§ flandrepo
34 regels · van kracht sinds 1 sep 2023

Artikel 108

§ 1. Elk centrum voor volwassenenonderwijs ontvangt ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n/ n+1 een werkingstoelage per financieringspunt.

§ 2. Voor de berekening van de werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf 1 september 2020 jaarlijks recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan werkingsmiddelen voor het volwassenenonderwijs uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal gewogen financieringspunten is de som van het gemiddeld aantal gewogen financieringspunten dat alle centra voor volwassenenonderwijs voor alle studiegebieden samen bereikt hebben in de referteperiodes n-4 tot en met n-2. Elk centrum heeft voor het schooljaar n/n+1 recht op de som van een vast bedrag per ongewogen financieringspunt berekend op basis van het gemiddeld aantal ongewogen financieringspunten van de referteperiodes n-4 tot en met n-2 voor alle studiegebieden samen en hetzelfde aandeel aan werkingsmiddelen als het aandeel aan gewogen financieringspunten voor alle studiegebieden samen dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 3, heeft bereikt. De Vlaamse Regering bepaalt het vaste bedrag van de werkingstoelage binnen de volgende grenzen :

  1. 1°het bedrag per ongewogen financieringspunt mag niet minder bedragen dan 0,40 euro;
  2. 2°het bedrag per ongewogen financieringspunt mag niet meer bedragen dan 0,68 euro.

De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar n+1. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n/n+1 recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar n+1.

§ 3. Het totale aantal financieringspunten voor de werking per centrum per referteperiode wordt berekend volgens de formule : FP * (ds) * (lpg), waarbij :

  1. 1°FP = ongewogen financieringspunt;
  2. 2°ds = de coëfficiënt voor infrastructureel dure studiegebieden;
  3. 3°lpg = de coëfficiënt voor het aantal gemeenten of deelgemeenten waar het centrum minstens 1 lesplaats heeft met ingericht aanbod in de referteperiode n-1.

De coëfficiënt voor de infrastructureel dure studiegebieden afwerking bouw, ambachtelijk erfgoed, auto, bakkerij, chemie, groot transport, horeca, huishoudelijk koken, koeling en warmte, land- en tuinbouw, lassen, lichaamsverzorging, maritieme diensten, mechanica-elektriciteit, meubelmakerij, ruwbouw, schrijnwerkerij, slagerij en textiel is 1,38.

De coëfficiënten voor het aantal deelgemeenten van gemeenten die op 1 januari 2016 meer dan 100.000 inwoners telden of het aantal gemeenten waar het centrum lesplaatsen heeft, zijn :

  1. 1°1,000 voor één gemeente of deelgemeente;
  2. 2°1,004 voor twee gemeenten of deelgemeenten;
  3. 3°1,009 voor drie gemeenten of deelgemeenten;
  4. 4°1,013 voor vier gemeenten of deelgemeenten;
  5. 5°1,017 voor vijf gemeenten of deelgemeenten;
  6. 6°1,021 voor zes gemeenten of deelgemeenten;
  7. 7°1,026 voor zeven gemeenten of deelgemeenten;
  8. 8°1,030 voor acht gemeenten of deelgemeenten;
  9. 9°1,034 voor negen gemeenten of deelgemeenten;
  10. 10°1,039 voor tien gemeenten of deelgemeenten;
  11. 11°1,043 voor elf gemeenten of deelgemeenten;
  12. 12°1,047 voor twaalf gemeenten of deelgemeenten;
  13. 13°1,051 voor dertien gemeenten of deelgemeenten;
  14. 14°1,056 voor veertien gemeenten of deelgemeenten;
  15. 15°1,060 voor vijftien en meer gemeenten of deelgemeenten.

De Vlaamse Regering kan voor de toepassing van bovenstaande coëfficiënten een minimum aantal lesurencursist per gemeente of deelgemeente bepalen.

§ 4. Het totale volume aan werkingsmiddelen volgt de evolutie van het gemiddeld aantal gewogen financieringspunten in de referteperiodes n-4 tot en met n-2, vermeld in paragraaf 2.

Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.

Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %.

Vanaf het schooljaar 2023-2024 wordt het totaal volume aan werkingsmiddelen vermeerderd met 1.953.622,94 euro.

§ 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen bij een specifieke doelgroep die recht heeft op een verminderde financiële bijdrage als vermeld in artikel 8 van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1.

De aanvullende werkingstoelage bedraagt de helft van de volledige financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie of een deelkwalificatie als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2019 betreffende de uitvoering van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, zoals van kracht op de datum van de inwerkingtreding van artikel 11 van het programmadecreet van 30 juni 2023 houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing 2023.

Voor de berekening van de aanvullende werkingstoelage komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf zoals bedoeld in artikel 1, 48°.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd