§ flandrepo
68 regels · van kracht sinds 1 sep 2024

Artikel II.221

§1. Het instellingsbestuur stelt een onderwijsreglement op. Dit omvat ten minste:

  1. 1°voor elke bachelor- en masteropleiding : de graad waartoe de opleiding leidt, de kwalificatie van de graad en desgevallend de specificatie van de graad;
  2. 2°voor elke opleiding van het hoger beroepsonderwijs :
  3. a)het diploma waartoe de opleiding leidt;
  4. b)de bacheloropleidingen die erop volgen;
  5. 3°voor elke opleiding :
  6. a)de inhoud en de doelstellingen van de opleiding, het opleidingsprogramma en de indeling in opleidingsonderdelen;
  7. b)in voorkomend geval : de afstudeerrichtingen;
  8. c)de volgtijdelijkheid van de onderscheiden opleidingsonderdelen, en in voorkomend geval de risico's of veiligheidsproblemen op basis waarvan die volgtijdelijkheid wordt opgelegd;
  9. d)de organisatie van de opleiding in de vorm van modeltrajecten en geïndividualiseerde trajecten;
  10. 4°voor elk opleidingsonderdeel : de doelstellingen van het opleidingsonderdeel (aard, inhoud, profiel) ;
  11. 5°voor elke opleiding en voor elk opleidingsonderdeel :
  12. a)de regelen inzake de inschrijving van studenten, inzonderheid de keuzemogelijkheid tussen een diploma- of examencontract of tussen een credit- of examencontract en de voorwaarden en modaliteiten om de inhoud of het type van contract te wijzigen;
  13. b)in voorkomend geval : de bijzondere vooropleidingseisen en de bijkomende inschrijvingsvoorwaarden, evenals de voorwaarden waaronder een student kan worden ingeschreven indien hij niet voldoet aan de algemene vooropleidingseisen;
  14. c)de begin- en eindcompetenties;
  15. d)de studieomvang uitgedrukt in studiepunten;
  16. e)de voorwaarden waaronder vrijstellingen worden verleend;
  17. f)de gebruikte onderwijstaal;
  18. g)de voorwaarden waaronder de studenten opleidingsonderdelen kunnen volgen en daarover examen kunnen afleggen aan andere binnen- en buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs;
  19. 6°voor elke bacheloropleiding in het hoger professioneel onderwijs:
  20. a)de bacheloropleiding die erop volgt;
  21. b)de bacheloropleidingen die erop volgen met bijkomende voorwaarden;
  22. c)de masteropleidingen die erop volgen met de bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel II.183;
  23. d)de vermelding: geen vervolgopleiding;
  24. 7°voor elke bacheloropleiding in het academisch onderwijs c.q. afstudeerrichting binnen een bacheloropleiding in het academisch onderwijs:
  25. a)de masteropleiding(en) die er rechtstreeks op aansluiten zoals bedoeld in artikel II.182, §2, eerste lid;
  26. b)c.q. de masteropleiding(en) die er op aansluiten zoals bedoeld in artikel II.182, §2, tweede lid;
  27. c)eventueel de andere masteropleiding(en);
  28. d)eventueel de vermelding geen rechtstreekse vervolgopleiding;
  29. 8°voor elke masteropleiding :
  30. a)de bacheloropleiding c.q. afstudeerrichting waarop de masteropleiding rechtstreeks aansluit zoals bedoeld in artikel II.182, §2, eerste lid;
  31. b)c.q. de bacheloropleiding(en) c.q. afstudeerrichting(en) waarop de masteropleiding aansluit zoals bedoeld in artikel II.182, §2, tweede lid;
  32. c)c.q. de bacheloropleiding(en) bedoeld in artikel II.183;
  33. d)eventueel de andere bacheloropleiding(en);
  34. e)in voorkomend geval de masteropleidingen die er op volgen zoals bedoeld in artikel II.190;
  35. f)in voorkomend geval de masteropleidingen die er op volgen met bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel II.190;
  36. 9°voor elke masteropleiding die volgt op een andere masteropleiding:
  37. a)de masteropleiding(en) waarop de masteropleiding volgt;
  38. b)eventueel de andere masteropleidingen met de bijkomende voorwaarden;
  39. 10°voor elke bacheloropleiding die volgt op een bacheloropleiding:
  40. a)de bacheloropleiding(en) waarop de bacheloropleiding volgt;
  41. b)eventueel de andere bacheloropleidingen met de bijkomende voorwaarden;
  42. 11°de organisatie van het academiejaar met inbegrip van de vakantieregeling voor de studenten;
  43. 12°de wijze van bepalen van het aantal studiepunten van elk opleidingsonderdeel en de daarbij gehanteerde criteria en normen;
  44. 13°de gedragscode inzake de taalregeling;
  45. 14°de voorwaarden waaronder attesten van bekwaamheid worden verleend;
  46. 15°de interne beroepsprocedures inzake:
  47. a)het verlenen van bewijzen van bekwaamheid;
  48. b)het toekennen van vrijstellingen;
  49. c)het opleggen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma, en het vaststellen van de studieomvang van dergelijk programma;
  50. d)het opleggen van een in artikel II.246 bedoelde maatregel van studievoortgangsbewaking;
  51. 16°de wijze waarop de in punt 15° bedoelde beslissingen worden herzien indien zij zijn aangetast door materiële vergissingen;
  52. 17°de procedure ter behandeling van klachten van de studenten met betrekking tot de onderwijsverzorging;
  53. 18°de regelen inzake de organisatie van informatiesessies voor studenten die zich voor de eerste maal inschrijven aan de instelling;
  54. 19°de procedure die studenten met functiebeperkingen dienen te volgen om redelijke aanpassingen aan te vragen en de wijze waarop ze binnen de instelling beroep kunnen aantekenen tegen een weigering van aanpassingen;
  55. 20°in voorkomend geval: de bijkomende inschrijvingsvoorwaarde van het afleggen van een starttoets en de verplichte remediëring, vermeld in artikel II.188/1, die wordt opgelegd met verwijzing naar het geldende instellingsoverschrijdend reglement;
  56. 21°de maatregelen van studievoortgangsbewaking die kunnen worden opgelegd conform artikel II.246;
  57. 22°de wijze waarop omgegaan wordt met overmacht en bijzondere individuele omstandigheden in het kader van de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in artikel II.246 en in artikel II.200, §7, tweede lid;
  58. 23°de grens vanaf wanneer een inschrijving kan geweigerd worden in eenzelfde initiële bacheloropleiding, vermeld in artikel II.246, § 3, vierde lid;
  59. 24°de grens vanaf wanneer een instelling studieadvies geeft, vermeld in artikel II.246, § 10;
  60. 25°de bijzondere statuten toegekend aan een groep van studenten en de voorwaarden en modaliteiten voor de toekenning hiervan

§2. De in paragraaf 1, 19° vermelde interne beroepsprocedure beantwoordt minimaal aan de volgende voorwaarden :

  1. 1°het beroep wordt behandeld door personen die onafhankelijk zijn van de partijen en die niet rechtstreeks betrokken waren bij de beslissing tot weigering van de gevraagde aanpassingen;
  2. 2°de beroepsprocedure leidt binnen een redelijke termijn tot een gemotiveerde beslissing die bindend is voor iedereen binnen de instelling.

Studenten met functiebeperkingen zijn studenten met langdurige fysieke, mentale of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met andere studenten te participeren aan het hoger onderwijs.

Een aanpassing is een concrete maatregel, van materiële of immateriële aard, die de beperkende invloed van een onaangepaste omgeving op de participatie van een persoon met een functiebeperking neutraliseert. Als een redelijke aanpassing wordt beschouwd, de aanpassing die geen disproportionele belasting betekent.

Een beslissing tot weigering van de gevraagde aanpassingen kan gemotiveerd zijn op grond van een door de instelling gemaakte afweging dat de gevraagde aanpassing afbreuk doet aan de mogelijkheid de domeinspecifieke leerresultaten van de opleiding te bereiken of aan de mogelijkheid om andere doelstellingen van het opleidingsprogramma globaal te verwezenlijken..

De criteria voor de afweging van disproportionaliteit zijn conform artikel 2, §2 en §3, van het protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd