Tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs en de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, wat betreft taalmaatregelen #799
De instructies van dit stuk toegepast op de wet zoals die gold op 28 mei 2026. De officiële tekst blijft het document van het Parlement.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (wijziging niet herkend). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 4 | 2° een werkingsbudget; | 4 | 2° een werkingsbudget; |
| 5 | 3° investeringsmiddelen. | 5 | 3° investeringsmiddelen. |
| 6 | § 2. De regering kan jaarlijks een toelage toekennen voor anderstalige nieuwkomers. Ze bepaalt de toekennings-voorwaarden, alsook de berekeningswijze van de toelage. | ||
| 6 | § 2. ... | ||
| 7 | § 3. [... (opgeh. decr. 13 juli 2001, art. XI. 5, I: 1 maart 2001) ] | 7 | § 3. [... (opgeh. decr. 13 juli 2001, art. XI. 5, I: 1 maart 2001) ] |
| 1 | Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon basisonderwijs voor het schooljaar 20TT-1–20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van februari van 20TT-4 of 20TT-3 of 20TT-2 meer dan 50 procent regelmatige leerlingen lager onderwijs telden die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), van dit decreet. | ||
| 2 | Voor de maatregel, vermeld in het eerste lid en in artikel 48/2 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, wordt voor het basis- en secundair onderwijs samen vanaf 2024 jaarlijks een bedrag van 20 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 79, §3, derde lid, 2°, van dit decreet. | ||
| 3 | Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt over het basis- en secundair onderwijs verdeeld op basis van het aandeel van het onderwijsniveau in het totale aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het jaar 20TT-2 die voldoen aan het leerlingenkenmerk 3, vermeld in artikel 242, §1, eerste lid, 1°, c), van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en in artikel 78, §1, 1°, c), van dit decreet, en voor zover zij ingeschreven zijn in de scholen of centra die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid of in artikel 48/2, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. | ||
| 4 | Het extra werkingsbudget per school voor het betrokken schooljaar is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat beantwoordt aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), van dit decreet, op de eerste schooldag van februari van jaar 20TT-2 in de school met het binnen de begroting voorziene werkingsbudget, vermeld in dit artikel, voor het basisonderwijs voor dat schooljaar gedeeld door het totale aantal regelmatige leerlingen gewoon lager onderwijs in de scholen die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, dat op de eerste schooldag van februari van jaar 20TT-2 beantwoordt aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), van dit decreet. | ||
| 5 | Het extra werkingsbudget wordt aangewend om leerlingen met een te beperkte kennis van het Nederlands extra te ondersteunen. | ||
| 6 | Het extra werkingsbudget voor het betrokken schooljaar wordt aan de schoolbesturen in minstens twee schijven uitbetaald, waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50% van het extra werkingsbudget van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt. | ||
| 7 | De regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel, verhogen. |
| 1 | §1. Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon basisonderwijs voor het schooljaar 20TT-1–20TT, startende in 2026-2027, met het oog op remediëring Nederlands in het gewoon basisonderwijs. De middelen kunnen ook het daaropvolgende schooljaar voor deze doelstelling gebruikt worden. | ||
| 2 | §2. Het werkingsbudget waarop de school recht heeft, is de som van A, B, C, D, E, F, G, H en I, waarbij: | ||
| 3 | 1° A: de som van het voor elke school voor gewoon basisonderwijs afgeronde getal A1, waarbij: | ||
| 4 | a) A1: de coëfficiënt TNN vermenigvuldigd met de som van het aantal regelmatige kleuters die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), en het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 5 | b) de coëfficiënt TNN: 6.835.881 euro gedeeld door de som van het totale aantal regelmatige kleuters in het gewoon basisonderwijs die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), en het totale aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in het gewoon basisonderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar; | ||
| 6 | c) A1 wordt als volgt afgerond: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal; | ||
| 7 | 2° B: de som van het voor elke school voor gewoon basisonderwijs afgeronde getal B1, waarbij: | ||
| 8 | a) B1: de coëfficiënt OPL vermenigvuldigd met de som van het aantal regelmatige kleuters die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, a), en het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, a), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 9 | b) de coëfficiënt OPL: 4.604.075 euro gedeeld door de som van het totale aantal regelmatige kleuters in het gewoon basisonderwijs die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, a), en het totale aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in het gewoon basisonderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, | ||
| 10 | a), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar; | ||
| 11 | c) B1 wordt als volgt afgerond: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal; | ||
| 12 | 3° C: de som van het voor elke school voor gewoon basisonderwijs afgeronde getal C1, waarbij: | ||
| 13 | a) C1: de coëfficiënt ST vermenigvuldigd met de som van het aantal regelmatige kleuters die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, b), en het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, b), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 14 | b) de coëfficiënt ST: 4.167.078 euro gedeeld door de som van het totale aantal regelmatige kleuters in het gewoon basisonderwijs die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, b), en het totale aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in het gewoon basisonderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, | ||
| 15 | b), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar; | ||
| 16 | c) C1 wordt als volgt afgerond: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal; | ||
| 17 | 4° D: 46 euro vermenigvuldigd met de som van het aantal regelmatige kleuters die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, | ||
| 18 | c), en het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 19 | 5° E: 31 euro vermenigvuldigd met de som van het aantal regelmatige kleuters die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, | ||
| 20 | a), en het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, a), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 21 | 6° F: 28 euro vermenigvuldigd met de som van het aantal regelmatige kleuters die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, | ||
| 22 | b), en het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, b), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 23 | 7° G: de som van het voor elke school voor gewoon basisonderwijs afgeronde getal G1, waarbij: | ||
| 24 | a) G1: de coëfficiënt TNN vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 25 | b) de coëfficiënt TNN: 6.193.097 euro gedeeld door de som van het totale aantal regelmatige leerlingen in het gewoon basisonderwijs die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar; | ||
| 26 | c) G1 wordt als volgt afgerond: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal; | ||
| 27 | 8° H: de som van het voor elke school voor gewoon basisonderwijs afgeronde getal H1, waarbij: | ||
| 28 | a) H1: de coëfficiënt OPL vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, a), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 29 | b) de coëfficiënt OPL: 4.171.150 euro gedeeld door de som van het totale aantal regelmatige leerlingen in het gewoon basisonderwijs die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, a), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar; | ||
| 30 | c) H1 wordt als volgt afgerond: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal; | ||
| 31 | 9° I: de som van het voor elke school voor gewoon basisonderwijs afgeronde getal I1, waarbij: | ||
| 32 | a) I1: de coëfficiënt ST vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, | ||
| 33 | 1°, b), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 34 | b) de coëfficiënt ST: 3.775.244 euro gedeeld door de som van het totale aantal regelmatige leerlingen in het gewoon basisonderwijs die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, b), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar; | ||
| 35 | c) I1 wordt als volgt afgerond: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal. | ||
| 36 | §3. De bedragen die gegenereerd zijn conform paragraaf 2, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, en | ||
| 37 | 6°, worden uitsluitend aangewend om kleuters en leerlingen lager onderwijs in het gewoon onderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar individueel of in kleine groepen te remediëren tijdens de lestijden. De remediëring focust op de Nederlandse taalkennis nodig voor het behalen van de minimumdoelen. De school bepaalt welke leerlingen die remediëring krijgen. Deze middelen kunnen uitzonderlijk ook aangewend worden voor leerlingen die zeven jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar. | ||
| 38 | De bedragen die gegenereerd zijn conform paragraaf 2, 7°, 8°, en 9°, worden uitsluitend aangewend om remediëring te voorzien voor leerlingen gewoon onderwijs die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die niet in aanmerking komen voor deelname aan de taalheldklassen, maar wel nood hebben aan bijkomende remediëring van hun taalachterstand. De remediëring focust op de Nederlands taalverwerving nodig voor het behalen van de minimumdoelen. De uren remediering kunnen ook aangewend worden voor onderwijsactiviteiten buiten de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen. | ||
| 39 | §4. De bedragen, vermeld in paragraaf 2, worden vanaf het begrotingsjaar 2028 geïndexeerd volgens artikel 79, §3, derde lid, 2°. | ||
| 40 | De bedragen worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald, waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 procent van de bedragen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt. | ||
| 41 | §5. Voor het begrotingsjaar 2026, wordt er een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon basisonderwijs voor het schooljaar 2026-2027 met het oog op remediëring Nederlands in het gewoon basisonderwijs. | ||
| 42 | Het werkingsbudget waarop de school recht heeft, is de som van A, B, C, D, E, en F, waarbij: | ||
| 43 | 1° A: de som van het voor elke school voor gewoon basisonderwijs afgeronde getal A1, waarbij: | ||
| 44 | a) A1: de coëfficiënt TNN vermenigvuldigd met de som van het aantal regelmatige kleuters die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), en het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 45 | b) de coëfficiënt TNN: 3.684.359 euro gedeeld door de som van het totale aantal regelmatige kleuters in het gewoon basisonderwijs die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), en het totale aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in het gewoon basisonderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, | ||
| 46 | c), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar; | ||
| 47 | c) A1 wordt als volgt afgerond: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal; | ||
| 48 | 2° B: de som van het voor elke school voor gewoon basisonderwijs afgeronde getal B1, waarbij: | ||
| 49 | a) B1: de coëfficiënt OPL vermenigvuldigd met de som van het aantal regelmatige kleuters die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, a), en het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, | ||
| 50 | a), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 51 | b) de coëfficiënt OPL: 2.481.475 euro gedeeld door de som van het totale aantal regelmatige kleuters in het gewoon basisonderwijs die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, a), en het totale aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in het gewoon basisonderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, | ||
| 52 | a), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar; | ||
| 53 | c) B1 wordt als volgt afgerond: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal; | ||
| 54 | 3° C: de som van het voor elke school voor gewoon basisonderwijs afgeronde getal C1, waarbij: | ||
| 55 | a) C1: de coëfficiënt ST vermenigvuldigd met de som van het aantal regelmatige kleuters die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, b), en het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, b), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 56 | b) de coëfficiënt ST: 2.245.945 euro gedeeld door de som van het totale aantal regelmatige kleuters in het gewoon basisonderwijs die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, b), en het totale aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in het gewoon basisonderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, | ||
| 57 | b), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar; | ||
| 58 | c) C1 wordt als volgt afgerond: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal; | ||
| 59 | 4° D: de som van het voor elke school voor gewoon basisonderwijs afgeronde getal D1, waarbij: | ||
| 60 | a) D1: de coëfficiënt TNN vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 61 | b) de coëfficiënt TNN: 2.064.366 euro gedeeld door de som van het totale aantal regelmatige leerlingen in het gewoon basisonderwijs die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar; | ||
| 62 | c) D1 wordt als volgt afgerond: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal; | ||
| 63 | 5° E: de som van het voor elke school voor gewoon basisonderwijs afgeronde getal E1, waarbij: | ||
| 64 | a) E1: de coëfficiënt OPL vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, | ||
| 65 | 1°, a), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 66 | b) de coëfficiënt OPL: 1.390.383 euro gedeeld door de som van het totale aantal regelmatige leerlingen in het gewoon basisonderwijs die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, a), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar; | ||
| 67 | c) E1 wordt als volgt afgerond: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal; | ||
| 68 | 6° F: de som van het voor elke school voor gewoon basisonderwijs afgeronde getal F1, waarbij: | ||
| 69 | a) F1: de coëfficiënt ST vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, | ||
| 70 | 1°, b), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in de school; | ||
| 71 | b) de coëfficiënt ST: 1.258.415 euro gedeeld door de som van het totale aantal regelmatige leerlingen in het gewoon basisonderwijs die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, §1, 1°, b), op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar; | ||
| 72 | c) F1 wordt als volgt afgerond: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal. | ||
| 73 | Het bedrag wordt uitbetaald voor december 2026. | ||
| 74 | §6. De bedragen gegenereerd door paragraaf 5, tweede lid, 1°, 2° en 3°, worden uitsluitend aangewend om kleuters en leerlingen lager onderwijs in het gewoon onderwijs die zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar individueel of in kleine groepen te remediëren tijdens de lestijden. De remediëring focust op de Nederlandse taalkennis nodig voor het behalen van de minimumdoelen. De school bepaalt welke leerlingen deze remediëring krijgen. Deze middelen kunnen uitzonderlijk ook aangewend worden voor leerlingen die zeven jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar. | ||
| 75 | De bedragen gegenereerd door paragraaf 5, tweede lid, 4°, 5° en 6°, worden uitsluitend aangewend om remediëring te voorzien voor leerlingen gewoon onderwijs die zeven jaar of ouder zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar die niet in aanmerking komen voor deelname aan de taalheldklassen, maar wel nood hebben aan bijkomende remediëring van hun taalachterstand. De remediëring focust op de Nederlands taalverwerving nodig voor het behalen van de minimumdoelen. | ||
| 76 | De uren remediering kunnen ook aangewend worden voor onderwijsactiviteiten buiten de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen. |
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | §1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren. | 1 | §1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren. |
| 2 | §2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waar- voor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld: | 2 | §2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang van begrotingsjaar 2027 toegekend: |
| 3 | 1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024; | ||
| 4 | 2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024; | ||
| 3 | 1° voor het basisonderwijs: 21.111.000 euro; | ||
| 4 | 2° voor het secundair onderwijs: 17.458.000 euro; | ||
| 5 | 3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 354.000 euro; | 5 | 3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: |
| 6 | 358.000 euro; | ||
| 6 | 4° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro; | 7 | 4° voor het deeltijds kunstonderwijs: 256.000 euro; |
| 7 | 5° voor de CLB’s: 178.000 euro; | 8 | 5° voor de CLB’s: 180.000 euro; |
| 8 | 6° voor de basiseducatie: 77.500 euro; | 9 | 6° voor de basiseducatie: 79.000 euro; |
| 9 | 7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro. | 10 | 7° voor de leersteuncentra: 169.000 euro. |
| 10 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden die bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 11 | Vanaf het begrotingsjaar 2028 worden die bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 11 | §3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn. | 12 | §3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn. |
| 12 | §4. In afwijking van paragraaf 3 worden voor de telling op 1 februari 2023 de ondersteuners die zijn aangesteld in scholen voor buitengewoon onderwijs, niet meegeteld, en wordt voor de leersteuncentra in het jaar 2024 het aandeel in de middelen, bepaald in paragraaf 2, 7°, waarop elk leersteuncentrum recht heeft, pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in het leersteuncentrum op 1 oktober 2023. | ||
| 13 | §4. ... |