Programmadecreet bij de begroting 2021
39 artikels gewijzigd
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering kan sociale huisvestingsmaatschappijen erkennen om op te treden als kredietbemiddelaar van het Vlaams Woningfonds bij het verstrekken van de bijzondere sociale leningen, vermeld in artikel 5.65. | ||
| 2 | Om erkend te kunnen worden en te blijven moet de sociale huisvestingsmaatschappij financieel gezond zijn en beschikken over personeel dat voldoet aan de vereisten van beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid. De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden opleggen om erkend te worden. | ||
| 3 | De Vlaamse Regering kan de erkenning van de sociale huisvestingsmaatschappij, vermeld in het eerste lid, opheffen. | ||
| 4 | De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor de erkenning en de opheffing van de erkenning. | ||
| 5 | De sociale huisvestingsmaatschappijen die overeenkomstig het eerste lid als kredietbemiddelaar erkend zijn, worden toegelaten om op te treden als krediet- bemiddelaar inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.177, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het Wetboek van Economisch Recht en zijn vrijgesteld van de registratieplicht waarin artikel VII.180 van het Wetboek van Economisch Recht voorziet. | ||
| 6 | § 2. Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest ingeschreven worden, kan de Vlaamse Regering, onder de voor- waarden die ze bepaalt, subsidies verlenen voor de werking van de sociale huisvestingsmaatschappijen die erkend zijn als kredietbemiddelaar. De subsidiëring ten laste van de uitgavenbegroting van het Vlaamse Gewest mag nooit meer bedragen dan 100% van de totale kosten. |
| 40 | 1783,20 verhoogd met 97,20 per pk boven 20 | 40 | 1783,20 verhoogd met 97,20 per pk boven 20 |
| 41 | § 2/1. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die na 31 december 2015 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, op basis van de tabel, vermeld in paragraaf 2, met in achtneming van volgende elementen: | 41 | § 2/1. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die na 31 december 2015 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, op basis van de tabel, vermeld in paragraaf 2, met in achtneming van volgende elementen: |
| 42 | 1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief | 42 | 1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving, wordt het tarief |
| 43 | a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram; | 43 | a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram; |
| 44 | b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram; | 44 | b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram; |
| 76 | In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro. | 76 | In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro. |
| 77 | Deze paragraaf is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. | 77 | Deze paragraaf is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. |
| 78 | § 2/2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibus- sen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, vermeld in paragraaf 2/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 2/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief: | ||
| 79 | a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram; | ||
| 80 | b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram. | ||
| 81 | Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. | ||
| 82 | Deze paragraaf is ook van toepassing op de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. | ||
| 78 | § 3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3 500 kilogram niet overschrijdt, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, andere dan die, vermeld in paragraaf 6, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegestane totaalgewicht. | 83 | § 3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3 500 kilogram niet overschrijdt, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, andere dan die, vermeld in paragraaf 6, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegestane totaalgewicht. |
| 79 | § 3/1. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa, met inachtneming van volgende elementen: | 84 | § 3/1. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa, met inachtneming van volgende elementen: |
| 80 | 1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief | 85 | 1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving, wordt het tarief |
| 81 | a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram; | 86 | a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram; |
| 82 | b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram; | 87 | b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram; |
| 138 | In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro. | 143 | In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro. |
| 139 | Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. | 144 | Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. |
| 145 | § 3/3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, wordt de belasting berekend als vermeld in paragraaf 3/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 3/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief: | ||
| 146 | a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram; | ||
| 147 | b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram. | ||
| 148 | Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. | ||
| 149 | Deze paragraaf is ook van toepassing op de motorvoertuigen, vermeld in het eerste lid, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden in- geschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. | ||
| 140 | § 4. Voor de motorfietsen bedraagt de belasting 49,44 euro. | 150 | § 4. Voor de motorfietsen bedraagt de belasting 49,44 euro. |
| 141 | § 5 Voor de autobussen en de autocars bedraagt de belasting 4,44 euro per fiscale paardenkracht als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht niet te boven gaat, met een minimum van 69,94 euro. | 151 | § 5 Voor de autobussen en de autocars bedraagt de belasting 4,44 euro per fiscale paardenkracht als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht niet te boven gaat, met een minimum van 69,94 euro. |
| 1 | Er wordt tot en met 31 december 2020 geen belasting geheven op: | 1 | Er wordt op volgende voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid geen belasting geheven op: |
| 2 | 1° voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas; | 2 | 1° voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas; |
| 3 | 2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer. | 3 | 2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer. |
| 4 | De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden: | ||
| 5 | 1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld; | ||
| 6 | 2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat: | ||
| 7 | a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid; | ||
| 8 | b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. | ||
| 4 | Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig. | 9 | Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig. |
| 5 | Het eerste lid, 1°, is alleen van toepassing op de volgende voertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten: | 10 | Het eerste lid, 1°, is alleen van toepassing op de volgende voertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten: |
| 2 | BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC | 2 | BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC |
| 3 | De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt : | 3 | De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt : |
| 4 | 1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving; | 4 | 1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving; |
| 5 | 2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg; | 5 | 2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg; |
| 6 | f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas; | 6 | f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas; |
| 9 | 3° x = CO2-correctie in functie van de technologische evolutie; x is gelijk aan 0 g CO2/km en wordt jaarlijks verhoogd met 4,5 g CO2/km vanaf het jaar 2013; | 9 | 3° x = CO2-correctie in functie van de technologische evolutie; x is gelijk aan 0 g CO2/km en wordt jaarlijks verhoogd met 4,5 g CO2/km vanaf het jaar 2013; |
| 10 | 4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel : | 10 | 4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel : |
| 11 | Brandstofsoort | ||
| 12 | Euronorm | ||
| 11 | Brandstofsoort Euronorm Bedrag in euro | 13 | Bedrag in euro |
| 14 | Diesel | ||
| 15 | euro 0 | ||
| 12 | Diesel euro 0 2.863,15 | 16 | 2.863,15 |
| 13 | euro 1 840,00 | 17 | euro 1 |
| 18 | 840,00 | ||
| 14 | euro 2 622,57 | 19 | euro 2 |
| 20 | 622,57 | ||
| 15 | euro 3 493,36 | 21 | euro 3 |
| 22 | 493,36 | ||
| 16 | euro 3 + roetfilter 467,06 | 23 | euro 3 + roetfilter |
| 17 | euro 4 467,06 | 24 | 467,06 |
| 25 | euro 4 | ||
| 26 | 467,06 | ||
| 18 | euro 4 + roetfilter 459,35 | 27 | euro 4 + roetfilter |
| 28 | 459,35 | ||
| 19 | euro 5 of EEV 459,35 | 29 | euro 5 of EEV |
| 30 | 459,35 | ||
| 20 | euro 6 454,07 | 31 | euro 6 |
| 32 | 454,07 | ||
| 21 | Benzine, en andere brandstoffen euro 0 1138,78 | 33 | Benzine, en andere brandstoffen |
| 34 | euro 0 | ||
| 35 | 1138,78 | ||
| 22 | euro 1 509,28 | 36 | euro 1 |
| 37 | 509,28 | ||
| 23 | euro 2 152,29 | 38 | euro 2 |
| 39 | 152,29 | ||
| 24 | euro 3 95,53 | 40 | euro 3 |
| 41 | 95,53 | ||
| 25 | euro 4 22,93 | 42 | euro 4 |
| 43 | 22,93 | ||
| 26 | euro 5 of EEV 20,61 | 44 | euro 5 of EEV |
| 27 | euro 6 20,61 | 45 | 20,61 |
| 46 | euro 6 | ||
| 47 | 20,61 | ||
| 28 | 5° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel : | 48 | 5° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel : |
| 29 | ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs waarde LC in % | 49 | ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs |
| 50 | waarde LC in % | ||
| 30 | minder dan 12 volle maanden 100 | 51 | minder dan 12 volle maanden |
| 52 | 100 | ||
| 31 | van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden 90 | 53 | van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden |
| 54 | 90 | ||
| 32 | van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden 80 | 55 | van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden |
| 56 | 80 | ||
| 33 | van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden 70 | 57 | van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden |
| 58 | 70 | ||
| 34 | van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden 60 | 59 | van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden |
| 60 | 60 | ||
| 35 | van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden 50 | 61 | van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden |
| 62 | 50 | ||
| 36 | van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden 40 | 63 | van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden |
| 64 | 40 | ||
| 37 | van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden 30 | 65 | van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden |
| 66 | 30 | ||
| 38 | van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden 20 | 67 | van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden |
| 68 | 20 | ||
| 39 | meer dan 107 volle maanden 10 | 69 | meer dan 107 volle maanden |
| 70 | 10 | ||
| 1 | De belasting wordt voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, die voor de eerste keer worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid na 31 december 2020, berekend volgens de volgende formule: | ||
| 2 | BIV= ((CO2 * f * q) /246)6 * 4500 + c) * LC | ||
| 3 | De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt: | ||
| 4 | 1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving; | ||
| 5 | 2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg; | ||
| 6 | f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas; | ||
| 7 | f = 0,744 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door zowel aardgas als benzine, als ze als benzinewagen gehomologeerd zijn; | ||
| 8 | f = 1 voor andere wegvoertuigen; | ||
| 9 | 3° q = een factor in functie van de Europese emissienormen voor 2025 en 2030; q is gelijk aan 1,07 in 2021 en wordt jaarlijks verhoogd met 0,035 vanaf het jaar 2022; | ||
| 10 | 4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brand- stofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel: | ||
| 11 | Brandstofsoort | ||
| 12 | Euronorm | ||
| 13 | Bedrag in euro | ||
| 14 | Diesel | ||
| 15 | euro 0 | ||
| 16 | 2.863,15 | ||
| 17 | euro 1 | ||
| 18 | 840,00 | ||
| 19 | euro 2 | ||
| 20 | 622,57 | ||
| 21 | euro 3 | ||
| 22 | 493,36 | ||
| 23 | euro 3 + roetfilter | ||
| 24 | 467,06 | ||
| 25 | euro 4 | ||
| 26 | 467,06 | ||
| 27 | euro 4 + roetfilter | ||
| 28 | 459,35 | ||
| 29 | euro 5 of EEV | ||
| 30 | 459,35 | ||
| 31 | euro 6 | ||
| 32 | 454,07 | ||
| 33 | Benzine, en andere brandstoffen | ||
| 34 | euro 0 | ||
| 35 | 1138,78 | ||
| 36 | euro 1 | ||
| 37 | 509,28 | ||
| 38 | euro 2 | ||
| 39 | 152,29 | ||
| 40 | euro 3 | ||
| 41 | 95,53 | ||
| 42 | euro 4 | ||
| 43 | 22,93 | ||
| 44 | euro 5 of EEV | ||
| 45 | 20,61 | ||
| 46 | euro 6 | ||
| 47 | 20,61 | ||
| 48 | 5° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, ver- meld in de volgende tabel: | ||
| 49 | ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs | ||
| 50 | waarde LC in % | ||
| 51 | minder dan 12 volle maanden | ||
| 52 | 100 | ||
| 53 | van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden | ||
| 54 | 90 | ||
| 55 | van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden | ||
| 56 | 80 | ||
| 57 | van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden | ||
| 58 | 70 | ||
| 59 | van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden | ||
| 60 | 60 | ||
| 61 | van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden | ||
| 62 | 50 | ||
| 63 | van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden | ||
| 64 | 40 | ||
| 65 | van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden | ||
| 66 | 30 | ||
| 67 | van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden | ||
| 68 | 20 | ||
| 69 | meer dan 107 volle maanden | ||
| 70 | 10 |
| 1 | De belasting bedraagt nooit minder dan 41,99 euro en nooit meer dan 10.497,70 euro. In afwijking van artikel 2.3.4.1.2 bedraagt de belasting 41,99 euro voor de wegvoertuigen die een eerste keer in het verkeer zijn gesteld 30 jaar geleden of eerder en voor de wegvoertuigen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden: | 1 | De belasting bedraagt nooit minder dan 41,99 euro en nooit meer dan 10.497,70 euro. In afwijking van artikel 2.3.4.1.2 en artikel 2.3.4.1.2/1 bedraagt de belasting 41,99 euro voor de wegvoertuigen die een eerste keer in het verkeer zijn gesteld 30 jaar geleden of eerder en voor de wegvoertuigen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden: |
| 2 | 1° in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht; | 2 | 1° in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht; |
| 3 | 2° in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht; | 3 | 2° in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht; |
| 1 | De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4°, en de bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.3, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2en artikel 2.3.4.1.3, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2015. | 1 | De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4°, en artikel 2.3.4.1.2/1, tweede lid, 4°, en de bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.3, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, 2.3.4.1.2/1 en artikel 2.3.4.1.3, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2015. |
| 1 | Voor voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas, wordt de belasting verminderd met vierduizend euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting als berekend overeenkomstig artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.4, maar zonder toepassing van de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.3.4.1.3. | 1 | Voor voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas, wordt de belasting verminderd met vierduizend euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting als berekend overeenkomstig artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.4, maar zonder toepassing van de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.3.4.1.3. |
| 2 | Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1. | 2 | Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1. |
| 3 | De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend tot en met 31 december 2020 . | 3 | De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend voor voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. |
| 4 | De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voer- tuigen die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden: | ||
| 5 | 1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld; | ||
| 6 | 2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat: | ||
| 7 | a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid; | ||
| 8 | b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. |
| 1 | Er wordt tot en met 31 december 2020 geen belasting geheven op: | 1 | Er wordt voor volgende voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid geen belasting geheven op: |
| 2 | 1° voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas; | 2 | 1° voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas; |
| 3 | 2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer. | 3 | 2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer. |
| 4 | Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig. | 4 | Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig. |
| 5 | Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1. | 5 | Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1. |
| 6 | De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden: | ||
| 7 | 1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld; | ||
| 8 | 2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat: | ||
| 9 | a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuur- lijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprich- ting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-gene- raal Mobiliteit en Verkeersveiligheid; | ||
| 10 | b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. |
| 1 | § 1. Bij wanbetaling binnen de termijnen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, brengen de verschuldigde sommen ten bate van het Vlaamse Gewest, voor de duur van het verwijl, een interest van 7 % op jaarbasis op, berekend per kalendermaand. | 1 | § 1. Bij wanbetaling binnen de termijnen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, brengen de verschuldigde sommen ten bate van het Vlaamse Gewest, voor de duur van het verwijl, een interest van 4 % op jaarbasis op, berekend per kalendermaand. |
| 2 | Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vorige betaling als een som is aangerekend op de hoofdsom van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsvindt. | 2 | Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vorige betaling als een som is aangerekend op de hoofdsom van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsvindt. |
| 3 | De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd als hij geen vijf euro per maand bedraagt. | 3 | De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd als hij geen vijf euro per maand bedraagt. |
| 1 | Bij terugbetaling van belastingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve geldboeten wordt moratoriuminterest toegekend tegen een rentevoet van 7 % op jaarbasis, berekend per kalendermaand. | 1 | Bij terugbetaling van belastingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve geldboeten wordt moratoriuminterest toegekend tegen een rentevoet van 4 % op jaarbasis, berekend per kalendermaand. |
| 2 | Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro. De maand waarin de betaling is uitgevoerd, wordt niet meegerekend, maar de maand waarin aan de belastingschuldige het bericht wordt gestuurd dat de terug te betalen som ter beschikking is, wordt voor een hele maand geteld. | 2 | Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro. De maand waarin de betaling is uitgevoerd, wordt niet meegerekend, maar de maand waarin aan de belastingschuldige het bericht wordt gestuurd dat de terug te betalen som ter beschikking is, wordt voor een hele maand geteld. |
| 3 | Er wordt geen moratoriuminterest toegekend : | 3 | Er wordt geen moratoriuminterest toegekend : |
| 1 | De erfgenaam, legataris of begiftigde die niet alle goederen heeft aangegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.3.1.0.8, betaalt een belastingverhoging die gelijk is aan 20 % van de daardoor verschuldigde aanvullende rechten. | 1 | De erfgenaam, legataris of begiftigde die niet alle goederen heeft aangegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.3.1.0.8, betaalt een belastingverhoging die gelijk is aan 20 % van de daardoor verschuldigde aanvullende rechten. |
| 2 | De belastingverhoging, vermeld in het eerste lid, wordt verminderd tot 10 % van de erdoor verschuldigde aanvullende rechten als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, en binnen tien maanden na hetzij het overlijden, hetzij de start van de aangiftetermijn zoals berekend overeenkomstig artikel 3.3.1.0.6, derde of vierde lid, een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 niet was opgenomen in de aangifte, alsnog aangeeft. | 2 | De belastingverhoging, vermeld in het eerste lid, wordt vervangen door een belastingverhoging conform de onderstaande tabel als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 niet was opgenomen in de aangifte, alsnog aangeeft: |
| 3 | ogenblik van indiening na het verstrijken van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, VCF of artikel 3.3.1.0.6 VCF | ||
| 4 | belastingverhoging in % van de te betalen erfbelasting | ||
| 5 | vanaf de eerste dag van | ||
| 6 | tot en met de laatste dag van | ||
| 7 | maand 1 | ||
| 8 | maand 1 | ||
| 9 | 1 | ||
| 10 | maand 2 | ||
| 11 | maand 2 | ||
| 12 | 2 | ||
| 13 | maand 3 | ||
| 14 | maand 3 | ||
| 15 | 3 | ||
| 16 | maand 4 | ||
| 17 | maand 4 | ||
| 18 | 4 | ||
| 19 | maand 5 | ||
| 20 | maand 5 | ||
| 21 | 5 | ||
| 22 | maand 6 | ||
| 23 | maand 6 | ||
| 24 | 6 | ||
| 25 | maand 7 | ||
| 26 | maand 10 | ||
| 27 | 10 |
| 1 | Als wordt vastgesteld dat de aangegeven waarde van de aangegeven goederen te laag is, is een belastingverhoging verschuldigd, conform de onderstaande tabel : | 1 | Als wordt vastgesteld dat de aangegeven waarde van de aangegeven goederen te laag is, is een belastingverhoging verschuldigd, conform de onderstaande tabel : |
| 2 | verhouding van het tekort in % | 2 | verhouding van het tekort in % |
| 3 | ten opzichte van de aangegeven waarde van het goed belastingverhoging in % van de aanvullende rechten | 3 | ten opzichte van de aangegeven waarde van het goed |
| 4 | belastingverhoging in % van de aanvullende rechten | ||
| 4 | Vanaf tot | 5 | Vanaf |
| 6 | tot | ||
| 5 | 10 25 5 | 7 | 10 |
| 6 | 25 50 10 | 8 | 25 |
| 9 | 5 | ||
| 10 | 25 | ||
| 7 | 50 100 15 | 11 | 50 |
| 12 | 10 | ||
| 13 | 50 | ||
| 8 | 100 20 | 14 | 100 |
| 15 | 15 | ||
| 16 | 100 | ||
| 17 | 20 | ||
| 9 | In afwijking van het eerste lid, wordt de belastingverhoging in voorkomend geval verminderd tot 10 % van de erdoor verschuldigde aanvullende rechtenals een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, en binnen tien maanden na hetzij het overlijden, hetzij de start van de aangiftetermijn zoals berekend overeenkomstig artikel 3.3.1.0.6, derde of vierde lid, voor een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 voor een te lage waarde was opgenomen in de aangifte, alsnog een hogere waarde aangeeft. | 18 | In afwijking van het eerste lid, wordt de belastingverhoging verminderd tot de helft van het percentage van de verschuldigde aanvullende rechten, vermeld in het eerste lid, als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, en binnen tien maanden na hetzij het overlijden, hetzij de start van de aangiftetermijn zoals berekend overeenkomstig artikel 3.3.1.0.6, derde of vierde lid, voor een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 voor een te lage waarde was opgenomen in de aangifte, alsnog een hogere waarde aangeeft. |
| 3 | 2° het saldo van maximaal 20 % van de subsidie wordt uitbetaald nadat de administratie heeft vastgesteld dat de voorwaarden waaronder de subsidie toegekend werd, nageleefd zijn en dat de subsidie is aangewend voor de doeleinden waarvoor ze is verleend. Dat blijkt uit het financieel en inhoudelijk verslag. | 3 | 2° het saldo van maximaal 20 % van de subsidie wordt uitbetaald nadat de administratie heeft vastgesteld dat de voorwaarden waaronder de subsidie toegekend werd, nageleefd zijn en dat de subsidie is aangewend voor de doeleinden waarvoor ze is verleend. Dat blijkt uit het financieel en inhoudelijk verslag. |
| 4 | De organisatie stuurt voor elk jaar waarin de projectsubsidie wordt toegekend een financieel en inhoudelijk verslag naar de administratie. | 4 | De organisatie stuurt voor elk jaar waarin de projectsubsidie wordt toegekend een financieel en inhoudelijk verslag naar de administratie. |
| 5 | Alleen kosten die gemaakt zijn in de looptijd van het project komen in aanmerking. Als de nettokosten, dat zijn de aangetoonde kosten, verminderd met de inkomsten die voortvloeien uit de realisatie van het project of product, minder bedragen dan de ontvangen subsidie, wordt het verschil teruggevorderd. | ||
| 5 | Alleen kosten die gemaakt zijn in de looptijd van het project komen in aanmerking. | ||
| 6 | De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen met betrekking tot de vorm, de termijnen en de wijze van indienen van het financieel en inhoudelijk verslag. | 6 | De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen met betrekking tot de vorm, de termijnen en de wijze van indienen van het financieel en inhoudelijk verslag. |
| 7 | § 2. De werkingssubsidies, toegekend op basis van artikel 11, 12, 13 en 16, worden elk werkjaar als volgt uitbetaald: | 7 | § 2. De werkingssubsidies, toegekend op basis van artikel 11, 12, 13 en 16, worden elk werkjaar als volgt uitbetaald: |
| 1 | Het Fonds heeft tot taak: | ||
| 2 | 1° investeringssubsidies te verstrekken voor het bouwen, uitbreiden, verbouwen of aankopen van culturele infrastructuur met supra-lokaal belang; | ||
| 3 | 2° het aankopen, het bouwen en het verbouwen van de eigen culturele infrastructuur van de Vlaamse Gemeenschap en het ten laste nemen van de kosten ervan voor uitrusting en apparatuur, de eigenaarverplichtingen, de onroerende voorheffing en het eigenaaronderhoud. | ||
| 4 | 3° het betalen van huurgelden, erfpachtvergoedingen, beschikbaarheidsvergoedingen en andere kosten voor het gebruiksrecht van gebouwen en terreinen, die ressorteren onder het beheer van de entiteiten Cultuur en Jeugd van het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media van de Vlaamse Gemeenschap. |
| 1 | De Vlaamse regering bepaalt onder welke voorwaarden en op welke wijze de investeringssubsi-dies, bedoeld in artikel 51, 1°, door het Fonds worden verstrekt. | ||
| 2 | De investeringssubsidies betreffen enerzijds de subsidiëring van grote infrastructuren van hoog cultureel belang en anderzijds sectorale investeringssubsidies. | ||
| 3 | Onder grote infrastructuren van hoog cultureel belang worden verstaan: infrastructuren die van een uitzonderlijke omvang zijn en waarin een culturele werking wordt gerealiseerd die zich richt tot de ganse bevolking. | ||
| 4 | De subsidiëring van grote infrastructuren van een uitzonderlijke omvang wordt nominatim in de begroting van het Fonds voor Culturele Infrastructuur ingeschreven. | ||
| 5 | De Raad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media adviseert mee over de langetermijnvisie en -planning aangaande de nieuwe grote infrastructuren van hoog cultureel belang. | ||
| 6 | Onder sectorale investeringssubsidies worden verstaan: subsidies toegekend als tussenkomst in de infrastructuuruitgaven van specifieke sectoren die door de Vlaamse regering als prioritair worden aangeduid. De Vlaamse regering legt deze prioriteit vast voor een bepaalde periode. De Vlaamse regering bepaalt het globaal hiervoor te bestemmen subsidiebedrag. | ||
| 7 | Voor het toekennen van sectorale subsidies wordt door de Vlaamse regering, binnen het Fonds voor culturele infrastructuur, een adviescommissie opgericht met deelname van de administratie Cultuur en deskundigen i.v.m. de betrokken sectoren. | ||
| 8 | De regeling voor het toekennen van subsidies zal volgende bestanddelen bevatten: | ||
| 9 | - de bepaling van de kandidaat-subsidietrekker en de voorwaarden om voor subsidiëring in aanmerking te komen; | ||
| 10 | - de bepaling i.v.m. terugbetaling van de toegekende subsidies, bij vervreemding van de infrastructuur of bestemmingswij-ziging ervan; | ||
| 11 | - voor de toekenning van sectorale investeringssubsidies, zal de regeling nog bevatten: | ||
| 12 | - de wijze en de termijnen van het indienen van aanvragen; | ||
| 13 | - de beoordelingscriteria; | ||
| 14 | - de wijze van principiële toezegging; | ||
| 15 | - de uitbetalingsvoorwaarden en -modaliteiten. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; | ||
| 30 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. | 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. |
| 31 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. | 32 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. |
| 50 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 51 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 51 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 52 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 52 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent . Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; | 53 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021, K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; |
| 53 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 54 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 54 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 55 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 66 | 6° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 67 | 6° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 67 | 7° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 68 | 7° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 68 | 8° in het heffingsjaar 2020voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 69 | 8° in de heffingsjaren 2020, 2021 en 2022 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 69 | 9° in het heffingsjaar 2021 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 70 | 9° in het heffingsjaar 2023 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 70 | 10° in het heffingsjaar 2022 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 71 | 10° in het heffingsjaar 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 71 | 11° in het heffingsjaar 2023 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd. | 72 | 11° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd. |
| 72 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2. | 73 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2. |
| 73 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° : | 74 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° : |
| 74 | a) wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2; | 75 | a) wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2; |
| 75 | b) wordt de hoeveelheid non-ferro kleiner dan 5 mm, kabeltjes en printplaten die gewonnen werd voor afvoer naar en verwerking in een daartoe vergund bedrijf met het oog op de recuperatie van non-ferrometalen en edele metalen vermenigvuldigd met een factor 20. De hoeveelheid non-ferro kleiner dan 5 mm, kabeltjes en printplaten wordt niet meegerekend in de 3 % metalen, vermeld in punt 6° tot 11° hierboven. | 76 | b) wordt de hoeveelheid non-ferro kleiner dan 5 mm, kabeltjes en printplaten die gewonnen werd voor afvoer naar en verwerking in een daartoe vergund bedrijf met het oog op de recuperatie van non-ferrometalen en edele metalen vermenigvuldigd met een factor 20. De hoeveelheid non-ferro kleiner dan 5 mm, kabeltjes en printplaten wordt niet meegerekend in de 3 % metalen, vermeld in punt 6° tot 11° hierboven; |
| 77 | c) wordt de hoeveelheid premix die gewonnen wordt voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 1,5. Een premix is een materiaalmengeling van minstens 55% recycleerbare kunststoffen met onder meer nog metalen (max 2%), hout (max 5%), rubber en PVC, die reeds ontdaan is van zand. De exploitant van de PST-installatie legt aan OVAM jaarlijks een document voor dat aantoont dat het materiaal uitgesorteerd via de premix, effectief ingezet wordt voor materiaalrecyclage. | ||
| 76 | In al die gevallen mag de som van de hoeveelheid materialen die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd, en de hoeveelheid shredderafval die wordt gestort aan het heffingstarief met K = 0,15, niet meer bedragen dan de input van de PST-installatie. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 52, tweede lid, bezorgt de exploitant van de PST-installatie ter staving van het toepassen van het verlaagde heffingstarief vanaf 2011 ieder jaar voor 31 januari aan de OVAM een rapport met een volledige en gedetailleerde massabalans van de verwerkte stromen en van de teruggewonnen stromen met hun respectieve bestemming. | 78 | In al die gevallen mag de som van de hoeveelheid materialen die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd, en de hoeveelheid shredderafval die wordt gestort aan het heffingstarief met K = 0,15, niet meer bedragen dan de input van de PST-installatie. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 52, tweede lid, bezorgt de exploitant van de PST-installatie ter staving van het toepassen van het verlaagde heffingstarief vanaf 2011 ieder jaar voor 31 januari aan de OVAM een rapport met een volledige en gedetailleerde massabalans van de verwerkte stromen en van de teruggewonnen stromen met hun respectieve bestemming. |
| 77 | In afwijking van het tweede lid, 7°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, voor het heffingsjaar 2010 K = 0,15, voor het heffingsjaar 2011 K = 0,3, voor het heffingsjaar 2012 K = 0,6 en met ingang van het heffingsjaar 2013 K = 1. | 79 | In afwijking van het tweede lid, 7°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, voor het heffingsjaar 2010 K = 0,15, voor het heffingsjaar 2011 K = 0,3, voor het heffingsjaar 2012 K = 0,6 en met ingang van het heffingsjaar 2013 K = 1. |
| 2 | De academisch gerichte opleidingen "bachelor in de conservatie-restauratie" en "master in de conservatie-restauratie", gerangschikt in het studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst en aangeboden door de Artesis Hogeschool Antwerpen worden vanaf het academiejaar 2013-2014 gerangschikt in het studiegebied Conservatie-restauratie in het academisch onderwijs. | 2 | De academisch gerichte opleidingen "bachelor in de conservatie-restauratie" en "master in de conservatie-restauratie", gerangschikt in het studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst en aangeboden door de Artesis Hogeschool Antwerpen worden vanaf het academiejaar 2013-2014 gerangschikt in het studiegebied Conservatie-restauratie in het academisch onderwijs. |
| 3 | De academisch gerichte opleidingen "bachelor in het milieu- en preventiemanagement" en "master in het milieu-en preventiemanagement", gerangschikt in het studiegebied Gezondheidszorg en aangeboden door de HUB-EHSAL, worden vanaf het academiejaar 2013-2014 gerangschikt in het studiegebied Sociale gezondheidswetenschappen in het academisch onderwijs. | 3 | De academisch gerichte opleidingen "bachelor in het milieu- en preventiemanagement" en "master in het milieu-en preventiemanagement", gerangschikt in het studiegebied Gezondheidszorg en aangeboden door de HUB-EHSAL, worden vanaf het academiejaar 2013-2014 gerangschikt in het studiegebied Sociale gezondheidswetenschappen in het academisch onderwijs. |
| 4 | De volgende professioneel gerichte bacheloropleidingen, gerangschikt in het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde, worden vanaf het academie- jaar 2021-2022 gerangschikt in het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie van het hoger professioneel onderwijs: | ||
| 5 | 1° bachelor in de toegepaste informatica; 2° bachelor of Applied Computer Science; | ||
| 6 | 3° bachelor of Applied Information Technology. | ||
| 27 | 5° Onderwijs, waarvoor : | 27 | 5° Onderwijs, waarvoor : |
| 28 | a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend; | 28 | a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend; |
| 29 | b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend | 29 | b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. |
| 30 | § 3. Odisee kan in de vestiging Brussel-Hoofdstad in het hoger professioneel onderwijs in het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie de opleiding "bachelor in de toegepaste informatica" aanbieden en de daarop betrekking hebbende graad van bachelor verlenen. | ||
| 83 | Voor de begrotingsjaren 2012 en 2013 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid van dit artikel, artikel III.9, §8, laatste lid, III.21, §4, eerste lid en III.21, §4, eerste lid in artikel III.123, III.24, §3, III.34, §5, tweede lid, III.37, §1, tweede lid, III.40, §2, III.43, §1, derde lid, III.45, §1, tweede lid, III.59, §3, III.77, tweede lid en III.114, §3 toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid. | 83 | Voor de begrotingsjaren 2012 en 2013 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid van dit artikel, artikel III.9, §8, laatste lid, III.21, §4, eerste lid en III.21, §4, eerste lid in artikel III.123, III.24, §3, III.34, §5, tweede lid, III.37, §1, tweede lid, III.40, §2, III.43, §1, derde lid, III.45, §1, tweede lid, III.59, §3, III.77, tweede lid en III.114, §3 toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid. |
| 84 | Voor het begrotingsjaar 2015 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid, van dit artikel, artikel III.9, § 8, laatste lid, III.21, § 4, eerste lid, en III.21, § 4, eerste lid, in artikel III.123, III.24, § 3, III.34, § 5, tweede lid, III.37, § 1, tweede lid, III.40, § 2, III.43, § 1, derde lid, III.45, § 1, tweede lid, III.59, § 3, III.77, tweede lid, en III.114, § 3, toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid. | 84 | Voor het begrotingsjaar 2015 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid, van dit artikel, artikel III.9, § 8, laatste lid, III.21, § 4, eerste lid, en III.21, § 4, eerste lid, in artikel III.123, III.24, § 3, III.34, § 5, tweede lid, III.37, § 1, tweede lid, III.40, § 2, III.43, § 1, derde lid, III.45, § 1, tweede lid, III.59, § 3, III.77, tweede lid, en III.114, § 3, toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid. |
| 85 | §12. De bedragen VOWprof, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden ver­meerderd met de volgende bedragen en de bedragen vermeld in paragraaf 1, zijn de volgende (uitgedrukt in euro): | 85 | §12. De bedragen VOWprof, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden vermeerderd met de volgende bedragen en de bedragen vermeld in paragraaf 1, zijn de volgende (uitgedrukt in euro): |
| 86 | begrotingsjaar | 86 | ">begrotingsjaar |
| 87 | VOWprof | 87 | VOWprof |
| 88 | VOWprof2014 | 88 | VOWprof2014 |
| 122 | 3.700.000 | 122 | 3.700.000 |
| 123 | 2021 | 123 | 2021 |
| 124 | 31.166.520 | ||
| 124 | 27.766.520 | ||
| 125 | 100.000 | 125 | 100.000 |
| 126 | 3.700.000 | 126 | 3.700.000 |
| 127 | 2022 | 127 | 2022 |
| 128 | 31.166.520 | ||
| 129 | 100.000 | ||
| 130 | 3.700.000 | ||
| 131 | 2023 | ||
| 128 | 34.566.520 | 132 | 34.566.520 |
| 129 | 100.000 | 133 | 100.000 |
| 130 | 3.700.000 | 134 | 3.700.000 |
| 131 | vanaf 2023 | 135 | vanaf 2024 |
| 132 | 37.066.520 | 136 | 37.066.520 |
| 133 | 100.000 | 137 | 100.000 |
| 139 | Begrotingsjaar | 143 | Begrotingsjaar |
| 140 | VOWun | 144 | VOWun |
| 141 | VOWun 2014 | ||
| 145 | VOWun2014 | ||
| 142 | VOZun | 146 | VOZun |
| 143 | VOZun 2014 | ||
| 147 | VOZun2014 | ||
| 144 | ZAP | 148 | ZAP |
| 145 | Puntengewichten | ||
| 149 | Punten- gewichten | ||
| 146 | ZAP | 150 | ZAP |
| 147 | ZAP | 151 | ZAP |
| 182 | 9.971.000 | 186 | 9.971.000 |
| 183 | 2021 | 187 | 2021 |
| 188 | 7.519.000 | ||
| 189 | 12.186.000 | ||
| 190 | 9.971.000 | ||
| 191 | 2022 | ||
| 184 | 8.519.000 | 192 | 8.519.000 |
| 185 | 13.726.000 | 193 | 13.726.000 |
| 186 | 11.231.000 | 194 | 11.231.000 |
| 187 | 2022 | ||
| 195 | 2023 | ||
| 188 | 9.519.000 | 196 | 9.519.000 |
| 189 | 15.321.000 | 197 | 15.321.000 |
| 190 | 12.536.000 | 198 | 12.536.000 |
| 191 | 2023 | ||
| 199 | 2024 | ||
| 192 | 11.219.000 | 200 | 11.219.000 |
| 193 | 16.476.000 | 201 | 16.476.000 |
| 194 | 13.481.000 | 202 | 13.481.000 |
| 195 | vanaf 2024 | 203 | vanaf 2025 |
| 196 | 11.700.000 | 204 | 11.700.000 |
| 197 | 17.270.000 | 205 | 17.270.000 |
| 222 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. | 230 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. |
| 223 | § 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro. | 231 | § 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro. |
| 232 | § 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro. | ||
| 83 | Voor de begrotingsjaren 2012 en 2013 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid van dit artikel, artikel III.9, §8, laatste lid, III.21, §4, eerste lid en III.21, §4, eerste lid in artikel III.123, III.24, §3, III.34, §5, tweede lid, III.37, §1, tweede lid, III.40, §2, III.43, §1, derde lid, III.45, §1, tweede lid, III.59, §3, III.77, tweede lid en III.114, §3 toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid. | 83 | Voor de begrotingsjaren 2012 en 2013 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid van dit artikel, artikel III.9, §8, laatste lid, III.21, §4, eerste lid en III.21, §4, eerste lid in artikel III.123, III.24, §3, III.34, §5, tweede lid, III.37, §1, tweede lid, III.40, §2, III.43, §1, derde lid, III.45, §1, tweede lid, III.59, §3, III.77, tweede lid en III.114, §3 toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid. |
| 84 | Voor het begrotingsjaar 2015 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid, van dit artikel, artikel III.9, § 8, laatste lid, III.21, § 4, eerste lid, en III.21, § 4, eerste lid, in artikel III.123, III.24, § 3, III.34, § 5, tweede lid, III.37, § 1, tweede lid, III.40, § 2, III.43, § 1, derde lid, III.45, § 1, tweede lid, III.59, § 3, III.77, tweede lid, en III.114, § 3, toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid. | 84 | Voor het begrotingsjaar 2015 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid, van dit artikel, artikel III.9, § 8, laatste lid, III.21, § 4, eerste lid, en III.21, § 4, eerste lid, in artikel III.123, III.24, § 3, III.34, § 5, tweede lid, III.37, § 1, tweede lid, III.40, § 2, III.43, § 1, derde lid, III.45, § 1, tweede lid, III.59, § 3, III.77, tweede lid, en III.114, § 3, toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid. |
| 85 | §12. De bedragen VOWprof, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden ver­meerderd met de volgende bedragen en de bedragen vermeld in paragraaf 1, zijn de volgende (uitgedrukt in euro): | 85 | §12. De bedragen VOWprof, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden vermeerderd met de volgende bedragen en de bedragen vermeld in paragraaf 1, zijn de volgende (uitgedrukt in euro): |
| 86 | begrotingsjaar | 86 | ">begrotingsjaar |
| 87 | VOWprof | 87 | VOWprof |
| 88 | VOWprof2014 | 88 | VOWprof2014 |
| 122 | 3.700.000 | 122 | 3.700.000 |
| 123 | 2021 | 123 | 2021 |
| 124 | 31.166.520 | ||
| 124 | 27.766.520 | ||
| 125 | 100.000 | 125 | 100.000 |
| 126 | 3.700.000 | 126 | 3.700.000 |
| 127 | 2022 | 127 | 2022 |
| 128 | 31.166.520 | ||
| 129 | 100.000 | ||
| 130 | 3.700.000 | ||
| 131 | 2023 | ||
| 128 | 34.566.520 | 132 | 34.566.520 |
| 129 | 100.000 | 133 | 100.000 |
| 130 | 3.700.000 | 134 | 3.700.000 |
| 131 | vanaf 2023 | 135 | vanaf 2024 |
| 132 | 37.066.520 | 136 | 37.066.520 |
| 133 | 100.000 | 137 | 100.000 |
| 139 | Begrotingsjaar | 143 | Begrotingsjaar |
| 140 | VOWun | 144 | VOWun |
| 141 | VOWun 2014 | ||
| 145 | VOWun2014 | ||
| 142 | VOZun | 146 | VOZun |
| 143 | VOZun 2014 | ||
| 147 | VOZun2014 | ||
| 144 | ZAP | 148 | ZAP |
| 145 | Puntengewichten | ||
| 149 | Punten- gewichten | ||
| 146 | ZAP | 150 | ZAP |
| 147 | ZAP | 151 | ZAP |
| 182 | 9.971.000 | 186 | 9.971.000 |
| 183 | 2021 | 187 | 2021 |
| 188 | 7.519.000 | ||
| 189 | 12.186.000 | ||
| 190 | 9.971.000 | ||
| 191 | 2022 | ||
| 184 | 8.519.000 | 192 | 8.519.000 |
| 185 | 13.726.000 | 193 | 13.726.000 |
| 186 | 11.231.000 | 194 | 11.231.000 |
| 187 | 2022 | ||
| 195 | 2023 | ||
| 188 | 9.519.000 | 196 | 9.519.000 |
| 189 | 15.321.000 | 197 | 15.321.000 |
| 190 | 12.536.000 | 198 | 12.536.000 |
| 191 | 2023 | ||
| 199 | 2024 | ||
| 192 | 11.219.000 | 200 | 11.219.000 |
| 193 | 16.476.000 | 201 | 16.476.000 |
| 194 | 13.481.000 | 202 | 13.481.000 |
| 195 | vanaf 2024 | 203 | vanaf 2025 |
| 196 | 11.700.000 | 204 | 11.700.000 |
| 197 | 17.270.000 | 205 | 17.270.000 |
| 222 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. | 230 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. |
| 223 | § 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro. | 231 | § 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro. |
| 232 | § 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro. | ||
| 1 | In afwijking van artikel III.6, § 1, § 2 en § 3, van deze codex, evolueren in de begrotingsjaren 2015 en 2016 de bedragen van de variabele onderwijsdelen niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor de begrotingsjaren 2015 en 2016 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel. | 1 | In afwijking van artikel III.6, § 1, § 2 en § 3, van deze codex, evolueren in de begrotingsjaren 2015 en 2016 de bedragen van de variabele onderwijsdelen niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor de begrotingsjaren 2015 en 2016 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel. |
| 2 | In afwijking van artikel III.6, § 1, § 2 en § 3, van deze codex, evolueren in het begrotingsjaar 2021 de bedragen van de variabele onderwijsdelen VOWun en VOWac niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor het begrotingsjaar 2021 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel. | ||
| 3 | Onder VOWun, vermeld in het vorige lid, wordt begrepen VOWun vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014ZAP, zoals vermeld in paragraaf 2 van artikel III.6. Onder VOWac, vermeld in het vorige lid, wordt begrepen VOWac ver- minderd met het bedrag van het variabele onderwijsdeel VOWhko en vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014puntengewichten, vermeld in paragraaf 2 van artikel III.6. |
| 216 | 5° Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt aan iedere universiteit die met ingang van het academiejaar 2013-2014 academische hogeschoolopleidingen integreert, een bijkomende opstartfinanciering toegekend van 200.000 euro. Dit bedrag wordt jaarlijks afgebouwd met 10% van het initiële bedrag. Het saldo wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 voor 55% toegevoegd aan het variabele onderwijsdeel VOWun2014 en voor 45% aan het variabele onderzoeksdeel VOZun2014. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. | 216 | 5° Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt aan iedere universiteit die met ingang van het academiejaar 2013-2014 academische hogeschoolopleidingen integreert, een bijkomende opstartfinanciering toegekend van 200.000 euro. Dit bedrag wordt jaarlijks afgebouwd met 10% van het initiële bedrag. Het saldo wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 voor 55% toegevoegd aan het variabele onderwijsdeel VOWun2014 en voor 45% aan het variabele onderzoeksdeel VOZun2014. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. |
| 217 | 6° In afwijking van punt 1°, c), bedraagt voor het begrotingsjaar 2020 het puntengewicht voor het studiegebied Industriële Wetenschappen en Technologie 1,25. In afwijking van punt 1°, i), bedraagt voor het begrotingsjaar 2020 het puntengewicht voor het studiegebied Handelswetenschappen en Bedrijfskunde 1,01. | 217 | 6° In afwijking van punt 1°, c), bedraagt voor het begrotingsjaar 2020 het puntengewicht voor het studiegebied Industriële Wetenschappen en Technologie 1,25. In afwijking van punt 1°, i), bedraagt voor het begrotingsjaar 2020 het puntengewicht voor het studiegebied Handelswetenschappen en Bedrijfskunde 1,01. |
| 218 | 7° in afwijking van punt 1°, c), bedraagt voor het begrotingsjaar 2021 het puntengewicht voor het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie 1,25. | ||
| 219 | In afwijking van punt 1°, i), bedraagt voor het begrotingsjaar 2021 het puntengewicht voor het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1,01; | ||
| 220 | 8° in afwijking van punt 1°, i), bedraagt voor het begrotingsjaar 2021 het puntengewicht voor de bacheloropleiding "bachelor in de toegepaste informatica" 1,25. | ||
| 218 | § 1/1. In het begrotingsjaar 2014 bedraagt het puntengewicht voor de doctoraten in het studiegebied Nautische wetenschappen 3. | 221 | § 1/1. In het begrotingsjaar 2014 bedraagt het puntengewicht voor de doctoraten in het studiegebied Nautische wetenschappen 3. |
| 219 | Voor de berekening van het variabele onderzoeksdeel, vermeld in artikel III.22, worden met ingang van het begrotingsjaar 2015 voor de weging van het aantal doctoraatsdiploma's de volgende puntengewichten gebruikt: | 222 | Voor de berekening van het variabele onderzoeksdeel, vermeld in artikel III.22, worden met ingang van het begrotingsjaar 2015 voor de weging van het aantal doctoraatsdiploma's de volgende puntengewichten gebruikt: |
| 71 | Vanaf het begrotingsjaar 2019 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 1.747.939 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen. | 71 | Vanaf het begrotingsjaar 2019 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 1.747.939 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen. |
| 72 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. | 72 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. |
| 73 | § 9. Vanaf het begrotingsjaar 2020 worden de totale werkingsmiddelen van de hoge-scholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 4.390.165 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen. | 73 | § 9. In het begrotingsjaar 2020 worden de totale werkingsmiddelen van de hoge-scholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 4.390.165 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen. |
| 74 | Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vanaf het begrotingsjaar 2021 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. | ||
| 75 | § 10. Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 5.092.455 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen. | 74 | § 10. Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 6.468.329,21 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen. |
| 76 | Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 7.119.565 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen. | 75 | Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 8.842.117,00 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen. |
| 77 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. | 76 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. |
| 71 | Vanaf het begrotingsjaar 2019 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 1.747.939 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen. | 71 | Vanaf het begrotingsjaar 2019 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 1.747.939 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen. |
| 72 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. | 72 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. |
| 73 | § 9. Vanaf het begrotingsjaar 2020 worden de totale werkingsmiddelen van de hoge-scholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 4.390.165 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen. | 73 | § 9. In het begrotingsjaar 2020 worden de totale werkingsmiddelen van de hoge-scholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 4.390.165 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen. |
| 74 | Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vanaf het begrotingsjaar 2021 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. | ||
| 75 | § 10. Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 5.092.455 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen. | 74 | § 10. Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 6.468.329,21 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen. |
| 76 | Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 7.119.565 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen. | 75 | Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 8.842.117,00 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen. |
| 77 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. | 76 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. |
| 18 | 9,01 | 18 | 9,01 |
| 19 | 2021 | 19 | 2021 |
| 20 | 10,31 | ||
| 20 | 9,01 | ||
| 21 | 2022 | 21 | 2022 |
| 22 | 10,31 | ||
| 23 | 2023 | ||
| 22 | 11,61 | 24 | 11,61 |
| 23 | vanaf 2023 | 25 | vanaf 2024 |
| 24 | 12,93 | 26 | 12,93 |
| 25 | Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in het tweede lid, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen vermeld in de artikelen III.37, §3, 1°, en III.38, §2, 1°, en de bedragen vermeld in het tweede lid als 1 geheel beschouwd. | 27 | Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in het tweede lid, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen vermeld in de artikelen III.37, §3, 1°, en III.38, §2, 1°, en de bedragen vermeld in het tweede lid als 1 geheel beschouwd. |
| 30 | §3. Vanaf het begrotingsjaar 2014 ontvangen de universiteiten een uitkering van 23.514.788,22 euro als aanvullende onderzoeksmiddelen voor de academisch gerichte hogeschoolopleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd zijn in de universiteiten. Dat bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. | 32 | §3. Vanaf het begrotingsjaar 2014 ontvangen de universiteiten een uitkering van 23.514.788,22 euro als aanvullende onderzoeksmiddelen voor de academisch gerichte hogeschoolopleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd zijn in de universiteiten. Dat bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. |
| 31 | Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de volgende bedragen (uitgedrukt in miljoen euro): | 33 | Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de volgende bedragen (uitgedrukt in miljoen euro): |
| 34 | begrotingsjaar | ||
| 32 | Begrotingsjaar Bedrag (uitgedrukt in miljoen euro) | 35 | bedrag (uitgedrukt in miljoen euro) |
| 36 | 2014 | ||
| 33 | 2014 12,82 | 37 | 12,82 |
| 38 | 2015 | ||
| 34 | 2015 18,64 | 39 | 18,64 |
| 40 | 2016 | ||
| 35 | 2016 21,61 | 41 | 21,61 |
| 42 | 2017 | ||
| 36 | 2017 27,43 | 43 | 27,43 |
| 44 | 2018 | ||
| 37 | 2018 32,73 | 45 | 32,73 |
| 46 | 2019 | ||
| 38 | 2019 38,23 | 47 | 38,23 |
| 48 | 2020 | ||
| 39 | 2020 43,53 | 49 | 43,53 |
| 50 | 2021 | ||
| 51 | 43,53 | ||
| 52 | 2022 | ||
| 40 | 2021 48,83 | 53 | 48,83 |
| 54 | 2023 | ||
| 41 | 2022 54,33 | 55 | 54,33 |
| 56 | 2024 | ||
| 42 | 2023 58,01 | 57 | 58,01 |
| 58 | vanaf 2025 | ||
| 43 | vanaf 2024 60,67 | 59 | 60,67 |
| 44 | Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in het tweede lid, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen vermeld in de artikelen III.37, §3, 2°, en III.38, §2, 2°, en de bedragen vermeld in het tweede lid als 1 geheel beschouwd. | 60 | Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in het tweede lid, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen vermeld in de artikelen III.37, §3, 2°, en III.38, §2, 2°, en de bedragen vermeld in het tweede lid als 1 geheel beschouwd. |
| 45 | §4. De bedragen, vermeld in paragraaf 3, worden onder de universiteiten verdeeld naar rato van het aantal opgenomen studiepunten en het aantal uitgereikte diploma’s in de academisch gerichte opleidingen waarvan de onderwijsbevoegdheid met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen is van de hogescholen aan de universiteiten. | 61 | §4. De bedragen, vermeld in paragraaf 3, worden onder de universiteiten verdeeld naar rato van het aantal opgenomen studiepunten en het aantal uitgereikte diploma’s in de academisch gerichte opleidingen waarvan de onderwijsbevoegdheid met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen is van de hogescholen aan de universiteiten. |
| 3 | 2° vanaf het begrotingsjaar 2020 : de gegenereerde middelen voor de hbo5-opleidingen voor het schooljaar 2018-2019 in het desbetreffende centrum voor volwassenenonderwijs. | 3 | 2° vanaf het begrotingsjaar 2020 : de gegenereerde middelen voor de hbo5-opleidingen voor het schooljaar 2018-2019 in het desbetreffende centrum voor volwassenenonderwijs. |
| 4 | De gegenereerde middelen, vermeld in punt 1° en 2°, zijn het aantal leraarsuren voor de hbo5-opleidingen in het desbetreffende centrum of centra voor volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2018-2019, berekend conform de artikelen 98 en 99 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, vermenigvuldigd met 98,39 euro. Dit bedrag van 98,39 euro wordt tot en met het begrotingsjaar 2019 aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de aanpassing is 1 september 2017. | 4 | De gegenereerde middelen, vermeld in punt 1° en 2°, zijn het aantal leraarsuren voor de hbo5-opleidingen in het desbetreffende centrum of centra voor volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2018-2019, berekend conform de artikelen 98 en 99 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, vermenigvuldigd met 98,39 euro. Dit bedrag van 98,39 euro wordt tot en met het begrotingsjaar 2019 aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de aanpassing is 1 september 2017. |
| 5 | § 2. De middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, worden cumulatief vermenigvuldigd met het volgende percentage: | 5 | § 2. De som van de middelen zoals toegekend aan de hogescholen overeenkomstig paragraaf 1, 2°, wordt cumulatief vermenigvuldigd met het volgende percentage: |
| 6 | 1° voor het begrotingsjaar 2020: het percentage van de evolutie tussen het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 en het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2017-2018 van de betrokken centra voor volwassenenonderwijs; | 6 | 1° voor het begrotingsjaar 2020: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 en het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2017-2018 van alle betrokken centra voor volwassenen- onderwijs; |
| 7 | 2° voor het begrotingsjaar 2021: het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogeschool en het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 van de betrokken centra voor volwassenenonderwijs; | 7 | 2° voor het begrotingsjaar 2021: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2019-2020 in de hogescholen en het aantal lestijden waarvoor werd inge schreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 van alle betrokken centra voor volwassenenonderwijs; |
| 8 | 3° voor het begrotingsjaar 2022: het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogeschool; | 8 | 3° voor het begrotingsjaar 2022: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academie- jaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogescholen; |
| 9 | 4° voor de begrotingsjaren 2023 en 2024 monitort de Vlaamse Regering budgettaire effecten van de open-end financiering van de graduaatsopleidingen tweemaal per jaar in functie van begrotingsopmaak en begrotingscontrole. Op basis van deze monitoring kan de regering ingrijpen in het groeimechanisme om deze effecten onder controle te houden en eventueel beslissen om over te stappen op een budgetbeheersbaar financieringssysteem. | 9 | 4° voor de begrotingsjaren 2023 en 2024 monitort de Vlaamse Regering bud- gettaire effecten van de open-endfinanciering van de graduaatsopleidingen tweemaal per jaar in functie van begrotingsopmaak en begrotingscontrole. Op basis van deze monitoring kan de regering ingrijpen in het groeimechanisme om deze effecten onder controle te houden en eventueel beslissen om over te stappen op een budgetbeheersbaar financieringssysteem. |
| 10 | De groei berekend overeenkomstig het eerste lid wordt jaarlijks onder de betrokken hogescholen verdeeld op basis van hun aandeel in de groei van het aan- tal lestijden gedeeld door 12 respectievelijk het aantal opgenomen studiepunten. | ||
| 10 | § 3. De middelen, vermeld in paragraaf 1, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. | 11 | § 3. De middelen, vermeld in paragraaf 1, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. |
| 11 | § 4. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de middelen, berekend overeenkomstig paragraaf 1, 2 en 3, jaarlijks met 1/3 afgebouwd. De vrijgekomen middelen worden toegevoegd aan het variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen VOWhbo, vermeld in artikel III.5. | 12 | § 4. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de middelen, berekend overeenkomstig paragraaf 1, 2 en 3, jaarlijks met 1/3 afgebouwd. De vrijgekomen middelen worden toegevoegd aan het variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen VOWhbo, vermeld in artikel III.5. |
| 23 | 3,9 | 23 | 3,9 |
| 24 | 2021 | 24 | 2021 |
| 25 | 4,5 | ||
| 25 | 3,9 | ||
| 26 | 2022 | 26 | 2022 |
| 27 | 4,5 | ||
| 28 | 2023 | ||
| 27 | 4,8 | 29 | 4,8 |
| 28 | vanaf 2023 | 30 | vanaf 2024 |
| 29 | 5,2 | 31 | 5,2 |
| 30 | Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. | 32 | Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. |
| 4 | §4. In afwijking van paragraaf 3 wordt in 2014 182.250 euro, gelijk verdeeld over het aantal hogescholen dat lid is van een samenwerkingsverband. | 4 | §4. In afwijking van paragraaf 3 wordt in 2014 182.250 euro, gelijk verdeeld over het aantal hogescholen dat lid is van een samenwerkingsverband. |
| 5 | § 5. Indien de Hogere Zeevaartschool gebruik maakt van de bepaling, vermeld in artikel 50, § 2, van het decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, kan ze geen aanspraak maken op de werkingstoelage als vermeld in paragraaf 1. | 5 | § 5. Indien de Hogere Zeevaartschool gebruik maakt van de bepaling, vermeld in artikel 50, § 2, van het decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, kan ze geen aanspraak maken op de werkingstoelage als vermeld in paragraaf 1. |
| 6 | § 6. In afwijking van paragraaf 3 is het bedrag van de werkingstoelage van een hogeschool in het begrotingsjaar 2020 gelijk aan het conform artikel III.5, § 9, geïndexeerde bedrag van de werkingsuitkering dat de hogeschool ontvangen heeft in het begrotingsjaar 2019. Dit bedrag wordt in het begrotingsjaar 2020 toegevoegd aan het bedrag dat de hogescholen ontvangen van de centra voor volwassenenonderwijs, zoals vermeld in artikel III.42/1. | 6 | § 6. In afwijking van paragraaf 3 is het bedrag van de werkingstoelage van een hogeschool in het begrotingsjaar 2020 en 2021 gelijk aan het conform artikel III.5, § 9, geïndexeerde bedrag van de werkingsuitkering dat de hogeschool ontvangen heeft in het begrotingsjaar 2019. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden deze middelen toegevoegd aan het variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen VOWhbo, vermeld in artikel III.5. |
| 26 | § 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016 en van 400.000 euro vanaf 2018 niet in rekening gebracht. | 26 | § 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016 en van 400.000 euro vanaf 2018 niet in rekening gebracht. |
| 27 | § 7. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 met 265.000 euro verminderd. | 27 | § 7. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 met 265.000 euro verminderd. |
| 28 | § 8. De toelage, vermeld in paragraaf 1 en berekend overeenkomstig dit artikel, wordt in het begrotingsjaar 2021 als volgt verdeeld over de hogere instituten voor schone kunsten en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren: | ||
| 29 | 1° de toelage voor P.A.R.T.S. (Performing Arts, Research and Training Studies) wordt vastgesteld op 1.297.000 euro; | ||
| 30 | 2° de toelage voor het HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten) wordt vast- gesteld op 1.178.000 euro; | ||
| 31 | 3° de toelage voor het Orpheus Instituut wordt vastgesteld op 750.000 euro; | ||
| 32 | 4° de toelage voor de IOA (International Opera Academy) wordt vastgesteld op 497.000 euro; | ||
| 33 | 5° de toelage voor PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) wordt vastgesteld op 457.000 euro. | ||
| 34 | De bedragen vermeld in het eerste lid, worden in het begrotingsjaar 2021 geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen in paragraaf 1 van dit artikel. | ||
| 1 | De pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsformatie als vermeld in artikel 16, ontvangen jaarlijks 4.584.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen. Van het voormelde bedrag, wordt voor het schooljaar 2019-2020 en schooljaar 2020-2021 478.000 euro gebruikt voor de begeleiding van leerkrachten bij de remediëring van leerlingen in de klasvanaf de opening van de scholen in het derde trimester van het schooljaar 2019-2020 tot en met 30 juni 2021. | 1 | De pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsforma- tie als vermeld in artikel 16, ontvangen in begrotingsjaar 2021 1.606.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen. Van het voormelde bedrag wordt voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 956.000 euro gebruikt voor de begeleiding van leerkrachten bij de remediëring van leerlingen in de klas. Deze aanvullende middelen verdwijnen vanaf begrotingsjaar 2022. |
| 2 | De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de instellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst. | 2 | De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de instellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst. |
| 1 | De bedragen vermeld in de artikelen 18 en 19 in deze afdeling hebben betrekking op het begrotingsjaar 2012. Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 1 | De bedragen vermeld in de artikelen 18 en 19 in deze afdeling hebben betrekking op het begrotingsjaar 2012. Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 2 | De bedragen vermeld in de artikelen 20 en 21/1 in deze afdeling hebben betrekking op het begrotingsjaar 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 2 | Het bedrag, vermeld in het artikel 20 in deze afdeling, heeft betrekking op het begrotingsjaar 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 3 | § 3. De investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur die bestemd is voor het onderwijs, en voor de onroerende investeringen voor de sociale voorzieningen, en tot dekking van de kapitaal- en intrestlasten die voortvloeien uit leningen voor de investeringsuitgaven. | 3 | § 3. De investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur die bestemd is voor het onderwijs, en voor de onroerende investeringen voor de sociale voorzieningen, en tot dekking van de kapitaal- en intrestlasten die voortvloeien uit leningen voor de investeringsuitgaven. |
| 4 | § 4. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in begrotingsjaar 2018 een eenmalige bijkomende investeringsdotatie van 10.000.000 euro. | 4 | § 4. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in begrotingsjaar 2018 een eenmalige bijkomende investeringsdotatie van 10.000.000 euro. |
| 5 | § 5. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in het begrotingsjaar 2021 eenmalige bijkomende investeringsmiddelen ten bedrage van 100.000 euro. | ||
| 4 | Ten laste van het begrotingsjaar 2019 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 643.454,45 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.731.545,55 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 4 | Ten laste van het begrotingsjaar 2019 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 643.454,45 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.731.545,55 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 5 | Ten laste van het begrotingsjaar 2020 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 5 | Ten laste van het begrotingsjaar 2020 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 6 | Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | ||
| 6 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. | 7 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. |
| 7 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. | 8 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. |