§ flandrepo

Tot wijziging van deel 3, titel 4, hoofdstuk 1 en 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur #558

Gesloten Tom OngenaNadia SminateBrecht WarnezPaul Van MiertKatrien SchryversKris Van Dijck Open Vld, N-VA, cd&v wou 10 artikels wijzigen in decreet-2017-12-22-1029017 · 25 november 2020 Alle checks geslaagd
Advies
DR de Raad van State 7 december 2020 · 6 blz.
558/2 Officiële PDF
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks. Hieronder de tekst uit de PDF.
ingediend op558 (2020-2021) – Nr. 2 7 december 2020 (2020-2021) verzendcode: BIN Advies van de Raad van State over het voorstel van decreet van Tom Ongena, Nadia Sminate, Brecht Warnez, Paul Van Miert, Katrien Schryvers en Kris Van Dijck tot wijziging van deel 3, titel 4, hoofdstuk 1 en 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur Documenten in het dossier: : Voorstel van decreet Vlaams Parlement558 (2020-2021) – Nr. 2 3 RAAD VAN STATE afdeling Wetgeving advies 68.381/1 van 7 december 2020 over een voorstel van decreet ‘tot wijziging van deel 3, titel 4, hoofdstuk 1 en 2,van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur ’(Parl.St. Vl.Parl. 2020-21, nr. 558/1) ‡LW-AHMUOBADA-GIDIBMW‡ 2/4 advies Raad van State 68.381/1 Op 30 november 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Voorzitter van het Vlaams Parlement verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een voorstel van decreet ‘tot wijziging van deel 3, titel 4, hoofdstuk 1 en 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur’ (Parl.St. Vl.Parl. 2020-21, nr. 558/1). Het voorstel is door de eerste kamer onderzocht op 3 december 2020. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Wilfried VAN VAERENBERGH en Chantal BAMPS, staatsraden, Michel TISON en Johan PUT, assessoren, en Greet VERBERCKMOES, griffier. Het verslag is uitgebracht door Arne CARTON, adjunct-auditeur. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 7 december 2020. * ‡LW-AHMUOBADA-GIDIBMW‡ Vlaams Parlement68.381/1 advies Raad van State 3/4 ONTVANKELIJKHEID VAN DE ADVIESAANVRAAG Door te eisen dat de adviesaanvragen met een termijn van vijf werkdagen van een “bijzondere” motivering worden voorzien, heeft de wetgever tot uiting gebracht dat hij wil dat alleen in uitzonderlijke gevallen verzocht wordt om mededeling van het advies binnen die uitzonderlijk korte termijn. De aanvrager moet derhalve pertinente en voldoende concrete gegevens aanbrengen die het aannemelijk maken dat de voorgestelde regeling dermate spoedeisend is dat noodzakelijkerwijze een beroep moet worden gedaan op de procedure bedoeld in artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State (advies mede te delen binnen een termijn van vijf werkdagen) en waarom, op het ogenblik van de adviesaanvraag, geen beroep kon worden gedaan op de procedure bedoeld in artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van die wetten (advies mede te delen binnen een termijn van dertig dagen). In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling in de adviesaanvraag gemotiveerd als volgt: “de gestage ontwikkeling in de regelgeving rond verzelfstandiging van OCMW-taken gaf nieuwe mogelijkheden tot samenwerking met de private sector en later tot de verzelfstandiging in een privaatrechtelijke vorm van taken en opdrachten van het OCMW. Deze volstaan op heden echter niet meer om maximaal in te kunnen spelen op de opportuniteiten die zich aandienen. Veel lokale besturen en welzijnsinstellingen zijn op zoek naar manieren om nog efficiënter en performanter te kunnen opereren, zodat ze de evoluties (toenemende vergrijzing en verzilvering) het hoofd kunnen bieden zonder dat dit de maatschappij te zwaar financieel belast en zodat ze concurrentieel blijven in een sector waarin steeds meer louter private spelers op de markt zijn. De Covid-pandemie en de maatregelen die de overheid ter bestrijding daarvan heeft genomen, hebben deze druk nog aanzienlijk verhoogd. In de uittekening van het lokale beleid desbetreffend is niet alleen de budgettaire ondersteuning, maar ook de bestuurlijke organisatie van wezenlijk belang. Ze botsen daarbij echter op de limieten van de organieke regelgeving. Gezien de druk die wordt aangevoeld uit het veld om snel tot optimalisaties te komen in hun organisatiestructuur, wordt een oplossing op korte termijn verwacht. De voorliggende decretale aanpassing die de mogelijkheden verruimt waarover lokale besturen beschikken om hun welzijnstaken uit te voeren, biedt rechtszekerheid om daarin heel snel te schakelen. Een snel handelen door de decreetgever is in deze tijden dus noodzakelijk. Lokale besturen verdienen bovendien, zeker met het naderende kalenderjaareinde, snel rechtszekerheid omtrent mogelijks uit het Vlaamse regelgevend kader te maken beleidskeuzes”. De aangehaalde motivering blijft beperkt tot een omschrijving van de noodzaak om de voorgestelde wijzigingen tot stand te brengen. Dergelijke omschrijving verantwoordt op zich evenwel niet het spoedeisende karakter van de adviesaanvraag. Evenmin zijn verwijzingen naar de noodzaak van het vinden van “een oplossing op korte termijn” en naar de vereiste rechtszekerheid voldoende concreet om dergelijke verantwoording te kunnen inhouden. Omdat de in de adviesaanvraag weergegeven motivering geen pertinente en voldoende concrete gegevens bevat die het spoedeisende karakter ervan kunnen verantwoorden, ziet de Raad van State, afdeling Wetgeving, zich ertoe genoopt om af te zien van het onderzoek van het hem om advies voorgelegde voorstel van decreet en moet de adviesaanvraag als zijnde onontvankelijk worden beschouwd. ‡LW-AHMUOBADA-GIDIBMW‡ 4/4 advies Raad van State 68.381/1 Los daarvan kan prima facie worden vastgesteld dat het voorstel van decreet een aantal structurele wijzigingen beoogt aan te brengen in de regelgeving betreffende het lokaal welzijnsbeleid die volgens de Raad van State, afdeling Wetgeving, tot een grondig juridisch onderzoek nopen. Het staat uiteraard aan de adviesaanvragende overheid om erover te oordelen of het voorstel van decreet met het oog daarop opnieuw om advies zal worden voorgelegd. Het verdient tevens aanbeveling dat alvast ook bepaalde andere vormvereisten, en in het bijzonder die met betrekking tot de advisering door de Gegevensbeschermingsautoriteit in het kader van de regeling inzake verwerking van persoonsgegevens, zouden worden nagekomen.1 DE GRIFFIER Greet VERBERCKMOES DE VOORZITTER Marnix VAN DAMME 1 Het …
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd