Decreet houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende het decreet betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp en het decreet betreffende de integrale jeugdhulp
Staatsblad 4 april 2019 NUMAC 2019011450
4 artikels gewijzigd
| 20 | 16° geïndiceerde jeugdhulpverlening : enerzijds de jeugdhulpverlening die voor de minderjarige op basis van de hulpvraag en in overleg met de context wordt voorgesteld in het indicatiestellingsverslag, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, en die in de vorm van inzetbare en combineerbare typemodules wordt beschreven, waarbij flexibiliteit gewaarborgd is, en anderzijds de jeugdhulpverlening die voor de minderjarige wordt voorgesteld in het verzoek van de jeugdrechter om niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 55; | 20 | 16° geïndiceerde jeugdhulpverlening : enerzijds de jeugdhulpverlening die voor de minderjarige op basis van de hulpvraag en in overleg met de context wordt voorgesteld in het indicatiestellingsverslag, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, en die in de vorm van inzetbare en combineerbare typemodules wordt beschreven, waarbij flexibiliteit gewaarborgd is, en anderzijds de jeugdhulpverlening die voor de minderjarige wordt voorgesteld in het verzoek van de jeugdrechter om niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 55; |
| 21 | 17° gemandateerde voorzieningen : het ondersteuningscentrum Jeugdzorg en de vertrouwenscentra kindermishandeling; | 21 | 17° gemandateerde voorzieningen : het ondersteuningscentrum Jeugdzorg en de vertrouwenscentra kindermishandeling; |
| 22 | 18° gemeenschapsinstelling : een voorziening als vermeld in artikel 47 van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand; | 22 | 18° gemeenschapsinstelling : een instelling als vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht; |
| 23 | 19° gerechtelijke jeugdhulpverlening : de jeugdhulpverlening die wordt opgelegd bij rechterlijke beslissing; | 23 | 19° gerechtelijke jeugdhulpverlening : de jeugdhulpverlening die wordt opgelegd bij rechterlijke beslissing; |
| 24 | 20° hulpprogramma : een voorzieningenoverstijgend en gecoördineerd geheel van jeugdhulpverlening dat bestaat uit een combinatie van modules, afgestemd op de hulpvraag, die al dan niet gelijktijdig ingezet worden met de focus op een specifieke doelgroep of problematiek; | 24 | 20° hulpprogramma : een voorzieningenoverstijgend en gecoördineerd geheel van jeugdhulpverlening dat bestaat uit een combinatie van modules, afgestemd op de hulpvraag, die al dan niet gelijktijdig ingezet worden met de focus op een specifieke doelgroep of problematiek; |
| 30 | 25° intersectorale registratielijst : systeem waarin al de indicatiestellingsverslagen, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, en al de verzoeken van de jeugdrechter om niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 55, op naam van de minderjarige worden opgenomen met het oog op de jeugdhulpregie, vermeld in artikel 26; | 30 | 25° intersectorale registratielijst : systeem waarin al de indicatiestellingsverslagen, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, en al de verzoeken van de jeugdrechter om niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 55, op naam van de minderjarige worden opgenomen met het oog op de jeugdhulpregie, vermeld in artikel 26; |
| 31 | 26° jeugdhulp : het geheel van de jeugdhulpaanbieders, de personeelsleden die de indicatiestelling en de jeugdhulpregie verrichten binnen en voor de toegangspoort, en de personeelsleden die de opdrachten binnen de gemandateerde voorzieningen uitvoeren; | 31 | 26° jeugdhulp : het geheel van de jeugdhulpaanbieders, de personeelsleden die de indicatiestelling en de jeugdhulpregie verrichten binnen en voor de toegangspoort, en de personeelsleden die de opdrachten binnen de gemandateerde voorzieningen uitvoeren; |
| 32 | 27° jeugdhulpaanbieder : een natuurlijke persoon of een voorziening die jeugdhulpverlening aanbiedt, in de vorm van rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of beide, als vermeld in artikel 3, en het ondersteuningscentrum ; | 32 | 27° jeugdhulpaanbieder : een natuurlijke persoon of een voorziening die jeugdhulpverlening aanbiedt, in de vorm van rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of beide, als vermeld in artikel 3, het ondersteuningscentrum en de gemeenschapsinstelling; |
| 33 | 28° jeugdhulpverleningsbeslissing : het document, opgemaakt door het team Jeugdhulpregie, vermeld in artikel 17, derde lid, dat de geïndiceerde jeugdhulpverlening omzet in een of meer modules niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of in een persoonsvolgende financiering die het mogelijk maakt om de geïndiceerde jeugdhulpverlening te realiseren, overeenkomstig artikel 26, § 1, eerste lid, 1° ; | 33 | 28° jeugdhulpverleningsbeslissing : het document, opgemaakt door het team Jeugdhulpregie, vermeld in artikel 17, derde lid, dat de geïndiceerde jeugdhulpverlening omzet in een of meer modules niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of in een persoonsvolgende financiering die het mogelijk maakt om de geïndiceerde jeugdhulpverlening te realiseren, overeenkomstig artikel 26, § 1, eerste lid, 1° ; |
| 34 | 29° jeugdhulpregie : het proces, vermeld in artikel 26, dat wordt uitgevoerd door het team Jeugdhulpregie, vermeld in artikel 17, en dat de geïndiceerde jeugdhulpverlening omzet in een of meer modules jeugdhulpverlening of in een persoonsvolgende financiering; | 34 | 29° jeugdhulpregie : het proces, vermeld in artikel 26, dat wordt uitgevoerd door het team Jeugdhulpregie, vermeld in artikel 17, en dat de geïndiceerde jeugdhulpverlening omzet in een of meer modules jeugdhulpverlening of in een persoonsvolgende financiering; |
| 39 | 34° maatschappelijke noodzaak : de kwalificatie die na het onderzoek, vermeld in artikel 34, door de gemandateerde voorziening aan een verontrustende situatie wordt gegeven en die de noodzaak vastlegt om jeugdhulpverlening in te schakelen; | 39 | 34° maatschappelijke noodzaak : de kwalificatie die na het onderzoek, vermeld in artikel 34, door de gemandateerde voorziening aan een verontrustende situatie wordt gegeven en die de noodzaak vastlegt om jeugdhulpverlening in te schakelen; |
| 40 | 35° ...; | 40 | 35° ...; |
| 41 | 36° minderjarige : elke natuurlijke persoon die jonger is dan achttien jaar of van wie vermoed wordt dat hij jonger dan achttien jaar is ; | 41 | 36° minderjarige : elke natuurlijke persoon die jonger is dan achttien jaarof van wie vermoed wordt dat hij jonger dan achttien jaar is ; |
| 42 | 37° mobiel : de hulp wordt niet in de voorziening maar elders aangeboden (thuis, op school enzovoort); | 42 | 37° mobiel : de hulp wordt niet in de voorziening maar elders aangeboden (thuis, op school enzovoort); |
| 43 | 38° module : een duidelijk afgelijnde eenheid van jeugdhulpverlening op basis van de hulpvraag, aangeboden door een jeugdhulpaanbieder, gebaseerd op één typemodule, die afzonderlijk, gelijktijdig of consecutief en op een manier waarbij de flexibiliteit met andere eenheden van jeugdhulpverlening gewaarborgd is, kan worden aangeboden; | 43 | 38° module : een duidelijk afgelijnde eenheid van jeugdhulpverlening op basis van de hulpvraag, aangeboden door een jeugdhulpaanbieder, gebaseerd op één typemodule, die afzonderlijk, gelijktijdig of consecutief en op een manier waarbij de flexibiliteit met andere eenheden van jeugdhulpverlening gewaarborgd is, kan worden aangeboden; |
| 1 | Een minderjarige die minstens twaalf jaar is of, als hij jonger is dan twaalf jaar , tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken kunnen bij de toegangspoort een verzoek tot toekenning van jeugdhulpverlening indienen als cumulatief de volgende voorwaarden vervuld zijn : | 1 | Een minderjarige die minstens twaalf jaar is of, als hij jonger dan twaalf jaar is, tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken kunnen bij de toegangspoort een aanvraag tot niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp indienen. |
| 2 | 1° de minderjarige, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken hebben een hulpvraag gesteld in de rechtstreeks toegankelijke of niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, maar die hulpvraag is niet beantwoord om een andere reden dan de volledige bezetting van de capaciteit; | ||
| 3 | 2° de minderjarige, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken kunnen aantonen dat er een poging tot bemiddeling heeft plaatsgevonden; | ||
| 4 | 3° de minderjarige, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken zijn niet betrokken bij een procedure bij het ondersteuningscentrum of bij het vertrouwenscentrum kindermishandeling. | ||
| 5 | Het verzoek moet gestaafd worden met een document dat aantoont dat er een poging tot bemiddeling heeft plaatsgevonden. Een poging tot bemiddeling als vermeld in het eerste lid, 2°, impliceert dat de vraag naar bemiddeling is gesteld, maar ofwel dat bemiddeling heeft plaatsgevonden, maar niet heeft geleid tot een conflictoplossing, ofwel dat bemiddeling niet heeft plaatsgevonden omdat een van de betrokken partijen zich niet heeft aangeboden bij de bemiddelaar of omdat er binnen een redelijke termijn geen bemiddeling werd georganiseerd. | ||
| 6 | Als een jeugdhulpaanbieder jeugdhulpverlening weigert aan een minderjarige, een ouder of een opvoedingsverantwoordelijke, moet hij een attest van weigering opmaken waarin die weigering wordt gemotiveerd en waarin de mogelijkheid voor de minderjarige, de ouders of de opvoedingsverantwoordelijke wordt vermeld om bij de toegangspoort een verzoek tot toekenning van jeugdhulpverlening in te dienen. Hij moet de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken ook informeren over die mogelijkheid. | ||
| 7 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de bemiddeling en voor de voorwaarden voor het verzoek tot toekenning van jeugdhulpverlening bij de toegangspoort. | ||
| 2 | De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden om een aanvraag als vermeld in het eerste lid, te kunnen indienen. |
| 1 | § 1. De jeugdrechtbank en de jeugdrechter kunnenna een vordering als vermeld in artikel 47, 1° , de volgende maatregelen nemen : | 1 | § 1. De jeugdrechtbank en de jeugdrechter kunnen, na een vordering als vermeld in artikel 47, 1° en 3°, één of een combinatie van alle volgende maatregelen opleggen : |
| 2 | 1° de ouders van de minderjarige of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken een pedagogische richtlijn verstrekken; | 2 | 1° de ouders van de minderjarige of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken een pedagogische richtlijn verstrekken; |
| 3 | 2° voor ten hoogste één jaar de minderjarige onder toezicht stellen van de sociale dienst; | 3 | 2° voor ten hoogste één jaar de minderjarige onder toezicht stellen van de sociale dienst; |
| 4 | 3° voor ten hoogste één jaar contextbegeleiding bevelen; | ||
| 5 | 4° voor ten hoogste zes maanden de minderjarige een opvoedend project opleggen of de minderjarige, eventueel samen met zijn ouders of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken toevertrouwen aan een project; | 4 | 3° voor ten hoogste zes maanden de minderjarige een opvoedend project opleggen of de minderjarige, eventueel samen met zijn ouders of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken toevertrouwen aan een project; |
| 5 | 4° voor ten hoogste één jaar de functie begeleiding opleggen; | ||
| 6 | 5° voor ten hoogste één jaar de minderjarige een ambulante voorziening doen bezoeken; | 6 | 5° voor ten hoogste één jaar de functie dagopvang opleggen; |
| 7 | 6° voor ten hoogste één jaar de minderjarige die de leeftijd van zeventien jaar heeft bereikt en over voldoende inkomsten beschikt, zelfstandig laten wonen; | ||
| 8 | 7° voor ten hoogste één jaar de minderjarige die de leeftijd van zeventien jaar heeft bereikt, onder permanent toezicht op kamers laten wonen; | ||
| 9 | 8° voor ten hoogste dertig dagen de minderjarige onder de begeleiding stellen van een onthaal- en oriëntatiecentrum; | ||
| 10 | 9° voor ten hoogste zestig dagen de minderjarige onder de begeleiding stellen van een observatiecentrum; | ||
| 11 | 10° een minderjarige toevertrouwen aan een kandidaat-pleegzorger of een pleegzorger als vermeld in artikel 14, § 1 of § 3, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg ten hoogste tot aan de leeftijd van dertien jaar, al dan niet met toepassing van artikel 5 van voormeld decreet, en een minderjarige die ouder is dan dertien jaar, toevertrouwen aan een kandidaat-pleegzorger of aan een pleegzorger als vermeld in artikel 14, § 1 of § 3, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg voor ten hoogste drie jaar, al dan niet met toepassing van artikel 5 van het voormelde decreet; | ||
| 7 | 6° voor ten hoogste één jaar de functie diagnostiek opleggen; | ||
| 8 | 7° voor ten hoogste één jaar de functie behandeling opleggen; | ||
| 9 | 8° voor ten hoogste één jaar de functie training opleggen; | ||
| 10 | 9° voor ten hoogste één jaar de functie verblijf opleggen; | ||
| 11 | 10° voor ten hoogste één jaar de functie beveiligend verblijf opleggen; | ||
| 12 | 11° uitzonderlijk en voor ten hoogste één jaar de minderjarige toevertrouwen aan een geschikte open inrichting ; | 12 | 11° uitzonderlijk en voor ten hoogste één jaar de minderjarige toevertrouwen aan een geschikte open inrichting die niet behoort tot het toepassingsgebied zoals vermeld in artikel 3; |
| 13 | 12° uitzonderlijk en voor ten hoogste drie maanden de minderjarige die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, toevertrouwen aan een geschikte gesloten inrichting, als wordt aangetoond dat de minderjarige zich aan de maatregelen, vermeld in punt 10° en 11°, tweemaal of meer heeft onttrokken en dat die maatregel noodzakelijk is voor het behoud van de integriteit van de persoon van de minderjarige; | ||
| 14 | 13° voor ten hoogste één jaar de minderjarige toevertrouwen aan een psychiatrische inrichting, als dat na een psychiatrische expertise noodzakelijk blijkt. | 13 | 12° voor ten hoogste één jaar de minderjarige toevertrouwen aan een psychiatrische inrichting, als dat na een psychiatrische expertise noodzakelijk blijkt; |
| 15 | De toepassing van de maatregelen, vermeld in het eerste lid, 5° tot en met 13°, moet een contextgerichte werking mogelijk maken, onder meer door de beperking van de afstand tussen de plaats van de uitvoering van de maatregel en de woonplaats van de minderjarige, tenzij wordt aangetoond dat uitsluitend het belang van de minderjarige het anders vereist. | ||
| 16 | De jeugdrechter motiveert waarom de minderjarige bij toepassing van § 1, 11°, niet kan worden toevertrouwd aan een kandidaat-pleegzorger of pleegzorger als bedoeld in § 1, 10°. | ||
| 17 | De jeugdrechtbank en de jeugdrechter motiveren waarom meerdere minderjarigen uit eenzelfde gezin bij toepassing van § 1, 10°, ten aanzien van hen niet kunnen worden toevertrouwd aan eenzelfde kandidaat-pleegzorger of pleegzorger. | ||
| 14 | 13° uitzonderlijk en voor ten hoogste één jaar de minderjarige toevertrouwen aan een afdeling van een gemeenschapsinstelling; | ||
| 15 | 14° uitzonderlijk en voor ten hoogste drie maanden de minderjarige die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, toevertrouwen aan een geschikte gesloten inrichting, als wordt aangetoond dat de minderjarige zich aan de maatregelen, vermeld in punt 9° tot en met 13°, tweemaal of meer heeft onttrokken en dat die maatregel noodzakelijk is voor het behoud van de integriteit van de persoon van de minderjarige. | ||
| 16 | De jeugdrechter en de jeugdrechtbank bepalen de jeugdhulpaanbieder bij wie de functie dient opgenomen te worden en, wanneer aangewezen, vermelden zij de bijhorende typemodules. | ||
| 17 | Voor wat pleegzorg als vermeld in artikel 2, 11°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, betreft, kunnen de jeugdrechtbank en de jeugdrechter een minderjarige toevertrouwen aan een kandidaat-pleegzorger of een pleegzorger als vermeld in artikel 14, § 1 of § 3, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg ten hoogste tot aan de leeftijd van dertien jaar, al dan niet met toepassing van artikel 5 van voormeld decreet, en een minderjarige die ouder is dan dertien jaar, toevertrouwen aan een kandidaat-pleegzorger of aan een pleegzorger als vermeld in artikel 14, § 1 of § 3, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg voor ten hoogste drie jaar, al dan niet met toepassing van artikel 5 van het voormelde decreet. | ||
| 18 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere invulling van de typemodules die onder de functies, vermeld in punt 4° tot en met 10°, vallen. De Vlaamse Regering kan in afwijking van de termijn bepaald in het eerste lid, 4° tot en met 10°, voor specifieke typemodules andere, kortere, termijnen voorzien. | ||
| 18 | Een opvoedend project als vermeld in het eerste lid, 4°, moet cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen: | 19 | Een opvoedend project als vermeld in het eerste lid, 3°, moet cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen: |
| 19 | 1° het is gericht tot een specifieke doelgroep of op een bijzondere probleemsituatie; | 20 | 1° het is gericht tot een specifieke doelgroep of op een bijzondere probleemsituatie; |
| 20 | 2° het is georganiseerd door een jeugdhulpaanbieder of door een organisatie die daarvoor een overeenkomst heeft gesloten met de Vlaamse Regering; | 21 | 2° het is georganiseerd door een jeugdhulpaanbieder of door een organisatie die daarvoor een overeenkomst heeft gesloten met de Vlaamse Regering; |
| 21 | 3° het is gericht op de versterking van de eigen zorg of op de versterking van de zorg in het eigen milieu. | 22 | 3° het is gericht op de versterking van de eigen zorg of op de versterking van de zorg in het eigen milieu. |
| 22 | Als de jeugdrechtbank beslist tot een combinatie van verschillende van de maatregelen, vermeld in het eerste lid, geldt die beslissing voor maximaal zes maanden en moet, in voorkomend geval, in de coördinatie van de maatregelen voorzien worden. | 23 | § 2. Als de jeugdrechtbank beslist tot een combinatie van verschillende van de functies, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, moet, in voorkomend geval, in de coördinatie van de maatregelen voorzien worden. De Vlaamse Regering bepaalt welke combinaties niet mogelijk zijn. |
| 23 | § 2. Bij een combinatie van maatregelen als vermeld in paragraaf 1 kan op hetzelfde ogenblik slechts één maatregel van toepassing zijn. | ||
| 24 | In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering bepalen welke maatregelen gelijktijdig toegepast kunnen worden. | ||
| 24 | Binnen de toepassing van de maatregelen, vermeld in het eerste lid, moet steeds contextgericht gewerkt worden. De uitwerking van contextgericht werken wordt bepaald door de Vlaamse Regering. |
| 1 | De eerste overweging bij uithuisplaatsing moet steeds pleegzorg, zoals omschreven in artikel 2, 11°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, zijn. De jeugdrechter motiveert waarom de minderjarige bij toepassing van artikel 48, 9°, niet kan worden toevertrouwd aan een kandidaat-pleeggezin of pleeggezin als vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg. | ||
| 2 | De jeugdrechtbank en de jeugdrechter motiveren waarom meerdere minderjarigen uit eenzelfde gezin bij toepassing van artikel 48, 9°, ten aanzien van hen niet kunnen worden toevertrouwd aan eenzelfde kandidaat-pleeggezin of pleeggezin. | ||
| 3 | De Vlaamse Regering bepaalt hoe aan dit principe uitvoering moet gegeven worden. |