Artikel V.118
Voor de berekening van de dienstanciënniteit:
- 1°bestaat het aantal dagen gepresteerd als lid van het onderwijzend personeel met een opdracht waarvan de omvang ten minste 10 procent van een voltijdse betrekking bedraagt, ongeacht de financieringsbron, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode met inbegrip van de bezoldigde vakantiedagen;
- 2°mag het aantal dagen gepresteerd in 2 of meer gelijktijdig uitgeoefende ambten nooit meer bedragen dan het aantal dagen gepresteerd in een ambt dat tijdens dezelfde periode wordt uitgeoefend;
- 3°kan gedurende een academiejaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven;
- 4°...;
- 5°worden eveneens als diensten beschouwd, de periodes tijdens welke het personeelslid een verlof geniet overeenkomstig artikel V.84 of het zich in de administratieve stand terbeschikkingstelling bevindt zoals bepaald in artikel V.90, eerste lid, 1°, 2° en 4°.