Artikel 23
§ 1. Op vordering van de Vlaamse regering beveelt de rechtbank aan de veroordeelde op basis van artikel 22, § 1:
- 1°de nodige maatregelen tot instandhouding en onderhoud te nemen om het verder verval van het beschermd voorwerp tegen te gaan;
- 2°het beschermd voorwerp te restaureren onder toezicht en met naleving van de richtlijnen van de Vlaamse Gemeenschap;
- 3°een borgsom te storten in de Deposito- en Consignatiekas. Deze borgsom wordt vastgesteld op basis van de geschatte kosten voor de instandhouding, het onderhoud en de restauratie van het beschermd voorwerp.
Het vonnis bepaalt tevens dat de in 3° bepaalde geldsom aan de veroordeelde wordt terugbetaald na de uitvoering van de in het vonnis opgelegde maatregelen en dat bij ontstentenis van een betaling het beschermd voorwerp als borg wordt beschouwd.
§ 2. Voor het geval dat de in het vonnis opgelegde maatregelen tot conservatie en restauratie niet binnen de vastgestelde termijn werden uitgevoerd, beveelt het vonnis dat de Vlaamse Gemeenschap van ambtswege in de uitvoering ervan kan voorzien, op kosten van de veroordeelde.
Alle kosten worden, ten laste van de veroordeelde, op de gestorte borgsom aangerekend.
Het saldo van de borgsom blijft integraal aan de Vlaamse Gemeenschap verworven, onverminderd de schadeloosstelling en de opgelegde dwangsom.
In het geval dat het beschermd voorwerp als borg werd beschouwd, wordt het, na vijf jaar vanaf het vonnis, bedoeld in § 1, definitief eigendom van de Vlaamse Gemeenschap, tenzij de veroordeelde voor afloop van deze termijn alsnog zijn door de rechter opgelegde verplichting tot het storten van een borgsom nakomt.
§ 3. De rechten van de burgerlijke partij zijn in geval van rechtstreeks herstel beperkt tot de door de Vlaamse regering gevorderde wijze van herstel, onverminderd het recht om vergoeding van de schade te eisen van de veroordeelde.