§ flandrepo
11 regels · van kracht sinds 1 sep 2019

Artikel 42

§ 1. De volgende personen en categorieën worden voor de berekening van de minimum- en maximuminkomensgrenzen gelijkgesteld met een punt :

  1. 1°elke persoon in de leefeenheid die fiscaal ten laste is van de persoon of personen van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen;
  2. 2°elke student in de leefeenheid die niet meer fiscaal ten laste is van de persoon of personen van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen omdat hij bestaansmiddelen heeft gehad, op voorwaarde dat hij niet in aanmerking komt voor het statuut van gehuwde, zelfstandige of alleenstaande student;
  3. 3°elke persoon van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen, en die op 31 december van het academiejaar in kwestie fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt;
  4. 4°de categorie van leefeenheid die valt onder het toepassingsgebied van artikel 34, § 1, 1°, 2° of 3°.

De categorie van leefeenheid die valt onder het toepassingsgebied van artikel 34, § 1, 4° of 5°, levert een punt op, op voorwaarde dat het referentie-inkomen van de zelfstandige, respectievelijk alleenstaande student in aanmerking genomen kan worden voor de berekening van de toelage van de persoon, vermeld in § 1, 1° of 2°.

§ 2. In afwijking van § 1 wordt elke persoon die valt onder § 1, 1° of 2°, en die op 31 december van het academiejaar in kwestie fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt, met twee punten gelijkgesteld.

§ 3. Voor elke persoon die valt onder het toepassingsgebied van artikel 42, § 1, 1° of 2°, en die buiten de kandidaat hoger onderwijs volgt tijdens het academiejaar in kwestie, wordt bij de aanvraag van een studietoelage hoger onderwijs één punt bijgeteld en worden bij de aanvraag van een schooltoelage zo veel punten bijgeteld als er hogeronderwijsstudenten aanwezig zijn in de leefeenheid, min een punt.

§ 4. Als er in de leefeenheid, vermeld in artikel 34, § 1, waarvan de student deel uitmaakt tevens één of meerdere niet-verwanten zijn, wordt er voor de berekening van de minimum- en de maximuminkomensgrenzen een punt afgetrokken, tenzij deze niet-verwanten niet beschikken over financiële middelen zoals vermeld in artikel 35, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 7°.

§ 5. In afwijking van de §§ 1 tot en met 4, bedraagt het aantal punten van de leefeenheid waarvan de student deel uitmaakt nooit minder dan nul.

§ 6. ...

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd