Artikel 21
Als de kinderopvanglocatie georganiseerd wordt zonder een vergunning van het agentschap als vermeld in artikel 4, of als de vergunning wordt opgeheven, geeft het bevoegde personeelslid van het agentschap een sluitingsbevel aan de organisator, met vermelding van de datum waarop de sluiting ingaat. In geval van een imminent en ernstig gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de kinderen kan de sluiting onmiddellijk worden opgelegd.
Als de uitoefening van de kinderopvang opgeschort moet worden of als een kinderopvanglocatie moet sluiten, licht het agentschap zo spoedig mogelijk de burgemeester van de gemeente van de kinderopvanglocatie daarover in.
De burgemeester gaat na of de opschorting of het sluitingsbevel wordt nageleefd. Als dat niet het geval is, gaat de burgemeester over tot sluiting van de kinderopvanglocatie. Die maatregel wordt op kosten en op risico van de organisator uitgevoerd. De burgemeester informeert het agentschap over zijn vaststellingen.
De Vlaamse Regering wijst de personeelsleden van het agentschap aan die bevoegd zijn om de beslissingen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel te nemen en bepaalt de nadere regels.