§ flandrepo

Tot wijziging van artikel 37 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat de injunctie betreft #581

Gemerged Philippe MuytersKoen Van den HeuvelSteven CoenegrachtsLorin ParysTinne RomboutsMaaike De Vreese N-VA, cd&v, Open Vld voegde 1 artikel samen in decreet-2014-04-04 · 15 december 2020 Alle checks geslaagd
Advies
DR de Raad van State 25 januari 2021 · 7 blz.
581/2 Officiële PDF
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks. Hieronder de tekst uit de PDF.
ingediend op581 (2020-2021) – Nr. 2 22 januari 2021 (2020-2021) verzendcode: FIN Advies van de Raad van State over het voorstel van decreet van Philippe Muyters, Koen Van den Heuvel, Steven Coenegrachts, Lorin Parys, Tinne Rombouts en Maaike De Vreese tot wijziging van artikel 37 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat de injunctie betreft Documenten in het dossier: : Voorstel van decreet Vlaams Parlement Vlaams Parlement581 (2020-2021) – Nr. 2 3 RAAD VAN STATE afdeling Wetgeving advies 68.539/3 van 22 januari 2021 over een voorstel van decreet van het Vlaams Parlement ‘tot wijziging van artikel 37 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat de injunctie betreft’ (Parl.St. Vl.Parl. 2020-21, nr. 581/1) ‡LW-CCBVODECB-GIFDJUQ‡ 2/5 advies Raad van State 68.539/3 Op 18 december 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Voorzitter van het Vlaams Parlement verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een voorstel van decreet ‘tot wijziging van artikel 37 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat de injunctie betreft’ (Parl.St. Vl.Parl. 2020-21, nr. 581/1). Het voorstel is door de derde kamer onderzocht op 19 januari 2021. De kamer was samengesteld uit Wilfried VAN VAERENBERGH, kamervoorzitter, Jeroen VAN NIEUWENHOVE en Koen MUYLLE, staatsraden, Jan VELAERS en Bruno PEETERS, assessoren, en Annemie GOOSSENS, griffier. Het verslag is uitgebracht door Katrien DIDDEN, auditeur. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 22 januari 2021. * ‡LW-CCBVODECB-GIFDJUQ‡ Vlaams Parlement68.539/3 advies Raad van State 3/5 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond1, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. * STREKKING VAN HET VOORONTWERP 2. Het voor advies voorgelegde voorstel van decreet van het Vlaamse Gewest strekt tot vervanging van artikel 37, § 1, eerste en tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, teneinde de in deze bepaling vervatte mogelijkheid voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Handhavingscollege om na een vernietiging de verwerende partij te bevelen een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen, om te vormen tot een verplichting. De voormelde Vlaamse bestuursrechtscolleges worden tevens verplicht om aan een dergelijk bevel een ordetermijn voor de uitvoering ervan te verbinden (artikel 2 van het voorstel). Het aan te nemen decreet is van toepassing op vernietigingsarresten die worden uitgesproken na de datum van inwerkingtreding ervan (artikel 3). ALGEMENE OPMERKINGEN 3.1. Volgens de toelichting bij het voor advies voorgelegde voorstel gaat het uit van de vaststelling “dat de RvVb bij de vernietiging van de bestreden beslissing er steeds vaker voor kiest om geen injunctietermijn meer op te leggen, terwijl de RvVb dat in het verleden wel vrij consequent deed. In een nieuwsbericht van 10 september 2020 op de website van de Dienst van de Bestuursrechtscolleges (DBRC) wordt erop gewezen dat de RvVb niet verplicht is om een injunctie op te leggen (https://www.dbrc.be/mededeling-hersteltermijn). Als de DBRC geen injunctie oplegt, speelt de retroactieve werking van de vernietiging. Dat werd beslist in het arrest ‘RvVb-A-2021-0025’ van 10 september 2020”. Door de mogelijkheid waarover de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Handhavingscollege beschikken om na een vernietiging de verwerende partij te bevelen een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen, om te vormen tot een verplichting en door die bestuursrechtscolleges te verplichten aan dat bevel een ordetermijn te verbinden voor de uitvoering ervan, beogen de indieners van het voor advies voorgelegde voorstel te vermijden “dat moet worden teruggevallen op de oorspronkelijke beslissingstermijnen, die meestal het karakter van vervaltermijnen hebben”. 3.2. In zoverre het bevel van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Handhavingscollege aan een verwerende partij om na een vernietiging met inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in zijn uitspraak een nieuwe beslissing te nemen of een andere 1 Aangezien het om een voorstel van decreet gaat, wordt onder “rechtsgrond” de overeenstemming met de hogere rechtsnormen verstaan. ‡LW-CCBVODECB-GIFDJUQ‡ 4/5 advies Raad van State 68.539/3 handeling te stellen, bijdraagt tot het herstel van de wettigheid, en derhalve mede een effectieve rechtsbescherming waarborgt, kan worden aangenomen dat de voorgestelde regeling het recht op een daadwerkelijke uitvoering van rechterlijke uitspraken versterkt door de voormelde Vlaamse bestuursrechtscolleges te verplichten in een dergelijk bevel te voorzien. 3.3.1. De voorgestelde regeling heeft evenwel tot gevolg dat de verwerende partij die na een vernietiging gehouden is een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen, over een door het bestuursrechtscollege bepaalde ordetermijn zal beschikken, in plaats van over een vervaltermijn die desgevallend is voorgeschreven door het materieel toepasselijke recht. 3.3.2. In arrest nr. 87/2018 van 5 juli 2018 heeft het Grondwettelijk Hof ten aanzien van het bestaande artikel 37, § 1, van het decreet van 4 april 2014 geoordeeld dat geen afbreuk wordt gedaan aan het recht op een effectieve rechtsbescherming doordat de termijn die kan worden gekoppeld aan het door de Raad van Vergunningsbetwistingen of het Handhavingscollege gegeven injunctiebevel een ordetermijn is, en dit op grond van de volgende overweging: …
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd