§ flandrepo
23 regels · van kracht sinds 1 jan 2026

Artikel 8

[Belangrijke opmerking: Gelet op het arrest van het Grondwettelijk Hof nr 72/2025 van 30 april 2025, is de uitvoering van deze bepaling in de huidige versie (met inwerkingtredingdatum 1 april 2024) van artikel 22 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013 onrechtmatig. De voorrangsregeling in artikel 8 van Kinderopvangdecreet waarnaar dit artikel 22 Subsidiebesluit verwijst, werd immers -met inbegrip van de delegatie aan de Vlaamse Regering om deze verder uit te werken- door dat arrest vernietigd. Huidig artikel 22 Subsidiebesluit heeft bijgevolg geen geldige rechtsgrond ].

§1. De organisator met een vergunning kan bovenop de subsidie, vermeld in artikel 7, een subsidie ontvangen van het agentschap voor de realisatie van kinderopvang en van opvang van schoolgaande kinderen binnen de vergunde opvang waarvoor de gezinnen betalen op basis van het inkomen, en voor de realisatie van de toegang tot de kinderopvang voor gezinnen die beantwoorden aan kenmerken die bij voorrang betrekking hebben op :

  1. 1°de werksituatie, met minstens het kenmerk dat kinderopvang noodzakelijk is om toegang te hebben tot de arbeidsmarkt of om een beroepsgerichte opleiding in het kader hiervan te kunnen volgen, en verder :
  2. 2°de financiële situatie;
  3. 3°de gezinssamenstelling:
  4. 4°de aanwezigheid van pleegkinderen, als bedoeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, in het gezin en die in aanmerking komen voor kinderopvang als bedoeld in artikel 2, 2°.

De financiële bijdrage van de gezinnen voor de kinderopvang van een pleegkind als vermeld in het tweede lid, 3°, of van een kind van een moeder die op het moment van de aanvraag is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in de leertijd, stemt overeen met het laagst mogelijke inkomenstarief, onafhankelijk van het inkomen van het pleeggezin of van het gezin van de moeder.

§ 2. Behoudens de bepalingen in § 1 geldt ten aanzien van de kinderopvanglocaties in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad een voorrang voor kinderen waarvan minstens één ouder het Nederlands voldoende machtig is en dit ten belope van maximaal 55 percent van hun opvangcapaciteit.

Om van deze voorrangsregel gebruik te kunnen maken, toont de ouder op een van de volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is :

  1. 1°door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
  2. 2°door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
  3. 3°door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst minstens op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van een van de volgende stukken :
  4. a)een studiebewijs van door de Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
  5. b)een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
  6. 4°door het voorleggen van het bewijs van voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;
  7. 5°door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt :

  1. 1°de nadere regels voor de prijs van de kinderopvang of van de opvang van schoolgaande kinderen voor de gezinnen, met inbegrip van het principe dat de gezinnen betalen voor de door hen gereserveerde kinderopvangdagen;
  2. 2°de voorrangsregels voor de toegang, vermeld in § 1 en § 2, waarbij absolute voorrang is in het kader van de werksituatie, de minimaal te behalen resultaten op dat vlak en de wijze waarop die resultaten worden gemeten;
  3. 3°de nadere regels voor de kenmerken, vermeld in § 1, en de wijze waarop ze formeel worden vastgesteld.

In dit artikel wordt verstaan onder opvang van schoolgaande kinderen: opvang van kinderen die naar de basisschool gaan en die gebruik maken van kinderopvang in een opvanglocatie die een vergunning heeft voor opvang van baby’s en peuters, en die hoofdzakelijk baby’s en peuters opvangt.

De Vlaamse Regering kan de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn ermee belasten om in individuele gevallen te beslissen over een vermindering van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen. Voor gezinnen die een beroep doen op een organisator, gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, die moet worden geacht wegens zijn organisatie uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap, en voor wie het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn geen beslissing neemt, kan de Vlaamse Regering de organisator ermee belasten om in individuele gevallen te beslissen over een vermindering van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, meer bepaald in welke gevallen het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of de organisator, in geval een beroep gedaan wordt op een organisator, gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een beslissing kan nemen en waarover.

Het agentschap kan maatregelen nemen ten aanzien van de gezinnen die niet de correcte gegevens verstrekken, nodig voor de berekening van de prijs van de kinderopvang, of die een wijziging van die gegevens niet meedelen. Die maatregelen bestaan uit de bepaling van het juiste inkomenstarief voor de toekomst en uit het bepalen van een schadevergoeding ten laste van de contracthouder voor het verleden. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de nadere regels, meer bepaald hoe dit juiste inkomenstarief gefactureerd zal worden ten aanzien van de contracthouder en hoeveel de schadevergoeding bedraagt. Het agentschap kan beslissen af te zien van deze schadevergoeding in geval van overmacht, goede trouw of indien sprake van behartenswaardige gevallen.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd