§ flandrepo

Decreet tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid

Staatsblad 17 november 2020 NUMAC 2020042913
38 artikels gewijzigd
+2 −2 woninghuurdecreet/art. 12
1Leveringsplicht en staat van het goed1Leveringsplicht en staat van het goed
2§ 1. De verhuurder is verplicht het goed in alle opzichten in goede staat van onderhoud te leveren.2§ 1. De verhuurder is verplicht het goed in alle opzichten in goede staat van onderhoud te leveren.
3Het gehuurde goed moet beantwoorden aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en woningkwaliteit, vermeld in artikel 5 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, hierna de Vlaamse Wooncode te noemen.
3Het gehuurde goed moet beantwoorden aan de vereiste van conformiteit, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 8°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
4De aanwezigheid van een conformiteitsattest als vermeld in artikel 7 van de Vlaamse Wooncode, dat binnen drie maanden voor de aanvang van de huurovereenkomst werd afgeleverd, geldt als vermoeden van de naleving van de verplichting, vermeld in het tweede lid.4De aanwezigheid van een conformiteitsattest als vermeld in artikel 3.6 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, dat binnen drie maanden voor de aanvang van de huurovereenkomst werd afgeleverd, geldt als vermoeden van de naleving van de verplichting, vermeld in het tweede lid.
5§ 2. Een huurovereenkomst die wordt gesloten voor een goed dat niet voldoet aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, is nietig. De nietigheid moet door de rechter worden vastgesteld.5§ 2. Een huurovereenkomst die wordt gesloten voor een goed dat niet voldoet aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, is nietig. De nietigheid moet door de rechter worden vastgesteld.
6Met behoud van het recht voor de huurder om een schadevergoeding te eisen, kan de rechter die de nietigheid, vermeld in het eerste lid, uitspreekt, een bezettingsvergoeding opleggen die gebaseerd is op de objectieve huurwaarde van het pand, rekening houdende met de gebreken aan het goed.6Met behoud van het recht voor de huurder om een schadevergoeding te eisen, kan de rechter die de nietigheid, vermeld in het eerste lid, uitspreekt, een bezettingsvergoeding opleggen die gebaseerd is op de objectieve huurwaarde van het pand, rekening houdende met de gebreken aan het goed.
+1 −1 woninghuurdecreet/art. 13
74° er zijn geen huurgelden verschuldigd tijdens de overeengekomen duur van de werkzaamheden, met dien verstande dat de duur niet korter mag zijn dan de duur die redelijkerwijze noodzakelijk is om de werkzaamheden uit te voeren.74° er zijn geen huurgelden verschuldigd tijdens de overeengekomen duur van de werkzaamheden, met dien verstande dat de duur niet korter mag zijn dan de duur die redelijkerwijze noodzakelijk is om de werkzaamheden uit te voeren.
8Zolang het gehuurde goed gebreken vertoont die een veiligheids- of gezondheidsrisico inhouden, mag de huurder het gehuurde goed niet bewonen. De Vlaamse Regering stelt de gebreken vast die een veiligheids- of gezondheidsrisico inhouden en kan regels vastleggen met betrekking tot het bewijs van het herstel van deze gebreken.8Zolang het gehuurde goed gebreken vertoont die een veiligheids- of gezondheidsrisico inhouden, mag de huurder het gehuurde goed niet bewonen. De Vlaamse Regering stelt de gebreken vast die een veiligheids- of gezondheidsrisico inhouden en kan regels vastleggen met betrekking tot het bewijs van het herstel van deze gebreken.
9Als het gehuurde goed in overeenstemming werd gebracht met de vereisten, vermeld in artikel 12, § 1, tweede lid, vraagt de huurder een conformiteitsattest als vermeld in artikel 7 van de Vlaamse Wooncode.9Als het gehuurde goed in overeenstemming werd gebracht met de vereisten, vermeld in artikel 12, § 1, tweede lid, vraagt de huurder een conformiteitsattest als vermeld in artikel 3.6 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
10Als tegenprestatie verbindt de verhuurder zich ertoe tijdens een bepaalde periode die meer dan negen jaar kan bedragen, af te zien van het recht om de huurovereenkomst vervroegd op te zeggen of van het recht de herziening van de huurprijs te vragen of verbindt hij zich ertoe de huurprijs te verlagen of kwijt te schelden.10Als tegenprestatie verbindt de verhuurder zich ertoe tijdens een bepaalde periode die meer dan negen jaar kan bedragen, af te zien van het recht om de huurovereenkomst vervroegd op te zeggen of van het recht de herziening van de huurprijs te vragen of verbindt hij zich ertoe de huurprijs te verlagen of kwijt te schelden.
11Na de beëindiging van de werkzaamheden wordt op verzoek van de meest gerede partij overgegaan tot de oplevering ervan op tegenspraak.11Na de beëindiging van de werkzaamheden wordt op verzoek van de meest gerede partij overgegaan tot de oplevering ervan op tegenspraak.
+1 −1 woninghuurdecreet/art. 18
81° de hem verleende omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen als deze voor de werkzaamheden vereist is; en81° de hem verleende omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen als deze voor de werkzaamheden vereist is; en
92° een omstandig bestek of een beschrijving van de werkzaamheden samen met een gedetailleerde kostenraming of een aannemingsovereenkomst.92° een omstandig bestek of een beschrijving van de werkzaamheden samen met een gedetailleerde kostenraming of een aannemingsovereenkomst.
10§ 2. De werken moeten worden aangevat binnen zes maanden en worden beëindigd binnen vierentwintig maanden na het verstrijken van de opzegging door de verhuurder of na de teruggave van het goed door de huurder als de teruggave later plaatsvindt. Na de beëindiging van de werken, vraagt de verhuurder een conformiteitsattest als vermeld in artikel 7 van de Vlaamse Wooncode.10§ 2. De werken moeten worden aangevat binnen zes maanden en worden beëindigd binnen vierentwintig maanden na het verstrijken van de opzegging door de verhuurder of na de teruggave van het goed door de huurder als de teruggave later plaatsvindt. Na de beëindiging van de werken, vraagt de verhuurder een conformiteitsattest als vermeld in artikel 3.6 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
11Als de verhuurder de werkzaamheden niet binnen de gestelde termijn en voorwaarden uitvoert en geen bewijs van buitengewone omstandigheden kan leveren, heeft de huurder recht op een vergoeding die gelijk is aan achttien maanden huur.11Als de verhuurder de werkzaamheden niet binnen de gestelde termijn en voorwaarden uitvoert en geen bewijs van buitengewone omstandigheden kan leveren, heeft de huurder recht op een vergoeding die gelijk is aan achttien maanden huur.
12De huurder kan de verhuurder verzoeken om hem kosteloos de documenten te bezorgen waaruit blijkt dat de werkzaamheden conform de voorwaarden, vermeld in dit artikel, zijn uitgevoerd.12De huurder kan de verhuurder verzoeken om hem kosteloos de documenten te bezorgen waaruit blijkt dat de werkzaamheden conform de voorwaarden, vermeld in dit artikel, zijn uitgevoerd.
+1 −1 woninghuurdecreet/art. 22
4Als de verhuurder binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen opzegging heeft gedaan, wordt de huurovereenkomst telkens onder dezelfde voorwaarden voor een duur van drie jaar verlengd.4Als de verhuurder binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen opzegging heeft gedaan, wordt de huurovereenkomst telkens onder dezelfde voorwaarden voor een duur van drie jaar verlengd.
5Als de verhuurder de huurovereenkomst bij het verstrijken van de derde driejarige periode of van een volgende driejarige periode beëindigt met toepassing van artikel 19, § 1, is de vergoeding gelijk aan drie maanden huur.5Als de verhuurder de huurovereenkomst bij het verstrijken van de derde driejarige periode of van een volgende driejarige periode beëindigt met toepassing van artikel 19, § 1, is de vergoeding gelijk aan drie maanden huur.
6§ 2. Wanneer de huurovereenkomst wordt gesloten tussen enerzijds een private verhuurder en anderzijds een sociaal verhuurkantoor dat overeenkomstig artikel 56 van de Vlaamse Wooncode erkend is als huurdienst of de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, vermeld in artikel 30 van de Vlaamse Wooncode, en de huurovereenkomst wordt gesloten voor een duurtijd gelijk aan of langer dan vijftien jaar, kunnen de partijen overeenkomen om de mogelijkheid van vroegtijdige beëindiging, vermeld in artikel 20, § 1, uit te sluiten of te beperken.6§ 2. Wanneer de huurovereenkomst wordt gesloten tussen enerzijds een private verhuurder en anderzijds een sociaal verhuurkantoor dat overeenkomstig artikel 4.54 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 erkend is als huurdienst of de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, vermeld in artikel 4.7 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en de huurovereenkomst wordt gesloten voor een duurtijd gelijk aan of langer dan vijftien jaar, kunnen de partijen overeenkomen om de mogelijkheid van vroegtijdige beëindiging, vermeld in artikel 20, § 1, uit te sluiten of te beperken.
+1 −1 woninghuurdecreet/art. 32
1Onderhuur1Onderhuur
2§ 1. De huurder die een woning in huur genomen heeft die hij tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt, mag het goed niet volledig onderverhuren.2§ 1. De huurder die een woning in huur genomen heeft die hij tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt, mag het goed niet volledig onderverhuren.
3In afwijking van het eerste lid kunnen een gemeente, een autonoom gemeentebedrijf, een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, een vereniging als vermeld in deel 3, titel 4, hoofdstuk 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, een vereniging zonder winstoogmerk of een instelling van openbaar nut waarop het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 van toepassing is, de sociale ondernemingen voor zover ze erkend zijn volgens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 en de sociale woonorganisaties, vermeld in titel V van de Vlaamse Wooncode, het goed aan een of meer natuurlijke personen geheel onderverhuren, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:3In afwijking van het eerste lid kunnen een gemeente, een autonoom gemeentebedrijf, een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, een vereniging als vermeld in deel 3, titel 4, hoofdstuk 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, een vereniging zonder winstoogmerk of een instelling van openbaar nut waarop het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 van toepassing is, de sociale ondernemingen voor zover ze erkend zijn volgens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 en de sociale woonorganisaties, vermeld in boek 4, deel 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, het goed aan een of meer natuurlijke personen geheel onderverhuren, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
41° de voormelde natuurlijke personen zijn minder gegoed of bevinden zich in een behartenswaardige sociale situatie;41° de voormelde natuurlijke personen zijn minder gegoed of bevinden zich in een behartenswaardige sociale situatie;
52° de voormelde natuurlijke personen bestemmen het goed uitsluitend tot hun hoofdverblijfplaats;52° de voormelde natuurlijke personen bestemmen het goed uitsluitend tot hun hoofdverblijfplaats;
+2 −2 woninghuurdecreet/art. 52
62° als, mede gelet op wat is vastgesteld over de gemeenschappelijke huishouding en de tijdsduur daarvan, de vordering kennelijk alleen de strekking heeft die persoon op korte termijn de positie van huurder te verschaffen;62° als, mede gelet op wat is vastgesteld over de gemeenschappelijke huishouding en de tijdsduur daarvan, de vordering kennelijk alleen de strekking heeft die persoon op korte termijn de positie van huurder te verschaffen;
73° als die persoon vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur;73° als die persoon vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur;
84° als de bezettingsnorm die vastgesteld is krachtens artikel 5, § 1, derde lid, van de Vlaamse Wooncode, zou worden overschreden.84° als de bezettingsnorm die vastgesteld is krachtens artikel 3.1, § 1, vierde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zou worden overschreden.
9§ 2. De huurders zijn tegenover de verhuurder hoofdelijk en ondeelbaar gehouden voor de uitvoering van de verplichtingen van de huurovereenkomst, met dien verstande dat een huurder niet gehouden is voor verplichtingen die zijn ontstaan voordat hij huurder werd. De huurders oefenen samen de rechten uit die voortvloeien uit de huurovereenkomst.9§ 2. De huurders zijn tegenover de verhuurder hoofdelijk en ondeelbaar gehouden voor de uitvoering van de verplichtingen van de huurovereenkomst, met dien verstande dat een huurder niet gehouden is voor verplichtingen die zijn ontstaan voordat hij huurder werd. De huurders oefenen samen de rechten uit die voortvloeien uit de huurovereenkomst.
10§ 3. Een huurder kan de huurovereenkomst opzeggen ten persoonlijke titel onder de voorwaarden, vermeld in deze titel. De vergoeding, vermeld in artikel 20, § 1, tweede lid, en 21, § 2, tweede lid, is niet verschuldigd.10§ 3. Een huurder kan de huurovereenkomst opzeggen ten persoonlijke titel onder de voorwaarden, vermeld in deze titel. De vergoeding, vermeld in artikel 20, § 1, tweede lid, en 21, § 2, tweede lid, is niet verschuldigd.
141° als die persoon vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur;141° als die persoon vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur;
152° als de overblijvende huurder of huurders uitdrukkelijk te kennen geven die persoon niet te kunnen aanvaarden;152° als de overblijvende huurder of huurders uitdrukkelijk te kennen geven die persoon niet te kunnen aanvaarden;
163° als de bezettingsnorm die vastgesteld is krachtens artikel 5, § 1, derde lid, van de Vlaamse Wooncode, zou worden overschreden.163° als de bezettingsnorm die vastgesteld is krachtens artikel 3.1, § 1, vierde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zou worden overschreden.
17Na aanvaarding door de verhuurder en de overblijvende huurder of huurders of na een rechterlijke beslissing waarin een nieuwe huurder wordt aanvaard, is de huurder, vermeld in het eerste lid, na het verstrijken van de opzeggingstermijn niet langer gehouden tot het nakomen van de huurdersverplichtingen.17Na aanvaarding door de verhuurder en de overblijvende huurder of huurders of na een rechterlijke beslissing waarin een nieuwe huurder wordt aanvaard, is de huurder, vermeld in het eerste lid, na het verstrijken van de opzeggingstermijn niet langer gehouden tot het nakomen van de huurdersverplichtingen.
18Als geen nieuwe huurder wordt voorgesteld of geen nieuwe huurder wordt aanvaard door de verhuurder en de overblijvende huurder of huurders of na een rechterlijke beslissing, kan de verhuurder de huurder, vermeld in het eerste lid, gedurende zes maanden nadat hij geen huurder meer is, aanspreken voor de betaling van de huurprijs.18Als geen nieuwe huurder wordt voorgesteld of geen nieuwe huurder wordt aanvaard door de verhuurder en de overblijvende huurder of huurders of na een rechterlijke beslissing, kan de verhuurder de huurder, vermeld in het eerste lid, gedurende zes maanden nadat hij geen huurder meer is, aanspreken voor de betaling van de huurprijs.
+1 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 4.1.1
2414° verkavelen : een grond vrijwillig verdelen in twee of meer kavels om ten minste één van deze kavels te verkopen of te verhuren voor méér dan negen jaar, om er een recht van erfpacht of opstal op te vestigen, of om één van deze overdrachtsvormen aan te bieden, zelfs onder opschortende voorwaarde, zulks met het oog op woningbouw of de oprichting van constructies;2414° verkavelen : een grond vrijwillig verdelen in twee of meer kavels om ten minste één van deze kavels te verkopen of te verhuren voor méér dan negen jaar, om er een recht van erfpacht of opstal op te vestigen, of om één van deze overdrachtsvormen aan te bieden, zelfs onder opschortende voorwaarde, zulks met het oog op woningbouw of de oprichting van constructies;
2515° verkrot : niet voldoend aan de elementaire eisen van stabiliteit;2515° verkrot : niet voldoend aan de elementaire eisen van stabiliteit;
2616° woning : een goed, vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 31°, van de Vlaamse Wooncode;2616° woning : een goed, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 66°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
2717° zonevreemde constructie : hetzij een constructie die niet beantwoordt aan de voor het perceel geldende bestemmingsvoorschriften en die niet gelegen is binnen een minder dan vijftien jaar oude niet-vervallen verkaveling, hetzij een constructie die gelegen is in een reservatiestrook en die niet behoort tot de nutswerken waarvoor de reservatiestrook is afgebakend;2717° zonevreemde constructie : hetzij een constructie die niet beantwoordt aan de voor het perceel geldende bestemmingsvoorschriften en die niet gelegen is binnen een minder dan vijftien jaar oude niet-vervallen verkaveling, hetzij een constructie die gelegen is in een reservatiestrook en die niet behoort tot de nutswerken waarvoor de reservatiestrook is afgebakend;
2818° zorgwonen : een vorm van wonen waarbij voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden :2818° zorgwonen : een vorm van wonen waarbij voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden :
+2 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 5.4.1
21° « weekendverblijf » : een al dan niet verplaatsbare en vanuit bouwfysisch oogpunt hoofdzakelijk vergunde constructie die krachtens de stedenbouwkundige voorschriften niet tot permanente bewoning kan worden bestemd, en die voldoet aan alle volgende voorwaarden :21° « weekendverblijf » : een al dan niet verplaatsbare en vanuit bouwfysisch oogpunt hoofdzakelijk vergunde constructie die krachtens de stedenbouwkundige voorschriften niet tot permanente bewoning kan worden bestemd, en die voldoet aan alle volgende voorwaarden :
3a) zij heeft een maximaal bouwvolume van 300 m3,3a) zij heeft een maximaal bouwvolume van 300 m3,
4b) onverminderd het tweede lid voldoet zij aan de vereisten, vastgesteld bij en krachtens artikel 5, § 1, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode,4b) onverminderd het tweede lid voldoet zij aan de vereisten, vastgesteld bij en krachtens artikel 3.1, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021,
5c) zij is niet gelegen in een natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, aangewezen op een plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan;5c) zij is niet gelegen in een natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, aangewezen op een plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan;
62° « permanente bewoners » : personen die voldoen aan beide hiernavolgende voorwaarden :62° « permanente bewoners » : personen die voldoen aan beide hiernavolgende voorwaarden :
8b) zij hebben geen andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik.8b) zij hebben geen andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik.
9Indien een constructie voldoet aan alle voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, a) en c).9Indien een constructie voldoet aan alle voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, a) en c).
10Maar volgens de bevindingen van het conformiteitsonderzoek, vermeld in artikel 5, § 2, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, aangetast is door tekortkomingen die verholpen kunnen worden door renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerken, dan wordt de constructie voor de toepassing van dit hoofdstuk als een weekendverblijf beschouwd totdat deze werken zijn uitgevoerd, op voorwaarde dat de voltooiing van de werken geschiedt binnen de termijnen, gesteld krachtens artikel 18, § 1, eerste lid, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode. Indien de reglementaire normen in uitvoering van artikel 18, § 1, eerste lid, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, bepaalde personen vrijstellen van deze termijnen, dan wordt deze vrijstellingenregeling buiten toepassing gelaten.10Maar volgens de bevindingen van het conformiteitsonderzoek, vermeld in artikel 3.1, § 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, aangetast is door tekortkomingen die verholpen kunnen worden door renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerken, dan wordt de constructie voor de toepassing van dit hoofdstuk als een weekendverblijf beschouwd totdat deze werken zijn uitgevoerd, op voorwaarde dat de voltooiing van de werken geschiedt binnen de termijnen, gesteld krachtens artikel 3.30, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. Indien de reglementaire normen in uitvoering van artikel 3.30, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, bepaalde personen vrijstellen van deze termijnen, dan wordt deze vrijstellingenregeling buiten toepassing gelaten.
+1 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 5.4.3
72° een andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik verwerft;72° een andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik verwerft;
83° na 1 september 2009 met betrekking tot het weekendverblijf een misdrijf of een inbreuk als vermeld in artikel 6.2.1 en 6.2.2., begaat.83° na 1 september 2009 met betrekking tot het weekendverblijf een misdrijf of een inbreuk als vermeld in artikel 6.2.1 en 6.2.2., begaat.
9Het woonrecht vervalt ten slotte indien het weekendverblijf tenietgaat of niet langer voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 5 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode.9Het woonrecht vervalt ten slotte indien het weekendverblijf tenietgaat of niet langer voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 3.1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
10§ 3. Het woonrecht houdt in hoofde van de permanente bewoners en hun gezinsleden het recht in om het weekendverblijf permanent te bewonen gedurende de periode waarbinnen het woonrecht geldt. De gezinsleden genieten geen eigenstandig woonrecht en bouwen daartoe geen rechten op.10§ 3. Het woonrecht houdt in hoofde van de permanente bewoners en hun gezinsleden het recht in om het weekendverblijf permanent te bewonen gedurende de periode waarbinnen het woonrecht geldt. De gezinsleden genieten geen eigenstandig woonrecht en bouwen daartoe geen rechten op.
11Gedurende de uitoefening van het woonrecht :11Gedurende de uitoefening van het woonrecht :
+1 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 5.6.2
2§ 2. De volgende personen zijn ontheven :2§ 2. De volgende personen zijn ontheven :
31° de eigenaars van één enkele onbebouwde grond bij uitsluiting van enig ander onroerend goed;31° de eigenaars van één enkele onbebouwde grond bij uitsluiting van enig ander onroerend goed;
42° de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode.42° de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
5De krachtens het eerste lid, 2°, verleende ontheffingen gelden slechts gedurende de vijf kalenderjaren die volgen op de verwerving van het goed. Ze gelden gedurende de vijf dienstjaren die volgen op de inwerkingtreding van de belastingverordening, indien het goed op dat tijdstip reeds verworven is.5De krachtens het eerste lid, 2°, verleende ontheffingen gelden slechts gedurende de vijf kalenderjaren die volgen op de verwerving van het goed. Ze gelden gedurende de vijf dienstjaren die volgen op de inwerkingtreding van de belastingverordening, indien het goed op dat tijdstip reeds verworven is.
6§ 3. Onverminderd het bepaalde in § 2, kunnen de gemeenten tariefdiversificaties en bijkomende ontheffingen van de belastingen, vermeld in § 1, vaststellen teneinde hun ruimtelijke doelstellingen te realiseren.6§ 3. Onverminderd het bepaalde in § 2, kunnen de gemeenten tariefdiversificaties en bijkomende ontheffingen van de belastingen, vermeld in § 1, vaststellen teneinde hun ruimtelijke doelstellingen te realiseren.
+1 −1 decreet-2014-04-25/art. 75
52° de bewerkstelliging van een vermenging van kavels die tegemoetkomen aan de behoeften van diverse maatschappelijke groepen op grond van de grootte van de kavels, respectievelijk de typologie, de kwaliteit, de vloeroppervlakte, het volume of de lokalenindeling van de woningen die erop opgericht worden, of van de op te stellen vaste of verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt.52° de bewerkstelliging van een vermenging van kavels die tegemoetkomen aan de behoeften van diverse maatschappelijke groepen op grond van de grootte van de kavels, respectievelijk de typologie, de kwaliteit, de vloeroppervlakte, het volume of de lokalenindeling van de woningen die erop opgericht worden, of van de op te stellen vaste of verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt.
6Lasten kunnen ook inhouden dat als de werken zijn begonnen, aan de overheid gratis, vrij en onbelast de eigendom wordt overgedragen van de in de vergunningsaanvraag vermelde openbare wegen, groene of verharde ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen, of de gronden waarop die worden of zullen worden aangelegd.6Lasten kunnen ook inhouden dat als de werken zijn begonnen, aan de overheid gratis, vrij en onbelast de eigendom wordt overgedragen van de in de vergunningsaanvraag vermelde openbare wegen, groene of verharde ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen, of de gronden waarop die worden of zullen worden aangelegd.
7Als voldaan is aan de uitsluitende voorwaarde, vermeld in artikel 4.2.5van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, verbindt de vergunningverlenende overheid van rechtswege een last aan de omgevingsvergunning met het oog op de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod.7Als voldaan is aan de uitsluitende voorwaarde, vermeld in artikel 5.100 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, verbindt de vergunningverlenende overheid van rechtswege een last aan de omgevingsvergunning met het oog op de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod.
8Als de uitvoering van diverse lasten financieel moet worden gewaarborgd, dan hanteert het bestuur één waarborg voor de totaliteit van de lasten in kwestie waarbij aangegeven wordt welk waarborggedeelte betrekking heeft op elk van de lasten afzonderlijk.8Als de uitvoering van diverse lasten financieel moet worden gewaarborgd, dan hanteert het bestuur één waarborg voor de totaliteit van de lasten in kwestie waarbij aangegeven wordt welk waarborggedeelte betrekking heeft op elk van de lasten afzonderlijk.
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 1.1.0.0.3
1De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 5, van deze codex, worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk VIII, afdeling 2, van het decreet van 22 december 1995.1De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 5, van deze codex, worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van artikel 1.3 en boek 3, deel 5, titel 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
2De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 6, van deze codex, worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van het decreet van 19 april 1995.2De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 6, van deze codex, worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van het decreet van 19 april 1995.
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.1.4.0.1
31° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn of aan door haar opgerichte verenigingen waarvan slechts één of meer Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn deel uitmaken;31° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn of aan door haar opgerichte verenigingen waarvan slechts één of meer Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn deel uitmaken;
42° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan gemeenten;42° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan gemeenten;
53° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of aan de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in artikel 40 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode;53° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of aan de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
64° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan het Vlaams Woningfonds;64° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan het Vlaams Woningfonds;
75° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan een erkend sociaal verhuurkantoor;75° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan een erkend sociaal verhuurkantoor;
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.1.6.0.2
32° de onroerende goederen waarvan minstens de benedenverdieping wordt gebruikt om een kleinhandelsactiviteit uit te oefenen, die in een kernwinkelgebied liggen en waarvan een of meer verdiepingen boven de kleinhandelsactiviteit op grond van een geldige omgevingsvergunning verbouwd worden tot een of meer woningen;32° de onroerende goederen waarvan minstens de benedenverdieping wordt gebruikt om een kleinhandelsactiviteit uit te oefenen, die in een kernwinkelgebied liggen en waarvan een of meer verdiepingen boven de kleinhandelsactiviteit op grond van een geldige omgevingsvergunning verbouwd worden tot een of meer woningen;
43° de onroerende goederen waar sloopwerkzaamheden, gevolgd door vervangbouw, worden uitgevoerd en die voorafgaand aan de omgevingsvergunning of meldingsakte opgenomen zijn in een van de volgende inventarissen:43° de onroerende goederen waar sloopwerkzaamheden, gevolgd door vervangbouw, worden uitgevoerd en die voorafgaand aan de omgevingsvergunning of meldingsakte opgenomen zijn in een van de volgende inventarissen:
5a) de inventaris van ongeschikte of onbewoonbare woningen, vermeld in artikel 26, § 1, van het decreet van 22 december 1995;5a) de inventaris van ongeschikte of onbewoonbare woningen, vermeld in artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
6b) de inventaris van leegstaande of verwaarloosde bedrijfsruimten, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 19 april 1995.6b) de inventaris van leegstaande of verwaarloosde bedrijfsruimten, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 19 april 1995.
7In het eerste lid wordt verstaan onder:7In het eerste lid wordt verstaan onder:
+2 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.5.1.0.1
1§ 1. De gemeenten zijn gemachtigd tot het heffen van een gemeentelijke heffing op ongeschikte en/of onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris, rekening houdend met het minimale voorschrift dat de minimumaanslag bedraagt:1§ 1. De gemeenten zijn gemachtigd tot het heffen van een gemeentelijke heffing op ongeschikte en/of onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris, rekening houdend met het minimale voorschrift dat de minimumaanslag bedraagt:
2a) 500 euro voor een kamer als vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 10° bis, van de Vlaamse Wooncode;2a) 500 euro voor een kamer als vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 25°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
3b) 990 euro voor elke andere woning dan deze, vermeld in a).3b) 990 euro voor elke andere woning dan deze, vermeld in a).
4§ 2. De gemeente geeft vóór 31 maart van het aanslagjaar aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kennis over de heffing, vermeld in paragraaf 1, aan de hand van een voor eensluidend verklaard afschrift van het gemeenteraadsbesluit.4§ 2. De gemeente geeft vóór 31 maart van het aanslagjaar aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kennis over de heffing, vermeld in paragraaf 1, aan de hand van een voor eensluidend verklaard afschrift van het gemeenteraadsbesluit.
5§ 3. Er wordt een gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen geheven op ongeschikte en onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris. Als de gemeente een eigen heffingsreglement heeft dat minstens één van de minima voorziet vermeld in paragraaf 1, dan wordt in die gemeente de gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen niet geheven.5§ 3. Er wordt een gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen geheven op ongeschikte en onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris. Als de gemeente een eigen heffingsreglement heeft dat minstens één van de minima voorziet vermeld in paragraaf 1, dan wordt in die gemeente de gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen niet geheven.
6Voor de toepassing van het eerste lid geldt, behalve in geval van sloop, het vermoeden dat de woning die is opgenomen in de inventaris, vermeld in artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, ononderbroken is blijven voortbestaan vanaf datum van de opname in de inventaris tot op de datum van de schrapping uit deze inventaris met toepassing van artikel 3.23. Dit vermoeden kan slechts worden weerlegd wanneer de woning ophield voort te bestaan na het uitvoeren van handelingen waarvoor een omgevingsvergunning werd afgeleverd.
+2 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.5.1.0.1
1§ 1. De gemeenten zijn gemachtigd tot het heffen van een gemeentelijke heffing op ongeschikte en/of onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris, rekening houdend met het minimale voorschrift dat de minimumaanslag bedraagt:1§ 1. De gemeenten zijn gemachtigd tot het heffen van een gemeentelijke heffing op ongeschikte en/of onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris, rekening houdend met het minimale voorschrift dat de minimumaanslag bedraagt:
2a) 500 euro voor een kamer als vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 10° bis, van de Vlaamse Wooncode;2a) 500 euro voor een kamer als vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 25°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
3b) 990 euro voor elke andere woning dan deze, vermeld in a).3b) 990 euro voor elke andere woning dan deze, vermeld in a).
4§ 2. De gemeente geeft vóór 31 maart van het aanslagjaar aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kennis over de heffing, vermeld in paragraaf 1, aan de hand van een voor eensluidend verklaard afschrift van het gemeenteraadsbesluit.4§ 2. De gemeente geeft vóór 31 maart van het aanslagjaar aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kennis over de heffing, vermeld in paragraaf 1, aan de hand van een voor eensluidend verklaard afschrift van het gemeenteraadsbesluit.
5§ 3. Er wordt een gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen geheven op ongeschikte en onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris. Als de gemeente een eigen heffingsreglement heeft dat minstens één van de minima voorziet vermeld in paragraaf 1, dan wordt in die gemeente de gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen niet geheven.5§ 3. Er wordt een gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen geheven op ongeschikte en onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris. Als de gemeente een eigen heffingsreglement heeft dat minstens één van de minima voorziet vermeld in paragraaf 1, dan wordt in die gemeente de gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen niet geheven.
6Voor de toepassing van het eerste lid geldt, behalve in geval van sloop, het vermoeden dat de woning die is opgenomen in de inventaris, vermeld in artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, ononderbroken is blijven voortbestaan vanaf datum van de opname in de inventaris tot op de datum van de schrapping uit deze inventaris met toepassing van artikel 3.23. Dit vermoeden kan slechts worden weerlegd wanneer de woning ophield voort te bestaan na het uitvoeren van handelingen waarvoor een omgevingsvergunning werd afgeleverd.
+3 −4 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.5.4.0.1
1De heffing wordt berekend volgens de volgende formule: KI * (P + 1).1De heffing wordt berekend volgens de volgende formule: B * (P + 1), waarbij:
2De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt :
31° KI = het kadastraal inkomen, vermeld in artikel 2.5.3.0.1, dat niet minder bedraagt dan 990 euro. Als zich verschillende gebouwen of woningen op een kadastraal perceel bevinden, staat KI voor het kadastraal inkomen van de grond en de opstanden van het hele perceel, vermenigvuldigd met een breuk waarin de teller gelijk is aan de oppervlakte van de geïnventariseerde woning, en de noemer gelijk is aan de totale oppervlakte van de gebouwen of de woningen die zich op het kadastraal perceel bevinden, en bedraagt het KI niet minder dan 990 euro;
2- B gelijk is aan het geïndexeerd basisbedrag, vermeld in artikel 2.5.3.0.1, afgerond naar het eerstvolgende natuurlijk getal;
42° P = het aantal periodes van twaalf maanden dat het gebouw of de woning zonder onderbreking is opgenomen op de desbetreffende lijst in de inventaris, en dat niet meer bedraagt dan vier.3- P gelijk is aan het aantal periodes van twaalf maanden dat de woning zonder onderbreking is opgenomen op de desbetreffende lijst in de inventaris, vermeld in artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en waarbij P niet meer bedraagt dan vier.
+2 −2 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.5.6.0.2
32°...;32°...;
43° de woningen die getroffen zijn door een ramp die zich heeft voorgedaan onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige, gedurende een periode van twee jaar die volgt op de datum van de ramp;43° de woningen die getroffen zijn door een ramp die zich heeft voorgedaan onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige, gedurende een periode van twee jaar die volgt op de datum van de ramp;
54° de woningen waarvoor het sociaal beheersrecht conform artikel 90, § 2 en § 3, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, ingesteld is;54° de woningen waarvoor het sociaal beheersrecht conform artikel 5.82 tot 5.85 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, ingesteld is;
65° de woningen waarvoor een renovatiecontract als vermeld in artikel 18, § 2, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, gesloten is.65° de woningen waarvoor een renovatiecontract als vermeld in artikel 3.30, § 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, gesloten is.
7Onder een ramp als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt verstaan elke gebeurtenis die uiterlijk waarneembare schade veroorzaakt aan de woning, waardoor het gebruik of de bewoning van de woning geheel of ten dele onmogelijk wordt.7Onder een ramp als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt verstaan elke gebeurtenis die uiterlijk waarneembare schade veroorzaakt aan de woning, waardoor het gebruik of de bewoning van de woning geheel of ten dele onmogelijk wordt.
8§ 2. Er wordt een vrijstelling van de heffing wegens overmacht verleend aan de houder van het zakelijk recht die aantoont dat de woning opgenomen blijft in de inventaris om redenen die onafhankelijk zijn van zijn wil. Die vrijstelling wordt verleend voor een termijn van één jaar, maar wordt jaarlijks verlengd als de overmacht aanhoudt.8§ 2. Er wordt een vrijstelling van de heffing wegens overmacht verleend aan de houder van het zakelijk recht die aantoont dat de woning opgenomen blijft in de inventaris om redenen die onafhankelijk zijn van zijn wil. Die vrijstelling wordt verleend voor een termijn van één jaar, maar wordt jaarlijks verlengd als de overmacht aanhoudt.
+8 −7 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.5.7.0.3
1Er wordt een opschorting van de heffing verleend zodra de belastingplichtige een stedenbouwkundige vergunning, een schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, of een gedetailleerd renovatieschema voorlegt waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken gaat uitvoeren. Als de belastingplichtige tijdens de termijn van vier maanden na de kennisgeving van het besluit tot ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring, vermeld in artikel 27 van het decreet van 22 december 1995, een stedenbouwkundige vergunning, een schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, of een gedetailleerd renovatieschema voorlegt en dat document dateert van voor het besluit tot ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring, op basis waarvan de inventarisatie van de woning gebeurt, dan gaat de opschorting in op de datum van de inventarisatie in plaats van op de datum waarop de stedenbouwkundige vergunning, de schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, of het gedetailleerde renovatieschema voorgelegd wordt.
1Er wordt een opschorting van de heffing verleend zodra de belastingplichtige:
2- een omgevingsvergunning tot sloop of een schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een omgevingsvergunning tot sloop, opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, voorlegt;
3- een gedetailleerd renovatieschema voorlegt waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken zal uitvoeren met het oog op het herstel van de conformiteit, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 8°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
2Het gedetailleerde renovatieschema moet de volgende stukken bevatten :4Het gedetailleerde renovatieschema bevat al de volgende stukken:
31° een tekening of schets van de woning met aanduiding van de geplande werken;51° een tekening of schets van de woning met aanduiding van de geplande werken;
42° een volledige opsomming en korte beschrijving van alle geplande werken;62° een volledige opsomming en korte beschrijving van alle geplande werken;
53° een raming van de kosten van de geplande werken door middel van een van de volgende stukken:73° een raming van de kosten van de geplande werken via een van de volgende stukken:
6a) een offerte voor de levering en plaatsing van materialen door een aannemer;8a) een offerte voor de levering en plaatsing van materialen door een aannemer;
7b) een offerte voor de levering van materialen als de werken in eigen beheer worden uitgevoerd;9b) een offerte voor de levering van materialen als de werken in eigen beheer worden uitgevoerd;
8c) een combinatie van beide offertes;10c) een combinatie van beide offertes;
94° een fotoreportage van de delen van de woning die gerenoveerd worden.114° een fotoreportage van de delen van de woning die gerenoveerd worden.
10Voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk VIII, afdeling 2, van het decreet van 22 december 1995 wordt sloop die gevolgd wordt door vervangingsbouw, gelijkgesteld met renovatiewerkzaamheden.
11De opschorting geldt voor de heffingen die verschuldigd zijn op de inventarisatiedata die in de periode van opschorting vallen.12De opschorting geldt voor de heffingen die verschuldigd zijn op de inventarisatiedata die in de periode van opschorting vallen.
12De periode van opschorting eindigt op het moment dat de renovatiewerkzaamheden beëindigd zijn . Ze kan niet langer duren dan vier jaar, tenzij de renovatiewerkzaamheden betrekking hebben op drie of meer gebouwen of woningen, of dermate omvangrijk zijn dat ze niet kunnen worden voltooid in vier jaar, in welke gevallen de maximale periode vijf jaar bedraagt.13De periode van opschorting eindigt op het moment dat de renovatiewerkzaamheden beëindigd zijn of de sloop voltooid is. Ze kan niet langer duren dan twee jaar, tenzij de belastingplichtige aantoont dat voor het herstel van de conformiteit, vermeld in het eerste lid, een omgevingsvergunning noodzakelijk is of tenzij de werken betrekking hebben op drie of meer gebouwen of woningen, of zo omvangrijk zijn dat ze niet kunnen worden voltooid in twee jaar. In die gevallen bedraagt de maximale periode vier jaar.
13De opschorting wordt ongedaan gemaakt als de renovatiewerken die opgenomen zijn in de stedenbouwkundige vergunning of in het gedetailleerde renovatieschema, op het einde van de periode van opschorting niet beëindigd zijn, tenzij op dat ogenblik een periode van vrijstelling loopt met toepassing van artikel 2.5.6.0.1 of 2.5.6.0.2. De opschorting wordt ook ongedaan gemaakt als de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning geweigerd wordt. De opgeschorte heffingen zijn in die gevallen alsnog verschuldigd.14De opschorting wordt ongedaan gemaakt als de ongeschikte en/of onbewoonbare woning op het einde van de periode van opschorting of op het ogenblik van de overdracht van een zakelijk recht als vermeld in artikel 2.5.2.0.1, niet uit de inventaris geschrapt is, tenzij op dat ogenblik een periode van vrijstelling loopt met toepassing van artikel 2.5.6.0.1 of 2.5.6.0.2. De opschorting wordt ook ongedaan gemaakt als de aanvraag van een omgevingsvergunning tot sloop geweigerd wordt. De opgeschorte heffingen zijn in die gevallen alsnog verschuldigd.
14Als de renovatiewerkzaamheden worden uitgevoerd door een sociale woonorganisatie, de gemeente of het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, dan kan de termijn van vier of vijf jaar door de Vlaamse Regering worden verlengd op grond van een verslag over de voorbereiding of de vordering van de werkzaamheden.15Als de renovatiewerkzaamheden of de sloop worden uitgevoerd door een sociale woonorganisatie, de gemeente of het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, dan kan de termijn, vermeld in het vierde lid, door de Vlaamse Regering worden verlengd op grond van een verslag over de voorbereiding of de vordering van de werkzaamheden.
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.7.4.2.1
65° de provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;65° de provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
76° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in punt 1° tot en met 5° ;76° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in punt 1° tot en met 5° ;
87° erkende sociale huisvestingsmaatschappijen als vermeld in artikel 40 van de Vlaamse Wooncode van 15 juli 1997;87° erkende sociale huisvestingsmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
98° de coöperatieve vennootschap Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen;98° de coöperatieve vennootschap Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen;
109° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;109° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.8.4.1.1
585° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;585° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
596° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5° ;596° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5° ;
607° erkende sociale huisvestingsmaatschappijen als vermeld in artikel 40 van de Vlaamse Wooncode;607° erkende sociale huisvestingsmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
618° de coöperatieve vennootschap Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen;618° de coöperatieve vennootschap Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen;
629° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;629° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.8.4.3.1
4978.5004978.500
50Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van het eerste lid, wordt teruggegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/1. Het abattement toegepast overeenkomstig artikel 2.8.3.0.4 en de vermindering verleend overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1 blijft in dat geval behouden.50Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van het eerste lid, wordt teruggegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/1. Het abattement toegepast overeenkomstig artikel 2.8.3.0.4 en de vermindering verleend overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1 blijft in dat geval behouden.
51§ 2. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest en gedaan met ingang van 1 juli 2015, berekend volgens het tarief, vermeld in paragraaf 1, op voorwaarde dat de begiftigden of een van hen, binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum van de akte van schenking het conformiteitsattest, vermeld in titel III, hoofdstuk II, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, en een geregistreerde huurovereenkomst voor het geschonken goed met een minimumduur van negen jaar, beiden daterend van na de datum van de akte van schenking, voorlegt. Noch de schenker, noch de begiftigden of een van hen mogen in de geregistreerde huurovereenkomst als huurder optreden.51§ 2. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest en gedaan met ingang van 1 juli 2015, berekend volgens het tarief, vermeld in paragraaf 1, op voorwaarde dat de begiftigden of een van hen, binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum van de akte van schenking het conformiteitsattest, vermeld in boek 3, deel 3, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en een geregistreerde huurovereenkomst voor het geschonken goed met een minimumduur van negen jaar, beiden daterend van na de datum van de akte van schenking, voorlegt. Noch de schenker, noch de begiftigden of een van hen mogen in de geregistreerde huurovereenkomst als huurder optreden.
52Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, wordt teruggegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/2. Het abattement toegepast overeenkomstig artikel 2.8.3.0.4 en de vermindering verleend overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1 blijft in dat geval behouden.52Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, wordt teruggegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/2. Het abattement toegepast overeenkomstig artikel 2.8.3.0.4 en de vermindering verleend overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1 blijft in dat geval behouden.
53Het teruggegeven bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt teruggevorderd als de begiftigden geen effectieve verhuring van negen jaar kunnen aantonen. De begiftigden moeten de voortijdige beëindiging van de geregistreerde huurovereenkomst melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie binnen een termijn van vier maanden vanaf de beëindiging. Om de terugvordering te vermijden, moeten de begiftigden bovendien binnen een termijn van zes maanden na deze beëindiging een nieuwe geregistreerde huurovereenkomst, alsmede een conformiteitsattest, voor het geschonken goed voorleggen.53Het teruggegeven bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt teruggevorderd als de begiftigden geen effectieve verhuring van negen jaar kunnen aantonen. De begiftigden moeten de voortijdige beëindiging van de geregistreerde huurovereenkomst melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie binnen een termijn van vier maanden vanaf de beëindiging. Om de terugvordering te vermijden, moeten de begiftigden bovendien binnen een termijn van zes maanden na deze beëindiging een nieuwe geregistreerde huurovereenkomst, alsmede een conformiteitsattest, voor het geschonken goed voorleggen.
+2 −2 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.9.4.2.3
1In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 1,50 % voor verkoopovereenkomsten van woningen die gesloten zijn door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of door de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in artikel 40 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, en voor kopers die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode.1In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 1,50 % voor verkoopovereenkomsten van woningen die gesloten zijn door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of door de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en voor kopers die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
2Als na de aankoop blijkt dat de kopers niet meer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode, of aan de voorwaarden tot behoud of bewoning, opgelegd door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of door de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in artikel 40 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, zijn ze het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, verschuldigd na aftrek van de reeds geheven belasting.2Als na de aankoop blijkt dat de kopers niet meer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, of aan de voorwaarden tot behoud of bewoning, opgelegd door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of door de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zijn ze het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, verschuldigd na aftrek van de reeds geheven belasting.
3Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.3Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.
+2 −2 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 3.3.2.0.1
213° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, voor de eerste keer gelijk aan het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een burgerlijk jaar in gebruik is genomen op de openbare weg, en 31 december van hetzelfde jaar. Vervolgens is het gelijk aan elke periode van twaalf maanden die aanvangt op 1 januari van elk volgend kalenderjaar;213° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, voor de eerste keer gelijk aan het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een burgerlijk jaar in gebruik is genomen op de openbare weg, en 31 december van hetzelfde jaar. Vervolgens is het gelijk aan elke periode van twaalf maanden die aanvangt op 1 januari van elk volgend kalenderjaar;
224° ...;224° ...;
235° de heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen gelijk aan de opeenvolgende periodes van twaalf maanden die volgen op de inventarisatiedatum, vermeld in artikel 24, 6°, van het decreet van 22 december 1995;235° de heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen gelijk aan de opeenvolgende periodes van twaalf maanden die volgen op de datum van de inventarisatie, vermeld in artikel 3.20 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
246° de kilometerheffing gelijk aan de kalenderdag waarop de kilometers worden afgelegd op de niet-geconcedeerde weg;246° de kilometerheffing gelijk aan de kalenderdag waarop de kilometers worden afgelegd op de niet-geconcedeerde weg;
257° de belasting op de spelen en weddenschappen gelijk aan het aanslagjaar;257° de belasting op de spelen en weddenschappen gelijk aan het aanslagjaar;
268° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen gelijk aan het aanslagjaar.268° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen gelijk aan het kwartaal waarin een automatisch ontspanningstoestel is opgesteld.
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 3.5.3.0.4
1Als de belastingschuldige beroep kon aantekenen met toepassing van artikel 28 van het decreet van 22 december 1995, of beroep kon aantekenen met toepassing van artikel 7 van het decreet van 19 april 1995, kan hij bij zijn bezwaar tegen de belasting de opname in de inventaris niet meer betwisten.1Als de belastingschuldige beroep kon aantekenen met toepassing van artikel 3.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, of beroep kon aantekenen met toepassing van artikel 7 van het decreet van 19 april 1995, kan hij bij zijn bezwaar tegen de belasting de opname in de inventaris niet meer betwisten.
+1 −1 decreet-1995-04-19/art. 42
1§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan voor de verwerving en sanering van een onroerend goed dat in de inventaris is vermeld, aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gemeenten, vereniging van gemeenten, de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen als vermeld in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, de erkende provinciale ontwikkelingsmaatschappijen als vermeld in het decreet van 7 mei 2004 houdende vaststelling van het kader tot oprichting van provinciale ontwikkelingsmaatschappijen en het Vlaams Woningfonds voor de Grote Gezinnen een financiële steun worden toegekend van:1§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan voor de verwerving en sanering van een onroerend goed dat in de inventaris is vermeld, aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gemeenten, vereniging van gemeenten, de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen als vermeld in de Vlaamse Codex Wonen van 2021, de erkende provinciale ontwikkelingsmaatschappijen als vermeld in het decreet van 7 mei 2004 houdende vaststelling van het kader tot oprichting van provinciale ontwikkelingsmaatschappijen en het Vlaams Woningfonds voor de Grote Gezinnen een financiële steun worden toegekend van:
2- 30 % voor de verwerving van de onroerende goederen;2- 30 % voor de verwerving van de onroerende goederen;
3- 90 % voor de saneringswerkzaamheden. Hierbij wordt echter rekening gehouden met de werkelijk gedragen saneringskosten, na aftrek van de eventuele opbrengst van de sanering. De verleende financiële steun is van toepassing op de kosten, inclusief de BTW. De financiële steun voor de saneringswerkzaamheden wordt slechts toegekend voor zover bij het bestek van de werkzaamheden een postgewijze verantwoording gevoegd is. Als de werkelijke gedragen saneringskosten, na aftrek van de eventuele opbrengst van de sanering, lager zijn dan de in de basisstudie geraamde kosten, wordt de subsidie berekend op de werkelijke kosten, zoals blijkt uit de vorderingsstaten van de aannemer.3- 90 % voor de saneringswerkzaamheden. Hierbij wordt echter rekening gehouden met de werkelijk gedragen saneringskosten, na aftrek van de eventuele opbrengst van de sanering. De verleende financiële steun is van toepassing op de kosten, inclusief de BTW. De financiële steun voor de saneringswerkzaamheden wordt slechts toegekend voor zover bij het bestek van de werkzaamheden een postgewijze verantwoording gevoegd is. Als de werkelijke gedragen saneringskosten, na aftrek van de eventuele opbrengst van de sanering, lager zijn dan de in de basisstudie geraamde kosten, wordt de subsidie berekend op de werkelijke kosten, zoals blijkt uit de vorderingsstaten van de aannemer.
+2 −2 decreet-2007-06-29/art. 19
1§ 1. Er wordt een begrotingsfonds als vermeld in artikel 15, §2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 opgericht, genaamd Fonds voor de Wooninspectie.1§ 1. Er wordt een begrotingsfonds als vermeld in artikel 15, §2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 opgericht, genaamd Fonds voor de Wooninspectie.
2De ontvangsten die gerealiseerd worden op grond van de artikelen 20bis tot en met 20quater, artikel 29bis en 102bis van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode worden toegewezen aan het Fonds voor de Wooninspectie.2De ontvangsten die gerealiseerd worden op grond van de artikel 3.43 tot en met 3.50, artikel 3.55, boek 4, deel 3, en boek 6, deel 12, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 worden toegewezen aan het Fonds voor de Wooninspectie.
3Aan het Fonds voor de Wooninspectie wordt eveneens toegewezen 18% van het saldo van de dienst met afzonderlijk beheer Herstelfonds beschikbaar als over te dragen saldo bij afsluiting van de jaarrekening 2015. Dit saldo wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering.3Aan het Fonds voor de Wooninspectie wordt eveneens toegewezen 18% van het saldo van de dienst met afzonderlijk beheer Herstelfonds beschikbaar als over te dragen saldo bij afsluiting van de jaarrekening 2015. Dit saldo wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering.
4De in het tweede lid bedoelde ontvangsten mogen enkel worden aangewend voor het verrichten van uitgaven die betrekking hebben op de handhaving en het toezicht op de naleving van het in dat lid vermelde decreet.4De in het tweede lid bedoelde ontvangsten mogen enkel worden aangewend voor het verrichten van uitgaven die betrekking hebben op de handhaving en het toezicht op de naleving van het in dat lid vermelde decreet.
5§ 2. Alle schulden, vorderingen en tegoeden van het Herstelfonds die betrekking hebben op de artikelen 20bis tot en met 20quater, artikel 29bis en 102bis van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode worden overgenomen door het Fonds voor de Wooninspectie.5§ 2. Alle schulden, vorderingen en tegoeden van het Herstelfonds die betrekking hebben op de artikel 3.43 tot en met 3.50, boek 4, deel 3, en boek 6, deel 12, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 worden overgenomen door het Fonds voor de Wooninspectie.
+6 −6 decreet-2009-03-27/art. 1.2
157° groepswoningbouw : het gemeenschappelijk oprichten van woningen die een gemeenschappelijke werf hebben en fysisch of stedenbouwkundig met elkaar verbonden zijn;157° groepswoningbouw : het gemeenschappelijk oprichten van woningen die een gemeenschappelijke werf hebben en fysisch of stedenbouwkundig met elkaar verbonden zijn;
168° grond(- en panden)speculatie : het in handen houden van gronden (of panden) met het oogmerk om deze met abnormale winsten te verkopen bij prijsstijgingen ten gevolge van de kunstmatige creatie van schaarste aan gronden (of panden);168° grond(- en panden)speculatie : het in handen houden van gronden (of panden) met het oogmerk om deze met abnormale winsten te verkopen bij prijsstijgingen ten gevolge van de kunstmatige creatie van schaarste aan gronden (of panden);
179° hoofdverblijfplaats : de woning, vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 10°, van de Vlaamse Wooncode;179° hoofdverblijfplaats : de woning, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 21°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
1810° kavels : de in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van een niet vervallen verkaveling afgebakende percelen;1810° kavels : de in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van een niet vervallen verkaveling afgebakende percelen;
1910°/1 landmeter-expert : de landmeter-expert, ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep als bedoeld in de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert en op wie het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert van toepassing is;1910°/1 landmeter-expert : de landmeter-expert, ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep als bedoeld in de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert en op wie het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert van toepassing is;
2011° onbebouwd : beantwoordend aan de criteria voor opname in het register van onbebouwde percelen, gesteld bij en krachtens artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;2011° onbebouwd : beantwoordend aan de criteria voor opname in het register van onbebouwde percelen, gesteld bij en krachtens artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2112° plan van aanleg : een gewestplan, een algemeen plan van aanleg of een bijzonder plan van aanleg;2112° plan van aanleg : een gewestplan, een algemeen plan van aanleg of een bijzonder plan van aanleg;
2213° renovatie : de werkzaamheden, vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 18°, van de Vlaamse Wooncode, alsmede sloopwerkzaamheden gevolgd door vervangingsbouw;2213° renovatie : de werkzaamheden, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 41°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, alsmede sloopwerkzaamheden gevolgd door vervangingsbouw;
2314° register van onbebouwde percelen : het register, vermeld in artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;2314° register van onbebouwde percelen : het register, vermeld in artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2414°/1 schattingsprijs : de raming van de waarde van een onroerend goed door een van de volgende personen of instanties, op voorwaarde dat een raming van een persoon of instantie als vermeld in punt 1° en 2°, primeert op een raming van een persoon of instantie als vermeld in punt 3°, 4° en 5° :2414°/1 schattingsprijs : de raming van de waarde van een onroerend goed door een van de volgende personen of instanties, op voorwaarde dat een raming van een persoon of instantie als vermeld in punt 1° en 2°, primeert op een raming van een persoon of instantie als vermeld in punt 3°, 4° en 5° :
34d) het desgevallend door de gemeente geïnventariseerde bescheiden woonaanbod;34d) het desgevallend door de gemeente geïnventariseerde bescheiden woonaanbod;
3516° sociaal woonaanbod : het aanbod aan huurwoningen, koopwoningen en kavels dat voldoet aan beide hiernavolgende voorwaarden :3516° sociaal woonaanbod : het aanbod aan huurwoningen, koopwoningen en kavels dat voldoet aan beide hiernavolgende voorwaarden :
36a) zij zijn volledig onderhevig aan de reglementering aangaande het sociale huurstelsel of de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode;36a) zij zijn volledig onderhevig aan de reglementering aangaande het sociale huurstelsel of de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
37b) zij worden bestemd tot hoofdverblijfplaats, respectievelijk tot oprichting van een woning die tot hoofdverblijfplaats zal worden bestemd;37b) zij worden bestemd tot hoofdverblijfplaats, respectievelijk tot oprichting van een woning die tot hoofdverblijfplaats zal worden bestemd;
3817° sociale woonorganisatie : een organisatie, vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 26°, van de Vlaamse Wooncode;3817° sociale woonorganisatie : een organisatie, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 53°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
3918° stedenbouwkundig voorschrift : een reglementaire bepaling, opgenomen in een ruimtelijk uitvoeringsplan, een plan van aanleg, een stedenbouwkundige verordening of een bouwverordening;3918° stedenbouwkundig voorschrift : een reglementaire bepaling, opgenomen in een ruimtelijk uitvoeringsplan, een plan van aanleg, een stedenbouwkundige verordening of een bouwverordening;
4019° verkavelingsvoorschrift : een reglementair voorschrift, opgenomen in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, aangaande de wijze waarop kavels bebouwd kunnen worden;4019° verkavelingsvoorschrift : een reglementair voorschrift, opgenomen in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, aangaande de wijze waarop kavels bebouwd kunnen worden;
542) een toezicht op de aanwending van de werkingsmiddelen;542) een toezicht op de aanwending van de werkingsmiddelen;
553) de aanwijzing, door een Vlaams bestuur, van ten minste de helft van de leden van de directie, van de raad van bestuur, of van de raad van toezicht;553) de aanwijzing, door een Vlaams bestuur, van ten minste de helft van de leden van de directie, van de raad van bestuur, of van de raad van toezicht;
5622° Vlaamse Wooncode : het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode;
5622° ...;
5722°/1 Vlabinvest apb: het Agentschap voor Woon- en Zorginfrastructuurbeleid voor Vlaams-Brabant, opgericht als het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant bij artikel 1 van het besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 oktober 2013, en omgevormd tot het Agentschap voor Woon- en Zorginfrastructuurbeleid voor Vlaams-Brabant bij besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant;5722°/1 Vlabinvest apb: het Agentschap voor Woon- en Zorginfrastructuurbeleid voor Vlaams-Brabant, opgericht als het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant bij artikel 1 van het besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 oktober 2013, en omgevormd tot het Agentschap voor Woon- en Zorginfrastructuurbeleid voor Vlaams-Brabant bij besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant;
5823° woning : een goed, vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 31°, van de Vlaamse Wooncode;5823° woning : een goed, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 66°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
5924° woongebied : de gebieden die :5924° woongebied : de gebieden die :
60a) ofwel geordend worden door een ruimtelijk uitvoeringsplan en sorteren onder de categorie van gebiedsaanduiding « wonen »;60a) ofwel geordend worden door een ruimtelijk uitvoeringsplan en sorteren onder de categorie van gebiedsaanduiding « wonen »;
+1 −1 decreet-2009-03-27/art. 2.1.2
1Het grond- en pandenbeleid is gericht op een maatschappelijk gewenst en kwaliteitsvol ruimtegebruik en dient ten minste volgende doelstellingen :1Het grond- en pandenbeleid is gericht op een maatschappelijk gewenst en kwaliteitsvol ruimtegebruik en dient ten minste volgende doelstellingen :
21° het bevorderen van een duurzame ruimtelijke ontwikkeling, vermeld in artikel 1.1.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;21° het bevorderen van een duurzame ruimtelijke ontwikkeling, vermeld in artikel 1.1.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
32° het voorzien in een voldoende ruim en kwalitatief aanbod aan gronden, panden en infrastructuren die nodig of nuttig zijn voor de verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten, vermeld in artikel 23 van de Grondwet, en voor het recht op menswaardig wonen, vermeld in artikel 3 van de Vlaamse Wooncode;32° het voorzien in een voldoende ruim en kwalitatief aanbod aan gronden, panden en infrastructuren die nodig of nuttig zijn voor de verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten, vermeld in artikel 23 van de Grondwet, en voor het recht op menswaardig wonen, vermeld in artikel 1.5 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
43° het verwezenlijken van ruimtelijke ontwikkelingskansen voor de diverse maatschappelijke sectoren en activiteiten;43° het verwezenlijken van ruimtelijke ontwikkelingskansen voor de diverse maatschappelijke sectoren en activiteiten;
54° het scheppen van ruimtelijke strategieën en voorzieningen die sociale cohesie bevorderen;54° het scheppen van ruimtelijke strategieën en voorzieningen die sociale cohesie bevorderen;
+2 −2 decreet-2009-03-27/art. 2.1.3
94° de Vlaamse voorkooprechten, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten;94° de Vlaamse voorkooprechten, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten;
105° de koopplichten, vermeld in artikel 20 van het decreet van 16 juni 2006 houdende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen;105° de koopplichten, vermeld in artikel 20 van het decreet van 16 juni 2006 houdende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen;
116° het recht van wederinkoop, vermeld in artikel 84 van de Vlaamse Wooncode;116° het recht van wederinkoop, vermeld in artikel 5.92 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
127° het sociaal beheersrecht, vermeld in artikel 90 van de Vlaamse Wooncode;127° het sociaal beheersrecht, vermeld in boek 5, deel 7, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
138° de ruilverkaveling, kavelruil, herverkaveling en landinrichting als vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;138° de ruilverkaveling, kavelruil, herverkaveling en landinrichting als vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;
149° de natuurinrichting, vermeld in artikel 47 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;149° de natuurinrichting, vermeld in artikel 47 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
+3 −3 decreet-2009-03-27/art. 3.1.4
3a) het leegstandsregister;3a) het leegstandsregister;
4b) de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;4b) de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
5c) het register van verwaarloosde gebouwen en woningen, vermeld in artikel 25, § 1, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996;5c) het register van verwaarloosde gebouwen en woningen, vermeld in artikel 2.15 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
6d) de inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen, vermeld in artikel 26, § 1, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996;6d) de inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen, vermeld in artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
72° het onroerend goed wordt na de renovatie bestemd tot hoofdverblijfplaats van ten minste één van de kredietnemers, en dit, behoudens in het geval van overlijden of een plotse ramp, voor een periode van ten minste acht opeenvolgende jaren.72° het onroerend goed wordt na de renovatie bestemd tot hoofdverblijfplaats van ten minste één van de kredietnemers, en dit, behoudens in het geval van overlijden of een plotse ramp, voor een periode van ten minste acht opeenvolgende jaren.
8§ 2. Een renovatieovereenkomst heeft een looptijd van ten hoogste dertig jaar.8§ 2. Een renovatieovereenkomst heeft een looptijd van ten hoogste dertig jaar.
9§ 3. De rentevoet van een renovatieovereenkomst is bij het aangaan van de lening ten hoogste gelijk aan de in uitvoering van artikel 79 van de Vlaamse Wooncode bepaalde referentierentevoet voor het toestaan van leningen aan particulieren door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen. De toepasselijke referentievoet is deze die geldt zes maanden voor het sluiten van de renovatieovereenkomst.9§ 3. De rentevoet van een renovatieovereenkomst is bij het aangaan van de lening ten hoogste gelijk aan de in uitvoering van artikel 5.65 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 bepaalde referentierentevoet voor het toestaan van leningen aan particulieren door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen. De toepasselijke referentievoet is deze die geldt zes maanden voor het sluiten van de renovatieovereenkomst.
10De rentevoet van een renovatieovereenkomst kan vijfjaarlijks worden herzien. De herziene rentevoet is ten hoogste gelijk aan de referentierentevoet, vermeld in het eerste lid, die geldt zes maanden voor de vijfde, tiende, vijftiende, twintigste, respectievelijk vijfentwintigste verjaardag van de renovatieovereenkomst.10De rentevoet van een renovatieovereenkomst kan vijfjaarlijks worden herzien. De herziene rentevoet is ten hoogste gelijk aan de referentierentevoet, vermeld in het eerste lid, die geldt zes maanden voor de vijfde, tiende, vijftiende, twintigste, respectievelijk vijfentwintigste verjaardag van de renovatieovereenkomst.
11Het eerste en het tweede lid houden geenszins een verplichting in om interesten te bedingen.11Het eerste en het tweede lid houden geenszins een verplichting in om interesten te bedingen.
+2 −2 decreet-2009-03-27/art. 7.3.2
1De gegevens als opgenomen in de lijst van leegstaande gebouwen en/of woningen, vermeld in artikel 28, § 1, eerste lid, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, worden overgedragen naar en opgenomen in het leegstandsregister. Voor wat betreft de gegevens die op basis van deze overdracht opgenomen worden in het leegstandsregister, is de beroepsprocedure, vermeld in artikel 2.2.7, paragraaf 2 en paragraaf 3, niet van toepassing. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen aangaande de wijze van gegevensoverdracht.1De gegevens als opgenomen in de lijst van leegstaande gebouwen en/of woningen, vermeld in artikel 3.21, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, worden overgedragen naar en opgenomen in het leegstandsregister. Voor wat betreft de gegevens die op basis van deze overdracht opgenomen worden in het leegstandsregister, is de beroepsprocedure, vermeld in artikel 2.2.7, paragraaf 2 en paragraaf 3, niet van toepassing. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen aangaande de wijze van gegevensoverdracht.
2Zolang deze overdracht en opname niet zijn gerealiseerd, wordt de lijst van leegstaande gebouwen en/of woningen, voor de toepassing van dit decreet en van de Vlaamse Wooncode, beschouwd als leegstandsregister.2Zolang deze overdracht en opname niet zijn gerealiseerd, wordt de lijst van leegstaande gebouwen en/of woningen, voor de toepassing van dit decreet en van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, beschouwd als leegstandsregister.
3Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeentelijke leegstandsregisters die tot het jaar 2009 worden aangehouden in gemeenten die beschikken over een autonome leegstandsheffing.3Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeentelijke leegstandsregisters die tot het jaar 2009 worden aangehouden in gemeenten die beschikken over een autonome leegstandsheffing.
+2 −2 decreet-2014-01-31/art. 2
1In dit decreet wordt verstaan onder :1In dit decreet wordt verstaan onder :
21° Vlabinvest : het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant, vermeld in artikel 16 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992;21° Vlabinvest : het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant, vermeld in artikel 5.11, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
32° Vlabinvest apb: het Agentschap voor Woon- en Zorginfrastructuurbeleid voor Vlaams-Brabant, opgericht als het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant bij artikel 1 van het besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 oktober 2013, en omgevormd tot het Agentschap voor Woon- en Zorginfrastructuurbeleid voor Vlaams-Brabant bij besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant;32° Vlabinvest apb: het Agentschap voor Woon- en Zorginfrastructuurbeleid voor Vlaams-Brabant, opgericht als het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant bij artikel 1 van het besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 oktober 2013, en omgevormd tot het Agentschap voor Woon- en Zorginfrastructuurbeleid voor Vlaams-Brabant bij besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant;
43° welzijns- en gezondheidsvoorzieningen: organisaties die activiteiten uitoefenen op het domein van de aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is, en van de aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is, met uitzondering van de organisaties die activiteiten uitoefenen op het domein van het onthaal en de integratie van inwijkelingen, het medisch schooltoezicht en de medisch verantwoorde sportbeoefening;43° welzijns- en gezondheidsvoorzieningen: organisaties die activiteiten uitoefenen op het domein van de aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is, en van de aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is, met uitzondering van de organisaties die activiteiten uitoefenen op het domein van het onthaal en de integratie van inwijkelingen, het medisch schooltoezicht en de medisch verantwoorde sportbeoefening;
54° initiatiefnemers: gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, verenigingen van gemeenten of van openbare centra voor maatschappelijk welzijn, publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen die in Vlaams-Brabant een activiteit uitoefenen of in de toekomst een activiteit willen uitoefenen op het domein van de aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is, en van de aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is, met uitzondering van de organisaties die activiteiten uitoefenen op het domein van het onthaal en de integratie van inwijkelingen, het medisch schooltoezicht en de medisch verantwoorde sportbeoefening, of publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen die voor investeringen in zorginfrastructuur samenwerken met een welzijns- of gezondheidsvoorziening als vermeld in punt 3° ;54° initiatiefnemers: gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, verenigingen van gemeenten of van openbare centra voor maatschappelijk welzijn, publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen die in Vlaams-Brabant een activiteit uitoefenen of in de toekomst een activiteit willen uitoefenen op het domein van de aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is, en van de aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is, met uitzondering van de organisaties die activiteiten uitoefenen op het domein van het onthaal en de integratie van inwijkelingen, het medisch schooltoezicht en de medisch verantwoorde sportbeoefening, of publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen die voor investeringen in zorginfrastructuur samenwerken met een welzijns- of gezondheidsvoorziening als vermeld in punt 3° ;
65° sector: een aangelegenheid als vermeld in punt 3°, of een onderdeel ervan.65° sector: een aangelegenheid als vermeld in punt 3°, of een onderdeel ervan.
76° VMSW: de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, opgericht bij artikel 30 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode.76° VMSW: de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, opgericht bij artikel 4.7 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
+1 −1 decreet-2014-01-31/art. 3
31° het voeren van een grondbeleid en het realiseren van woonprojecten met een sociaal karakter in de gemeenten van de provincie Vlaams-Brabant;31° het voeren van een grondbeleid en het realiseren van woonprojecten met een sociaal karakter in de gemeenten van de provincie Vlaams-Brabant;
42° de uitbouw van voorzieningen die noodzakelijk worden geacht om het Vlaamse karakter en een hoogwaardige woonkwaliteit in deze regio te behouden of te bevorderen.42° de uitbouw van voorzieningen die noodzakelijk worden geacht om het Vlaamse karakter en een hoogwaardige woonkwaliteit in deze regio te behouden of te bevorderen.
5Een woonproject met sociaal karakter als vermeld in het tweede lid, 1°, is een woonproject als bedoeld in artikel 42bis van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode.5Een woonproject met sociaal karakter als vermeld in het tweede lid, 1°, is een woonproject als bedoeld in artikel 4.41 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
+1 −1 decreet-2014-01-31/art. 7/1
1De interesten, vermeld in artikel 19, tweede lid, van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992 worden door Vlabinvest apb geboekt in het intern financieringsfonds Wonen.1De interesten, vermeld in artikel 5.15 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 worden door Vlabinvest apb geboekt in het intern financieringsfonds Wonen.
+1 −1 vlaams-onteigeningsdecreet-van-24-februari-2017/art. 6
11g) de exploitanten van de waterwinning, zoals bedoeld in het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;11g) de exploitanten van de waterwinning, zoals bedoeld in het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
12h) de Universiteit Antwerpen, vermeld in het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen;12h) de Universiteit Antwerpen, vermeld in het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen;
13i) de sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode;13i) de sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
14j) de nv Mijnschade en Bemaling Limburgs Mijngebied, vermeld in het decreet van 19 december 1997 houdende oprichting van de naamloze vennootschap Mijnschade en Bemaling Limburgs Mijngebied;14j) de nv Mijnschade en Bemaling Limburgs Mijngebied, vermeld in het decreet van 19 december 1997 houdende oprichting van de naamloze vennootschap Mijnschade en Bemaling Limburgs Mijngebied;
15k) het Gemeenschapsonderwijs, vermeld in het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;15k) het Gemeenschapsonderwijs, vermeld in het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;
+1 −1 decreet-2007-06-15/art. 37
101° vermeld in artikel 26, § 1, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, die een inburgeringscontract hebben ondertekend, vermeld in artikel 2, eerste lid, 10°, van hetzelfde decreet;101° vermeld in artikel 26, § 1, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, die een inburgeringscontract hebben ondertekend, vermeld in artikel 2, eerste lid, 10°, van hetzelfde decreet;
112° vermeld in artikel 3 van het decreet van 4 juni 2003 betreffende het inwerkingsbeleid;112° vermeld in artikel 3 van het decreet van 4 juni 2003 betreffende het inwerkingsbeleid;
123° die de bereidheid om Nederlands leren moeten tonen zoals bedoeld in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode.123° die de bereidheid om Nederlands leren moeten tonen zoals bedoeld in de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
+82 −0 decreet-2015-12-18/art. 89
1Voor de subsidies, forfaits en tegemoetkomingen die opgenomen zijn in de volgende wettelijke bepalingen of hun uitvoeringsbesluiten en die voorzien in een koppeling aan een prijsindex, moet altijd de afgevlakte gezondheidsindex in aanmerking worden genomen:
21° hoofdstuk IV, afdeling 5, artikelen 99 tot en met 107bis, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
32° artikel 13, 41bis, 48, 85 en 87 van het Bosdecreet van 13 juni 1990, ingevoegd bij het decreet van 15 mei 1999 en gewijzigd bij de decreten van 30 april 2004 en 7 december 2007;
43° artikel 3ter van het Onderwijsdecreet II van 31 juli 1990;
54° artikel 11 tot en met 16 van het decreet van 29 april 1991 tot vaststelling van de algemene regelen inzake de erkenning en de subsidiëring van de milieu- en natuurverenigingen, gewijzigd bij decreten van 30 april 2004 en 21 december 2014;
65° artikel 4 van het decreet van 26 juni 1991 betreffende de erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk;
76° artikel 27 van het decreet van 1 december 1993 inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;
87° artikel 22, 6°, 23, § 3bis, 34, eerste lid, 13°, 35, § 3, 37, § 12 en § 20, 47, 56, § 2, eerste lid, 3°, en 56, § 3, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 22 februari 1998, 24 december 1999, 10 augustus 2001, 17 december 2004, 27 december 2005, 24 juli 2008, 19 december 2008, 22 december 2008, 10 december 2009 en 27 december 2012;
98° artikel 10bis en artikel 10ter van het decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning en subsidiëring van de instellingen voor schuldbemiddeling en tot subsidiëring van een Vlaams Centrum Schuldenlast, gewijzigd bij de decreten van 28 april 2006, 10 juli 2008 en 21 juni 2013;
109° artikel 91 en artikel 169 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
1110° artikel 4.56, 4.70 en 4.74 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
1211° artikel 13, 36, 44 en 51 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2002, 30 april 2004, 7 december 2007, 1 maart 2013, 28 maart 2014 en 9 mei 2014;
1312° het decreet van 28 april 1998 betreffende het Vlaamse integratiebeleid, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009 en 6 juli 2012;
1413° artikel 29bis en 29ter van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens, artikel 29bis, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, en artikel 29ter, ingevoegd bij het decreet van 24 december 2004;
1514° artikel 17, eerste lid, 3°, en derde lid, van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 2001 en 24 juni 2005;
1615° artikel 26 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de geestelijke gezondheidszorg, gewijzigd bij het decreet van 25 november 2005;
1716° artikel 18 van het decreet van 8 december 2000 houdende diverse bepalingen;
1817° artikel 12 van het decreet van 22 december 2000 betreffende de amateurkunsten;
1918° artikel 57, 59, 59ter en 67bis van de programmawet van 2 januari 2001, gewijzigd bij de wetten van 24 december 2002, 23 december 2005 en 27 december 2006;
2019° artikel 43, § 7, 50, § 4, 53, 54, 55 en 56 van het decreet van 13 juli 2001 houdende de regeling van de erkenning en subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties, de koepelorganisatie en de organisaties voor de sportieve vrijetijdsbesteding;
2120° artikel 4 van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, gewijzigd bij de wetten van 17 juni 2009 en 22 juni 2012;
2221° artikel 65 tot en met 71 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, gewijzigd bij het decreet van 20 december 2002;
2322° artikel X.5 van het Onderwijsdecreet XIV van 14 februari 2003;
2423° artikel 10, 14, 17 en 18/1 van het decreet van 21 maart 2003 betreffende de armoedebestrijding, gewijzigd bij decreet van 18 juli 2008 en 20 december 2013;
2524° artikel 47 van het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk;
2625° artikel 8, 10, 12 en 18 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende de verblijven en verenigingen die een werking uitoefenen in het kader van Toerisme voor Allen;
2726° artikel 16, 20, § 2, 21, § 3, 23, § 1 en § 3, 26, 28, § 1 en § 3, 75bis, § 3, vierde lid, van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid, gewijzigd bij decreet van 20 maart 2009;
2827° artikel 6bis, 7, § 4, 8, § 1 en § 3, 14, vierde lid, 15bis, eerste en vierde lid, van het decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders, gewijzigd bij decreten van 3 maart 2009, 20 maart 2009 en 21 juni 2013;
2928° artikel 12 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
3029° artikel 26 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp, gewijzigd bij het decreet van 29 juni 2012;
3130° artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de toepassing van intersectorale akkoorden voor organisaties ressorterend onder het paritair comité voor de sociaal-culturele sector;
3231° artikel 11 van het decreet van 7 mei 2004 houdende aanvullende subsidies voor tewerkstelling in de culturele sector;
3332° artikel 10 tot en met 10/2 van het decreet van 7 mei 2004 houdende omvorming van de v.z.w. ``de Rand'' tot een privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap en houdende vaststelling van de bevoegdheden van de provincie Vlaams-Brabant inzake de ondersteuning van de Vlaamse Rand;
3433° artikel 8, 17, 18 en 19 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, gewijzigd bij de decreten van 22 december 2006, 20 maart 2009, 21 juni 2013 en 25 april 2014;
3534° artikel 6, § 4, van het decreet van 5 mei 2006 houdende de erkenning van de Vlaamse Gebarentaal;
3635° artikel 32 van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum;
3736° artikel 63 van het decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007;
3837° decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;
3938° artikel 43 van het Participatiedecreet van 18 januari 2008;
4039° artikel 52 van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand;
4140° het decreet van 23 mei 2008 betreffende een inhaalbeweging in sportinfrastructuur via alternatieve financiering;
4241° artikel 95, 96, 105 en 170 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008 en gewijzigd bij de wet van 10 april 2014;
4342° artikel 32, § 3, tweede lid, 65 en 66/30, § 3, tweede lid, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het beheer en de uitbating van de regionale luchthavens Oostende-Brugge, Kortrijk-Wevelgem en Antwerpen, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009;
4443° artikel 25 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies;
4544° artikel 29 van het Circusdecreet van 21 november 2008;
4645° decreet hogere zeevaartschool van 20 februari 2009;
4746° artikel 60, 62, 64, 68 en 69 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, gewijzigd bij het decreet van 21 juni 2013;
4847° artikel 4 van het decreet van 20 maart 2009 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
4948° artikel 26/10, § 2, en 26/11, van het decreet van 20 maart 2009 betreffende het mobiliteitsbeleid, ingevoegd bij het decreet van 10 februari 2012;
5049° artikel 10 van het decreet van 3 april 2009 betreffende het georganiseerde vrijwilligerswerk in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
5150° artikel 3 van het decreet van 3 april 2009 houdende de toekenning voor de uitbouw, de coördinatie en de promotie van het sportaanbod van de studentenvoorzieningen van de Vlaamse universiteiten en hogescholen en de erkenning en subsidiëring van een Vlaamse overkoepelende studentensportvereniging;
5251° artikel 17 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende het algemeen welzijnswerk, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012;
5352° decreet van 8 mei 2009 betreffende kwaliteit van onderwijs;
5453° artikel 6 van het decreet van 14 december 2009 houdende de organisatie en werking van de regionale technologische centra;
5554° artikel 10 van het decreet van 19 november 2010 tot oprichting van een Vlaams communicatiehuis in Brussel onder de vorm van het extern verzelfstandigd agentschap Muntpunt vzw;
5655° artikel 5 van het decreet van 15 juli 2011 houdende de erkenning van en de subsidieregeling voor het Memoriaal van de Vlaamse Ontvoogding en Vrede;
5756° artikel 2, 8, § 7, 13, § 3, en 20, van het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid;
5857° artikel 9, 13 en 19 van het decreet van 20 januari 2012 houdende regeling van de interlandelijke adoptie van kinderen;
5958° artikel 7 en 12 van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters;
6059° artikel 49 en 73 van het Antidopingdecreet van 25 mei 2012, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014;
6160° artikel 13 en 19, § 3, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
6261° artikel 51 van het decreet van 6 juli 2012 betreffende het Lokaal Cultuurbeleid;
6362° artikel 182 en 185 van het Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012;
6463° artikel 2, 3°, en 8, van het decreet van 6 juli 2012 houdende subsidiëring van hostels, jeugdverblijfcentra, ondersteuningsstructuren en de vzw Algemene Dienst voor Jeugdtoerisme;
6564° artikel 3 van het decreet van 6 juli 2012 houdende het stimuleren en subsidiëren van een lokaal sportbeleid;
6665° artikel 8 van het decreet van 7 december 2012 houdende de stimulering van een inclusief Vlaams ouderenbeleid en de beleidsparticipatie van ouderen;
6766° artikel 6 van het decreet van 21 december 2012 tot compensatie van de openbaredienstverplichting tot het vervoer van personen met een handicap of een ernstig beperkte mobiliteit;
6867° artikel 14 van het decreet van 21 juni 2013 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
6968° artikel 22, 26, § 1, 28, 42, § 2, 67 en 68, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
7069° artikel 16, 20 en 59 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
7170° artikel 3 van het decreet van 8 november 2013 houdende het stimuleren, het coördineren en het subsidiëren van de tewerkstelling in de sportsector;
7271° Codex Hoger Onderwijs, gecodificeerd op 11 oktober 2013;
7372° artikel 25 en 42 van het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;
7473° artikel 14, § 2, van het decreet van 29 november 2013 houdende de organisatie van preventieve gezinsondersteuning;
7574° artikel 25 van het Kunstendecreet van 13 december 2013, gewijzigd bij decreet van 18 mei 2015;
7675° het decreet van 20 december 2013 inzake gezond en ethisch sporten;
7776° het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;
7877° artikel 10 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap;
7978° artikel 12, § 3, van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen.
80Voor alle overeenkomsten en akkoorden gesloten ter uitvoering van de bepalingen, vermeld in het eerste lid, die voorzien in een koppeling aan de prijsindex, moet ook altijd de afgevlakte gezondheidsindex in aanmerking worden genomen.
81De afgevlakte gezondheidsindex moet berekend en toegepast worden overeenkomstig artikel 2 tot en met 2quater van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
82De toepassing van het eerste tot en met het derde lid mag niet leiden tot een nominale vermindering van de subsidies, forfaits en tegemoetkomingen, vermeld in het eerste lid, in de periode van 1 april tot aan de referentiemaand, vermeld in artikel 2, § 4, van het voormelde koninklijk besluit.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd