§ flandrepo

Decreet tot wijziging van de regelgeving betreffende het toezicht op en bepaalde organisatorische aspecten van het hoger onderwijs

Staatsblad 28 maart 2019 NUMAC 2019040781
71 artikels gewijzigd
+16 −20 codex-hoger-onderwijs/art. I.3
32° accreditatie en instellingsreview:32° accreditatie en instellingsreview :
4a) opleidingsaccreditatie: de formele erkenning van een opleiding op grond van een beslissing van een onafhankelijk orgaan waarin vastgesteld wordt dat de opleiding voldoet aan vooraf vastgestelde minimale kwaliteits- en niveauvereisten;4a) opleidingsaccreditatie: de formele erkenning van een opleiding op grond van een beslissing van een onafhankelijk orgaan waarin vastgesteld wordt dat de opleiding voldoet aan vooraf vastgestelde minimale kwaliteits- en niveauvereisten;
5b) eerste ronde opleidingsaccreditaties: de accreditaties die zijn verleend vanaf 1 februari 2005 tot en met het einde van het academiejaar 2012-2013;
6c) tweede ronde opleidingsaccreditaties: de accreditaties die zijn verleend vanaf het begin van het academiejaar 2013-2014 tot en met het einde van het academiejaar 2020-2021;
7d) derde ronde opleidingsaccreditaties: de accreditaties die zijn verleend vanaf het begin van het academiejaar 2021-2022 tot en met het einde van het academiejaar 2028-2029;
8e) instellingsreview: periodieke beoordeling door een externe commissie van de beleidsprocessen die een instelling hoger onderwijs opzet om te garanderen dat ze haar taken op het terrein van het onderwijs op een kwaliteitsvolle manier uitvoert;5b) instellingsreview: de periodieke beoordeling door een externe commissie van de wijze waarop een hogeronderwijsinstelling onderwijsbeleid voert en aantoont dat ze dit onderwijsbeleid op een kwaliteitsvolle manier uitvoert met inbegrip van de regie die de instelling opzet opdat de kwaliteit van haar opleidingen geborgd wordt. De commissie betrekt daarbij ook de beleidsprocessen die de instelling opzet om het onderwijs dat ze in haar opleidingen aanbiedt te ondersteunen vanuit haar opdrachten op het terrein van onderzoek en maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening;
9f) positief besluit instellingsreview: het besluit van de accreditatieorganisatie dat een instellingsreview afrondt en waarin de accreditatieorganisatie bevestigt dat de instelling voldoet aan alle onderwerpen van het beoordelingskader instellingsreview;
10g) eerste ronde instellingsreviews: de instellingsreviews die worden uitgevoerd vanaf het begin van het academiejaar 2015-2016 tot en met het einde van het academiejaar 2016-2017;
11h) tweede ronde instellingsreviews: de instellingsreviews die worden uitgevoerd vanaf het begin van het academiejaar 2019-2020 tot en met het einde van het academiejaar 2020-2021;
12i) derde ronde instellingsreviews: de instellingsreviews die worden uitgevoerd vanaf het begin van het academiejaar 2025-2026 tot en met het einde van het academiejaar 2026-2027;
13j) opleidingsdossier: het dossier dat het instellingsbestuur indient met het oog op het verkrijgen van de opleidingsaccreditatie;
14k) visitatierapport: de gepubliceerde externe beoordeling uitgevoerd door een visitatiecommissie georganiseerd door een evaluatieorgaan;
6c) regie: het geheel van acties, processen, praktijken, procedures en instrumenten die de instelling in staat stelt de kwaliteit van de opleidingen te borgen;
7d) toets nieuwe opleiding: een beoordeling door een externe commissie van de potentiële kwaliteit van een nieuwe opleiding als vermeld in artikel II.150 van deze codex;
153° accreditatieorganisatie: de organisatie die bij internationaal verdrag aangewezen is om de accreditatie te verlenen en de toets nieuwe opleidingen uit te voeren;83° accreditatieorganisatie: de organisatie die bij internationaal verdrag aangewezen is om de accreditatie van opleidingen te verlenen, de toets nieuwe opleiding en de instellingsreview uit te voeren;
164° ...;94° ...;
175° afgevaardigde : een behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger;105° afgevaardigde : een behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger;
2210° basisvoorwaarden bij het studeren : behoeften uit het dagelijks leven die vervuld moeten zijn om goed te kunnen studeren;1510° basisvoorwaarden bij het studeren : behoeften uit het dagelijks leven die vervuld moeten zijn om goed te kunnen studeren;
2311° bekwaamheidsonderzoek : het onderzoek van de competenties van een persoon, voorafgaand aan het afleveren van een bewijs van bekwaamheid;1611° bekwaamheidsonderzoek : het onderzoek van de competenties van een persoon, voorafgaand aan het afleveren van een bewijs van bekwaamheid;
1711°/1 beroepskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties waarmee een beroep kan uitgeoefend worden als vermeld in artikel 8 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;
2412° bestuur : elk bestuursorgaan van een associatie, respectievelijk een instelling dat krachtens een wettelijke of decretale bepaling of de statuten is aangewezen om uitvoerbare beslissingen te nemen in de in deze codificatie bedoelde aangelegenheden;1812° bestuur : elk bestuursorgaan van een associatie, respectievelijk een instelling dat krachtens een wettelijke of decretale bepaling of de statuten is aangewezen om uitvoerbare beslissingen te nemen in de in deze codificatie bedoelde aangelegenheden;
2513° beursstudent : een student die een studietoelage ontvangt van de Vlaamse Gemeenschap, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;1913° beursstudent : een student die een studietoelage ontvangt van de Vlaamse Gemeenschap, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;
29c) onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische Ruimte en beantwoordt aan de financiële criteria voor het verkrijgen van een studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of23c) onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische Ruimte en beantwoordt aan de financiële criteria voor het verkrijgen van een studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of
30d) een DGOS-bursaal, een BTC-bursaal of een bursaal in de programma’s van de ontwikkelingssamenwerking van de Vlaamse Interuniversitaire Raad is;24d) een DGOS-bursaal, een BTC-bursaal of een bursaal in de programma’s van de ontwikkelingssamenwerking van de Vlaamse Interuniversitaire Raad is;
3115° bewijs van bekwaamheid: het bewijsdat een student op grond van EVC’s of EVK’s de competenties heeft verworven eigen aan:2515° bewijs van bekwaamheid: het bewijs, via een document of een bewijs van registratie, dat een student op grond van EVC's of EVK's de competenties heeft verworven die eigen zijn aan:
26a) het niveau van gegradueerde in het hoger beroepsonderwijs;
32a) het niveau van bachelor in het hoger professioneel onderwijs of het academisch onderwijs, of27b) het niveau van bachelor in het hoger professioneel onderwijs of het academisch onderwijs;
33b) het masterniveau, of
28c) het niveau van master;
34c) een welomschreven opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen;29d) een welomschreven opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen;
35Bedoeld bewijs betreft een document of een registratie;
3616° bijna-beursstudent : een student die onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische ruimte of voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap en die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar waarvan het referentie-inkomen ten hoogste 3000 euro ligt boven de financiële maximumgrens, bepaald in de regelgeving betreffende de studietoelagen. Het bedrag van 3000 euro wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218;3016° bijna-beursstudent : een student die onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische ruimte of voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap en die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar waarvan het referentie-inkomen ten hoogste 3000 euro ligt boven de financiële maximumgrens, bepaald in de regelgeving betreffende de studietoelagen. Het bedrag van 3000 euro wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218;
3717° creditbewijs : de erkenning van het feit dat een student blijkens een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een document of een registratie. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden aangeduid als “credits”;3117° creditbewijs : de erkenning van het feit dat een student blijkens een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een document of een registratie. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden aangeduid als “credits”;
3818° creditcontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor 1 of meer opleidingsonderdelen;3218° creditcontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor 1 of meer opleidingsonderdelen;
3919° cursist : een deelnemer aan het hoger beroepsonderwijs die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en ingeschreven is, als vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;
3319°...;
4019°/1 Databank Hoger Onderwijs: de databank, vermeld in artikel IV.90;3419°/1 Databank Hoger Onderwijs: de databank, vermeld in artikel IV.90;
4120° diplomacontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een graad of diploma van een opleiding of die zich inschrijft voor een schakel- of voorbereidingsprogramma;3520° diplomacontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een graad of diploma van een opleiding of die zich inschrijft voor een schakel- of voorbereidingsprogramma;
5027° financieringspunten : het financieringsvolume, uitgedrukt in een aantal punten en berekend op basis van het aantal opgenomen studiepunten, het aantal verworven studiepunten en het aantal diploma’s, en rekening houdend met het puntengewicht en de financieringsboni;4427° financieringspunten : het financieringsvolume, uitgedrukt in een aantal punten en berekend op basis van het aantal opgenomen studiepunten, het aantal verworven studiepunten en het aantal diploma’s, en rekening houdend met het puntengewicht en de financieringsboni;
5128° gedelibereerde studiepunten : studiepunten waarvoor een student op basis van examens geen creditbewijs verworven heeft, maar waarvoor een examencommissie beslist heeft dat de bijbehorende opleidingsonderdelen niet hervat hoeven te worden. De examencommissie heeft verklaard dat de student geslaagd is voor het geheel van de opleidingsonderdelen in kwestie die hij tijdens de periode in kwestie heeft gevolgd;4528° gedelibereerde studiepunten : studiepunten waarvoor een student op basis van examens geen creditbewijs verworven heeft, maar waarvoor een examencommissie beslist heeft dat de bijbehorende opleidingsonderdelen niet hervat hoeven te worden. De examencommissie heeft verklaard dat de student geslaagd is voor het geheel van de opleidingsonderdelen in kwestie die hij tijdens de periode in kwestie heeft gevolgd;
5229° generatiestudent : een student die zich, in een bepaald academiejaar, voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs. Het statuut van generatiestudent geldt voor dat volledige academiejaar;4629° generatiestudent : een student die zich, in een bepaald academiejaar, voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een opleiding van het hoger beroepsonderwijs of een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs. Het statuut van generatiestudent geldt voor dat volledige academiejaar;
5330° gesubsidieerde officiële hogeschool : een hogeschool met een publiekrechtelijk karakter tot 1 oktober 2013, die opgericht is door een provincie, een gemeente of een OCMW;4730° gesubsidieerde officiële hogeschool : een hogeschool met een publiekrechtelijk karakter tot 1 oktober 2013, die opgericht is door een provincie, een gemeente of een OCMW;
5431° gesubsidieerde vrije hogeschool : een hogeschool met een privaatrechtelijk karakter;4831° gesubsidieerde vrije hogeschool : een hogeschool met een privaatrechtelijk karakter;
5532° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ’s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;4932° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ’s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;
5633° graad : aanduiding van bachelor, master of doctor verleend op het einde van een opleiding c.q. na promotie met de uitreiking van een diploma;5033° graad : aanduiding van gegradueerde, bachelor, master of doctor verleend op het einde van een opleiding c.q. na promotie met de uitreiking van een diploma;
5733°/1 hbo5-opleiding: een opleiding van het hoger beroepsonderwijs die buiten de context van deze codex werd of wordt aangeboden, met name door een cvo of een secundaire school;5133°/1 hbo5-opleiding: een opleiding van het hoger beroepsonderwijs die buiten de context van deze codex werd of wordt aangeboden, met name door een cvo of een secundaire school;
5834° herstructurering : onder herstructurering wordt begrepen :5234° herstructurering : onder herstructurering wordt begrepen :
62d) een overdracht van 1 of meer studiegebieden van een hogeronderwijsinstelling naar een andere instelling, waarbij deze laatste instelling onderwijsbevoegdheid heeft voor de overgedragen studiegebieden;56d) een overdracht van 1 of meer studiegebieden van een hogeronderwijsinstelling naar een andere instelling, waarbij deze laatste instelling onderwijsbevoegdheid heeft voor de overgedragen studiegebieden;
6334°/1 Hogeronderwijsregister: het register, vermeld in artikel II.170;5734°/1 Hogeronderwijsregister: het register, vermeld in artikel II.170;
6435° integratiekader: het geheel van personeelsleden, opgenomen in een lijst die bekrachtigd is door de Vlaamse Regering, zoals vermeld in artikel V.209;
5835° integratiekader : het geheel van de personeelsleden die door een hogeschool met behoud van hun rechtspositieregeling als personeel van de hogeschool, aan een universiteit zijn overgedragen, voor zover ze niet opgenomen zijn in de rechtspositieregeling van de universiteiten;
6536° jaar : kalenderjaar;5936° jaar : kalenderjaar;
6637° kunstopleidingen : de professioneel gerichte bacheloropleidingen en de academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen in de volgende studiegebieden:6037° kunstopleidingen : de professioneel gerichte bacheloropleidingen en de academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen in de volgende studiegebieden:
79waarin de ambtshalve geregistreerde instellingen krachtens deze codificatie opleidingen kunnen aanbieden;73waarin de ambtshalve geregistreerde instellingen krachtens deze codificatie opleidingen kunnen aanbieden;
8043° onderwijs- en examenreglement : het reglement bedoeld in deel 2, titel 4, hoofdstuk 3;7443° onderwijs- en examenreglement : het reglement bedoeld in deel 2, titel 4, hoofdstuk 3;
7543°/1 onderwijskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties dat noodzakelijk is om maatschappelijk te functioneren en te participeren, waarmee verdere studies in het secundair of in het hoger onderwijs aangevat kunnen worden of waarmee beroepsactiviteiten uitgeoefend kunnen worden als vermeld in artikel 9 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;
8144° onderzoeksmaster : een initiële masteropleiding zoals vermeld in artikel II.157;7644° onderzoeksmaster : een initiële masteropleiding zoals vermeld in artikel II.157;
8245° opgenomen studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student zich heeft ingeschreven in een bepaald academiejaar;7745° opgenomen studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student zich heeft ingeschreven in een bepaald academiejaar;
12776° voorbereidingsprogramma : een programma dat kan worden opgelegd aan een student die niet in het bezit is van een diploma dat op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wenst in te schrijven;12276° voorbereidingsprogramma : een programma dat kan worden opgelegd aan een student die niet in het bezit is van een diploma dat op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wenst in te schrijven;
12877° vrijstelling : de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen;12377° vrijstelling : de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen;
12477°/1 werkplekleren : leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is;
12978° werkstudent : een student die aan al de volgende voorwaarden beantwoordt :12578° werkstudent : een student die aan al de volgende voorwaarden beantwoordt :
130a) hij is in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van ten minste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk;126a) hij is in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van ten minste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk;
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.2
64° de "Universiteit Gent";64° de "Universiteit Gent";
75° de "Vrije Universiteit Brussel".75° de "Vrije Universiteit Brussel".
8Onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, worden de Vlerick Business School, de Antwerp Management School en het Instituut voor Tropische Geneeskunde beschouwd als universiteit voor de opdrachten, vermeld in artikel II.19, II.20 en II 21.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.4
1Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.2kunnen als universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming universiteit en zich als dusdanig doen kennen.1Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.2, eerste lid kunnen als universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming universiteit en zich als dusdanig doen kennen.
2Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.3 kunnen als hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming hogeschool en zich als dusdanig doen kennen. De benaming hogeschool wordt vertaald als University College.2Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.3 kunnen als hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming hogeschool en zich als dusdanig doen kennen. De benaming hogeschool wordt vertaald als University College.
3De Vlaamse Regering past de lijst van de universiteiten en hogescholen aan in geval van fusie, opslorping, opheffing of officiële naamswijziging.3De Vlaamse Regering past de lijst van de universiteiten en hogescholen aan in geval van fusie, opslorping, opheffing of officiële naamswijziging.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.6
123° een financieel plan;123° een financieel plan;
134° een overeenkomst met een andere binnenlandse of buitenlandse instelling, die door de respectievelijke overheid erkend is voor hoger onderwijs en die de betreffende opleiding kan aanbieden. Deze overeenkomst betreft de wijze waarop de ingeschreven studenten hun opleiding kunnen voltooien.134° een overeenkomst met een andere binnenlandse of buitenlandse instelling, die door de respectievelijke overheid erkend is voor hoger onderwijs en die de betreffende opleiding kan aanbieden. Deze overeenkomst betreft de wijze waarop de ingeschreven studenten hun opleiding kunnen voltooien.
14In afwijking van het eerste lid, 4°, kan een instelling die is ingericht door een Belgische overheid en die door die overheid erkend is om opleidingen te verstrekken, een overeenkomst afsluiten met een andere instelling die is ingericht door een Belgische overheid en die door die overheid is erkend om opleidingen te verstrekken. Die overeenkomst betreft de wijze waarop de ingeschreven studenten hun opleiding kunnen voltooien.
14§5. De Vlaamse Regering beslist over de registratie binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van ontvangst van het toetsingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. In geval van registratie wordt de accreditatieorganisatie hiervan op de hoogte gebracht.15§5. De Vlaamse Regering beslist over de registratie binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van ontvangst van het toetsingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. In geval van registratie wordt de accreditatieorganisatie hiervan op de hoogte gebracht.
15§6. De registratie vervalt van rechtswege indien gedurende een termijn van 2 jaar geen enkele geaccrediteerde of nieuwe opleiding aangeboden wordt.16§6. De registratie vervalt van rechtswege indien gedurende een termijn van 2 jaar geen enkele geaccrediteerde of nieuwe opleiding aangeboden wordt.
+7 −6 codex-hoger-onderwijs/art. II.24
4b) nieuwe bachelor- of masteropleidingen overeenkomstig artikel II.153, §3;4b) nieuwe bachelor- of masteropleidingen overeenkomstig artikel II.153, §3;
52° een oordeel uit te brengen over het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.263;52° een oordeel uit te brengen over het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.263;
63° een advies uit te brengen over een vrijstelling van een equivalentievoorwaarde voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.264;63° een oordeel uit te brengen over een vrijstelling van een equivalentievoorwaarde voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.264;
74° een oordeel uit te brengen over een afwijking op de voorwaarde tot het aanbieden van een equivalente opleiding overeenkomstig artikel II.268;74° een oordeel uit te brengen over een afwijking op de voorwaarde tot het aanbieden van een equivalente opleiding overeenkomstig artikel II.268;
85° ...;85° ...;
96° het kwaliteitstoezicht uitoefenen op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vermeld in artikel 160 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, en overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikel 161/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;
107° het beoordelen van de aanvragen van gecombineerd onderwijs in opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vermeld in artikel 28 en 98, §5, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en overeenkomstig de criteria, vermeld in voormeld artikel 28;
118° het beoordelen van de aanvragen voor wijziging van het opleidingsprofiel van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vermeld in artikel 160 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tot aan de omvorming van die opleidingen overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikel 161/2 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;
96° ...;
107° ...;
118° ...;
129° ...129° ...;
1310° het verlenen van advies aan de Vlaamse Regering over het al dan niet bijdragen van een opleiding en instelling buiten de Europese Hoger Onderwijsruimte, aan de uitbouw van een wetenschappelijke discipline, vermeld in artikel 30 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;1310° het verlenen van advies aan de Vlaamse Regering over het al dan niet bijdragen van een opleiding en instelling buiten de Europese Hoger Onderwijsruimte, aan de uitbouw van een wetenschappelijke discipline, vermeld in artikel 30 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;
1411° een oordeel uit te brengen over een aanvraag tot vrijstelling van de afbouw van een initiële bachelor- of masteropleiding, conform artikel II.153 van deze codex;1411° een oordeel uit te brengen over een aanvraag tot vrijstelling van de afbouw van een initiële bachelor- of masteropleiding, conform artikel II.153 van deze codex;
1512° een oordeel uit te brengen over de aanvraag tot verandering van vestiging, conform artikel II.154 van deze codex.1512° een oordeel uit te brengen over de aanvraag tot verandering van vestiging, conform artikel II.154 van deze codex;
1613° het beoordelen van de aanvragen voor een relevantietoets, vermeld in artikel II.153/1, § 4, van deze codex, van nieuwe opleidingen die uitgaan van geregistreerde instellingen als vermeld in artikel II.6 van deze codex, en van de instellingen die de registratie aanvragen conform artikel II.6 van deze codex.
+23 −11 codex-hoger-onderwijs/art. II.114
1§1. De inservicetraining gebeurt in de vorm van een leraar-in-opleidingsbaan, hierna de LIO-baan genoemd, en wordt uitgeoefend in 1 of meer instellingen van het secundair onderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie. De leraar-in-opleiding wordt begeleid door een personeelslid van de school, het centrum of instelling, dat belast is met het mentorschap.
2Bij wijze van uitzondering kan de student die de specifieke lerarenopleiding volgt na of gelijktijdig met een masteropleiding lichamelijke opvoeding, een LIO-baan vervullen in het basisonderwijs.
3De LIO-baan moet op jaarbasis ten minste 500 uren-leraar (secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs), lesuren (buitengewoon secundair onderwijs), leraarsuren (volwassenenonderwijs), lestijden (in het basisonderwijs voor de master lichamelijke opvoeding) bedragen. De LIO-baan in een Centrum voor Basiseducatie bedraagt op jaarbasis ten minste 0,6 VTE. Op het einde van de LIO-baan wordt de student gedurende een assessment voor de inservicetraining beoordeeld door het centrum, de instelling of de school enerzijds en de hogeschool of universiteit anderzijds. Indien de leraar-in-opleiding er niet in slaagt deze 500 uren te presteren, kan hij dit tekort aanvullen met preservicetraining.
4De hogeschool of universiteit en de school sluiten een LIO-baanovereenkomst af. Een LIO-baanovereenkomst is een overeenkomst waarbij de hogeschool of de universiteit en de centra, instellingen of scholen de voorwaarden vastleggen die moeten toelaten dat studenten in het kader van hun lerarenopleiding kennis of vaardigheden verwerven in een centrum, instelling of school via een tijdelijke aanstelling door het uitvoeren van arbeidsprestaties. De LIO-baanovereenkomst bevat onder meer:
51° de engagementen van het centrum, de instelling of de school ten aanzien van ondersteuning van leraren-in-opleiding;
62° de engagementen van de hogeschool of universiteit ten aanzien van de begeleiding van de student/leraar-in-opleiding met betrekking tot de opleiding;
73° het aandeel van het centrum, instelling of de school enerzijds en de hogeschool of universiteit anderzijds in het assessment van de student.
8De leraar-in-opleiding in een instelling voor secundair onderwijs, voor deeltijds kunstonderwijs of in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt aangesteld als tijdelijk personeelslid en is onderworpen aan de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs.
9De leraar-in-opleiding in een centrum voor basiseducatie wordt aangesteld als contractueel personeelslid zoals bedoeld in artikel 127, 1°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
10§2. Vanaf het schooljaar 2009-2010 evalueert de Vlaamse Regering het systeem van de LIO-baan vijfjaarlijks.
11§3. De specifieke lerarenopleidingen worden bekrachtigd met een diploma van leraar.
1§ 1. De educatieve masteropleidingen voor secundair onderwijs en kunstvakken worden door respectievelijk de universiteiten of de hogescholen in het kader van een School of Arts aangeboden binnen het academisch onderwijs en hebben een studieomvang van 90 of 120 studiepunten.
2Aan een student kan alleen het diploma van een educatieve master uitgereikt worden en de graad van master toegekend worden als die student een totale component leraarschap van 60 studiepunten met succes doorlopen heeft.
3De component leraarschap in een educatieve masteropleiding heeft ongeacht de studieomvang van de masteropleiding een studieomvang van ten minste 45 studiepunten.
4Een student kan de 15 resterende studiepunten verwerven op de volgende manieren :
51° hij volgt studiepunten van de component leraarschap als een pakket van keuzevakken in een academische bacheloropleiding. De hogeschool in het kader van een School of Arts of de universiteit biedt daarvoor vijftien studiepunten educatieve keuzevakken in die academische bacheloropleidingen die rechtstreeks toeleiden naar een educatieve masteropleiding aan;
62° als de student de component leraarschap niet opneemt in een bacheloropleiding, kan hij die alsnog verwerven in het kader van een voorbereidingsprogramma dat hij vooraf of samen met de educatieve masteropleiding volgt;
73° als de student de component leraarschap niet opneemt in een bacheloropleiding of in het kader van een voorbereidingsprogramma, kan hij deze alsnog verwerven als een pakket van keuzevakken in de educatieve masteropleiding. Deze manier kan enkel worden ingericht als, binnen de eigen instelling, de twee eerste manieren ook ingericht worden.
8In de educatieve masteropleidingen voor kunstvakken telt de artistieke component ten minste de helft van de studiepunten.
9In afwijking van het vierde lid kan een student die rechtstreeks instroomt uit een bacheloropleiding uit het studiegebied Architectuur, Audiovisuele en beeldende kunsten, Bewegings- en revalidatiewetenschappen, Biomedische wetenschappen, Diergeneeskunde, Farmaceutische wetenschappen, Geneeskunde, Industriële wetenschappen en technologie, Muziek en podiumkunsten, Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen, Sociale gezondheidswetenschappen, Tandheelkunde, Toegepaste biologische wetenschappen, of Toegepaste wetenschappen, het pakket van 15 studiepunten component leraarschap verwerven op volgende manieren :
101° in het kader van een voorbereidingsprogramma dat hij vooraf of samen met de educatieve masteropleiding volgt;
112° als een pakket van keuzevakken in de educatieve masteropleiding.
12De bijzondere toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel II.186, zijn niet van toepassing voor het voorbereidingsprogramma, vermeld in het vierde lid
13§ 2. De Vlaamse Regering legt vast welke educatieve masteropleidingen hogescholen, in het kader van een School of Arts, en de universiteiten kunnen aanbieden. De Vlaamse Regering bepaalt ook de studieomvang van de educatieve masteropleidingen en het studiegebied waaronder de educatieve masteropleidingen ressorteren.
14§ 3. De Vlaamse Regering legt een lijst van vakdidactieken vast die de hogescholen, in het kader van een School of Arts, en de universiteiten mogen aanbieden binnen de educatieve masteropleidingen voor secundair onderwijs en kunstvakken. De studenten van deze opleidingen kiezen minstens één vakdidactiek uit het aanbod van de hogeschool of de universiteit, die erover waken dat de student de nodige vakinhoudelijke voorkennis heeft. De vakdidactieken en aanverwante opleidingsonderdelen vormen een voorwaarde voor het toekennen van bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs.
15§ 4. Een student die al beschikt over een masterdiploma kan op basis van dat diploma vrijgesteld worden van de vakinhoudelijke component van een educatieve masteropleiding voor secundair onderwijs of kunstvakken.
16De universiteiten die de educatieve masteropleiding voor secundair onderwijs aanbieden, bieden de component leraarschap, met inbegrip van een cluster vakdidactiek, aan als een verkort traject van die opleiding voor studenten die al over een masterdiploma beschikken.
17De hogescholen, in het kader van een School of Arts, die de educatieve masteropleiding voor kunstvakken aanbieden, bieden de component leraarschap, met inbegrip van een cluster vakdidactiek, aan als een verkort traject van die opleiding voor studenten die al over een masterdiploma beschikken.
18Het verkorte traject vormt een coherent geheel van 60 studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste 30 studiepunten, en wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden.
19In het verkorte traject wordt versterkt ingezet op de mogelijkheid om de opleiding te volgen binnen een LIO-baan.
20§ 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een hogeschool, in het kader van een School of Arts, een educatieve masteropleiding voor kunstvakken organiseren in de vorm van een consecutief traject.
21Dit consecutief traject heeft een omvang van 60 studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste 30 studiepunten, en wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. De hogeschool biedt het consecutief traject aan zonder dat ze de volledige educatieve masteropleiding voor kunstvakken organiseert.
22Als toelatingsvoorwaarde voor een educatieve masteropleiding voor kunstvakken waarvoor de hogeschool enkel het consecutieve traject organiseert, geldt dat de student moet beschikken over een masterdiploma in het studiegebied waartoe de educatieve masteropleiding behoort.
23§ 6. In afwijking van paragraaf 4 kan een universiteit een educatieve masteropleiding organiseren in de vorm van een consecutief traject, als het gaat om een educatieve masteropleiding binnen het studiegebied Biomedische wetenschappen, Geneeskunde, of Sociale gezondheidswetenschappen, of als de educatieve masteropleiding volgt op een masteropleiding die een bacheloropleiding in het hoger professioneel onderwijs als algemene toelatingsvoorwaarde heeft, met toepassing van artikel II.182, § 2/1.
+5 −25 codex-hoger-onderwijs/art. II.122
1§ 1. De instellingen, vermeld in artikel II.1, zorgen voor de kwaliteitszorg van de onderwijsactiviteiten. Ze zien permanent en op eigen initiatief toe op de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten. Ze betrekken studenten, alumni, externe deskundigen uit het beroepenveld en internationale deskundigen bij de processen van kwaliteitsbewaking. Ze voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten.1§ 1. De instellingen voor hoger onderwijs zorgen voor de kwaliteitszorg van de onderwijsactiviteiten. Ze zien permanent en op eigen initiatief toe op de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten. Ze betrekken interne en externe stakeholders en externe, onafhankelijke deskundigen bij de processen van kwaliteitsbewaking. Ze voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten.
2Tot en met het einde van het academiejaar 2016-2017 kunnen de instellingen bij wijze van experiment proefprojecten opzetten waarbij zij zelf de regie voeren van de borging van de kwaliteit van hun opleidingen.
3§ 2. Als een instelling als vermeld in artikel II.1, met toepassing van artikel II.126, § 2, tweede lid, geen bijkomende beoordeling heeft gevraagd van de manier waarop de instelling de regie voert van de borging van de kwaliteit van haar opleidingen, wordt met het oog op het verlenen van de accreditaties een externe beoordeling uitgevoerd door een visitatiecommissie die het geheel van haar werkzaamheden afrondt binnen een bestek van twaalf maanden. Van de visitatiecommissie maakt ten minste één student deel uit.
4§3. De externe beoordelingen als vermeld in paragraaf 2, worden georganiseerd door een evaluatieorgaan dat daartoe een visitatieprotocol vastlegt na overleg met de accreditatieorganisatie. Het protocol wordt openbaar gemaakt.
5Het visitatieprotocol voorziet ten minste in:
61° de mogelijkheid voor het instellingsbestuur om technische opmerkingen en inhoudelijke bezwaren te formuleren voor de commissie de externe beoordeling definitief vaststelt;
72° de plicht voor de visitatiecommissie om ten aanzien van het instellingsbestuur schriftelijk te antwoorden op de geformuleerde inhoudelijke bezwaren;
83° de wijze waarop de onafhankelijkheid van de beoordelingen wordt gewaarborgd;
94° de wijze waarop het evaluatieorgaan de visitatiecommissies samenstelt zodat de visitatiecommissies met kennis van zaken een oordeel kunnen vormen over wat er internationaal wenselijk en gangbaar is inzake het eindniveau van opleidingen met een verwante kwalificatie;
105° de wijze waarop de visitatiecommissie tot haar oordeel is gekomen en de wijze waarop de vergelijkbaarheid van de oordelen, verleend aan de criteria, bedoeld in het accreditatiekader, over de verschillende opleidingen wordt gewaarborgd;
116° de wijze waarop de leden van de visitatiecommissies gevormd worden met het oog op een eenduidige toepassing van het visitatieprotocol en het accreditatiekader;
127° de minimumvereisten waaraan een visitatieprotocol moet voldoen opdat het kan toelaten om de voldoende aanwezigheid van de generieke kwaliteitswaarborgen na te gaan.
13Met behoud van de toepassing van paragraaf 4 en artikel II.148 en II.382 organiseert het Bestuurscomité Kwaliteitszorg van de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad de externe beoordeling van de opleidingen van de instellingen, vermeld in artikel II.1. Het Bestuurscomité Kwaliteitszorg is het verzelfstandigd orgaan binnen de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad dat als evaluatieorgaan optreedt zoals bedoeld in artikel II.37, §2.
14§4. Instellingen kunnen voor de organisatie van de externe beoordeling een beroep doen op een ander evaluatieorgaan dat bij het European Quality Assurance Register for Higher Education (EQAR) geregistreerd is of dat door de NVAO erkend is om 1 van de volgende redenen:
151° de internationale vergelijkbaarheid van de te accrediteren opleiding met vergelijkbare opleidingen aan buitenlandse instellingen;
162° een goede aansluiting tussen de expertise van het ander evaluatieorgaan en de inhoudelijke specificiteit van de te accrediteren opleiding.
17§5. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 gelden voor de lerarenopleidingen de volgende bepalingen :
18De eerste externe beoordeling van de bachelor-na-bacheloropleidingen in het onderwijs en de specifieke lerarenopleidingen moet afgerond zijn voor eind 2012. Vanaf 2013 gebeurt de externe beoordeling van de geïntegreerde lerarenopleidingen, de bachelor-na-bacheloropleidingen in het onderwijs en de specifieke lerarenopleidingen minstens om de 8 jaar.
19De visitatiecommissies worden steeds aangevuld met deskundigen die het afnemend veld vertegenwoordigen en deskundigen die voeling hebben met de noden van volwassen cursisten.
20De lerarenopleidingen worden geclusterd in een cluster geïntegreerde lerarenopleidingen, een cluster bachelor-na-bacheloropleidingen in het onderwijs en een cluster specifieke lerarenopleidingen.
21Indien de specifieke lerarenopleiding georganiseerd is als een afstudeerrichting van een masteropleiding van 120 studiepunten, maakt dit deel uit van de visitatie van de specifieke lerarenopleiding.
22§6. De visitatiecommissies brengen de uitkomst van hun beoordeling van elke opleiding, cluster van opleidingen en van verwante opleidingen samen in een openbaar verslag.
23§7. De instellingen geven gevolg aan de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling in het beleid van de instelling.
24§8. Paragraaf 2, 3, 4 en 6 is niet van toepassing op de opleidingen waarvoor een beroep wordt gedaan op de accreditatieprocedure, vermeld in artikel II.149.
25§ 9. De bepalingen in dit artikel zijn ook van toepassing op de specifieke lerarenopleidingen, met uitzondering van deze aangaande de accreditatie van opleidingen voor de specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de centra voor volwassenenonderwijs, de hogescholen en de universiteiten, en deze over de instellingsreview als voor de specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de centra voor volwassenenonderwijs.
2§ 2. De instellingen voor hoger onderwijs leggen verantwoording af over de kwaliteit van hun opleidingen.
3De instellingen, vermeld in artikel II.2 en II.3, doen dat binnen of op maat van de eigen regie van de borging van de kwaliteit van hun opleidingen conform de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 9/1, afdeling 2 en 3.
4Voor wat betreft de transnationale Universiteit Limburg zijn de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 9/1, enkel van toepassing op de universitaire campus Diepenbeek-Hasselt.
5De instellingen, vermeld in artikel II.19, II.20, II.21, II.105 en II.106, en de geregistreerde instellingen, vermeld in artikel II.6, doen dat door beoordelingen door externe evaluatieorganen op opleidingsniveau conform de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 9/1, afdeling 4.
+4 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.124/2
1§ 1. De accreditatieorganisatie voert jaarlijkse systeembrede analyses uit in het hoger onderwijs. Deze analyses brengen goede praktijken inzake onderwijsbeleid en onderwijskwaliteit in beeld en bieden de mogelijkheid om van elkaar te leren.
2§ 2. De instellingen, vermeld in artikel II.2 en II.3, nemen tijdens een periode van zes jaar ten minste twee keer deel aan een systeembrede analyse.
3Voor de toepassing van het eerste lid worden de transnationale Universiteit Limburg en de Universiteit Hasselt als één instelling beschouwd.
4De VLUHR, de studentenkoepelverenigingen, de accreditatieorganisatie en de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering leggen samen de onderwerpen en de kalender vast. De eerste periode van zes jaar gaat van start in het academiejaar 2020-2021.
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.124/3
1De Vlaamse Regering kan de accreditatieorganisatie belasten met volgende aanvullende opdrachten :
21° studie en advies inzake kwaliteitszorg in het hoger onderwijs;
32° het uitvoeren van accreditatieactiviteiten op vraag van buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs in andere landen dan België en Nederland, voor zover deze activiteiten de hoofdopdracht van de accreditatieorganisatie ondersteunen of aanvullen en dit de optimale werking, dienstverlening en voorziene termijnen ten aanzien van opleidingen binnen het hoger onderwijs, verzorgd door in Nederland of in Vlaanderen gevestigde instellingen, op geen enkele manier in het gedrang brengt.
+4 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.141
8f) het opnemen van verantwoordelijkheid voor het bereiken van persoonlijke resultaten en voor het stimuleren van collectieve resultaten.8f) het opnemen van verantwoordelijkheid voor het bereiken van persoonlijke resultaten en voor het stimuleren van collectieve resultaten.
92° in de opleidingen leidend tot de graad van bachelor in het hoger professioneel onderwijs:92° in de opleidingen leidend tot de graad van bachelor in het hoger professioneel onderwijs:
10a) het beheersen van algemene competenties als denk- en redeneervaardigheid, het verwerven en verwerken van informatie, het vermogen tot kritische reflectie en projectmatig werken, creativiteit, het kunnen uitvoeren van eenvoudige leidinggevende taken, het vermogen tot communiceren van informatie, ideeën, problemen en oplossingen, zowel aan specialisten als aan leken en een ingesteldheid tot levenslang leren;10a) het beheersen van algemene competenties als denk- en redeneervaardigheid, het verwerven en verwerken van informatie, het vermogen tot kritische reflectie en projectmatig werken, creativiteit, het kunnen uitvoeren van eenvoudige leidinggevende taken, ondernemend handelen, het vermogen tot communiceren van informatie, ideeën, problemen en oplossingen, zowel aan specialisten als aan leken en een ingesteldheid tot levenslang leren;
11b) het beheersen van de algemene beroepsgerichte competenties als teamgericht kunnen werken, oplossingsgericht kunnen werken in de zin van het zelfstandig kunnen definiëren en analyseren van complexe probleemsituaties in de beroepspraktijk en het kunnen ontwikkelen en toepassen van zinvolle oplossingsstrategieën, en het besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid samenhangend met de beroepspraktijk;11b) het beheersen van de algemene beroepsgerichte competenties als teamgericht kunnen werken, oplossingsgericht kunnen werken in de zin van het zelfstandig kunnen definiëren en analyseren van complexe probleemsituaties in de beroepspraktijk en het kunnen ontwikkelen en toepassen van zinvolle oplossingsstrategieën, en het besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid samenhangend met de beroepspraktijk;
12c) het beheersen van beroepsspecifieke competenties op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar ;12c) het beheersen van beroepsspecifieke competenties op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar al dan niet als ondernemer;
133° in de opleidingen leidend tot de graad van bachelor in het academisch onderwijs:133° in de opleidingen leidend tot de graad van bachelor in het academisch onderwijs:
14a) het beheersen van algemene competenties als denk- en redeneervaardigheid, het verwerven en verwerken van informatie, het vermogen tot kritische reflectie, creativiteit, het kunnen uitvoeren van eenvoudige managementtaken, het vermogen tot communiceren van informatie, ideeën, problemen en oplossingen zowel aan specialisten als aan leken en een ingesteldheid tot levenslang leren;14a) het beheersen van algemene competenties als denk- en redeneervaardigheid, het verwerven en verwerken van informatie, het vermogen tot kritische reflectie, creativiteit, het kunnen uitvoeren van eenvoudige managementtaken, ondernemend handelen, het vermogen tot communiceren van informatie, ideeën, problemen en oplossingen zowel aan specialisten als aan leken en een ingesteldheid tot levenslang leren;
15b) het beheersen van algemene wetenschappelijke competenties als een onderzoekende houding, kennis hebben van onderzoeksmethoden en technieken en deze adequaat kunnen toepassen, het vermogen om de relevante data te verzamelen die de oordeelsvorming over maatschappelijke, wetenschappelijke en ethische vraagstukken kunnen sturen, een appreciatie van de onzekerheid, de ambiguïteit en de grenzen van de kennis en de vaardigheid tot het probleemgestuurd initiëren van onderzoek;15b) het beheersen van algemene wetenschappelijke competenties als een onderzoekende houding, kennis hebben van onderzoeksmethoden en technieken en deze adequaat kunnen toepassen, het vermogen om de relevante data te verzamelen die de oordeelsvorming over maatschappelijke, wetenschappelijke en ethische vraagstukken kunnen sturen, een appreciatie van de onzekerheid, de ambiguïteit en de grenzen van de kennis en de vaardigheid tot het probleemgestuurd initiëren van onderzoek;
16c) het begrip van de wetenschappelijk-disciplinaire basiskennis eigen aan een bepaald domein van de wetenschappen of de kunsten, een systematische kennis van de kernelementen van een discipline met inbegrip van het verwerven van coherente en gedetailleerde kennis deels geïnspireerd door de nieuwste ontwikkelingen van de discipline en een begrip van de structuur van het vakgebied en de samenhang met andere vakgebieden;16c) het begrip van de wetenschappelijk-disciplinaire basiskennis eigen aan een bepaald domein van de wetenschappen of de kunsten, een systematische kennis van de kernelementen van een discipline met inbegrip van het verwerven van coherente en gedetailleerde kennis deels geïnspireerd door de nieuwste ontwikkelingen van de discipline en een begrip van de structuur van het vakgebied en de samenhang met andere vakgebieden;
19b) het beheersen van algemene wetenschappelijke competenties op een gevorderd niveau als het kunnen gebruiken van methoden en technieken in onderzoek, het kunnen ontwerpen van onderzoek, het kunnen toepassen van paradigma's in het domein van de wetenschappen of kunsten en het kunnen aanduiden van de grenzen van paradigma's, het vermogen tot originaliteit en creativiteit met het oog op het continu uitbreiden van de kennis en inzichten en het samen kunnen werken in een multidisciplinaire omgeving;19b) het beheersen van algemene wetenschappelijke competenties op een gevorderd niveau als het kunnen gebruiken van methoden en technieken in onderzoek, het kunnen ontwerpen van onderzoek, het kunnen toepassen van paradigma's in het domein van de wetenschappen of kunsten en het kunnen aanduiden van de grenzen van paradigma's, het vermogen tot originaliteit en creativiteit met het oog op het continu uitbreiden van de kennis en inzichten en het samen kunnen werken in een multidisciplinaire omgeving;
20c) een gevorderd begrip van en inzicht in de wetenschappelijk-disciplinaire kennis eigen aan een bepaald domein van de wetenschappen of de kunsten, inzicht hebben in de nieuwste kennis van het vakgebied of delen ervan, in staat zijn om de wijze waarop de theorievorming beweegt te volgen en te interpreteren, in staat zijn om in 1 of enkele delen van het vakgebied een originele bijdrage aan de kennis te leveren en het bezitten van specifieke bij het vakgebied horende vaardigheden als ontwerpen, onderzoeken, analyseren, diagnosticeren;20c) een gevorderd begrip van en inzicht in de wetenschappelijk-disciplinaire kennis eigen aan een bepaald domein van de wetenschappen of de kunsten, inzicht hebben in de nieuwste kennis van het vakgebied of delen ervan, in staat zijn om de wijze waarop de theorievorming beweegt te volgen en te interpreteren, in staat zijn om in 1 of enkele delen van het vakgebied een originele bijdrage aan de kennis te leveren en het bezitten van specifieke bij het vakgebied horende vaardigheden als ontwerpen, onderzoeken, analyseren, diagnosticeren;
21d) hetzij het beheersen van de competenties nodig voor het zelfstandig kunnen verrichten van wetenschappelijk onderzoek of de zelfstandige beoefening van de kunsten op het niveau van een beginnend onderzoeker of kunstenaar, hetzij het beheersen van de algemene en specifieke beroepsgerichte competenties nodig voor de zelfstandige aanwending van wetenschappelijke of artistieke kennis op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar .21d) hetzij het beheersen van de competenties nodig voor het zelfstandig kunnen verrichten van wetenschappelijk onderzoek of de zelfstandige beoefening van de kunsten op het niveau van een beginnend onderzoeker of kunstenaar, hetzij het beheersen van de algemene en specifieke beroepsgerichte competenties nodig voor de zelfstandige aanwending van wetenschappelijke of artistieke kennis op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar al dan niet als ondernemer.
225° in de doctoraatsvoorbereidingen, leidend tot de graad van doctor:225° in de doctoraatsvoorbereidingen, leidend tot de graad van doctor:
23a) het systematisch begrijpen van een vakgebied en het beheersen van de vaardigheden en methodieken van onderzoek in dat vakgebied;23a) het systematisch begrijpen van een vakgebied en het beheersen van de vaardigheden en methodieken van onderzoek in dat vakgebied;
+17 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.150/1
1§ 1. In het advies over de ontwikkeling van een onderwijskwalificatie, vermeld in artikel 15/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, verleent de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering ook een advies over de verwantschap van :
21° de onderwijskwalificatie met een of meer bestaande opleidingen van het hoger beroepsonderwijs. Daarvoor vraagt de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering inbreng van vertegenwoordigers van de hogescholen;
32° de beroepskwalificatie waarvoor geen onderwijskwalificatie wordt ontwikkeld, met een of meer bestaande opleidingen van het hoger beroepsonderwijs.
4De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering kan bij het advies over de verwantschap rekening houden met de volgende criteria :
51° de sectorale indeling;
62° de indeling naar beroepsgroep;
73° de wetenschappelijke discipline of het studiegebied.
8De verwantschap kan worden vastgelegd op het niveau van de volledige opleiding of op het niveau van de afstudeerrichtingen of de opties van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs.
9§ 2. De Vlaamse Regering beslist over de verwantschap met bestaande hbo5-opleidingen.
10Als de Vlaamse Regering beslist dat een bestaande hbo5-opleiding verwant is met een beroepskwalificatie waarvoor een onderwijskwalificatie wordt ontwikkeld, wordt de bestaande hbo5-opleiding omgevormd tot die onderwijskwalificatie.
11Als er een verwantschap wordt bepaald met verschillende onderwijskwalificaties of met een onderwijskwalificatie met verschillende afstudeerrichtingen, hebben de hogescholen de vrijheid om te kiezen tot welke onderwijskwalificatie ze de bestaande hbo5-opleiding zullen omvormen.
12In afwijking hiervan kunnen de hogescholen Katholieke Hogeschool Vives Zuid en Thomas More Kempen beslissen om een van een centrum voor volwassenenonderwijs overgenomen hbo5-opleiding Elektromechanica of een overgenomen hbo5-opleiding Informatica per optie om te vormen naar een onderwijskwalificatie waarmee die hbo5-opleiding verwant is verklaard, op voorwaarde dat de desbetreffende optie in het schooljaar 2017-2018 binnen het samenwerkingsverband werd georganiseerd.
13In afwijking hiervan kan de Hogeschool PXL een van een centrum voor volwassenenonderwijs overgenomen hbo5-opleiding Hout- en bouwconstructies omvormen naar twee onderwijskwalificaties waarmee die hbo5-opleiding verwant is verklaard.
14Hogescholen die een bestaande hbo5-opleiding omvormen, hoeven geen macrodoelmatigheidstoets als vermeld in artikel II.152, 3°, aan te vragen.
15Als de Vlaamse Regering beslist dat een bestaande hbo5-opleiding verwant is met een beroepskwalificatie waarvoor geen onderwijskwalificatie wordt ontwikkeld, wordt die opleiding stopgezet. De hogeschool kan vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur garandeert de voorzieningen die nodig zijn om de ingeschreven studenten hun opleiding te kunnen laten voltooien.
16Als de Vlaamse Regering beslist dat er geen bestaande hbo5-opleiding verwant is met een beroepskwalificatie waarvoor een onderwijskwalificatie wordt ontwikkeld, wordt de graduaatsopleiding die leidt tot de onderwijskwalificatie, als een nieuwe opleiding beschouwd. Hogescholen kunnen een aanvraag indienen om die opleiding aan te bieden volgens de procedure, vermeld in artikel II.152 en II.153.
17§ 3. Hogescholen die geen onderwijsbevoegdheid hebben voor een bestaande hbo5-opleiding die wordt omgevormd, kunnen een aanvraag indienen om die opleiding aan te bieden. Die aanvraag wordt ingediend volgens de procedure, vermeld in artikel II.152 en II.153, en kan op zijn vroegst in het kalenderjaar dat volgt op de erkenning van de desbetreffende opleiding aan de andere hogescholen, worden ingediend.
+17 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.150/1
1§ 1. In het advies over de ontwikkeling van een onderwijskwalificatie, vermeld in artikel 15/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, verleent de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering ook een advies over de verwantschap van :
21° de onderwijskwalificatie met een of meer bestaande opleidingen van het hoger beroepsonderwijs. Daarvoor vraagt de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering inbreng van vertegenwoordigers van de hogescholen;
32° de beroepskwalificatie waarvoor geen onderwijskwalificatie wordt ontwikkeld, met een of meer bestaande opleidingen van het hoger beroepsonderwijs.
4De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering kan bij het advies over de verwantschap rekening houden met de volgende criteria :
51° de sectorale indeling;
62° de indeling naar beroepsgroep;
73° de wetenschappelijke discipline of het studiegebied.
8De verwantschap kan worden vastgelegd op het niveau van de volledige opleiding of op het niveau van de afstudeerrichtingen of de opties van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs.
9§ 2. De Vlaamse Regering beslist over de verwantschap met bestaande hbo5-opleidingen.
10Als de Vlaamse Regering beslist dat een bestaande hbo5-opleiding verwant is met een beroepskwalificatie waarvoor een onderwijskwalificatie wordt ontwikkeld, wordt de bestaande hbo5-opleiding omgevormd tot die onderwijskwalificatie.
11Als er een verwantschap wordt bepaald met verschillende onderwijskwalificaties of met een onderwijskwalificatie met verschillende afstudeerrichtingen, hebben de hogescholen de vrijheid om te kiezen tot welke onderwijskwalificatie ze de bestaande hbo5-opleiding zullen omvormen.
12In afwijking hiervan kunnen de hogescholen Katholieke Hogeschool Vives Zuid en Thomas More Kempen beslissen om een van een centrum voor volwassenenonderwijs overgenomen hbo5-opleiding Elektromechanica of een overgenomen hbo5-opleiding Informatica per optie om te vormen naar een onderwijskwalificatie waarmee die hbo5-opleiding verwant is verklaard, op voorwaarde dat de desbetreffende optie in het schooljaar 2017-2018 binnen het samenwerkingsverband werd georganiseerd.
13In afwijking hiervan kan de Hogeschool PXL een van een centrum voor volwassenenonderwijs overgenomen hbo5-opleiding Hout- en bouwconstructies omvormen naar twee onderwijskwalificaties waarmee die hbo5-opleiding verwant is verklaard.
14Hogescholen die een bestaande hbo5-opleiding omvormen, hoeven geen macrodoelmatigheidstoets als vermeld in artikel II.152, 3°, aan te vragen.
15Als de Vlaamse Regering beslist dat een bestaande hbo5-opleiding verwant is met een beroepskwalificatie waarvoor geen onderwijskwalificatie wordt ontwikkeld, wordt die opleiding stopgezet. De hogeschool kan vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur garandeert de voorzieningen die nodig zijn om de ingeschreven studenten hun opleiding te kunnen laten voltooien.
16Als de Vlaamse Regering beslist dat er geen bestaande hbo5-opleiding verwant is met een beroepskwalificatie waarvoor een onderwijskwalificatie wordt ontwikkeld, wordt de graduaatsopleiding die leidt tot de onderwijskwalificatie, als een nieuwe opleiding beschouwd. Hogescholen kunnen een aanvraag indienen om die opleiding aan te bieden volgens de procedure, vermeld in artikel II.152 en II.153.
17§ 3. Hogescholen die geen onderwijsbevoegdheid hebben voor een bestaande hbo5-opleiding die wordt omgevormd, kunnen een aanvraag indienen om die opleiding aan te bieden. Die aanvraag wordt ingediend volgens de procedure, vermeld in artikel II.152 en II.153, en kan op zijn vroegst in het kalenderjaar dat volgt op de erkenning van de desbetreffende opleiding aan de andere hogescholen, worden ingediend.
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/2
1De instellingen, vermeld in artikel II.2 en II.3, zijn onderworpen aan een instellingsreview.
2De accreditatieorganisatie organiseert voor elke instelling als vermeld in artikel II.2 en II.3, een instellingsreview in de periode die loopt vanaf het begin van het academiejaar 2020-2021 tot en met het einde van het academiejaar 2024-2025. Vervolgens organiseert de accreditatieorganisatie voor elke instelling als vermeld in artikel II.2 en II.3, elke zes jaar een instellingsreview.
3De accreditatieorganisatie legt in overleg met de VLUHR als koepelorganisatie de kalender van de instellingsreviews vast.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.186
1§1. Onverminderd de algemene toelatingsvoorwaarden wordt niemand toegelaten tot de bacheloropleidingen, de schakelprogramma's en voorbereidingsprogramma's van studiegebieden, Audiovisuele en beeldende kunst, en Muziek en podiumkunsten, zonder geslaagd te zijn voor een artistieke toelatingsproef eigen aan deze opleidingen. De hogeschool waar de student zich wenst in te schrijven, neemt deze toelatingsproef af. Deze artistieke toelatingsproef wordt afgenomen door een commissie die is samengesteld uit personeelsleden van de hogescholen en externe experten.1§1. Onverminderd de algemene toelatingsvoorwaarden wordt niemand toegelaten tot de bacheloropleidingen, de schakelprogramma's en voorbereidingsprogramma's van studiegebieden, Audiovisuele en beeldende kunst, en Muziek en podiumkunsten, zonder geslaagd te zijn voor een artistieke toelatingsproef eigen aan deze opleidingen. De hogeschool waar de student zich wenst in te schrijven, neemt deze toelatingsproef af. Deze artistieke toelatingsproef wordt afgenomen door een commissie die is samengesteld uit personeelsleden van de hogescholen en externe experten.
2In afwijking van het eerste lid is een artistieke toelatingsproef optioneel als een professioneel gerichte bacheloropleiding over studiegebieden heen gerangschikt is en waarvan een van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst of Muziek en podiumkunsten is.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.200
7§3. De instellingen bieden voor de bacheloropleidingen en de masteropleidingen ten minste één studietraject met een studieomvang van 54 tot 66 studiepunten per academiejaar aan. Voor de masteropleidingen van 90 studiepunten bieden de instellingen ten minste een studietraject aan binnen een aaneensluitende periode van drie semesters.7§3. De instellingen bieden voor de bacheloropleidingen en de masteropleidingen ten minste één studietraject met een studieomvang van 54 tot 66 studiepunten per academiejaar aan. Voor de masteropleidingen van 90 studiepunten bieden de instellingen ten minste een studietraject aan binnen een aaneensluitende periode van drie semesters.
8Die verplichting geldt niet voor de bachelor-na-bacheloropleidingen en de master-na-masteropleidingen.8Die verplichting geldt niet voor de bachelor-na-bacheloropleidingen en de master-na-masteropleidingen.
9De instellingen bieden voor de graduaatsopleidingen ten minste één modeltraject aan. De studieomvang ervan per academiejaar kan, in functie van de doelgroep van de opleiding, kleiner zijn dan de omvang vermeld in het eerste lid.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.263
42° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft zoals vermeld in artikel II.150, samen met het aanvraagdossier macrodoelmatigheid nieuwe opleiding zoals vermeld in artikel II.153, § 2.42° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft zoals vermeld in artikel II.150, samen met het aanvraagdossier macrodoelmatigheid nieuwe opleiding zoals vermeld in artikel II.153, § 2.
5§2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit op basis van de volgende criteria waaraan cumulatief voldaan moet worden :5§2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit op basis van de volgende criteria waaraan cumulatief voldaan moet worden :
61° binnen de Vlaamse Gemeenschap wordt een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aangeboden, als vermeld in artikel II.262, § 2, behalve bij een voorafgaand besluit van de Vlaamse Regering houdende vrijstelling van de equivalentievereiste voor die anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding;61° binnen de Vlaamse Gemeenschap wordt een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aangeboden als vermeld in artikel II.262, § 2, tenzij er een positief oordeel is van de Commissie Hoger Onderwijs of een positieve beslissing van de Vlaamse Regering over de vrijstelling van de equivalentievoorwaarde, vermeld in artikel II.264;
72° de aanwezigheid van voldoende garanties inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271;72° de aanwezigheid van voldoende garanties inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271;
83° de aanwezigheid van een verantwoording die de meerwaarde voor de student en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding aantoont;83° de aanwezigheid van een verantwoording die de meerwaarde voor de student en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding aantoont;
+20 −12 codex-hoger-onderwijs/art. II.264
1§ 1. Een instelling of meerdere instellingen samen kan/kunnen bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde indienen voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding. Deze aanvraag, samen met het bijhorende dossier, wordt bij de Commissie Hoger Onderwijs ingediend:1§ 1. Een instelling of meerdere instellingen samen kan/kunnen bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde indienen voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding. Deze aanvraag, samen met het bijhorende dossier, wordt bij de Commissie Hoger Onderwijs ingediend:
21° samen met de aanvraag voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig de voorschriften vastgelegd in artikel II.263; ofwel21° samen met de aanvraag voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig de voorschriften vastgelegd in artikel II.263; ofwel
32° in het geval van een bestaande equivalente opleiding uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarop de instelling(en) de betrokken equivalente opleiding wil(len) stopzetten. 32° in het geval van een bestaande equivalente opleiding uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarop de instelling(en) de betrokken equivalente opleiding wil(len) stopzetten. Het aanvraagdossier stelt de Commissie Hoger Onderwijs in staat de toetsing aan de criteria, vermeld in paragraaf 2, uit te voeren.
4De VLUHR bezorgt de Commissie Hoger Onderwijs uiterlijk 1 maand na indiening van het desbetreffende dossier een advies over de gevraagde vrijstelling van de equivalentievoorwaarde.
5§ 2. De Commissie Hoger Onderwijs legt samen met het beoordeelde dossier een advies aan de Vlaamse Regering voor over de gevraagde afwijking van de equivalentievoorwaarde:
61° uiterlijk op 1 december van hetzelfde academiejaar in de volgende gevallen:
7a) als de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde betrekking heeft op de afbouw/stopzetting van een bestaande equivalente opleiding;
4Samen met het aanvraagdossier wordt aan de Commissie Hoger Onderwijs een advies bezorgd van de VLIR, voor de aanvragen van de universiteiten, of de VLHORA, voor de aanvragen van de hogescholen, over de gevraagde vrijstelling van de equivalentievoorwaarde. Als het advies van de VLIR of de VLHORA niet opgenomen is in het aanvraagdossier dat aan de Commissie Hoger Onderwijs wordt bezorgd, verklaart de Commissie Hoger Onderwijs de aanvraag voor de opleiding in kwestie onontvankelijk. De Commissie Hoger Onderwijs kan binnen een termijn van 15 dagen aan de VLIR of de VLHORA verduidelijkingen vragen over het door hen geleverde advies.
5§ 2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit over de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde op basis van de volgende criteria, waaraan cumulatief voldaan moet worden :
61° de anderstalige opleiding is internationaal georiënteerd, doordat :
7a) het beheersen van algemene en specifieke beroepsgerichte competenties, samen met de vakinhoudelijke competenties niet kan worden bereikt in een Nederlandstalige opleiding;
8b) de afgestudeerden in hoofdzaak op de internationale arbeidsmarkt terechtkomen;
92° de opleiding heeft geen betrekking op het erfgoed van de Nederlandse taal of cultuur, of de afgestudeerden van de opleiding komen niet in hoge mate in aanraking met Nederlandstalige burgers;
103° de aanwezige expertise en capaciteit in Vlaanderen is te beperkt om een dubbel aanbod te creëren.
11In het geval het een aanvraag als vermeld in artikel II.264, § 1, eerste lid, 2°, betreft, geldt naast de criteria, vermeld in het eerste lid, als bijkomend criterium dat het aantal studenten in de Nederlandstalige opleiding onvoldoende is om een dubbel aanbod te creëren.
12De Commissie Hoger Onderwijs onderzoekt expliciet alle criteria, omschrijft per criterium haar bevindingen, antwoordt op alle argumenten die worden aangebracht in het aanvraagdossier en in het advies van de VLIR de VLHORA, en motiveert haar positieve of negatieve oordeel over het ingediende dossier.
13§ 3. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel uit :
8b) als de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding ;141° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag van een anderstalige opleiding voor een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding : samen met het oordeel, vermeld in artikel II.263, § 3, eerste lid, 1° ;
92° uiterlijk op 15 april van hetzelfde academiejaar als de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met de aanvraag van een nieuwe initiele bachelor- of masteropleiding.
10§ 3. De Vlaamse Regering neemt op basis van het advies van de Commissie Hoger Onderwijs een beslissing over de afwijking op de equivalentievoorwaarde:
111° uiterlijk op 15 januari van hetzelfde academiejaar, vermeld in de gevallen opgesomd in paragraaf 2, 1° ;
122° uiterlijk op 15 mei van het hetzelfde academiejaar als de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met de aanvraag van een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding .152° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag van een anderstalige opleiding voor een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding : samen met het oordeel, vermeld in artikel II.263, § 3, eerste lid, 2° ;
163° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde betrekking heeft op de afbouw of stopzetting van een bestaande equivalente opleiding : uiterlijk op 31 januari van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de equivalente opleiding wordt afgebouwd of stopgezet.
17De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt haar oordeel aan het instellingsbestuur en aan de Vlaamse Regering.
18Bij een negatief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs kan de instelling binnen een vervaltermijn van 15 dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de beslissing van de Commissie Hoger Onderwijs, beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen een vervaltermijn van 30 dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het beroepschrift.
19Bij een positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs, tenzij de Vlaamse Regering binnen een vervaltermijn van 45 dagen, die ingaat op de dag waarop de Commissie Hoger Onderwijs haar oordeel aan de Vlaamse Regering bezorgt, alsnog negatief oordeelt, of bij een positieve beslissing van de Vlaamse Regering, wordt voor de anderstalige bachelor- of masteropleiding die in het aanvraagdossier is vermeld, van rechtswege een vrijstelling van equivalentie verleend :
201° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft : na het positief doorlopen van de procedure, vermeld in artikel II.263;
212° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft : na het positief doorlopen van de programmatieprocedure, vermeld in artikel II.153.
13Indien de Vlaamse Regering geen beslissing neemt op de in deze paragraaf vastgestelde momenten, wordt de beslissing geacht negatief te zijn.22Als de Commissie Hoger Onderwijs geen oordeel velt uiterlijk op de data, vermeld in deze paragraaf, of als de Vlaamse Regering geen beslissing neemt naar aanleiding van een beroepschrift op de momenten, vermeld in deze paragraaf, wordt het oordeel of de beslissing geacht negatief te zijn.
14De Vlaamse Regering deelt deze beslissing mee aan het Vlaams Parlement.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.288
5Bij een hernieuwing van 1 of meer mandaten wordt, zolang het quotum niet gerealiseerd is, een kandidaat van het ondervertegenwoordigde geslacht aangewezen.5Bij een hernieuwing van 1 of meer mandaten wordt, zolang het quotum niet gerealiseerd is, een kandidaat van het ondervertegenwoordigde geslacht aangewezen.
6Ingeval leden verhinderd zijn om effectief te zetelen volgens de vooropgestelde quota omwille van niet beschikbaarheid of andere onverenigbaarheden, kan de zitting van de Raad wel doorgaan om de continuïteit en een snelle rechtsbedeling niet te verhinderen.6Ingeval leden verhinderd zijn om effectief te zetelen volgens de vooropgestelde quota omwille van niet beschikbaarheid of andere onverenigbaarheden, kan de zitting van de Raad wel doorgaan om de continuïteit en een snelle rechtsbedeling niet te verhinderen.
7§ 4. De werkend voorzitter, vermeld in artikel II.287, § 1, eerste lid, 1°, neemt zijn ambt op nadat hij in handen van de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs, de volgende eed heeft afgelegd : "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt na te komen.".
8De andere leden van de Raad, vermeld in artikel II.287, § 1, eerste lid, 1° en 2°, en de secretarissen, vermeld in artikel II.29, nemen hun ambt op nadat ze in handen van de werkend voorzitter van de Raad de volgende eed hebben afgelegd : "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt na te komen."
+7 −6 codex-hoger-onderwijs/art. II.387/1
1Als een instelling gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel II.126, § 2, tweede lid, wordt de geldigheidsduur van de accreditatie van haar opleidingen die in het kader van de accreditatieprocedure volgens het visitatierooster dat is vastgelegd door de VLUHR na 16 december 2014 een zelfevaluatierapport, zoals bedoeld in het accreditatiekader, moeten indienen, van rechtswege verlengd met acht academiejaren. Die verlenging is niet van toepassing op de volgende opleidingen :
21° de opleidingen die geaccrediteerd zijn conform artikel II.153, § 8;
1Als de geldigheid van de lopende accreditatietermijn van een opleiding aangeboden door een universiteit of hogeschool afloopt vóór de accreditatieorganisatie een besluit instellingsreview als vermeld in artikel II.170/7 van deze codex, heeft genomen voor de periode 2020-2025 voor de betreffende instelling, dan wordt de accreditatie van de opleiding verlengd met 6 jaar. Dit geldt niet voor :
32° de opleidingen die geaccrediteerd zijn conform artikel II.151, eerste lid;21° de opleidingen die geaccrediteerd zijn conform artikel II.151, eerste lid;
43° de opleidingen waarvan de geldigheidsduur van de accreditaties beperkt werd met toepassing van artikel II.147, § 3.
32° de opleidingen waarvan de studieomvang uitgebreid is of die erkend zijn als onderzoeksmasters, conform hoofdstuk 9, afdeling 4;
43° de opleidingen die een positief accreditatiebesluit met beperkte geldigheidsduur hebben ontvangen.
5In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden de opleidingen van bachelor in de verpleegkunde geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het academiejaar 2021-2022. 5De opleidingen van bachelor in de verpleegkunde worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het academiejaar 2021-2022. De eerstvolgende beoordeling en accreditatie verloopt volgens de procedure en regelgeving die van toepassing was voor 1 september 2019.
6In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, 1°, worden de bachelor-na-bacheloropleiding `Bachelor in de interdisciplinaire ouderenzorg' en `Bachelor in de oncologie', aangeboden door Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen, Arteveldehogeschool en Karel de Grote-Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen, geacht geaccrediteerd te zijn tot het einde van het academisch jaar 2021-2022.
6De bachelor-na-bacheloropleidingen, vermeld in artikel II.102, § 5, van deze codex, worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het academiejaar 2021-2022.
7Opleidingen die reeds een procedure voor accreditatie of de voorgaande procedure voor de externe beoordeling zijn opgestart voor 1 september 2019, worden geaccrediteerd volgens de procedure en de regelgeving die van toepassing was voor 1 september 2019.
+5 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.399
1De hogescholen bouwen de hbo5-opleidingen die door de centra voor volwassenenonderwijs werden aangeboden op basis van een door de Vlaamse Regering erkend opleidingsprofiel, een door de Vlaamse minister bevoegd voor Onderwijs goedgekeurd structuurschema of een goedgekeurd leerplan en lessentabel, en waarvoor de hogeschool de onderwijsbevoegdheid heeft verworven krachtens een overeenkomst met een centrum voor volwassenenonderwijs, af met ingang van het academiejaar 2019-2020.
2Tijdens de academiejaren 2019-2020, 2020-2021 en 2021-2022 worden in de lijst, vermeld in artikel II.170, de opleidingen, vermeld in paragraaf 1, ook opgenomen. Hogescholen kunnen voor die opleidingen studenten inschrijven, het curriculum zoals het van kracht was vóór het academiejaar 2019-2020, aanbieden en het diploma van gegradueerde uitreiken onder de voorwaarden, vermeld in het vierde lid.
3De opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die tot en met schooljaar 2018-2019 behoorden tot de onderwijsbevoegdheid van de centra voor volwassenenonderwijs en die niet worden geactualiseerd of waarvoor geen toets nieuwe opleiding voor de omvorming ervan werd ingediend voor 1 september 2019, kunnen niet als graduaatsopleiding worden aangeboden door de hogescholen. Opleidingen van het hoger beroepsonderwijs waarvoor een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding voor de omvorming werd ingediend voor 1 september 2019 maar die nog niet zijn erkend door de Vlaamse Regering op het ogenblik dat de Vlaamse Regering de lijst, vermeld in artikel II.170, § 2, vierde lid, vastlegt, worden opgenomen in de lijst, vermeld in artikel II.170, § 2, voor het academiejaar volgend op de erkenning door de Vlaamse Regering na de ontvangst van een positief toetsingsbesluit, vermeld in artikel II.153/6.
4Studenten die uiterlijk in het academiejaar 2018-2019 geslaagd zijn voor minstens een derde van een hbo5-opleiding in een centrum voor volwassenenonderwijs, hebben tot en met het academiejaar 2020-2021 het recht die opleiding te voltooien op basis van de inhoud en de studieomvang die van kracht was in het centrum voor volwassenenonderwijs.
5De hogescholen bepalen de modaliteiten waaronder de studenten, vermeld in het tweede lid, het diploma van gegradueerde kunnen behalen.
+5 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.5
20De onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun2014) is gelijk aan de onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun), vermeld in paragraaf 13.20De onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun2014) is gelijk aan de onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun), vermeld in paragraaf 13.
21Het variabele onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun2014) is het variabele onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun), vermeld in paragraaf 1, vermeerderd met de bedragen uit de kolom “VOZun2014 ZAP”, vermeld in paragraaf 13.21Het variabele onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun2014) is het variabele onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun), vermeld in paragraaf 1, vermeerderd met de bedragen uit de kolom “VOZun2014 ZAP”, vermeld in paragraaf 13.
22§ 2/1. Vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt de volgende component toegevoegd aan de totale werkingsuitkering, vermeld in paragraaf 2, eerste lid : een variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen (VOWhbo).
23§ 2/2. Professioneel gerichte opleidingen die over studiegebieden heen gerangschikt worden en waarvan een van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst of Muziek en podiumkunsten is, worden meegenomen voor de onderwijssokkel voor de professioneel gerichte opleidingen SOWprof2014 en voor het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen VOWprof2014.
22§3. Bij de universiteiten is de verhouding (sokkel onderwijs SOWun + variabel onderwijsdeel VOWun) ten opzichte van (sokkel onderzoek SOZun + variabel onderzoeksdeel SOZun) gelijk aan 55 %/45 %. Hierbij is de sokkel onderwijs SOWun gelijk aan de som van de onderwijssokkels van alle universiteiten, berekend overeenkomstig de bepalingen in artikel III.9.24§3. Bij de universiteiten is de verhouding (sokkel onderwijs SOWun + variabel onderwijsdeel VOWun) ten opzichte van (sokkel onderzoek SOZun + variabel onderzoeksdeel SOZun) gelijk aan 55 %/45 %. Hierbij is de sokkel onderwijs SOWun gelijk aan de som van de onderwijssokkels van alle universiteiten, berekend overeenkomstig de bepalingen in artikel III.9.
23§4. Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden voor de berekening van de 55%/45%-verhouding, vermeld in paragraaf 3, de volgende bedragen in rekening gebracht:25§4. Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden voor de berekening van de 55%/45%-verhouding, vermeld in paragraaf 3, de volgende bedragen in rekening gebracht:
216102.376,80218102.376,80
217Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.219Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.
220§ 17. Vanaf het begrotingsjaar 2022 is het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWhbo, vermeld in paragraaf 2/1, gelijk aan het bedrag dat overgedragen wordt conform artikel III.42/1.
221Vanaf het begrotingsjaar 2025 kan het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, evolueren conform artikel III.6, § 2/1.
222Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9.
+17 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.42/2 nieuw
1Voor een hogeschool die in het academiejaar 2019-2020 geen hbo5-opleiding overgenomen heeft van een centrum voor volwassenenonderwijs gelden tot en met het begrotingsjaar 2024 de volgende bepalingen als die instelling nieuwe graduaatsopleidingen aanbiedt :
21° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2019-2020 :
3a) voor het begrotingsjaar 2021 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2019-2020 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2021, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2019-2020 van alle hogescholen, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;
4b) voor de begrotingsjaren 2022, 2023 en 2024 worden de middelen, vermeld in punt a), cumulatief vermenigvuldigd met :
5i) voor het begrotingsjaar 2022 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogeschool in kwestie;
6ii) voor het begrotingsjaar 2023 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2020-2021 in de hogeschool in kwestie;
7iii) voor het begrotingsjaar 2024 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie;
82° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2020-2021 :
9a) voor het begrotingsjaar 2022 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2020-2021 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2022, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 van alle hogescholen, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;
10b) voor het begrotingsjaar 2023 worden de middelen, vermeld in punt a), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2020-2021 in de hogeschool in kwestie;
11c) voor het begrotingsjaar 2024 worden de middelen, vermeld in punt b), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie;
123° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2021-2022 :
13a) voor het begrotingsjaar 2023 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2021-2022 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2023, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 in de hogescholen, conform artikel II.42/1, § 2, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;
14b) voor het begrotingsjaar 2024 worden de middelen, vermeld in punt a), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie;
154° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2022-2023, worden voor het begrotingsjaar 2024 de middelen voor die hogeschool berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2022-2023 in de graduaatsopleidingen in de hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2024, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 in de hogescholen, conform artikel II.42/1, § 2, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding.
16De begrotingsjaren 2023 en 2024 worden meegenomen in de monitoring, vermeld in artikel III.42/1, § 2, 4°.
17Artikel III.42/1, § 3 en § 4, zijn van overeenkomstige toepassing op de middelen die overeenkomstig dit artikel worden gegenereerd.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.75
1De basissubsidie die de Vlaamse Gemeenschap beschikbaar stelt van het bijzonder universitair instituut worden voor de toepassing van artikel IV.18 en IV.19 beschouwd als werkingsuitkering.1De basissubsidie die de Vlaamse Gemeenschap beschikbaar stelt van het bijzonder universitair instituut worden voor de toepassing van artikel IV.18 beschouwd als werkingsuitkering.
2De loonkosten voor in artikel V.228 bedoelde personeelsleden worden vooraf genomen van de basissubsidie. Elk bijzonder universitair instituut kan het saldo aanwenden voor het dekken van werkingskosten en voor de aanwerving van personeelsleden buiten de personeelsformatie van de Initiërende Universiteit onder marktconforme voorwaarden, maar alleen in het kader van overeenkomsten van bepaalde duur van ten hoogste 6 jaar.2De loonkosten voor in artikel V.228 bedoelde personeelsleden worden vooraf genomen van de basissubsidie. Elk bijzonder universitair instituut kan het saldo aanwenden voor het dekken van werkingskosten en voor de aanwerving van personeelsleden buiten de personeelsformatie van de Initiërende Universiteit onder marktconforme voorwaarden, maar alleen in het kader van overeenkomsten van bepaalde duur van ten hoogste 6 jaar.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.114
33§4. De bedragen vermeld in paragraaf 3 worden vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel III.5, §9.33§4. De bedragen vermeld in paragraaf 3 worden vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel III.5, §9.
34§5. De Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee en de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies te Brussel leggen jaarlijks een begroting, een jaarrekening en een jaarverslag voor aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan nadere voorschriften opleggen betreffende de inhoud en het opstellen van de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag en kan ter plaatse de nodige verificaties laten uitvoeren.34§5. De Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee en de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies te Brussel leggen jaarlijks een begroting, een jaarrekening en een jaarverslag voor aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan nadere voorschriften opleggen betreffende de inhoud en het opstellen van de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag en kan ter plaatse de nodige verificaties laten uitvoeren.
35§6. De commissarissen van de Vlaamse Regering zijn belast met het toezicht op de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven en de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel, overeenkomstig de bepalingen in deel 4, titel 4, hoofdstuk 1.
35§6. ...
36§ 7. De bedragen voor de Evangelische Theologische Faculteit en de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.36§ 7. De bedragen voor de Evangelische Theologische Faculteit en de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.
+2 −3 codex-hoger-onderwijs/art. III.119
11In de begrotingsjaren 2015 en 2016 wordt een bedrag van 250.000 euro toegevoegd aan de toelage vermeld in deze paragraaf.11In de begrotingsjaren 2015 en 2016 wordt een bedrag van 250.000 euro toegevoegd aan de toelage vermeld in deze paragraaf.
12Vanaf het begrotingsjaar 2018 wordt een bedrag van 400.000 euro toegevoegd aan de toelage, vermeld in deze paragraaf.12Vanaf het begrotingsjaar 2018 wordt een bedrag van 400.000 euro toegevoegd aan de toelage, vermeld in deze paragraaf.
13Vanaf het begrotingsjaar 2019 wordt een bedrag van 400.000 euro toegevoegd aan de toelage vermeld in deze paragraaf.
14§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.13§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.
15De in paragraaf 1 bedoelde andere instellingen zijn instellingen die excellente hogere kunstopleidingen organiseren, doch krachtens artikel II.3 niet als hogescholen kunnen beschouwd worden.14De in paragraaf 1 bedoelde andere instellingen zijn instellingen die excellente hogere kunstopleidingen organiseren, doch krachtens artikel II.3 niet als hogescholen kunnen beschouwd worden.
204° de minimale kwalificaties van de ingezette personeelsleden en de arbeidsvoorwaarden;194° de minimale kwalificaties van de ingezette personeelsleden en de arbeidsvoorwaarden;
215° het afsluiten van een samenwerkingsakkoord met andere Vlaamse hogescholen die het betrokken studiegebied aanbieden, en eventueel met Belgische en buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs en derden. De samenwerkingsovereenkomst vermeldt ten minste de voorwaarden van samenwerking en de financiële vergoeding die in voorkomend geval voor de dienstverlening zal worden betaald;205° het afsluiten van een samenwerkingsakkoord met andere Vlaamse hogescholen die het betrokken studiegebied aanbieden, en eventueel met Belgische en buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs en derden. De samenwerkingsovereenkomst vermeldt ten minste de voorwaarden van samenwerking en de financiële vergoeding die in voorkomend geval voor de dienstverlening zal worden betaald;
226° het toezicht op de naleving van de verbintenissen door en de administratie, de sancties bij het niet naleven van de verbintenis en de procedure hierbij.
216° ...
23De besluiten die de Vlaamse Regering neemt in uitvoering van de bepalingen van deze codificatie met betrekking tot de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen en betreffende de algemene boekhouding, de jaarrekening en het rekeningstelsel voor de hogescholen zijn van overeenkomstige toepassing op de instituten voor schone kunsten en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren.22De besluiten die de Vlaamse Regering neemt in uitvoering van de bepalingen van deze codificatie met betrekking tot de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen en betreffende de algemene boekhouding, de jaarrekening en het rekeningstelsel voor de hogescholen zijn van overeenkomstige toepassing op de instituten voor schone kunsten en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren.
24§ 3/1. Het rapport van deze interne en externe kwaliteitszorg, vermeld in paragraaf 3, 2°, van hetzelfde artikel, is publiek en bevat een beoordeling van de onderwijskwaliteit van de door deze instituten of instellingen aangeboden opleidingen die leiden tot de titel van laureaat van een hoger instituut in de kunsten.23§ 3/1. Het rapport van deze interne en externe kwaliteitszorg, vermeld in paragraaf 3, 2°, van hetzelfde artikel, is publiek en bevat een beoordeling van de onderwijskwaliteit van de door deze instituten of instellingen aangeboden opleidingen die leiden tot de titel van laureaat van een hoger instituut in de kunsten.
25§4. De Vlaamse Regering kan de subsidiëring van een instituut of instelling verminderen, doch slechts jaarlijks en naar evenredigheid van de vastgestelde tekortkomingen op de in de beheersovereenkomst bezegelde afspraken.24§4. De Vlaamse Regering kan de subsidiëring van een instituut of instelling verminderen, doch slechts jaarlijks en naar evenredigheid van de vastgestelde tekortkomingen op de in de beheersovereenkomst bezegelde afspraken.
26§5. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 3 kunnen lopende beheersovereenkomsten maximaal 2 keer met ten hoogste 1 jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar af te sluiten. Indien na deze verlenging(en) naar het oordeel van de Vlaamse Regering de betrokken instelling een deugdelijk beleidsplan heeft voorgelegd, kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal 4 jaar worden gesloten.25§5. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 3 kunnen lopende beheersovereenkomsten maximaal 2 keer met ten hoogste 1 jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar af te sluiten. Indien na deze verlenging(en) naar het oordeel van de Vlaamse Regering de betrokken instelling een deugdelijk beleidsplan heeft voorgelegd, kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal 4 jaar worden gesloten.
27§ 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016, de bijkomende toelage van 400.000 euro vanaf 2018 en de bijkomende toelage van 400.000 euro vanaf 2019 niet in rekening gebracht.26§ 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016 en van 400.000 euro vanaf 2018 niet in rekening gebracht.
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. IV.19 opgeheven
1Indien de volgens artikel IV.18 begrote bezettingsgraad vermeerderd met de bezoldigingskosten van de gastprofessoren, met uitzondering van de gastprofessoren bezoldigd met daartoe bestemde giften of ten laste van overeenkomsten met derden die uitdrukkelijk in deze bezoldiging voorzien, en de plaatsvervangers, leidt tot uitgaven die in een bepaald begrotingsjaar meer dan 80% van jaarlijkse werkingsuitkering opslorpen, is de universiteit ertoe gehouden om deze bepaling van de begrote bezetting ten aanzien van de Vlaamse Regering te verantwoorden.
2Indien de volgens artikel IV.18 begrote bezettingsgraad vermeerderd met de bezoldigingskosten van de gastprofessoren, met uitzondering van de gastprofessoren bezoldigd met daartoe bestemde giften of ten laste van overeenkomsten met derden die uitdrukkelijk in deze bezoldiging voorzien, en de plaatsvervangers, leidt tot uitgaven die in een bepaald begrotingsjaar meer dan 85% van de jaarlijkse werkingsuitkering opslorpen, is de universiteit ertoe gehouden samen met de begroting een financieringsplan in te dienen waarbij wordt aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn de financiële herstructurering van de universiteit met de beschikbare reserves zal worden gerealiseerd. Zolang de Vlaamse Regering dit financieringsplan niet heeft goedgekeurd, kan er in de universiteit niemand meer worden benoemd of aangesteld ten laste van de werkingsuitkeringen.
3De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de 80-85 %norm moet berekend worden.
+0 −6 codex-hoger-onderwijs/art. IV.32 opgeheven
1§1. De geraamde bezoldigingskosten - met inbegrip van de mandaatvergoedingen en premies - van de geraamde personeelsformatie, van de contractuele personeelsleden bezoldigd ten laste van de werkingsuitkering en van de plaatsvervangers kunnen maximaal 5% variëren in min of in plus op de norm 80% van de jaarlijkse werkingsuitkering.
2In geval van een herstructurering zoals bedoeld in artikel I.3, 34°, kunnen de herstructurerende instellingen op gemotiveerde wijze afwijken van de in de eerste alinea bedoelde variatie.
3Hogescholen die met ingang van het academiejaar 2019-2020 opleidingen van het hoger beroepsonderwijs aanbieden kunnen tot en met het begrotingsjaar 2025 op gemotiveerde wijze afwijken van de in de eerste alinea bedoelde variatie.
4§2. Als de bezoldigingskosten zoals bepaald in paragraaf 1 hoger worden geraamd dan 85% van de jaarlijkse werkingsuitkering, dient de hogeschool samen met de begroting een financieringsplan in, dat aangeeft op welke wijze en binnen welke termijn zij met de beschikbare reserves de financiële herstructurering zal realiseren. De hogeschool kan niemand benoemen of aanstellen ten laste van de werkingsuitkering voordat de Vlaamse Regering dit financieringsplan heeft goedgekeurd.
5§3. Als de bezoldigingskosten zoals bepaald in paragraaf 1 lager worden geraamd dan 75% van de jaarlijkse werkingsuitkering, stelt de hogeschool samen met de begroting een personeelsstructuurplan op om het minimumniveau van 75% te bereiken. Dit personeelsstructuurplan behoeft de goedkeuring van het hogeschoolonderhandelingscomité.
6§4. De Vlaamse Regering legt de wijze vast voor het berekenen van de procentnormen zoals bepaald in de voorgaande paragrafen.
+3 −3 codex-hoger-onderwijs/art. IV.83
31° een prefiguratie van de jaarrekening die betrekking heeft op het lopende begrotingsjaar t, opgemaakt volgens het ESR-schema, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering vóór 15 november van het begrotingsjaar t;31° een prefiguratie van de jaarrekening die betrekking heeft op het lopende begrotingsjaar t, opgemaakt volgens het ESR-schema, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering vóór 15 november van het begrotingsjaar t;
42° een update van de prefiguratie van de jaarrekening die betrekking heeft op het begrotingsjaar t, opgemaakt volgens het ESR-schema, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering vóór 15 februari van het begrotingsjaar t+1;42° een update van de prefiguratie van de jaarrekening die betrekking heeft op het begrotingsjaar t, opgemaakt volgens het ESR-schema, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering vóór 15 februari van het begrotingsjaar t+1;
53° een prefiguratie van de jaarrekening die betrekking heeft op het begrotingsjaar t, opgemaakt volgens het ESR-schema en voorgelegd aan de bedrijfsrevisor, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering vóór 30 maart van het begrotingsjaar t+1;53° de definitieve jaarrekening die betrekking heeft op het begrotingsjaar t, opgemaakt volgens het ESR-schema, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering voor 31 maart van het begrotingsjaar t+1;
64° de definitieve jaarrekening die betrekking heeft op het begrotingsjaar t en opgemaakt conform de voorschriften van de Vlaamse Regering, vermeld in paragraaf 2 van dit artikel, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering vóór 15 april van het begrotingsjaar t+1.64° de definitieve jaarrekening die betrekking heeft op het begrotingsjaar t en opgemaakt conform de voorschriften, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering voor 31 maart van het begrotingsjaar t+1.
7Onder ESR-schema wordt begrepen het schema van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie, in navolging van de verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap.7Onder ESR-schema wordt begrepen het schema van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie, in navolging van de verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap.
8De definitieve jaarrekening gaat vergezeld van een door het instellingsbestuur opgesteld jaarverslag ten aanzien van alle voorzieningen van de instelling. De jaarrekening en het jaarverslag zijn openbare documenten.8De definitieve jaarrekening gaat vergezeld van een door het instellingsbestuur opgesteld jaarverslag ten aanzien van alle voorzieningen van de instelling. De jaarrekening en het jaarverslag zijn openbare documenten.
19§3. De rekening van het universitair ziekenhuis dat deel uitmaakt van de rechtspersoon van de universiteit wordt als bijlage gevoegd bij de jaarrekening. Een overzicht van de geldstromen tussen het universitair ziekenhuis en de rest van de universiteit, en voor wat de Universiteit Gent betreft tussen het Universitair Ziekenhuis Gent en de Universiteit Gent, wordt eveneens als bijlage bij de jaarrekening gevoegd.19§3. De rekening van het universitair ziekenhuis dat deel uitmaakt van de rechtspersoon van de universiteit wordt als bijlage gevoegd bij de jaarrekening. Een overzicht van de geldstromen tussen het universitair ziekenhuis en de rest van de universiteit, en voor wat de Universiteit Gent betreft tussen het Universitair Ziekenhuis Gent en de Universiteit Gent, wordt eveneens als bijlage bij de jaarrekening gevoegd.
20§4. De jaarrekening wordt goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Zij deelt de jaarrekening en haar bijlagen en het jaarverslag mee aan het Vlaams Parlement.20§4. De jaarrekening wordt goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Zij deelt de jaarrekening en haar bijlagen en het jaarverslag mee aan het Vlaams Parlement.
21Voor de universiteiten wordt de goedkeuring, vermeld in het eerste lid, beschouwd als verworven als de bevoegde regeringscommissaris en de afgevaardigde van financiën in hun analyse van de jaarrekening, rekening houdend met alle relevante informatie, een gunstig advies uitbrengen.21Voor de universiteiten wordt de goedkeuring, vermeld in het eerste lid, beschouwd als verworven als de bevoegde regeringscommissaris in de analyse van de jaarrekening, rekening houdend met alle relevante informatie, een gunstig advies uitbrengt.
22Voor de hogescholen wordt de goedkeuring, vermeld in het eerste lid, beschouwd als verworven als de bevoegde regeringscommissaris in zijn analyse van de jaarrekening, rekening houdend met alle relevante informatie, een gunstig advies uitbrengt.22Voor de hogescholen wordt de goedkeuring, vermeld in het eerste lid, beschouwd als verworven als de bevoegde regeringscommissaris in zijn analyse van de jaarrekening, rekening houdend met alle relevante informatie, een gunstig advies uitbrengt.
+14 −3 codex-hoger-onderwijs/art. IV.96
1De commissarissen van de Vlaamse Regering worden benoemd onder de houders van een diploma van master die ten minste 5 jaar nuttige ervaring hebben. Hun statuut wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld.
2Het ambt van commissaris is onverenigbaar met elk ambt in de universiteit waarbij het ambt wordt uitgeoefend.
3De bezoldiging van gewoon hoogleraar is op hen van toepassing. Hun dienstjaren als commissaris worden gelijkgesteld met academische dienstjaren.
1§ 1. De commissarissen van de Vlaamse Regering oefenen hun toezichtstaken uit volgens het singleauditprincipe.
2De toezichtstaken van de commissarissen van de Vlaamse Regering omvatten :
31° het door de instelling gevoerde risicomanagement evalueren, in overleg met de externe controleactoren en het Rekenhof. De commissarissen volgen de risicoanalyse van de instelling en de werking van de interne auditorganen op en kunnen opmerkingen formuleren;
42° themaonderzoeken uitvoeren op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of op eigen initiatief;
53° de wettelijkheid van de beslissingen van het bestuur controleren, met inbegrip van de controle op de medezeggenschapsverplichtingen, vermeld in deel 2, titel 7. De commissarissen van de Vlaamse Regering kunnen niet oordelen over de opportuniteit van beleidsbeslissingen van het bestuur;
64° toezicht houden op het financiële evenwicht. Dat toezicht heeft betrekking op :
7a) de controle van de wettelijkheid en regelmatigheid van alle ontvangsten en uitgaven, waarbij enerzijds de conformiteit met het bij of krachtens de wet of het decreet bepaalde, en anderzijds het financiële evenwicht van de instelling wordt onderzocht;
8b) de begrotingen en de jaarrekeningen. Met behoud van de toepassing van artikel IV.17, IV.25 en IV.83, § 4, tweede en derde lid, brengen de commissarissen daarover advies uit aan de minister, bevoegd voor het onderwijs, de minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid en de minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen;
9c) het onderzoek van de rekeningen uitgedrukt in het ESR en de naleving van de richtlijnen daarover.
10§ 2. De Vlaamse Regering kan aan een commissaris binnen de decretaal omlijnde opdrachten bijkomende toezichtstaken toewijzen.
11§ 3. De commissarissen kunnen met raadgevende stem de vergaderingen bijwonen van het bestuur. Ze oefenen hun raadgevende stem uit binnen het kader van hun toezicht.
12Behalve in de gevallen van dringende noodzakelijkheid zoals omschreven in het huishoudelijk reglement van de instelling, krijgen de commissarissen van de Vlaamse Regering 5 dagen voor de vergadering de volledige agenda van de vergadering en alle stukken toegestuurd.
13Ze ontvangen daarenboven binnen 5 werkdagen een afschrift van al de beslissingen die het bestuur heeft genomen over de punten die hun bevoegdheid betreffen.
14§ 4. De commissarissen kunnen bij de instelling alle documenten en inlichtingen opvragen of die ter plaatse raadplegen.
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. IV.97
1De commissarissen van de Vlaamse Regering mogen geen andere beroepsactiviteiten of andere bezoldigde activiteiten uitoefenen dan met toestemming van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.
1Tegen elke beslissing van het bestuur die ze strijdig achten met bepalingen die bij of krachtens de wet of het decreet zijn bepaald of die het financiële evenwicht van de hogeschool of de universiteit in gevaar brengt, dienen de commissarissen van de Vlaamse Regering een met redenen omkleed beroep in bij de Vlaamse Regering.
2Ze oefenen dat beroep uit binnen 10 werkdagen. Die termijn begint te lopen vanaf de eerste werkdag nadat de commissaris de beslissing heeft ontvangen. Ze brengen het bestuur binnen dezelfde termijn op de hoogte van dat beroep. De mededeling van het beroep schorst de uitvoering van de beslissing in kwestie.
+3 −2 codex-hoger-onderwijs/art. IV.98
1Binnen het door de Vlaamse Regering beschikbaar gestelde budget kunnen de commissarissen van de Vlaamse Regering voor de uitoefening van hun functie een beroep doen op personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid zoals bedoeld in artikelen I.1. en I.2., 1°, van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, van de Vlaamse openbare instellingen of van het onderwijs.
2De personeelsleden van de Vlaamse openbare instellingen en van het onderwijs worden in deze hoedanigheid belast met een opdracht. Deze opdracht wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit, overeenkomstig de statutaire bepalingen op hen van toepassing. Deze personeelsleden worden door de Vlaamse Regering aangesteld. Tijdens de duur van de opdracht wordt aan het betrokken personeelslid bij zijn instelling van herkomst vrijstelling van dienst verleend.
1Als de Vlaamse Regering vaststelt dat een beslissing van het bestuur strijdig is met bepalingen die bij of krachtens de wet of het decreet zijn bepaald, of het financiële evenwicht van de instelling in gevaar brengt, deelt ze dat binnen 20 werkdagen na het door de commissarissen ingediende beroep aan het bestuur mee. Die termijn begint te lopen vanaf de eerste werkdag na de dag van de ontvangst van het door de regeringscommissarissen ingediende beroep.
2De Vlaamse Regering verzoekt in de mededeling, vermeld in het eerste lid, het bestuur binnen 30 dagen hetzij een nieuwe beslissing te nemen die vrij is van onwettigheid of onregelmatigheid of het financiële evenwicht van de instelling niet in gevaar brengt, hetzij de beslissing in kwestie in te trekken.
3De gewraakte beslissing heeft alleen uitwerking als de Vlaamse Regering geen gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid, vermeld in het eerste lid.
+3 −3 codex-hoger-onderwijs/art. IV.99
1§1. De commissaris van de Vlaamse Regering waakt erover dat het universiteitsbestuur geen enkele beslissing neemt die strijdig is met het bij of krachtens de wet of decreet bepaalde of die het financieel evenwicht van de instelling in gevaar brengt. De commissaris van de Vlaamse Regering kan evenwel niet oordelen over de opportuniteit van beleidsbeslissingen van het universiteitsbestuur.
2Aan de commissaris van de Vlaamse Regering kunnen binnen zijn decretaal omlijnde opdrachten bijkomende controletaken worden toegewezen door de Vlaamse Regering.
3§2....
1Als bij het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel IV.98, het instellingsbestuur geen nieuwe beslissing neemt en dus de gewraakte beslissing stilzwijgend bevestigt, schorst de Vlaamse Regering binnen 20 werkdagen de toekenning van het geheel of een gedeelte van de uitkeringen van de hogeschool of de universiteit.
2De Vlaamse Regering deelt de maatregel, vermeld in het eerste lid, mee aan het bestuur binnen 7 werkdagen.
3Als de hogeschool of de universiteit in kwestie tegen de getroffen maatregel beroep instelt bij de rechtbank, wordt de uitvoering van de maatregel van de Vlaamse Regering tot aan de definitieve uitspraak van het gerecht geschorst.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. IV.100
1De commissaris van de Vlaamse Regering woont alle vergaderingen bij van de universiteitsbesturen waarop punten worden behandeld waarvoor zij bevoegd zijn. Hij heeft er raadgevende stem binnen het kader van zijn controleopdracht.
1De Vlaamse Regering kan, op voorstel van de commissaris, de opmaak van een financieringsplan opleggen, als die vaststelt dat het financiële evenwicht van een hogeschool of universiteit op korte of lange termijn ernstig in het gedrang komt. In dat financieringsplan geeft de instelling aan op welke manier en binnen welke termijn de financiële herstructurering van de instelling wordt gerealiseerd.
+2 −3 codex-hoger-onderwijs/art. IV.101
1Behoudens de gevallen van dringende noodzakelijkheid die hij aanvaardt, ontvangt de commissaris van de Vlaamse Regering 5 vrije dagen voor de vergadering de volledige agenda van de vergadering alsmede alle stukken.
2Binnen de bevoegdheid, vastgelegd in artikel IV.99, heeft hij steeds het recht om door het universiteitsbestuur gehoord te worden over alle punten en geeft hij aan het universiteitsbestuur alle opmerkingen die hij noodzakelijk acht in het kader van zijn opdracht.
3Hij heeft tevens het recht tot inzage van de dossiers die voor deze punten voorgelegd worden aan de beraadslaging en beslissing van het universiteitsbestuur. Hij ontvangt daarenboven binnen de 5 dagen een afschrift van al de beslissingen genomen door het universiteitsbestuur over de punten die zijn bevoegdheid betreffen.
1De Vlaamse Regering benoemt een commissaris bij de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven en de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies te Brussel.
2De commissaris oefent het toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 1.
+2 −3 codex-hoger-onderwijs/art. IV.102
1Tegen elke beslissing van het universiteitsbestuur die hij respectievelijk strijdig acht met het bij of krachtens de wet of decreet bepaalde of het financieel evenwicht van de universiteit in gevaar brengt, dient de commissaris van de Vlaamse Regering beroep in bij de Vlaamse Regering.
2Dit beroep wordt met redenen omkleed. De commissarissen van de Vlaamse Gemeenschap oefenen dit beroep uit binnen 7 kalenderdagen. Deze termijn begint te lopen na de dag van ontvangst van de beslissing door de commissaris van de Vlaamse Gemeenschap.
3Van dit beroep wordt binnen dezelfde termijn kennis gegeven aan het universiteitsbestuur. De uitvoering van de beslissing wordt door het beroep geschorst.
1De Vlaamse Regering kan een ambtenaar of een commissaris aanwijzen die bij de Vlerick Business School, de Antwerp Management School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde, en de hogere instituten en andere instellingen voor schone kunsten als vermeld in artikel III.119, toeziet op de uitvoering van de beheersovereenkomst en de naleving van de subsidiëringsvoorwaarden.
2Het instellingsbestuur bezorgt daartoe aan de ambtenaar of de commissaris alle nodige informatie en documenten.
+3 −2 codex-hoger-onderwijs/art. IV.103
1Indien daartoe aanleiding bestaat, stelt de Vlaamse Regering, binnen de 30 dagen na het beroep, het universiteitsbestuur in kennis dat zijn beslissing strijdig is met het bij of krachtens de wet of decreet bepaalde of het financieel evenwicht van de instelling in gevaar brengt.
2De Vlaamse Regering verzoekt het universiteitsbestuur in dezelfde mededeling binnen 30 dagen een nieuwe beslissing te treffen die niet onwettelijk of onregelmatig is, ofwel de beslissing in te trekken.
1De commissarissen van de Vlaamse Regering vormen samen een college.
2Het college wijst bij consensus een voorzitter aan. De voorzitter zorgt voor de coördinatie van de werkzaamheden van het college en fungeert als aanspreekpunt voor materies die het gehele hoger onderwijs betreffen. Het voorzitterschap is onbezoldigd.
3Een afgevaardigde van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming en een afgevaardigde van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, kunnen de vergaderingen van het college bijwonen.
+6 −5 codex-hoger-onderwijs/art. IV.104
1Indien bij het verstrijken van deze termijn, geen enkele nieuwe beslissing werd genomen, spreekt de Vlaamse Regering binnen 20 dagen de vernietiging uit van de beslissing indien deze genomen werd door het universiteitsbestuur van de universiteiten vermeld onder artikel II.2, 2°, 3° en 4°.
2Indien het gaat om een universiteit vermeld onder artikel II.2, 1° en 5°, kan de Vlaamse Regering binnen 20 dagen de toekenning van het geheel of een gedeelte van de jaarlijkse uitkeringen voor werkings- en investeringsuitgaven aan de betrokken universiteit schorsen.
3De door de Vlaamse Regering genomen maatregel is met redenen omkleed en wordt binnen een termijn van 7 vrije werkdagen ter kennis gebracht van het bestuur van de betrokken universiteit.
4Het eventueel beroep bij de rechtbank ingesteld door de betrokken universiteit vermeld onder artikel II.2, 1°, 2° en 6°, tegen de getroffen maatregel, schorst de uitvoering van deze maatregel tot aan de definitieve uitspraak van het gerecht.
5De gewraakte beslissing heeft enkel uitwerking indien, binnen 30 dagen na het beroep, de Vlaamse Regering geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel IV.103 bepaalde prerogatieven.
1Het college is belast met de volgende taken :
21° een coherente interpretatie van de regelgeving bij de uitoefening van de toezichtstaken;
32° de coördinatie van het geheel van de werkzaamheden van de commissarissen van de Vlaamse Regering. Er wordt daarvoor een gemeenschappelijk werkkader voor alle commissarissen opgesteld;
43° het jaarlijks opstellen van een controleprogramma Hoger Onderwijs binnen het kader van de single audit, met aanduiding van de timing en planning van hun werkzaamheden en van de werkzaamheden van de andere toezichthouders binnen het hoger onderwijs. Ook de planning van de themaonderzoeken en meta-audits, op eigen initiatief of op verzoek van de minister, bevoegd voor het onderwijs, wordt in dat controleprogramma opgenomen, tenzij uitzonderlijke omstandigheden een dringend onderzoek noodzakelijk maken.
5Het college stelt jaarlijks voor 1 september een sectoranalyse op die de financiële toestand en andere belangrijke parameters van het gehele hoger onderwijs beschrijft van het vorige kalenderjaar. In dat verslag rapporteert het college onder meer over de financiële toestand van de instellingen en over de evoluties van het personeelsbestand van de instellingen. Het verslag over de evolutie van het personeelsbestand wordt via de Vlaamse Regering voor advies bezorgd aan het Vlaams Onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs.
6De Vlaamse Regering kan, binnen de decretaal omlijnde opdrachten, het college belasten met bijzondere opdrachten.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. IV.105
1De Vlaamse Regering benoemt onder de inspecteurs van Financiën geaccrediteerd bij de Vlaamse Gemeenschap een afgevaardigde van financiën bij iedere universiteit. Eénzelfde afgevaardigde kan bij meerdere universiteiten aangesteld worden. De afgevaardigde van financiën oefent in samenwerking met de commissaris van de Vlaamse Regering dezelfde functies uit als deze laatste voor alle handelingen die een budgettaire of financiële weerslag hebben en dit onder dezelfde voorwaarden en dezelfde modaliteiten.
1Het college kan voor de uitoefening van zijn opdracht een beroep doen op personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid als vermeld in artikel I.1 en I.2, 1°, van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006. De rechtspositieregeling van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid is op hen van toepassing. Op basis van een behoefteplan opgesteld door het college, stelt de Vlaamse Regering het personeelseffectief vast van de diensten van het college binnen het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. Het college bepaalt de concrete taakomschrijving van die personeelsleden en staat in voor hun aansturing en evaluatie.
+9 −3 codex-hoger-onderwijs/art. IV.106
1De controle van de Vlaamse Regering ten aanzien van het beheer van de hogescholen omvat:
21° de controle van de wettelijkheid en regelmatigheid van alle ontvangsten en uitgaven, waarbij de conformiteit met het bij of krachtens de wet of het decreet bepaalde enerzijds, en het financiële evenwicht van de hogeschool anderzijds wordt onderzocht;
32° het onderzoek van de rekeningen en de financiële staten : de rekeningen moeten een juist beeld geven van de gedane verrichtingen en van de financiële toestand, en zij moeten in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde boekhoudprincipes.
1§ 1. De titularis die op 31 juli 2019 benoemd is in het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogescholen, wordt met ingang van 1 augustus 2019 geacht benoemd te zijn in het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering, vermeld in artikel IV.95.
2§ 2. De titularis die op 31 juli 2019 benoemd is in het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering bij de Universiteit Gent behoudt het statuut dat van toepassing is op 31 juli 2019.
3§ 3. De benoemde personeelsleden die op 31 juli 2018 tewerkgesteld zijn bij een commissaris van de Vlaamse Regering bij een universiteit of bij de hogescholen of bij het college, worden op 1 augustus 2019 geacht tewerkgesteld te zijn bij het college als personeelsleden die benoemd zijn. Na overleg met het betrokken personeelslid legt het college voor het personeelslid een nieuwe taakomschrijving vast.
4§ 4. De personeelsleden van het onderwijs die op 31 juli 2018 op basis van een verlof voor opdracht zijn tewerkgesteld bij een commissaris, blijven vanaf 1 augustus 2019 tewerkgesteld bij het college als personeelsleden belast met een verlof voor opdracht. Na overleg met het betrokken personeelslid legt het college voor het personeelslid een nieuwe taakomschrijving vast.
5De opdracht, vermeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit overeenkomstig de statutaire bepalingen die op hen van toepassing zijn. Tijdens de duur van de opdracht wordt aan het betrokken personeelslid bij zijn instelling van herkomst vrijstelling van dienst verleend.
6§ 5. De contractuele personeelsleden die op 31 juli 2018 met een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld bij een commissaris, worden vanaf 1 augustus 2019 als contractuele personeelsleden tewerkgesteld bij het college.
7§ 6. De personeelsleden die voor 1 september 2013 belast waren met een opdracht bij de diensten van het college van commissarissen en vóór die datum genoten van een toelage door de specificiteit van de opdracht, behouden die toelage.
8§ 7. In afwijking van artikel V.51 en V.191, § 2, kunnen de hogescholen en universiteiten uiterlijk tot 31 maart 2019 personeelsleden die voor 31 juli 2018 tewerkgesteld zijn bij een commissaris, zonder openbare vacature rangschikken in een graad van het administratief en technisch personeel met het oog op een effectieve tewerkstelling vanaf 1 augustus 2019.
9De in het eerste lid vermelde rangschikking is niet mogelijk zonder instemming van het betrokken personeelslid. Een vastbenoemd personeelslid dat gerangschikt wordt in een graad van het administratief en technisch personeel aan de Universiteit Gent, de Universiteit Hasselt, de Universiteit Antwerpen of een hogeschool wordt in die instelling benoemd als lid van het administratief en technisch personeel.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. IV.107 opgeheven
1De Vlaamse Regering vertrouwt deze controletaken toe aan commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen.
+0 −7 codex-hoger-onderwijs/art. IV.108 opgeheven
1§1. De Vlaamse Regering benoemt een commissaris van de Vlaamse Regering bij iedere hogeschool. Eenzelfde commissaris kan bij meerdere hogescholen worden aangesteld.
2De commissarissen van de Vlaamse Regering worden benoemd onder de houders van een masterdiploma of een bij of krachtens de wet of het decreet of internationaal verdrag gelijkgesteld diploma, die ten minste 5 jaar nuttige ervaring hebben.
3Het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogescholen is onverenigbaar met elk ambt of bestuursmandaat in een universiteit, hogeschool, associatie of instelling voor postinitieel onderwijs binnen de Vlaamse Gemeenschap.
4§2. De commissarissen van de Vlaamse Regering ontvangen de bezoldiging die op een gewoon hoogleraar aan een Vlaamse universiteit van toepassing is. Hun dienstjaren als commissaris worden gelijkgesteld met academische dienstjaren.
5De rechtspositieregeling van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid is op hen van toepassing. De Vlaamse Regering is gemachtigd met betrekking tot de commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen aanvullende of afwijkende rechtspositieregels vast te stellen.
6§3. De commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen mogen geen andere beroepsactiviteiten of andere bezoldigde activiteiten uitoefenen dan met toestemming van de Vlaamse minister bevoegd voor onderwijs.
7§4. De Vlaamse Regering bepaalt de ambtsgebieden van de commissarissen.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. IV.109 opgeheven
1§1. De titularissen die op 31 december 2008 benoemd waren hetzij in het ambt van commissaris-coördinator van de Vlaamse Regering bij de hogescholen hetzij in het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogescholen, worden met ingang van 1 januari 2009 geacht benoemd te zijn in het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogescholen zoals bedoeld in artikel IV.108.
2§2. De commissarissen van de Vlaamse Regering die op 31 december 2008 belast waren met het toezicht op een of meer instellingen behouden vanaf 1 januari 2009 het ambtsgebied dat hen toegewezen was.
+0 −6 codex-hoger-onderwijs/art. IV.110 opgeheven
1§1. De commissarissen van de Vlaamse Regering zien erop toe dat het hogeschoolbestuur geen enkele beslissing neemt, die strijdig is met het bij of krachtens de wet of het decreet bepaalde, of die het financiële evenwicht van de instelling in gevaar brengt.
2Aan de commissaris van de Vlaamse Regering kunnen binnen zijn decretaal omlijnde opdrachten bijkomende controletaken worden toegewezen door de Vlaamse Regering.
3§2. Het college van commissarissen van de Vlaamse Regering beschikt over alle bevoegdheden noodzakelijk voor de uitoefening van zijn opdracht.
4Teneinde deze opdracht te kunnen uitoefenen, kan het college een beroep doen op personeelsleden van de Vlaamse overheid of van het onderwijs.
5De Vlaamse Regering stelt het personeelseffectief vast van de diensten van het college van commissarissen van de Vlaamse Regering, de wijze en de functie waarop de in het tweede lid vermelde personeelsleden kunnen worden aangeduid, alsmede de jaarlijkse toelage die aan de betrokken personeelsleden omwille van de specificiteit van hun opdracht kan worden uitbetaald. Deze toelagen worden gelijkgesteld met de jaarlijkse toelagen van attaché, respectievelijk uitvoerend personeelslid tot een maximumbedrag van 3.403 euro, respectievelijk 2.382 euro. Deze toelagen worden maandelijks na vervallen termijn uitbetaald en gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld door de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van het stelsel tot koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen; daartoe worden ze gekoppeld aan het indexcijfer 138.01 Deze toelage wordt niet toegekend aan nieuwe personeelsleden die na 1 september 2013 belast worden met een opdracht bij de diensten van het college van commissarissen.
6De personeelsleden van de Vlaamse openbare instellingen en van het onderwijs worden in deze hoedanigheid belast met een opdracht. Deze opdracht wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit, overeenkomstig de statutaire bepalingen op hen van toepassing. Deze personeelsleden worden door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, aangesteld. Tijdens de duur van de opdracht wordt aan het betrokken personeelslid bij zijn instelling van herkomst vrijstelling van dienst verleend.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. IV.111 opgeheven
1De commissarissen van de Vlaamse Regering kunnen met raadgevende stem alle vergaderingen bijwonen van het hogeschoolbestuur, waarop punten worden behandeld waarvoor zij bevoegd zijn. Ze oefenen hun raadgevende stem uit binnen het kader van hun controletaken.
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. IV.112 opgeheven
1§1. Behoudens de gevallen van dringende noodzakelijkheid die zij aanvaarden, krijgen de commissarissen van de Vlaamse Regering 5 vrije dagen voor de vergadering de volledige agenda van de vergadering, alsmede alle stukken toegestuurd.
2§2. Zij hebben te allen tijde het recht om door het hogeschoolbestuur te worden gehoord over alle punten die tot hun bevoegdheid behoren. Zij hebben inzagerecht in de dossiers die voor deze punten voorgelegd worden aan de beraadslaging en beslissing van het hogeschoolbestuur. Zij krijgen binnen 5 dagen een afschrift van alle beslissingen van het hogeschoolbestuur over de punten waarvoor ze bevoegd zijn.
3§3. Zij geven aan het hogeschoolbestuur alle opmerkingen die zij noodzakelijk achten in het kader van hun opdracht.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. IV.114 opgeheven
1§1. Tegen elke beslissing van het hogeschoolbestuur, die zij strijdig achten met het bij of krachtens de wet of het decreet bepaalde of die het financieel evenwicht van de hogeschool in gevaar brengt, dienen de commissarissen van de Vlaamse Regering een met redenen omkleed beroep in bij de Vlaamse Regering.
2§2. Zij oefenen dit beroep uit binnen 7 kalenderdagen. Deze termijn begint te lopen na de dag van ontvangst van de beslissing door de commissaris. Zij geven het hogeschoolbestuur binnen dezelfde termijn kennis van dit beroep dat de uitvoering van de beslissing schorst.
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. IV.115 opgeheven
1§1. Als de Vlaamse Regering vaststelt dat een beslissing van het hogeschoolbestuur strijdig is met het bij of krachtens de wet of het decreet bepaalde, of het financiële evenwicht van de hogeschool in gevaar brengt, deelt zij dat binnen 30 dagen na het door de commissarissen van de Vlaamse Regering aangetekende beroep aan het hogeschoolbestuur mee.
2§2. In dezelfde mededeling verzoekt de Vlaamse Regering het hogeschoolbestuur binnen 30 dagen hetzij een nieuwe beslissing te nemen die van onwettigheid of onregelmatigheid vrij is of het financieel evenwicht van de hogeschool niet in gevaar brengt, hetzij de betrokken beslissing in te trekken.
3§3. De gewraakte beslissing heeft alleen uitwerking als de Vlaamse Regering, binnen 30 dagen na het beroep, geen gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in paragraaf 1.
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. IV.116 opgeheven
1§1. Als bij het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel IV.115, §2, het hogeschoolbestuur geen enkele nieuwe beslissing neemt, spreekt de Vlaamse Regering binnen 20 dagen de vernietiging uit van de beslissing van de publiekrechtelijke hogeschool, of schorst zij binnen 20 dagen de toekenning van het geheel of een gedeelte van de uitkeringen van de gesubsidieerde hogeschool.
2§2. De Vlaamse Regering motiveert haar maatregel en deelt hem binnen een termijn van 7 werkdagen aan het hogeschoolbestuur mee.
3§3. Wanneer de betrokken gesubsidieerde hogeschool tegen de getroffen maatregel beroep instelt bij de rechtbank, wordt de uitvoering van de maatregel van de Vlaamse Regering tot aan de definitieve uitspraak van het gerecht geschorst.
+0 −4 codex-hoger-onderwijs/art. IV.118 opgeheven
1De Vlaamse Regering oefent toezicht uit op de associaties inzake:
21° de overeenstemming van de beslissingen van de associatie met de regelgeving;
32° de vrijwaring van het financieel evenwicht.
4De Vlaamse Regering belast een commissaris van de Vlaamse Regering bij de universiteiten of bij de hogescholen met de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid.
+0 −4 codex-hoger-onderwijs/art. IV.119 opgeheven
1Tegen elke beslissing van de associatie die hij strijdig acht met de regelgeving of met het financieel evenwicht, dient de commissaris van de Vlaamse Regering beroep in bij de Vlaamse Regering.
2Indien daartoe aanleiding bestaat, stelt de Vlaamse Regering de associatie in kennis van de strijdigheid met de regelgeving of met het financieel evenwicht. De Vlaamse Regering verzoekt de associatie daarbij een nieuwe beslissing te treffen of de kwestieuze beslissing in te trekken.
3Indien op dit verzoek niet wordt ingegaan, kan de Vlaamse Regering op gemotiveerde wijze een financiële sanctie opleggen. De financiële sanctie wordt verhaald op de totaliteit van de werkingsuitkeringen, bedoeld in deel 3, titel 1, hoofdstuk 1, die toekomen aan de universiteit en de hogescho(o)l(en) die onder de associatie ressorteren en bedraagt ten hoogste 10% daarvan. De partners kunnen solidair en in solidum worden aangesproken.
4Het eventueel jurisdictioneel beroep ingesteld door de betrokken associatie tegen de beslissing waarbij een financiële sanctie wordt opgelegd, schorst de uitvoering van deze maatregel tot een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing voorhanden is.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. IV.120 opgeheven
1De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het toezicht, inzonderheid de termijnen die bij de toepassing van artikel IV.119 in acht dienen te worden genomen. Zij houdt daarbij rekening met de regelen inzake de hoorplicht.
+0 −3 codex-hoger-onderwijs/art. IV.121 opgeheven
1Een ambtenaar van de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap, aangeduid door de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs, ziet bij de Vlerick Business School en de Antwerp Management School toe op de uitvoering van de beheersovereenkomst en de naleving van de subsidiëringsvoorwaarden.
2Een commissaris van de Vlaamse Regering als vermeld in artikel IV.95 of IV.108, ziet bij het Instituut voor Tropische Geneeskunde toe op de uitvoering van de beheersovereenkomst en de naleving van de subsidiëringsvoorwaarden.
3Het instellingsbestuur bezorgt daartoe aan de ambtenaar of de commissaris van de Vlaamse Regering alle nodige informatie en documenten.
+0 −10 codex-hoger-onderwijs/art. IV.122 opgeheven
1De commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen en de universiteiten vormen een college. Het college vergadert ten minste 6 maal per jaar.
2Het voorzitterschap van het college wordt onbezoldigd waargenomen volgens een beurtrol en afwisselend door 1 van de commissarissen van de Vlaamse regering bij de universiteiten en door 1 van de commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen. De duur van het voorzitterschap bedraagt 2 jaar. Deze termijn kan door het college worden hernieuwd. Het college bepaalt bij consensus de volgorde van de komende voorzitterschappen.
3Een afgevaardigde van het Ministerie van Onderwijs en Vorming en een afgevaardigde van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, kunnen de vergaderingen van het college bijwonen.
4Het college is onder meer belast met de volgende taken:
51° het college zorgt voor een coherente interpretatie van de regelgeving bij de uitoefening van zijn controletaken;
62° het college is belast met :
7a) de coördinatie van de werkzaamheden van de commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen en de universiteiten;
8b) een billijke en objectieve verdeling van de beschikbare personeelsleden en middelen over de diensten van de commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen en de universiteiten, desgevallend voor de vorming van regionale teams;
93° het college brengt jaarlijks verslag uit aan de Vlaamse Regering over de werkzaamheden van de commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen en de universiteiten, over de financiële toestand van de universiteiten, hogescholen en associaties en over de evolutie van het personeelsbestand van universiteiten en hogescholen. Het verslag over de evolutie van het personeelsbestand wordt via de Vlaamse Regering voor advies bezorgd aan het Vlaams Onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs.
10De Vlaamse Regering kan het college belasten met bijzondere opdrachten.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.39
1Aan de personen die in de universiteit een bestuursmandaat bekleden, kan een vergoeding worden toegekend waarvan het bedrag door het universiteitsbestuur of het ermee gelijk te stellen orgaan wordt bepaald.1Aan de personen die in de universiteit een bestuursmandaat bekleden, kan een vergoeding worden toegekend waarvan het bedrag door het universiteitsbestuur of het ermee gelijk te stellen orgaan wordt bepaald.
2Het universiteitsbestuur kan in het kader van haar aanwervingsbeleid, excellentiebeleid en retentiebeleid gedurende een bepaald aantal jaren aan leden van het zelfstandig academisch personeel een salaristoeslag toekennen. Deze salaristoeslagen worden aangerekend op de uitgaven voor het academisch personeel. Het totaal bedrag aan voorziene salaristoeslagen beloopt ten hoogste 1% van de geraamde personeelsuitgaven voor het academisch personeel zoals die blijken uit afdeling I van de begroting bedoeld in artikel IV.14. De salaristoeslagen worden meegerekend als personeelsuitgaven voor het bepalen van de in artikel IV.19 bedoelde 80%- of 85%-norm.2Het universiteitsbestuur kan in het kader van haar aanwervingsbeleid, excellentiebeleid en retentiebeleid gedurende een bepaald aantal jaren aan leden van het zelfstandig academisch personeel een salaristoeslag toekennen. Deze salaristoeslagen worden aangerekend op de uitgaven voor het academisch personeel. Het totaal bedrag aan voorziene salaristoeslagen beloopt ten hoogste 1% van de geraamde personeelsuitgaven voor het academisch personeel zoals die blijken uit afdeling I van de begroting bedoeld in artikel IV.14.
3Het universiteitsbestuur kan ten laste van de inkomsten uit postacademische vorming aan leden van het academisch personeel die in het kader van hun opdracht belast worden met het verschaffen van postacademische vorming een persoonlijke vergoeding toekennen. Het totaal bedrag aan vergoedingen die kunnen worden toegekend, bedraagt ten hoogste de helft van de totale inkomsten voortvloeiend uit postacademische vorming, na aftrek van alle kosten.3Het universiteitsbestuur kan ten laste van de inkomsten uit postacademische vorming aan leden van het academisch personeel die in het kader van hun opdracht belast worden met het verschaffen van postacademische vorming een persoonlijke vergoeding toekennen. Het totaal bedrag aan vergoedingen die kunnen worden toegekend, bedraagt ten hoogste de helft van de totale inkomsten voortvloeiend uit postacademische vorming, na aftrek van alle kosten.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.60
4De anciënniteitsopbouw in een salarisschaal is gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband.4De anciënniteitsopbouw in een salarisschaal is gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband.
5Het universiteitsbestuur kan aan door hem bepaalde categorieën van het administratief en technisch personeel een arbeidsmarktschaarstetoeslag toekennen van maximaal 20% van het jaarsalaris voor een periode van maximum 2 jaar. Deze toeslag is hernieuwbaar zolang de arbeidsmarktkrapte voortduurt.5Het universiteitsbestuur kan aan door hem bepaalde categorieën van het administratief en technisch personeel een arbeidsmarktschaarstetoeslag toekennen van maximaal 20% van het jaarsalaris voor een periode van maximum 2 jaar. Deze toeslag is hernieuwbaar zolang de arbeidsmarktkrapte voortduurt.
6Het universiteitsbestuur kan jaarlijks een premie toekennen aan leden van het administratief en technisch personeel na evaluatie van de geleverde prestaties. De premies worden aangerekend op de personeelsuitgaven voor het administratief en technisch personeel. Het totaal bedrag aan voorziene premies beloopt ten hoogste 1% van de geraamde personeelsuitgaven voor het administratief en technisch personeel zoals die blijken uit afdeling I van de begroting bedoeld in artikel IV.14. De premies worden meegerekend als personeelsuitgaven voor het bepalen van de in artikel IV.19 bedoelde 80%- of 85% norm.6Het universiteitsbestuur kan jaarlijks een premie toekennen aan leden van het administratief en technisch personeel na evaluatie van de geleverde prestaties. De premies worden aangerekend op de personeelsuitgaven voor het administratief en technisch personeel. Het totaal bedrag aan voorziene premies beloopt ten hoogste 1% van de geraamde personeelsuitgaven voor het administratief en technisch personeel zoals die blijken uit afdeling I van de begroting bedoeld in artikel IV.14.
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.64
1Een universiteit die academische hogeschoolopleidingen integreert, neemt met ingang van 1 oktober 2013 de personeelsleden in het integratiekader over van die hogeschool of hogescholen die academische opleidingen overdragen aan de desbetreffende universiteit, en dit voor de omvang van de opdracht, zoals opgenomen in de lijst vermeld in artikel V.209, §7, 7°.1Een universiteit die academische hogeschoolopleidingen integreert, neemt met ingang van 1 oktober 2013 de personeelsleden in het integratiekader over van die hogeschool of hogescholen die academische opleidingen overdragen aan de desbetreffende universiteit, en dit voor de omvang van de opdracht, zoals opgenomen in de lijst vermeld in artikel V.209, §7, 7°.
2De personeelsleden in het integratiekader worden vanaf 1 oktober 2013 personeelsleden van de desbetreffende universiteit, en dit voor de omvang van de opdracht, zoals opgenomen in de lijst vermeld in artikel V.209, §7, 7°.2De personeelsleden in het integratiekader worden vanaf 1 oktober 2013 personeelsleden van de desbetreffende universiteit, en dit voor de omvang van de opdracht, zoals opgenomen in de lijst vermeld in artikel V.209, §7, 7°.
3Een universiteit kan vanaf 1 oktober 2019 de personeelsleden die opgenomen zijn op de lijst, vermeld in artikel 103ter decies, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, of artikel 84vicies ter, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, opnemen in het integratiekader als een hogeschool die personeelsleden op grond van artikel V.206/1, eerste lid, van deze codex overgenomen heeft en de personeelsleden op grond van de overeenkomst, vermeld in artikel V.79/2, § 2, van deze codex aan de universiteit zijn toegewezen.
3De universiteit treedt ten opzichte van de personeelsleden in het integratiekader vanaf 1 oktober 2013 in de rechten en verplichtingen van de hogeschool die voor de integratie de betrokken personeelsleden tewerkstelde. In deze overdracht zijn alle rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige procedures inbegrepen.4De universiteit treedt ten opzichte van de personeelsleden in het integratiekader vanaf hun opname in het integratiekader in de rechten en verplichtingen van de hogeschool die voor de integratie de betrokken personeelsleden tewerkstelde. In deze overdracht zijn alle rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige procedures inbegrepen.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.79/4
1Een universiteit kan een lid van het bestuurs- en ondersteunend personeel als vermeld in artikel V.79/1, § 1, 2°, dat aan het centrum voor volwassenenonderwijs ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, tewerkstellen. Die tewerkstelling verloopt in wederzijdse toestemming tussen het ter beschikking gestelde personeelslid en de universiteit.
2De tewerkstelling, vermeld in het eerste lid, wordt voor het vastbenoemde personeelslid in kwestie beschouwd als een wedertewerkstelling conform het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage.
+4 −3 codex-hoger-onderwijs/art. V.206/2
1§ 1. De hogeschool neemt op 1 september 2019 de vastbenoemde personeelsleden, vermeld in artikel V.206/1, eerste lid, 1°, over voor de omvang van de betrekking waarvan zij op 31 december 2018 titularis zijn. De hogeschool neemt de tijdelijke personeelsleden, vermeld in artikel V.206/1, eerste lid, 2°, over voor de omvang van de betrekking waarvan deze personeelsleden op 30 juni 2019 titularis zijn.1§ 1. De hogeschool neemt op 1 september 2019 de vastbenoemde personeelsleden, vermeld in artikel V.206/1, eerste lid, 1°, over voor de omvang van de betrekking waarvan zij op 31 december 2018 titularis zijn. De hogeschool neemt de tijdelijke personeelsleden, vermeld in artikel V.206/1, eerste lid, 2°, over voor de omvang van de betrekking waarvan deze personeelsleden op 30 juni 2019 titularis zijn.
2§ 2. De benoemde personeelsleden behouden na de overname door de hogeschool hun vaste benoeming. De tijdelijke personeelsleden krijgen bij de overname een aanstelling van onbepaalde duur.2§ 2. De vastbenoemde personeelsleden behouden na de overname door de hogeschool hun vaste benoeming.
3De tijdelijke personeelsleden die op 31 augustus 2019 een dienstanciënniteit, berekend volgens de geldende rechtspositieregels voor het centrum voor volwassenenonderwijs, van ten minste 10 jaar in het ambt van lector hebben, worden door de hogeschool of, in geval van opname in het integratiekader door de universiteit, na een gunstige evaluatie benoemd. Die evaluatie gebeurt binnen 3 jaar na de overgang van het personeelslid.
3In afwijking van het eerste lid kan de hogeschool de personeelsleden die op 30 juni 2019 een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben, bij de overname benoemen. Een benoeming is alleen mogelijk als het personeelslid daarom verzoekt.4De tijdelijke personeelsleden die op 31 augustus 2019 niet voldoen aan de voorwaarde voor een vaste benoeming in het ambt van lector, krijgen bij de overname een aanstelling van onbepaalde duur. Die personeelsleden kunnen op hun verzoek benoemd worden als het hogeschoolbestuur daarmee instemt.
4Artikel IV.28 van deze codex is niet van toepassing.5Artikel IV.28 is niet van toepassing.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.206/3
1Een hogeschool kan de lectoren die opgenomen zijn op de lijst, vermeld in artikel 103ter decies, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, of artikel 84vicies ter, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, die de hogeschool op grond van artikel V.206/1, eerste lid, van deze codex overgenomen heeft, op grond van de overeenkomst, vermeld in artikel V.79/2, § 2, van deze codex, vanaf 1 oktober 2019 overdragen naar het integratiekader van een universiteit.
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.206/4
1Een hogeschool die de onderwijsbevoegdheid van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs of een deel van de financiële middelen voor een stopgezette specifieke lerarenopleiding overneemt, kan met ingang van 1 september 2019 de volgende personeelsleden overnemen zonder openbare vacature en vergelijkende selectieprocedure, voor zover deze personeelsleden vermeld zijn op een lijst bedoeld in artikel 103ter decies van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 84vicies ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 :
21° een lid van het onderwijzend personeel dat verbonden is aan een overgenomen opleiding en dat niet onder de toepassing van artikel V.206/1 valt;
32° een lid van het bestuurs- en ondersteunend personeel dat verbonden is aan het centrum voor volwassenenonderwijs waaraan de overgenomen opleiding verbonden is.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.206/7
1Een hogeschool kan een lid van het bestuurs- en ondersteunend personeel als vermeld in artikel V.79/1, § 1, 2°, dat aan het centrum voor volwassenenonderwijs ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, tewerkstellen. Die tewerkstelling verloopt in wederzijdse toestemming tussen het ter beschikking gestelde personeelslid en de hogeschool.
2De tewerkstelling, vermeld in het eerste lid, wordt voor het vastbenoemde personeelslid in kwestie beschouwd als een wedertewerkstelling conform het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.208
1Alle leden van het onderwijzend personeel en van het administratief en technisch personeel die op 1 februari 2013 aangesteld of benoemd zijn in het kader van 1 of meerdere academische opleidingen, die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in een universiteit, of die aan een dergelijke academische opleiding toegewezen zijn, worden opgenomen in de lijst, vermeld in artikel V.209. Ze maken deel uit van het integratiekader van de desbetreffende hogeschool.1Alle leden van het onderwijzend personeel en van het administratief en technisch personeel die op 1 februari 2013 aangesteld of benoemd zijn in het kader van 1 of meerdere academische opleidingen, die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in een universiteit, of die aan een dergelijke academische opleiding toegewezen zijn, worden opgenomen in de lijst, vermeld in artikel V.209.
2Een personeelslid dat niet opgenomen wil worden in het integratiekader, deelt deze beslissing uiterlijk op 31 januari 2013 mee aan het hogeschoolbestuur. In dat geval beëindigt het hogeschoolbestuur de aanstelling of benoeming van het betrokken personeelslid. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere afspraak wordt gemaakt, blijft het betrokken personeelslid zijn werkzaamheden aan de hogeschool vervullen tot het einde van het academiejaar 2012-2013. Het hogeschoolbestuur kent aan het personeelslid een opzeggingstermijn toe die ingaat op 1 februari 2013 en waarvan de duur wordt vastgesteld volgens het aantal arbeidsdagen dat vereist is om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. In ieder geval eindigt deze opzeggingstermijn als het betrokken personeelslid de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Een benoemd personeelslid wordt tijdens de opzeggingstermijn geacht als tijdelijk te zijn aangesteld.2Een personeelslid dat niet opgenomen wil worden in het integratiekader, deelt deze beslissing uiterlijk op 31 januari 2013 mee aan het hogeschoolbestuur. In dat geval beëindigt het hogeschoolbestuur de aanstelling of benoeming van het betrokken personeelslid. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere afspraak wordt gemaakt, blijft het betrokken personeelslid zijn werkzaamheden aan de hogeschool vervullen tot het einde van het academiejaar 2012-2013. Het hogeschoolbestuur kent aan het personeelslid een opzeggingstermijn toe die ingaat op 1 februari 2013 en waarvan de duur wordt vastgesteld volgens het aantal arbeidsdagen dat vereist is om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. In ieder geval eindigt deze opzeggingstermijn als het betrokken personeelslid de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Een benoemd personeelslid wordt tijdens de opzeggingstermijn geacht als tijdelijk te zijn aangesteld.
3Indien de opzeggingstermijn die aan het personeelslid moet toegekend worden opdat het personeelslid aanspraak zou kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, het einde van het academiejaar 2012-2013 overschrijdt, wordt het betrokken personeelslid op het einde van het academiejaar 2012-2013 onmiddellijk ontslagen met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met de resterende duur van de opzeggingstermijn die aan het personeelslid werd toegekend.3Indien de opzeggingstermijn die aan het personeelslid moet toegekend worden opdat het personeelslid aanspraak zou kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, het einde van het academiejaar 2012-2013 overschrijdt, wordt het betrokken personeelslid op het einde van het academiejaar 2012-2013 onmiddellijk ontslagen met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met de resterende duur van de opzeggingstermijn die aan het personeelslid werd toegekend.
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.210
14e) wijzigingen in de werkelijk uitgeoefende omvang van de opdracht, verbonden aan het ambt of de graad, in de betrokken academische opleidingen, met vermelding van het verlofstelsel indien van toepassing;14e) wijzigingen in de werkelijk uitgeoefende omvang van de opdracht, verbonden aan het ambt of de graad, in de betrokken academische opleidingen, met vermelding van het verlofstelsel indien van toepassing;
153° toevoegen van personeelsleden:153° toevoegen van personeelsleden:
16a) de personeelsleden, vermeld in artikel V.220, §2, eerste lid.16a) de personeelsleden, vermeld in artikel V.220, §2, eerste lid;
17b) ...
17Een wijziging in de omvang van de opdracht, zoals vermeld in punt 2°, d), is alleen mogelijk in de volgende gevallen:18Een wijziging in de omvang van de opdracht, zoals vermeld in punt 2°, d), is alleen mogelijk in de volgende gevallen:
181° het hogeschoolbestuur heeft ingestemd met het verzoek van een lid van het onderwijzend personeel om de voltijdse opdracht terug te brengen naar een deeltijdse opdracht, overeenkomstig artikel V.132;191° het hogeschoolbestuur heeft ingestemd met het verzoek van een lid van het onderwijzend personeel om de voltijdse opdracht terug te brengen naar een deeltijdse opdracht, overeenkomstig artikel V.132;
+0 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.220
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.244
74° de begroting;74° de begroting;
85° de meerjarenbegroting;85° de meerjarenbegroting;
96° in voorkomend geval het financieringsplan bedoeld in artikel IV.32;
96° ...;
107° de jaarrekening;107° de jaarrekening;
118° het jaarverslag;118° het jaarverslag;
+13 −0 decreet-2009-02-20/art. 3/1 nieuw
1§ 1. Als de Hogere Zeevaartschool voor de eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar t-2/t-1, dan wordt vanaf het begrotingsjaar t een variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen VOWhbo toegevoegd aan de werkingsuitkering, vermeld in artikel 2, § 2, eerste lid.
2§ 2. In het begrotingsjaar t is het bedrag van VOWhbo, vermeld in paragraaf 1, gelijk aan het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen aangeboden door de Hogere Zeevaartschool in het academiejaar t-2/t-1, vermenigvuldigd met een gemiddeld bedrag per opgenomen studiepunt voor een graduaatsopleiding.
3De Vlaamse Regering legt het gemiddelde bedrag, vermeld in het eerste lid, vast. De Vlaamse Regering baseert zich daarvoor op :
41° het totale aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven in de hogescholen, vermeld in artikel II.3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, met uitzondering van de Hogere Zeevaartschool, in het academiejaar t-2/t-1;
52° de som van de werkingsmiddelen die de hogescholen, vermeld in artikel II.3 van de Codex Hoger Onderwijs, ontvangen voor de graduaatsopleidingen in het begrotingsjaar t.
6Voor de begrotingsjaren t+1 tot en met t+3 wordt het bedrag van VOWhbo, vermeld in paragraaf 1, cumulatief vermenigvuldigd met het volgende percentage :
71° voor het begrotingsjaar t+1 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar t-1/t en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar t-2/t-1 in de Hogere Zeevaartschool;
82° voor het begrotingsjaar t+2 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar t/t+1 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar t-1/t in de Hogere Zeevaartschool;
93° voor het begrotingsjaar t+3 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar t+1/t+2 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar t/t+1 in de Hogere Zeevaartschool.
10§ 3. Vanaf het begrotingsjaar t+4 evolueert het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWhbo, dat is berekend op de wijze, vermeld in paragraaf 2, derde lid, 3°, conform artikel 3, § 1, eerste lid.
11Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in het variabele onderwijsdeel VOWhbo voor het begrotingsjaar x, waarbij x gelijk is aan of groter dan t+4, wordt het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren x-5/x-4 tot en met x-3/x-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich ingeschreven hebben voor een graduaatsopleiding.
12De eerste referentiepunten voor het variabele onderwijsdeel VOWhbo zijn gelijk aan het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in de academiejaren t-2/t-1 tot en met t/t+1 in de graduaatsopleidingen, vastgesteld conform het tweede lid.
13Bij elke daling of stijging van het aantal opgenomen studiepunten met 2 % of meer in het variabele onderwijsdeel VOWhbo worden er nieuwe referentiepunten vastgelegd. De nieuwe referentiepunten zijn gelijk aan de vorige referentiepunten plus of min 2 %.
+16 −15 decreet-2007-06-08/art. 5
1In dit decreet wordt verstaan onder :1In dit decreet wordt verstaan onder :
21° aanvrager : een leerling, student of de wettelijke vertegenwoordiger bij wie de leerling of student op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie zijn hoofdverblijfplaats heeft, die een aanvraag voor een toelage indient;21° aanvrager : een student of de wettelijke vertegenwoordiger bij wie de student op 31 december van het academiejaar in kwestie zijn hoofdverblijfplaats heeft, die een aanvraag voor een toelage indient;
32° academiejaar : periode van één jaar die op zijn vroegst op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en die eindigt op de dag voor het begin van het volgende academiejaar. Als conform de vigerende wetgeving uitzonderlijk wordt afgeweken van de bovenvermelde definitie, wordt voor de aanvraag van een studietoelage de opleiding die begint na 31 december en eindigt na 30 september beschouwd als behorend tot het academiejaar, zoals hierboven bepaald, waarin de opleiding eindigt;32° academiejaar : periode van één jaar die op zijn vroegst op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en die eindigt op de dag voor het begin van het volgende academiejaar. Als conform de vigerende wetgeving uitzonderlijk wordt afgeweken van de bovenvermelde definitie, wordt voor de aanvraag van een studietoelage de opleiding die begint na 31 december en eindigt na 30 september beschouwd als behorend tot het academiejaar, zoals hierboven bepaald, waarin de opleiding eindigt;
43° ...43° ...
65° ...;65° ...;
76° buitenland : gebied buiten het grondgebied van het rijk;76° buitenland : gebied buiten het grondgebied van het rijk;
87° deeltijds leerplichtonderwijs : het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd, gesubsidieerd of erkend deeltijds secundair onderwijs dat aan een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling gevolgd wordt, evenals de vormingsprogramma's aan instellingen die door de Vlaamse Gemeenschap zijn erkend voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in toepassing van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;
87° ...;
98° afdeling Studietoelagen : de afdeling Studietoelagen van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming die verantwoordelijk is voor de studiefinanciering;98° afdeling Studietoelagen : de afdeling Studietoelagen van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming die verantwoordelijk is voor de studiefinanciering;
109° diplomacontract : begrip als vermeld in artikel I.3, 20°, van de Codex Hoger Onderwijs;109° diplomacontract : begrip als vermeld in artikel I.3, 20°, van de Codex Hoger Onderwijs;
119° bis diplomajaar : het academiejaar waarin een student zich met een diplomacontract inschrijft voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 21, § 1, en dat academiejaar voor die opleiding een diploma kan behalen of zijn schakel- of voorbereidingsprogramma kan voltooien.119° bis diplomajaar : het academiejaar waarin een student zich met een diplomacontract inschrijft voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 21, § 1, en dat academiejaar voor die opleiding een diploma kan behalen of zijn schakel- of voorbereidingsprogramma kan voltooien.
1210° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs : begrip, gedefinieerd conform hoofdstuk VII van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, zoals gewijzigd;
1311° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds of deeltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs : begrip, gedefinieerd overeenkomstig de artikel 13 tot en met artikel 15 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs;
1210° ...;
1311° ...;
1412° Europese Hogeronderwijsruimte : alle Europese landen en regio's die de Bolognaverklaring, Joint Declaration of the European Ministers of Education Convened in Bologna on the 19th of June 1999, hebben ondertekend, of die de Bolognaverklaring na die datum hebben onderschreven en die op een Bolognafollow-upconferentie van Europese ministers, bevoegd voor het hoger onderwijs, als lid van het Bolognaproces zijn aanvaard;1412° Europese Hogeronderwijsruimte : alle Europese landen en regio's die de Bolognaverklaring, Joint Declaration of the European Ministers of Education Convened in Bologna on the 19th of June 1999, hebben ondertekend, of die de Bolognaverklaring na die datum hebben onderschreven en die op een Bolognafollow-upconferentie van Europese ministers, bevoegd voor het hoger onderwijs, als lid van het Bolognaproces zijn aanvaard;
1513° fiscaal ten laste : ten laste volgens artikelen 136 tot en met 145 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen;1513° fiscaal ten laste : ten laste volgens artikelen 136 tot en met 145 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen;
23d) een schakelprogramma;23d) een schakelprogramma;
24e) het hoger beroepsonderwijs;24e) het hoger beroepsonderwijs;
25f) een lerarenopleiding als vermeld in artikel II.111 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
2517° hoofdverblijfplaats : begrip zoals, bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;2617° hoofdverblijfplaats : begrip zoals, bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
2618° kadastraal inkomen : het kadastraal inkomen overeenkomstig titel IX van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen;2718° kadastraal inkomen : het kadastraal inkomen overeenkomstig titel IX van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen;
2819°/1 kadastraal inkomen voor eigen beroepsdoeleinden : het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die voor eigen beroepsdoeleinden gebruikt worden, vermeld op het aanslagbiljet van de personenbelasting;2919°/1 kadastraal inkomen voor eigen beroepsdoeleinden : het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die voor eigen beroepsdoeleinden gebruikt worden, vermeld op het aanslagbiljet van de personenbelasting;
2920° kalenderjaar : periode van 1 januari tot en met 31 december;3020° kalenderjaar : periode van 1 januari tot en met 31 december;
3021° leefeenheid : één of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook één of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen of studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel één of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres;3121° leefeenheid : één of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook één of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel één of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres;
3122° leerling : de persoon, ingeschreven in het kleuteronderwijs of het leerplichtonderwijs;
3223° leerplichtonderwijs : het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd, gesubsidieerd of erkend voltijds lager onderwijs en voltijds of deeltijds secundair onderwijs dat aan een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling gevolgd wordt, evenals de vormingsprogramma's aan instellingen die door de Vlaamse Gemeenschap zijn erkend voor de vervulling van de leerplicht in toepassing van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;
3222° ...;
3323° ...;
3324° ...;3424° ...;
3425° meeneembaarheid van de toelage : het krijgen van een schooltoelage in het secundair onderwijs of een studietoelage in het hoger onderwijs voor een studieprogramma of opleiding, gevolgd in een andere gemeenschap of in het buitenland;3525° meeneembaarheid van de toelage : het krijgen van een studietoelage in het hoger onderwijs voor een studieprogramma of opleiding, gevolgd in een andere gemeenschap of in het buitenland;
3526° NARIC-Vlaanderen : het National Academic (& Professional) Recognition and Information Centre, opgericht bij de Vlaamse Gemeenschap;3626° NARIC-Vlaanderen : het National Academic (& Professional) Recognition and Information Centre, opgericht bij de Vlaamse Gemeenschap;
3627° niet-verwanten : natuurlijke personen die noch bloedverwanten zijn in de rechte opgaande en nederdalende lijn, of in de zijlijn tot de vierde graad, noch aanverwanten zijn in dezelfde lijn en dezelfde graad;3727° niet-verwanten : natuurlijke personen die noch bloedverwanten zijn in de rechte opgaande en nederdalende lijn, of in de zijlijn tot de vierde graad, noch aanverwanten zijn in dezelfde lijn en dezelfde graad;
3728° opgenomen studiepunten : deel van de opleiding, uitgedrukt in het totaal aantal studiepunten dat het omvat, waarvoor een student zich met een diplomacontract aan een hogeronderwijsinstelling heeft ingeschreven voor het volgen van een opleiding, zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1;3828° opgenomen studiepunten : deel van de opleiding, uitgedrukt in het totaal aantal studiepunten dat het omvat, waarvoor een student zich met een diplomacontract aan een hogeronderwijsinstelling heeft ingeschreven voor het volgen van een opleiding, zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1;
3829° opleidingsonderdeel : begrip als vermeld in artikel I.3, 49°, van de Codex Hoger Onderwijs;3929° opleidingsonderdeel : begrip als vermeld in artikel I.3, 49°, van de Codex Hoger Onderwijs;
3930° rechthebbende : de leerling en student die overeenkomstig dit decreet recht hebben op een schooltoelage of een studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap;4030° rechthebbende : de student die overeenkomstig dit decreet recht hebben op een studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap;
4031° schakelprogramma : begrip als vermeld in artikel I.3, 56°, van de Codex Hoger Onderwijs;4131° schakelprogramma : begrip als vermeld in artikel I.3, 56°, van de Codex Hoger Onderwijs;
4132° schooldag : een kalenderdag waarop de leerling dient deel te nemen aan onderwijsactiviteiten, die zowel uit lessen als uit werkplekleren kunnen bestaan;
4233° schooljaar : de periode die begint op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;
4334° schooltoelage : financiële middelen, toegekend door de Vlaamse Gemeenschap, aan minvermogende leerlingen in het kleuteronderwijs en het leerplichtonderwijs;
4232° ...;
4333° ...;
4434° ...;
4435° ...;4535° ...;
4536° student : de persoon, ingeschreven in een onderwijsinstelling voor hoger onderwijs;4636° student : de persoon, ingeschreven in een onderwijsinstelling voor hoger onderwijs;
4637° ...4737° ...
4738° studietoelage : financiële middelen, toegekend door de Vlaamse Gemeenschap, aan minvermogende studenten in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap;4838° studietoelage : financiële middelen, toegekend door de Vlaamse Gemeenschap, aan minvermogende studenten in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap;
4839° toelage : een schooltoelage of een studietoelage;4939° toelage : een studietoelage;
4940° uitschrijven : het vroegtijdig stopzetten van dat deel van de opleiding waarvoor de aanvrager, leerling of student zich voor het school- of academiejaar in kwestie heeft ingeschreven, op verzoek van de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger;5040° uitschrijven : het vroegtijdig stopzetten van dat deel van de opleiding waarvoor de aanvrager, student zich voor het academiejaar in kwestie heeft ingeschreven, op verzoek van de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
5041° verworven studiepunten : studiepunten waarvoor aan de student een creditbewijs werd verleend voor het met een diplomacontract volgen van een opleiding zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1;5141° verworven studiepunten : studiepunten waarvoor aan de student een creditbewijs werd verleend voor het met een diplomacontract volgen van een opleiding zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1;
5142° voltijds studietraject : een studietraject in het hoger onderwijs met een studieprogramma van zestig studiepunten;5242° voltijds studietraject : een studietraject in het hoger onderwijs met een studieprogramma van zestig studiepunten;
5243° voorbereidingsprogramma : begrip als vermeld in artikel I.3, 76°, van de Codex Hoger Onderwijs, dat niet gevolgd wordt in voorbereiding op een bachelor-na-bacheloropleiding of een master-na-masteropleiding;5343° voorbereidingsprogramma : begrip als vermeld in artikel I.3, 76°, van de Codex Hoger Onderwijs, dat niet gevolgd wordt in voorbereiding op een bachelor-na-bacheloropleiding of een master-na-masteropleiding;
5343°/1 voortgezette opleiding : een bachelor-na-bacheloropleiding, een master-na-masteropleiding, een doctoraat, een doctoraatsopleiding of een postgraduaatsopleiding;5443°/1 voortgezette opleiding : een bachelor-na-bacheloropleiding, een master-na-masteropleiding, een doctoraat, een doctoraatsopleiding of een postgraduaatsopleiding;
5444° werkplekleren : elke vorm van activiteit, naast de leercomponent, die samen met die leercomponent het voltijds engagement uitmaakt;
5544° ...;
5545° wettig verblijf : de situatie van de vreemdeling die toegelaten is om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven of die gemachtigd is zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, alsook de situatie van personen die als slachtoffer van mensenhandel of -smokkel of als niet-begeleide minderjarige door middel van een attest van immatriculatie gemachtigd zijn tot een verblijf in het Rijk van maximaal drie maanden.5645° wettig verblijf : de situatie van de vreemdeling die toegelaten is om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven of die gemachtigd is zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, alsook de situatie van personen die als slachtoffer van mensenhandel of -smokkel of als niet-begeleide minderjarige door middel van een attest van immatriculatie gemachtigd zijn tot een verblijf in het Rijk van maximaal drie maanden.
+5 −1 decreet-2007-06-08/art. 21
1§ 1. Iedere student kan een studietoelage krijgen voor het behalen van een diploma voor twee bachelors, een master, een specifieke lerarenopleiding, en voor het voltooien van een voorbereidingsprogramma en een schakelprogramma.1§ 1. Iedere student kan een studietoelage krijgen voor het behalen van een diploma voor twee bachelors, twee graduaten, een master, een lerarenopleiding en voor het voltooien van een voorbereidingsprogramma en een schakelprogramma.
2Als een student een educatieve graduaatsopleiding heeft voltooid of in het betrokken academiejaar ingeschreven is in een educatieve graduaatsopleiding, dan heeft de student recht op een krediet voor een derde graduaatsopleiding.
3Als een student een educatieve bacheloropleiding of een bacheloropleiding uit het studiegebied Onderwijs heeft voltooid of in het betrokken academiejaar ingeschreven is in een educatieve bacheloropleiding, dan heeft de student recht op een krediet voor een derde bacheloropleiding.
4Als de student een educatieve masteropleiding heeft voltooid of in het betrokken academiejaar ingeschreven is in een educatieve masteropleiding, dan heeft de student recht op een krediet voor een tweede masteropleiding.
5De kredieten, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid, kunnen niet worden gecumuleerd.
2§ 2. Elke student heeft een studietoelagekrediet dat op het einde van elk academiejaar aangevuld wordt met het aantal verworven studiepunten dat de student dat academiejaar verworven heeft bij zijn studies, zoals bedoeld in § 1.6§ 2. Elke student heeft een studietoelagekrediet dat op het einde van elk academiejaar aangevuld wordt met het aantal verworven studiepunten dat de student dat academiejaar verworven heeft bij zijn studies, zoals bedoeld in § 1.
3De verworven studiepunten worden in meerdering aangebracht op het studietoelagekrediet, ongeacht het feit of de student voor deze verworven studiepunten een studietoelage zal aanvragen.7De verworven studiepunten worden in meerdering aangebracht op het studietoelagekrediet, ongeacht het feit of de student voor deze verworven studiepunten een studietoelage zal aanvragen.
+30 −6 decreet-2007-06-08/art. 23
3§ 2. Opgenomen studiepunten, waarvoor al dan niet een studietoelage werd toegekend, worden in mindering gebracht op het studietoelagekrediet.3§ 2. Opgenomen studiepunten, waarvoor al dan niet een studietoelage werd toegekend, worden in mindering gebracht op het studietoelagekrediet.
4Het studietoelagekrediet kan nooit minder bedragen dan nul.4Het studietoelagekrediet kan nooit minder bedragen dan nul.
5§ 3. In afwijking van § 1, eerste lid, kan een student maximum een studietoelage ontvangen voor het aantal opgenomen studiepunten dat gelijk is aan het verschil tussen het aantal studiepunten dat de student voor zijn studietoelagegerechtigdheid maximaal mag verwerven om een diploma te behalen, zoals bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, en de som van het aantal verworven studiepunten dat de student op het einde van het laatst gevolgde academiejaar in totaal behaald heeft voor het volgen van de opleiding of opleidingen in kwestie.5§ 3. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan een student maximum een studietoelage ontvangen voor het aantal opgenomen studiepunten dat gelijk is aan het verschil tussen het aantal studiepunten dat de student voor zijn studietoelagegerechtigdheid maximaal mag verwerven om een diploma te behalen, zoals bedoeld in het tweede tot en met het twaalfde lid, en de som van het aantal verworven studiepunten dat de student op het einde van het laatst gevolgde academiejaar in totaal behaald heeft voor het volgen van de opleiding of opleidingen in kwestie.
6Een student is studietoelagegerechtigd voor het behalen van zijn eerste bachelordiploma totdat hij maximaal 240 studiepunten verworven heeft voor het volgen van bacheloropleidingen.
6Een student mag voor het behalen van een eerste graduaatsdiploma slechts zo veel studiepunten voor graduaatsopleidingen verwerven dan het aantal studiepunten dat de totale studieomvang van de graduaatsopleiding waarvoor de student zich in het betrokken academiejaar heeft ingeschreven, telt, vermeerderd met zestig.
7De student die reeds een graduaatsdiploma behaald heeft, mag voor het behalen van een tweede graduaatsdiploma zo veel studiepunten voor graduaatsopleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :
81° de totale studieomvang die de eerste graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
92° de totale studieomvang die de tweede graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;
103° zestig extra studiepunten.
11De student die reeds twee graduaatsdiploma's behaald heeft en voldoet aan de voorwaarden van artikel 21, § 1, tweede lid, mag voor het behalen van een derde graduaatsdiploma zo veel studiepunten voor graduaatsopleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :
121° de totale studieomvang die de eerste graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
132° de totale studieomvang die de tweede graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
143° de totale studieomvang die de derde graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;
154° zestig extra studiepunten.
16Als de student zich in het betrokken academiejaar voor meerdere graduaatsopleidingen heeft ingeschreven, wordt de graduaatsopleiding met de grootste studieomvang in aanmerking genomen voor het bepalen van de verwervingsgrens.
17Een student mag voor het behalen van een eerste bachelordiploma slechts zo veel studiepunten voor bacheloropleidingen verwerven dan het aantal studiepunten dat de totale studieomvang van de bacheloropleiding waarvoor de student zich in het betrokken academiejaar heeft ingeschreven, telt, vermeerderd met zestig.
7De student die reeds een bachelordiploma behaald heeft, is studietoelagegerechtigd voor het behalen van zijn tweede bachelordiploma totdat hij in totaal maximaal 420 studiepunten verworven heeft voor het volgen van bacheloropleidingen.18De student die reeds een bachelordiploma behaald heeft, mag voor het behalen van een tweede bachelordiploma zo veel studiepunten voor bacheloropleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :
191° de totale studieomvang die de eerste bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
202° de totale studieomvang die de tweede bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;
213° zestig extra studiepunten.
22De student die reeds twee bachelordiploma's behaald heeft en voldoet aan de voorwaarden van artikel 21, § 1, derde lid, mag voor het behalen van een derde bachelordiploma zo veel studiepunten voor bacheloropleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :
231° de totale studieomvang die de eerste bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
242° de totale studieomvang die de tweede bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
253° de totale studieomvang die de derde bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;
264° zestig extra studiepunten.
27Als de student zich in het betrokken academiejaar voor meerdere bacheloropleidingen heeft ingeschreven, wordt de bacheloropleiding met de grootste studieomvang in aanmerking genomen voor het bepalen van de verwervingsgrens.
8Een student mag voor het behalen van een masterdiploma slechts zo veel studiepunten voor masteropleidingen verwerven dan het aantal studiepunten dat de totale studieomvang van de masteropleiding waarvoor de student zich in het academiejaar in kwestie heeft ingeschreven, telt, vermeerderd met dertig. Indien de student zich in het academiejaar in kwestie voor meerdere masteropleidingen heeft ingeschreven, is het maximum aantal studiepunten dat verworven mag worden voor masteropleidingen, gelijk aan de totale studieomvang van de masteropleiding die het grootst is vermeerderd met dertig.28Een student mag voor het behalen van een masterdiploma slechts zo veel studiepunten voor masteropleidingen verwerven dan het aantal studiepunten dat de totale studieomvang van de masteropleiding waarvoor de student zich in het betrokken academiejaar heeft ingeschreven, telt, vermeerderd met dertig.
9§ 4. In afwijking van § 3 is de student die vanaf het academiejaar 2016-2017 ingeschreven is voor de opleiding verpleegkunde van 240 studiepunten, studietoelagegerechtigd voor het behalen van zijn eerste bachelordiploma totdat hij maximaal 300 studiepunten verworven heeft voor het volgen van bacheloropleidingen.
10In afwijking van § 3 is de student die reeds een bachelordiploma behaald heeft en vanaf het academiejaar 2016-2017 is ingeschreven voor de opleiding verpleegkunde van 240 studiepunten, studietoelagegerechtigd voor het behalen van zijn tweede bachelordiploma totdat hij in totaal maximaal 480 studiepunten verworven heeft voor het volgen van bacheloropleidingen.
29De student die reeds een masterdiploma behaald heeft en voldoet aan de voorwaarden van artikel 21, § 1, vierde lid, mag voor het behalen van een tweede masterdiploma zo veel studiepunten voor masteropleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :
301° de totale studieomvang die de eerste masteropleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
312° de totale studieomvang die de tweede masteropleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;
323° dertig extra studiepunten.
33Indien de student zich in het betrokken academiejaar voor meerdere masteropleidingen heeft ingeschreven, wordt de masteropleiding met de grootste studieomvang in aanmerking genomen voor het bepalen van de verwervingsgrens..
34§ 4. ...
+30 −6 decreet-2007-06-08/art. 23
3§ 2. Opgenomen studiepunten, waarvoor al dan niet een studietoelage werd toegekend, worden in mindering gebracht op het studietoelagekrediet.3§ 2. Opgenomen studiepunten, waarvoor al dan niet een studietoelage werd toegekend, worden in mindering gebracht op het studietoelagekrediet.
4Het studietoelagekrediet kan nooit minder bedragen dan nul.4Het studietoelagekrediet kan nooit minder bedragen dan nul.
5§ 3. In afwijking van § 1, eerste lid, kan een student maximum een studietoelage ontvangen voor het aantal opgenomen studiepunten dat gelijk is aan het verschil tussen het aantal studiepunten dat de student voor zijn studietoelagegerechtigdheid maximaal mag verwerven om een diploma te behalen, zoals bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, en de som van het aantal verworven studiepunten dat de student op het einde van het laatst gevolgde academiejaar in totaal behaald heeft voor het volgen van de opleiding of opleidingen in kwestie.5§ 3. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan een student maximum een studietoelage ontvangen voor het aantal opgenomen studiepunten dat gelijk is aan het verschil tussen het aantal studiepunten dat de student voor zijn studietoelagegerechtigdheid maximaal mag verwerven om een diploma te behalen, zoals bedoeld in het tweede tot en met het twaalfde lid, en de som van het aantal verworven studiepunten dat de student op het einde van het laatst gevolgde academiejaar in totaal behaald heeft voor het volgen van de opleiding of opleidingen in kwestie.
6Een student is studietoelagegerechtigd voor het behalen van zijn eerste bachelordiploma totdat hij maximaal 240 studiepunten verworven heeft voor het volgen van bacheloropleidingen.
6Een student mag voor het behalen van een eerste graduaatsdiploma slechts zo veel studiepunten voor graduaatsopleidingen verwerven dan het aantal studiepunten dat de totale studieomvang van de graduaatsopleiding waarvoor de student zich in het betrokken academiejaar heeft ingeschreven, telt, vermeerderd met zestig.
7De student die reeds een graduaatsdiploma behaald heeft, mag voor het behalen van een tweede graduaatsdiploma zo veel studiepunten voor graduaatsopleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :
81° de totale studieomvang die de eerste graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
92° de totale studieomvang die de tweede graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;
103° zestig extra studiepunten.
11De student die reeds twee graduaatsdiploma's behaald heeft en voldoet aan de voorwaarden van artikel 21, § 1, tweede lid, mag voor het behalen van een derde graduaatsdiploma zo veel studiepunten voor graduaatsopleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :
121° de totale studieomvang die de eerste graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
132° de totale studieomvang die de tweede graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
143° de totale studieomvang die de derde graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;
154° zestig extra studiepunten.
16Als de student zich in het betrokken academiejaar voor meerdere graduaatsopleidingen heeft ingeschreven, wordt de graduaatsopleiding met de grootste studieomvang in aanmerking genomen voor het bepalen van de verwervingsgrens.
17Een student mag voor het behalen van een eerste bachelordiploma slechts zo veel studiepunten voor bacheloropleidingen verwerven dan het aantal studiepunten dat de totale studieomvang van de bacheloropleiding waarvoor de student zich in het betrokken academiejaar heeft ingeschreven, telt, vermeerderd met zestig.
7De student die reeds een bachelordiploma behaald heeft, is studietoelagegerechtigd voor het behalen van zijn tweede bachelordiploma totdat hij in totaal maximaal 420 studiepunten verworven heeft voor het volgen van bacheloropleidingen.18De student die reeds een bachelordiploma behaald heeft, mag voor het behalen van een tweede bachelordiploma zo veel studiepunten voor bacheloropleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :
191° de totale studieomvang die de eerste bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
202° de totale studieomvang die de tweede bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;
213° zestig extra studiepunten.
22De student die reeds twee bachelordiploma's behaald heeft en voldoet aan de voorwaarden van artikel 21, § 1, derde lid, mag voor het behalen van een derde bachelordiploma zo veel studiepunten voor bacheloropleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :
231° de totale studieomvang die de eerste bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
242° de totale studieomvang die de tweede bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
253° de totale studieomvang die de derde bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;
264° zestig extra studiepunten.
27Als de student zich in het betrokken academiejaar voor meerdere bacheloropleidingen heeft ingeschreven, wordt de bacheloropleiding met de grootste studieomvang in aanmerking genomen voor het bepalen van de verwervingsgrens.
8Een student mag voor het behalen van een masterdiploma slechts zo veel studiepunten voor masteropleidingen verwerven dan het aantal studiepunten dat de totale studieomvang van de masteropleiding waarvoor de student zich in het academiejaar in kwestie heeft ingeschreven, telt, vermeerderd met dertig. Indien de student zich in het academiejaar in kwestie voor meerdere masteropleidingen heeft ingeschreven, is het maximum aantal studiepunten dat verworven mag worden voor masteropleidingen, gelijk aan de totale studieomvang van de masteropleiding die het grootst is vermeerderd met dertig.28Een student mag voor het behalen van een masterdiploma slechts zo veel studiepunten voor masteropleidingen verwerven dan het aantal studiepunten dat de totale studieomvang van de masteropleiding waarvoor de student zich in het betrokken academiejaar heeft ingeschreven, telt, vermeerderd met dertig.
9§ 4. In afwijking van § 3 is de student die vanaf het academiejaar 2016-2017 ingeschreven is voor de opleiding verpleegkunde van 240 studiepunten, studietoelagegerechtigd voor het behalen van zijn eerste bachelordiploma totdat hij maximaal 300 studiepunten verworven heeft voor het volgen van bacheloropleidingen.
10In afwijking van § 3 is de student die reeds een bachelordiploma behaald heeft en vanaf het academiejaar 2016-2017 is ingeschreven voor de opleiding verpleegkunde van 240 studiepunten, studietoelagegerechtigd voor het behalen van zijn tweede bachelordiploma totdat hij in totaal maximaal 480 studiepunten verworven heeft voor het volgen van bacheloropleidingen.
29De student die reeds een masterdiploma behaald heeft en voldoet aan de voorwaarden van artikel 21, § 1, vierde lid, mag voor het behalen van een tweede masterdiploma zo veel studiepunten voor masteropleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :
301° de totale studieomvang die de eerste masteropleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;
312° de totale studieomvang die de tweede masteropleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;
323° dertig extra studiepunten.
33Indien de student zich in het betrokken academiejaar voor meerdere masteropleidingen heeft ingeschreven, wordt de masteropleiding met de grootste studieomvang in aanmerking genomen voor het bepalen van de verwervingsgrens..
34§ 4. ...
+1 −3 decreet-2007-06-08/art. 70
9b) elke voltooide opleiding die bekroond werd met een diploma van de tweede cyclus van het hogeschoolonderwijs van twee cycli;9b) elke voltooide opleiding die bekroond werd met een diploma van de tweede cyclus van het hogeschoolonderwijs van twee cycli;
10c) elke voltooide opleiding die bekroond werd met een diploma van de tweede cyclus van het academisch onderwijs;10c) elke voltooide opleiding die bekroond werd met een diploma van de tweede cyclus van het academisch onderwijs;
113° met een diploma voor de specifieke lerarenopleiding, zoals bedoeld in artikel 21, § 1, worden de volgende diploma's en voltooide opleidingen gelijkgesteld :
12a) elke voltooide specifieke lerarenopleiding;
13b) elke voltooide lerarenopleiding als vervolgopleiding, bekroond met een diploma voor geaggregeerde voor secundair onderwijs groep 2 of 3;
113° ...;
144° de student die voor de inwerkingtreding van dit decreet een voorbereidingsprogramma, respectievelijk een schakelprogramma heeft voltooid, komt niet langer in aanmerking voor een studietoelage voor het volgen van een voorbereidingsprogramma, respectievelijk een schakelprogramma.124° de student die voor de inwerkingtreding van dit decreet een voorbereidingsprogramma, respectievelijk een schakelprogramma heeft voltooid, komt niet langer in aanmerking voor een studietoelage voor het volgen van een voorbereidingsprogramma, respectievelijk een schakelprogramma.
15§ 2. Het jokerkrediet, zoals bedoeld in artikel 26, § 2, wordt verminderd met :13§ 2. Het jokerkrediet, zoals bedoeld in artikel 26, § 2, wordt verminderd met :
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd