§ flandrepo
12 regels · van kracht sinds 29 dec 2023

Artikel 13

§1. Een bestuursrechter van een Vlaams bestuursrechtscollege die weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat als vermeld in artikel 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek onthoudt zich van de zaak en laat zich vervangen.

§2. De partijen kunnen bestuursrechters die zich over het beroep of bezwaar moeten uitspreken en tegen wie een reden tot wraking bestaat, schriftelijk en op gemotiveerde wijze wraken tot de zaak in beraad genomen wordt, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

De redenen, vermeld in artikel 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn redenen tot wraking als vermeld in het eerste lid.

§3. Het besluit van de gewraakte bestuursrechter om niet in te gaan op het ingestelde wrakingsverzoek, wordt vastgesteld in een beschikking die de beweegredenen voor de afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk weergeeft.

De griffier betekent de beschikking, vermeld in het eerste lid, samen met het wrakingsverzoek aan de partijen. De partijen kunnen hierover een nota indienen binnen een vervaltermijn van vijf dagen, die ingaat op de dag na de betekening van de voormelde beschikking.

Als de partij die het wrakingsverzoek heeft ingesteld, geen nota als vermeld in het tweede lid indient binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, wordt zij geacht te berusten in de afwijzing ervan.

Als de partij die het wrakingsverzoek heeft ingesteld, volhardt in haar wrakingsverzoek, worden de partijen uitgenodigd om te verschijnen op een zitting waarop het wrakingsverzoek wordt behandeld door de voorzitter van het Vlaams bestuursrechtscollege of, als die wordt gewraakt, door de oudste kamervoorzitter van het bestuursrechtscollege. Nadat de partijen zijn gehoord, wordt zonder verwijl bij tussenarrest uitspraak gedaan over het wrakingsverzoek.

§4. Bij inwilliging van een wrakingsverzoek wordt de gewraakte bestuursrechter vervangen.

§5. Naast de redenen, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, gelden voor het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), de volgende bijkomende redenen tot wraking:

  1. 1°de redenen, vermeld in artikel 829, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
  2. 2°het lidmaatschap van een rechtspersoon als vermeld in artikel 24, §4, van de Grondwet, die verantwoordelijk is voor de universiteit of de hogeschool waaraan de kwestieuze beslissing is genomen, of van een personeelslid van die universiteit of hogeschool;
  3. 3°een lid als vermeld in punt 2° zijn geweest in een periode van drie jaar die aan het ingestelde beroep voorafgaat.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd