Artikel 25/0
De jeugdrechter kan een elektronische monitoring, gecombineerd met begeleiding, opleggen nadat de sociale dienst de opdracht heeft gekregen om een gemotiveerde inhoudelijke en technische inschatting over de uitvoerbaarheid van elektronische monitoring te maken.
De elektronische monitoring kan ook als modaliteit of ter ondersteuning van een maatregel als vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 1° tot en met 3°, worden opgelegd.
Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid zijn de voorwaarden, vermeld in artikel 26, §2, eerste lid, 1° en 2°, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van een minderjarige verdachte die tussen twaalf en
veertien jaar oud is op het ogenblik van de feiten, zijn de voorwaarden, vermeld in artikel 26, §3, eerste lid, 1° en 2°, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Een elektronische monitoring kan niet worden opgelegd als het jeugddelict een van de volgende feiten betreft:
- 1°een feit als vermeld in titel 3, hoofdstuk 1, van boek II van het Strafwetboek;
- 2°een feit dat de dood tot gevolg heeft als vermeld in artikel 118, 126, 197, 198, 4°, artikel 199, eerste lid, 4°, artikel 200, eerste lid, 4°, artikel 201, eerste lid, 4°, artikel 202, 4°, artikel 209, 210, eerste lid, derde zin, artikel 215, 222, 225, 228, 260, §2, 1°, artikel 274, §2, 1°, artikel 280, §2, 1°, artikel 284, §2, 1°, artikel 301, 308, 321, 330, 335, 337, 413, §2, artikel 414, eerste lid, 1°, artikel 415, eerste lid, 1°, artikel 416, eerste lid, 1°, artikel 469, §3, 2°, artikel 473, §3, 2°, artikel 509, 521, 553, 555, 557 of 600 van het Strafwetboek;
- 3°een feit als vermeld in artikel 134, 136 tot en met 149, 151 tot en met 168, 171 tot en met 174, 177 tot en met 179, 182 of 183 van het Strafwetboek;
- 4°een feit als vermeld in titel 4, hoofdstuk 1, van boek II van het Strafwetboek;
- 5°een feit als vermeld in artikel 82, 83, 85 tot en met 90 van het Strafwetboek;
- 6°een feit, strafbaar op grond van artikel 2bis, §4, b), van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover dat feit betrekking heeft op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de middelen en stoffen, vermeld in artikel 2bis van de voormelde wet, en voor zover dat feit een daad is van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging als vermeld in artikel 405 van het Strafwetboek, of van een criminele organisatie als vermeld in artikel 409 van het Strafwetboek, in de hoedanigheid van leidend persoon;
- 7°een feit als vermeld in artikel 117, 125, 130 of 201 van het Strafwetboek.
De jeugdrechter houdt bij het opleggen van elektronische monitoring in het bijzonder rekening met het feit of het jeugddelict een gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van de persoon of de personen met wie de minderjarige verdachte op het verblijfsadres zal samenwonen.
De minimumduur van elektronische monitoring bedraagt drie maanden. De voormelde termijn is één keer verlengbaar met een termijn van maximaal drie maanden. De maximale duur bedraagt zes maanden. De jeugdrechter bepaalt de duur in zijn beschikking.
De Vlaamse Regering bepaalt de elementen van de inhoudelijke en technische inschatting, vermeld in het eerste lid, en ook de modaliteiten van de controle en de begeleiding waarmee de elektronische monitoring gecombineerd moet worden.