Tot wijziging van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, en het Mestdecreet van 22 december 2006 #160
De instructies van dit stuk toegepast op de wet zoals die gold op 20 dec 2024. De officiële tekst blijft het document van het Parlement.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | Dit decreet heeft tot doel de bescherming van het leefmilieu door de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten en fosfaten uit agrarische bronnen te verminderen, verdere verontreiniging van die aard te voorkomen, bij te dragen tot de realisatie van een goede toestand van de watersystemen en de beperking van de luchtverontreiniging als gevolg van de productie en het gebruik van meststoffen. | 1 | Dit decreet heeft tot doel de bescherming van het leefmilieu door de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten en fosfaten uit agrarische bronnen te verminderen, verdere verontreiniging van die aard te voorkomen, bij te dragen tot de realisatie van een goede toestand van de watersystemen en de beperking van de luchtverontreiniging als gevolg van de productie en het gebruik van meststoffen. |
| 2 | Dit doel wordt ondermeer gerealiseerd door bepalingen inzake de productie, de verhandeling, het gebruik, de bewerking en de verwerking van meststoffen, en dit zowel in het kader van de goede landbouwpraktijken als in het kader van de zorg voor de goede kwaliteit van het water en de bodem. | 2 | Dit doel wordt ondermeer gerealiseerd door bepalingen inzake de productie, de verhandeling, het gebruik, de bewerking en de verwerking van meststoffen, en dit zowel in het kader van de goede landbouwpraktijken als in het kader van de zorg voor de goede kwaliteit van het water en de bodem. |
| 3 | Dit decreet bevat de maatregelen uitgewerkt met het oog op het behalen van de doelstellingen in het kader van de Nitraatrichtlijn en de aan het mestbeleid gerelateerde doelstellingen van de kaderrichtlijn Water en van de Drinkwaterrichtlijn. | ||
| 3 | Dit decreet bevat de maatregelen uitgewerkt met het oog op het behalen van de doelstellingen in het kader van de Nitraatrichtlijn en de aan het mestbeleid gerelateerde doelstellingen van de kaderrichtlijn Water. Afhankelijk van het resultaat van de analyse, die zal worden gemaakt om de afstand tot het doel van de kaderrichtlijn Water in te schatten, kunnen er bijkomende maatregelen voor de diffuse vervuiling door fosfor uit landbouwbronnen opgenomen worden in dit decreet. | 4 | Afhankelijk van het resultaat van de analyse, die zal worden gemaakt om de afstand tot het doel van de kaderrichtlijn Water en de doelstellingen van de Drinkwaterrichtlijn in te schatten, kunnen er bijkomende maatregelen voor de diffuse vervuiling door fosfor of stikstof uit landbouwbronnen opgenomen worden in dit decreet. |
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 10 | h) de toewijzing van nutriëntenemissierechten aan landbouwers, de registratie van de melding van overdracht van nutriëntenemissierechten en de aktename van de annulatie van nutriëntenemissierechten; | 10 | h) de toewijzing van nutriëntenemissierechten aan landbouwers, de registratie van de melding van overdracht van nutriëntenemissierechten en de aktename van de annulatie van nutriëntenemissierechten; |
| 11 | i) het informeren van landbouwers over de door de Mestbank geregistreerde mestverhandelingen; | 11 | i) het informeren van landbouwers over de door de Mestbank geregistreerde mestverhandelingen; |
| 12 | j) het ondersteunen van gebiedscoalities; | ||
| 12 | 2° controletaken: | 13 | 2° controletaken: |
| 13 | a) het registreren van de aangegeven gegevens, onder meer ter bepaling van de mestoverschotten evenals het registreren van de gegevens aangaande het mestvervoer; | 14 | a) het registreren van de aangegeven gegevens, onder meer ter bepaling van de mestoverschotten evenals het registreren van de gegevens aangaande het mestvervoer; |
| 28 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, onder meer met betrekking tot de aard van de gegevens die uitgewisseld of opgevraagd kunnen worden, tot de vorm waarin en de wijze waarop deze gegevens worden verwerkt en uitgewisseld. | 29 | De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, onder meer met betrekking tot de aard van de gegevens die uitgewisseld of opgevraagd kunnen worden, tot de vorm waarin en de wijze waarop deze gegevens worden verwerkt en uitgewisseld. |
| 29 | § 5. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van de bepalingen van dit decreet, voor bepaalde verplichtingen in het kader van dit decreet, zoals onder meer het bijhouden van registers, of voor bepaalde vormen van communicatie tussen de Vlaamse Landmaatschappij en de betrokken burgers, die gebeurt in het kader van dit decreet, bepalen dat deze verplichtingen of deze communicatie mag of moet gebeuren via e-mail, een internetloket of een andere vorm van gegevensuitwisseling. | 30 | § 5. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van de bepalingen van dit decreet, voor bepaalde verplichtingen in het kader van dit decreet, zoals onder meer het bijhouden van registers, of voor bepaalde vormen van communicatie tussen de Vlaamse Landmaatschappij en de betrokken burgers, die gebeurt in het kader van dit decreet, bepalen dat deze verplichtingen of deze communicatie mag of moet gebeuren via e-mail, een internetloket of een andere vorm van gegevensuitwisseling. |
| 31 | §6. Alle documenten die opgemaakt worden in het kader van het Mestdecreet van 22 december 2006 en alle bewijsstukken worden door de betrokkene vijf kalenderjaren bewaard en ter inzage gehouden, vanaf 1 januari die volgt op de datum waarop het document of bewijsstuk is opgemaakt. | ||
| 4 | 1° de meststoffen worden opgebracht op een perceel waarop fruitbomen geteeld worden; | 4 | 1° de meststoffen worden opgebracht op een perceel waarop fruitbomen geteeld worden; |
| 5 | 2° de meststoffen worden pleksgewijs aangebracht rond de stam van de fruitbomen; | 5 | 2° de meststoffen worden pleksgewijs aangebracht rond de stam van de fruitbomen; |
| 6 | 3° de landbouwer meldt, voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, dat hij gebruik wil maken van de afwijking, vermeld in dit lid, en vermeldt hierbij de perceelsnummers van de percelen waarvoor hij van de afwijking, vermeld in dit lid, gebruik wil maken. | ||
| 6 | 3° ... | ||
| 7 | § 2. Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 2 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden: | 7 | § 2. Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 2 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden: |
| 8 | 1° op graslanden vanaf 15 augustus tot en met 15 februari; | 8 | 1° op graslanden vanaf 15 augustus tot en met 15 februari; |
| 18 | b) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 15 september een vanggewas ingezaaid wordt en op voorwaarde dat de hoofdteelt een niet-nitraatgevoelige teelt is en dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die na de oogst van de hoofdteelt opgebracht wordt, beperkt wordt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare; | 18 | b) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 15 september een vanggewas ingezaaid wordt en op voorwaarde dat de hoofdteelt een niet-nitraatgevoelige teelt is en dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die na de oogst van de hoofdteelt opgebracht wordt, beperkt wordt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare; |
| 19 | c) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een specifieke teelt ingezaaid wordt. | 19 | c) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een specifieke teelt ingezaaid wordt. |
| 20 | §4. In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor specifieke teelten, andere dan fruit, toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen: | 20 | §4. In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor specifieke teelten, andere dan fruit, toegelaten om kunstmest en spuistroom op te brengen: |
| 21 | 1° in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan: | 21 | 1° in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan: |
| 22 | a) de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare; | 22 | a) de hoeveelheid kunstmest en spuistroom, met inbegrip van kunstmest en spuistroom waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare; |
| 23 | b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorende bemestingsadvies uitgevoerd. De hoeveelheid meststoffen die in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies; | 23 | b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorend bemestingsadvies uitgevoerd. De hoeveelheid meststoffen die in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies; |
| 24 | 2° vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare. | 24 | 2° vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid kunstmest en spuistroom die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare. |
| 25 | In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor fruit toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen vanaf 1 september tot en met 31 oktober op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 40 kg werkzame stikstof per hectare. | 25 | In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor fruit toegelaten om kunstmest en spuistroom op te brengen vanaf 1 september tot en met 31 oktober op voorwaarde dat de hoeveelheid kunstmest en spuistroom, met inbegrip van kunstmest en spuistroom waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 40 kg werkzame stikstof per hectare. |
| 26 | In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, toegelaten om deze op te brengen in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober en vanaf 16 januari tot en met 15 februari, op voorwaarde dat er een gewas aanwezig is op het moment van de opbrenging. In afwijking hiervan mogen er in de periode vanaf 1 september tot en met 15 oktober meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, opgebracht worden als er een gewas ingezaaid wordt uiterlijk de zevende dag na het opbrengen van de meststoffen. De hoeveelheid meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober opgebracht wordt, samen met de hoeveelheid die in de daarop volgende periode vanaf 16 januari tot en met 15 februari opgebracht wordt, is beperkt tot 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen en bepaalt welke meststoffen een meststof zijn waarvan de stikstofinhoud laag is. | 26 | In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor kunstmest en spuistroom, waarvan de stikstofinhoud laag is, toegelaten om deze op te brengen in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober en vanaf 16 januari tot en met 15 februari, op voorwaarde dat er een gewas aanwezig is op het moment van de opbrenging. In afwijking hiervan mag er in de periode vanaf 1 september tot en met 15 oktober kunstmest en spuistroom, waarvan de stikstofinhoud laag is, opgebracht worden als er een gewas ingezaaid wordt uiterlijk de zevende dag na het opbrengen van de meststoffen. De hoeveelheid kunstmest en spuistroom waarvan de stikstofinhoud laag is, die in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober opgebracht wordt, samen met de hoeveelheid die in de daaropvolgende periode vanaf 16 januari tot en met 15 februari opgebracht wordt, is beperkt tot 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof. |
| 27 | In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor effluent waarvan de stikstofinhoud laag is, toegelaten om dit op zware kleigronden op te brengen in de periode vanaf 1 september tot en met 15 oktober op voorwaarde dat: | ||
| 28 | 1° er een gewas aanwezig is op het moment van de opbrenging of een gewas ingezaaid wordt uiterlijk de zevende dag na het opbrengen van het effluent; | ||
| 29 | 2° het vervoer van het effluent gebeurt met een trekkend voertuig dat is uitgerust met een AGR-GPS-systeem. Tijdens het transport wordt het AGR-GPS-systeem gebruikt, zodat de traceerbaarheid van de betreffende transporten gewaarborgd is; | ||
| 30 | 3° de hoeveelheid effluent, kunstmest en spuistroom waarvan de stikstofinhoud laag is, die in de periode vanaf 1 september tot en met 31 oktober opgebracht wordt, samen met de hoeveelheid kunstmest en spuistroom die in de daarop volgende periode vanaf 16 januari tot en met 15 februari opgebracht wordt, is beperkt tot 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof, en de hoeveelheid effluent die na 31 augustus opgebracht wordt is beperkt tot 25 ton per hectare; | ||
| 31 | 4° de hoeveelheid effluent die in de periode vanaf 1 juli tot en met 31 augustus opgebracht wordt is beperkt tot 50 ton per hectare en tot maximum 36 kg werkzame N/ha. | ||
| 32 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen en bepaalt welke meststoffen een meststof zijn waarvan de stikstofinhoud laag is. | ||
| 27 | Op een akker op een niet-zware kleigrond, waarop na de oogst van de hoofdteelt en na 31 juli een vanggewas is ingezaaid, is de hoeveelheid meststoffen type 2 en type 3, die na de oogst van de hoofdteelt mag opgebracht worden, beperkt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare. | 33 | Op een akker op een niet-zware kleigrond, waarop na de oogst van de hoofdteelt en na 31 juli een vanggewas is ingezaaid, is de hoeveelheid meststoffen type 2 en type 3, die na de oogst van de hoofdteelt mag opgebracht worden, beperkt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare. |
| 34 | In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, en paragraaf 3, eerste lid, is het verboden meststoffen type 2 en meststoffen type 3 op te brengen tot en met 15 maart op percelen landbouwgrond waarop als hoofdteelt maïs of late aardappelen worden verbouwd, zonder dat de hoofdteelt maïs of de hoofdteelt late aardappelen voorafgegaan wordt door een voorteelt. | ||
| 35 | In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, en paragraaf 3, eerste lid, is het op biopercelen toegelaten andere meststoffen op te brengen: | ||
| 36 | 1° in de periode vanaf 1 augustus tot en met 31 oktober op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan: | ||
| 37 | a) de hoeveelheid meststoffen type 2 en meststoffen type 3 die in deze periode opgebracht worden, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare; | ||
| 38 | b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorend bemestingsadvies uitgevoerd. De hoeveelheid meststoffen type 2 en meststoffen type 3 die in de periode vanaf 1 augustus tot en met 31 oktober opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies; | ||
| 39 | 2° vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 2 en meststoffen type 3 die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare. | ||
| 28 | § 5. Het op of in de bodem brengen van meststoffen is tevens verboden: | 40 | § 5. Het op of in de bodem brengen van meststoffen is tevens verboden: |
| 29 | 1° op alle zon- en feestdagen. Deze verbodsbepaling geldt niet voor kunstmest; | 41 | 1° op alle zon- en feestdagen. Deze verbodsbepaling geldt niet voor kunstmest; |
| 40 | Opslag van dierlijke mest of andere meststoffen op landbouwgrond die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf, is verboden. | 52 | Opslag van dierlijke mest of andere meststoffen op landbouwgrond die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf, is verboden. |
| 41 | Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder publiek toegankelijk gebouw: een gebouw of deel van een gebouw dat krachtens zijn bestemming of vast gebruik functioneel openstaat voor het publiek zoals, en in eerste instantie, scholen, kinderdagverblijven, buurtcentra. | 53 | Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder publiek toegankelijk gebouw: een gebouw of deel van een gebouw dat krachtens zijn bestemming of vast gebruik functioneel openstaat voor het publiek zoals, en in eerste instantie, scholen, kinderdagverblijven, buurtcentra. |
| 54 | Bij de opslag van vloeibare meststoffen op landbouwgrond in niet-permanente mestzakken bedraagt de afstand van de opslag tot een oppervlaktewaterlichaam als vermeld in artikel 1.1.3, §2, 7°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, ten minste 10 meter. | ||
| 42 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen. | 55 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen. |
| 43 | § 8. Voor de toepassing van dit artikel wordt, op percelen met als hoofdteelt grasland, het scheuren van de hoofdteelt grasland beschouwd als het oogsten van de hoofdteelt. | 56 | § 8. Voor de toepassing van dit artikel wordt, op percelen met als hoofdteelt grasland, het scheuren van de hoofdteelt grasland beschouwd als het oogsten van de hoofdteelt. |
| 49 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat in geval van maatregelen genomen in toepassing van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, educatieve demonstraties en wetenschappelijke proefnemingen, er afgeweken mag worden van de bepalingen van dit artikel. | 62 | De Vlaamse Regering kan bepalen dat in geval van maatregelen genomen in toepassing van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, educatieve demonstraties en wetenschappelijke proefnemingen, er afgeweken mag worden van de bepalingen van dit artikel. |
| 50 | De Vlaamse Regering kan extra voorwaarden aan deze afwijkingen verbinden en kan deze afwijkingen onder meer beperken tot bepaalde gebieden | 63 | De Vlaamse Regering kan extra voorwaarden aan deze afwijkingen verbinden en kan deze afwijkingen onder meer beperken tot bepaalde gebieden |
| 64 | §10. Van de in dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten opgenomen bepalingen aangaande de periodes en tijdstippen gedurende dewelke er bemest mag worden en aangaande het inzaaien, planten, aanhouden of oogsten van teelten, kan, omwille van weersomstandigheden, een afwijking toegestaan worden. | ||
| 65 | Een eventuele afwijking: | ||
| 66 | 1° bedraagt maximaal veertien kalenderdagen; | ||
| 67 | 2° kan gekoppeld worden aan extra voorwaarden; | ||
| 68 | 3° kan onder meer beperkt worden tot bepaalde gebieden, bepaalde teelten of bepaalde types bedrijven. | ||
| 69 | Voorafgaand aan het verlenen van een afwijking, wordt het advies gevraagd aan een adviescommissie. In haar advies beoordeelt de adviescommissie minimaal zowel de milieukundige als de landbouwkundige impact van een eventuele afwijking. | ||
| 70 | De adviescommissie, vermeld in het tweede lid, bestaat minimaal uit: | ||
| 71 | 1° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Landmaatschappij; | ||
| 72 | 2° een vertegenwoordiger van het Instituut voor Landbouw-, Visserij- of Voedingsonderzoek; | ||
| 73 | 3° een vertegenwoordiger van de gekwalificeerde adviesinstanties. | ||
| 74 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels aangaande de wijze waarop een eventuele afwijking als vermeld in deze paragraaf aangevraagd, behandeld en toegekend wordt en aangaande de samenstelling en de werking van de adviescommissie. | ||
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (aanhalingstekens niet in evenwicht). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 43 | 2° op percelen gelegen in de landbouwstreek `de Leemstreek', die geen zware kleigronden zijn: minstens aanhouden tot en met 30 november; | 43 | 2° op percelen gelegen in de landbouwstreek `de Leemstreek', die geen zware kleigronden zijn: minstens aanhouden tot en met 30 november; |
| 44 | 3° op percelen, andere dan punten 1° en 2° : minstens aanhouden tot en met 31 januari van het volgende jaar. | 44 | 3° op percelen, andere dan punten 1° en 2° : minstens aanhouden tot en met 31 januari van het volgende jaar. |
| 45 | §4. In gebiedstype 2 en gebiedstype 3 gelden de volgende maatregelen: | 45 | §4. In gebiedstype 1, gebiedstype 2 en gebiedstype 3 gelden de volgende maatregelen: |
| 46 | 1° bemesting is enkel toegestaan op percelen waar de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel landbouwgrond in kwestie behoort, ook de hoofdteelt verbouwt op het perceel in kwestie; | ||
| 47 | 2° de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, die mag opgebracht worden met toepassing van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten, wordt: | 46 | 1° de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, die mag opgebracht worden met toepassing van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten, agromilieu- en klimaatmaatregelen of ecoregelingen die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, beperken, wordt: |
| 48 | a) in 2019 op de percelen, gelegen in gebiedstype 3, met 5% verminderd; | 47 | a) op percelen gelegen in gebiedstype 1, waar als hoofdteelt een nitraatgevoelige teelt werd verbouwd, met 5% verminderd; |
| 49 | b) in 2020 op de percelen, gelegen in gebiedstype 2, met 5% verminderd; | 48 | b) op percelen gelegen in gebiedstype 2, waar als hoofdteelt een nietnitraatgevoelige teelt werd verbouwd, met 10% verminderd; |
| 50 | c) in 2020 op de percelen, gelegen in gebiedstype 3, met 10% verminderd; | 49 | c) op percelen gelegen in gebiedstype 2, waar als hoofdteelt een nitraatgevoelige teelt werd verbouwd, met 20% verminderd; |
| 51 | d) in 2021 op de percelen, gelegen in gebiedstype 2, met 5% verminderd; | 50 | d) op percelen gelegen in gebiedstype 3, waar als hoofdteelt een nietnitraatgevoelige teelt werd verbouwd, met 20% verminderd; |
| 52 | e) in 2021 op de percelen, gelegen in gebiedstype 3, met 15% verminderd; | 51 | e) op percelen gelegen in gebiedstype 3, waar als hoofdteelt een nitraatgevoelige teelt werd verbouwd, met 30% verminderd; |
| 53 | f) vanaf 2022 op de percelen, gelegen in gebiedstype 2, met 10% verminderd; | ||
| 54 | g) vanaf 2022 op de percelen, gelegen in gebiedstype 3, met 20% verminderd; | ||
| 55 | 3° het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld wordt is: | ||
| 56 | a) in 2019, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 2, minimaal gelijk aan het referentiepercentage van de betrokken landbouwer; | ||
| 57 | b) in 2019, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 3, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 5 %; | ||
| 58 | c) in 2020, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 2, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 5%; | ||
| 59 | d) in 2020, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 3, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 10%; | ||
| 60 | e) in 2021, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 2, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 5%; | ||
| 61 | f) in 2021, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 3, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 15%; | ||
| 62 | g) vanaf 2022, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 2, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, verhoogd met 10%; | ||
| 63 | h) vanaf 2022, voor de afstroomzones gelegen in gebiedstype 3, minimaal het referentiepercentage van de betrokken landbouwer verhoogd met 20%; | ||
| 64 | 4° vanaf 1 augustus van een bepaald kalenderjaar gebeurt elk vervoer van vloeibare dierlijke mest naar een perceel gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3 waarop een teelt wordt verbouwd die geen blijvende teelt en geen grasland is, overeenkomstig artikel 48. | 52 | 2° vanaf 1 juli van een bepaald kalenderjaar gebeurt elk vervoer van vloeibare dierlijke mest naar een perceel gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3 waarop een teelt wordt verbouwd die geen blijvende teelt en geen grasland is, overeenkomstig artikel 48. |
| 65 | Het referentiepercentage van de betrokken landbouwer als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt bepaald op basis van de gegevens uit de verzamelaanvraag, zoals gekend op 1 januari 2019, voor de kalenderjaren 2016, 2017 en 2018. | ||
| 66 | Voor het kalenderjaar 2016, het kalenderjaar 2017 en het kalenderjaar 2018 wordt voor elke landbouwer een referentieareaal, uitgedrukt in percent, als volgt berekend: | ||
| 67 | 1° eerst wordt, voor elk van de betrokken kalenderjaren, de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, bepaald, die voldoet aan al de volgende voorwaarden: | ||
| 68 | a) het betreft landbouwgrond gelegen in gebiedstype 2 of 3, overeenkomstig de indeling als vermeld in bijlage 4; | ||
| 69 | b) het betreft geen landbouwgrond waarop de teelt gebeurt onder overkapping, op groeimedium of in containers; | ||
| 70 | c) de hoofdteelt die op de betreffende landbouwgrond verbouwd wordt is geen blijvende teelt, geen meerjarige teelt of geen blijvend grasland; | ||
| 71 | d) het betreft geen begraasde niet-landbouwgrond met overeenkomst, geen volkstuinpark, geen onverharde landingsbaan, geen veiligheidszone of geen vliegveld; | ||
| 72 | 2° vervolgens wordt van het aantal hectare als vermeld in punt 1° het aantal hectares bepaald dat aan één van de hierna volgende voorwaarden voldoet: | ||
| 73 | a) het betreft een perceel landbouwgrond waarop de hoofdteelt grasland is en waarop geen voorteelt of nateelt, andere dan grasland, verbouwd wordt; | ||
| 74 | b) het betreft een perceel landbouwgrond waarop de hoofdteelt een niet-nitraatgevoelige teelt is, die gevolgd wordt door een nateelt. De nateelt in kwestie is geen vanggewas of specifieke teelt; | ||
| 75 | c) het betreft een perceel landbouwgrond waarop na een niet-late hoofdteelt als enige nateelt een vanggewas wordt verbouwd; | ||
| 76 | d) het betreft een perceel landbouwgrond waarop na een hoofdteelt van maïs, niet-vroege aardappelen of pootgoed van aardappelen, als enige nateelt een vanggewas wordt verbouwd; | ||
| 77 | 3° ten slotte wordt bepaald met hoeveel percent van het aantal hectares, vermeld in punt 1°, het aantal hectares, vermeld in punt 2°, overeenstemt. | ||
| 78 | Van het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor een betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar 2016, het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor een betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar 2017 en het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor een betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar 2018, berekend overeenkomstig het derde lid, wordt het gemiddelde gemaakt. Dit gemiddelde is het referentiepercentage van de betrokken landbouwer als vermeld in het eerste lid, 3°, met dien verstande dat: | ||
| 79 | 1° als er voor de betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar 2016, het kalenderjaar 2017 of het kalenderjaar 2018, geen referentieareaal, uitgedrukt in percent, kan berekend worden overeenkomstig het derde lid, dan wordt: | ||
| 80 | a) als er voor twee van de jaren in kwestie, een referentieareaal, uitgedrukt in percent, kan berekend worden overeenkomstig het derde lid, het referentiepercentage van de betrokken landbouwer als vermeld in het eerste lid, 3°, bepaald als het gemiddelde van het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor de betrokken landbouwer, voor de twee jaren in kwestie, berekend overeenkomstig het derde lid; | ||
| 81 | b) als er voor slechts één van de jaren in kwestie, een referentieareaal, uitgedrukt in percent, kan berekend worden overeenkomstig het derde lid, het referentiepercentage van de betrokken landbouwer als vermeld in het eerste lid, 3°, gelijk gesteld met het referentieareaal, uitgedrukt in percent, voor de betrokken landbouwer, voor dat ene jaar in kwestie, berekend overeenkomstig het derde lid; | ||
| 82 | 2° als er voor de betrokken landbouwer, voor geen enkel van de betrokken kalenderjaren 2016, 2017 of 2018, een referentieareaal, uitgedrukt in percent, kan berekend worden overeenkomstig het derde lid, het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, jaarlijks, als volgt berekend wordt: | ||
| 83 | a) voor elke afstroomzone, gelegen in gebiedstype 2 of 3, waarin, in het betrokken jaar, één of meerdere van de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen zijn, wordt de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, bepaald, die voldoet aan al de voorwaarden, vermeld in het derde lid, 1°, a), b), c) en d); | ||
| 84 | b) per afstroomzone wordt het aantal hectares, bepaald overeenkomstig punt a), vermenigvuldigd met het referentiepercentage dat voor de betreffende afstroomzone opgenomen is in de tabel, die als bijlage drie bij dit decreet is gevoegd; | ||
| 85 | c) het aantal hectares, bepaald overeenkomstig punt a), voor elke betrokken afstroomzone, wordt opgeteld; | ||
| 86 | d) het aantal hectares, bepaald overeenkomstig punt b), voor elke betrokken afstroomzone, wordt opgeteld; | ||
| 87 | e) ten slotte wordt bepaald met hoeveel percent van het aantal hectares, vermeld in punt c) het aantal hectares, vermeld in punt d) overeenstemt. Dit percentage is het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, voor het kalenderjaar in kwestie. | ||
| 88 | Als het referentiepercentage van een landbouwer, berekend overeenkomstig het vierde lid, lager is dan 20%, dan bedraagt het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, in afwijking van het vierde lid, 20%. | ||
| 89 | Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: | ||
| 90 | 1° meerjarige teelt: een teelt als vermeld in artikel 84, § 13, b), of rabarber; | ||
| 91 | 2° blijvend grasland: blijvend grasland als vermeld in artikel 4, eerste lid, h), van Verordening nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad; | ||
| 92 | 3° een niet-late hoofdteelt: een hoofdteelt die tot een van de volgende teelten behoort: | ||
| 93 | a) wintertarwe; | ||
| 94 | b) triticale; | ||
| 95 | c) een graangewas met uitzondering van Japanse haver, boekweit, sorghum, quinoa, gierst, kanariezaad, snijrogge en soedangras; | ||
| 96 | d) een teelt olievlas die geen vezelvlas is; | ||
| 97 | e) vezelvlas bestemd voor vezelproductie; | ||
| 98 | f) winterkoolzaad; | ||
| 99 | g) zomerkoolzaad; | ||
| 100 | h) ajuinen; | ||
| 101 | i) vroege aardappelen; | ||
| 102 | j) primeur aardappelen; | ||
| 103 | k) erwten; | ||
| 104 | l) spinazie; | ||
| 105 | m) vroege wortelen; | ||
| 106 | n) tabak. | ||
| 107 | De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen aangaande de wijze waarop het referentiepercentage van een landbouwer wordt bepaald en kan een afwijkende berekening van het referentiepercentage uitwerken, voor landbouwers van wie de bedrijfsstructuur wijzigt of naar aanleiding van de tweejaarlijkse evaluatie van de gebiedstypes als vermeld in paragraaf 2. | ||
| 108 | § 5. Een landbouwer kan vrijgesteld worden van een of meerdere van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°, als hij een of meerdere equivalente maatregelen, opgenomen in de lijst van equivalente maatregelen, naleeft. | ||
| 109 | Een equivalente maatregel is een alternatieve mitigerende maatregel die: | ||
| 110 | 1° hetzij alleen of in combinatie met andere equivalente maatregelen een reductie van de stikstofverliezen realiseert die minstens vergelijkbaar is met de reductie die de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2° of 3°, waarvoor men vrijgesteld wil worden, veroorzaakt; | ||
| 111 | 2° hetzij alleen of in combinatie met andere equivalente maatregelen een opvolging van de bemesting met vloeibare dierlijke mest realiseert die minstens vergelijkbaar is met de opvolging die de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 4°, waarvoor men vrijgesteld wil worden, veroorzaakt. | ||
| 112 | Er wordt, na advies van de beoordelingscommissie equivalente maatregelen, een lijst opgemaakt van de equivalente maatregelen die mogelijk zijn, waarbij voor elke in de lijst opgenomen maatregel: | ||
| 113 | 1° een nadere omschrijving wordt gegeven van de maatregel; | ||
| 114 | 2° in voorkomend geval de randvoorwaarden die van toepassing moeten zijn opdat de betreffende maatregel als een equivalente maatregel beschouwd kan worden; | ||
| 115 | 3° het gewicht van de maatregel in kwestie wordt vermeld, met name voor welke maatregel of deel van een maatregel als vermeld in paragraaf 4 men, mits naleving van de equivalente maatregel in kwestie, wordt vrijgesteld en gedurende welke periode. | ||
| 116 | Voorafgaand aan de opname van een maatregel op de lijst van equivalente maatregelen wordt, op basis van de meest actuele wetenschappelijke inzichten, door de beoordelingscommissie equivalente maatregelen een advies gegeven, aan de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu, aangaande het effect van de betreffende maatregel op de reductie van de stikstofverliezen, in voorkomend geval aangaande de randvoorwaarden die van toepassing moeten zijn opdat een maatregel als een equivalente maatregel beschouwd kan worden en aangaande het gewicht dat aan de betreffende maatregel wordt gehangen. | ||
| 117 | De beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen is samengesteld uit verschillende experts op het gebied van bemesting, bodem, water, milieu en landbouw. De leden van de beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen worden door de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu benoemd. De commissie is samengesteld als volgt: | ||
| 118 | 1° vijf vertegenwoordigers uit de wetenschappelijke instelling, waarvan minimaal één vertegenwoordiger van een buitenlandse universiteit of onderzoeksinstituut en minimaal één vertegenwoordiger van het instituut voor landbouw- en visserijonderzoek; | ||
| 119 | 2° twee vertegenwoordigers van de Vlaamse Landmaatschappij, waarvan één het secretariaat van de commissie verzorgt; | ||
| 120 | 3° één vertegenwoordiger van de Vlaamse Milieumaatschappij; | ||
| 121 | 4° twee vertegenwoordigers van het Departement Landbouw en Visserij van het Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij; | ||
| 122 | 5° één vertegenwoordiger van het Departement Omgeving van het Vlaams Ministerie van Omgeving. | ||
| 123 | De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, benoemt: | ||
| 124 | 1° uit de leden, vermeld in het vijfde lid, 1°, een voorzitter; | ||
| 125 | 2° voor elk lid een effectief lid en een plaatsvervanger. | ||
| 126 | Elke belanghebbende kan een of meerdere maatregelen ter advisering voorleggen en toelichten aan de beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen. De beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen hoort de belanghebbende die de betrokken maatregelen ter advisering voorlegt, evenals, in voorkomend geval, experts met betrekking tot de maatregelen die ter advisering voorliggen. | ||
| 127 | De beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen maakt een huishoudelijk reglement op. | ||
| 128 | De landbouwer die equivalente maatregelen als vermeld in het eerste lid wil toepassen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Bij zijn aanvraag meldt de landbouwer welke equivalente maatregelen als vermeld op de lijst, vermeld in het derde lid, hij in het betrokken jaar wil toepassen en voor welke maatregelen als vermeld in paragraaf 4, hij daarvoor vrijgesteld wil zijn. | ||
| 129 | Bij de aanvraag tot toepassing van equivalente maatregelen als vermeld in het negende lid dienen de volgende voorwaarden vervuld te zijn: | ||
| 130 | 1° als de landbouwer in het jaar X-1 vrijgesteld was van het naleven van één of meerdere van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, op basis van een vrijstelling, vermeld in het eerste lid, dan moet de landbouwer de equivalente maatregelen, die hij in uitvoering van deze vrijstelling voor het jaar X-1 moest uitvoeren, correct uitgevoerd hebben; | ||
| 131 | 2° in het jaar X werd door de betrokken landbouwer tijdig voldaan aan zijn aangifte-plicht als vermeld in artikel 23; | ||
| 132 | 3° de landbouwer valt in het jaar X niet onder het toepassingsgebied van paragraaf 9; | ||
| 133 | 4° de equivalente maatregel of maatregelen die de landbouwer in zijn aanvraag, vermeld in het negende lid, vermeldt: | ||
| 134 | a) moeten, rekening houdend met het gewicht van de maatregel of maat-regelen in kwestie als vermeld in het derde lid, minstens equivalent zijn aan de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° of 4°, waarvoor de landbouwer vrijgesteld wil worden; | ||
| 135 | b) mogen niet in strijd zijn met verplichtingen die de betrokken landbouwer, in uitvoering van dit decreet, of in uitvoering van een doorlichting als vermeld in artikel 62 moet naleven. | ||
| 136 | De Mestbank beoordeelt de ontvangen aanvragen en deelt uiterlijk op 31 maart via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, aan de landbouwer mee of de ingediende aanvraag geldig is. Een aanvraag als vermeld in het negende lid is ongeldig als aan een of meerdere van de voorwaarden als vermeld in het tiende lid niet voldaan is. Als de aanvraag, vermeld in het negende lid, betrekking heeft op meerdere maatregelen, vermeld in paragraaf 4, beoordeelt de Mestbank, per maatregel, vermeld in paragraaf 4, waarvoor de landbouwer vrijgesteld wil worden, of de aanvraag geldig is. De landbouwer kan hiertegen bezwaar indienen uiterlijk op 30 april. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. | ||
| 137 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze paragraaf, met inbegrip van: | ||
| 138 | 1° de nadere regels voor de werking van de beoordelingscommissie voor equivalente maatregelen en de minimale inhoud van het huishoudelijk reglement ervan; | ||
| 139 | 2° de tenlasteneming van de verplaatsingskosten van haar leden en het bedrag van het presentiegeld dat de leden toekomt; | ||
| 140 | 3° de wijze waarop de lijst van equivalente maatregelen wordt opgemaakt, vastgesteld en geëvalueerd. | ||
| 141 | § 6. Een bedrijf, waartoe landbouwgrond behoort, kan een aanvraag tot vrijstelling van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°, mits het uitvoeren van een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, indienen. | 53 | §5. Een bedrijf waartoe landbouwgrond behoort, verkrijgt een vrijstelling van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, mits de volgende voorwaarden vervuld zijn: |
| 142 | Bij de aanvraag tot vrijstelling als vermeld in het eerste lid dienen de volgende voorwaarden vervuld te zijn: | ||
| 143 | 1° de landbouwer liet in het jaar X-1 een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoeren waarvan het resultaat positief is als vermeld in artikel 15, §9; | 54 | 1° de landbouwer liet in het jaar X-1 een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitvoeren waarvan het resultaat positief is als vermeld in artikel 15, §9; |
| 144 | 2° in het jaar X-1 is: | 55 | 2° in het jaar X-1 is: |
| 145 | a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van de artikelen 8, 12, 13, 20, 21 of 22 van dit decreet, van artikel 5.9.2.1, 5.9.2.2, 5.9.2.3, 5.9.2.4, 5.9.8.5, 5.28.2.2 of 5.28.2.3 van titel II van het Vlarem, of van artikel 1.3.2.2, §1, 1° en 3°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, begaan; | 56 | a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van artikel 8, 12, 13, 20, 21 of 22 van dit decreet, van artikel 5.9.2.1, 5.9.2.2, 5.9.2.3, 5.9.2.4, 5.9.8.5, 5.28.2.2 of 5.28.2.3 van titel II van het Vlarem, of van artikel 1.3.2.2, §1, 1° en 3°, of §1/1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, begaan; |
| 146 | b) aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62 opgelegd, en is geen administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, §1, §3, of §5, opgelegd; | 57 | b) aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62 opgelegd, en is geen administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, §1, §3 of §5, opgelegd; |
| 147 | 3° in het jaar X werd hetzij door de betrokken landbouwer tijdig voldaan aan zijn aangifteplicht als vermeld in artikel 23, hetzij aan de betrokken landbouwer een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, §6, opgelegd, waarvoor het uitstel ten belope van 200 euro van rechtswege omgezet is in een opheffing, overeenkomstig artikel 63, §6, vierde lid. | 58 | c) in het jaar X werd hetzij door de betrokken landbouwer tijdig voldaan aan zijn aangifteplicht als vermeld in artikel 23, hetzij aan de betrokken landbouwer een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, §6, opgelegd, waarvoor het uitstel ten belope van 200 euro van rechtswege omgezet is in een opheffing, overeenkomstig artikel 63, §6, vierde lid. |
| 148 | 4° de landbouwer valt in het jaar X niet onder het toepassingsgebied van paragraaf 9. | ||
| 149 | De landbouwer die een vrijstelling als vermeld in het eerste lid wil verkrijgen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer die in het jaar X-1 nog niet verplicht is om een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren en die in het jaar X een vrijstelling als vermeld in het eerste lid wil aanvragen, meldt dit aan de Mestbank, uiterlijk op 1 juni van het jaar X-1, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Een landbouwer kan deze melding tot uiterlijk 1 juni van het jaar X-1 intrekken. Elke landbouwer die op 2 juni van het jaar X-1 een niet-ingetrokken melding heeft, is verplicht om de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. Deze nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau gebeurt overeenkomstig artikel 15. | ||
| 150 | In afwijking van het tweede lid, 1°, en het derde lid wordt een landbouwer geacht van rechtswege een vraag tot vrijstelling als vermeld in het eerste lid aan te vragen voor het jaar X als hij aan de volgende twee voorwaarden voldoet: | ||
| 151 | 1° in het jaar X-1 was de landbouwer vrijgesteld van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°, op basis van een aanvraag, als vermeld in deze paragraaf; | ||
| 59 | De Mestbank kan een landbouwer die over een vrijstelling beschikt, opleggen om een nitraatresidubepaling op bedrijfsniveau te laten uitvoeren. | ||
| 60 | Een vrijstelling als vermeld in het eerste lid vervalt: | ||
| 61 | 1° als aan een of meerdere van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2° of 3°, niet voldaan is; | ||
| 152 | 2° in het jaar X-1 liet de landbouwer geen nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoeren, waarvan het resultaat niet positief is als vermeld in artikel 15, §9. | 62 | 2° als aan de landbouwer opgelegd was een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren, en de landbouwer hetzij geen nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau liet uitvoeren, hetzij een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau liet uitvoeren waarvan het resultaat niet positief is als vermeld in artikel 15, §9. |
| 153 | Een landbouwer kan zijn aanvraag tot vrijstelling als vermeld in het eerste lid intrekken tot uiterlijk 15 februari van het jaar X. | ||
| 154 | De Mestbank duidt, voor elke aanvraag die geldig is verklaard, het tot het bedrijf behorende perceel landbouwgrond aan waarop de landbouwer het nitraatresidu moet laten bepalen. Een landbouwer wiens aanvraag geldig is verklaard, is verplicht om het nitraatresidu te laten bepalen op het door de Mestbank aangeduide perceel. | ||
| 155 | In afwijking van het zesde lid moet een landbouwer in het jaar X een nitraatresidubepaling op bedrijfsniveau laten uitvoeren als hij onder één van de volgende twee situaties valt: | ||
| 156 | 1° het verschil in oppervlakte tussen de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, in het jaar Y en de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, uitgedrukt in hectare, in het jaar X, bedraagt meer dan 25% of meer dan 10 hectare. Voor de toepassing van deze voorwaarde is het jaar Y het laatste jaar waarin betrokkene een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau liet uitvoeren, waarvan het resultaat positief was als vermeld in artikel 15, § 9; | ||
| 157 | 2° ofwel zijn de volgende drie voorwaarden vervuld: | ||
| 158 | a) in het jaar X-1 was de landbouwer vrijgesteld van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°, op basis van een aanvraag als vermeld in deze paragraaf en diende hij in uitvoering van zijn aanvraag als vermeld in deze paragraaf slechts op één van zijn tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond het nitraatresidu te bepalen; | ||
| 159 | b) in het jaar X-1 liet de landbouwer geen nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoeren; | ||
| 160 | c) het resultaat van de nitraatresidubepaling op het ene, door de Mestbank aangeduide, tot zijn bedrijf behorende perceel landbouwgrond als vermeld in a) was hoger dan de overeenkomstige eerste drempelwaarde als vermeld in artikel 15, § 1. | ||
| 161 | Een landbouwer wiens aanvraag geldig is verklaard, wordt voor het jaar X vrijgesteld van de maatregelen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, 3° en 4°. | ||
| 162 | De Mestbank beoordeelt de ontvangen aanvragen en deelt uiterlijk op 31 maart via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket aan de landbouwer mee of de ingediende aanvraag geldig is. Een aanvraag als vermeld in het derde of vierde lid is ongeldig als aan een of meerdere van de voorwaarden als vermeld in het tweede lid niet voldaan is. De landbouwer kan hiertegen bezwaar indienen uiterlijk op 30 april. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. | 63 | De Mestbank beoordeelt de vrijstellingen en vermeldt op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket of een vrijstelling wordt verleend. De landbouwer kan hiertegen bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar de beoordeling van de vrijstelling nog niet vermeld is op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat de beoordeling van de vrijstelling voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. |
| 163 | De Vlaamse Regering kan in gebieden waar bij een tussentijdse evaluatie als vermeld in paragraaf 2, blijkt dat de waterkwaliteit achteruitgaat, de toepassing van deze paragraaf beperken of kan extra voorwaarden aan de toepassing van deze paragraaf verbinden. | 64 | De Vlaamse Regering kan in gebieden waar bij een tussentijdse evaluatie als vermeld in paragraaf 2 blijkt dat de waterkwaliteit achteruitgaat, de toepassing van deze paragraaf beperken of kan extra voorwaarden aan de toepassing van deze paragraaf verbinden. |
| 164 | In het kader van de omvorming van een landbouwer met meerdere exploitanten naar een of meer nieuwe landbouwers met één exploitant, waarbij de exploitant van elke nieuwe landbouwer deel uitmaakt van de landbouwer met meerdere exploitanten, bevindt elke nieuwe landbouwer zich in het jaar X van de omvorming, voor de toepassing van deze paragraaf, in dezelfde rechtstoestand als de rechts- toestand waarin de landbouwer met meerdere exploitanten zich zou bevinden als die niet zou zijn omgevormd. Het bepalen van de betreffende rechtstoestand van de nieuwe landbouwer voor het jaar X+1 en de daaropvolgende jaren gebeurt conform dit artikel. Voor de toepassing van het zevende lid wordt het verschil in oppervlakte berekend tussen de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond van de landbouwer met meerdere exploitanten, uitgedrukt in hectare, in het jaar Y en de tot het bedrijf behorende landbouwgronden van de nieuwe landbouwer, uitgedrukt in hectare, in het jaar X. | 65 | In het kader van de omvorming van een landbouwer met meerdere exploitanten naar een of meer nieuwe landbouwers met één exploitant, waarbij de exploitant van elke nieuwe landbouwer deel uitmaakt van de landbouwer met meerdere exploitanten, bevindt elke nieuwe landbouwer zich in het jaar X van de omvorming, voor de toepassing van deze paragraaf, in dezelfde rechtstoestand als de rechtstoestand waarin de landbouwer met meerdere exploitanten zich zou bevinden als die niet zou zijn omgevormd. Het bepalen van de betreffende rechtstoestand van de nieuwe landbouwer voor het jaar X+1 en de daaropvolgende jaren gebeurt conform dit artikel. Voor de toepassing van het zevende lid wordt het verschil in oppervlakte berekend tussen de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond van de landbouwer met meerdere exploitanten, uitgedrukt in hectare, in het jaar Y en de tot het bedrijf behorende landbouwgronden van de nieuwe landbouwer, uitgedrukt in hectare, in het jaar X. |
| 165 | § 7. Voor de toepassing van de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, wordt: | 66 | §6. Voor de toepassing van de maatregel, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 1°, wordt: |
| 166 | 1° voor elk van de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, die mag opgebracht worden met toepassing van de artikelen 12, 13, 16, 17, 41bis, §1 tot en met §8, en 41ter, van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten, bepaald; | 67 | 1° voor elk van de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald die mag opgebracht worden met toepassing van artikel 12, 13, 16, 17, 41bis, §1 tot en met §8, en 41ter, van dit decreet, de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten, agromilieu- en klimaatmaatregelen of ecoregelingen die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, beperken en met de beperkingen aangaande het op of in de bodem brengen van meststoffen in de nabijheid van waterlopen, overeenkomstig artikel 1.3.2.1 en 1.3.2.2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018; |
| 167 | 2° vervolgens de hoeveelheid meststoffen die op bedrijfsniveau op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, verminderd overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 2°, en paragraaf 9. Hiervoor wordt: | 68 | 2° vervolgens de hoeveelheid meststoffen die op bedrijfsniveau op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, verminderd overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 1°. Voor het toepassen van deze vermindering wordt: |
| 168 | a) voor de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die gelegen zijn in gebiedstype 2 de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald overeenkomstig 1°, verminderd met het overeenkomstige percentage als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°. In afwijking hiervan wordt, in het geval als vermeld in paragraaf 9, 1°, voor de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die gelegen zijn in gebiedstype 2 de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald overeenkomstig 1°, verminderd met de verlaging die voor het bedrijf in kwestie van toepassing was op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7 of § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015; | ||
| 169 | b) voor de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die gelegen zijn in gebiedstype 3, de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald overeenkomstig 1°, verminderd met het overeenkomstige percentage als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°. In afwijking hiervan wordt, in het geval als vermeld in paragraaf 9, 2°, voor de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond die gelegen zijn in gebiedstype 3 de toegelaten bemesting, uitgedrukt in kg werkzame N, bepaald overeenkomstig 1°, verminderd met de verlaging die voor het bedrijf in kwestie van toepassing was op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7 of § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015; | ||
| 69 | a) enkel rekening gehouden met percelen gelegen in gebiedstype 1, gebiedstype 2 of gebiedstype 3; | ||
| 70 | b) geen rekening gehouden met percelen landbouwgrond waarop de teelt gebeurt onder overkapping, op groeimedium of in containers; | ||
| 71 | c) geen rekening gehouden met percelen landbouwgrond waarop de biologische productiemethode wordt toegepast of die in omschakeling zijn naar de biologische productiemethode en die behoren tot een bedrijf dat de biologische productiemethode toepast; | ||
| 72 | d) geen rekening gehouden met percelen waarop als hoofdteelt een meerjarige, houtige fruitteelt wordt verbouwd; | ||
| 170 | 3° ten slotte wordt, na toepassing van 1° en 2°, in voorkomend geval de hoeveelheid meststoffen die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, nog aangepast op basis van een gebruiksovereenkomst als vermeld in artikel 41bis, §9, of op basis van een maatregel of reductie als vermeld in artikel 62. | 73 | 3° ten slotte, na toepassing van 1° en 2°, in voorkomend geval de hoeveelheid meststoffen die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, nog aangepast op basis van een gebruiksovereenkomst als vermeld in artikel 41bis, §9, of op basis van een maatregel of reductie als vermeld in artikel 62. |
| 171 | § 8. De beoordeling of voldaan is aan de verplichting van het telen van een vanggewas of laag-risico nateelt als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, gebeurt overeenkomstig het beoordelingskader, opgenomen in deze paragraaf. | ||
| 172 | Voor de beoordeling of voldaan is aan de verplichting van het telen van een vanggewas of laag-risico nateelt als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, wordt nagegaan of de landbouwer op een voldoende groot percentage van zijn tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, een vanggewas of laag-risico nateelt heeft verbouwd. Hiervoor wordt voor de betrokken landbouwer zijn gerealiseerde areaal vergeleken met zijn doelareaal. Een landbouwer heeft, voor een bepaald jaar voldaan aan de verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, als in het betreffende jaar zijn gerealiseerd areaal minstens even groot is als zijn doelareaal. | ||
| 173 | Het doelareaal van een landbouwer in een bepaald jaar wordt bepaald door zowel voor gebiedstype 2 als voor gebiedstype 3 het referentiepercentage van de betrokken landbouwer, bepaald overeenkomstig paragraaf 4, en verhoogd overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, te vermenigvuldigen met de oppervlakte, uitgedrukt in hectare, van de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, die in gebiedstype 2 respectievelijk gebiedstype 3 gelegen zijn. Het resultaat van gebiedstype 2 en gebiedstype 3 wordt vervolgens opgeteld. In voorkomend geval wordt, als het resultaat van deze som hoger is dan 80% van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 2 of 3, uitgedrukt in hectare, het resultaat van deze som afgetopt op exact 80% van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 2 of 3, uitgedrukt in hectare. Het resultaat van deze som, in voorkomend geval na een aftopping, wordt: | ||
| 174 | 1° in voorkomend geval verminderd met het aantal hectares, opgenomen in een geldig verklaarde melding als vermeld in het negende lid waarin de betrokken landbouwer als verkrijgende landbouwer vermeld is; | ||
| 175 | 2° in voorkomend geval vermeerderd met het aantal hectares, opgenomen in een geldig verklaarde melding als vermeld in het negende lid waarin de betrokken landbouwer als aanbieder-landbouwer vermeld is; | ||
| 176 | 3° in voorkomend geval vermeerderd met het aantal hectares, gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, waarvoor in het vorige kalenderjaar niet voldaan was aan de verplichting, vermeld in deze paragraaf of paragraaf 9, en waarvoor een administratieve geldboete, berekend overeenkomstig artikel 63, § 14, tweede lid, is opgelegd. | ||
| 177 | Het gerealiseerde areaal van een landbouwer in een bepaald jaar wordt berekend door de som te maken van de volgende getallen: | ||
| 178 | 1° de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, en gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, waarop een vanggewas werd verbouwd dat uiterlijk op 15 september ingezaaid werd of waarop na een niet-nitraatgevoelige hoofdteelt een laag-risico nateelt werd verbouwd; | ||
| 179 | 2° de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, die voldoet aan al de volgende voorwaarden: | ||
| 180 | a) op de betrokken percelen werd als hoofdteelt hetzij maïs, hetzij niet-vroege aardappelen, verbouwd; | ||
| 181 | b) de betrokken percelen zijn gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3; | ||
| 182 | c) op de betrokken percelen werd een vanggewas verbouwd dat uiterlijk op 15 oktober werd ingezaaid. | ||
| 183 | Een landbouwer kan, voor het voldoen aan zijn verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, een beroep doen op een andere landbouwer om een deel van zijn verplichting in te vullen. De verkrijgende landbouwer en de aanbieder-landbouwer sluiten hiervoor een overeenkomst af en melden dit aan de Mestbank. | ||
| 184 | Een overeenkomst als vermeld in het vijfde lid is enkel geldig als voldaan is aan de volgende vijf voorwaarden: | ||
| 185 | 1° geen van de betrokken landbouwers valt in het jaar X onder het toepassingsgebied van paragraaf 5, paragraaf 6 of paragraaf 9; | ||
| 186 | 2° geen van de betrokken landbouwers is voor het betreffende jaar al betrokken bij een bevestigde, niet-ingetrokken overeenkomst voor hetzelfde gebiedstype; | ||
| 187 | 3° de aanbieder-landbouwer viel in het jaar X-1 niet onder het toepassingsgebied van paragraaf 5, paragraaf 6 of paragraaf 9 en heeft in het jaar X-1 voldaan aan zijn verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3° ; | ||
| 188 | 4° bij de bepaling van het doelareaal van de betrokken aanbieder-landbouwer is er geen aftopping gebeurd overeenkomstig het derde lid; | ||
| 189 | 5° de overeenkomst vermeldt het gebiedstype waarop de overeenkomst betrekking heeft. Zowel de aanbieder-landbouwer als de verkrijgende landbouwer moeten minimaal één tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond hebben dat in het betreffende gebiedstype gelegen is. | ||
| 190 | De landbouwers die voor de beoordeling of voldaan is aan de verplichting van het telen van een vanggewas of laag-risico nateelt als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, gebruik willen maken van een overeenkomst, melden dit bij de Mestbank. De melding wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket door een van de betrokken landbouwers en vervolgens door de andere betrokken landbouwer bevestigd via het internetloket. Elk van de betrokken landbouwers kan tot uiterlijk 15 februari van het jaar X zijn melding intrekken via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. | ||
| 191 | Bij de melding, vermeld in het zevende lid, wordt per gebiedstype vermeld hoeveel hectare vanggewas van de ene landbouwer ingevuld zal worden door vanggewas dat de andere landbouwer in het overeenkomstige gebiedstype zal telen. | ||
| 192 | De Mestbank beoordeelt de ontvangen meldingen en deelt uiterlijk op 31 maart via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket aan elk van de betrokken landbouwers mee of de ingediende melding geldig is. Een melding als vermeld in het zevende lid is ongeldig als, op basis van de gegevens waarover de Mestbank beschikt: | ||
| 193 | 1° aan een of meerdere van de voorwaarden als vermeld in het zesde lid niet voldaan is; | ||
| 194 | 2° de door een van de betrokken landbouwers ingediende melding werd door de andere betrokken landbouwer niet bevestigd via het internetloket; | ||
| 195 | 3° de melding werd door minstens één van de betrokken landbouwers ingetrokken. | ||
| 196 | Als de melding geldig is verklaard als vermeld in het negende lid wordt het doelareaal van de verkrijgende landbouwer verminderd met het aantal hectares, vermeld bij de melding als vermeld in het achtste lid en wordt het doelareaal van de aanbieder-landbouwer verhoogd met het aantal hectares, vermeld in de melding als vermeld in het achtste lid. | ||
| 197 | De Mestbank vermeldt op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket of de melding als vermeld in het zevende lid geldig is. De landbouwer kan hiertegen bezwaar indienen uiterlijk op 30 april. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. | ||
| 198 | Voor de toepassing van deze paragraaf wordt: | ||
| 199 | 1° bij het bepalen van het gerealiseerde areaal en het doelareaal van een landbouwer geen rekening gehouden met landbouwgrond die permanent overkapt is of met landbouwgronden waarop een blijvende teelt wordt verbouwd; | ||
| 200 | 2° bij het bepalen van het gerealiseerde areaal van een landbouwer enkel rekening gehouden met landbouwgronden waar het vanggewas minimaal gedurende de periode als vermeld in paragraaf 3, tweede lid, aangehouden blijft. | ||
| 201 | Voor de toepassing van deze paragraaf wordt begrepen onder: | ||
| 202 | 1° een verkrijgende landbouwer: een landbouwer die voor het voldoen aan zijn verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, een beroep doet op een andere landbouwer om een deel van zijn verplichting in te vullen; | ||
| 203 | 2° een aanbieder-landbouwer: een landbouwer die voor een andere landbouwer voldoet aan een deel of een geheel van de verplichting, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°. | ||
| 204 | § 9. In afwijking van paragraaf 4 wordt voor een bedrijf dat op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 12 juni 2015, of overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, een beperking had van de toegelaten bemesting, de hoeveelheid werkzame stikstof die jaarlijks op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, beperkt tot het percentage dat voor het betrokken bedrijf op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 12 juni 2015, of overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, van toepassing was. | ||
| 205 | In afwijking van het eerste lid wordt vanaf het kalenderjaar 2021 voor een bedrijf dat op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 7, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 12 juni 2015, als focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 is gekwalificeerd, de hoeveelheid werkzame stikstof die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond gelegen in gebiedstype 3 mag opgebracht worden, beperkt tot het percentage, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°. | ||
| 206 | Onverminderd de toepassing van paragraaf 4 blijft, voor een bedrijf dat op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, een verplichting had om een bepaald percentage vanggewassen in te zaaien, deze verplichting ook van toepassing in het kalenderjaar 2019 en de volgende kalenderjaren, met dien verstande dat als in een bepaald kalenderjaar voor zijn tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden: | ||
| 207 | 1° gelegen in gebiedstype 2, het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld moet worden, overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, hoger is dan het percentage dat voor het bedrijf in kwestie op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, van toepassing was, het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld moet worden, overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, van toepassing is; | ||
| 208 | 2° gelegen in gebiedstype 3, het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld moet worden, overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, hoger is dan het percentage dat voor het bedrijf in kwestie op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 14, § 8, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, van toepassing was, het percentage van het areaal waarop een vanggewas of laag-risico nateelt geteeld moet worden, overeenkomstig paragraaf 4, eerste lid, 3°, van toepassing is. | ||
| 209 | Voor de toepassing van deze paragraaf zijn paragraaf 3, tweede lid, en paragraaf 7 van overeenkomstige toepassing. | ||
| 210 | Als een bedrijf in het jaar X een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoert waarvan het resultaat positief is als vermeld in artikel 15, § 9, valt het bedrijf vanaf het kalenderjaar X+1 niet meer onder het toepassingsgebied van deze paragraaf. | ||
| 74 | §7. De oplegging van de maatregelen, vermeld in paragraaf 3 en 4 gebeurt van rechtswege. De beoordeling van de naleving van de maatregelen, vermeld in dit artikel, gebeurt door de Mestbank. De Mestbank vermeldt het resultaat van deze beoordeling via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. | ||
| 211 | § 10. De oplegging van de maatregelen, vermeld in paragraaf 3, 4 en 9, gebeurt van rechtswege. De beoordeling van de naleving van de maatregelen, vermeld in dit artikel, gebeurt door de Mestbank. De Mestbank vermeldt het resultaat van deze beoordeling via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen het resultaat van deze beoordeling bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar het resultaat van deze beoordeling nog niet vermeld wordt op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat het resultaat van deze beoordeling voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. | 75 | De landbouwer kan tegen het resultaat van deze beoordeling bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar het resultaat van deze beoordeling nog niet vermeld wordt op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat het resultaat van deze beoordeling voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. |
| 212 | Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. | 76 | Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen negentig dagen vanaf de verzending van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. |
| 213 | § 11. Voor de toepassing van dit artikel wordt een onderzaai van gras bij een hoofdteelt maïs ook als een vanggewas beschouwd, op voorwaarde dat het gras dat als onderzaai wordt geteeld, na de oogst van de maïs minimaal gedurende de periode als vermeld in paragraaf 3, tweede lid, aangehouden blijft. | ||
| 214 | Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winterjaar verstaan de periode van 1 juli van het jaar X-1 tot 30 juni van het jaar X. | 77 | §8. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winterjaar verstaan de periode van 1 juli van het jaar X-1 tot 30 juni van het jaar X. |
| 215 | De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen betreffende de uitvoering van dit artikel. | 78 | De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen betreffende de uitvoering van dit artikel. |
| 79 | § 9. ... | ||
| 80 | § 10. ... | ||
| 81 | § 11. ... | ||
| 1 | §1. Onverminderd de bepalingen van artikel 13 en van de artikelen 61 tot en met 72 worden nitraatresidudrempelwaarden vastgesteld. | 1 | §1. Onverminderd de bepalingen van artikel 13 en 61 tot en met 72 worden nitraatresidudrempelwaarden vastgesteld. |
| 2 | De volgende elf types nitraatresidudrempelwaarden worden onderscheiden: | 2 | De volgende elf types nitraatresidudrempelwaarden worden onderscheiden: |
| 3 | Nitraat residu type | ||
| 4 | Teelttype | ||
| 5 | Bodemtype | ||
| 6 | In gebiedstype 2 en 3 | ||
| 7 | In gebiedstype 0 en 1 | ||
| 8 | eerste drempel | ||
| 9 | waarde | ||
| 10 | tweede drempel | ||
| 11 | waarde | ||
| 12 | eerste drempel | ||
| 13 | waarde | ||
| 14 | tweede drempelwaarde | ||
| 15 | 1 | ||
| 16 | Gras | ||
| 17 | Zand of Niet-zand | ||
| 18 | 60 | ||
| 19 | 170 | ||
| 20 | 80 | ||
| 21 | 200 | ||
| 22 | 2 | ||
| 23 | Maïs | ||
| 24 | Zand | ||
| 25 | 65 | ||
| 26 | 130 | ||
| 27 | 80 | ||
| 28 | 160 | ||
| 29 | 3 | ||
| 30 | Maïs | ||
| 31 | Niet-zand | ||
| 32 | 75 | ||
| 33 | 150 | ||
| 34 | 85 | ||
| 35 | 170 | ||
| 36 | 4 | ||
| 37 | Granen | ||
| 38 | Zand | ||
| 39 | 65 | ||
| 40 | 145 | ||
| 41 | 80 | ||
| 42 | 180 | ||
| 43 | 5 | ||
| 44 | Granen | ||
| 45 | Niet-zand | ||
| 46 | 75 | ||
| 47 | 165 | ||
| 48 | 80 | ||
| 49 | 180 | ||
| 50 | 6 | ||
| 51 | Aardappelen | ||
| 52 | Zand of Niet-zand | ||
| 53 | 85 | ||
| 54 | 155 | ||
| 55 | 90 | ||
| 56 | 165 | ||
| 57 | 7 | ||
| 58 | Specifieke teelten | ||
| 59 | Zand of Niet-zand | ||
| 60 | 85 | ||
| 61 | 190 | ||
| 62 | 90 | ||
| 63 | 200 | ||
| 64 | 8 | ||
| 65 | Suikerbieten en voederbieten | ||
| 66 | Zand | ||
| 67 | 60 | ||
| 68 | 135 | ||
| 69 | 80 | ||
| 70 | 180 | ||
| 71 | 9 | ||
| 72 | Suikerbieten en voederbieten | ||
| 73 | Niet-zand | ||
| 74 | 70 | ||
| 75 | 155 | ||
| 76 | 80 | ||
| 77 | 180 | ||
| 78 | 10 | ||
| 79 | Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas | ||
| 80 | Zand | ||
| 81 | 65 | ||
| 82 | 135 | ||
| 83 | 80 | ||
| 84 | 180 | ||
| 85 | 11 | ||
| 86 | Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas | ||
| 87 | Niet-zand | ||
| 88 | 75 | ||
| 89 | 155 | ||
| 90 | 80 | ||
| 91 | 180 | ||
| 92 | Het teelttype als vermeld in de tabel in het tweede lid betreft de hoofdteelt die op het betrokken perceel, overeenkomstig de verzamelaanvraag, geteeld zal worden, tenzij de hoofdteelt in dat jaar wordt gevolgd door een specifieke teelt of door de teelt van aardappelen. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de tabel, vermeld in het tweede lid, rekening gehouden met de specifieke teelt of de teelt van aardappelen, die op dat perceel als nateelt uitgevoerd zal worden. | 3 | Nitraat residu type Teelttype Bodemtype In gebiedstype 2 en 3 In gebiedstype 0 en 1 eerste drempelwaarde tweede drempelwaarde eerste drempelwaarde tweede drempelwaarde 1 Gras Zand of Niet-zand 60 85 80 115 2 Maïs Zand 65 95 80 115 3 Maïs Niet-zand 75 105 85 120 4 Granen Zand 65 95 80 115 5 Granen Niet-zand 75 105 80 115 6 Aardappelen Zand of Niet-zand 85 120 90 130 7 Specifieke teelten Zand of Niet-zand 85 120 90 130 8 Suikerbieten en voederbieten Zand 60 85 80 115 9 Suikerbieten en voederbieten Niet-zand 70 100 80 115 Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas Zand 65 95 80 115 Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas Niet-zand 75 105 80 115 Het teelttype als vermeld in de tabel in het tweede lid betreft de hoofdteelt die op het betrokken perceel, overeenkomstig de verzamelaanvraag, geteeld zal worden, tenzij de hoofdteelt in dat jaar wordt gevolgd door een specifieke teelt of door de teelt van aardappelen. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de tabel, vermeld in het tweede lid, rekening gehouden met de specifieke teelt of de teelt van aardappelen, die op dat perceel als nateelt uitgevoerd zal worden. |
| 93 | De bemonsteringen van de nitraatresidubepalingen, uitgevoerd in toepassing van dit decreet, gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november. De nitraatresidubepalingen worden uitgevoerd door een erkend laboratorium als vermeld in artikel 61, § 7, overeenkomstig de bepalingen van het methodenboek als vermeld in artikel 61, § 8. | ||
| 94 | §2. De Mestbank kan jaarlijks het nitraatresidu laten bepalen op percelen landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest. | 4 | §2. De Mestbank kan jaarlijks het nitraatresidu laten bepalen op percelen landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest. |
| 95 | De Mestbank bepaalt de percelen landbouwgrond waarvan het nitraatresidu bepaald moet worden en selecteert hierbij vooral percelen gelegen buiten gebiedstype 0 of percelen gelegen binnen gebiedstype 0 die in de afstroomzone liggen van een meetput van het freatisch grondwatermeetnet in landbouwgebied, uitgebaat door de Vlaamse Milieumaatschappij, of van het meetpunt voor oppervlakte-water van het MAP-meetnet oppervlaktewater in landbouwgebied, uitgebaat door de Vlaamse Milieumaatschappij, waar de drempel van 50 mg nitraat per liter werd overschreden. | 5 | De Mestbank bepaalt de percelen landbouwgrond waarvan het nitraatresidu bepaald moet worden en selecteert hierbij vooral percelen gelegen buiten gebiedstype 0 of percelen gelegen binnen gebiedstype 0 die in de afstroomzone liggen van een meetput van het freatisch grondwatermeetnet in landbouwgebied, uitgebaat door de Vlaamse Milieumaatschappij, of van het meetpunt voor oppervlaktewater van het MAP-meetnet oppervlaktewater in landbouwgebied, uitgebaat door de Vlaamse Milieumaatschappij, waar de drempel van 50 mg nitraat per liter werd overschreden. |
| 96 | De Mestbank zorgt ervoor dat de landbouwer tot wiens bedrijf het betreffende perceel behoort minstens een week voor de bemonstering in kennis wordt gesteld van de dag waarop de bemonstering zal uitgevoerd worden en van het perceel waarop de nitraatresidubepaling zal gebeuren. Bij betwistingen aangaande deze inkennisstelling kan de landbouwer de nietigheid van het resultaat van de uitgevoerde nitraatresidubepaling niet inroepen. | 6 | De Mestbank zorgt ervoor dat de landbouwer tot wiens bedrijf het betreffende perceel behoort minstens een week voor de bemonstering in kennis wordt gesteld van de dag waarop de bemonstering zal uitgevoerd worden en van het perceel waarop de nitraatresidubepaling zal gebeuren via een door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket. |
| 97 | De landbouwer kan in zijn opdracht en op zijn kosten door een erkend laboratorium naar zijn keuze een nitraatresidubepaling laten uitvoeren op het perceel waarop een nitraatresidubepaling wordt uitgevoerd in opdracht van de Mestbank als vermeld in het eerste lid. In voorkomend geval wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen. Deze nitraatresidubepaling moet gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november in hetzelfde jaar als de nitraatresidubepaling in opdracht van de Mestbank. | ||
| 7 | De landbouwer die in een bepaald kalenderjaar nog niet verplicht is om een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren, maar dit wenst te doen, meldt dit aan de Mestbank, uiterlijk op 31 mei, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Een landbouwer kan deze melding tot uiterlijk 31 mei intrekken. Elke landbouwer die op 1 juni een niet-ingetrokken melding heeft, is verplicht om dat kalenderjaar de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. | ||
| 98 | Onverminderd de nitraatresidubepalingen, opgelegd in uitvoering van artikel 14, § 6, kan de Mestbank een landbouwer opleggen in opdracht en op kosten van de landbouwer in kwestie door een erkend laboratorium op één of meerdere percelen landbouwgrond die behoren tot zijn bedrijf, een nitraatresidubepaling te laten uitvoeren. De Mestbank kan de verplichting tot het laten uitvoeren van één of meerdere nitraatresidubepalingen of van een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau opleggen aan de volgende landbouwers: | 8 | Onverminderd de nitraatresidubepalingen, opgelegd in uitvoering het vierde lid, kan de Mestbank een landbouwer opleggen in opdracht en op kosten van de landbouwer in kwestie door een erkend laboratorium een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau te laten uitvoeren, met dien verstande dat de Mestbank er voor zorgt dat een landbouwer die de maatregelen als vermeld in paragraaf 11 moet toepassen, minstens elke vijf jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau laat uitvoeren. |
| 99 | 1° landbouwers die op hun bedrijf gebruikmaken van de mogelijkheden die voortvloeien uit de uitvoering van een besluit van de Europese Commissie tot verlening van een door de lidstaat België op grond van de Nitraatrichtlijn gevraagde derogatie; | ||
| 100 | 2° landbouwers aan wie één of meerdere administratieve geldboetes of strafrechtelijke veroordelingen zijn opgelegd wegens overtreding van één of meerdere bepalingen van dit decreet; | ||
| 101 | 3° landbouwers van wie het bedrijf niet beschikt over voldoende mestopslagcapaciteit als vermeld in artikel 9; | ||
| 102 | 4° landbouwers aan wie een maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62 werd opgelegd, of één of meerdere administratieve geldboetes als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5. | ||
| 103 | § 3. Als in een bepaald jaar X op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond gelegen in gebiedstype 0 een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde doch de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde niet overschrijdt, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+1 in zijn opdracht en op zijn kosten op één door de Mestbank aangeduid perceel S een nitraatresidubepaling laten uitvoeren. Als het nitraat-residu van het perceel landbouwgrond in jaar X meerdere malen bepaald werd, dan wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen. | ||
| 104 | Als in het jaar X+1 bij de nitraatresidubepaling op het perceel S als vermeld in het eerste lid een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde moet de betrokken landbouwer in het jaar X+2 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, laten uitvoeren. | ||
| 105 | Een landbouwer laat in het jaar X+1 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoeren, als in het jaar X op een tot zijn bedrijf behorend perceel landbouwgrond: | ||
| 106 | 1° dat niet gelegen is in gebiedstype 0 een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde; | ||
| 107 | 2° een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde. | ||
| 108 | Als in een bepaald jaar op een bedrijf een nitraatresiduevaluatie op bedrijfs-niveau moet gebeuren, is deze paragraaf niet van toepassing. | ||
| 9 | §3. Voor percelen met een hoog koolstofgehalte werkt de Vlaamse Regering, in afwijking van paragraaf 1, een regeling uit. | ||
| 10 | De Vlaamse Regering bepaalt hierbij de wijze waarop het hoge koolstofgehalte vastgesteld moet worden en wat het effect van het hoge koolstofgehalte is, op de nitraatresidudrempelwaarden, vermeld in paragraaf 1. | ||
| 11 | De Vlaamse Regering kan hierbij een onderscheid maken tussen onder meer bepaalde teelten en bepaalde bodemtexturen. | ||
| 109 | § 4. Voor het uitvoeren van een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau moeten er in een bepaald jaar op een minimaal aantal tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond nitraatresidubepalingen uitgevoerd worden. De resultaten van de in dat jaar uitgevoerde nitraatresidubepalingen worden vervolgens getoetst aan de gewogen gemiddelde drempelwaarden. | 12 | § 4. Voor het uitvoeren van een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau moeten er in een bepaald jaar op een minimaal aantal tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond nitraatresidubepalingen uitgevoerd worden. De resultaten van de in dat jaar uitgevoerde nitraatresidubepalingen worden vervolgens getoetst aan de gewogen gemiddelde drempelwaarden. |
| 110 | De bepalingen van paragraaf 4 tot en met 14 zijn van toepassing op alle nitraatresiduevaluaties op bedrijfsniveau die uitgevoerd moeten worden in uitvoering van dit decreet. | 13 | De bepalingen van paragraaf 4 tot en met 15 zijn van toepassing op alle nitraatresiduevaluaties op bedrijfsniveau die uitgevoerd moeten worden in uitvoering van dit decreet. |
| 111 | § 5. Een bedrijf dat in een bepaald jaar een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoert, laat in dat jaar: | 14 | § 5. Een bedrijf dat in een bepaald jaar een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau uitvoert, laat in dat jaar: |
| 112 | 1° op minimaal drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond het nitraatresidu bepalen. Voor bedrijven met minder dan drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond volstaat het om het nitraatresidu te bepalen op alle tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond; | 15 | 1° op minimaal drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond het nitraatresidu bepalen. Voor bedrijven met minder dan drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond volstaat het om het nitraatresidu te bepalen op alle tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond; |
| 121 | Voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma bepaald van enerzijds de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 0 of gebiedstype 1, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is en van anderzijds de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Elk van beide getallen wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype en voor de betrokken gebiedstypes. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de beide vermenig-vuldigingen zijn gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar als vermeld in het eerste lid. | 24 | Voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma bepaald van enerzijds de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 0 of gebiedstype 1, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is en van anderzijds de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Elk van beide getallen wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype en voor de betrokken gebiedstypes. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de beide vermenig-vuldigingen zijn gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar als vermeld in het eerste lid. |
| 122 | Als er voor een nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is, geen resultaat van een nitraatresidubepaling uitgevoerd op een perceel waarop dit nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is, beschikbaar is, wordt voor het bepalen van het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen en van de gewogen gemiddelde eerste en tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken bedrijf, geen rekening gehouden met het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. | 25 | Als er voor een nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is, geen resultaat van een nitraatresidubepaling uitgevoerd op een perceel waarop dit nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is, beschikbaar is, wordt voor het bepalen van het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen en van de gewogen gemiddelde eerste en tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken bedrijf, geen rekening gehouden met het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. |
| 123 | § 8. Een landbouwer die, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, het nitraatresidu moest bepalen op één door de Mestbank aangeduid perceel en dit niet heeft laten uitvoeren of die de uitvoering van een nitraatresidubepaling die niet kadert in een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, heeft gehinderd, moet het volgende kalenderjaar een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau laten uitvoeren. | ||
| 124 | Een landbouwer die, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau moest laten uitvoeren en dit niet heeft laten uitvoeren, of die de uitvoering van een nitraatresidubepaling die kadert in een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, heeft gehinderd, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met een landbouwer waarbij uit het resultaat van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde tweede nitraat-residu-drempelwaarde van het bedrijf . | 26 | §8. Een landbouwer die, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moest laten uitvoeren en die niet heeft laten uitvoeren of die de uitvoering van een nitraatresidubepaling die kadert in een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau heeft gehinderd, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met een landbouwer waarbij uit het resultaat van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf of, in geval er in het betreffende kalenderjaar sprake was van weersomstandigheden als vermeld in artikel 64, §7, dat de overschrijding groter was dan de, overeenkomstig artikel 64, §7, verhoogde overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaardes. |
| 125 | § 9. Het resultaat van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in een bepaald jaar, is positief als het gewogen gemiddelde van de in dat jaar bepaalde nitraatresidu's kleiner dan of gelijk is aan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, bepaald op basis van de nitraatresidudrempelwaardes in gebiedstype 3 als vermeld in paragraaf 1, tweede lid. | 27 | § 9. Het resultaat van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in een bepaald jaar, is positief als het gewogen gemiddelde van de in dat jaar bepaalde nitraatresidu's kleiner dan of gelijk is aan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, bepaald op basis van de nitraatresidudrempelwaardes in gebiedstype 3 als vermeld in paragraaf 1, tweede lid. |
| 126 | Voor het bepalen van de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, bepaald op basis van de nitraatresidudrempelwaardes in gebiedstype 3 als vermeld in het eerste lid wordt, voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma bepaald waarop dat nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype voor percelen gelegen in gebiedstype 3. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, bepaald op basis van de nitraatresidudrempelwaardes in gebiedstype 3 als vermeld in het eerste lid. | 28 | Voor het bepalen van de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, bepaald op basis van de nitraatresidudrempelwaardes in gebiedstype 3 als vermeld in het eerste lid wordt, voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, het aantal hectares tot op twee cijfers na de komma bepaald waarop dat nitraatresidutype, ongeacht het gebiedstype, van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype voor percelen gelegen in gebiedstype 3. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, bepaald op basis van de nitraatresidudrempelwaardes in gebiedstype 3 als vermeld in het eerste lid. |
| 127 | §10. Als uit het resultaat van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X, blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidu-bepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempel-waarde van het bedrijf en kleiner dan of gelijk aan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, moet het betreffende bedrijf in het jaar X+1 de volgende maatregelen naleven: | 29 | §10. Als uit het resultaat van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X, blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf en kleiner dan of gelijk aan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, moet het betreffende bedrijf, vanaf het jaar X+1 de volgende maatregelen naleven: |
| 128 | 1° een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau laten uitvoeren; | ||
| 129 | 2° een bemestingsplan bijhouden voor al de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond; | 30 | 1° een bemestingsplan bijhouden voor al de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond; |
| 130 | 3° teeltfiches bijhouden voor alle teelten die in het jaar X+1 op het bedrijf verbouwd worden. | 31 | 2° teeltfiches bijhouden voor alle teelten die in het betrokken jaar op het bedrijf verbouwd worden. |
| 32 | De maatregelen, vermeld in het eerste lid, vervallen op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de landbouwer een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau liet uitvoeren waarvan het resultaat positief is als vermeld in paragraaf 9 en uiterlijk op 1 januari van het vijfde jaar volgend op het laatste jaar waarin, voor het bedrijf in kwestie, opgelegd was een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. | ||
| 33 | §11. Er worden vanaf het jaar X+1 maatregelen opgelegd aan een bedrijf waarvoor: | ||
| 34 | 1° hetzij uit het resultaat van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X, blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf; | ||
| 35 | 2° hetzij voldaan is aan de twee volgende voorwaarden: | ||
| 36 | a) uit het resultaat van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X, blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf; | ||
| 131 | § 11. Als uit het resultaat van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X, blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, of als blijkt dat het resultaat van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X en in het jaar X-1, telkens groter is dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, dan moet het betreffende bedrijf in het jaar X+1 de volgende maatregelen naleven: | 37 | b) uit het resultaat van een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het jaar X-1, het jaar X-2, het jaar X-3 of het jaar X-4, blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf. |
| 132 | 1° een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau laten uitvoeren; | ||
| 38 | De bedrijven, vermeld in het eerste lid, moeten vanaf het jaar X+1 de volgende maatregelen naleven: | ||
| 133 | 2° een bemestingsplan bijhouden voor al de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond; | 39 | 1° een bemestingsplan bijhouden voor al de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond; |
| 134 | 3° teeltfiches bijhouden voor alle teelten die in het jaar X+1 op het bedrijf verbouwd worden; | 40 | 2° teeltfiches bijhouden voor alle teelten die op het bedrijf verbouwd worden; |
| 135 | 4° geen derogatie mogelijk in het jaar X+1; | ||
| 136 | 5° de landbouwer laat zich begeleiden door een gecertificeerde adviesinstantie en volgt de adviezen van de gecertificeerde adviesinstantie op, met dien verstande dat de adviezen en de opvolging van deze adviezen niet mogen afwijken van de bepalingen van dit decreet. | 41 | 3° zich laten begeleiden door een gekwalificeerde adviesinstantie. Het bedrijf volgt de adviezen van de gekwalificeerde adviesinstantie op, met dien verstande dat de adviezen en de opvolging van deze adviezen niet mogen afwijken van de bepalingen van dit decreet; |
| 42 | 4° het betreffende bedrijf kan geen gebruik maken van de mogelijkheid, vermeld in artikel 14bis om een verlaging te krijgen van de bemestingsvermindering, vermeld in artikel 14, §4, eerste lid, 1°. | ||
| 43 | De maatregel, vermeld in het tweede lid, 4°, wordt enkel opgelegd aan bedrijven als vermeld in het eerste lid, 1°, en op voorwaarde dat, als in het kalenderjaar X er sprake was van weersomstandigheden als vermeld in artikel 64, §7, de overschrijding groter was dan de, overeenkomstig artikel 64, §7, verhoogde overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaardes. | ||
| 44 | De maatregelen, vermeld in het tweede lid, vervallen op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de landbouwer een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau liet uitvoeren waarvan het resultaat positief is als vermeld in paragraaf 9 en uiterlijk op 1 januari van het vijfde jaar volgend op het laatste jaar waarin voor het bedrijf in kwestie opgelegd was een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. | ||
| 137 | § 12. De beoordeling van de resultaten van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau en het opleggen van de gevolgen, vermeld in paragraaf 10 en paragraaf 11, gebeurt van rechtswege. De Mestbank vermeldt de beoordeling van de resultaten en de opgelegde gevolgen op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen deze beoordeling en de opgelegde gevolgen bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar de beoordeling en de gevolgen nog niet vermeld worden op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat de beoordeling en de gevolgen voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werden. | 45 | § 12. De beoordeling van de resultaten van de nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau en het opleggen van de gevolgen, vermeld in paragraaf 10 en paragraaf 11, gebeurt van rechtswege. De Mestbank vermeldt de beoordeling van de resultaten en de opgelegde gevolgen op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen deze beoordeling en de opgelegde gevolgen bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar de beoordeling en de gevolgen nog niet vermeld worden op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat de beoordeling en de gevolgen voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werden. |
| 138 | Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. | 46 | Het bezwaar moet per beveiligde zending gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. |
| 144 | Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers die laattijdig nog bepaalde aanpassingen doorvoeren in de verzamelaanvraag die betrekking heeft op het betreffende kalenderjaar. | 52 | Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers die laattijdig nog bepaalde aanpassingen doorvoeren in de verzamelaanvraag die betrekking heeft op het betreffende kalenderjaar. |
| 145 | In het kader van de omvorming van een landbouwer met meerdere exploitanten naar een of meer nieuwe landbouwers met één exploitant, waarbij de exploitant van elke nieuwe landbouwer deel uitmaakt van de landbouwer met meerdere exploitanten, bevindt elke nieuwe landbouwer zich in het jaar X van de omvorming, voor de toepassing van dit artikel, in dezelfde rechtstoestand als de rechtstoestand waarin de landbouwer met meerdere exploitanten zich zou bevinden als die niet zou zijn omgevormd. Het bepalen van de betreffende rechtstoestand van de nieuwe landbouwer voor het jaar X+1 en de daaropvolgende jaren gebeurt conform dit artikel. | 53 | In het kader van de omvorming van een landbouwer met meerdere exploitanten naar een of meer nieuwe landbouwers met één exploitant, waarbij de exploitant van elke nieuwe landbouwer deel uitmaakt van de landbouwer met meerdere exploitanten, bevindt elke nieuwe landbouwer zich in het jaar X van de omvorming, voor de toepassing van dit artikel, in dezelfde rechtstoestand als de rechtstoestand waarin de landbouwer met meerdere exploitanten zich zou bevinden als die niet zou zijn omgevormd. Het bepalen van de betreffende rechtstoestand van de nieuwe landbouwer voor het jaar X+1 en de daaropvolgende jaren gebeurt conform dit artikel. |
| 54 | §15. De Vlaamse Regering kan voor percelen waarop gelijktijdig meerdere teelten verbouwd worden nader bepalen aan welk teelttype als vermeld in de tabel, vermeld in paragraaf 1, dergelijke percelen toegewezen moeten worden. | ||
| 55 | In afwijking van dit artikel kan de Vlaamse Regering voor biologische bedrijven en zelfplukbedrijven waarvan de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond minder dan 5 hectare bedraagt en waar meer dan drie nitraatresidutypes van toepassing zijn, de bepalingen aangaande het uitvoeren en beoordelen van een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau wijzigen. | ||
| 2 | Op landbouwgronden die voor een deel gelegen zijn in meerdere gebieden die, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, verschillend behandeld dienen te worden, onder meer op het gebied van de van toepassing zijnde bemestings-regels, bemestingsnormen, toegestane bemestingsperiode, nitraatresiduwaarden en maatregelen, worden voor de van toepassing zijnde bemestingsregels, voor de beperkingen voor difosforpentoxide, stikstof, stikstof uit dierlijke mest, stikstof uit andere meststoffen en stikstof uit kunstmest, voor de toegestane bemestingsperiode en voor de van toepassing zijnde nitraatresiduwaarden en maatregelen en voor het bepalen van de afzetmogelijkheid op de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond de bepalingen die van toepassing zijn op het grootste gedeelte van het perceel van toepassing op het volledige perceel. | 2 | Op landbouwgronden die voor een deel gelegen zijn in meerdere gebieden die, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, verschillend behandeld dienen te worden, onder meer op het gebied van de van toepassing zijnde bemestings-regels, bemestingsnormen, toegestane bemestingsperiode, nitraatresiduwaarden en maatregelen, worden voor de van toepassing zijnde bemestingsregels, voor de beperkingen voor difosforpentoxide, stikstof, stikstof uit dierlijke mest, stikstof uit andere meststoffen en stikstof uit kunstmest, voor de toegestane bemestingsperiode en voor de van toepassing zijnde nitraatresiduwaarden en maatregelen en voor het bepalen van de afzetmogelijkheid op de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond de bepalingen die van toepassing zijn op het grootste gedeelte van het perceel van toepassing op het volledige perceel. |
| 3 | Voor de toepassing van dit decreet, onder meer voor wat betreft de van toepassing zijnde bemestingsregels, bemestingsnormen, toegestane bemestingsperiode, nitraatresiduwaarden en maatregelen, en het bepalen van de afzetmogelijkheid op de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, wordt geen rekening gehouden met wijzigingen die de landbouwer na 30 juni van een bepaald kalenderjaar aanbrengt aan de verzamelaanvraag die betrekking heeft op dat kalenderjaar. In afwijking hiervan wordt met wijzigingen van de nateelt rekening gehouden met wijzigingen die de landbouwer tot en met 31 oktober van een bepaald kalenderjaar aanbrengt aan de verzamelaanvraag die betrekking heeft op dat kalenderjaar. | 3 | Voor de toepassing van dit decreet, onder meer voor wat betreft de van toepassing zijnde bemestingsregels, bemestingsnormen, toegestane bemestingsperiode, nitraatresiduwaarden en maatregelen, en het bepalen van de afzetmogelijkheid op de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, wordt geen rekening gehouden met wijzigingen die de landbouwer na 30 juni van een bepaald kalenderjaar aanbrengt aan de verzamelaanvraag die betrekking heeft op dat kalenderjaar. In afwijking hiervan wordt met wijzigingen van de nateelt rekening gehouden met wijzigingen die de landbouwer tot en met 31 oktober van een bepaald kalenderjaar aanbrengt aan de verzamelaanvraag die betrekking heeft op dat kalenderjaar. |
| 4 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.. | ||
| 4 | De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van het derde lid, voor alle of bepaalde aspecten in toepassing van dit decreet, de datum van 30 juni verlaten, en kan hieraan bepaalde voorwaarden koppelen. | ||
| 5 | § 2. Bij nieuwe afbakeningen van fosfaatverzadigde gebieden, vermeld in artikel 17, gelden de overeenkomstige bemestingsnormen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe afbakening. | 5 | § 2. Bij nieuwe afbakeningen van fosfaatverzadigde gebieden, vermeld in artikel 17, gelden de overeenkomstige bemestingsnormen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe afbakening. |
| 1 | Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing : | 1 | Het op of in de bodem brengen van meststoffen in de nabijheid van waterlopen: |
| 2 | 1° tot 5 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop; | ||
| 3 | 2° tot 10 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop die gelegen is in het Vlaams Ecologisch Netwerk; | ||
| 4 | 3° tot 10 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop, als een steile helling grenst aan een waterloop. | ||
| 5 | De waterlopen, vermeld in het eerste lid, zijn de bevaarbare waterlopen en de onbevaarbare waterlopen van eerste, tweede en derde categorie, ingedeeld op grond van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen. | ||
| 2 | 1° is verboden binnen de gebieden, vermeld in artikel 1.3.2.2, §1, 1°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018; | ||
| 3 | 2° is verboden op de beschermingsstroken, vermeld in artikel 1.3.2.2 van voormeld decreet; | ||
| 4 | 3° gebeurt, in het geval van een oeverzone, vastgelegd in een goedgekeurd oeverzoneproject als vermeld in artikel 1.3.2.1 van voormeld decreet, overeenkomstig de bepalingen die in het oeverzoneproject in kwestie bepaald zijn. |