelage: er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling als vermeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die alleen door ongewettigde afwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, ook meegerekend. | ||
| 14 | § 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld : | 13 | § 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld : |
| 15 | 1° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een school, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd; | 14 | 1° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een school, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd; |
| 1 | § 1. Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsmiddelen voor het gewoon voltijds secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs 394.419.000 euro. | ||
| 2 | § 2. 1° Vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds beroepssecundair onderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar. | ||
| 3 | 2° Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar. | ||
| 1 | § 1. ... | ||
| 2 | § 2. 1° ... | ||
| 3 | 2° ... | ||
| 4 | 3° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar. | 4 | 3° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar. |
| 5 | § 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van 394.419.000 euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. | ||
| 6 | Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. | 5 | § 3. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. |
| 7 | De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend : | 6 | De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend : |
| 8 | 1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij : | 7 | 1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij : |
| 13 | b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. | 12 | b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. |
| 14 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. | 13 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. |
| 15 | 3° in afwijking van 2° is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 gelijk aan 1; | ||
| 16 | 4° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4. | ||
| 17 | 5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4. | ||
| 18 | 6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4; | ||
| 19 | 7° het bedrag voor het begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1° tot en met 6°, wordt in het begrotingsjaar 2015 met 17.127.000 euro verminderd. | ||
| 20 | § 4. Het bedrag verkregen door toepassing van § 3 wordt voor de begrotingsjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2015 verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2, en met 70 % van de loonkosten die vrijkomen door toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen. | ||
| 21 | Het bedrag, verkregen door de toepassing van § 3, wordt voor het begrotingsjaar 2016 verhoogd met 40 % van de loonkosten die vrijkomen door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen. (242) | ||
| 14 | 3° ...; | ||
| 15 | 4° ... | ||
| 16 | 5° ... | ||
| 17 | 6° ...; | ||
| 18 | 7° ... | ||
| 19 | § 4. ... | ||
| 1 | In afwijking van artikel 286 is de financiering of subsidiering van een school voor buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4, type 5, op 1 september 2014 mogelijk, zonder een bijkomende programmatie of programmatienorm, op voorwaarde dat deze school van opleidingsvorm 4, type 5: | ||
| 2 | 1° ofwel gehecht is aan een universitair ziekenhuis, en daar tot 31 augustus 2014 een secundaire afdeling was van een school voor buitengewoon basisonderwijs type 5; | ||
| 3 | 2° ofwel gehecht is aan een residentiële setting, die valt onder toepassing van artikel 289/1. |
| 1 | In afwijking van artikel 289 kan een op 31 augustus 2014 bestaande school van buitengewoon secundair met opleidingsvorm 1, type 4, die verbonden is aan een revalidatiecentrum, per 1 september 2014 de gehele opleidingsvorm 1, type 4, omvormen tot een opleidingsvorm 4, type 5. Het schoolbestuur meldt dit uiterlijk op 1 juli 2014 aan AgODi. |
| 15 | De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie. | 15 | De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie. |
| 16 | § 3. De scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die tijdens het schooljaar 2014- 2015 een aanbod type 1 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 259, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering. | 16 | § 3. De scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die tijdens het schooljaar 2014- 2015 een aanbod type 1 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 259, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering. |
| 17 | De oprichting van een type in het schooljaar 2015-2016 wordt niet beschouwd als een herstructurering. | ||
| 5 | - voor bestaande scholen die bij een herstructurering betrokken zijn, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of de subsidiëring of de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm. | 5 | - voor bestaande scholen die bij een herstructurering betrokken zijn, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of de subsidiëring of de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm. |
| 6 | Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren. In afwijking van de voorgaande zin is met toepassing van artikel 290/2 voor de opname in de financiering of de subsidiering de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de drie daaropvolgende schooljaren. | 6 | Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren. In afwijking van de voorgaande zin is met toepassing van artikel 290/2 voor de opname in de financiering of de subsidiering de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de drie daaropvolgende schooljaren. |
| 7 | In geval van oprichting van een nieuw type, met uitzondering van het schooljaar 2015-2016, alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar. Als het nieuwe type met toepassing van artikel 290/2 pas na de eerste lesdag van oktober wordt opgericht blijft de teldatum 1 februari van het voorafgaande schooljaar. | 7 | In geval van oprichting van een nieuw type, alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar. Als het nieuwe type met toepassing van artikel 290/2 pas na de eerste lesdag van oktober wordt opgericht blijft de teldatum 1 februari van het voorafgaande schooljaar. |
| 8 | Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel. | 8 | Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel. |
| 9 | 2° in het type 5 het aantal bepaald door de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen : | 9 | 2° in het type 5 het aantal bepaald door de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen : |
| 10 | a) gedurende de periode van 12 maanden die voorafgaat aan 1 februari van het jaar waarin het betrokken schooljaar een aanvang neemt, indien het type gedurende heel deze duur georganiseerd was, of indien de school valt onder toepassing van artikel 288; | 10 | a) gedurende de periode van 12 maanden die voorafgaat aan 1 februari van het jaar waarin het betrokken schooljaar een aanvang neemt, indien het type gedurende heel deze duur georganiseerd was; |
| 11 | b) in andere gevallen, gedurende de eerste 30 dagen te rekenen vanaf de openstelling van het type, of gedurende een periode te bepalen door de Vlaamse Regering. | 11 | b) in andere gevallen, gedurende de eerste 30 dagen te rekenen vanaf de openstelling van het type, of gedurende een periode te bepalen door de Vlaamse Regering. |
| 1 | In afwijking op artikel 309, § 3, komen niet in aanmerking de leerlingen, die hetzij : | 1 | In afwijking op artikel 309, § 3, komen niet in aanmerking de leerlingen, die hetzij : |
| 2 | a) ...; | 2 | a) ...; |
| 3 | b) huisonderwijs volgen; | 3 | b) ...; |
| 4 | c) in een medische instelling of ziekenhuis verblijven en buitengewoon onderwijs van type 5 volgen; | 4 | c) in een medische instelling of ziekenhuis verblijven en buitengewoon onderwijs van type 5 volgen; |
| 5 | d) tijdens de schooluren revalidatie krijgen of therapeutische behandelingen ondergaan in één van de disciplines die binnen de personeelsformatie in het onderwijs voorkomen van personen van wie het ambt noch door onderwijs, noch door welzijn wordt gefinancierd of gesubsidieerd. (309) | 5 | d) tijdens de schooluren revalidatie krijgen of therapeutische behandelingen ondergaan in één van de disciplines die binnen de personeelsformatie in het onderwijs voorkomen van personen van wie het ambt noch door onderwijs, noch door welzijn wordt gefinancierd of gesubsidieerd. (309) |
| 1 | § 1. Er wordt gedurende de schooljaren 2013-2014, 2014-2015, 2015-2016, 2016-2017, 2017-2018, 2018-2019, 2019-2020, 2020-2021 en 2021-2022 aan de scholen van het buitengewoon secundair onderwijs die voldoen aan de voorwaarden bepaald in deze onderafdeling toegestaan dat, in afwijking van het artikel 20, maximum 61 lesuren, die deel uitmaken van het lesurenpakket, vermeld in de artikelen 298, 301, 302 en 303, toegekend aan een school voor buitengewoon secundair onderwijs overgedragen kunnen worden aan een centrum voor deeltijdse vorming of aan een andere instelling met ervaring in het begeleiden van de doelgroep vermeld in artikel III.314/2 en omgezet kunnen worden in kredieten. In voorkomend geval beslist het schoolbestuur, na onderhandeling in het lokale comité, over de overdracht van maximum 61 lesuren naar een centrum voor deeltijdse vorming of een andere instelling voor realisatie van leerlinggebonden activiteiten voor de doelgroep vermeld in artikel III.314/2. | ||
| 2 | § 2. De omzetting van lesuren en uren van een school voor buitengewoon secundair onderwijs in een krediet voor een centrum voor deeltijdse vorming of voor een andere instelling, bestemd voor de organisatie van leerlinggebonden activiteiten voor de doelgroep vermeld in artikel 314/2 wordt als volgt vastgesteld : | ||
| 3 | 1° het aantal lesuren en uren dat wordt omgezet in kredieten, wordt vermenigvuldigd met veertig, dat is het aantal weken openstelling per jaar, zodat een aantal jaarlesuren en een aantal jaaruren wordt verkregen. Dat resultaat, dat in de loop van het schooljaar niet meer kan worden gewijzigd, wordt vóór 1 oktober van het schooljaar in kwestie aan het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming meegedeeld; | ||
| 4 | 2° het bedrag dat wordt toegepast bij de omzetting van lesuren, wordt vastgesteld op 31,72 euro, het bedrag dat wordt toegepast bij de omzetting van uren wordt vastgelegd op 22,46 euro. Dat bedrag wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat bedrag wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar gebeuren, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar; | ||
| 5 | 3° het product van het aantal jaarlesuren en jaaruren dat wordt overgedragen met het geïndexeerd bedrag vormt het krediet dat voorbehouden is voor de organisatie van leerlinggebonden activiteiten door het centrum voor deeltijdse vorming of door een andere instelling. | ||
| 6 | Indien het krediet wordt toegekend aan een centrum voor deeltijdse vorming, wordt dit krediet toegekend, samen met de eerste schijf van de uitbetaling van de persoonlijke ontwikkelingstrajecten, vermeld in artikel 95 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap. | ||
| 7 | Indien het krediet wordt toegekend aan een andere instelling, wordt dit krediet toegekend in de loop van de maand februari van het schooljaar in kwestie. |
| 1 | § 1. In de scholen van buitengewoon secundair onderwijs, bedoeld in deze onderafdeling wordt buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 1, type 3 georganiseerd. | ||
| 2 | De jongeren in de opleidingsvorm en het type vermeld in het vorig lid hebben ernstige gedrags- of emotionele stoornissen, vastgesteld door een psychiater. Deze jongeren functioneren daarenboven op het niveau van licht verstandelijke beperking. Door de complexiteit van hun problematiek zijn deze leerlingen niet in staat om voltijds onderwijs te lopen in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs en hebben zij een problematisch schoolverloop. | ||
| 3 | § 2. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, stellen zich open voor de doelgroep vermeld in paragraaf 1, en dit voor minimum 6 en maximum 24 leerlingen. | ||
| 4 | § 3. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, werken samen met andere scholen van voltijds of centra van deeltijds gewoon secundair onderwijs voor de opvang van de doelgroep vermeld in paragraaf 1. | ||
| 5 | § 4. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, werken samen met internaten met een werking gericht op de ambulante begeleiding of opvang van de doelgroep vermeld in paragraaf 1. | ||
| 6 | § 5. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, werken samen met CLB's, voor de inschaling van de doelgroep vermeld in paragraaf 1. | ||
| 7 | § 6. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, werken samen met een centrum voor deeltijdse vorming of met een andere instelling met ervaring in het begeleiden van de doelgroep vermeld in paragraaf 1, die bereid zijn ondersteuning te bieden voor leerling-gebonden activiteiten voor de doelgroep vermeld in paragraaf 1. |
| 1 | § 1. Een stuurgroep volgt de scholen, bedoeld in deze onderafdeling, op en evalueert hen. Deze stuurgroep bestaat uit ten minste één lid van de onderwijsinspectie, ten minste één afgevaardigde van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming, en ten minste één afgevaardigde per representatieve vakorganisatie en eveneens, naargelang de school, ten minste één afgevaardigde van ofwel het gemeenschapsonderwijs, ofwel de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd officieel onderwijs ofwel van het gesubsidieerd vrij onderwijs. | ||
| 2 | § 2. Steeds vanuit de optiek om het onderwijs voor de doelgroep van gedragsmoeilijke leerlingen te bevorderen, moet de evaluatie, vermeld in paragraaf 1, resulteren in beleidsbeslissingen over eventuele decretale, reglementaire of andere maatregelen of acties op het vlak van optimalisering van het buitengewoon en gewoon secundair onderwijs voor leerlingen met ernstige gedrags- of emotionele stoornissen of een verlenging van deze maatregel. | ||
| 3 | § 3. De betrokken schoolbesturen, scholen, internaten, CLB's, centra en instellingen verlenen hun volledige medewerking aan de opvolging en evaluatie vermeld in paragraaf 1. | ||
| 4 | De betrokken scholen brengen jaarlijks verslag uit bij de stuurgroep. Na de bespreking van het verslag op de stuurgroep, zijn er bijsturingen mogelijk. De inhoud van het verslag wordt bepaald door de stuurgroep. Dit verslag wordt uiterlijk op 30 juni ingediend bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap |
| 1 | De bepalingen van deze onderafdeling treden in werking op 1 september 2011 en houden op van kracht te zijn op 31 augustus 2022. |
| 1 | § 1.Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsmiddelen voor het buitengewoon secundair onderwijs 23.865.000 euro. | ||
| 1 | § 1..... | ||
| 2 | § 2. De berekening van het werkingsbudget vanaf begrotingsjaar 2010 gebeurt als volgt : | 2 | § 2. De berekening van het werkingsbudget vanaf begrotingsjaar 2010 gebeurt als volgt : |
| 3 | 1° vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon secundair onderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs, vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar; | ||
| 4 | 2° voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar; | ||
| 3 | 1° ...; | ||
| 4 | 2° ...; | ||
| 5 | 3° vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar. | 5 | 3° vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar. |
| 6 | § 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van 23.865.000 euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. | ||
| 7 | Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. | 6 | § 3. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. |
| 8 | De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend : | 7 | De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend : |
| 9 | 1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij : | 8 | 1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij : |
| 14 | b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. | 13 | b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. |
| 15 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. | 14 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. |
| 16 | 3° in afwijking van 2° is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 gelijk aan 1; | ||
| 17 | 4° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4. | ||
| 18 | 5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4. | ||
| 19 | 6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4; | ||
| 20 | 7° het bedrag voor het begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1° tot en met 6°, wordt in het begrotingsjaar 2015 met 1.119.000 euro verminderd. | ||
| 21 | § 4. Het bedrag verkregen door toepassing van § 3 wordt voor de begrotingsjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2015 verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2, en met 70 % van de loonkosten die vrijkomen door toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen. | ||
| 22 | Het bedrag, verkregen door de toepassing van § 3, wordt voor het begrotingsjaar 2016 verhoogd met 40 % van de loonkosten die vrijkomen door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen. (323) | ||
| 15 | 3° ...; | ||
| 16 | 4° ... | ||
| 17 | 5° ... | ||
| 18 | 6° ...; | ||
| 19 | 7° ... | ||
| 20 | § 4. ... | ||
| 1 | Aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die actief zijn in het ondersteuningsmodel, in toepassing van artikel 314/8 en 314/9, wordt voor het schooljaar 2021-2022 eenmalig een budget toegekend in functie van het professionaliseren van ondersteuners. Voor het begrotingsjaar 2021 gaat het om 475.716 euro en voor begrotingsjaar 2022 gaat het om 951.763 euro. De middelen worden ingezet om in het schooljaar 2021-2022 en in het eerste trimester van het schooljaar 2022-2023 personeelsleden aan te stellen die ondersteuners vervangen tijdens een periode van professionalisering. De Vlaamse Regering legt daartoe het verdelingsmechanisme over de scholen, de toepassingsmodaliteiten en de modaliteiten met betrekking tot het lokaal sociaal overleg vast. |
| 1 | Artikel 123/21, 124, 126, 128, 133/1 tot en met 133/7, 134, 134/1, 134/2, 136, 136/3 tot en met 136/6, 148, 149, 150, 151, 152, 153, 154, 156, 157 en 157/2 tot en met 157/9, zijn ook van toepassing voor opleidingsvorm 4 in de scholen met opleidingsvorm 4, behalve voor het onthaalonderwijs dat er niet kan worden georganiseerd. | 1 | Artikel 123/21, 124, 126, 128, 133/1 tot en met 133/7, 134, 134/1, 134/2, 136, 136/3 tot en met 136/6, 150, 151, 152, 157 en 157/2 tot en met 157/9, zijn ook van toepassing voor opleidingsvorm 4 in de scholen met opleidingsvorm 4, behalve voor het onthaalonderwijs dat er niet kan worden georganiseerd. |
| 2 | In opleidingsvorm 4 moet een gemeenschappelijk curriculum van het gewoon voltijds secundair onderwijs gevolgd worden en moeten er eveneens, naargelang de noden van de leerlingen, gepaste en redelijke aanpassingen genomen worden, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen. De klassenraad werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de ouders. | ||
| 2 | In opleidingsvorm 4 wordt een gemeenschappelijk curriculum van het gewoon voltijds secundair onderwijs gevolgd. Dat gemeenschappelijk curriculum wordt aangepast volgens de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerlingen, rekening houdend met de bepalingen van artikel 122/1/1. |
| 2 | Studievoortgang binnen een aanloopstructuuronderdeel of tussen aanloopstructuuronderdelen van hetzelfde standaardtraject is van rechtswege mogelijk op basis van het behalen van een afgewerkte set van beroepsgerichte competenties, ongeacht de voortgang in de algemeenvormende competenties. | 2 | Studievoortgang binnen een aanloopstructuuronderdeel of tussen aanloopstructuuronderdelen van hetzelfde standaardtraject is van rechtswege mogelijk op basis van het behalen van een afgewerkte set van beroepsgerichte competenties, ongeacht de voortgang in de algemeenvormende competenties. |
| 3 | Voor een regelmatige leerling die zijn aanloopstructuuronderdeel in de loop van of op het einde van het schooljaar beëindigt, beslist de klassenraad, na evaluatie, over de studiebekrachtiging. De studiebekrachtiging in aanloopstructuuronderdelen is gebaseerd op beroepskwalificaties of op onderdelen ervan. | 3 | Voor een regelmatige leerling die zijn aanloopstructuuronderdeel in de loop van of op het einde van het schooljaar beëindigt, beslist de klassenraad, na evaluatie, over de studiebekrachtiging. De studiebekrachtiging in aanloopstructuuronderdelen is gebaseerd op beroepskwalificaties of op onderdelen ervan. |
| 4 | Voor leerlingen op niveau van de tweede graad, ingeschreven in een aanloopstructuuronderdeel als vermeld in artikel 357/43, eerste lid, 1°, waarvoor gedurende het traject in de aanloopfase blijkt dat de overstap naar het bovenliggende structuuronderdeel "duaal" 2e graad niet mogelijk is, kan de klassenraad beslissen om de doelen van het bovenliggende structuuronderdeel "duaal" 2e graad na te streven in een kwalificerend traject op maat. De school moet deze noodzaak kunnen aantonen. Dit moet voorgelegd kunnen worden aan de onderwijsinspectie bij een doorlichting als bedoeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. Aan een leerling die voldoet aan de bepalingen uit dit lid, en die alle doelen behaalt van het bovenliggende structuuronderdeel "duaal" 2e graad, als vastgelegd in het standaardtraject, vermeld in artikel 357/7, kan de studiebekrachtiging uitgereikt worden zoals die is opgenomen in het standaardtraject van het duale structuuronderdeel. | ||
| 5 | De Vlaamse Regering legt de lijst van studiebewijzen vast die uitgereikt kunnen worden in aanloopstructuuronderdelen. | 4 | De Vlaamse Regering legt de lijst van studiebewijzen vast die uitgereikt kunnen worden in aanloopstructuuronderdelen. |
| 1 | De beleidsplannen en de beleidscontracten die bij de inwerkingtreding van dit decreet lopen, worden op dat ogenblik geëvalueerd en ze worden aangepast als dat nodig is. Op het einde van de looptijd worden de voormelde beleidsplannen en beleidscontracten vervangen door samenwerkingsafspraken. |
| 1 | De personeelsleden die op 1 januari 1993 | ||
| 2 | - burgemeester waren van een gemeente met meer dan vijftigduizend en minder dan vijfenzestigduizend inwoners of | ||
| 3 | - schepen waren of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente met meer dan tachtigduizend en minder dan honderddertigduizend inwoners | ||
| 4 | en op dezelfde datum in het door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs of PMS-centra effectief uitoefenden, mogen in afwijking van artikel V.30, na de eedaflegging voor één van bovenvermelde ambten na de eerstvolgende verkiezingen, het ambt in het onderwijs of centrum voor leerlingenbegeleiding verder blijven uitoefenen. | ||
| 5 | Het ambt in het onderwijs of het centrum voor leerlingenbegeleiding mag echter niet meer dan één vierde bedragen van de prestaties vereist voor een ambt met volledige prestaties. |
| 1 | §1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden die op 30 juni 1992 prestaties uitoefenden waarvoor zij bezoldigd werden op grond van de bepalingen van artikel 10, §3 of §5, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan. | ||
| 2 | Dit artikel is echter niet van toepassing op de personeelsleden bedoeld in artikel 2, §2, a), van hetzelfde besluit. | ||
| 3 | §2. De in §1 bedoelde personeelsleden blijven voor de prestaties die op 30 juni 1998 nog werden beschouwd als bijbetrekking en waarvoor zij op dezelfde datum nog bezoldigd werden op grond van de bepalingen van artikel 10, §3 of §5 van voormeld koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 verder als dusdanig bezoldigd, ongeacht de inkomsten die zij verwerven uit activiteiten buiten het onderwijs. | ||
| 4 | §3. Het personeelslid bedoeld in §1, voor wie de bepalingen van artikel 10, §3 of §5, van voormeld koninklijk besluit van 20 juli 1982 niet meer gelden, kan vragen om, met ingang van 1 september 1998, zijn salaris of salaristoelage voor de prestaties die het uitoefende op 30 juni 1992 en waarmee het nog belast is op 1 september 1998, opnieuw vast te stellen volgens de voornoemde bepalingen. | ||
| 5 | Dit verzoek moet vóór 31 december 1998 bij aangetekend schrijven toegezonden worden aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs of zijn gemachtigde en meegedeeld worden aan het school- of centrumbestuur. | ||
| 6 | §4. De personeelsleden op wie de bepalingen van de §2 en §3 werden toegepast, kunnen vragen dat wordt onderzocht of ze, rekening gehouden met de inkomsten die zij verwerven uit activiteiten buiten het onderwijs, aanspraak kunnen maken op een bezoldiging als hoofdambt. Dit verzoek moet, samen met de vereiste documenten tot staving ervan, bij aangetekend schrijven toegezonden worden aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs of zijn gemachtigde en meegedeeld worden aan het schoolbestuur. Tijdens het onderzoek blijven de prestaties van het personeelslid verder als bijbetrekking bezoldigd. | ||
| 7 | Als uit het onderzoek blijkt dat het personeelslid aanspraak kan maken op een bezoldiging als hoofdambt wordt zijn salaris of salaristoelage vastgesteld volgens de principes van het hoofdambt. | ||
| 8 | Het personeelslid op wie het voorgaand lid is toegepast, kan niet meer opnieuw de toepassing bekomen van de bepalingen van artikel 10, §3 of §5, van voormeld koninklijk besluit van 20 juli 1982. | ||
| 9 | §5. Voor de toepassing van dit artikel gelden de bepalingen van artikel 10, §6, van voormeld koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 niet. |
| 1 | §1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden die nà 7 augustus 1982 en vóór 1 september 1991 prestaties hebben uitgeoefend waarvoor ze bezoldigd werden op grond van de bepalingen van artikel 10, §5, van het koninklijk besluit nummer 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan. | ||
| 2 | §2. Het personeelslid, vermeld in §1, voor wie de bepalingen van artikel 10, §5, van voormeld koninklijk besluit van 20 juli 1982 door een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking niet meer gelden, kan vragen om, met ingang van 1 september 1991, zijn voor die periode toegekende salaris of salaristoelage opnieuw vast te stellen volgens de voornoemde bepalingen en zonder rekening te houden met de voormelde onderbreking van de uitgeoefende prestaties. Dit verzoek moet medegedeeld worden aan de bevoegde diensten van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. |
| 1 | Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming worden de verzoeken die, in de periode van 19 november 1976 tot 31 maart 1995 werden ingediend bij de commissie opgericht bij artikel 2 van de wet van 8 februari 1974 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958, gewijzigd door het koninklijk besluit van 10 maart 1965, houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, beschouwd als zijnde ingediend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 oktober 1976 houdende samenstelling en de werking van de commissie opgericht bij artikel 2 van de wet van 8 februari 1974. De adviezen die in dezelfde periode door deze commissie over de bedoelde aanvragen werden uitgebracht, worden eveneens beschouwd als zijnde uitgebracht overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. |
| 1 | Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming zijn de salarissen en salaristoelagen die in de periode van 1 januari 1996 tot 31 augustus 1999 werden uitgekeerd aan de personeelsleden die tegelijkertijd een bezoldiging bekwamen voor een opdracht in het hoger onderwijs en voor een opdracht in het gewoon of buitengewoon basis- of secundair onderwijs of in het aanvullend secundair beroepsonderwijs of in het deeltijds kunstonderwijs of in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan of in de psycho-medisch-sociale centra, in hoofde van deze personeelsleden definitief verworven, behoudens indien het betrokken personeelslid tewerkgesteld was in een niet-financierbare of niet-subsidieerbare betrekking. |
| 1 | De middelen worden berekend door per school, academie of centrum, het aantal regelmatige leerlingen/cursisten op de gebruikelijke teldatum, respectievelijk het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-3 tot en met 31 december n-1, te vermenigvuldigen met een coëfficiënt en een wegingsfactor, bepaald door de Vlaamse Regering. | 1 | De middelen worden berekend door per school, academie of centrum, het aantal regelmatige leerlingen/cursisten op de gebruikelijke teldatum, respectievelijk het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-3 tot en met 31 december n-1, te vermenigvuldigen met een coëfficiënt en een wegingsfactor, bepaald door de Vlaamse Regering. |
| 2 | In afwijking van het eerste lid wordt het gemiddelde van het aantal lesurencursist op de volgende wijze berekend: | ||
| 3 | 1° voor het schooljaar 2020-2021 op basis van de lesurencursist gerealiseerd in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019; | ||
| 4 | 2° voor het schooljaar 2021-2022 op basis van de lesurencursist gerealiseerd in de referteperiodes 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020. |
| 1 | Per erkende godsdienst en voor de niet-confessionele gemeenschap wordt slechts één instantie of één vereniging erkend door de Vlaamse regering voor het uitvoeren van de in dit decreet vermelde opdrachten. | ||
| 2 | De aanvragen tot erkenning worden voorgelegd aan de Vlaamse regering. De Vlaamse regering deelt haar beslissing mee binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag. De erkenning wordt verleend voor een periode van 5 jaar en kan hernieuwd worden. | ||
| 3 | Elke beslissing tot afwijzing van een erkenning of tot intrekking van een erkenning wordt door de Vlaamse regering omstandig gemotiveerd. | ||
| 4 | Bij afwijzing van een erkenning of intrekking van een erkenning kan de instantie van de godsdienst of de vereniging van de niet-confessionele gemeenschap bezwaar aantekenen bij de Vlaamse regering binnen de dertig dagen na ontvangst van de beslissing. | ||
| 5 | De Vlaamse regering deelt haar beslissing mee binnen de dertig dagen na ontvangst van het bezwaarschrift. |
| 1 | § 1. De vastbenoemde leden van de inspectiedienst worden op 1 januari 1994 ambtshalve overgedragen naar de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken in dezelfde administratieve toestand als die waarin zij zich bevinden op 31 december 1993, in een overeenstemmend ambt. De Vlaamse regering bepaalt wat als "overeenstemmend ambt" wordt beschouwd. | 1 | § 1. De vastbenoemde leden van de inspectiedienst worden op 1 januari 1994 ambtshalve overgedragen naar de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken in dezelfde administratieve toestand als die waarin zij zich bevinden op 31 december 1993, in een overeenstemmend ambt. De Vlaamse regering bepaalt wat als "overeenstemmend ambt" wordt beschouwd. |
| 2 | § 2. Ze behouden de wedde-, dienst- en ambtsanciënniteit die zij verkregen zouden hebben indien zij in hun vorige dienst van herkomst hun ambt hadden blijven uitoefenen. | 2 | § 2. Ze behouden de wedde-, dienst- en ambtsanciënniteit die zij verkregen zouden hebben indien zij in hun vorige dienst van herkomst hun ambt hadden blijven uitoefenen. |
| 3 | § 3. Indien de Vlaamse regering de erkenning van een bevoegde instantie van een erkende godsdienst of van een vereniging van de niet-confessionele gemeenschap goedkeurt na 1 januari 1994, vervullen de in § 1 bedoelde personeelsleden, vanaf 1 januari 1994 tot de datum van de erkenning, de in artikel 8 vermelde opdrachten onder de bevoegdheid van de Vlaamse regering. | ||
| 3 | § 3. ... |