Tot wijziging van het decreet van 26 april 2019 houdende de justitiehuizen en de juridische eerstelijnsbijstand, wat betreft de optimalisering van de werkprocessen van het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht en de justitiehuizen #155
Gemerged Vlaamse Regering voegde 8 artikels samen in decreet-2019-04-26-1031790 · 26 november 2024 Alle checks geslaagd
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks; de aanvaarde amendementen zitten in de volgende tekst van het voorstel. Hieronder de tekst uit de PDF.
26 maart 2025 (2024-2025)
Amendementen
voorgesteld na indiening van het verslag
op het ontwerp van decreet
tot wijziging van het decreet van 26 april 2019
houdende de justitiehuizen
en de juridische eerstelijnsbijstand,
wat betreft de optimalisering van de werkprocessen
van het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht
en de justitiehuizen
ingediend op
Documenten in het dossier:
: Ontwerp van decreet
– Nr. 2 t.e.m. 5: Amendementen
– Nr. 6: Verslag van de hoorzitting
– Nr. 7: Verslag
– Nr. 8: Amendementen
AMENDEMENT Nr. 9
voorgesteld door Bart Van Opstal, Tom Lamont, Adeline Blancquaert,
Anke Van dermeersch en Chris Janssens
na indiening van het verslag
Artikel 9
Dit artikel schrappen.
VERANTWOORDING
Met artikel 9 wordt een nieuw artikel 25/1 in het decreet van 26 april 2019 houdende de justitiehuizen
en de juridische eerstelijnsbijstand ingevoerd waarbij aan het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht
(VCET), wanneer het in uitzonderlijke omstandigheden zijn opdrachten niet langer voortdurend, regelmatig en zonder onderbreking kan uitvoeren, de mogelijkheid wordt geboden om onder bepaalde voorwaarden een beroep te doen op een private partner voor de uitvoering van die opdrachten.
Zoals de Raad van State in zijn wetgevingsadvies bij dit ontwerp van decreet zeer uitvoerig en pertinent
opmerkt, mag de overheid nooit essentiële overheidstaken opdragen aan private personen of rechtspersonen.
Geconfronteerd met die kritiek van de Raad van State heeft de gemachtigde gesteld dat men altijd
alleen maar via een overheidsopdracht (een raamovereenkomstsysteem waarbij een private partner
zich altijd met voldoende middelen en personeel ter beschikking moet houden voor noodsituaties) een
dergelijke inschakeling van een private partner kan realiseren, alsook dat deze decretale bepaling op
elk moment louter betrekking zal hebben op uitvoerende taken van het VCET.
Een dergelijke manifest contradictorische regeling gaat veel te ver en zal aan de belastingbetaler alleen
maar handenvol geld kosten.
Enerzijds zou de private partner alleen maar in heel uitzonderlijke noodsituaties ingeschakeld kunnen
worden, maar anderzijds moet diezelfde private partner wel continu mensen en middelen betalen en ter
beschikking houden om een onmiddellijke inzet te kunnen verzekeren. Dat komt neer op niets minder
dan de uitbouw en het in stand houden van een parallel VCET dat maar zeer uitzonderlijk operationeel
zal zijn.
Daarbij aansluitend kan men de vraag stellen aan welke zeer bijzondere criteria een dergelijke private
partner zal moeten beantwoorden om een kerntaak van de overheid mee te helpen uitoefenen; criteria
die zonder enige twijfel zo veeleisend zullen zijn dat misschien maar een zeer beperkt aantal gegadigden in aanmerking zal komen voor deelname aan de geplande overheidsopdracht. Een gegeven dat de
kostprijs alleen maar zal doen toenemen.
Als alternatief voor deze bepaling lijkt het meer aangewezen om te investeren in snellere periodieke
beleids- en operationele evaluaties van het VCET, en dit in samenspraak met alle zowel Vlaamse als
federale actoren die een impact hebben op het functioneren van het VCET. Op die manier kan men op
basis van die evaluaties, zo nodig, tijdig in extra mensen en middelen voorzien binnen het VCET zonder
afhankelijk te zijn van dure private partners. Daarmee in samenhang beschouwd, lijkt het ook aangewezen om in de toekomst voortaan met voor de federale justitie bindende quota te werken wat de
verschillende vormen van elektronisch toezicht betreft. Op dit ogenblik kan de federale justitie immers
naar believen meer en meer inzetten op elektronisch toezicht, terwijl alle eruit voortvloeiende toenemende lasten voor rekening zijn van de Vlaamse overheid. Dat is voor Vlaanderen een onhoudbare
situatie.
Het is dus gepast om artikel 9 van dit ontwerp van decreet te schrappen.
AMENDEMENT Nr. 10
voorgesteld door Adeline Blancquaert, Bart Van Opstal, Tom Lamont,
Anke Van dermeersch en Chris Janssens
na indiening van het verslag
Artikel 10
In de voorgestelde tekst, in het eerste lid, op de eerste regel, tussen het
woord “toezichtsmateriaal” en het woord “beschadigt” het woord “opzettelijk”
invoegen.
VERANTWOORDING
Het moedwillig beschadigen of verduisteren van het elektronische toezichtsmateriaal dat het Vlaams
Centrum Elektronisch Toezicht (VCET) inzet bij de uitvoering van de opdracht, mag onder geen beding
getolereerd worden.
Omdat artikel 491 van het Strafwetboek geen sluitende strafbaarstelling vormt om dergelijke opzettelijke beschadigingen of verduisteringen aan banden te leggen, wordt de uitvaardiging van een specifieke
strafbaarstelling noodzakelijk. Op die manier kunnen het Openbaar Ministerie en de correctionele hoven
en rechtbanken respectievelijk tot een correcte en snelle strafvervolging en veroordeling komen van
justitiabelen onder elektronisch toezicht die doelbewust elektronisch toezichtsmateriaal beschadigen of
verduisteren om zich op die manier te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een beslissing van de
gerechtelijke of penitentiaire overheid.
In die optiek werd, gebruikmakend van de impliciete bevoegdheden toegekend door artikel 11, eerste
lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in artikel 10 van het
ontwerp van decreet in een nieuwe strafbaarstelling voorzien. Daaraan wordt gelijktijdig de mogelijke
toepassing van een aantal procedures uit het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving gekoppeld.
Omdat uit de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet duidelijk blijkt dat die strafbepaling
louter de strafbaarstelling van opzettelijke beschadigingen of verduisteringen beoogt, lijkt het gepast
om dat in de vigerende decretale bepaling in die zin te specifiëren.
AMENDEMENT Nr. 11
voorgesteld door Adeline Blancquaert, Bart Van Opstal, Tom Lamont,
Anke Van dermeersch en Chris Janssens
na indiening van het verslag
Artikel 10
In de voorgestelde tekst, tussen het eerste en het tweede lid, een nieuw
lid invoegen, dat luidt als volgt:
“De persoon …