Tot wijziging van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie, wat betreft het stimuleren van de audiovisuele sector door financiële bijdragen aan de productie van audiovisuele werken #1933
Gemerged Vlaamse Regering voegde 14 artikels samen in decreet-2009-03-27-1017858 · 20 december 2023 Alle checks geslaagd
14 artikels gewijzigd
De instructies van dit stuk toegepast op de wet zoals die gold op 1 mrt 2024. De officiële tekst blijft het document van het Parlement.
Art. 2. In artikel 2 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt een punt 1°/5/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“1°/5/1 audiovisueel werk: een animatie-, documentaire- of fictiefilm of een animatie-, documentaire- of fictieserie;”;
2° punt 49° wordt vervangen door wat volgt:
“49° onafhankelijke producent: een van de volgende producenten:
a) de producent die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1) de rechtspersoonlijkheid van de producent is onderscheiden van die van een televisieomroeporganisatie;
2) de producent is niet verbonden als vermeld in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, met een televisieomroeporganisatie;
3) de producent houdt niet rechtstreeks noch onrechtstreeks meer dan 25% van de stemrechten of vermogensrechten van een televisieomroeporganisatie aan;
4) niet meer dan 25% van de stemrechten of vermogensrechten van de producent wordt rechtstreeks of onrechtstreeks aangehouden door een televisieomroeporganisatie;
5) niet meer dan 25% van de stemrechten of vermogensrechten van de producent wordt rechtstreeks of onrechtstreeks aangehouden door een vennootschap die rechtstreeks of onrechtstreeks meer dan 25% van de stemrechten of vermogensrechten van een televisieomroeporganisatie aanhoudt;
b) de producent die wel afhankelijk is conform punt a), 2), 3), 4) of 5), maar die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1) uit de cijfers onderliggend aan de laatste drie goedgekeurde jaarrekeningen blijkt dat de producent een gemiddelde jaaromzet uit audiovisuele producties heeft die voor minder dan 25% rechtstreeks of onrechtstreeks is gerealiseerd bij de televisieomroeporganisaties waarvan die producent afhankelijk is.
Voor de producent die nog niet over drie goedgekeurde jaarrekeningen beschikt, wordt de gemiddelde jaaromzet beoordeeld op basis van een schatting te goeder trouw;
2) de televisieomroeporganisatie waarvan de producent afhankelijk is, heeft maar een beperkte bewezen gemiddelde jaaromzet zoals blijkt uit de cijfers onderliggend aan de laatste drie goedgekeurde jaarrekeningen, namelijk maximaal 10 miljoen euro.
Onder de vermelde omzet worden de inkomsten, exclusief btw, verstaan die verworven zijn in het kader van:
i) betaling door de consument;
ii) b2b-overeenkomsten met betrekking tot de exploitatie en/ of distributie van audiovisuele content;
iii) valorisatie van data;
iv) audiovisuele commerciële communicatie.
Voor de televisieomroeporganisatie die nog niet over drie goedgekeurde jaarrekeningen beschikt, wordt de gemiddelde jaaromzet beoordeeld op basis van een schatting te goeder trouw;”;
3° er wordt een punt 29°/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“29°/2 productieproject: een project dat voorgelegd of uitgevoerd wordt in het kader van de toepassing van artikel 188/2, §1, eerste lid, 1°, en dat voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald door de Vlaamse Regering;”;
4° er wordt een punt 45°/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“45°/2 Vlaams Audiovisueel Fonds, afgekort VAF: Vlaams Audiovisueel Fonds vzw, opgericht bij het decreet van 13 april 1999 houdende machtiging van de Vlaamse Regering om toe te treden tot en om mee te werken aan de oprichting van de vereniging zonder winstgevend doel Vlaams Audiovisueel Fonds;”.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (plaats van invoeging niet gevonden). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | De televisieomroeporganisatie van de Vlaamse Gemeenschap en de particuliere lineaire televisieomroeporganisaties streven ernaar om ten minste tien procent van hun niet aan informatie, sport, spel, reclame, teletekst en telewinkelen gewijde zendtijd te besteden aan Europese producties die vervaardigd zijn door van de televisieomroeporganisaties onafhankelijke producenten . | 1 | De televisieomroeporganisatie van de Vlaamse Gemeenschap en de particuliere lineaire televisieomroeporganisaties streven ernaar om ten minste tien procent van hun niet aan informatie, sport, spel, reclame, teletekst en telewinkelen gewijde zendtijd te besteden aan Europese producties die vervaardigd zijn door onafhankelijke producenten of door producenten die geen onafhankelijke producenten zijn als vermeld artikel 2, 49°, maar die onafhankelijk zijn in de zin van artikel 2, 49°, a), van de televisieomroeporganisatie die de productie uitzendt. |
| 2 | Een aanzienlijk deel ervan moet worden besteed aan recente producties. Dat zijn producties die binnen een periode van vijf jaar nadat ze gemaakt zijn, worden uitgezonden. | 2 | Een aanzienlijk deel ervan moet worden besteed aan recente producties. Dat zijn producties die binnen een periode van vijf jaar nadat ze gemaakt zijn, worden uitgezonden. |
| 3 | Er moet voldoende ruimte worden gemaakt voor recente Nederlandstalige Europese producties. | 3 | Er moet voldoende ruimte worden gemaakt voor recente Nederlandstalige Europese producties. |
Art. 4. In artikel 157 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 29 juni 2018 en gewijzigd bij het decreet van 22 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “niet-lineaire televisieomroeporganisaties” telkens vervangen door de woorden “televisieomroeporganisaties die niet-lineaire televisiediensten aanbieden”;
2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
“De verplichtingen, vermeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing op televisieomroeporganisaties die niet-lineaire televisiediensten aanbieden die minstens aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° ze zijn een micro-onderneming;
2° ze bereiken met hun aanbod van niet-lineaire televisiediensten minder dan 0,5% van alle inwoners van het Nederlandse taalgebied.”;
3° in paragraaf 1 wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
“De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en regels voor de vrijstellingen, vermeld in het tweede lid.”;
4° paragraaf 2 wordt opgeheven;
5° in paragraaf 3 worden de woorden “de paragrafen 1 en 2” vervangen door de woorden “paragraaf 1”;
6° paragraaf 4 wordt opgeheven;
7° in paragraaf 3 worden de woorden “niet-lineaire televisieomroeporganisaties” vervangen door de woorden “televisieomroeporganisaties die niet-lineaire televisiediensten aanbieden”.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden in het genoemde deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | § 1. Iedere dienstenverdeler die een of meerdere omroepdiensten van een of meerdere televisieomroeporganisaties die vallen onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap, op lineaire of niet-lineaire wijze ter beschikking stelt van het publiek, neemt deel aan de productie van audiovisuele werken, ofwel onder de vorm van een financiële bijdrage aan de coproductie van audiovisuele werken, ofwel onder de vorm van een gelijkwaardige financiële bijdrage aan het Vlaams Audiovisueel Fonds vzw, opgericht bij het decreet van 13 april 1999 houdende machtiging van de Vlaamse Regering om toe te treden tot en om mee te werken aan de oprichting van de vereniging zonder winstgevend doel Vlaams Audiovisueel Fonds. Deze bijdrage wordt door het Vlaams Audiovisueel Fonds besteed aan Vlaamse, kwalitatieve onafhankelijke producties in reeksvorm, die tot stand komen in coproductie met de openbare omroeporganisatie van de Vlaamse Gemeenschap en/of de in Vlaanderen erkende en/of aangemelde televisieomroeporganisaties en waarover de Vlaamse Regering met het Vlaams Audiovisueel Fonds een beheersovereenkomst sluit. | ||
| 2 | De dienstenverdeler brengt het Vlaams Audiovisueel Fonds, de Vlaamse Regulator voor de Media en de Vlaamse Regering ieder jaar vóór 15 februari met een ter post aangetekende brief op de hoogte van de door hem gekozen vorm van deelname, bij gebrek waaraan hij geacht wordt gekozen te hebben voor participatie door middel van een financiële bijdrage aan het Vlaams Audiovisueel Fonds. | ||
| 3 | § 2. De in § 1 vermelde financiële bijdrage aan coproductie neemt de vorm aan van coproductieprojecten die voor beoordeling van de ontvankelijkheid en erkenning worden voorgelegd aan de Vlaamse Regulator voor de Media. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten met betrekking tot de procedure voor indiening van de coproductieprojecten alsook met betrekking tot de beoordeling van de ontvankelijkheid en de erkenning van deze coproductieprojecten. De Vlaamse Regering bepaalt tevens de nadere modaliteiten met betrekking tot de procedure voor de financiële bijdrage aan het Vlaams Audiovisueel Fonds. | ||
| 4 | § 3. Het forfaitaire bedrag van de deelname van elke dienstenverdeler aan de productie van audiovisuele werken, vermeld in paragraaf 1, bedraagt 3 miljoen euro per jaar. In afwijking daarvan kan de dienstenverdeler opteren voor een deelname voor een bedrag van 1,3 euro per abonnee in het Nederlandse taalgebied, berekend op grond van de meest recente en door de Vlaamse Regulator voor de Media aanvaarde gegevens die werden meegedeeld in uitvoering van artikel 182. Worden die gegevens niet adequaat aangeleverd, dan zal de forfaitaire bijdrage verschuldigd zijn. | ||
| 5 | De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden vanaf 1 januari 2015 jaarlijks geïndexeerd op basis van het prijsindexcijfer zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. Dit gebeurt door de bedragen zoals vermeld in het eerste lid, te vermenigvuldigen met hierboven vermeld prijsindexcijfer vastgesteld voor de maand januari van het lopende jaar en te delen door het hierboven vermeld prijsindexcijfer vastgesteld voor de maand februari van het jaar 2014. | ||
| 6 | Een dienstenverdeler waarvan blijkt dat hij met toepassing van § 2 voor de betrokken periode onvoldoende investeringen in coproductieprojecten heeft voorgelegd aan de Vlaamse Regulator voor de Media, is gehouden tot de financiële bijdrage, als bedoeld in § 1, aan het Vlaams Audiovisueel Fonds voor het volledige bedrag als bedoeld in die paragraaf met aftrek van de reeds voorgelegde investeringen. | ||
| 7 | Heeft de dienstenverdeler zijn keuze voor investering in coproductie van audiovisuele werken kenbaar gemaakt en is het tekort aan investering in coproductieprojecten te wijten aan de beslissing van de Vlaamse Regulator voor de Media dat een of meerdere coproductieprojecten niet ontvankelijk zijn of niet erkend worden overeenkomstig de procedure bedoeld in § 2, dan stort de dienstenverdeler het saldo van de totaal verschuldigde financiële bijdrage als bedoeld in § 1 aan het Vlaams Audiovisueel Fonds. | ||
| 8 | § 4. Een participatie in een coproductie ter uitvoering van een andere wettelijke of reglementaire verplichting of die een ander wettelijk of reglementair voordeel met zich meebrengt, kan niet in rekening worden gebracht in het kader van de deelnameplicht, vermeld in dit artikel. |
| 1 | §1. De volgende investeerders nemen jaarlijks deel aan de productie van audiovisuele werken in de vorm van een rechtstreekse financiële bijdrage aan de productie van audiovisuele werken of in de vorm van een gelijkwaardige financiële bijdrage aan het Vlaams Audiovisueel Fonds: | ||
| 2 | 1° dienstenverdelers die een of meer omroepdiensten van een of meer televisieomroeporganisaties die vallen onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap, op lineaire of niet-lineaire wijze ter beschikking stellen van het publiek; | ||
| 3 | 2° particuliere omroeporganisaties die onder de bevoegdheid vallen van de Vlaamse Gemeenschap met toepassing van artikel 150/1 voor de door hen aangeboden niet-lineaire televisiediensten in een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, of daarbuiten; | ||
| 4 | 3° particuliere omroeporganisaties, voor de door hen aangeboden niet-lineaire televisiediensten in: | ||
| 5 | a) het Nederlandse taalgebied; | ||
| 6 | b) het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad; | ||
| 7 | 4° aanbieders van videoplatformdiensten die onder de bevoegdheid vallen van de Vlaamse Gemeenschap met toepassing van artikel 176/3 voor de door hen aangeboden videoplatformdiensten in een andere lidstaat van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte, of daarbuiten; | ||
| 8 | 5° aanbieders van videoplatformdiensten, voor de door hen aangeboden videoplatformdiensten in: | ||
| 9 | a) het Nederlandse taalgebied; | ||
| 10 | b) het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. | ||
| 11 | §2. De verplichte financiële bijdrage aan de productie van audiovisuele werken, vermeld in paragraaf 1, is niet van toepassing op: | ||
| 12 | 1° particuliere omroeporganisaties die niet-lineaire televisiediensten aanbieden en die minstens aan een van de volgende voorwaarden voldoen: | ||
| 13 | a) ze zijn een micro-onderneming; | ||
| 14 | b) ze bereiken met hun aanbod van niet-lineaire televisiediensten minder dan 0,5% van alle inwoners van het Nederlandse taalgebied; | ||
| 15 | c) ze bieden jaarlijks minder dan tien audiovisuele werken aan; | ||
| 16 | d) hun aanbod bestaat hoofdzakelijk uit programma’s die gebaseerd zijn op ‘Broadcaster Video on Demand’-rechten; | ||
| 17 | 2° dienstenverdelers en aanbieders van videoplatformdiensten die een microonderneming zijn. | ||
| 18 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en regels voor de vrijstellingen van de bijdrage. |
| 1 | §1. De rechtstreekse financiële bijdrage aan de productie van audiovisuele werken, als vermeld in artikel 188/1, §1, kan de volgende vormen aannemen: | ||
| 2 | 1° een bijdrage aan Vlaamse productieprojecten, die worden voorgelegd aan de Vlaamse Regulator voor de Media om de ontvankelijkheid en erkenning ervan te beoordelen; | ||
| 3 | 2° een bijdrage om uitzendrechten voor het Nederlandse taalgebied te verwerven op een Vlaams productieproject, vermeld in punt 1°. | ||
| 4 | Het Vlaams Audiovisueel Fonds besteedt de gelijkwaardige financiële bijdrage aan het Vlaams Audiovisueel Fonds, vermeld in artikel 188/1, §1, conform de beheersovereenkomsten tussen de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Audiovisueel Fonds vzw over het VAF/Mediafonds en VAF/Filmfonds. | ||
| 5 | §2. De Vlaamse Regering bepaalt: | ||
| 6 | 1° de criteria op basis waarvan een productieproject kan gekwalificeerd worden als een Vlaams productieproject; | ||
| 7 | 2° de nadere regels, voorwaarden en de procedure voor indiening van de Vlaamse productieprojecten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°; | ||
| 8 | 3° de voorwaarden en de regels om een bijdrage om uitzendrechten te verwerven als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, mee in rekening te nemen; | ||
| 9 | 4° de voorwaarden en regels met betrekking tot de beoordeling van de ontvankelijkheid, de erkenning en de opvolging van de Vlaamse productieprojecten en bijdragen om uitzendrechten te verwerven, vermeld in paragraaf 1, eerste lid; | ||
| 10 | 5° de nadere regels met betrekking tot de procedure voor de gelijkwaardige financiële bijdrage aan het Vlaams Audiovisueel Fonds, vermeld in paragraaf 1, tweede lid. | ||
| 11 | §3. Investeerders die met toepassing van paragraaf 1 onvoldoende financiële bijdragen aan Vlaamse productieprojecten hebben voorgelegd aan de Vlaamse Regulator voor de Media, of die onvoldoende financiële bijdragen aan Vlaamse productieprojecten kunnen inbrengen als gevolg van de beslissing van de Vlaamse Regulator voor de Media dat een of meer Vlaamse productieprojecten niet ontvankelijk zijn of niet erkend worden, zijn gehouden tot de financiële bijdrage aan het Vlaams Audiovisueel Fonds voor het volledige bedrag, vermeld in titel III, met aftrek van de bijdragen die al zijn voorgelegd voor Vlaamse productieprojecten die al zijn voorgelegd en erkend. | ||
| 12 | §4. Een financiële bijdrage aan een productie ter uitvoering van een andere wettelijke of reglementaire verplichting of die een ander wettelijk of reglementair voordeel met zich meebrengt, kan niet in rekening worden gebracht in het kader van de bijdrageverplichting, vermeld in artikel 188/1, §1. |
| 1 | Iedere investeerder, vermeld in artikel 188/1, §1, bezorgt de Vlaamse Regulator voor de Media, het Vlaams Audiovisueel Fonds, de Vlaamse minister bevoegd voor media en de Vlaamse minister bevoegd voor cultuur jaarlijks vóór 15 april de volgende gegevens en bewijsstukken: | ||
| 2 | 1° de gekozen vorm van deelname aan de productie van audiovisuele werken, vermeld in artikel 188/1, §1; | ||
| 3 | 2° het bedrag van de financiële bijdrage, vermeld in titel III, en, in voorkomend geval, de bewijsstukken om het voormelde bedrag te staven; | ||
| 4 | 3° in voorkomend geval het bewijs van toepasbaarheid van een van de uitsluitingsgronden, vermeld in artikel 188/1, §2. De bewijsstukken van de voorwaarden, vermeld in artikel 188/1, §2, eerste lid, 1° en 2°, hebben betrekking op de gegevens van het tweede jaar dat voorafgaat aan het jaar van de deelname aan de productie van audiovisuele werken, vermeld in artikel 188/1, §1. | ||
| 5 | Als de gegevens of de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid onder punt 2° en punt 3°, niet tijdig zijn ingediend, wordt de investeerder geacht gekozen te hebben voor een deelname aan de productie van audiovisuele werken door middel van een gelijkwaardige financiële bijdrage aan het Vlaams Audiovisueel Fonds voor het forfaitaire bedrag dat de investeerder verschuldigd is op basis van respectievelijk artikel 188/4, 1°, artikel 188/5, §1, eerste lid, 1°, of artikel 188/6, §1, eerste lid, | ||
| 6 | 1°. De Vlaamse Regulator voor de Media brengt de betrokken investeerder daarvan op de hoogte. Een investeerder is vrijgesteld van het betalen van het forfaitair bedrag indien hij binnen de tien werkdagen na de kennisgeving aan de Vlaamse Regulator voor de Media, kan aantonen dat hij voldoet aan één van de uitsluitingsgronden, vermeld in artikel 188/1, §2. | ||
| 7 | De dossiers met de gegevens en bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, worden in het Nederlands ingediend. De investeerder die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, of daarbuiten, of in België maar niet in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, kan zijn dossier in het Engels indienen. | ||
| 8 | De gegevens en bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, worden elektronisch ingediend, op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt. | ||
| 9 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en regels betreffende de rapportering door de Vlaamse Regulator voor de Media en het Vlaams Audiovisueel Fonds over de deelname aan de productie van audiovisuele werken in de vorm van een rechtstreekse financiële bijdrage aan de productie van audiovisuele werken of in de vorm van een gelijkwaardige financiële bijdrage aan het Vlaams Audiovisueel Fonds als vermeld in artikel 188/1. |
| 1 | De dienstenverdelers kiezen een van de volgende systemen voor het bepalen van de jaarlijkse bijdrage om hun verplichting tot deelname aan de productie van audiovisuele werken, vermeld in artikel 188/1, §1, na te leven: | ||
| 2 | 1° de betaling van een forfaitair bedrag van 7 miljoen euro. Het voormelde forfaitaire bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd conform artikel 188/7; | ||
| 3 | 2° de betaling van een bedrag van 3 euro per abonnee in het Nederlandse taalgebied. Het voormelde bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd conform artikel 188/7. | ||
| 4 | Het aantal abonnees wordt bepaald op grond van de meest recente gegevens die zijn meegedeeld ter uitvoering van artikel 182, voorafgaand aan het jaar van de deelname aan de productie van audiovisuele werken, en die door de Vlaamse Regulator voor de Media aanvaard zijn. |
| 1 | §1. De particuliere omroeporganisaties die niet-lineaire televisiediensten aanbieden, kiezen een van de volgende systemen voor het bepalen van de jaarlijkse bijdrage om hun verplichting tot deelname aan de productie van audiovisuele werken, vermeld in artikel 188/1, §1, na te leven: | ||
| 2 | 1° de betaling van een forfaitair bedrag van 7 miljoen euro. Het voormelde forfaitaire bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd conform artikel 188/7; | ||
| 3 | 2° de betaling van een bedrag dat gelijk is aan: | ||
| 4 | a) 2% van hun omzet als die tussen 0 euro en 15 miljoen euro ligt; | ||
| 5 | b) 3% van hun omzet als die tussen 15 en 30 miljoen euro ligt; | ||
| 6 | c) 4% van hun omzet als die hoger dan 30 miljoen euro ligt. | ||
| 7 | De omzet, vermeld in het eerste lid, 2°, heeft betrekking op de omzet die gerealiseerd wordt in het tweede jaar dat voorafgaat aan het jaar van de deelname aan de productie van audiovisuele werken. | ||
| 8 | In het eerste lid, 2°, wordt onder omzet verstaan: de volgende inkomsten uit de levering aan de eindgebruiker van niet-lineaire televisiediensten, exclusief btw: | ||
| 9 | 1° de inkomsten uit de betaling door de eindgebruiker. Die omvatten niet de inkomsten van particuliere omroeporganisaties die niet-lineaire televisiediensten aanbieden die geen onderscheiden rechtspersoonlijkheid hebben van een dienstenverdeler of waarover exclusieve controle wordt uitgeoefend door een dienstenverdeler die valt onder de toepassing van artikel 188/1, §1, 1°, voor hun aanbod van niet-lineaire televisiediensten dat op transactionele basis alleen beschikbaar is voor abonnees van die dienstenverdeler; | ||
| 10 | 2° de inkomsten uit overeenkomsten met dienstenverdelers en aanbieders van eindapparatuur met interactieve computerfuncties voor toegang tot televisiediensten; | ||
| 11 | 3° de inkomsten uit de valorisatie van data; | ||
| 12 | 4° de inkomsten uit audiovisuele commerciële communicatie. | ||
| 13 | Als een particuliere omroeporganisatie die niet-lineaire televisiediensten aanbiedt, gedurende het tweede jaar dat voorafgaat aan het jaar van de deelname aan de productie van audiovisuele werken, minder dan twaalf maanden actief was, wordt de jaaromzet berekend door de gemiddelde maandelijkse omzet van het tweede jaar dat voorafgaat aan het jaar van de deelname aan de productie van audiovisuele werken, met twaalf te vermenigvuldigen. | ||
| 14 | De particuliere omroeporganisaties die niet-lineaire televisiediensten aanbieden, bewijzen hun omzet, vermeld in het eerste lid, 2°, met stukken die gevalideerd zijn door een bedrijfsrevisor. De voormelde stukken worden integraal als bijlage gevoegd bij de gegevens en bewijsstukken, vermeld in artikel 188/3. De Vlaamse Regulator voor de Media is bevoegd om over de voormelde stukken alle relevante inlichtingen en documenten te vragen aan de particuliere omroeporganisaties die niet-lineaire televisiediensten aanbieden. | ||
| 15 | §2. Voor de particuliere omroeporganisaties wat betreft hun diensten, vermeld in 188/1, §1, 2°, wordt voor de berekening van de omzet, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, rekening gehouden met de inkomsten in alle andere lidstaten van de Europese Unie waarop ze zich richten, in voorkomend geval na aftrek van de inkomsten die afkomstig zijn uit een andere lidstaat waarop de omroeporganisatie zich richt en waar ze met toepassing van artikel 13 van de richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten onderworpen is aan een stelsel van financiële bijdragen aan de productie van Europese werken. | ||
| 16 | Voor particuliere omroeporganisaties wat betreft hun diensten, vermeld in artikel 188/1, §1, 3°, wordt alleen rekening gehouden met de inkomsten van de diensten die aangeboden worden in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad om de omzet, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, te berekenen. |
| 1 | §1. Aanbieders van videoplatformdiensten kiezen een van de volgende systemen voor het bepalen van de jaarlijkse bijdrage om hun verplichting tot deelname aan de productie van audiovisuele werken, vermeld in artikel 188/1, §1, na te leven: | ||
| 2 | 1° de betaling van een forfaitair bedrag van 7 miljoen euro. Het voormelde forfaitaire bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd conform artikel 188/7; | ||
| 3 | 2° de betaling van een bedrag dat gelijk is aan: | ||
| 4 | a) 2% van hun omzet als die tussen 0 euro en 15 miljoen euro ligt; | ||
| 5 | b) 3% van hun omzet als die tussen 15 en 30 miljoen euro ligt; | ||
| 6 | c) 4% van hun omzet als die hoger dan 30 miljoen euro ligt. | ||
| 7 | De omzet, vermeld in het eerste lid, 2°, heeft betrekking op de omzet die gerealiseerd wordt in het tweede jaar dat voorafgaat aan het jaar van de deelname aan de productie van audiovisuele werken. | ||
| 8 | In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder omzet: de inkomsten, exclusief btw, die verworven worden uit: | ||
| 9 | 1° de betaling door de eindgebruiker; | ||
| 10 | 2° de overeenkomsten met dienstenverdelers en aanbieders van eindapparatuur met interactieve computerfuncties voor toegang tot televisiediensten; | ||
| 11 | 3° de valorisatie van data; | ||
| 12 | 4° commerciële communicatie. | ||
| 13 | §2. De aanbieders van videoplatformdiensten bewijzen hun omzet, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, met stukken die gevalideerd zijn door een bedrijfsrevisor. | ||
| 14 | De voormelde stukken worden integraal als bijlage gevoegd bij de gegevens en bewijsstukken, vermeld in artikel 188/3. De Vlaamse Regulator voor de Media is bevoegd om over de voormelde stukken alle relevante inlichtingen en documenten te vragen aan de aanbieders van de videoplatformdienst. | ||
| 15 | §3. Voor aanbieders van videoplatformdiensten wat betreft hun diensten, vermeld in artikel 188/1, §1, 4°, wordt voor de berekening van de omzet, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, rekening gehouden met de inkomsten in alle andere lidstaten van de Europese Unie waarop ze zich richten, in voorkomend geval na aftrek van de inkomsten die afkomstig zijn uit een andere lidstaat waarop de aanbieder van de videoplatformdienst zich richt en waar deze ook onderworpen is aan een stelsel van financiële bijdragen teneinde de productie van Europese werken te stimuleren. | ||
| 16 | Voor aanbieders van videoplatformdiensten wat betreft hun diensten, vermeld in artikel 188/1, §1, 5°, wordt alleen rekening gehouden met de inkomsten van de diensten die aangeboden worden in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad om de omzet, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, te berekenen. |
| 1 | De bedragen, vermeld in artikel 188/4, 188/5 en 188/6, worden vanaf 1 januari 2025 jaarlijks geïndexeerd op basis van het prijsindexcijfer zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ’s lands concurrentievermogen. | ||
| 2 | De indexatie, vermeld in het eerste lid, gebeurt door de bedragen, vermeld in artikel 188/4, 188/5 en 188/6, te vermenigvuldigen met het voormelde prijsindexcijfer dat is vastgesteld voor de maand januari van het lopende jaar, en door dat resultaat te delen door het hierboven vermeld prijsindexcijfer vastgesteld voor de maand januari van het jaar 2024. |
| 1 | De Vlaamse Regering maakt, uiterlijk in het derde jaar na de inwerkingtreding, een evaluatie op van de regeling, vermeld in artikel 188/1 tot en met 188/7. |