Artikel 41
Als bij een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), conform artikel 40 een vordering tot schorsing of schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig wordt gemaakt, kan het Vlaams bestuurs-rechtscollege, op verzoek, bij voorraad en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 40, §1, §2 en §5, alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten.
Als de decreten, vermeld in artikel 2, 1° a), van dit decreet, hoofdstuk 10, afdeling 14, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 van toepassing verklaren en het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, a), van oordeel is dat er redenen zijn om, conform artikel 40, over te gaan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestuurlijke beveiligingsbeslissing als bedoeld in artikel 102/2 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kan het, ambtshalve of op verzoek, beslissen om de beveiligingsbeslissing tijdelijk aan te passen.
Deze maatregelen worden, nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk zijn opgeroepen, bij een gemotiveerd arrest bevolen.
Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen verworpen.
Wanneer een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid van deze vordering rechtvaardigen. Een Vlaams bestuursrechts-college als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.
In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen voorlopige maatrege-len worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen worden gehoord. In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige maatregelen beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de handhaving van de maatregelen die niet zouden zijn uitgevoerd.
De maatregelen die bevolen zijn met toepassing van dit artikel worden onmid-dellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in artikel 40, §13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.
Artikel 40, §12 en §13, zijn van overeenkomstige toepassing op de krachtens dit artikel uitgesproken arresten.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure met betrekking tot de in dit artikel bedoelde maatregelen.