Over de programmatische aanpak stikstof #1801
Gemerged 


N-VA, Open Vld voegde 16 artikels samen in decreet-1988-12-21decreet-1997-10-21mestdecreet · 27 juli 2023 2 checks vragen aandacht
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks; de aanvaarde amendementen zitten in de volgende tekst van het voorstel. Hieronder de tekst uit de PDF.
ingediend op1801 (2022-2023) – Nr. 7
18 december 2023 (2023-2024)
verzendcode: LEE
Amendementen
op het voorstel van decreet
van Wilfried Vandaele, Willem-Frederik Schiltz,
Bart De Wever en Tom Ongena
over de programmatische aanpak stikstof
Documenten in het dossier:
: Voorstel van decreet
– Nr. 2: Advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit
– Nr. 3: Advies van de Raad van State
– Nr. 4: Advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking
van persoonsgegevens
– Nr. 5: Amendement
– Nr. 6: Advies van de Raad van State
AMENDEMENT Nr. 2
Subamendement voorgesteld door Mieke Schauvliege, Chris Steenwegen,
Staf Aerts en Jeremie Vaneeckhout
op amendement nr. 1
Artikel 4
Een paragraaf 4/1 invoegen, die luidt als volgt:
“§4/1. Tegen 1 januari 2045 wordt, voor alle stikstofgevoelige habitats van de
A-habitattypes, de kritische drempelwaarde niet overschreden.
Tegen 1 januari 2050 wordt, voor alle stikstofgevoelige habitats van de
B-habitattypes, de kritische drempelwaarde niet overschreden.”.
VERANTWOORDING
Het structureel en planmatig terugdringen van de impact van stikstofdepositie op speciale beschermingszones – Habitatrichtlijn (SBZ-H) wordt in de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) nader
geconcretiseerd. Voor stikstofgevoelige habitats van de B-habitattypes is het doel om tegen 2050 een
daling te realiseren van de stikstofdepositie tot onder het niveau van de kritische drempelwaarde van
deze types in de SBZ-H die voor deze types zijn aangewezen. Voor de stikstofgevoelige habitats van de
A-habitattypes is in deze daling in de SBZ-H die voor deze types zijn aangewezen, voorzien tegen 2045.
Het is noodzakelijk dat ook de langetermijndoelstellingen deel uitmaken van het PAS-decreet.
Tegelijkertijd stelt het advies van de Raad van State dat het tijdstraject zoals uitgezet is in het PAS-
akkoord te traag is: met name het afschieten van de vergunningverlening op krediet wijst daarop.
De daling moet prioritair en sneller gebeuren. Pas wanneer er voldoende stikstofruimte vrijkomt, zal
opnieuw ‘met een gerust hart’ vergund kunnen worden.
**
AMENDEMENT Nr. 3
Subamendement voorgesteld door Mieke Schauvliege, Chris Steenwegen,
Staf Aerts en Jeremie Vaneeckhout
op amendement nr. 1
Artikel 12
In paragraaf 1, het eerste lid vervangen door wat volgt:
“Er kan een vrijstelling van de verplichtingen, vermeld in artikel 6 tot en met 11,
worden verkregen in de volgende gevallen:
1° indien voldaan is aan volgende voorwaarden:
a) de stallen onderdeel zijn van een natuurinclusieve bedrijfsvoering;
b) de veehouderij blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting
van twee grootvee-eenheden per hectare grond of minder;
c) door het treffen van aanvullende maatregelen die ervoor zorgen dat de
gemiddelde emissie op bedrijfslocatieniveau gelijk is aan de toepassing van
AEA-stallen;
d) uit monitoring blijkt dat het bedrijf gemiddeld op jaarniveau aan de voorwaarde onder c) voldoet;
2° biologische bedrijven;
3° diercategorieën waarvoor de Vlaamse Regering vaststelt dat er geen ammoniakemissiereducerende maatregelen vastgesteld zijn.”.
Vlaams Parlement1801 (2022-2023) – Nr. 7 3
VERANTWOORDING
Artikel 12 voorziet in een vrijstellingsregeling voor kleinschalige veehouderijen en biologische
producenten.
Het advies van de Raad van State stelt hierover dat een ‘verschil in behandeling’ kan, maar dat dit
steeds moet steunen op een objectief criterium en redelijk verantwoord moet zijn.
Het correctiemechanisme wordt positief beoordeeld omdat de vrijstellingsvoorwaarde de transitie naar
een duurzame en grondgebonden landbouwsector kan stimuleren, evenwel is een wijziging noodzakelijk
in functie van de verduurzaming van de landbouwsector.
Wat betreft 1°: het is tot nu onduidelijk wat de impact op de globale reductiedoelstelling is van de
vrijstelling zoals gedefinieerd in artikel 12, §1, 1°. Er is immers geen duidelijkheid over het aantal
bedrijven die minder dan 500 kg ammoniak uitstoten. De veeteeltbedrijven in Vlaanderen kennen een
erg grote diversiteit en variatie in dieromvang en stalsystemen. Een gemiddeld veebedrijf stoot 3 ton
ammoniak uit. Deze vrijstellingsregeling kan een grote impact hebben op de globale reductiedoelstelling. Bovendien biedt deze regeling geen incentive om de bedrijfsvoering te verduurzamen.
Een koppeling van de vrijstellingsregeling aan gegarandeerde duurzaamheidscriteria zorgt ervoor dat
tegelijkertijd een integraal duurzamere bedrijfsvoering gestimuleerd wordt en dat een bijdrage geleverd
wordt aan de te behalen emissiedoelen.
Een vrijstelling voor natuurinclusieve bedrijven stimuleert de omslag naar een grondgebonden bedrijfsvoering met minder dieren en meer eigen voedervoorziening. Het kan bovendien ook een incentive zijn
om de afhankelijkheid van stikstofimport af te bouwen (kunstmest en geïmporteerde soja).
Dit is geïnspireerd op de vrijstellingsregeling zoals ontwikkeld door de Nederlandse provincie Noord-
Brabant: Handreiking natuurinclusieve melkveehouders. Landbouwbedrijven die voldoen aan een reeks
criteria zoals lage veebezetting, gesloten nutriëntenkringloop of een reeks (bijkomende) biodiversiteits-,
water- en bodemmaatregelen nemen, kunnen een vrijstelling krijgen van verplichte stalmaatregelen.
Deze handreiking heeft tot doel om het aantal natuurinclusieve en biologische landbouwbedrijven te
stimuleren.
Ook in Vlaanderen moet de Programmatische Aanpak Stikstof tot doel hebben de landbouwsector structureel te verduurzamen. Landbouwers die een natuurinclusieve of biologische bedrijfsvoering hebben,
of overwegen om om te schakelen, moeten daarvoor gestimuleerd worden.
Daartoe wordt artikel 12 aangepast. Ook om tegemoet te komen aan de bezorgdheid in het advies van
de Raad van State met betrekking tot de ecologische onderbouwing om kleinschalige veebedrijven en
biologische veehouderijen uit te sluiten van verplichte maatregelen.
Artikel 12, §1, 2°, regelt de vrijstelling voor biologische bedrijven, indien de impactscore lager of gelijk
is aan 1%. De vrijstelling voor de …