Artikel 31/1
§1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 100 euro.
Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot schorsing, ingediend conform artikel 40, §1 of §2, bedraagt 50 euro.
Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij, bedraagt 50 euro per vordering waarin ze tussenkomt, ongeacht of de tussenkomst geldt voor een vordering tot vernietiging of voor een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, §1 of §2.
§2. De verzoekende partij of tussenkomende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.
De verzoekende partij richt daarvoor een verzoek aan het handhavingscollege, gelijktijdig met de indiening van haar verzoekschrift.
De tussenkomende partij richt daarvoor een verzoek aan het Handhavingscol-lege, gelijktijdig met haar tussenkomst in een vordering.
Als de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, ontbreken, vraagt de griffier die bij beveiligde zending op bij de verzoekende of tussenkomende partij.
De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het vierde lid.
Als de bewijsstukken niet worden bezorgd binnen de termijn, vermeld in het vijfde lid, wordt de verzoekende of tussenkomende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.
De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform artikel 508/13/1 tot en met 508/13/4 van het Gerechtelijk Wetboek.
§3. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel keer het recht als er verzoekende partijen zijn.
Collectieve tussenkomsten geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er tussenkomende partijen zijn.
§4. Als het rolrecht niet is gestort bij de indiening van het verzoekschrift of bij de tussenkomst, nodigt de griffier de verzoekende of tussenkomende partij met een beveiligde zending uit om het rolrecht alsnog te betalen. De griffier vermeldt daarbij duidelijk de sanctie, vermeld in het tweede lid. In dit geval wordt het rolrecht gestort binnen acht dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending. In geval van een vordering tot schorsing die is ingesteld conform artikel 40, §2, wordt het rolrecht gestort binnen drie dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending.
Als het bedrag van het rolrecht niet op tijd is gestort door de verzoekende of tussenkomende partij, is het beroep of de tussenkomst van die partij onontvankelijk. Als de verzoekende partij in een vordering tot schorsing die ingesteld is conform artikel 40, §2, het rolrecht niet tijdig heeft gestort, worden de schorsing en de voorlopige maatregelen die zouden zijn bevolen, conform artikel 40, §2, en artikel 41 opgeheven conform de procedure, vermeld in artikel 40, §13. Als de tussenkomende partij in een vordering tot schorsing die is ingesteld conform artikel 40, §2, het rolrecht niet tijdig heeft gestort, kan ze geen voortzetting van de rechtspleging vragen.
§5. Het Handhavingscollege kan, op verzoek van een partij, een rechtsple-gingsvergoeding toekennen die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die in het gelijk wordt gesteld.
De Vlaamse Regering bepaalt de basisbedragen en de minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid.
Het Handhavingscollege kan, op gemotiveerde wijze, de rechtsplegings-vergoeding, vermeld in het eerste lid, verlagen of verhogen, zonder echter de door de Vlaamse Regering bepaalde minimum- en maximumbedragen te overschrijden. In deze beoordeling houdt het Handhavingscollege rekening met:
- 1°de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
- 2°de complexiteit van de zaak;
- 3°de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
Als de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid, vastgelegd op het minimumbedrag bepaald door de Vlaamse Regering conform het tweede lid, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. In dat geval omkleedt het Handhavingscollege zijn beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.
Als meer partijen de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid, ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbele van de maximale rechtsplegingsvergoe-ding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Het Handhavingscollege verdeelt de rechtsple-gingsvergoeding in dat geval tussen de partijen.
De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding en kunnen die vergoeding niet genieten.