Artikel 23
In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2022, wordt in onderafdeling 6/0, ingevoegd bij artikel 22, een artikel 34/0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“Art. 34/0. De jeugdrechtbank kan in de gevallen waarin een sanctie als vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 7° of 8°, wordt overwogen, een elektronische monitoring, gecombineerd met begeleiding, opleggen nadat de sociale dienst de opdracht heeft gekregen om een gemotiveerde inhoudelijke en technische inschatting over de uitvoerbaarheid van elektronische monitoring te maken.
De elektronische monitoring kan ook als modaliteit of ter ondersteuning van een sanctie als vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 3° tot en met 5°, worden opgelegd.
Een elektronische monitoring kan niet worden opgelegd indien het jeugddelict een feit betreft als vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 393 tot en met 397, 398 tot en met 404 juncto 410, 417/11 tot en met 417/22 en 417/25 tot en met 417/37 van het Strafwetboek of een feit betreft als vermeld in artikel 2bis, §4, b), van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover de feiten betrekking hebben op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de in dat artikel bedoelde middelen en stoffen en voor zover ze daden betreffen van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, in de hoedanigheid van leidend persoon.
De jeugdrechtbank houdt bij het opleggen van elektronische monitoring in het bijzonder rekening met het feit of het jeugddelict een gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van de persoon of de personen met wie de minderjarige delictpleger op het verblijfsadres zal samenwonen.
De duur van elektronische monitoring bedraagt drie of zes maanden. De jeugdrechtbank bepaalt de duur in haar vonnis.
De Vlaamse Regering bepaalt de elementen van de inhoudelijke en technische inschatting, vermeld in het eerste lid, en ook de modaliteiten van de controle en de begeleiding waarmee de elektronische monitoring gecombineerd moet worden.”.