| 1 | §1. Indien de procentuele verhouding van het sociaal huuraanbod ten opzichte van het aantal huishoudens in een gemeente blijkens de nulmeting, toegevoegd als bijlage bij deze codex, lager is dan drie procent, dan wordt de inspanning ten behoeve van het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen aangevuld met een specifieke inhaalbeweging in de periode 2013-2025. | | |
| | 1 | §1. Met behoud van de toepassing van het tweede lid worden de sociale huurwoningen van het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen, zoals van kracht op 31 december 2025, die op die datum niet gerealiseerd zijn, verwezenlijkt via een specifieke inhaalbeweging in de periode 2026-2042. |
| | 2 | Als het agentschap dat door de Vlaamse Regering belast wordt met de uitvoering van het woonbeleid, heeft vastgesteld dat het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen, zoals van kracht op 31 december 2025, is bereikt, is de specifieke inhaalbeweging, vermeld in het eerste lid, niet van toepassing. |
| 2 | De specifieke inhaalbeweging, vermeld in het eerste lid, heeft betrekking op de bijkomende verwezenlijking van een sociaal huuraanbod overeenkomstig volgende tabel: | 3 | De specifieke inhaalbeweging, vermeld in het eerste lid, wordt gerealiseerd in de gemeente waarop de specifieke inhaalbeweging betrekking heeft. |
| 3 | Procentuele verhouding tussen het aantal sociale huurwoningen en het aantal huishoudens binnen de gemeente, telkens zoals vermeld in de nulmeting | | |
| 4 | Procentuele omvang van het bijkomend sociaal huuraanbod in het kader van de specifieke inhaalbeweging ten opzichte van het aantal huishoudens, zoals vermeld in de nulmeting | | |
| 5 | 0,00 - 0,09% | | |
| 6 | 0,10 - 0,19% | | |
| 7 | 0,20 - 0,29% | | |
| 8 | 0,30 - 0,39% | | |
| 9 | 0,40 - 0,49% | | |
| 10 | 0,50 - 0,59% | | |
| 11 | 0,60 - 0,69% | | |
| 12 | 0,70 - 0,79% | | |
| 13 | 0,80 - 0,89% | | |
| 14 | 0,90 - 0,99% | | |
| 15 | 1,00 - 1,09% | | |
| 16 | 1,10 - 1,19% | | |
| 17 | 1,20 - 1,29% | | |
| 18 | 1,30 - 1,39% | | |
| 19 | 1,40 - 1,49% | | |
| 20 | 1,50 - 1,59% | | |
| 21 | 1,60 - 1,69% | | |
| 22 | 1,70 - 1,79% | | |
| 23 | 1,80 - 1,89% | | |
| 24 | 1,90 - 1,99% | | |
| 25 | 2,00 - 2,09% | | |
| 26 | 2,10 - 2,19% | | |
| 27 | 2,20 - 2,29% | | |
| 28 | 2,30 - 2,39% | | |
| 29 | 2,40 - 2,49% | | |
| 30 | 2,50 - 2,59% | | |
| 31 | 2,60 - 2,69% | | |
| 32 | 2,70 - 2,79% | | |
| 33 | 2,80 - 2,89% | | |
| 34 | 2,90 - 2,99% | | |
| 35 | 0,83% | | |
| 36 | 0,80% | | |
| 37 | 0,77% | | |
| 38 | 0,75% | | |
| 39 | 0,72% | | |
| 40 | 0,69% | | |
| 41 | 0,66% | | |
| 42 | 0,64% | | |
| 43 | 0,61% | | |
| 44 | 0,58% | | |
| 45 | 0,55% | | |
| 46 | 0,53% | | |
| 47 | 0,50% | | |
| 48 | 0,47% | | |
| 49 | 0,44% | | |
| 50 | 0,42% | | |
| 51 | 0,39% | | |
| 52 | 0,36% | | |
| 53 | 0,33% | | |
| 54 | 0,30% | | |
| 55 | 0,28% | | |
| 56 | 0,25% | | |
| 57 | 0,22% | | |
| 58 | 0,19% | | |
| 59 | 0,17% | | |
| 60 | 0,14% | | |
| 61 | 0,11% | | |
| 62 | 0,08% | | |
| 63 | 0,06% | | |
| 64 | 0,03% | | |
| | 4 | Uiterlijk op 31 december 2027 is 25 procent van de sociale huurwoningen uit de specifieke inhaalbeweging, vermeld in het eerste lid, gerealiseerd of ten minste opgenomen in een meerjarenplanning als vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid. |
| | 5 | Uiterlijk op 31 december 2030 is 25 procent van de sociale huurwoningen uit de specifieke inhaalbeweging, vermeld in het eerste lid, gerealiseerd of ten minste opgenomen in een kortetermijnplanning als vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid. |
| | 6 | Uiterlijk op 31 december 2033 is 50 procent van de sociale huurwoningen uit de specifieke inhaalbeweging, vermeld in het eerste lid, gerealiseerd of ten minste opgenomen in een kortetermijnplanning als vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid. |
| | 7 | Uiterlijk op 31 december 2036 is minstens de helft van alle sociale huurwo-ningen die zijn opgenomen in de specifieke inhaalbeweging, vermeld in het eerste lid, gerealiseerd. |
| | 8 | Uiterlijk op 31 december 2039 is minstens 75 procent van alle sociale huur-woningen die zijn opgenomen in de specifieke inhaalbeweging, vermeld in het eerste lid, gerealiseerd of ten minste opgenomen in een kortetermijnplanning als vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid. |
| | 9 | Uiterlijk op 31 december 2042 zijn alle sociale huurwoningen die zijn opge-nomen in de specifieke inhaalbeweging, vermeld in het eerste lid, gerealiseerd. |
| 65 | §2. De Vlaamse Regering kan een gemeente geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de specifieke inhaalbeweging, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, indien de gemeente in een wetenschappelijk onderbouwd dossier aantoont dat voldaan is aan ten minste één van volgende criteria: | 10 | §2. De Vlaamse Regering kan een gemeente geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de specifieke inhaalbeweging, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de gemeente uiterlijk op 1 juli 2026 in een onderbouwd dossier aantoont dat voldaan is aan ten minste één van volgende criteria: |
| 66 | 1° de specifieke inhaalbeweging kan niet of niet volledig worden gerealiseerd omwille van manifeste ruimtelijke beperkingen, vastgesteld op basis van het gemeentelijk actieprogramma, vermeld in artikel 2.6, en deze beperkingen kunnen niet of onvoldoende worden opgevangen door middel van de verhuring van private woningen via woonmaatschappijen; | 11 | 1° de specifieke inhaalbeweging kan niet of niet volledig worden gerealiseerd vanwege manifeste ruimtelijke beperkingen, vastgesteld op basis van het gemeentelijk actieprogramma, vermeld in artikel 2.6, en deze beperkingen kunnen niet of onvoldoende worden opgevangen door de volgende instru-menten: |
| | 12 | a) een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening als vermeld in artikel 2.3.2, §2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, over sociaal wonen; |
| | 13 | b) een actief beleid over de uitoefening van het recht van voorkoop, ver-meld in artikel 5.76, §1; |
| | 14 | c) de verhuring van private woningen via woonmaatschappijen; |
| 67 | 2° de cumulatie van de inspanning ten behoeve van het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen en de specifieke inhaalbeweging leidt ertoe dat jaarlijks een aantal nieuwe sociale huurwoningen moet worden vergund dat hoger is dan 25 procent van het gemiddeld aantal vergunde woningen op jaarbasis, berekend op grond van de afgifte van omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen in de voorbije vijf jaar, met dien verstande dat een vrijstellingsverzoek op basis van dit criterium eerst kan worden ingediend: | 15 | 2° de som van het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen en de specifieke inhaalbeweging, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, op jaarbasis is hoger dan 25 procent van het gemiddeld aantal vergunde woningen op jaarbasis, berekend op grond van de afgifte van omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen in de voorbije tien jaar. |
| 68 | a) in 2016, op voorwaarde dat 30 procent van de reguliere inspanning, vermeld in artikel 2.31, verwezenlijkt is; | | |
| 69 | b) in 2019, op voorwaarde dat 60 procent van de reguliere inspanning, vermeld in artikel 2.31, verwezenlijkt is; | | |
| 70 | c) in 2022, op voorwaarde dat 90 procent van de reguliere inspanning, vermeld in artikel 2.31, verwezenlijkt is; | | |
| 71 | 3° de gemeente levert al belangrijke inspanningen op het vlak van de opvang van woonbehoeftige doelgroepen door middel van de aanwezigheid van een of meer van de volgende voorzieningen: | | |
| 72 | a) woningen en voorzieningen die bestemd zijn voor het begeleid wonen van jongeren en opvangtehuizen voor daklozen, ex-gedetineerden en ex-psychiatrische patiënten, meer in het bijzonder: | | |
| 73 | 1) voorzieningen als vermeld in artikel 2, 18°, van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand; | | |
| 74 | 2) voorzieningen en woningen voor de opvang van daklozen, ex-gedetineerden of ex-psychiatrische patiënten, waarbij de opvang altijd gecombineerd wordt met begeleiding vanuit het beleidsveld Welzijn | | |
| 75 | 3) voorzieningen en woningen voor crisisopvang die in eigendom of in beheer zijn van de gemeente, het OCMW, een CAW of een intergemeentelijke administratieve entiteit; | | |
| 76 | 4) nood- en transitwoningen die in eigendom of in beheer zijn van de gemeente, het OCMW, een CAW of een intergemeentelijke administratieve entiteit; | | |
| 77 | b) open en gesloten asielcentra; | | |
| 78 | c) doortrekkersterreinen en residentiële terreinen voor woonwagenbewoners; | | |
| 79 | 4° de gemeente beschikt over huurwoningen die middels een betoelaging door het Vlaamse Gewest zijn verwezenlijkt door initiatiefnemers, vermeld in artikel 4.13 met uitzondering van woonmaatschappijen, op voorwaarde dat deze woningen onder de marktprijs worden aangeboden aan woonbehoeftigen, en met dien verstande dat zij niet in rekening worden gebracht voor het bereiken van het bindend sociaal objectief. | | |
| 80 | De Vlaamse Regering bepaalt wegingsfactoren voor de voorzieningen en huurwoningen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°. De aanwezigheid van deze voorzieningen en huurwoningen kan nooit leiden tot een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met meer dan de helft van het toepasselijke percentage. De aanwezigheid van een open asielcentrum kan echter leiden tot een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met meer dan de helft van het toepasselijke percentage, indien die voorziening ten minste tweehonderd opvangplaatsen omvat. | | |