§ flandrepo
51 regels · van kracht sinds 1 jan 2022

Artikel III.22

§1. Bij de berekening van het variabele onderzoeksdeel van een universiteit (VOZi) wordt het bedrag van het variabele onderzoeksdeel VOZun, respectievelijk VOZun2014, vermeld in of berekend overeenkomstig artikel III.5, verdeeld over de universiteiten volgens de procentuele verdeelsleutel, vermeld in paragraaf 2 van dit artikel.

§2. De verdeelsleutel is het gewogen gemiddelde van de volgende 4 elementen:

  1. 1°het procentuele aandeel van iedere associatie in het aantal academisch gerichte initiële bachelor- en masterdiploma’s, uitgereikt door de universiteit en door de hogescholen die deel uitmaken van de betreffende associatie in de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2. Op de uitgereikte diploma’s wordt het puntengewicht van het studiegebied, vermeld in artikel III.19, toegepast. Voor de academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in een universiteit, evolueert het puntengewicht overeenkomstig artikel III.19, §1, 4°. Voor de academisch gerichte kunstopleidingen wordt de som van het puntengewicht in artikel III.19, §1, 2°, en artikel III.19, §4, toegepast;
  2. 2°het procentuele aandeel van iedere universiteit in het aantal doctoraatsdiploma’s, uitgereikt in de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2, met toepassing van het puntengewicht van het studiegebied, vermeld in artikel III.19;
  3. 3°het procentuele aandeel van iedere universiteit in het aantal publicaties en het aantal citaties over de jaren t-12 tot en met t-3. De publicaties en citaties worden vastgesteld overeenkomstig de voorschriften, vastgelegd bij of krachtens artikel 63/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid;
  4. 4°het procentuele aandeel van iedere universiteit in de parameter “mobiliteit en diversiteit”, dat is het procentuele aandeel van elke universiteit in het aantal eerste aanstellingen of benoemingen in een graad van het zelfstandig academisch personeel over de jaren t-6 tot en met t-2 van:
  5. a)personen die gepromoveerd zijn tot doctor aan een andere universiteit dan de aanstellende of benoemende universiteit;
  6. b)personen die aan de aanstellende of benoemende universiteit gepromoveerd zijn tot doctor, maar gedurende de laatste 5 jaar ten minste 3 jaar geen deel hebben uitgemaakt van het personeel bij die universiteit of een andere universiteit, bij een universitair ziekenhuis, een hogeschool, een publieke onderzoeksorganisatie of een onderzoeksorganisatie die structurele financiering krijgt vanuit de Vlaamse begroting;
  7. c)personen van het vrouwelijke geslacht.

Onder eerste aanstelling of benoeming als vermeld in het eerste lid, wordt verstaan de indiensttreding bij de universiteit in 1 van de graden van het zelfstandig academisch personeel overeenkomstig deel 5, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 3.

Bij de bepaling van het aantal aanstellingen en benoemingen:

  1. 1°wordt geen rekening gehouden met dubbeltellingen, in de zin dat een persoon die bij de aanstelling of benoeming aan een universiteit voldoet aan 2 criteria als vermeld in het eerste lid, 4°, eenmaal wordt geteld;
  2. 2°worden alleen aanstellingen of benoemingen van ten minste 80% aan de universiteit in rekening genomen, inclusief gemengde aanstellingen aan enerzijds de universiteit en anderzijds:
  3. a)het daaraan verbonden academisch ziekenhuis. Voor de toepassing van deze bepaling wordt het Universitair Ziekenhuis Gent respectievelijk het Universitair Ziekenhuis Antwerpen beschouwd als verbonden met de Universiteit Gent respectievelijk de Universiteit Antwerpen;
  4. b)het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen;
  5. c)het Agentschap Innoveren en Ondernemen;
  6. d)de strategische onderzoekscentra (iMinds, IMEC, VITO, VIB en Flanders Make).

De gegevens voor de berekening van de parameter “mobiliteit en diversiteit” worden aangeleverd door de Vlaamse Interuniversitaire Raad na een gezamenlijke validatie ervan door de universiteiten, de overheid en de commissarissen die toezicht uitoefenen op de universiteiten.

§3. Voor de weging van de elementen, vermeld in paragraaf 2, worden de volgende factoren toegepast:

begrotingsjaar

2013

2014 en 2015

2016 en 2017

2018 en 2019

vanaf 2020

diploma’s

0,24

0,24

0,24

0,23

0,225

doctoraten

0,40

0,39

0,38

0,38

0,375

publicaties en citaten

0,30

0,30

0,30

0,30

0,30

diversiteit en mobiliteit

0,06

0,07

0,08

0,09

0,10

§4. In afwijking van paragraaf 1 wordt tot en met het begrotingsjaar 2013 0,23% van het bedrag van het variabele onderzoeksdeel, vermeld of berekend conform artikel III.5, voorafgenomen voor de HUB-KUB. Voor de berekening van het procentuele aandeel in het aantal doctoraatsdiploma’s, in het aantal publicaties en citaties en in het aantal eerste aanstellingen of benoemingen, vermeld in paragraaf 2 van dit artikel, wordt de HUB-KUB uitgezonderd.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden voor de bepalingen van paragraaf 1, 2 en 3, de Katholieke Universiteit Leuven en de HUB-KUB als 1 universiteit beschouwd. Voor de berekening van het variabele onderzoeksdeel worden het aantal uitgereikte initiële bachelordiploma’s, het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma’s, het aantal publicaties en citaties, en het aantal eerste aanstellingen of benoemingen van de HUB-KUB geteld bij de aantallen van de Katholieke Universiteit Leuven.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd