§ flandrepo

Programmadecreet bij de begroting 2026

Vlaamse Regering #544 Staatsblad 30 december 2025 NUMAC 2025009813
70 artikels gewijzigd
+3 −5 codex-wonen/art. 4.61
43° bij te dragen tot de aanpassing van woningen;43° bij te dragen tot de aanpassing van woningen;
54° bij te dragen tot de uitvoering van de specifieke maatregelen inzake het stedelijk beleid van de Vlaamse Regering;54° bij te dragen tot de uitvoering van de specifieke maatregelen inzake het stedelijk beleid van de Vlaamse Regering;
65° de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71, beheren, als de tenlasteneming gebeurt volgens artikel 5.71, § 1, tweede lid.
7Het VWF treedt vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit lid in de rechten, verplichtingen en bevoegdheden van het Vlaamse Gewest met betrekking tot de opdracht, vermeld in het eerste lid, 5°. Het VWF is gehouden tot de lasten die voortvloeien uit beslissingen en verbintenissen die door het Vlaamse Gewest zijn genomen met betrekking tot de opdracht, vermeld in het eerste lid, 5°.
65° ...
7Het VWF treedt vanaf 1 januari 2023 tot en met 31 december 2025 in de rechten, verplichtingen en bevoegdheden van het Vlaamse Gewest met betrekking tot de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71.
8De rechten, verplichtingen en lasten, vermeld in het tweede lid, omvatten ook de rechten, verplichtingen en lasten die voortvloeien uit hangende en toekomstige rechtsgedingen over de daarin bedoelde beslissingen en verbintenissen.8De rechten, verplichtingen en lasten, vermeld in het tweede lid, omvatten ook de rechten, verplichtingen en lasten die voortvloeien uit hangende en toekomstige rechtsgedingen over de daarin bedoelde beslissingen en verbintenissen.
9Het Vlaamse Gewest draagt de elektronische dossiers die betrekking hebben op de opdracht, vermeld in het eerste lid, 5°, over naar het VWF. Het VWF heeft kosteloos toegang tot de papieren dossiers die betrekking hebben op de opdracht, vermeld in het eerste lid, 5°, die worden beheerd en bewaard door het Vlaamse Gewest of door de instantie die het hiertoe aanduidt.9Het Vlaamse Gewest draagt de elektronische dossiers die betrekking hebben op de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71, over naar het VWF. Het VWF heeft kosteloos toegang tot de papieren dossiers die betrekking hebben op de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71, die worden beheerd en bewaard door het Vlaamse Gewest of door de instantie die het hiertoe aanduidt.
10De Vlaamse Regering bepaalt een interne beroepsprocedure bij het VWF en een verhaalprocedure bij de toezichthouder. Het verhaal bij de toezichthouder is alleen ontvankelijk als voorafgaandelijk de interne beroepsprocedure is gevolgd.
11De Vlaamse Regering kan de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, belasten met de opdracht, vermeld in artikel 5.71, § 1, als blijkt dat het VWF geen overheidsopdracht voor diensten aan een verzekeraar heeft kunnen gunnen waarbij de verzekeringspremies ten laste worden genomen.
+1 −1 codex-wonen/art. 4.62
43° bijzondere sociale leningen toestaan.43° bijzondere sociale leningen toestaan.
54° na goedkeuring door de Vlaamse Regering, het verder afhandelen van aanvullende woonleningen die de provincies hebben toegekend voor het kopen, bouwen en verbouwen van woningen in het Vlaamse Gewest;54° na goedkeuring door de Vlaamse Regering, het verder afhandelen van aanvullende woonleningen die de provincies hebben toegekend voor het kopen, bouwen en verbouwen van woningen in het Vlaamse Gewest;
65° een overheidsopdracht voor diensten gunnen aan een verzekeraar voor de uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 4.61, eerste lid, 5°. Het Vlaams Woningfonds legt de overheidsopdracht ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering.
65° ....
7Het VWF, dat als kredietgever optreedt van de bijzondere sociale leningen, vermeld in het eerste lid, 3°, is vrijgesteld van de vergunnings- of registratieplicht en wordt toegelaten om op te treden als kredietgever inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.159, § 1 en § 2, van het Wetboek van Economisch Recht.7Het VWF, dat als kredietgever optreedt van de bijzondere sociale leningen, vermeld in het eerste lid, 3°, is vrijgesteld van de vergunnings- of registratieplicht en wordt toegelaten om op te treden als kredietgever inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.159, § 1 en § 2, van het Wetboek van Economisch Recht.
8Het VWF dat volgens het eerste lid, 4°, optreedt als kredietgever is vrijgesteld van de vergunnings- of registratieplicht en wordt toegelaten om op te treden als kredietgever inzake consumentenkrediet als vermeld in artikel VII.159, § 1 en § 2, van het Wetboek van Economisch Recht.8Het VWF dat volgens het eerste lid, 4°, optreedt als kredietgever is vrijgesteld van de vergunnings- of registratieplicht en wordt toegelaten om op te treden als kredietgever inzake consumentenkrediet als vermeld in artikel VII.159, § 1 en § 2, van het Wetboek van Economisch Recht.
+6 −4 codex-wonen/art. 5.71
1§1. Onder de voorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, kunnen de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interesten van hypothecaire leningen geheel of gedeeltelijk ten laste worden genomen als de lener niet in staat is zijn contractuele verplichtingen na te komen die voortvloeien uit een lening voor de bouw, de koop, de koop met renovatie of de renovatie van zijn enige woning ten gevolge van arbeidsongeschiktheid, onvrijwillige werkloosheid of onvrijwillige stopzetting van een zelfstandige activiteit.1§1. Onder de voorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, kunnen de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interesten van hypothecaire leningen geheel of gedeeltelijk ten laste worden genomen als de lener niet in staat is zijn contractuele verplichtingen na te komen die voortvloeien uit een lening voor de bouw, de koop, de koop met renovatie of de renovatie van zijn enige woning ten gevolge van arbeidsongeschiktheid, onvrijwillige werkloosheid of onvrijwillige stopzetting van een zelfstandige activiteit.
2Het ten laste nemen, vermeld in het eerste lid, kan gerealiseerd worden door het gunnen van een overheidsopdracht voor diensten aan een verzekeraar waarbij de verzekeringspremies ten laste worden genomen door de gunnende entiteit.2Het ten laste nemen, vermeld in het eerste lid, kan gerealiseerd worden door het gunnen van een overheidsopdracht voor diensten aan een verzekeraar waarbij de verzekeringspremies ten laste worden genomen door het Vlaamse Gewest.
3Als er geen overheidsopdracht als vermeld in het tweede lid, gegund kan worden, kan een dienst die door de Vlaamse Regering wordt aangewezen, belast worden met de opdracht, vermeld in het eerste lid.
3§2. Om voor de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming, vermeld in paragraaf 1, in aanmerking te komen, gelden de volgende voorwaarden:4§2. Om voor de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming, vermeld in paragraaf 1, in aanmerking te komen, gelden de volgende voorwaarden:
41° de lening heeft betrekking op een woning die de aanvrager bouwt, koopt, koopt en renoveert of renoveert, met de bestemming om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen;51° de lening heeft betrekking op een woning die de aanvrager bouwt, koopt, koopt en renoveert of renoveert, met de bestemming om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen;
52° de verkoopwaarde van de woning ligt, eventueel na de uitvoering van de geplande werkzaamheden, niet hoger dan het bedrag dat de Vlaamse Regering bepaalt;62° de verkoopwaarde van de woning ligt, eventueel na de uitvoering van de geplande werkzaamheden, niet hoger dan het bedrag dat de Vlaamse Regering bepaalt;
85° de lener oefent op de aanvraagdatum en gedurende twaalf volledige maanden die voorafgaan aan de aanvraagdatum een beroepsactiviteit uit.95° de lener oefent op de aanvraagdatum en gedurende twaalf volledige maanden die voorafgaan aan de aanvraagdatum een beroepsactiviteit uit.
9De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden voor de tenlasteneming vaststellen.10De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden voor de tenlasteneming vaststellen.
10§3. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de behandeling van de aanvragen voor de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interesten van hypothecaire leningen. 11§3. De Vlaamse Regering duidt de entiteit aan die instaat voor de behandeling van de aanvragen om in aanmerking te komen voor de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interesten van hypothecaire leningen. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor die behandeling.
12De Vlaamse Regering bepaalt een interne beroepsprocedure bij de entiteit, vermeld in het eerste lid, en een verhaalprocedure bij de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79. Het verhaal bij de toezichthouder is alleen ontvankelijk als voorafgaandelijk de interne beroepsprocedure is gevolgd.
+1 −1 codex-wonen/art. 5.71/0
1§1. Voor de toepassing van deze titel worden persoonsgegevens verwerkt met als doel na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden en de verplichtingen uit artikel 5.71 en die de Vlaamse Regering vaststelt conform artikel 5.71.1§1. Voor de toepassing van deze titel worden persoonsgegevens verwerkt met als doel na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden en de verplichtingen uit artikel 5.71 en die de Vlaamse Regering vaststelt conform artikel 5.71.
2§2. De entiteit die de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71, §1, van deze codex, beheert, is de verwerkingsverantwoordelijke.2§2. De entiteit die conform artikel 5.71, §3, belast is met de behandeling van de aanvragen is de verwerkingsverantwoordelijke.
3Als de tenlasteneming gebeurt via een verzekering als vermeld in artikel 5.71,3Als de tenlasteneming gebeurt via een verzekering als vermeld in artikel 5.71,
4§1, tweede lid, kan de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in het eerste lid, de persoonsgegevens ter beschikking stellen van de verzekeraar die zelf verwerkingsverantwoordelijke is voor de verdere verwerking.4§1, tweede lid, kan de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in het eerste lid, de persoonsgegevens ter beschikking stellen van de verzekeraar die zelf verwerkingsverantwoordelijke is voor de verdere verwerking.
+0 −2 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 5.6.1
1De gemeenten houden een register bij van alle onbebouwde percelen gelegen in het woongebied zoals bepaald door de uitvoeringsplannen of plannen van aanleg. Bij de opbouw van het register wordt artikel 2.2.5 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid in acht genomen. De opmaak en de actualisering van het register kunnen worden opgedragen aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband in de zin van deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.1De gemeenten houden een register bij van alle onbebouwde percelen gelegen in het woongebied zoals bepaald door de uitvoeringsplannen of plannen van aanleg. Bij de opbouw van het register wordt artikel 2.2.5 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid in acht genomen. De opmaak en de actualisering van het register kunnen worden opgedragen aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband in de zin van deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
2De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de opmaak en de actualisering van het register van de onbebouwde percelen.2De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de opmaak en de actualisering van het register van de onbebouwde percelen.
3De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de begroting, subsidies verlenen aan provincies en gemeenten als tegemoetkoming voor de actualisatie van de inventaris van de onbebouwde percelen. Om in aanmerking te komen moet een gemeente beschikken over een registratiesysteem, een eerste geactualiseerde inventaris en een overzicht van de gronden en panden die ze in eigendom heeft, met vermelding van het gebruik ervan.
4De Vlaamse Regering bepaalt de overige voorwaarden waaronder die subsidies kunnen worden verleend.
5De Vlaamse Regering kan de specifieke wijze bepalen waarop artikel 335 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur vervangen door de zinsnede "artikel 470 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, respectievelijk artikel 470 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, geoperationaliseerd wordt indien het gemeentebestuur of het intergemeentelijk samenwerkingsverband, vermeld in het eerste lid, zich niet gedraagt naar de bij of krachtens dit artikel voorgeschreven regelen.3De Vlaamse Regering kan de specifieke wijze bepalen waarop artikel 335 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur vervangen door de zinsnede "artikel 470 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, respectievelijk artikel 470 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, geoperationaliseerd wordt indien het gemeentebestuur of het intergemeentelijk samenwerkingsverband, vermeld in het eerste lid, zich niet gedraagt naar de bij of krachtens dit artikel voorgeschreven regelen.
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.1.4.0.1
10Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijkaardige onroerende goederen van gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.10Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijkaardige onroerende goederen van gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.
11Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, 7°, wordt toegekend vanaf het aanslagjaar waarin uiterlijk op 31 maart aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld wordt dat een rechtspersoon erkend is overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. De toekenning geldt tot het einde van de erkenning. Elke beëindiging van een erkenning moet uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op de beëindiging aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld worden.11Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, 7°, wordt toegekend vanaf het aanslagjaar waarin uiterlijk op 31 maart aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld wordt dat een rechtspersoon erkend is overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. De toekenning geldt tot het einde van de erkenning. Elke beëindiging van een erkenning moet uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op de beëindiging aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld worden.
12§ 2/1. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief 2,4 % voor de eigendommen die door een erkende woonmaatschappij worden gehuurd conform de voorwaarden ter uitvoering van artikel 4.40, 4°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en in artikel 4.168 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 .12§ 2/1. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief 2,4 % voor de eigendommen die door een erkende woonmaatschappij worden gehuurd conform de voorwaarden ter uitvoering van artikel 4.40, 4°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en in artikel 4.147 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 en waarvan de oorspronkelijke hoofd-huurovereenkomst met de woonmaatschappij een aanvangsdatum heeft vóór 1 januari 2026.
13Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend vanaf het aanslagjaar waarin uiterlijk op 31 maart aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld wordt dat de eigendom op 1 januari van het aanslagjaar gehuurd wordt door een erkende woonmaatschappij. De toekenning geldt tot het einde van de huurovereenkomst. Elke vroegtijdige beëindiging van de huurovereenkomst wordt uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op de beëindiging aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld.13Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend vanaf het aanslagjaar waarin uiterlijk op 31 maart aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld wordt dat de eigendom op 1 januari van het aanslagjaar gehuurd wordt door een erkende woonmaatschappij. De toekenning geldt tot het einde van de huurovereenkomst. Elke vroegtijdige beëindiging van de huurovereenkomst wordt uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op de beëindiging aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld.
14§ 3. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief voor materieel en outillage als vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, 3,97% vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in het tweede lid. De toepassing van de coëfficiënt mag geen aanleiding geven tot een hoger tarief dan het tarief dat van toepassing is in het vorige aanslagjaar, met uitzondering van het aanslagjaar waarin dit decreet in werking treedt waarbij de toepassing van de coëfficiënt geen aanleiding mag geven tot een hoger tarief dan 3,97%.14§ 3. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief voor materieel en outillage als vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, 3,97% vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in het tweede lid. De toepassing van de coëfficiënt mag geen aanleiding geven tot een hoger tarief dan het tarief dat van toepassing is in het vorige aanslagjaar, met uitzondering van het aanslagjaar waarin dit decreet in werking treedt waarbij de toepassing van de coëfficiënt geen aanleiding mag geven tot een hoger tarief dan 3,97%.
+17 −13 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.2.4.0.1
1§1. De belasting wordt, ofwel per periode van twaalf opeenvolgende maanden, ofwel per kalenderjaar, berekend op de wijze die in de hierna volgende paragrafen wordt vermeld.1§1. De belasting wordt, ofwel per periode van twaalf opeenvolgende maanden, ofwel per kalenderjaar, berekend op de wijze die in de hierna volgende paragrafen wordt vermeld.
2§2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen wordt de belasting berekend, op basis van fiscale paardenkracht (pk), volgens de volgende tabel :2§2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen wordt de belasting berekend, op basis van fiscale paardenkracht (pk), volgens de volgende tabel :
3aantal pk3aantal pk
4totaalbedrag van de belasting in euro4totaalbedrag van de belasting in euro
39meer dan 2039meer dan 20
401783,20 verhoogd met 97,20 per pk boven 20401783,20 verhoogd met 97,20 per pk boven 20
41§2/1. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die na 31 december 2015 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, op basis van de tabel, vermeld in paragraaf 2, met in achtneming van volgende elementen:41§2/1. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die na 31 december 2015 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, op basis van de tabel, vermeld in paragraaf 2, met in achtneming van volgende elementen:
421° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving, wordt het tarief421° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving, wordt het tarief
43a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;43a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;
76In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.76In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.
77Deze paragraaf is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.77Deze paragraaf is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
78§2/2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibus- sen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, vermeld in paragraaf 2/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 2/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief:78§2/2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibus- sen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, vermeld in paragraaf 2/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 2/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief:
79a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram;79a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram;
80b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram.80b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram.
81Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.81Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
82Deze paragraaf is ook van toepassing op de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.82Deze paragraaf is ook van toepassing op de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
83§3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3 500 kilogram niet overschrijdt, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, andere dan die, vermeld in paragraaf 6, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegestane totaalgewicht.83§3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3 500 kilogram niet overschrijdt, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, andere dan die, vermeld in paragraaf 6, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegestane totaalgewicht.
84§3/1. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa, met inachtneming van volgende elementen:84§3/1. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa, met inachtneming van volgende elementen:
851° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving, wordt het tarief851° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving, wordt het tarief
86a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;86a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;
119In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.119In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.
120Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.120Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
121§3/2. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa hoger is dan 2500 kilogram en 3500 kilogram niet overschrijdt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa.121§3/2. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa hoger is dan 2500 kilogram en 3500 kilogram niet overschrijdt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa.
122In functie van de euronorm van het voertuig en, in voorkomend geval, de aanwezigheid van een roetfilter wordt het tarief, vermeld in het eerste lid, met een percentage vermeerderd of verminderd conform de volgende tabel:122In functie van de euronorm van het voertuig en, in voorkomend geval, de aanwezigheid van een roetfilter wordt het tarief, vermeld in het eerste lid, met een percentage vermeerderd of verminderd conform de volgende tabel:
123euronorm123euronorm
143In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.143In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.
144Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.144Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
145§3/3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, wordt de belasting berekend als vermeld in paragraaf 3/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 3/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief:145§3/3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, wordt de belasting berekend als vermeld in paragraaf 3/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 3/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief:
146a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram;146a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram;
147b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram.147b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram.
148Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.148Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
149Deze paragraaf is ook van toepassing op de motorvoertuigen, vermeld in het eerste lid, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden in- geschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.149Deze paragraaf is ook van toepassing op de motorvoertuigen, vermeld in het eerste lid, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden in- geschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
150§4. Voor de motorfietsen bedraagt de belasting 49,44 euro.150§4. Voor de motorfietsen bedraagt de belasting 49,44 euro.
151§5 Voor de autobussen en de autocars bedraagt de belasting 4,44 euro per fiscale paardenkracht als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht niet te boven gaat, met een minimum van 69,94 euro.151§5 Voor de autobussen en de autocars bedraagt de belasting 4,44 euro per fiscale paardenkracht als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht niet te boven gaat, met een minimum van 69,94 euro.
152Als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht te boven gaat, wordt de belasting voor de autobussen en de autocars berekend, op basis van fiscale paardenkracht (pk), volgens de volgende tabel :152Als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht te boven gaat, wordt de belasting voor de autobussen en de autocars berekend, op basis van fiscale paardenkracht (pk), volgens de volgende tabel :
153aantal pk153aantal pk
223meer dan 44223meer dan 44
224549,12, verhoogd met 12,48 per pk boven 44224549,12, verhoogd met 12,48 per pk boven 44
225§6. Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3,5 ton overschrijdt, maar minder bedraagt dan 12 ton, bedraagt de belasting 0 euro.225§6. Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3,5 ton overschrijdt, maar minder bedraagt dan 12 ton, bedraagt de belasting 0 euro.
226Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 12 ton of meer bedraagt, wordt de belasting, afhankelijk van het aantal assen van het voertuig en de aard van de ophanging, berekend volgens de volgende bepalingen en tabellen :226Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 12 ton of meer bedraagt, wordt de belasting, afhankelijk van het aantal assen van het voertuig en de aard van de ophanging, berekend volgens de volgende bepalingen en tabellen :
2271° voor de alleenrijdende motorvoertuigen is het in aanmerking te nemen maximaal toegestane totaalgewicht (MTT) voor de toepassing van onderstaande tabel het eigen maximaal toegestane totaalgewicht van het motorvoertuig;2271° voor de alleenrijdende motorvoertuigen is het in aanmerking te nemen maximaal toegestane totaalgewicht (MTT) voor de toepassing van onderstaande tabel het eigen maximaal toegestane totaalgewicht van het motorvoertuig;
440(*) Als gelijkwaardig erkende vering volgens de definitie in bijlage II bij richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeen- schap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59).440(*) Als gelijkwaardig erkende vering volgens de definitie in bijlage II bij richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeen- schap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59).
441De bedragen, vermeld in de tabellen in het tweede lid, omvatten reeds de opdeciem, vermeld in artikel 2.2.4.0.5, § 2, eerste lid.441De bedragen, vermeld in de tabellen in het tweede lid, omvatten reeds de opdeciem, vermeld in artikel 2.2.4.0.5, § 2, eerste lid.
442§7. De aanhangwagens en de opleggers zijn onderworpen aan een belasting van respectievelijk 32,64 euro of 67,80 euro, naargelang het maximaal toegestane totaalgewicht niet hoger is dan 500 kg, of 501 kg bereikt zonder 3500 kg te overschrijden.442§7. De aanhangwagens en de opleggers zijn onderworpen aan een belasting van respectievelijk 32,64 euro of 67,80 euro, naargelang het maximaal toegestane totaalgewicht niet hoger is dan 500 kg, of 501 kg bereikt zonder 3500 kg te overschrijden.
443In afwijking van het eerste lid zijn de aanhangwagens en opleggers waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg niet overschrijdt en die uitsluitend getrokken worden door een personenauto, een auto voor dubbel gebruik, een minibus, een ziekenauto, een motorfiets, een lichte vrachtauto, een kampeerwagen, een autobus of een autocar, vrijgesteld van de belasting. Die vrijstelling geldt alleen als de belastingplichtige een natuurlijke persoon is of een andere rechtspersoon dan een vennootschap, autonoom overheidsbedrijf en vereniging zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.443In afwijking van het eerste lid zijn de aanhangwagens en opleggers waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg niet overschrijdt en die uitsluitend getrokken worden door een personenauto, een auto voor dubbel gebruik, een minibus, een ziekenauto, een motorfiets, een lichte vrachtauto, een kampeerwagen, een autobus of een autocar, vrijgesteld van de belasting. Die vrijstelling geldt alleen als de belastingplichtige een natuurlijke persoon is of een andere rechtspersoon dan een vennootschap, autonoom overheidsbedrijf en vereniging zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
444§8. Voor de kampeerwagens wordt de belasting berekend volgens de volgende tabel :444§8. Voor de kampeerwagens wordt de belasting berekend volgens de volgende tabel :
445MTT in kg445MTT in kg
446totaalbedrag van de belasting in euro446totaalbedrag van de belasting in euro
464Deze bepaling is alleen van toepassing op natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.464Deze bepaling is alleen van toepassing op natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
465De kampeerwagens vallen buiten de toepassing van artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 13°, en artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°.465De kampeerwagens vallen buiten de toepassing van artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 13°, en artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°.
466§9. Voor alle voertuigen als vermeld in dit artikel, met uitzondering van deze, vermeld in paragraaf 4 en paragraaf 6, die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of door waterstof en die na 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, bedraagt de belasting 93,60 euro.
467Deze bepaling geldt voor voertuigen van:
4681° vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;
4692° natuurlijke personen en rechtspersonen, andere dan deze, vermeld in punt 1°.
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.2.4.0.3
1De belasting, vastgesteld volgens artikel 2.2.4.0.1, § 2, § 3 voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1, eerste lid, § 3/2, eerste lid, en § 4, de minimumbelastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, artikel 2.2.4.0.1, § 3/1, tweede lid, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, derde lid, en artikel 2.2.4.0.1, § 5, de belastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 7 , alsook de belasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 1, en de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2, alsook het bedrag, vermeld in artikel 2.2.5.0.4, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De belastingbedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De belastingbedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, met uitzondering van paragraaf 2/1, § 3 voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1 en § 3/2, en artikel 2.2.4.0.2, §1, eerste lid, 2°, en §2, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2013. Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, en artikel 2.2.5.0.4, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2015. Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 3, voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1, eerste en tweede lid, en § 3/2, eerste en derde lid, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2017. Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, §1, eerste lid, 1° en 1/1°, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2023. 1De belasting, vastgesteld volgens artikel 2.2.4.0.1, § 2, § 3 voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1, eerste lid, § 3/2, eerste lid, en § 4, de minimumbelastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, artikel 2.2.4.0.1, § 3/1, tweede lid, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, derde lid, en artikel 2.2.4.0.1, § 5, de belastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 7 en artikel 2.2.4.0.1, §9, alsook de belasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 1, en de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2, alsook het bedrag, vermeld in artikel 2.2.5.0.4, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De belastingbedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De belastingbedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, met uitzondering van paragraaf 2/1, § 3 voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1 en § 3/2, en artikel 2.2.4.0.2, §1, eerste lid, 2°, en §2, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2013. Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, en artikel 2.2.5.0.4, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2015. Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 3, voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1, eerste en tweede lid, en § 3/2, eerste en derde lid, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2017. Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, §1, eerste lid, 1° en 1/1°, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2023. Voor de toepassing van de indexatie is het bedrag, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, §9, het bedrag dat geldt alsof het van toepassing was op 1 juli 2025.
2De aangepaste belastingbedragen, vermeld in het eerste lid, kunnen met maximaal 0,11 euro worden verlaagd om een veelvoud van twaalf te vormen.2De aangepaste belastingbedragen, vermeld in het eerste lid, kunnen met maximaal 0,11 euro worden verlaagd om een veelvoud van twaalf te vormen.
+6 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.2.6.0.6
1Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof wordt geen belasting geheven.1Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof en die uiterlijk op 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt geen belasting geheven.
2Dit artikel is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.2Dit artikel is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.
3De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2025 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
41° het voertuig werd vóór 6 oktober 2025 besteld;
52° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2026, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
6a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
7b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
+1 −0 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.3.4.1.1
1De belasting op de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van de voertuigen die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, wordt berekend op de wijze, vermeld in artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.7 en artikel 2.3.6.0.3.1De belasting op de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van de voertuigen die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, wordt berekend op de wijze, vermeld in artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.7 en artikel 2.3.6.0.3.
2In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor de voertuigen, die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of door waterstof en die na 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, 61,50 euro.
+4 −3 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.3.4.2.1
1§1. De belasting op andere voertuigen dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, wordt berekend op de wijze die hierna wordt vermeld :1§1. De belasting op andere voertuigen dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, wordt berekend op de wijze die hierna wordt vermeld :
21° voor de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen wordt de belasting berekend op basis van de volgende tabel :21° voor de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen wordt de belasting berekend op basis van de volgende tabel :
3aantal pk3aantal pk
282° de belasting bedraagt 619 euro voor ultralichte motorluchtvaartuigen en 2478 euro voor alle andere luchtvaartuigen;282° de belasting bedraagt 619 euro voor ultralichte motorluchtvaartuigen en 2478 euro voor alle andere luchtvaartuigen;
293° de belasting bedraagt 2478 euro voor boten.293° de belasting bedraagt 2478 euro voor boten.
30§2. Voor de wegvoertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstofgassen, wordt de belasting, berekend conform paragraaf 1, 1°, verminderd met 298 euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting.30§2. Voor de wegvoertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstofgassen, wordt de belasting, berekend conform paragraaf 1, 1°, verminderd met 298 euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting.
31Als de verbrandingsmotor van een wegvoertuig wordt aangedreven door verschillende brandstofsoorten en het voertuig daardoor in aanmerking komt voor een combinatie van de vermindering voor benzine en lpg, wordt de toe te kennen vermindering beperkt tot het hoogste bedrag dat voor dat aanslagjaar voor een bepaalde soort van brandstof van toepassing is.31Als de verbrandingsmotor van een wegvoertuig wordt aangedreven door verschillende brandstofsoorten en het voertuig daardoor in aanmerking komt voor een combinatie van de vermindering voor benzine en lpg, wordt de toe te kennen vermindering beperkt tot het hoogste bedrag dat voor dat aanslagjaar voor een bepaalde soort van brandstof van toepassing is.
32§3. De belasting, berekend conform paragraaf 1, 1°, en paragraaf 2, wordt verminderd tot het percentage van de belasting voor de wegvoertuigen, vermeld in de volgende tabel, naargelang de voertuigen al ingeschreven zijn geweest in het binnenland of in het buitenland voor ze definitief ingevoerd werden :32§3. De belasting, berekend conform paragraaf 1, 1°, en paragraaf 2, wordt verminderd tot het percentage van de belasting voor de wegvoertuigen, vermeld in de volgende tabel, naargelang de voertuigen al ingeschreven zijn geweest in het binnenland of in het buitenland voor ze definitief ingevoerd werden :
33Termijn33Termijn
34Percentage34Percentage
882° de zelfbouwvliegtuigen, met uitzondering van de zelfbouwvliegtuigen die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;882° de zelfbouwvliegtuigen, met uitzondering van de zelfbouwvliegtuigen die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;
893° de paramotoren, met uitzondering van de paramotoren die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.893° de paramotoren, met uitzondering van de paramotoren die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
90§4. In afwijking van paragraaf 1, 2 en 3, bedraagt de belasting voor de voertuigen, die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of door waterstof en die na 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, 61,50 euro.
+6 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.3.6.0.2
1Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof wordt geen belasting geheven.1Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof en die uiterlijk op 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt geen belasting geheven.
2De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2025 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
31° het voertuig werd vóór 6 oktober 2025 besteld;
42° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2026, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
5a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
6b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
+16 −6 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.6.4.0.1
1De heffing wordt berekend volgens de volgende tabel, waarbij het kadastraal inkomen wordt verdeeld in schijven, die elk worden onderworpen aan een specifiek heffingspercentage :1De heffing wordt berekend volgens de volgende tabel, waarbij het kadastraal inkomen wordt verdeeld in de volgende schijven, die elk worden onderworpen aan de volgende een heffingspercentages:
2schijf van het kadastraal inkomen in euro
3percentage van toepassing op het overeenstemmende gedeelte
2schijf van het kadastraal inkomen in euro percentage van toepassing op het overeenstemmende gedeelte totaalbedrag van de heffing op het voorgaande gedeelte in euro4totaalbedrag van de heffing op het voorgaande gedeelte in euro
3tot en met 12.350 150 /5tot en met 12.350
6168
7/
4van 12.351 tot en met 37.150 125 18.5258van 12.351 tot en met 37.150
9140
1020.748
5van 37.151 tot en met 74.350 100 49.52511van 37.151 tot en met 74.350
12112
1355.468
6vanaf 74.351 75 123.87514vanaf 74.351
1584
1697.132
7De heffing bedraagt nooit minder dan 3.700 euro.17De heffing bedraagt nooit minder dan 3.700 euro.
8Voor de niet-landbouwbedrijven komt het bedrag van de heffing minstens overeen met een tarief van 2,47 euro/m2 oppervlakte van het grondvlak van het terrein, vastgelegd door de diensten van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. Zo niet geldt de laatste heffing als minimumtarief.18Voor de niet-landbouwbedrijven komt het bedrag van de heffing minstens overeen met een tarief van 2,47 euro/m2 oppervlakte van het grondvlak van het terrein, vastgelegd door de diensten van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. Zo niet geldt de laatste heffing als minimumtarief.
+1 −0 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.7.3.2.12
4§ 2. Als een persoon met een handicap of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel I van artikel 2.7.4.1.1, wordt het bedrag van het abattement eerst toegerekend op zijn overeenkomstig artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, of artikel 2.7.6.0.6 niet vrijgestelde gedeelte van het netto onroerend aandeel, vervolgens op zijn overeenkomstig artikel 2.7.6.0.6 niet vrijgestelde gedeelte van het netto roerend aandeel en bij uitputting van dat aandeel tot slot op de belastbare grondslag waarop het verlaagde tarief voor familiale ondernemingen en vennootschappen, met toepassing van artikel 2.7.4.2.2, wordt berekend.4§ 2. Als een persoon met een handicap of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel I van artikel 2.7.4.1.1, wordt het bedrag van het abattement eerst toegerekend op zijn overeenkomstig artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, of artikel 2.7.6.0.6 niet vrijgestelde gedeelte van het netto onroerend aandeel, vervolgens op zijn overeenkomstig artikel 2.7.6.0.6 niet vrijgestelde gedeelte van het netto roerend aandeel en bij uitputting van dat aandeel tot slot op de belastbare grondslag waarop het verlaagde tarief voor familiale ondernemingen en vennootschappen, met toepassing van artikel 2.7.4.2.2, wordt berekend.
5Als een persoon met een handicap of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, samen met personen op wie het tarief `tussen anderen' van toepassing is, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, wordt, in afwijking van artikel 2.7.4.1.1, de belasting voor de persoon met een handicap of het gehandicapte kind berekend alsof hij als enige voor de nettoverkrijging van de nalatenschap in aanmerking komt. Voor de andere verkrijgers wordt conform artikel 2.7.4.1.1 de belasting berekend alsof de persoon met een handicap of het gehandicapte kind die hoedanigheid niet heeft.5Als een persoon met een handicap of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, samen met personen op wie het tarief `tussen anderen' van toepassing is, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, wordt, in afwijking van artikel 2.7.4.1.1, de belasting voor de persoon met een handicap of het gehandicapte kind berekend alsof hij als enige voor de nettoverkrijging van de nalatenschap in aanmerking komt. Voor de andere verkrijgers wordt conform artikel 2.7.4.1.1 de belasting berekend alsof de persoon met een handicap of het gehandicapte kind die hoedanigheid niet heeft.
6§3. Als een persoon met een handicap als vermeld in paragraaf 1, volledig of gedeeltelijk onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, §1, wordt het bedrag van het abattement eerst toegerekend op het gedeelte van de verkrijging dat onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, §1, en bij uitputting van dat aandeel op de belastbare grondslag waarop het verlaagde tarief wordt berekend, met toepassing van artikel 2.7.4.2.5.
+3 −0 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.7.3.4.1
4Als passief van de nalatenschap van een erflater die geen rijksinwoner is, maar die zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen binnen de Europees Economische Ruimte had, worden alleen de schulden aanvaard waarvan de aangevers het bewijs leveren dat ze specifiek zijn aangegaan om de onroerende goederen te verwerven of te behouden.4Als passief van de nalatenschap van een erflater die geen rijksinwoner is, maar die zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen binnen de Europees Economische Ruimte had, worden alleen de schulden aanvaard waarvan de aangevers het bewijs leveren dat ze specifiek zijn aangegaan om de onroerende goederen te verwerven of te behouden.
5De regels voor de waardering van de goederen die het actief van de nalatenschap samenstellen, vermeld in artikel 2.7.3.3.1 tot en met artikel 2.7.3.3.7, zijn van toepassing op de waardering van het passief van de nalatenschap.5De regels voor de waardering van de goederen die het actief van de nalatenschap samenstellen, vermeld in artikel 2.7.3.3.1 tot en met artikel 2.7.3.3.7, zijn van toepassing op de waardering van het passief van de nalatenschap.
6Het bedrag van de regularisatieheffing die is geheven en betaald in uitvoering van een federale wet die een systeem van fiscale regularisatie voorziet, wordt gelijkgesteld met een schuld van de erflater als vermeld in het eerste lid, 1°. Die schuld wordt alleen als passief van de nalatenschap aanvaard als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
71° de geregulariseerde inkomsten of kapitalen en de activa in kwestie die die inkomsten hebben gegenereerd, zijn aangegeven in een aangifte van nalatenschap;
82° de inkomsten en bedragen die zijn aangegeven in de regularisatieaangifte en waarvoor de regularisatieheffing is betaald, zijn door de erflater behaald of verkregen.
+3 −9 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.7.4.2.2
1§ 1. In afwijking van artikel 2.7.4.1.1 wordt het tarief van de erfbelasting verlaagd tot 3% voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners en tot 7% voor een verkrijging tussen andere personen voor :1§ 1. In afwijking van artikel 2.7.4.1.1 wordt het tarief van de erfbelasting verlaagd tot 3% voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners en tot 7% voor een verkrijging tussen andere personen voor :
21° de nettoverkrijging van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de erflater of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Het verlaagde tarief is niet van toepassing op de verkrijging van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;21° de nettoverkrijging van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de erflater of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Het verlaagde tarief is niet van toepassing op de verkrijging van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1°/1;
32° de nettoverkrijging van de volle eigendom, het vruchtgebruik of de blote eigendom van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van het overlijden in volle eigendom toebehoren aan de erflater en zijn familie ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen. 32° de nettoverkrijging van de volle eigendom, het vruchtgebruik of de blote eigendom van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van het overlijden in volle eigendom toebehoren aan de erflater en zijn familie ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen. Het verlaagde tarief is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°.
4In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van het overlijden in volle eigendom toebehoren aan de erflater en zijn familie minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:4In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van het overlijden in volle eigendom toebehoren aan de erflater en zijn familie minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
51° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;51° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
102° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp heeft en uitoefent.102° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp heeft en uitoefent.
11Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar aandelen houdt die minstens 30% van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.11Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar aandelen houdt die minstens 30% van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.
12Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben als uit de balansposten van ofwel de goedgekeurde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, 2°, eerste lid, ofwel de goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren voorafgaand aan de datum van overlijden van de erflater cumulatief blijkt :12Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1. Voor een vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan het uitsluiten van de beperking vermeld in artikel 2.7.4.2.2, §1, eerste lid, 2°, slechts gelden op voorwaarde dat de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden;
13a) dat de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage gelijk of lager dan 1,50 % uitmaken van de totale activa;
14b) de terreinen en gebouwen meer dan 50 % uitmaken van het totale actief. De verkrijger kan het tegenbewijs daarvan leveren.
15Voor de toepassing van de hiervoor vermelde omschrijving moet worden begrepen onder :
16a) bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen : de waarde, opgenomen onder de gelijknamige post van de resultatenrekening van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt de waarde die opgenomen is onder de post waaruit alle kosten blijken die naar hun aard als kosten kunnen worden beschouwd voor de tewerkstelling van personeel in dienstverband;
17b) terreinen en gebouwen : de waarde, opgenomen onder de gelijknamige balanspost van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening, of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt een soortgelijke post bedoeld die opgenomen is onder de post materiële vaste activa;
18c) totaal actief : de waarde, opgenomen onder de balanspost totaal van de activa van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening;
193° aandelen :133° aandelen :
20a) naargelang het geval:14a) naargelang het geval:
+8 −8 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.7.4.2.3
21° als een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;21° als een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
32° als de onroerende goederen die met toepassing van het verlaagde tarief zijn overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater.32° als de onroerende goederen die met toepassing van het verlaagde tarief zijn overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater.
4§2. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, §1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld:4§2. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, §1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
51° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, §2, 2°;51° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, §2, 2°;
62° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
62° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater en voor elk van de drie jaar wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt en in voorkomend geval gepubliceerd overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van het overlijden, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. 73° voor elk van de drie jaar vanaf het overlijden van de erflater wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt en in voorkomend geval gepubliceerd conform de geldende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van het overlijden, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, maken een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening op en in voorkomend geval publiceren ze die conform de geldende boekhoudwetgeving in België op het ogenblik van het overlijden;
7Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, moeten een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opmaken en in voorkomend geval publiceren overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving in België op het ogenblik van het overlijden;
83° naargelang het geval:84° naargelang het geval:
9a) wanneer de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt niet door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;9a) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, of een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt op geen enkel moment door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
10b) wanneer de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: het eigen vermogen daalt niet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van het overlijden verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;10b) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: de verrichte inbrengen dalen op geen enkel moment gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van het overlijden verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
114° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater.115° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater.
+2 −2 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.7.4.2.4
1§ 1. Na verloop van een termijn van drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater controleren de bevoegde personeelsleden of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van het verlaagde tarief, vervuld zijn.1§ 1. Na verloop van een termijn van drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater controleren de bevoegde personeelsleden of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van het verlaagde tarief, vervuld zijn.
2Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de erfbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.2Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de erfbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.
3Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, §2, 3°, is de erfbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.3Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, §2, 4°, is de erfbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief, op het bedrag waarmee het kapitaal of de verrichte inbrengen is verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop het verlaagde tarief is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van het overlijden van de erflater.
4§ 2. Als aanvullende rechten verschuldigd zijn doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van het verlaagde tarief, niet langer vervuld zijn, kunnen de verkrijgers dat melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.4§ 2. Als aanvullende rechten verschuldigd zijn doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van het verlaagde tarief, niet langer vervuld zijn, kunnen de verkrijgers dat melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
5Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de erfbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.5Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de erfbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.
6Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, §2, 3°, is de erfbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagd tarief.6Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, §2, 4°, is de erfbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief, op het bedrag waarmee het kapitaal of de verrichte inbrengen is verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop het verlaagde tarief is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van het overlijden van de erflater.
+13 −0 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.7.4.2.5 nieuw
1§1. In afwijking van artikel 2.7.4.1.1, §1, wordt voor de verkrijgingen, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, §1, het tarief van de erfbelasting verlaagd:
21° tot 3% voor het gedeelte van de nettoverkrijging dat kleiner is dan of gelijk is aan 50.000 euro;
32° tot 9% voor het gedeelte van de nettoverkrijging dat groter is dan 50.000 euro en niet meer bedraagt dan 100.000 euro.
4Het verlaagde tarief wordt toegepast op een nettoverkrijging tot een bedrag van maximaal 100.000 euro per nalatenschap.
5Het gedeelte van de nettoverkrijging dat het maximum, vermeld in het tweede lid, te boven gaat, wordt onderworpen aan het tarief voor verkrijgingen, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, §1.
6Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegepast als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
71° op de datum van het openvallen van de nalatenschap heeft de erflater geen partner als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 4°, en geen bloedverwanten in de rechte nederdalende lijn of daarmee gelijkgestelde personen als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5°;
82° de erflater heeft in een niet-herroepen testament op ondubbelzinnige wijze een of meer natuurlijke personen aangewezen die de toepassing van het verlaagde tarief kunnen vragen.
9Als maar één natuurlijke persoon door de erflater is aangewezen conform het vierde lid, 2°, wordt het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, exclusief toegepast op de volledige of gedeeltelijke nettoverkrijging van die persoon.
10Als meer dan één natuurlijke persoon door de erflater is aangewezen conform het vierde lid, 2°, wordt het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, toegepast op de nettoverkrijgingen van die personen.
11Als het totaal van de nettoverkrijgingen, vermeld in het zesde lid, het maximumbedrag van 100.000 euro te boven gaat, wordt het verlaagde tarief toegepast op dat maximumbedrag. Het maximum wordt verdeeld naar verhouding van de persoonlijke nettoverkrijgingen ten opzichte van de samengenomen nettoverkrijgingen, tenzij de erflater een andere verdeling heeft bepaald.
12§2. Als de nettoverkrijging, vermeld in paragraaf 1, goederen omvat die vrijgesteld zijn conform artikel 2.7.6.0.5, wordt het vrijgestelde gedeelte proportioneel verdeeld tussen het gedeelte van de nettoverkrijging dat is onderworpen aan het tarief, vermeld in paragraaf 1, en het gedeelte van de nettoverkrijging dat is onderworpen aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, §1.
13§3. Het gedeelte van de nettoverkrijging waarop het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt toegepast, wordt bij voorrang toegerekend op het gedeelte van de verkrijging waarop het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, §1, wordt toegepast, en vervolgens op het gedeelte van de verkrijging waarop het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, wordt toegepast.
+1 −0 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.7.4.2.6 nieuw
1Voor de toepassing van artikel 2.7.4.2.2 en van artikel 2.7.4.2.3, §1, 2°, moet de aanwending of de bestemming van een onroerend goed worden nagegaan per kadastraal perceel of per gedeelte van een kadastraal perceel als dat gedeelte ofwel een afzonderlijke huisvesting is, ofwel een afdeling van de productie of van de werkzaamheden is die, of een onderdeel daarvan dat, afzonderlijk kan werken, ofwel een eenheid is die van de andere goederen of delen die het perceel vormen, kan worden afgezonderd.
+1 −0 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.7.5.0.6
9Als er meer dan één natuurlijke persoon is aangewezen overeenkomstig het derde lid, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, onder deze personen verdeeld naar verhouding van hun persoonlijke nettoverkrijging ten opzichte van de samengenomen nettoverkrijgingen van al deze personen, tenzij de erflater een andere verdeling heeft bepaald.9Als er meer dan één natuurlijke persoon is aangewezen overeenkomstig het derde lid, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, onder deze personen verdeeld naar verhouding van hun persoonlijke nettoverkrijging ten opzichte van de samengenomen nettoverkrijgingen van al deze personen, tenzij de erflater een andere verdeling heeft bepaald.
10De vermindering die conform dit artikel wordt toegepast, levert in geen geval grond voor een teruggave op.10De vermindering die conform dit artikel wordt toegepast, levert in geen geval grond voor een teruggave op.
11De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt niet toegepast als voor dezelfde nalatenschap toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.5, §1, eerste lid.
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.7.5.0.6
42° b = het laagste tarief, vermeld in tabel II van het voormelde artikel;42° b = het laagste tarief, vermeld in tabel II van het voormelde artikel;
53° c = het laagste tarief, vermeld in tabel I van het voormelde artikel.53° c = het laagste tarief, vermeld in tabel I van het voormelde artikel.
6De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegekend aan de natuurlijke personen die de erflater in een niet-herroepen testament op ondubbelzinnige wijze heeft aangewezen als diegenen die de toepassing van de vermindering, vermeld in het eerste lid, mogen vragen. 6De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegekend aan de natuurlijke personen die de erflater in een niet-herroepen testament op ondubbelzinnige wijze heeft aangewezen als diegenen die de toepassing van de vermindering, vermeld in het eerste lid, mogen vragen. Het testament is vóór 1 januari 2026 gedagtekend.
7De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegepast op de erfbelasting, verschuldigd door de verkrijgers die zijn aangewezen overeenkomstig het derde lid, na de toepassing van alle andere vrijstellingen en verminderingen waarop de voormelde verkrijgers aanspraak kunnen maken.7De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegepast op de erfbelasting, verschuldigd door de verkrijgers die zijn aangewezen overeenkomstig het derde lid, na de toepassing van alle andere vrijstellingen en verminderingen waarop de voormelde verkrijgers aanspraak kunnen maken.
8Als er slechts één natuurlijke persoon is aangewezen overeenkomstig het derde lid, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, exclusief toegekend aan deze persoon.8Als er slechts één natuurlijke persoon is aangewezen overeenkomstig het derde lid, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, exclusief toegekend aan deze persoon.
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.7.6.0.6
1§ 1. Voor de toepassing van het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 1, in rechte nederdalende lijn, en voor zover de andere ouder van het betrokken kind reeds vooroverleden is, wordt de eerste schijf van 75.000 euro in de nettoverkrijging van het rechtverkrijgende kind onder de 21 jaar van de roerende goederen vrijgesteld van het successierecht.1§ 1. Voor de toepassing van het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 1, in rechte nederdalende lijn, en voor zover de andere ouder van het betrokken kind reeds vooroverleden is, wordt de eerste schijf van 75.000 euro in de nettoverkrijging van het rechtverkrijgende kind onder de 21 jaar van de roerende goederen vrijgesteld van het successierecht.
2In afwijking van artikel 2.7.4.1.1, § 2, tweede lid, en voor zover de andere ouder van het betrokken kind reeds vooroverleden is, wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen in rechte lijn niet toegepast op de nettoverkrijging van het rechtverkrijgende kind onder de 21 jaar in de woning die op het ogenblik van het overlijden van de langstlevende ouder de woning was waar de erflater gedomicilieerd was op het moment van overlijden.2In afwijking van artikel 2.7.4.1.1, § 2, tweede lid, en voor zover de andere ouder van het betrokken kind reeds vooroverleden is, wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen in rechte lijn niet toegepast op de nettoverkrijging van het rechtverkrijgende kind onder de 21 jaar in de woning die op het ogenblik van het overlijden van de langstlevende ouder de woning was waar de erflater gedomicilieerd was op het moment van overlijden.
3§ 2. Voor de toepassing van het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 1, tussen partners wordt de eerste schijf van 50.000 euro in de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner van de roerende goederen vrijgesteld van het successierecht. Die vrijstelling geldt niet als de rechtverkrijgende partner een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.3§ 2. Voor de toepassing van het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 1, tussen partners wordt de eerste schijf van 75.000 euro in de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner van de roerende goederen vrijgesteld van het successierecht. Die vrijstelling geldt niet als de rechtverkrijgende partner een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.
+3 −9 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.8.6.0.3
1§ 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1 wordt van de schenkbelasting vrijgesteld :1§ 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1 wordt van de schenkbelasting vrijgesteld :
21° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Die vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;21° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Die vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1°/1;
32° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen. 32° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen. De vrijstelling is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°.
4In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:4In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
51° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;51° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
102° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp heeft en uitoefent.102° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp heeft en uitoefent.
11Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar aandelen houdt die minstens 30 % van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.11Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar aandelen houdt die minstens 30 % van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.
12Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben als uit de balansposten van ofwel de goedgekeurde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, eerste lid, ofwel de goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren die voorafgaan aan de datum van de authentieke akte van schenking , cumulatief blijkt dat :12Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. Voor een vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan het uitsluiten van de beperking vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §1, eerste lid, 2°, slechts gelden op voorwaarde dat de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan de authentieke akte van de schenking minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden;
13a) de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage uitmaken dat gelijk is aan of lager is dan 1,50 % van de totale activa;
14b) de terreinen en gebouwen meer dan 50 % uitmaken van het totale actief. De begiftigde kan het tegenbewijs daarvan leveren.
15Voor de toepassing van de hiervoor vermelde omschrijving moet worden begrepen onder :
16a) bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen : de waarde, opgenomen onder de gelijknamige post van de resultatenrekening van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, is het de waarde die opgenomen is onder de post waaruit alle kosten blijken die naar hun aard als kosten kunnen worden beschouwd voor de tewerkstelling van personeel in dienstverband;
17b) terreinen en gebouwen : de waarde, opgenomen onder de gelijknamige balanspost van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt een soortgelijke post bedoeld die opgenomen is onder de post materiële vaste activa;
18c) totaal actief : de waarde, opgenomen onder de balanspost totaal van de activa van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening;
193° aandelen :133° aandelen :
20a) naargelang het geval:14a) naargelang het geval:
+9 −9 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.8.6.0.6
1§1. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 1°, wordt behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :1§1. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 1°, wordt behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
21° als een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;21° als een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
32° als de onroerende goederen die met toepassing van de vrijstelling zijn overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.32° als de onroerende goederen die met toepassing van de vrijstelling zijn overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.
4§2. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld:4§2. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
51° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §2, 2°;51° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §2, 2°;
62° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
62° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking en voor elk van de drie jaar wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt die in voorkomend geval wordt gepubliceerd overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van de datum van de authentieke akte van schenking, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. 73° voor elk van de drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt die in voorkomend geval wordt gepubliceerd conform de geldende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van de datum van de authentieke akte van schenking, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, maken een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening op en in voorkomend geval publiceren ze die conform de geldende boekhoudwetgeving in België op de datum van de authentieke akte van schenking;
7Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest maar binnen België ligt, moeten een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opmaken en in voorkomend geval publiceren overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving in België op de datum van de authentieke akte van schenking;
83° naargelang het geval:84° naargelang het geval:
9a) wanneer de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt niet door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;9a) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, of een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt op geen enkel moment door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
10b) wanneer de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: het eigen vermogen daalt niet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van de authentieke akte van schenking verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;10b) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: de verrichte inbrengen dalen op geen enkel moment gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van de authentieke akte van schenking verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
114° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.115° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.
+2 −2 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.8.6.0.7
1§ 1. Na verloop van een termijn van drie jaar na de datum van de authentieke akte van schenking controleert het bevoegde personeelslid of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van de vrijstelling, vervuld zijn.1§ 1. Na verloop van een termijn van drie jaar na de datum van de authentieke akte van schenking controleert het bevoegde personeelslid of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van de vrijstelling, vervuld zijn.
2Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de schenkbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.2Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de schenkbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.
3Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, §2, 3°, is de schenkbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling .3Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, §2, 4°, is de schenkbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling op het bedrag waarmee het kapitaal is verminderd of waarmee de verrichte inbrengen zijn verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop de vrijstelling is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van de authentieke schenkingsakte.
4§ 2. Als de schenkbelasting verschuldigd is doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van de vrijstelling, niet langer vervuld zijn, kunnen de begiftigden dat melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.4§ 2. Als de schenkbelasting verschuldigd is doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van de vrijstelling, niet langer vervuld zijn, kunnen de begiftigden dat melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
5Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de schenkbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.5Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de schenkbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.
6Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, §2, 3°, is de schenkbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling .6Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, §2, 4°, is de schenkbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling op het bedrag waarmee het kapitaal is verminderd of waarmee de verrichte inbrengen zijn verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop de vrijstelling is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van de authentieke schenkingsakte.
+2 −2 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.9.4.2.11
1§ 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 2 % voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop , waarbij door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen.1§ 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 2 % voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop van volle eigendom, waarbij uitsluitend door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen.
2In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief 6% voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 is verleden, als de verkrijger opteert voor de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.2In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief 6% voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 is verleden, als de verkrijger opteert voor de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.
3§ 2. Om het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, moeten alle volgende voorwaarden vervuld zijn:3§ 2. Om het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, moeten alle volgende voorwaarden vervuld zijn:
41° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. Als er verschillende verkrijgers zijn, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond;41° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. Als er verschillende verkrijgers zijn, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond;
52° de verkrijger verbindt zich ertoe zijn inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister te nemen op het adres van de aangekochte woning binnen drie jaar na de datum van de authentieke aankoopakte;52° de verkrijger verbindt zich ertoe zijn inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister te nemen op het adres van de aangekochte woning binnen drie jaar na de datum van de authentieke aankoopakte, en die inschrijving gedurende een ononderbroken periode van minstens een jaar te behouden;
63° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.63° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.
7De koper die de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.7De koper die de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.
+11 −0 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 3.3.1.0.8
236) een kopie van de laatste voor het overlijden door de erflater ingediende fiscale aangifte voor de personenbelasting wat familiale ondernemingen betreft;236) een kopie van de laatste voor het overlijden door de erflater ingediende fiscale aangifte voor de personenbelasting wat familiale ondernemingen betreft;
247) een kopie van de gecoördineerde statuten, zoals van toepassing op de dag van het overlijden;247) een kopie van de gecoördineerde statuten, zoals van toepassing op de dag van het overlijden;
258) een verslag dat een bedrijfsrevisor, die niet de commissaris is, of een gecertificeerd accountant heeft uitgereikt. Het verslag is gedateerd en ondertekend voorafgaand aan de datum van de indiening van de aangifte van nalatenschap voor elke familiale vennootschap. Het verslag bevat al de volgende elementen:
26i) de voor- en achternaam van de bedrijfsrevisor of de accountant, het registratienummer in het openbaar register, vermeld in artikel 10, §1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, of het inschrijvingsnummer in het openbaar register, vermeld in artikel 29 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur;
27ii) de voor- en achternaam, het rijksregisternummer en het adres van de aanvrager of, als er verschillende zijn, de aanvragers;
28iii) de naam en het ondernemingsnummer van de familiale vennootschap waarvoor het verlaagde tarief wordt gevraagd;
29iv) de verkoopwaarde van de volle eigendom van de vererfde aandelen van de familiale vennootschap, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant;
30v) de verkoopwaarde en de opsomming van de onroerende goederen die tot bewoning worden aangewend of bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1°/1, van deze codex, waarop de familiale vennootschap of haar dochtervennootschappen zakelijke rechten hebben, en de aard van die zakelijke rechten. De vermelding bevat de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
31vi) het gedeelte van de waarde, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant, vermeld in punt iv), dat wordt bepaald door de verkoopwaarde van de onroerende goederen, vermeld in punt v), in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen;
32vii) het verschil tussen de verkoopwaarde, vermeld in punt iv), en de verkoopwaarde, vermeld in punt vi);
33viii) de motivering van de wijze waarop de bedrijfsrevisor of de accountant de verkoopwaarden, vermeld in punt iv), vi) en vii), heeft bepaald, met vermelding van de gebruikte waarderingsmethode;
34ix) de referentiedatum voor de waardebepaling, vermeld in punt iv) en v), namelijk de datum van het overlijden van de erflater;
25c) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3;35c) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3;
26d) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.4;36d) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.4;
35m) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.6, § 1;45m) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.6, § 1;
36n) het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2 van deze codex, als het cultuurgoed in zijn geheel deel uitmaakt van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en zijn overlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en een van zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden;46n) het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2 van deze codex, als het cultuurgoed in zijn geheel deel uitmaakt van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en zijn overlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en een van zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden;
47o) het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.5, §1, eerste lid;
3715° in voorkomend geval de erfovereenkomst die is opgesteld conform artikel 4.254 tot en met 4.259 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van die notariële erfovereenkomst bij de aangifte gevoegd;4815° in voorkomend geval de erfovereenkomst die is opgesteld conform artikel 4.254 tot en met 4.259 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van die notariële erfovereenkomst bij de aangifte gevoegd;
3816° in voorkomend geval de verkrijgingen van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van de akte van schenking bij de aangifte gevoegd. In geval van verzaking aan het vruchtgebruik op een ander tijdstip wordt het stuk gevoegd waaruit die verzaking blijkt;4916° in voorkomend geval de verkrijgingen van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van de akte van schenking bij de aangifte gevoegd. In geval van verzaking aan het vruchtgebruik op een ander tijdstip wordt het stuk gevoegd waaruit die verzaking blijkt;
+11 −0 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 3.3.1.0.8
236) een kopie van de laatste voor het overlijden door de erflater ingediende fiscale aangifte voor de personenbelasting wat familiale ondernemingen betreft;236) een kopie van de laatste voor het overlijden door de erflater ingediende fiscale aangifte voor de personenbelasting wat familiale ondernemingen betreft;
247) een kopie van de gecoördineerde statuten, zoals van toepassing op de dag van het overlijden;247) een kopie van de gecoördineerde statuten, zoals van toepassing op de dag van het overlijden;
258) een verslag dat een bedrijfsrevisor, die niet de commissaris is, of een gecertificeerd accountant heeft uitgereikt. Het verslag is gedateerd en ondertekend voorafgaand aan de datum van de indiening van de aangifte van nalatenschap voor elke familiale vennootschap. Het verslag bevat al de volgende elementen:
26i) de voor- en achternaam van de bedrijfsrevisor of de accountant, het registratienummer in het openbaar register, vermeld in artikel 10, §1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, of het inschrijvingsnummer in het openbaar register, vermeld in artikel 29 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur;
27ii) de voor- en achternaam, het rijksregisternummer en het adres van de aanvrager of, als er verschillende zijn, de aanvragers;
28iii) de naam en het ondernemingsnummer van de familiale vennootschap waarvoor het verlaagde tarief wordt gevraagd;
29iv) de verkoopwaarde van de volle eigendom van de vererfde aandelen van de familiale vennootschap, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant;
30v) de verkoopwaarde en de opsomming van de onroerende goederen die tot bewoning worden aangewend of bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1°/1, van deze codex, waarop de familiale vennootschap of haar dochtervennootschappen zakelijke rechten hebben, en de aard van die zakelijke rechten. De vermelding bevat de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
31vi) het gedeelte van de waarde, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant, vermeld in punt iv), dat wordt bepaald door de verkoopwaarde van de onroerende goederen, vermeld in punt v), in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen;
32vii) het verschil tussen de verkoopwaarde, vermeld in punt iv), en de verkoopwaarde, vermeld in punt vi);
33viii) de motivering van de wijze waarop de bedrijfsrevisor of de accountant de verkoopwaarden, vermeld in punt iv), vi) en vii), heeft bepaald, met vermelding van de gebruikte waarderingsmethode;
34ix) de referentiedatum voor de waardebepaling, vermeld in punt iv) en v), namelijk de datum van het overlijden van de erflater;
25c) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3;35c) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3;
26d) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.4;36d) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.4;
35m) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.6, § 1;45m) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.6, § 1;
36n) het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2 van deze codex, als het cultuurgoed in zijn geheel deel uitmaakt van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en zijn overlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en een van zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden;46n) het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2 van deze codex, als het cultuurgoed in zijn geheel deel uitmaakt van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en zijn overlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en een van zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden;
47o) het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.5, §1, eerste lid;
3715° in voorkomend geval de erfovereenkomst die is opgesteld conform artikel 4.254 tot en met 4.259 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van die notariële erfovereenkomst bij de aangifte gevoegd;4815° in voorkomend geval de erfovereenkomst die is opgesteld conform artikel 4.254 tot en met 4.259 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van die notariële erfovereenkomst bij de aangifte gevoegd;
3816° in voorkomend geval de verkrijgingen van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van de akte van schenking bij de aangifte gevoegd. In geval van verzaking aan het vruchtgebruik op een ander tijdstip wordt het stuk gevoegd waaruit die verzaking blijkt;4916° in voorkomend geval de verkrijgingen van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van de akte van schenking bij de aangifte gevoegd. In geval van verzaking aan het vruchtgebruik op een ander tijdstip wordt het stuk gevoegd waaruit die verzaking blijkt;
+11 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 3.12.3.0.1
522° kopieën van het rechtsgeldige aandelenregister of, bij gebrek daaraan, de door alle aandeelhouders ondertekende notulen van de laatste algemene vergadering die voorafgaat aan de authentieke akte van schenking, waaruit op ondubbelzinnige wijze de participaties blijken, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1;522° kopieën van het rechtsgeldige aandelenregister of, bij gebrek daaraan, de door alle aandeelhouders ondertekende notulen van de laatste algemene vergadering die voorafgaat aan de authentieke akte van schenking, waaruit op ondubbelzinnige wijze de participaties blijken, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1;
533° een kopie van de laatste door de schenker ingediende fiscale aangifte voor de personenbelasting wat familiale ondernemingen betreft;533° een kopie van de laatste door de schenker ingediende fiscale aangifte voor de personenbelasting wat familiale ondernemingen betreft;
544° een kopie van de gecoördineerde statuten, zoals die van toepassing zijn op de datum van de authentieke akte van de schenking.544° een kopie van de gecoördineerde statuten, zoals die van toepassing zijn op de datum van de authentieke akte van de schenking;
555° een verslag dat een bedrijfsrevisor, die niet de commissaris is, of een gecertificeerd accountant heeft uitgereikt. Het verslag is ondertekend en gedateerd voorafgaand aan de datum van de authentieke akte van de schenking voor elke familiale vennootschap. Het verslag vermeldt al de volgende gegevens:
56a) de voor- en achternaam van de bedrijfsrevisor of de gecertificeerde accountant, het registratienummer in het openbaar register, vermeld in artikel 10, §1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, en het inschrijvingsnummer in het openbaar register, vermeld in artikel 29 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur;
57b) de voor- en achternaam, het rijksregisternummer en het adres van de aanvrager of, als er verschillende zijn, de aanvragers;
58c) de naam en het ondernemingsnummer van de familiale vennootschap waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd;
59d) de verkoopwaarde van de volle eigendom van de geschonken aandelen van de familiale vennootschap, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant;
60e) de verkoopwaarde en de opsomming van de onroerende goederen die tot bewoning worden aangewend of bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1°/1, van deze codex, waarop de familiale vennootschap of haar dochtervennootschappen zakelijke rechten hebben en de aard van die zakelijke rechten. De vermelding bevat de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
61f) het gedeelte van de waarde, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant, vermeld in punt d), dat wordt bepaald door de verkoopwaarde van de onroerende goederen, vermeld in punt e), in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale ven-nootschap in haar dochtervennootschappen;
62g) het verschil tussen de verkoopwaarde, vermeld in punt d), en de verkoopwaarde, vermeld in punt f);
63h) een motivering van de wijze waarop de bedrijfsrevisor of de accountant de verkoopwaarden, vermeld in punt d), f) en g), heeft bepaald, met vermelding van de gebruikte waarderingsmethode;
64i) de referentiedatum voor de waardebepaling, vermeld in punt d) en f), namelijk de datum waarop de waarde van de aandelen wordt bepaald.
55Als de bescheiden, vermeld in het tweede lid, worden bezorgd met een aangetekende brief, geldt de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs als datum van de indiening.65Als de bescheiden, vermeld in het tweede lid, worden bezorgd met een aangetekende brief, geldt de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs als datum van de indiening.
56Als partijen de toepassing vragen van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, § 1, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu toegevoegd.66Als partijen de toepassing vragen van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, § 1, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu toegevoegd.
+6 −0 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 3.21.0.0.1 nieuw
1§1. Voor de aangifte en uiterlijk voor het verstrijken van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, §2, en artikel 3.3.1.0.6, kunnen de erfgenamen, algemene legatarissen, begiftigden en al wie gehouden is tot het indienen van een aangifte van nalatenschap een verzoek richten tot de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie tot het bekomen van een attest dat op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker, de waardering, bedoeld in artikel 3.3.1.0.8, §1, eerste lid, 14°, b), 8), iv), vi) en vii) bevestigt.
2Het verzoek bevat de gegevens en de bescheiden, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, §1, eerste lid, 14°, b).
3Een attest over de waardering kan alleen worden verkregen als het verzoek wordt ingediend binnen dertig dagen na de datum van het verslag, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, §1, eerste lid, 14°, b), 8).
4§2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie verleent het attest, vermeld in paragraaf 1, binnen zestig dagen nadat ze het verzoek, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen.
5Als het verzoek, vermeld in paragraaf 1, niet alle gegevens of de bescheiden, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, §1, eerste lid, 14°, b), bevat, meldt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie dat vóór de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken, met opgave van de gegevens of de bescheiden die ontbreken. In dat geval wordt de termijn, vermeld in het eerste lid, geschorst vanaf de datum van verzending van die melding tot de datum waarop de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de ontbrekende gegevens of bescheiden heeft ontvangen.
6Het attest, vermeld in paragraaf 1, is bindend voor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en wordt gebruikt om de erfbelasting te berekenen.
+4 −2 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 3.21.0.0.1/1
1§ 1. Voorafgaand aan de authentieke akte van schenking kan de belanghebbende een verzoek richten tot de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie tot het bekomen van een attest waaruit blijkt dat op het moment van het verzoek en op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker, al dan niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is voldaan .1§ 1. Voorafgaand aan de authentieke akte van schenking kan de belanghebbende een verzoek richten tot de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie tot het bekomen van een attest waaruit blijkt dat op het moment van het verzoek en op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker, al dan niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is voldaan en dat, in voorkomend geval, de waardering, bedoeld in artikel 3.12.3.0.1, §5, tweede lid, 5°, d), f) en g), bevestigt op de referentiedatum, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, §5, tweede lid, 5°, i), op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker.
2In het verzoek wordt opgave gedaan van de gegevens, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, eerste lid, en de bescheiden, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, tweede lid, worden toegevoegd.2In het verzoek wordt opgave gedaan van de gegevens, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, eerste lid, en de bescheiden, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, tweede lid, worden toegevoegd.
3Een voorafgaand attest over de waardering kan alleen worden verkregen als het verzoek wordt ingediend binnen dertig dagen na de referentiedatum, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, §5, tweede lid, 5°, i).
3§ 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie verleent het attest, vermeld in paragraaf 1, binnen negentig dagen na de ontvangst van het verzoek.4§ 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie verleent het attest, vermeld in paragraaf 1, binnen zestig dagen na de ontvangst van het verzoek.
4Als het verzoek niet alle gegevens, vermeld in 3.12.3.0.1, § 5, eerste lid, of de bescheiden, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, tweede lid, bevat, meldt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie dat voor het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, met opgave van de gegevens of bescheiden die ontbreken. In dat geval zal de termijn, vermeld in het eerste lid, geschorst worden vanaf de datum van verzending van die melding tot de datum van ontvangst van de ontbrekende gegevens of bescheiden door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.5Als het verzoek niet alle gegevens, vermeld in 3.12.3.0.1, § 5, eerste lid, of de bescheiden, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, tweede lid, bevat, meldt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie dat voor het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, met opgave van de gegevens of bescheiden die ontbreken. In dat geval zal de termijn, vermeld in het eerste lid, geschorst worden vanaf de datum van verzending van die melding tot de datum van ontvangst van de ontbrekende gegevens of bescheiden door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
6Het attest, vermeld in paragraaf 1, is zestig dagen vanaf de datum van de eindbeslissing geldig en bindend voor de bevoegde autoriteit van de Vlaamse administratie.
+9 −9 decreet-2011-12-23-1021295/art. 46
2514° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton;2514° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton;
2615° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton;2615° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton;
2716° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;2716° voor het verbranden van riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;
2816°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022;2816°/1 voor het verbranden van afvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 32 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2026;
2917° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;2917° voor het meeverbranden van rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;
3017°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022;3017°/1 voor het meeverbranden van afvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 32 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2026;
3118° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing;3118° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing;
3219° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.3219° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.
776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
809° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;809° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8110° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;8110° in het heffingsjaar 2028 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8211° in het heffingsjaar 2028 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.8211° in het heffingsjaar 2029 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.
83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.
84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :
142De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006.142De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006.
143In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996.143In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996.
144In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. 144In afwijking van het tweede lid worden de bedragen die vanaf 1 januari 2026 worden ingevoerd, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2025, basis 1996. De eerste indexering wordt toegepast vanaf 1 januari 2027.
145In afwijking van het tweede lid wordt het vanaf 1 januari 2023 ingevoerde bedrag, vermeld in punt 2° van paragraaf 1, aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2022, basis 1996.145In afwijking van het tweede lid wordt het vanaf 1 januari 2023 ingevoerde bedrag, vermeld in punt 2° van paragraaf 1, aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2022, basis 1996.
146§ 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.146§ 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.
+9 −9 decreet-2011-12-23-1021295/art. 46
2514° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton;2514° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton;
2615° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton;2615° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton;
2716° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;2716° voor het verbranden van riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;
2816°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022;2816°/1 voor het verbranden van afvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 32 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2026;
2917° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;2917° voor het meeverbranden van rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;
3017°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022;3017°/1 voor het meeverbranden van afvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 32 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2026;
3118° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing;3118° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing;
3219° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.3219° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.
776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
809° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;809° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8110° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;8110° in het heffingsjaar 2028 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8211° in het heffingsjaar 2028 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.8211° in het heffingsjaar 2029 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.
83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.
84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :
142De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006.142De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006.
143In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996.143In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996.
144In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. 144In afwijking van het tweede lid worden de bedragen die vanaf 1 januari 2026 worden ingevoerd, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2025, basis 1996. De eerste indexering wordt toegepast vanaf 1 januari 2027.
145In afwijking van het tweede lid wordt het vanaf 1 januari 2023 ingevoerde bedrag, vermeld in punt 2° van paragraaf 1, aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2022, basis 1996.145In afwijking van het tweede lid wordt het vanaf 1 januari 2023 ingevoerde bedrag, vermeld in punt 2° van paragraaf 1, aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2022, basis 1996.
146§ 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.146§ 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.
+57 −14 codex-hoger-onderwijs/art. III.3
6d) een of meer opleidingen in het hoger beroepsonderwijs, opgenomen in het Hogeronderwijsregister;6d) een of meer opleidingen in het hoger beroepsonderwijs, opgenomen in het Hogeronderwijsregister;
7e) een of meer opleidingsonderdelen die behoren tot 1 of meer opleidingen in het hoger beroepsonderwijs;7e) een of meer opleidingsonderdelen die behoren tot 1 of meer opleidingen in het hoger beroepsonderwijs;
82° nationaliteit: studenten komen alleen in aanmerking als ze aan 1 van de volgende voorwaarden beantwoorden :82° nationaliteit: studenten komen alleen in aanmerking als ze voldoen aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 1° tot en met 9°;
9a) ze zijn onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
10b) ze zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van onbeperkte duur in België, zoals bepaald bij de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
11c) ze zijn slachtoffer van mensenhandel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;
12d) ze zijn student met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van bepaalde duur in België op basis van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
13e) ze verblijven op 31 december van het betrokken academiejaar gedurende een onafgebroken periode van minstens 12 maanden wettig in België, en dit wettig verblijf werd niet verleend om in België hoger onderwijs te volgen of te werken, noch werd het verleend in afwachting van een uitspraak in een asielprocedure om erkend te worden als vluchteling of als persoon die recht heeft op de subsidiaire bescherming, overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
14f) ze hebben op basis van de artikelen 10, 10bis, 40bis of 40ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de toelating gekregen om een persoon, zoals bedoeld in §1 of §2, 1° tot en met 7°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of een persoon die op 31 december van het betrokken academiejaar minstens 12 maanden wettig verblijft in België om hoger onderwijs te volgen of te werken, te begeleiden of te vervoegen;
15g) ze zijn onderhorige van de landen die met België of de Vlaamse Gemeenschap een cultureel akkoord hebben gesloten, en ze hebben, binnen het kader en de grenzen van het cultureel akkoord, een studiebeurs gekregen van de Vlaamse Gemeenschap;
16h) ze zijn kandidaat vluchteling of hun ouders zijn kandidaat vluchteling en de student verblijft al van zijn minderjarigheid in België en heeft niet zelf een asielaanvraag ingediend. De asielaanvraag werd ontvankelijk verklaard voor 1 juni 2007 en hun procedure is nog lopende bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen, bij de Vaste Beroepsommissie voor Vluchtelingen, of bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen;
17i) het zijn andere personen dan de personen vermeld in a) tot en met h), en andere personen dan de personen die ten laste zijn van de nationale kredieten voor ontwikkelingssamenwerking zonder dat:
181) het aantal studiepunten gegenereerd door die buitenlandse studenten onder diplomacontract, meer bedraagt dan 2% van het totale aantal studiepunten voor de berekening van de onderwijssokkel, zoals bepaald in artikel III.7, voor die hogeschool of universiteit;
192) het aantal financieringspunten gegenereerd door die buitenlandse studenten onder diplomacontract, meer bedraagt dan 2% van het totale aantal financieringspunten, berekend zoals bepaald in artikel III.11, §2, in de hogeschool of universiteit.
20j) ze zijn vreemdeling die tijdelijke bescherming genieten op basis van de richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen of hun ouders genieten van deze bescherming en de student verblijft al van zijn minderjarigheid in België.
21Voor de berekening van de financiering wordt rekening gehouden met de categorie waartoe de betrokkene behoort op het ogenblik van de inschrijving in het betreffende academiejaar;
223° leerkrediet : in een initiële bachelor- en masteropleiding komen studenten alleen in aanmerking als ze een positief leerkrediet hebben.93° leerkrediet : in een initiële bachelor- en masteropleiding komen studenten alleen in aanmerking als ze een positief leerkrediet hebben.
23§2. In afwijking van paragraaf 1, punt 2°, wordt voor de transnationale Universiteit Limburg conform artikel 7 van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg, ondertekend in Maastricht op 18 januari 2001, enkel rekening gehouden met:10§2. In afwijking van paragraaf 1, punt 2°, wordt voor de transnationale Universiteit Limburg conform artikel 7 van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg, ondertekend in Maastricht op 18 januari 2001, enkel rekening gehouden met:
26Voor de bepaling van die aantallen wordt rekening gehouden met de nationaliteit van de betrokkenen op het ogenblik van de inschrijving voor het academiejaar in kwestie.13Voor de bepaling van die aantallen wordt rekening gehouden met de nationaliteit van de betrokkenen op het ogenblik van de inschrijving voor het academiejaar in kwestie.
27§3. De toepassing van de volgende zinsnede in paragraaf 1, punt 2°, i), “en andere personen dan de personen die ten laste zijn van de nationale kredieten voor ontwikkelingssamenwerking”, wordt opgeschort, vanaf het begrotingsjaar 2013 tot en met het begrotingsjaar 2018.14§3. De toepassing van de volgende zinsnede in paragraaf 1, punt 2°, i), “en andere personen dan de personen die ten laste zijn van de nationale kredieten voor ontwikkelingssamenwerking”, wordt opgeschort, vanaf het begrotingsjaar 2013 tot en met het begrotingsjaar 2018.
15§4. In paragraaf 4 en 5 wordt verstaan onder
161° niet-EER-student: een student die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is;
172° een anderstalige opleiding: een initiële opleiding of een bachelor-na-bacheloropleiding die als anderstalige opleiding opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel II.170, §2.
18Vanaf begrotingsjaar 2027 wordt de financierbaarheid van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, beperkt door een bedrag in mindering te brengen van de werkingsuitkeringen van universiteiten en hogescholen.
19Dit bedrag wordt berekend door het percentage van opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, 2° tot en met 9°, in die mate dat het boven de 2% ligt per instelling en per finaliteit, toe te passen op de financieringspunten voor de variabele onderwijsdelen, vermeld in artikel III.11, per finaliteit en per instelling. Vervolgens worden deze financieringspunten vermenigvuldigd met de gemiddelde waarde per financieringspunt en per finaliteit. Dit bedrag wordt in mindering gebracht van de werkingsuitkeringen per instelling.
20Om het percentage opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten voor het begrotingsjaar t vast te stellen wordt het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2, en die zich in de desbetreffende instelling hebben ingeschreven onder een diplomacontract, voor een initiële bachelor- of masteropleiding, voor een bachelor-na-bacheloropleiding, voor een schakelprogramma of voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding of voor een graduaatsopleiding, waarvoor het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2 in aanmerking wordt genomen. Het aantal opgenomen studiepunten in een bachelor-na-bacheloropleiding wordt vermenigvuldigd met een factor 0,5.
21De instellingen houden de verantwoordingsstukken van de niet-EER-studenten die behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, ter beschikking voor de regeringscommissarissen, die daarop een controle uitvoeren en die het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot oprichting van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, daarvan jaarlijks op de hoogte brengen vóór 31 maart van begrotingsjaar t-1.
22Om de financiering te berekenen, wordt rekening gehouden met de categorie waartoe de betrokkene behoort op 31 december in het academiejaar in kwestie.
23§5. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt de financierbaarheid van niet-EER-studenten beperkt door een bedrag in mindering te brengen bij de werkingsuitkeringen van de universiteiten en hogescholen.
24Het bedrag, vermeld in het eerste lid, bestaat uit twee delen. Het eerste deel van het bedrag wordt berekend door het percentage van opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding, in die mate dat het boven de 2% ligt per instelling en per finaliteit, toe te passen op de financieringspunten voor de variabele onderwijsdelen, vermeld in artikel III.11, per finaliteit en per instelling. Vervolgens worden deze financieringspunten vermenigvuldigd met de gemiddelde waarde per financieringspunt en per finaliteit. Dit bedrag wordt in mindering gebracht van de werkingsuitkeringen per instelling.
25Om het percentage opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding voor het begrotingsjaar t vast te stellen, wordt het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 die zich in de desbetreffende instelling hebben ingeschreven onder een diplomacontract voor een initiële anderstalige bachelor- of masteropleiding of een anderstalige bachelor-na-bacheloropleiding. Het aantal opgenomen studiepunten in een bachelor-na-bacheloropleiding wordt vermenigvuldigd met een factor 0,5.
26Het tweede deel van het bedrag, vermeld in het eerst lid, bestaat uit een compensatie van 10.300.000 euro, als compensatie van de niet EER-studenten in een Nederlandstalige opleiding. Dit bedrag wordt in het begrotingsjaar 2026 verminderd van de totale werkingsuitkeringen van de hogescholen en universiteiten, volgens de volgende verdeling:
27Instelling
28bedrag
29Thomas More Mechelen-Antwerpen
30€ 206.273,14
31Hogeschool West-Vlaanderen
32€ 170.171,98
33Arteveldehogeschool
34€ 293.999,01
35Hogeschool Gent
36€ 363.514,39
37Katholieke Hogeschool Vives Noord
38€ 84.638,67
39Katholieke Hogeschool Vives Zuid
40€ 222.805,98
41Odisee
42€ 231.221,85
43Erasmushogeschool Brussel
44€ 159.475,03
45UC Leuven
46€ 202.708,09
47Thomas More Kempen
48€ 179.109,89
49LUCA School of Arts
50€ 125.339,97
51Karel de Grote Hogeschool
52€ 291.003,59
53UC Limburg
54€ 116.678,54
55Hogeschool PXL
56€ 205.177,25
57Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
58€ 323.072,61
59Hogere Zeevaartschool
60€ 17.810,01
61Katholieke Universiteit Leuven
62€ 2.623.222,19
63Universiteit Hasselt
64€ 476.779,18
65Universiteit Antwerpen
66€ 1.013.584,72
67Vrije Universiteit Brussel
68€ 804.517,72
69Universiteit Gent
70€ 2.188.896,20
+2 −2 codex-hoger-onderwijs/art. III.34
1§1. Voor de hogescholen wordt voorzien in de volgende aanvullende uitkeringen:1§1. Voor de hogescholen wordt voorzien in de volgende aanvullende uitkeringen:
21° een bedrag van 951.960,02 euro voor de geraamde kosten van de salarissen van de personeelsleden van het meester-, vak- en dienstpersoneel van de hogescholen die op 31 december 1995 rechtstreeks betaald werden door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap . Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar twordt in het begrotingsjaar t+1 toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de professioneel gerichte opleidingen VOWprof aan de hogescholen;21° een bedrag van 951.960,02 euro voor de geraamde kosten van de salarissen van de personeelsleden van het meester-, vak- en dienstpersoneel van de hogescholen die de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap op 31 december 1995 rechtstreeks heeft betaald. Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar t-2 wordt in het begrotingsjaar t toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de graduaatsopleidingen VOWhbo aan de hogescholen;
32° een bedrag van 7.884.245,71 euro voor de geraamde kosten van de salarissen of wachtgelden van de personeelsleden, vermeld in artikel III.35. Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar twordt in het begrotingsjaar t+1 toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de professioneel gerichte opleidingen VOWprof aan de hogescholen;32° een bedrag van 7.884.245,71 euro voor de geraamde kosten van de salarissen of wachtgelden van de personeelsleden, vermeld in artikel III.35. Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar t-2 wordt in het begrotingsjaar t toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de graduaatsopleidingen VOWhbo aan de hogescholen;
43° ...43° ...
54° de bedragen VOWprof 2014 en VOWhko2014 worden verhoudingsgewijs verminderd met de bedragen die nodig zijn om de salariskosten te dekken van hun benoemde personeelsleden die tijdens het voorgaande begrotingsjaar met bevallingsverlof waren en van hun benoemde en tijdelijke personeelsleden die tijdens het voorgaande begrotingsjaar met opvangverlof voor adoptie of pleegvoogdij waren, voor wat de duur van dat bevallings- of opvangverlof betreft.54° de bedragen VOWprof 2014 en VOWhko2014 worden verhoudingsgewijs verminderd met de bedragen die nodig zijn om de salariskosten te dekken van hun benoemde personeelsleden die tijdens het voorgaande begrotingsjaar met bevallingsverlof waren en van hun benoemde en tijdelijke personeelsleden die tijdens het voorgaande begrotingsjaar met opvangverlof voor adoptie of pleegvoogdij waren, voor wat de duur van dat bevallings- of opvangverlof betreft.
+139 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.41
16Tegen 1 januari 2017 wordt er een globale evaluatie gemaakt van de resultaten en effecten van de genomen initiatieven.16Tegen 1 januari 2017 wordt er een globale evaluatie gemaakt van de resultaten en effecten van de genomen initiatieven.
17§ 3. De bedragen van de bijkomende financiering voor de hogeronderwijsinstellingen die een vestigingsplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % wordt het bedrag van 250.000 euro dat in 2015 en 2016 in mindering gebracht wordt, in rekening gebracht.17§ 3. De bedragen van de bijkomende financiering voor de hogeronderwijsinstellingen die een vestigingsplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % wordt het bedrag van 250.000 euro dat in 2015 en 2016 in mindering gebracht wordt, in rekening gebracht.
18§4. De bedragen van de bijkomende financiering voor de hogeronderwijsinstellingen die een vestigingsplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2026 verminderd van de totale werkingsuitkeringen van de hogescholen en universiteiten, volgens de volgende verdeling:
19Instelling
20begrotings-jaar 2026
21begrotings-jaar 2027
22begrotings-jaar 2028
23begrotings-jaar 2029
24vanaf begrotings-jaar 2030
25Thomas More Mechelen-Antwerpen
26€ 211.970
27€ 158.978
28€ 105.985
29€ 52.993
30€ 0
31Instelling
32begrotings-jaar 2026
33begrotings-jaar 2027
34begrotings-jaar 2028
35begrotings-jaar 2029
36vanaf begrotings-jaar 2030
37Hogeschool West-Vlaanderen
38€ 174.872
39€ 131.154
40€ 87.436
41€ 43.718
42€ 0
43Artevelde-hogeschool
44€ 302.119
45€ 226.589
46€ 151.060
47€ 75.530
48€ 0
49Hogeschool Gent
50€ 373.555
51€ 280.166
52€ 186.777
53€ 93.389
54€ 0
55Katholieke Hogeschool Vives Noord
56€ 86.976
57€ 65.232
58€ 43.488
59€ 21.744
60€ 0
61Katholieke Hogeschool Vives Zuid
62€ 228.960
63€ 171.720
64€ 114.480
65€ 57.240
66€ 0
67Odisee
68€ 570.827
69€ 844.643
70€ 1.118.460
71€ 1.392.276
72€ 1.666.093
73Erasmushogeschool Brussel
74€ 539.802
75€ 874.753
76€ 1.209.705
77€ 1.544.657
78€ 1.879.609
79UC Leuven
80€ 208.307
81€ 156.230
82€ 104.153
83€ 52.077
84€ 0
85Thomas More Kempen
86€ 184.057
87€ 138.043
88€ 92.028
89€ 46.014
90€ 0
91LUCA School of Arts
92€ 239.959
93€ 318.916
94€ 397.873
95€ 476.830
96€ 555.787
97Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen
98€ 299.041
99€ 224.281
100€ 149.521
101€ 74.760
102€ 0
103UC Limburg
104€ 119.901
105€ 89.926
106€ 59.951
107€ 29.975
108€ 0
109Hogeschool PXL
110€ 210.844
111€ 158.133
112€ 105.422
113€ 52.711
114€ 0
115Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
116€ 331.996
117€ 248.997
118€ 165.998
119€ 82.999
120€ 0
121Hogere Zeevaartschool
122€ 18.302
123€ 13.726
124€ 9.151
125€ 4.575
126€ 0
127Katholieke Universiteit Leuven
128€ 1.461.289,41
129€ 1.461.289,41
130€ 1.461.289,41
131€ 1.461.289,41
132€ 1.461.289
133Universiteit Hasselt
134€ 426.763,95
135€ 320.072,97
136€ 213.381,98
137€ 106.690,99
138€ 0
139Universiteit Antwerpen
140€ 907.257,37
141€ 680.443,03
142€ 453.628,69
143€ 226.814,34
144€ 0
145Vrije Universiteit Brussel
146€ 1.723.476,80
147€ 2.546.801,14
148€ 3.370.125,47
149€ 4.193.449,81
150€ 5.016.774
151Universiteit Gent
152€ 1.959.276,01
153€ 1.469.457,01
154€ 979.638,00
155€ 489.819,00
156€ 0
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.73
1De Vlaamse Gemeenschap subsidieert jaarlijks de Universiteit Antwerpen als Initiërende Universiteit van het Instituut voor Joodse Studies als vermeld in artikel
1De Vlaamse Gemeenschap subsidieert jaarlijks de Initiërende Universiteit zoals bedoeld in artikel II.5 specifiek ter uitvoering van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 onder de volgende voorwaarden:2II.5 specifiek ter uitvoering van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 onder de volgende voorwaarden:
21° De Initiërende Universiteit sluit een beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar met de Vlaamse Regering betreffende de werking van het instituut, zoals bepaald in artikel II.5, waarin ten minste de volgende elementen voorkomen en worden afgesproken:31° De Initiërende Universiteit sluit een beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar met de Vlaamse Regering betreffende de werking van het instituut, zoals bepaald in artikel II.5, waarin ten minste de volgende elementen voorkomen en worden afgesproken:
3a) het engagement van de Initiërende Universiteit dat de bij toepassing van dit artikel toegekende subsidie integraal wordt aangewend ter uitvoering van de opdrachten van het erkende instituut;4a) het engagement van de Initiërende Universiteit dat de bij toepassing van dit artikel toegekende subsidie integraal wordt aangewend ter uitvoering van de opdrachten van het erkende instituut;
+1 −3 codex-hoger-onderwijs/art. III.74
1§1. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Universiteit Antwerpen in het kader van de opdracht, zoals bepaald in artikel II.22, bedraagt vanaf 2007 1.827.000 euro.
2De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Vrije Universiteit Brussel in het kader van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 wordt voor het IES vanaf 2008 vastgelegd op 1.824.000 euro.
3De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Universiteit Antwerpen in het kader van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 wordt voor het IJoS vanaf het begrotingsjaar 2002 vastgelegd op 149.000 euro.1§1. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Universiteit Antwerpen in het kader van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 wordt voor het IJoS vanaf het begrotingsjaar 2002 vastgelegd op 149.000 euro.
4§2. De subsidies worden in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald.2§2. De subsidies worden in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald.
5De bedragen worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks aangepast aan de stijging van de prijzen overeenkomstig het indexeringsmechanisme bepaald in artikel III.5, §9.3De bedragen worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks aangepast aan de stijging van de prijzen overeenkomstig het indexeringsmechanisme bepaald in artikel III.5, §9.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.115
1Dit hoofdstuk regelt de subsidiëring van de Vlerick Business School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de Antwerp Management School, hierna genoemd "de instellingen voor postinitieel onderwijs".1Dit hoofdstuk regelt de subsidiëring van het Instituut voor Tropische Geneeskunde, hierna genoemd "de instellingen voor postinitieel onderwijs".
+7 −10 codex-hoger-onderwijs/art. III.118
1§1. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde wordt vanaf het begrotingsjaar 2007 vastgesteld op 9.776.000 euro.1§1. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde wordt vanaf het begrotingsjaar 2007 vastgesteld op 9.776.000 euro.
2§2. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Vlerick Business School wordt vanaf het begrotingsjaar 2002 vastgesteld op 1.665.000 euro.
3§3. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Antwerp Management School wordt vanaf het begrotingsjaar 2008 vastgesteld op 1.000.000 euro.
2§2. ...
3§3. ...
4§4. Door middel van een subsidie van 591.000 euro draagt de Vlaamse Regering vanaf het begrotingsjaar 2007 bij in het dekken van de investeringskosten van het Instituut voor Tropische Geneeskunde.4§4. Door middel van een subsidie van 591.000 euro draagt de Vlaamse Regering vanaf het begrotingsjaar 2007 bij in het dekken van de investeringskosten van het Instituut voor Tropische Geneeskunde.
5§5. De bedragenvermeld in paragraaf 1, 2 en 3 worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, §9.5§5. De bedragen, vermeld in paragraaf 1, worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, §9.
6Het bedragvermeld in paragraaf 4wordt binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2008 geïndexeerd overeenkomstig artikel III.54, §2.6Het bedrag, vermeld in paragraaf 4, wordt binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2008 geïndexeerd overeenkomstig artikel III.54, §2.
7Voor de begrotingsjaren 2012, 2013 en 2015 worden de bedragenvermeld in paragraaf 1, 2 en 3 van dit artikel, binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, §9, tweede lid.7Voor de begrotingsjaren 2012, 2013 en 2015 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, §9, tweede lid.
8§6. De bovengenoemde subsidies worden in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald, behoudens de investeringssubsidies die per kwartaal worden betaald.8§6. De bovengenoemde subsidies worden in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald, behoudens de investeringssubsidies die per kwartaal worden betaald.
9§7. De Vlaamse Regering kan de hoogte van de basissubsidies herzien afhankelijk van de mate waarin de in de beheersovereenkomst afgesproken doelstellingen worden gehaald of niet.9§7. De Vlaamse Regering kan de hoogte van de basissubsidies herzien afhankelijk van de mate waarin de in de beheersovereenkomst afgesproken doelstellingen worden gehaald of niet.
10§8. De Vlaamse Regering kan een deel van de maandelijkse termijnen inhouden en desgevallend terugvorderen indien de Vlaamse Regering vaststelt dat de instellingen de beheersovereenkomst niet naleven.10§8. De Vlaamse Regering kan een deel van de maandelijkse termijnen inhouden en desgevallend terugvorderen indien de Vlaamse Regering vaststelt dat de instellingen de beheersovereenkomst niet naleven.
11§ 9. De bedragen voor de instellingen voor postinitieel onderwijs, met uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 4 berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.11§ 9. De bedragen voor de instellingen voor postinitieel onderwijs, met uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 4 berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.
12§ 10. Het bedrag voor de Vlerick Business School, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 met 121.000 euro verminderd.
13Het bedrag voor de Antwerp Management School, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 met 63.000 euro verminderd.
14§11. Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt het bedrag voor de Vlerick Business School, berekend overeenkomstig dit artikel, vermeerderd met 7750 euro.
15Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt het bedrag voor de Antwerp Management School, berekend overeenkomstig dit artikel, vermeerderd met 4000 euro.
12§ 10. ...
16Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt het bedrag voor het Instituut voor Tropische Geneeskunde, berekend overeenkomstig dit artikel, vermeerderd met 46.600 euro.13§11. Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt het bedrag voor het Instituut voor Tropische Geneeskunde, berekend overeenkomstig dit artikel, vermeerderd met 46.600 euro.
17Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.14Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. IV.102
1De Vlaamse Regering kan een ambtenaar of een commissaris aanwijzen die bij de Vlerick Business School, de Antwerp Management School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde, en de hogere instituten en andere instellingen voor schone kunsten als vermeld in artikel III.119, toeziet op de uitvoering van de beheersovereenkomst en de naleving van de subsidiëringsvoorwaarden.1De Vlaamse Regering kan een ambtenaar of een commissaris aanwijzen die bij het Instituut voor Tropische Geneeskunde, en de hogere instituten en andere instellingen voor schone kunsten als vermeld in artikel III.119, toeziet op de uitvoering van de beheersovereenkomst en de naleving van de subsidiëringsvoorwaarden.
2Het instellingsbestuur bezorgt daartoe aan de ambtenaar of de commissaris alle nodige informatie en documenten.2Het instellingsbestuur bezorgt daartoe aan de ambtenaar of de commissaris alle nodige informatie en documenten.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 77quater
1815° de projecten van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.1815° de projecten van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.
19De Vlaamse regering kan de in het eerste lid bedoelde lijst uitbreiden met initiatieven en projecten die een bijzonder belang voor het onderwijs vertonen.19De Vlaamse regering kan de in het eerste lid bedoelde lijst uitbreiden met initiatieven en projecten die een bijzonder belang voor het onderwijs vertonen.
20De Vlaamse Regering stelt voor de verloven wegens bijzondere opdracht de nadere modaliteiten vast. Het totale aantal verloven wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in het eerste lid, 15°, wordt voor het gemeenschaps- en het gesubsidieerd onderwijs samen vastgelegd op maximaal 42 voltijdse equivalenten, waarvan er minimaal 12 voltijdse equivalenten worden voorbehouden voor het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve groeperingen van inrichtende machten.20De Vlaamse Regering stelt voor de verloven wegens bijzondere opdracht de nadere modaliteiten vast. Het totale aantal verloven wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in het eerste lid, 15°, wordt voor het gemeenschaps- en het gesubsidieerd onderwijs samen vastgelegd op maximaal 25,5 voltijdse equivalenten, waarvan er minimaal 12 voltijdse equivalenten worden voorbehouden voor het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve groeperingen van inrichtende machten.
21§ 3. De personeelsleden kunnen onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering een verlof wegens opdracht bekomen, mits een terugbetaling van het salaris, voor een dienst of project in het belang van het onderwijs.21§ 3. De personeelsleden kunnen onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering een verlof wegens opdracht bekomen, mits een terugbetaling van het salaris, voor een dienst of project in het belang van het onderwijs.
22De Vlaamse regering bepaalt naast de in het eerste lid bedoelde voorwaarde:22De Vlaamse regering bepaalt naast de in het eerste lid bedoelde voorwaarde:
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 51quater
1815° de projecten van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.1815° de projecten van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.
19De Vlaamse regering kan de in het eerste lid bedoelde lijst uitbreiden met initiatieven en projecten die een bijzonder belang voor het onderwijs vertonen.19De Vlaamse regering kan de in het eerste lid bedoelde lijst uitbreiden met initiatieven en projecten die een bijzonder belang voor het onderwijs vertonen.
20De Vlaamse Regering stelt voor de verloven wegens bijzondere opdracht de nadere modaliteiten vast. Het totale aantal verloven wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in het eerste lid, punt 15°, wordt voor het gemeenschaps- en het gesubsidieerd onderwijs samen vastgelegd op maximaal 42 voltijdse equivalenten, waarvan er minimaal 12 voltijdse equivalenten worden voorbehouden voor het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve groeperingen van inrichtende machten.20De Vlaamse Regering stelt voor de verloven wegens bijzondere opdracht de nadere modaliteiten vast. Het totale aantal verloven wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in het eerste lid, punt 15°, wordt voor het gemeenschaps- en het gesubsidieerd onderwijs samen vastgelegd op maximaal 25,5 voltijdse equivalenten, waarvan er minimaal 12 voltijdse equivalenten worden voorbehouden voor het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve groeperingen van inrichtende machten.
21§ 3. De personeelsleden kunnen onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering een verlof wegens opdracht bekomen, mits een terugbetaling van het salaris, voor een dienst of project in het belang van het onderwijs.21§ 3. De personeelsleden kunnen onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering een verlof wegens opdracht bekomen, mits een terugbetaling van het salaris, voor een dienst of project in het belang van het onderwijs.
22De Vlaamse regering bepaalt naast de in het eerste lid bedoelde voorwaarde:22De Vlaamse regering bepaalt naast de in het eerste lid bedoelde voorwaarde:
+2 −3 decreet-2007-06-15/art. 72octies
1§1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt de Vlaamse Regering op basis van de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°, jaarlijks een subsidie ter beschikking aan Vocvo vzw voor de uitvoering van volgende opdrachten:1§1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt de Vlaamse Regering op basis van de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°, jaarlijks een subsidie ter beschikking aan Vocvo vzw voor de uitvoering van volgende opdrachten:
21° de coördinatie en ondersteuning van het geletterdheidsbeleid van de Vlaamse overheid;
32° de werking inzake duidelijke taal;
21° ...
32° ...
43° de opdrachten in uitvoering van het strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden:43° de opdrachten in uitvoering van het strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden:
5a) de coördinatie en ondersteuning van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie bij de uitwerking van een onderwijs- en vormingsbeleid voor gedetineerden, de organisatie van het detecteren van de onderwijs- en vormingsbehoeften van gedetineerden en de coördinatie van de begeleiding van het onderwijstraject van gedetineerden;5a) de coördinatie en ondersteuning van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie bij de uitwerking van een onderwijs- en vormingsbeleid voor gedetineerden, de organisatie van het detecteren van de onderwijs- en vormingsbehoeften van gedetineerden en de coördinatie van de begeleiding van het onderwijstraject van gedetineerden;
92° Vocvo vzw vindt een draagvlak bij de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs en toont dit aan door middel van een stuurgroep samengesteld door vertegenwoordigers van de aanbodverstrekkers en andere stakeholders;92° Vocvo vzw vindt een draagvlak bij de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs en toont dit aan door middel van een stuurgroep samengesteld door vertegenwoordigers van de aanbodverstrekkers en andere stakeholders;
103° Vocvo vzw organiseert minstens tweemaal per jaar een gezamenlijk overleg van de stuurgroep onderwijs aan gedetineerden met de overheid.103° Vocvo vzw organiseert minstens tweemaal per jaar een gezamenlijk overleg van de stuurgroep onderwijs aan gedetineerden met de overheid.
11Voor de opdrachten, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zet Vocvo vzw in op de geletterdheid en duidelijke taal van de bevolking in Vlaanderen en toont dit aan op basis van de resultaatsverbintenissen uit de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°.
12§2. Vocvo vzw kan enkel in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als:11§2. Vocvo vzw kan enkel in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als:
131° in de algemene vergadering een afgevaardigde opgenomen wordt van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten;121° in de algemene vergadering een afgevaardigde opgenomen wordt van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten;
+46 −16 decreet-2007-06-15/art. 113novies
1§1. Het inschrijvingsgeld dat de cursist verschuldigd is, wordt berekend door het aantal lestijden van een module te vermenigvuldigen met 1,50 euro. Het inschrijvingsgeld voor het gecombineerd onderwijs wordt berekend, alsof het volledig in contactonderwijs is verstrekt.1§1. Het inschrijvingsgeld dat de cursist verschuldigd is, wordt berekend door het aantal lestijden van een module te vermenigvuldigen met 1,50 euro. Het inschrijvingsgeld voor het gecombineerd onderwijs wordt berekend, alsof het volledig in contactonderwijs is verstrekt.
2Indien de in artikel 24, § 2, bedoelde afwijking voor bijzondere doelgroepen het minimale aantal lestijden van een opleiding overschrijdt, dan wordt het inschrijvingsgeld berekend op basis van het aantal lestijden bedoeld in hetzelfde artikel 24, § 1, 3°.2Indien de in artikel 24, § 2, bedoelde afwijking voor bijzondere doelgroepen het minimale aantal lestijden van een opleiding overschrijdt, dan wordt het inschrijvingsgeld berekend op basis van het aantal lestijden bedoeld in hetzelfde artikel 24, § 1, 3°.
3§2. Als de cursist zich binnen een periode van zes schooljaren drie keer voor dezelfde module heeft ingeschreven, wordt het verschuldigde inschrijvingsgeld bij een volgende inschrijving in dezelfde module berekend door het aantal lestijden van die module te vermenigvuldigen met 3 euro. Indien de cursist een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet zoals bepaald in paragraaf 4, dan wordt het aantal lestijden vermenigvuldigd met 1,5 euro.3§2. Als de cursist zich binnen een periode van zes schooljaren drie keer voor dezelfde module heeft ingeschreven, wordt het verschuldigde inschrijvingsgeld bij een volgende inschrijving in dezelfde module berekend door het aantal lestijden van die module te vermenigvuldigen met 3 euro. Indien de cursist een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet zoals bepaald in paragraaf 4, dan wordt het aantal lestijden vermenigvuldigd met 1,5 euro.
4In afwijking van het eerste lid geldt de vermenigvuldiging met 3 of 1,5 euro niet voor een inschrijving in een open module die voldoet aan de bepalingen van artikel 25bis.4In afwijking van het eerste lid geldt de vermenigvuldiging met 3 of 1,5 euro niet voor een inschrijving in een open module die voldoet aan de bepalingen van artikel 25bis.
5§2bis. In afwijking van paragraaf 2 blijft het verschuldigde inschrijvingsgeld ongewijzigd, ongeacht het aantal inschrijvingen in een van de volgende opleidingen:5§2bis. In afwijking van paragraaf 2 blijft het verschuldigde inschrijvingsgeld ongewijzigd, ongeacht het aantal inschrijvingen in een van de volgende opleidingen:
61° de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 of de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie;61° de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 of de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie;
72° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 of de opleiding Lezen en Schrijven voor Anders- gealfabetiseerden van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs.72° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 of de opleiding Lezen en Schrijven voor Anders- gealfabetiseerden van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs.
8§3. In afwijking van paragraaf 1 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 300 euro per opleiding per semester. Een semester is een periode van 1 september tot en met 31 december of een periode van 1 januari tot en met 31 augustus. Het inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 2, wordt niet meegerekend in de begrenzing van het inschrijvingsgeld.8§3. In afwijking van paragraaf 1 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 300 euro per opleiding per semester. Een semester is een periode van 1 september tot en met 31 december of een periode van 1 januari tot en met 31 augustus. Het inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 2, wordt niet meegerekend in de begrenzing van het inschrijvingsgeld.
9§3bis. In afwijking van paragraaf 3 is het verschuldigde inschrijvingsgeld begrensd tot 180 euro voor een cursist die ingeschreven is in een van de volgende opleidingen:9§3bis. In afwijking van paragraaf 3 is het verschuldigde inschrijvingsgeld begrensd tot 180 euro voor een cursist die ingeschreven is in een van de volgende opleidingen:
101° de opleiding Nederlands Tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie;101° de opleiding Nederlands Tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 of de opleiding Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1 van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie;
112° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs.112° de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs.
131° de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie of de opleiding Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden;131° de opleiding Latijns Schrift - Basiseducatie of de opleiding Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden;
142° een in het eerste lid vermelde opleiding waarvoor de cursist niet bij aanvang van zijn opleiding ingeschreven was maar waarnaar hij in de loop van zijn opleiding geheroriënteerd wordt.142° een in het eerste lid vermelde opleiding waarvoor de cursist niet bij aanvang van zijn opleiding ingeschreven was maar waarnaar hij in de loop van zijn opleiding geheroriënteerd wordt.
15§ 4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die :
15§4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding van de basiseducatie of een opleiding van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 of Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 van het secundair volwassenenonderwijs en die:
161° geen houder zijn van een diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 en ingeschreven zijn voor geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren of Regie over het Eigen Leren, een opleiding in de leergebieden van de basiseducatie of een opleiding in de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming;161° geen houder zijn van een diploma van het secundair onderwijs of een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatieniveau 4, voor zover het een inschrijving betreft voor een opleiding van de basiseducatie;
172° ingeschreven zijn voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting;
172° ...;
183° op het moment van hun inschrijving materiële hulp genieten zoals bedoeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen;183° op het moment van hun inschrijving materiële hulp genieten zoals bedoeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen;
193° bis op het moment van inschrijving tijdelijke bescherming genieten ter uitvoering van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen;193° bis op het moment van inschrijving tijdelijke bescherming genieten ter uitvoering van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen;
389° niet-werkende, verplicht ingeschreven werkzoekenden zijn die op het moment van hun inschrijving nog geen recht op een inschakelingsuitkering hebben verworven;389° niet-werkende, verplicht ingeschreven werkzoekenden zijn die op het moment van hun inschrijving nog geen recht op een inschakelingsuitkering hebben verworven;
3910° ingeschreven zijn voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 64bis;3910° ingeschreven zijn voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 64bis;
4011° ingeschreven zijn voor de opleiding Ondernemerschap en tegelijk ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, een centrum voor deeltijdse vorming, of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
4011° ...
41§4bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)]41§4bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)]
42§5. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,60 euro voor cursisten die ingeschreven zijn in een van de volgende opleidingen:42§5. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,60 euro voor cursisten die ingeschreven zijn in een van de volgende opleidingen:
431° een opleiding van het niveau richtgraad 2 in de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal of in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2;431° een opleiding van het niveau richtgraad 2 in de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal of in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2;
442° een opleiding in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4.442° een opleiding in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4.
45§6. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,30 euro voor cursisten die op het moment van hun inschrijving :45§6. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,30 euro voor cursisten die op het moment van hun inschrijving in een opleiding van een leergebied van de basiseducatie of van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2, of Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 van het secundair volwassenenonderwijs en die:
461° een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering en ingeschreven zijn voor een opleiding die niet op basis van § 4, 8°, recht geeft op een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld, of ten laste zijn van voormelde categorieën;461° een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering en ingeschreven zijn voor een opleiding die niet op basis van § 4, 8°, recht geeft op een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld, of ten laste zijn van voormelde categorieën;
472° in het bezit zijn van een van de volgende attesten of die ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van een van de volgende attesten :472° in het bezit zijn van een van de volgende attesten of die ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van een van de volgende attesten :
51d) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;51d) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;
52e) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven punten.52e) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven punten.
53§6bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)]53§6bis. [... (vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof 2023/115 van 20 juli 2023)]
54§6ter. De verschuldigde bijdrage voor de eerste deelname aan de NT2-test, vermeld in artikel 40, § 1bis, eerste lid, is inbegrepen in het inschrijvingsgeld zoals bepaald in paragraaf 3bis.54§6ter. De verschuldigde bijdrage voor de eerste deelname aan de NT2-test, vermeld in artikel 40, § 1bis, eerste lid, is inbegrepen in het inschrijvingsgeld zoals bepaald in paragraaf 3bis.
55De cursist die niet geslaagd is voor één of meerdere onderdelen van de NT2-test betaalt geen inschrijvingsgeld voor het opnieuw volgen van één van deze opleidingen in functie van een herkansing. Voor een nieuwe deelname aan de NT2-test betaalt de cursist 22,50 euro per onderdeel. Indien de cursist een gedeeltelijke of volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet op basis van paragraaf 4 of 6 betaalt hij niet opnieuw voor een nieuwe deelname aan de NT2-test.55De cursist die niet geslaagd is voor één of meerdere onderdelen van de NT2-test betaalt geen inschrijvingsgeld voor het opnieuw volgen van één van deze opleidingen in functie van een herkansing. Voor een nieuwe deelname aan de NT2-test betaalt de cursist 22,50 euro per onderdeel. Indien de cursist een gedeeltelijke of volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet op basis van paragraaf 4 of 6 betaalt hij niet opnieuw voor een nieuwe deelname aan de NT2-test.
56§6quater. In afwijking van paragraaf 1 geldt een standaardtarief van 2,25 euro per lestijd van een module voor cursisten die zich inschrijven voor een opleiding van een studiegebied als vermeld in artikel 7, 2°, 3°, 7° tot en met 12°, 14°, 20°, 23°, 24°, 27°, 28°, 30° tot en met 34°, 36°, 42°, 43°, 46° en 50°, en voor een experimenteel studiegebied als vermeld in artikel 10.
57In afwijking van paragraaf 3 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 450 euro per opleiding per semester voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding als vermeld in het eerste lid.
58§6quinquies. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld voor cursisten die op het moment van hun inschrijving gedetineerd zijn, zoals bepaald in artikel 2, 16°bis.
59In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van in-schrijvingsgeld voor cursisten die ingeschreven zijn voor de opleiding Onder-nemerschap en tegelijk ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair on-derwijs, een centrum voor deeltijdse vorming of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
60§6sexies. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvings-geld van 0,03 euro per lestijd van een module voor cursisten die ingeschre-ven zijn in:
611° de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren Leren of Regie over het eigen leren van het secundair volwassenenonderwijs;
622° een opleiding van de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming van het secundair volwassenenonderwijs;
633° een opleiding van het studiegebied bijzondere educatieve noden van het secundair volwassenenonderwijs.
64In afwijking van paragraaf 3 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 180 euro per opleiding voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding als vermeld in het eerste lid.
65§6septies. In afwijking van paragraaf 4 en 6 geldt er een verminderd inschrij-vingsgeld van 1 euro per lestijd van een module voor cursisten die ingeschre-ven zijn in een opleiding als vermeld in paragraaf 6quater, eerste lid, en:
661° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering of ten laste zijn van voormelde categorieën;
672° op het moment van hun inschrijving in het bezit zijn van een van de volgende attesten of ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van een van de volgende attesten:
68a) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een ar-beidsongeschiktheid van ten minste 66 procent blijkt;
69b) een attest waaruit het recht blijkt op een integratietegemoetkoming aan gehandicapten;
70c) een attest waaruit de inschrijving bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap blijkt;
71d) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een ver-mindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;
72e) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een ver-mindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven pun-ten;
733° op het moment van hun inschrijving materiële hulp krijgen als vermeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen;
744° op het moment van hun inschrijving tijdelijke bescherming krijgen ter uitvoering van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betref-fende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen;
755° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via maat-schappelijke dienstverlening of een leefloon of ten laste zijn van de voormelde categorieën;
766° op het moment van hun inschrijving niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht;
777° op het moment van hun inschrijving werkzoekend zijn als vermeld in artikel 2, 47° bis;
788° op het moment van hun inschrijving niet-werkende, verplicht ingeschre-ven werkzoekenden zijn die op het moment van hun inschrijving nog geen recht op een inschakelingsuitkering hebben verworven.
79§6octies. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvings-geld van 1 euro per lestijd van een module voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding die behoort tot een studiegebied met structureel knel-puntkarakter als vermeld in artikel 98, §2, zesde lid.
80In afwijking van het eerste lid geldt er een volledige vrijstelling voor cur-sisten die ingeschreven zijn in een opleiding als vermeld in het eerste lid, en die op het moment van hun inschrijving voldoen aan een categorie als ver-meld in paragraaf 6septies, 1° tot en met 8°.
81In afwijking van paragraaf 3 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 200 euro per opleiding per semester voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding als vermeld in het eerste lid.
82§6novies. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verhoogd inschrijvings-geld van 4 euro per lestijd van een module voor cursisten die ingeschreven zijn in een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs die behoort tot de studiegebieden ambachtelijke accessoires, drankenkennis, Europese hoofdtalen richtgraad 1 en 2, Europese neventalen richtgraad 1 en 2, Europe-se talen richtgraad 3 en 4, fotografie, Hebreeuws, huishoudelijk koken, huishoudelijke decoratie- en naaitechnieken, mode maatwerk, mode realisa-ties, Oosterse talen, Scandinavische talen, Slavische talen en textiel.
83De begrenzing van het inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 3, wordt niet toegepast op de opleidingen, vermeld in het eerste lid.
84De volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 6quinquies, en het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 6septies, worden niet toegepast op de opleidingen, vermeld in het eerste lid.
85§6decies. De bepalingen, vermeld in paragraaf 2, zijn niet van toepassing op de cursisten die voldoen aan de bepalingen, vermeld in paragraaf 6quater tot en met 6novies.
56§7. Centra die de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming organiseren en evaluaties afnemen van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum voor volwassenenonderwijs in kwestie, vragen hiervoor een tegemoetkoming aan de cursist van 15 euro per evaluatieperiode.86§7. Centra die de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming organiseren en evaluaties afnemen van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum voor volwassenenonderwijs in kwestie, vragen hiervoor een tegemoetkoming aan de cursist van 15 euro per evaluatieperiode.
57§8. Het centrum voor volwassenenonderwijs dat een examencommissie organiseert, vraagt hiervoor een tegemoetkoming van 15 euro per persoon en per evaluatieperiode.87§8. Het centrum voor volwassenenonderwijs dat een examencommissie organiseert, vraagt hiervoor een tegemoetkoming van 15 euro per persoon en per evaluatieperiode.
+1 −0 decreet-2007-06-15/art. 196sexies
10Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.10Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
11Ten laste van het begrotingsjaar 2025 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmid-delen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende voltijdsequivalenten, 1494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie.11Ten laste van het begrotingsjaar 2025 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmid-delen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende voltijdsequivalenten, 1494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie.
12Ten laste van het begrotingsjaar 2026 worden 14.540,37 aanvullende leraarsuren, 212,66 aanvullende punten en een bedrag van 266.863,97 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 40 aanvullende vte's, 659,47 aanvullende punten en een bedrag van 489.666,91 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie.
12§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.13§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.
13§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.14§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.
+14 −10 decreet-2001-07-06/art. 33
1§1. Bij elk op 1 januari 2007 bestaand Vlaams ministerie wordt er een fonds, in de zin van artikel 15, § 2 en § 3, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, opgericht voor de aanwending van de terugbetaling van salarissen van personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties.1§1. Bij elk op 1 januari 2007 bestaand Vlaams ministerie wordt er een fonds, in de zin van artikel 15, § 2 en § 3, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, opgericht voor de aanwending van de terugbetaling van salarissen van personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties.
2§2. Aan ieder fonds worden toegewezen :2§2. Aan ieder fonds worden toegewezen :
3- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden van het betrokken Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties;3- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden van het betrokken Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties;
4- een gedeelte van het vastleggings- en ordonnanceringssaldo op 31 december 2006 dat bij besluit van de Vlaamse Regering zal worden vastgesteld.4- een gedeelte van het vastleggings- en ordonnanceringssaldo op 31 december 2006 dat bij besluit van de Vlaamse Regering zal worden vastgesteld.
5§3. De middelen van ieder fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden en weddentoelagen van de ter vervanging aangeworven personeelsleden of van de personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of organisaties.5§3. De middelen van ieder fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden en weddentoelagen van de ter vervanging aangeworven personeelsleden of van de personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of organisaties.
6§4. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin worden toegewezen :6§4. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin worden toegewezen :
7- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.7- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
8§5. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van § 4, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.8§5. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van § 4, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
9§6. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Bestuurszaken, verkregen op basis van § 2, kunnen eveneens aangewend worden voor het ontwikkelen van Vlaamse overheidsgerelateerde ICT-projecten.9§6. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Bestuurszaken, verkregen op basis van § 2, kunnen eveneens aangewend worden voor het ontwikkelen van Vlaamse overheidsgerelateerde ICT-projecten.
10§7. Aan het fonds bij het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur worden alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten toegewezen met betrekking tot personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.10§7. Aan het fonds bij het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur worden alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten toegewezen met betrekking tot personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.
11§8. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur, verkregen op basis van paragraaf 7, dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.11§8. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur, verkregen op basis van paragraaf 7, dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.
12§9. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media worden alle inkomsten toegewezen die verkregen worden uit de kandidaatstellingen voor landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's die bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media worden ingediend.12§9. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media worden alle inkomsten toegewezen die verkregen worden uit de kandidaatstellingen voor landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's die bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media worden ingediend.
13De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, verkregen op basis van het eerste lid, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de tijdelijke personeelsleden die worden aangeworven voor het behandelen van de aanvragen inzake landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's alsook voor de werkingsuitgaven naar aanleiding van de behandeling van de genoemde aanvragen.13De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, verkregen op basis van het eerste lid, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de tijdelijke personeelsleden die worden aangeworven voor het behandelen van de aanvragen inzake landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's alsook voor de werkingsuitgaven naar aanleiding van de behandeling van de genoemde aanvragen.
14§10. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van paragraaf 2, kunnen eveneens aangewend worden voor de betaling van facturen voor het tijdelijk inhuren van personeel via uitzendarbeid of externe ICT-profielen ter vervanging van de personeelsleden binnen WVG die ten laste genomen worden door andere organisaties of overheden.14§10. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van paragraaf 2, kunnen eveneens aangewend worden voor de betaling van facturen voor het tijdelijk inhuren van personeel via uitzendarbeid of externe ICT-profielen ter vervanging van de personeelsleden binnen WVG die ten laste genomen worden door andere organisaties of overheden.
15§11. Aan het fonds bij het Vlaams Ministerie van Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie worden alle ontvangsten uit de betalende diensten inzake overheidsopdrachten van het agentschap Facilitair Bedrijf toegewezen.
16§12. De middelen van het fonds van het Vlaams Ministerie van Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie, verkregen op basis van paragraaf 11, worden aangewend voor de betaling van wedden, weddetoelagen en werkingskosten die gemaakt worden in het kader van de betalende diensten inzake overheidsopdrachten van het agentschap Facilitair Bedrijf.
17§13. Aan het fonds bij het Vlaams Ministerie van Omgeving worden alle terugvorderingen van wedden en de vergoedingen of kosten die ermee samenhangen, toegewezen die betrekking hebben op personeelsleden van het Ministerie van Omgeving en die worden ingezet door andere organisaties voor de uitvoering van specifieke taken in het kader van opdrachten van de Vlaamse Regering.
18De middelen van het fonds van het Vlaamse Ministerie van Omgeving, die worden verkregen conform het eerste lid, worden gebruikt om de wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden te betalen die worden ingezet door andere organisaties voor de uitvoering van specifieke taken in het kader van opdrachten van de Vlaamse Regering, of voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van hun vervangers.
+14 −10 decreet-2001-07-06/art. 33
1§1. Bij elk op 1 januari 2007 bestaand Vlaams ministerie wordt er een fonds, in de zin van artikel 15, § 2 en § 3, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, opgericht voor de aanwending van de terugbetaling van salarissen van personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties.1§1. Bij elk op 1 januari 2007 bestaand Vlaams ministerie wordt er een fonds, in de zin van artikel 15, § 2 en § 3, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, opgericht voor de aanwending van de terugbetaling van salarissen van personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties.
2§2. Aan ieder fonds worden toegewezen :2§2. Aan ieder fonds worden toegewezen :
3- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden van het betrokken Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties;3- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden van het betrokken Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties;
4- een gedeelte van het vastleggings- en ordonnanceringssaldo op 31 december 2006 dat bij besluit van de Vlaamse Regering zal worden vastgesteld.4- een gedeelte van het vastleggings- en ordonnanceringssaldo op 31 december 2006 dat bij besluit van de Vlaamse Regering zal worden vastgesteld.
5§3. De middelen van ieder fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden en weddentoelagen van de ter vervanging aangeworven personeelsleden of van de personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of organisaties.5§3. De middelen van ieder fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden en weddentoelagen van de ter vervanging aangeworven personeelsleden of van de personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of organisaties.
6§4. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin worden toegewezen :6§4. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin worden toegewezen :
7- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.7- alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
8§5. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van § 4, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.8§5. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van § 4, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
9§6. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Bestuurszaken, verkregen op basis van § 2, kunnen eveneens aangewend worden voor het ontwikkelen van Vlaamse overheidsgerelateerde ICT-projecten.9§6. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Bestuurszaken, verkregen op basis van § 2, kunnen eveneens aangewend worden voor het ontwikkelen van Vlaamse overheidsgerelateerde ICT-projecten.
10§7. Aan het fonds bij het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur worden alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten toegewezen met betrekking tot personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.10§7. Aan het fonds bij het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur worden alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten toegewezen met betrekking tot personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.
11§8. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur, verkregen op basis van paragraaf 7, dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.11§8. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur, verkregen op basis van paragraaf 7, dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.
12§9. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media worden alle inkomsten toegewezen die verkregen worden uit de kandidaatstellingen voor landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's die bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media worden ingediend.12§9. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media worden alle inkomsten toegewezen die verkregen worden uit de kandidaatstellingen voor landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's die bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media worden ingediend.
13De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, verkregen op basis van het eerste lid, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de tijdelijke personeelsleden die worden aangeworven voor het behandelen van de aanvragen inzake landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's alsook voor de werkingsuitgaven naar aanleiding van de behandeling van de genoemde aanvragen.13De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, verkregen op basis van het eerste lid, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de tijdelijke personeelsleden die worden aangeworven voor het behandelen van de aanvragen inzake landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's alsook voor de werkingsuitgaven naar aanleiding van de behandeling van de genoemde aanvragen.
14§10. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van paragraaf 2, kunnen eveneens aangewend worden voor de betaling van facturen voor het tijdelijk inhuren van personeel via uitzendarbeid of externe ICT-profielen ter vervanging van de personeelsleden binnen WVG die ten laste genomen worden door andere organisaties of overheden.14§10. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, verkregen op basis van paragraaf 2, kunnen eveneens aangewend worden voor de betaling van facturen voor het tijdelijk inhuren van personeel via uitzendarbeid of externe ICT-profielen ter vervanging van de personeelsleden binnen WVG die ten laste genomen worden door andere organisaties of overheden.
15§11. Aan het fonds bij het Vlaams Ministerie van Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie worden alle ontvangsten uit de betalende diensten inzake overheidsopdrachten van het agentschap Facilitair Bedrijf toegewezen.
16§12. De middelen van het fonds van het Vlaams Ministerie van Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie, verkregen op basis van paragraaf 11, worden aangewend voor de betaling van wedden, weddetoelagen en werkingskosten die gemaakt worden in het kader van de betalende diensten inzake overheidsopdrachten van het agentschap Facilitair Bedrijf.
17§13. Aan het fonds bij het Vlaams Ministerie van Omgeving worden alle terugvorderingen van wedden en de vergoedingen of kosten die ermee samenhangen, toegewezen die betrekking hebben op personeelsleden van het Ministerie van Omgeving en die worden ingezet door andere organisaties voor de uitvoering van specifieke taken in het kader van opdrachten van de Vlaamse Regering.
18De middelen van het fonds van het Vlaamse Ministerie van Omgeving, die worden verkregen conform het eerste lid, worden gebruikt om de wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden te betalen die worden ingezet door andere organisaties voor de uitvoering van specifieke taken in het kader van opdrachten van de Vlaamse Regering, of voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van hun vervangers.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.1.1
1In deze titel wordt verstaan onder:1In deze titel wordt verstaan onder:
21° abonnee: elke persoon die een recht heeft ten aanzien van een onroerend goed, dat aangesloten is op een openbaar waterdistributienetwerk en aan wie de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk via dit waterdistributienetwerk water levert;21° abonnee: elke persoon die een recht heeft ten aanzien van een onroerend goed, dat aangesloten is op een openbaar waterdistributienetwerk en aan wie de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk via dit waterdistributienetwerk water levert;
32° afgesloten watervoerende laag: watervoerende laag die voorkomt onder één van de volgende afsluitende hydrogeologische hoofdeenheden die gekenmerkt worden door de unieke code 0300, 0500, 0700 of 0900 zoals weergegeven in bijlage 6 bij dit decreet. De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast en zorgt er daarbij voor dat elke winning eenduidig is vastgelegd32° afgesloten watervoerende laag: watervoerende laag die voorkomt onder één van de volgende afsluitende hydrogeologische hoofdeenheden die gekenmerkt worden door de unieke code A0300, A0500, A0700 of A0900 zoals weergegeven in bijlage 6 bij dit decreet. De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast en zorgt er daarbij voor dat elke winning eenduidig is vastgelegd
43° bovengemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust;43° bovengemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust;
53°/1 circulair afvalwater: afvalwater als vermeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, dat hergebruikt kan worden door een andere heffingsplichtige voor de activiteiten, vermeld in bijlage 5, die bij dit decreet is gevoegd;53°/1 circulair afvalwater: afvalwater als vermeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, dat hergebruikt kan worden door een andere heffingsplichtige voor de activiteiten, vermeld in bijlage 5, die bij dit decreet is gevoegd;
+11 −8 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.1.1.6
1§ 1. Voor zover het niet wordt geloosd in de openbare riolering met een getotaliseerde maximale nominale pompcapaciteit hoger dan 10 m® per uur of bij gebrek aan pompcapaciteit met volumes hoger dan 10 m® per uur is in afwijking van artikel 4.2.1.1.1 geen heffing verschuldigd voor de lozing van het onttrokken grondwater uit de volgende grondwaterwinningen:1§ 1. Voor zover het niet wordt geloosd in de openbare riolering met een getotaliseerde maximale nominale pompcapaciteit hoger dan 10 m® per uur of bij gebrek aan pompcapaciteit met volumes hoger dan 10 m® per uur is in afwijking van artikel 4.2.1.1.1 geen heffing verschuldigd voor de lozing van het onttrokken grondwater uit de volgende grondwaterwinningen:
21° proefbemalingen gedurende minder dan één maand;
21° grondwaterwinningen voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik zijn;32° proefpompingen voor andere grondwaterwinningen dan bronbemalingen gedurende minder dan drie maanden;
32° bronbemalingen die ofwel:
4a) technisch nodig zijn voor de verwezenlijking van bouwkundige werken of voor de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
43° bronbemalingen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
5a) ze zijn technisch noodzakelijk om werken te verwezenlijken of om nutsvoorzieningen aan te leggen;
5b) noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;6b) ze zijn noodzakelijk voor de exploitatie van openbare wegen met inbegrip van tunnels of infrastructuur voor openbaar vervoer;
7c) ze zijn noodzakelijk voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
6c) noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden , op voorwaarde dat:8d) ze zijn noodzakelijk om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen mogelijk te maken of te houden of om onderhoudswerken uit te voeren, op voorwaarde dat:
71) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkendmet toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;91) de noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest dat is opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend, met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
82) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;102) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar is ingediend bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of bij de ambtenaar die door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij is gedelegeerd. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen voor de minimale inhoud en de vorm van het hydrologisch attest, vermeld in punt 1);
114° spuiwater van grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen dat niet afkomstig is van chemische regeneratie;
93° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden.125° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik of de exploitatie van gronden of terreinen mogelijk te maken of te houden.
10§ 2. In afwijking van artikel 4.2.1.1.1 is voor grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM geen heffing verschuldigd voor het deel van het belucht grondwater dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.13§ 2. In afwijking van artikel 4.2.1.1.1 is voor grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM geen heffing verschuldigd voor het deel van het belucht grondwater dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.
+13 −13 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.1.2.2
1In afwijking van artikel 4.2.1.2.1. is geen heffing grondwater verschuldigd voor de exploitatie van de volgende grondwaterwinningen:1In afwijking van artikel 4.2.1.2.1 van dit decreet, is geen heffing grondwater verschuldigd voor de exploitatie van de volgende grondwaterwinningen:
21° een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt;21° een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt;
32° een grondwaterwinning voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik is;32° proefpompingen voor andere grondwaterwinningen dan bronbemalingen gedurende minder dan drie maanden;
43° bronbemalingen die technisch nodig zijn voor :
5a) ofwel, de verwezenlijking van bouwkundige verwerkingen;
6b) ofwel, de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
74° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden;43° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik of de exploitatie van gronden of terreinen mogelijk te maken of te houden;
54° bronbemalingen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
6a) ze zijn technisch noodzakelijk om werken te verwezenlijken of om nutsvoorzieningen aan te leggen;
85° bronbemalingen die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;7b) ze zijn noodzakelijk voor de exploitatie van openbare wegen, met inbegrip van tunnels of infrastructuur voor openbaar vervoer;
8c) ze zijn noodzakelijk voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
96° bronbemalingen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden , op voorwaarde dat:9d) ze zijn noodzakelijk om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen mogelijk te maken of te houden of om onderhoudswerken uit te voeren, op voorwaarde dat:
10a) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkendmet toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;101) de noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest dat is opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend, met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
11b) het hydrologisch attest, bepaald in a), vóór 15 maart van elk heffingsjaar bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;112) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar is ingediend bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of bij de ambtenaar die door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij is gedelegeerd. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen voor de minimale inhoud en de vorm van het hydrologisch attest, vermeld in punt 1);
127° grondwaterwinningen die gebruikt worden voor koude-warmtepompen, op voorwaarde dat het grondwater na doorstroming van de koude-warmtepomp integraal terug in dezelfde watervoerende laag wordt ingebracht;125° grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen, op voorwaarde dat het grondwater na doorstroming van de koude-warmte-pomp integraal opnieuw in dezelfde watervoerende laag wordt ingebracht;
138° grondwaterwinningen in het kader van bodemsaneringswerken, waarvoor een conformiteitattest werd afgeleverd conform het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsaneringof het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;136° grondwaterwinningen in het kader van bodemsaneringswerken, waarvoor een conformiteitattest is uitgereikt conform artikel 17 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, zoals van kracht vóór 1 juni 2008, of artikel 50 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;
149° het deel van het belucht grondwater van grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREMdat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.147° het deel van het beluchte grondwater van grondwaterwinningen dat wordt gebruikt voor ondergrondse beluchting als vermeld in de indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van VLAREM, dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.
+113 −137 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. Bijlage 6
1Bijlage 61Bijlage 6
2I. Laagfactor2Tabel I. Laagfactor
3Code3code
4Hydrogeologische hoofdeenheid4hydrogeologische hoofdeenheid
5laagfactor5laagfactor
60100
6A0100
7Quartaire aquifersystemen7Quartaire aquifersystemen
8181
90200
9A0200
10Kempens aquifersysteem10Kempens aquifersysteem
111111
120300
12A0300
13Boom aquitard13Boom aquitard
141141
150400
15A0400
16Oligoceen aquifersysteem16Oligoceen aquifersysteem
171171
180500
18A0500
19Bartoon aquitardsysteem19Bartoon aquitardsysteem
201201
210600
21A0600
22Ledo -Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem22Ledo Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
231231
240700
24A0700
25Paniseliaan aquitard25Paniseliaan aquitardsysteem
261261
270800
27A0800
28Ieperiaan aquifer28Ieperiaan aquifersysteem
291291
300900
30A0900
31Ieperiaan aquitardsysteem31Ieperiaan aquitardsysteem
321321
331000
33A1000
34Paleoceen aquifersysteem34Paleoceen aquifersysteem
351351
361100
36A1100
37Krijt aquifersysteem37Krijt aquifersysteem
381381
391200
39A1200
40Jura Trias Perm40Jura - Trias - Perm
411411
421300
42A1300
43Sokkel43Sokkel
441441
45II. Gebiedsfactor45Tabel II. Gebiedsfactor
46Code gebied46code gebied
47Hydrogeologische hoofdeenheid47hydrogeologische hoofdeenheid
48Zone48zone
49Gebiedsfactor heffingsjaar 2018
50Jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023
49Huidige gebiedsfactor
510100_niet-afgesloten50A0100_niet-afgesloten
520100
51A0100
53Quartaire aquifersystemen52Quartaire aquifersystemen
541,28531,43625
550,03125
560200_niet-afgesloten54A0200_niet-afgesloten
570200
55A0200
58Kempens aquifersysteem56Kempens aquifersysteem
591,28571,43625
600,03125
610400_niet-afgesloten58A0400_niet-afgesloten
620400
59A0400
63Nietafgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem60Niet-afgesloten delen van het Oligoceen aquifersysteem
641,28611,43625
650,03125
660400_ afgesloten62A0400_ afgesloten
670400
63A0400
68Afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied64Afgesloten delen van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied
691,81
700,0625
652,1225
710400_actiegebied66A0400_actiegebied
720400
67A0400
73Actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem68Actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem
743,72
750,21875
694,81375
760600_niet-afgesloten70A0600_niet-afgesloten
770600
71A0600
78Nietafgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem72Niet-afgesloten delen van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
791,28731,43625
800,03125
810600_ afgesloten74A0600_ afgesloten
820600
75A0600
83Afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem 76Afgesloten delen van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem buiten het actiegebied
841,81
850,0625
772,1225
860600_actiegebied78A0600_actiegebied
870600
79A0600
88Actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo -Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem80Actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
892,63
900,125
813,255
910800_niet-afgesloten82A0800_niet-afgesloten
920800
83A0800
93Nietafgesloten deel van de Ieperiaan aquifer84Niet-afgesloten delen van de Ieperiaan aquifersysteem
941,28851,43625
950,03125
960800_ afgesloten86A0800_ afgesloten
970800
87A0800
98Afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer88Afgesloten delen van de Ieperiaan aquifersysteem buiten het actiegebied
991,81
1000,0625
892,1225
1010800_actiegebied90A0800_actiegebied
1020800
91A0800
103Actiegebied in de Ieperiaan Aquifer92Actiegebied in het Ieperiaan Aquifersysteem
1042,63
1050,125
933,255
1061000_niet-afgesloten94A1000_niet-afgesloten
1071000
95A1000
108Nietafgesloten deel van het Paleoceen Aquifersysteem96Niet-afgesloten delen van het Paleoceen Aquifersysteem
1091,28971,43625
1100,03125
1111000_ afgesloten98A1000_ afgesloten
1121000
99A1000
113Afgesloten deel van het Paleoceen Aquifersysteem 100Afgesloten delen van het Paleoceen Aquifersysteem buiten de actiegebieden
1141,81
1150,0625
1161000_actiegebied_4
1171000
118Actiegebied 4 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1191,81
1200,0625
1211000_actiegebied_3
1221000
123Actiegebied 3 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1242,631012,1225
1250,125
1261000_actiegebied_2
1271000
128Actiegebied 2 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1295,38
1300,375
1311000_actiegebied_1102A1000_actiegebied_1
1321000
103A1000
133Actiegebied 1 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem104Actiegebied 1 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1345,38
1350,375
1057,255
106A1000_actiegebied_2
107A1000
108Actiegebied 2 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1097,255
110A1000_actiegebied_3
111A1000
112Actiegebied 3 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1133,255
114A1000_actiegebied_4
115A1000
116Actiegebied 4 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1172,1225
1361100_niet-afgesloten118A1100_niet-afgesloten
1371100+1300
119A1100+A1300
138Nietafgesloten deel van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel120Niet-afgesloten delen van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel
1391,281211,43625
1400,03125
1411100_afgesloten122A1100_afgesloten
1421100+1300
123A1100+A1300
143Afgesloten deel van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel 124Afgesloten delen van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel buiten de actiegebieden
1441,81
1450,0625
1461300_actiegebied_4
1471100+1300
148Actiegebied 4 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1491,81
1500,0625
1511300_actiegebied_3
1521100+1300
1252,1225
126A1300_actiegebied_1
127A1100+A1300
153Actiegebied 3 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem128Actiegebied 1 in het Krijt Aquifer-systeem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1542,63
1550,125
1297,255
1561300_actiegebied_2130A1300_actiegebied_2
1571100+1300
131A1100+A1300
158Actiegebied 2 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem132Actiegebied 2 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1595,38
1600,375
1611300_actiegebied_1
1621100+1300
1337,255
134A1300_actiegebied_3
135A1100+A1300
163Actiegebied 1 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem136Actiegebied 3 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1645,38
1650,375
1373,255
138A1300_actiegebied_4
139A1100+A1300
140Actiegebied 4 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1412,1225
166De gebiedsfactor is in de overige zones gelijk aan de gebiedsfactor van het gebied met code 0100_niet-afgesloten.142De gebiedsfactor is in de overige zones gelijk aan de gebiedsfactor van het gebied met code A0100_niet afgesloten.
167De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast.143De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast.
+1 −0 decreet-2018-03-09/art. 98/1 nieuw
1In afwijking van artikel 100, 101, 102, 114, §2, 115, §1, 117, §1, 118 en 130, §2, kan een schoolbestuur in het schooljaar 2026-2027 geen nieuwe academies, domeinen en structuuronderdelen oprichten en geen nieuwe onderwijsbevoegdheid verkrijgen voor clusters van opties, clusters van muziekinstrumenten, een unieke optie of een uniek muziekinstrument.
+7 −2 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VI.1
1De Vlaamse Regering kent voor de informatisering van het onderwijs jaarlijks een toelage toe aan :
1§1. In het kader van de versterking van de digitale infrastructuur en de bevordering van digitale geletterdheid in het onderwijs, kan de Vlaamse Regering, voor de informatisering van het onderwijs jaarlijks een werkingsbudget toekennen aan:
21° de scholen voor gewoon- en buitengewoon basisonderwijs;21° de scholen voor gewoon- en buitengewoon basisonderwijs;
32° de scholen en centra voor voltijds secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs;32° de scholen en centra voor voltijds secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs;
43° de scholen voor deeltijds kunstonderwijs;43° de academies voor deeltijds kunstonderwijs;
54° de centra voor volwassenenonderwijs;54° de centra voor volwassenenonderwijs;
65° de centra voor basiseducatie.65° de centra voor basiseducatie.
7Het werkingsbudget, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend met het oog op:
81° de afname van Vlaamse toetsen via digitale middelen;
92° de terbeschikkingstelling van voldoende en geschikte ICT-infrastructuur voor leerlingen of cursisten en personeel;
103° het bevorderen van gelijke toegang tot digitale leermiddelen.
11§2. Het werkingsbudget, vermeld in paragraaf 1, wordt toegekend voor een periode van maximaal drie schooljaren, en kan worden aangewend tot en met 31 december van het derde jaar dat volgt op het schooljaar waarin het werkingsbudget wordt toegekend.
+7 −7 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VI.2
1§1. De toelagen, bedoel in artikel VI.1, worden toegekend binnen het daartoe voorziene globale begrotingskrediet. De Vlaamse Regering bepaalt de toewijzing van dit krediet aan de verschillende onderwijsniveaus en -vormen en - in voorkomend geval - de verschillende onderverdelingen daarvan, rekening houdend met de verschillende noden inzake de aankoop of huur van hardware, software, randapparatuur, de kosten van een internetaansluiting en specifieke nascholing inzake het gebruik van ICT.
2§2. Om de toelagen, vermeld in artikel VI.1, vast te stellen, wordt een bedrag, dat de Vlaamse Regering bepaalt, vermenigvuldigd met één, of een combinatie van de volgende parameters:
31° het aantal regelmatige/financierbare leerlingen, lesurencursist of betoelaagde urencursist;
42° de toegekende omkaderingsmiddelen;
1De werkingsbudgetten, vermeld in artikel VI.1, worden toegekend binnen het daartoe door de decreetgever vastgestelde globale begrotingskrediet.
2De Vlaamse Regering stelt binnen dat krediet jaarlijks de verdeelsleutel en het bedrag per instelling vast op basis van één of meer van de volgende criteria:
31° het aantal gewogen leerlingen per instellingstype;
53° het aantal personeelsleden van de school dat aangesteld is in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel..42° het aantal personeelsleden met een onderwijsopdracht in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel;
6Aan de ziekenhuisscholen wordt een forfaitair bedrag toegekend.
7Aan de centra voor basiseducatie wordt een forfaitair bedrag toegekend waarvan de hoegrootheid wordt bepaald door het aantal lesurencursist.
53° de specifieke behoeften voor digitalisering, die de Vlaamse Regering bepaalt.
6De Vlaamse Regering stelt de gewogen leerlingenaantallen vermeld in het eerste lid, 1°, vast op basis van één of meer van de volgende criteria, zijnde onderwijsniveau, onderwijstype en socio-economische context.
7De Vlaamse Regering kan forfaitaire bedragen toekennen aan ziekenhuisscholen en centra voor basiseducatie.
+11 −5 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VI.3
1De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten met betrekking tot :1§1. De Vlaamse Regering bepaalt de volgende aspecten:
21° de vaststelling van de toelagen, inzonderheid de datum waarop zij worden vastgesteld;
32° de toekenning van de toelagen;
43° de aanwending van de toelagen.
5Zij houdt daarbij rekening met de actuele noden inzake informatisering.
21° de berekening, toekenning en uitbetaling van de werkingsbudgetten, vermeld in artikel VI.1;
32° de aanwending van de werkingsbudgetten, vermeld in artikel VI.1, conform een refertelijst;
43° de verplichting tot het opstellen van een ICT-beleidsplan en een professionaliseringsbeleid op vlak van ICT;
54° de sociale correcties ter waarborging van gelijke toegang tot digitale leermiddelen;
65° de rapportering en verantwoording;
76° de monitoring en de evaluatie van het digitaliseringsbeleid.
8§2. De Vlaamse Regering bepaalt een controlemechanisme via de bevoegde diensten, die steekproefsgewijs de correcte aanwending van de middelen en de naleving van de regelgeving over overheidsopdrachten en de doorrekening van de kosten in de schoolfactuur controleren. Deze controle heeft geen betrekking op de opportuniteit van de aanwending.
9§3. Indien de aspecten bepaald door de Vlaamse Regering op basis van paragraaf 1 niet overeenkomstig de vastgestelde regels worden aangewend, kan aan het betrokken schoolbestuur een gedeeltelijke terugvordering of inhouding van het werkingsbudget worden opgelegd. De terugvordering of inhouding bedraagt ten hoogste 10% van het werkingsbudget van de instelling waar de overtreding werd vastgesteld, conform de bepalingen van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de Codex Secundair Onderwijs.
10De sanctie is proportioneel, wordt voorafgegaan door een kennisgeving met vermelding van de vaststellingen en een termijn om te worden gehoord, en wordt uitdrukkelijk gemotiveerd.
11Deze bepaling doet geen afbreuk aan eventuele sanctieregelingen bepaald in andere decretale regelgeving die op de betrokken instelling van toepassing is.
+1 −0 decreet-2019-12-20/art. 22
2In 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 bedraagt de werkingssubsidie respectievelijk 20 %, 40 %, 60 %, 80 % en 100 % van het bedrag voor open ruimte in het Gemeentefonds van het voorgaande jaar, exclusief het aandeel van de steden, vermeld in artikel 6, § 1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, en aangevuld met een jaarlijkse groeivoet van 3,5 %.2In 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 bedraagt de werkingssubsidie respectievelijk 20 %, 40 %, 60 %, 80 % en 100 % van het bedrag voor open ruimte in het Gemeentefonds van het voorgaande jaar, exclusief het aandeel van de steden, vermeld in artikel 6, § 1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, en aangevuld met een jaarlijkse groeivoet van 3,5 %.
3In 2025 bedraagt de werkingssubsidie 100% van het bedrag voor open ruimte in het Gemeentefonds van het voorgaande jaar, exclusief het aandeel van de steden, vermeld in artikel 6, §1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, aangevuld met een groeivoet van 3,5%.3In 2025 bedraagt de werkingssubsidie 100% van het bedrag voor open ruimte in het Gemeentefonds van het voorgaande jaar, exclusief het aandeel van de steden, vermeld in artikel 6, §1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, aangevuld met een groeivoet van 3,5%.
4Vanaf 2026 wordt op de werkingssubsidie van het voorgaande jaar een jaarlijkse groeivoet van 3,5% toegepast. De werkingssubsidie wordt ook structureel verhoogd met 35 miljoen euro vanaf 2026, bijkomend 10 miljoen euro vanaf 2027 en bijkomend 15 miljoen euro vanaf 2028.
+4 −1 decreet-2019-12-20/art. 23
1De algemene werkingssubsidie wordt onder de gemeenten verdeeld op basis van de gegevens over de gekadastreerde oppervlakte bos, tuinen en parken, woeste gronden, wateren, akkerland, grasland, recreatiegebieden en boomgaarden, zoals gehanteerd voor de definitieve verdeling van het Gemeentefonds voor het voorgaande jaar.1De algemene werkingssubsidie wordt voor de jaren 2020 tot en met 2025 onder de gemeenten verdeeld op basis van de gegevens over de gekadastreerde oppervlakte bos, tuinen en parken, woeste gronden, wateren, akkerland, grasland, recreatiegebieden en boomgaarden, zoals gehanteerd voor de definitieve verdeling van het Gemeentefonds voor het voorgaande jaar.
2De steden, vermeld in artikel 22, tweede lid, zijn uitgesloten van de subsidie. Het aandeel van de steden en gemeenten, vermeld in artikel 6, § 1, 1°, e) en f), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, in de subsidie bedraagt maximaal 6 % van hun aandeel in de definitieve verdeling van het Gemeente-fonds voor het voorgaande jaar, verhoogd met 3,5 %. Voor de andere gemeenten bedraagt hun aandeel in de subsidie maximaal 13 % van hun aandeel in de definitieve verdeling van het Gemeentefonds voor het voorgaande jaar, verhoogd met 3,5 %.2De steden, vermeld in artikel 22, tweede lid, zijn uitgesloten van de subsidie. Het aandeel van de steden en gemeenten, vermeld in artikel 6, § 1, 1°, e) en f), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, in de subsidie bedraagt maximaal 6 % van hun aandeel in de definitieve verdeling van het Gemeente-fonds voor het voorgaande jaar, verhoogd met 3,5 %. Voor de andere gemeenten bedraagt hun aandeel in de subsidie maximaal 13 % van hun aandeel in de definitieve verdeling van het Gemeentefonds voor het voorgaande jaar, verhoogd met 3,5 %.
3Bij een samenvoeging van gemeenten worden de gegevens over de gekadastreerde oppervlakte open ruimte, vermeld in het eerste lid, en de aandelen in de definitieve verdeling van het Gemeentefonds voor het voorgaande jaar van de samen te voegen gemeenten opgeteld. Als de samenvoeging gepaard gaat met de opsplitsing van een of meer gemeenten, worden de gegevens over de gekadastreerde oppervlakte open ruimte en de aandelen in de definitieve verdeling van het Gemeentefonds van het voorgaande jaar van de op te splitsen gemeenten ook opgesplitst, in dezelfde verhouding als respectievelijk het aandeel gekadastreerde oppervlakte open ruimte en de inwonersaantallen van de opgesplitste delen.3Bij een samenvoeging van gemeenten worden de gegevens over de gekadastreerde oppervlakte open ruimte, vermeld in het eerste lid, en de aandelen in de definitieve verdeling van het Gemeentefonds voor het voorgaande jaar van de samen te voegen gemeenten opgeteld. Als de samenvoeging gepaard gaat met de opsplitsing van een of meer gemeenten, worden de gegevens over de gekadastreerde oppervlakte open ruimte en de aandelen in de definitieve verdeling van het Gemeentefonds van het voorgaande jaar van de op te splitsen gemeenten ook opgesplitst, in dezelfde verhouding als respectievelijk het aandeel gekadastreerde oppervlakte open ruimte en de inwonersaantallen van de opgesplitste delen.
4Vanaf 2026 wordt de algemene werkingssubsidie onder de gemeenten verdeeld volgens dezelfde procentuele verhouding als de verdeling van de werkingssubsidie voor het jaar 2025. Bij een samenvoeging van gemeenten wordt vanaf het tweede jaar van de samenvoeging de algemene werkingssubsidie onder de gemeenten verdeeld volgens dezelfde procentuele verhouding als de verdeling van de werkingssubsidie in het jaar van de samenvoeging.
5Bij een samenvoeging van gemeenten vanaf 2026 ontvangt de nieuwe gemeente in het jaar van de samenvoeging een aandeel in de algemene werkingssubsidie dat gelijk is aan de som van de aandelen van de samen te voegen gemeenten of opgesplitste delen van gemeenten in het jaar van de samenvoeging, berekend conform het vierde lid en artikel 22, vierde lid. Als de samenvoeging gepaard gaat met de opsplitsing van een of meer gemeenten, wordt het aandeel van de op te splitsen gemeenten in het jaar van de samenvoeging ook opgesplitst, in dezelfde verhouding als de aandelen gekadastreerde oppervlakte open ruimte van de opgesplitste delen.
6Het vijfde lid is niet van toepassing bij een samenvoeging met een stad als vermeld in artikel 6, §1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds. Voornoemde steden zijn uitgesloten van de algemene werkingssubsidie.
+1 −0 decreet-2002-07-05/art. 19bis
1§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 2008 wordt op de begroting van het Vlaamse Gewest een aanvullende dotatie aan het Vlaams Gemeentefonds ingeschreven. De aanvullende dotatie bedraagt 83.000.000 euro in het jaar 2008 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2009 jaarlijks vastgesteld op een bedrag dat minstens gelijk is aan de dotatie van het vorige jaar.1§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 2008 wordt op de begroting van het Vlaamse Gewest een aanvullende dotatie aan het Vlaams Gemeentefonds ingeschreven. De aanvullende dotatie bedraagt 83.000.000 euro in het jaar 2008 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2009 jaarlijks vastgesteld op een bedrag dat minstens gelijk is aan de dotatie van het vorige jaar.
2In afwijking van het eerste lid bedraagt de aanvullende dotatie in 2026 41.500.000 euro.
2§ 2. De berekende aanvullende dotatie wordt afgerond op het hogere duizendtal.3§ 2. De berekende aanvullende dotatie wordt afgerond op het hogere duizendtal.
+1 −1 groeipakketdecreet-van-2018/art. 19
1Het rechtgevende kind geeft vanaf de geboorte en zolang het minder dan vier jaar is op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is, recht op een jaarlijkse universele participatietoeslag van 20 euro.1Het rechtgevende kind dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222, geeft vanaf de geboorte en zolang het minder dan vier jaar is op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is, recht op een jaarlijkse universele participatietoeslag van 20 euro.
2De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald.2De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald.
3De Vlaamse Regering kan ook andere uitvoeringsregels van de toeslag, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.3De Vlaamse Regering kan ook andere uitvoeringsregels van de toeslag, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
+1 −1 groeipakketdecreet-van-2018/art. 20
1Het rechtgevende kind geeft vanaf de leeftijd van vier jaar op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is en zolang het minder dan elf jaar is op die datum, recht op een jaarlijkse universele participatietoeslag van 35 euro.1Het rechtgevende kind dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222, geeft vanaf de leeftijd van vier jaar op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is en zolang het minder dan elf jaar is op die datum, recht op een jaarlijkse universele participatietoeslag van 35 euro.
2De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald.2De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald.
3De Vlaamse Regering kan ook andere nadere regels van de toeslag, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.3De Vlaamse Regering kan ook andere nadere regels van de toeslag, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
+1 −1 groeipakketdecreet-van-2018/art. 21
1Het rechtgevende kind geeft vanaf de leeftijd van elf jaar op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is en zolang het minder dan zeventien jaar is op die datum, recht op een jaarlijkse universele participatietoeslag van 50 euro.1Het rechtgevende kind dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222, geeft vanaf de leeftijd van elf jaar op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is en zolang het minder dan zeventien jaar is op die datum, recht op een jaarlijkse universele participatietoeslag van 50 euro.
2De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald.2De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald.
3De Vlaamse Regering kan ook andere nadere regels van de toeslag, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.3De Vlaamse Regering kan ook andere nadere regels van de toeslag, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
+1 −1 groeipakketdecreet-van-2018/art. 22
1Het rechtgevende kind geeft vanaf de leeftijd van zeventien jaar op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is en zolang het minder dan vijfentwintig jaar is op die datum, recht op een jaarlijkse universele participatietoeslag van 60 euro.1Het rechtgevende kind dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222, geeft vanaf de leeftijd van zeventien jaar op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is en zolang het minder dan vijfentwintig jaar is op die datum, recht op een jaarlijkse universele participatietoeslag van 60 euro.
2De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald.2De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald.
3De Vlaamse Regering kan ook andere uitvoeringsregels van de toeslag, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.3De Vlaamse Regering kan ook andere uitvoeringsregels van de toeslag, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
+5 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 22/1 nieuw
1Als door een gelijkmatig verdeelde huisvesting de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders of de pleegouders, wordt het bedrag van de universele participatietoeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin.
2Als de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind niet is bepaald of bekrachtigd door de bevoegde rechtbank, wordt ervan uitgegaan dat de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders of de pleegouders.
3Voor de huisvesting van het meerderjarige rechtgevend kind wordt uitgegaan van de woonplaats van het kind.
4In afwijking van het eerste lid blijft de vastgestelde huisvesting overeenkomstig het derde lid gelden die geldt op het moment dat het kind meerderjarig wordt.
5In afwijking van het eerste lid kan de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het meerderjarige rechtgevend kind worden bepaald op grond van een overeenkomst, waarin de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind uitdrukkelijk wordt bepaald, en die is geregistreerd conform artikel 1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
+2 −2 groeipakketdecreet-van-2018/art. 58
1§ 1. Bij een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind bij beide ouders wordt de helft van de sociale toeslag in het kader van de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 18, toegekend aan elke ouder die een gezin vormt met het rechtgevende kind dat aan de toekenningsvoorwaarden van de sociale toeslag voldoet.1§ 1. Bij een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind bij beide ouders wordt de helft van de sociale toeslag in het kader van de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 18, en de helft van de universele participatietoeslag, vermeld in artikel 19 tot en met 22, toegekend aan elke ouder die een gezin vormt met het rechtgevende kind dat aan de toekenningsvoorwaarden van de sociale toeslag of de universele participatietoeslag voldoet.
2§ 2. Bij een ongelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind bij beide ouders wordt de sociale toeslag in het kader van de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 18, volledig toegewezen aan de ouder bij wie het rechtgevende kind voor meer dan de helft van de tijd verblijft.2§ 2. Bij een ongelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind bij beide ouders wordt de sociale toeslag in het kader van de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 18, de universele participatietoeslag, vermeld in artikel 19 tot en met 22, volledig toegewezen aan de ouder bij wie het rechtgevende kind voor meer dan de helft van de tijd verblijft.
3§ 3. Een afwijking van de voorgaande paragrafen is mogelijk nadat de bevoegde rechtbank daarover een uitspraak in het belang van het kind heeft gedaan. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.3§ 3. Een afwijking van de voorgaande paragrafen is mogelijk nadat de bevoegde rechtbank daarover een uitspraak in het belang van het kind heeft gedaan. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.
+24 −6 decreet-1995-04-05/art. 10.2.5
1§1. De Vlaamse Milieumaatschappij kan beschikken over de volgende ontvangsten:1§1. De Vlaamse Milieumaatschappij kan beschikken over de volgende ontvangsten:
21° dotaties;21° dotaties;
32° leningen;32° leningen;
19e) het aandeel van mede-opdrachtgevende overheden in projecten inzake waterhuishouding waar de Vlaamse Milieumaatschappij conform de regelgeving overheidsopdrachten in het kader van een samengevoegde opdracht optreedt als aanbestedende overheid en het aandeel van de mede-opdrachtgevende overheden voorfinanciert;19e) het aandeel van mede-opdrachtgevende overheden in projecten inzake waterhuishouding waar de Vlaamse Milieumaatschappij conform de regelgeving overheidsopdrachten in het kader van een samengevoegde opdracht optreedt als aanbestedende overheid en het aandeel van de mede-opdrachtgevende overheden voorfinanciert;
2014° de bijdragen van de natuurlijke of rechtspersonen naar privaat of publiek recht die door hun activiteiten de schade bedoeld bij het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer kunnen veroorzaken of verergeren en ten aanvullende titel door leningen op korte termijn waaraan de Vlaamse Regering de gewestwaarborg kan hechten. De Vlaamse Regering bepaalt het aandeel van elk soort inkomsten en de criteria om te bepalen wie bijdrageplichtig is, het bedrag en de modaliteiten van de inning.2014° de bijdragen van de natuurlijke of rechtspersonen naar privaat of publiek recht die door hun activiteiten de schade bedoeld bij het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer kunnen veroorzaken of verergeren en ten aanvullende titel door leningen op korte termijn waaraan de Vlaamse Regering de gewestwaarborg kan hechten. De Vlaamse Regering bepaalt het aandeel van elk soort inkomsten en de criteria om te bepalen wie bijdrageplichtig is, het bedrag en de modaliteiten van de inning.
21§2. Tenzij anders is bepaald in een decreet worden de ontvangsten, bedoeld in § 1, beschouwd als ontvangsten die bestemd zijn voor de gezamenlijke uitgaven.21§2. Tenzij anders is bepaald in een decreet worden de ontvangsten, bedoeld in § 1, beschouwd als ontvangsten die bestemd zijn voor de gezamenlijke uitgaven.
22In afwijking van het eerste lid zijn de in paragraaf 1, 13° en 14°, genoemde ontvangsten te beschouwen als toegewezen ontvangsten. Zij mogen aangewend worden in het kader van het beleid inzake de waterhuishouding, en voor de Polders en Wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de Vlaamse Milieumaatschappij.22In afwijking van het eerste lid zijn de in paragraaf 1, 13° en 14°, genoemde ontvangsten te beschouwen als toegewezen ontvangsten. Zij mogen aangewend worden in het kader van het beleid inzake de waterhuishouding, en voor de Polders en Wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de Vlaamse Milieumaatschappij.
23§3. De Vlaamse Milieumaatschappij kan schenkingen of legaten aanvaarden. Het hoofd van het agentschap beoordeelt vooraf de opportuniteit en de risico's van de aanvaarding.23§3. De Vlaamse Milieumaatschappij kan schenkingen of legaten aanvaarden. Het hoofd van het agentschap beoordeelt vooraf de opportuniteit en de risico's van de aanvaarding.
24§4. De Vlaamse Milieumaatschappij kan de kennis die ze heeft opgedaan bij de uitvoering van haar missie en taken te gelde maken in het binnen- en buitenland.24§4. De Vlaamse Milieumaatschappij kan de kennis die ze heeft opgedaan bij de uitvoering van haar missie en taken te gelde maken in het binnen- en buitenland.
25§5. 1° Bij de Vlaamse Milieumaatschappij wordt een Fonds voor de Waterhuishouding opgericht;25§5. 1° Bij de Vlaamse Milieumaatschappij wordt een Fonds voor de Waterhuishouding opgericht;
262° het Fonds voor de Waterhuishouding wordt gestijfd door de in § 1, 13° en 14°, vermelde ontvangsten;262° het Fonds voor de Waterhuishouding wordt gestijfd door de in § 1, 13° en 14°, vermelde ontvangsten;
273° het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Fonds voor de Waterhuishouding opgericht bij decreet van 22 november 1995, artikel 17, worden overgedragen naar het Fonds voor de Waterhuishouding, opgericht bij dit decreet;273° het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Fonds voor de Waterhuishouding opgericht bij decreet van 22 november 1995, artikel 17, worden overgedragen naar het Fonds voor de Waterhuishouding, opgericht bij dit decreet;
283°/1 het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Schadefonds opgericht bij decreet van 24 januari 1984 en gewijzigd bij decreet van 12 december 1990, worden overgedragen naar het Fonds voor de Waterhuishouding, opgericht bij dit decreet;283°/1 het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Schadefonds opgericht bij decreet van 24 januari 1984 en gewijzigd bij decreet van 12 december 1990, worden overgedragen naar het Fonds voor de Waterhuishouding, opgericht bij dit decreet;
294° de middelen van het Fonds voor de Waterhuishouding kunnen aangewend worden voor al wat dienen kan in het raam van het beleid inzake waterhuishouding, en voor de polders en de wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de Vlaamse Milieumaatschappij.294° de middelen van het Fonds voor de Waterhuishouding kunnen aangewend worden voor al wat dienen kan in het raam van het beleid inzake waterhuishouding, en voor de polders en de wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de Vlaamse Milieumaatschappij.
30§ 6. ...
30§6. Aan de Vlaamse Milieumaatschappij wordt een retributie, vermeld in paragraaf 1, 4°, betaald om metingen, simulaties en analyses uit te voeren voor schrootbedrijven met een GPBV-shredderinstallatie (Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging).
31Een dergelijke retributie wordt betaald als de metingen, simulaties en analyses die de Vlaamse Millieumaatschappij uitvoert, kaderen binnen:
321° verplichtingen die zijn opgelegd aan de schrootbedrijven met een GPBV-shredderinstallatie met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
332° verplichtingen die zijn opgelegd aan de schrootbedrijven met een GPBV-shredderinstallatie in de omgevingsvergunning die aan het schrootbedrijf is verleend om een ingedeelde inrichting of activiteit te exploiteren.
34De retributie, vermeld in het eerste lid, bij een shredderinstallatie met één meetlocatie bedraagt 15.480,39 euro per jaar, exclusief btw, als eenheidsprijs.
35Het bedrag, vermeld in het derde lid, dekt al de volgende elementen:
361° de monstername, inclusief controlebezoeken op één meetlocatie;
372° de analysekosten voor één meetlocatie, met inbegrip van de gedeelde kosten voor de analyse van veldblanco’s en duplo’s;
383° de bijdrage aan de Vlaamse Milieumaatschappij voor administratieve verwerking, rapportering en bijbehorende taken.
39De analyse en rapportering van de meetdata gebeuren op kwartaalbasis. Als een shredderinstallatie gedurende drie opeenvolgende kalenderjaren onder de toepasselijke jaardrempel blijft, volstaat het om nadien een controlecampagne uit te voeren van één kwartaal.
40Als een shredderinstallatie beschikt over twee meetlocaties, wordt op de jaarlijkse eenheidsprijs, vermeld in het derde lid, een supplement toegepast van 4035,00 euro per jaar, of 1008,75 euro per kwartaal, exclusief btw.
41Eventuele prijsstijgingen in de kostprijs van het externe laboratorium worden doorgerekend aan de bedrijven, vermeld in het eerste lid. Vóór de prijsstijgingen worden toegepast, brengt de Vlaamse Milieumaatschappij de bedrijven, vermeld in het eerste lid, op de hoogte van die prijsstijgingen.
42Het bedrijf dat een beroep doet op de Vlaamse Milieumaatschappij om de metingen, simulaties en analyses te laten uitvoeren, stort de verschuldigde retributie nadat het de factuur heeft gekregen, op het rekeningnummer van de Vlaamse Milieumaatschappij met vermelding van de naam van het bedrijf en het inkoop-nummer van de factuur.
43Het bedrag van de retributie wordt jaarlijks aangepast op basis van de evolutie van de gezondheidsindex volgens de volgende formulering:
44Ph = Pa * Ih / Ia
45waarbij Ph = aanvankelijke prijs
46Pa = gezondheidsindex op 1 januari 2024
47Ih = gezondheidsindex op 1 januari 2024
48Ia = gezondheidsindex op 1 januari van facturatie.
+2 −1 decreet-2022-01-21/art. 198
1In afwijking van artikel 196, treden artikel 42, 166 en 167 in werking op 1 januari 2026.1In afwijking van artikel 196, treden artikel 42, 166 en 167 in werking op 1 januari 2028.
2De Vlaamse Regering kan een datum van inwerkingtreding bepalen die voorafgaat aan de datum, vermeld in het eerste lid.
+2 −2 decreet-houdende-sociaalrechtelijk-toezicht/art. 2
2726° het decreet van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités;2726° het decreet van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités;
2827° ...2827° ...
2928° het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen;2928° het decreet van 22 maart 2024 over de ondersteuning van sociale economie en maatschappelijk verantwoord ondernemen;
3029° ...3029° ...
3130° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 1998 houdende instelling van een aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking voor de personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs in het raam van de maatregelen tot herverdeling van de arbeid;3130° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 1998 houdende instelling van een aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking voor de personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs in het raam van de maatregelen tot herverdeling van de arbeid;
5857° de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;5857° de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
5958° het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen;5958° het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen;
6059° de toekenning van transitiepremies voor ondernemers, vermeld in artikel 3 van het decreet van 22 december 2017 houdende een premie om de transitie van werkzoekenden naar ondernemerschap te stimuleren.
6059° ...
6160° de opleidingscheques voor werknemers, vermeld in artikel 2 van het decreet van 22 maart 2019 betreffende de opleidingscheques voor werknemers, de invoering van een registratieverplichting voor sportmakelaars en tot wijziging van diverse andere bepalingen inzake het beleidsdomein Werk en Sociale Economie;6160° de opleidingscheques voor werknemers, vermeld in artikel 2 van het decreet van 22 maart 2019 betreffende de opleidingscheques voor werknemers, de invoering van een registratieverplichting voor sportmakelaars en tot wijziging van diverse andere bepalingen inzake het beleidsdomein Werk en Sociale Economie;
6261° het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;6261° het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;
+0 −1 decreet-houdende-sociaalrechtelijk-toezicht/art. 21/2 opgeheven
1Onder de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, kan aan eenieder die onjuiste inlichtingen verschaft met het oog op de toepassing van een transitiepremie voor ondernemers als vermeld in het decreet van 22 december 2017 houdende een premie om de transitie van werkzoekenden naar ondernemerschap te stimuleren en de uitvoeringsbesluiten ervan, een administratieve geldboete opgelegd worden van 10 tot 100 euro.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd