Decreet over diverse maatregelen voor het onderwijs
79 artikels gewijzigd
| 1 | Gedurende de periode(n) van bijzonder verlof betaalt de accreditatieorganisatie de personeelskost terug aan de instelling van oorsprong. | 1 | Gedurende de periode(n) van bijzonder verlof betaalt de accreditatieorganisatie de personeelskost terug aan de instelling van oorsprong. |
| 2 | Onverminderd het eerste lid worden personeelsleden, bedoeld in artikel II.31, 1°, o) , verloond door de entiteit van oorsprong, in de bij de accreditatieorganisatie gebruikelijke loonschaal. | 2 | Onverminderd het eerste lid worden personeelsleden, bedoeld in artikel II.31, 1°, o) en 2°, c), verloond door de entiteit van oorsprong, in de bij de accreditatieorganisatie gebruikelijke loonschaal. |
| 1 | De Vlaamse Regering richt een permanent overlegorgaan op waarin de inspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten elkaar regelmatig ontmoeten in functie van hun opdrachten. | 1 | De Vlaamse Regering richt een permanent overlegorgaan op waarin de inspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten elkaar regelmatig ontmoeten in functie van hun opdrachten. |
| 2 | Voor zover het overleg ook betrekking heeft op het volwassenenonderwijs, wordt ook het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs betrokken. | 2 | Voor zover het overleg ook betrekking heeft op het volwassenenonderwijs, wordt ook de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs betrokken. |
| 3 | Het overlegorgaan maakt jaarlijks een rapport op over haar werking en bezorgt dit aan de Vlaamse Regering. | 3 | Het overlegorgaan maakt jaarlijks een rapport op over haar werking en bezorgt dit aan de Vlaamse Regering. |
| 4 | 3° het zelfstandig en het assisterend academisch personeel van de universiteiten; | 4 | 3° het zelfstandig en het assisterend academisch personeel van de universiteiten; |
| 5 | 4° het onderwijzend personeel van de hogescholen; | 5 | 4° het onderwijzend personeel van de hogescholen; |
| 6 | 5° de leraars basiseducatie, de stafmedewerkers en de directeurs in een centrum voor basiseducatie en de educatieve personeelsleden tewerkgesteld in het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs. | 6 | 5° de leraars basiseducatie, de stafmedewerkers en de directeurs in een centrum voor basiseducatie en de educatieve personeelsleden tewerkgesteld bij de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie. |
| 7 | § 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, kunnen zich kandidaat stellen voor een ambt van de inspectie als ze ten minste acht jaar dienstanciënniteit hebben in het onderwijs, ten minste acht jaar gepresteerde diensten in de basiseducatie hebben of ten minste acht jaar dienstanciënniteit/gepresteerde diensten hebben in het onderwijs als in de basiseducatie samen. | 7 | § 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, kunnen zich kandidaat stellen voor een ambt van de inspectie als ze ten minste acht jaar dienstanciënniteit hebben in het onderwijs, ten minste acht jaar gepresteerde diensten in de basiseducatie hebben of ten minste acht jaar dienstanciënniteit/gepresteerde diensten hebben in het onderwijs als in de basiseducatie samen. |
| 8 | § 3. In afwijking van § 1 en § 2 kan iemand zich ook kandidaat stellen als hij ten minste acht jaar relevante ervaring heeft in of met het onderwijs of de basiseducatie, aangevuld met ervaring in kwaliteitszorg en evaluatie in educatieve sectoren. | 8 | § 3. In afwijking van § 1 en § 2 kan iemand zich ook kandidaat stellen als hij ten minste acht jaar relevante ervaring heeft in of met het onderwijs of de basiseducatie, aangevuld met ervaring in kwaliteitszorg en evaluatie in educatieve sectoren. |
| 4 | 3° houder zijn van een bekwaamheidsbewijs zoals bedoeld in artikel 3, 6°; | 4 | 3° houder zijn van een bekwaamheidsbewijs zoals bedoeld in artikel 3, 6°; |
| 5 | 4° voldoen aan de taalvereisten zoals bepaald in de artikelen 17bis tot en met 17quinquies ; | 5 | 4° voldoen aan de taalvereisten zoals bepaald in de artikelen 17bis tot en met 17quinquies ; |
| 6 | 5° van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven; | 6 | 5° van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan een maand tevoren werd afgegeven; |
| 7 | 6°...; | 7 | 6°...; |
| 8 | 7° zich kandidaat hebben gesteld op een wijze bepaald door de het college van directeurs. | 8 | 7° zich kandidaat hebben gesteld op een wijze bepaald door de het college van directeurs. |
| 5 | - door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld bij de scholengroep of, op voorstel van het betrokken instellingshoofd door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld in een autonoom internaat; | 5 | - door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld bij de scholengroep of, op voorstel van het betrokken instellingshoofd door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld in een autonoom internaat; |
| 6 | - door de afgevaardigd bestuurder voor het personeelslid aangesteld in het vormingscentrum of de pedagogische begeleidingsdienst. | 6 | - door de afgevaardigd bestuurder voor het personeelslid aangesteld in het vormingscentrum of de pedagogische begeleidingsdienst. |
| 7 | Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen vanaf de dag nadat de post de schriftelijke mededeling van het ontslag om dringende redenenvoor het eerst heeft aangeboden, beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Als het personeelslid het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De raad van bestuur - en voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven wordt, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 59. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is. | 7 | Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen vanaf de dag nadat de post de schriftelijke mededeling van de motieven van het ontslag om dringende redenen, vermeld in het derde lid, voor het eerst heeft aangeboden, beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Als het personeelslid de mededeling met de motieven van het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De raad van bestuur - en voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven wordt, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 59. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is. |
| 8 | Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. | 8 | Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. |
| 9 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep. | 9 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep. |
| 6 | - de verlofregeling; | 6 | - de verlofregeling; |
| 7 | - de bezoldiging; | 7 | - de bezoldiging; |
| 8 | 2° de ICT-coördinatoren de zorgcoördinator de bepalingen die van toepassing zijn voor het onderwijzend personeel met betrekking tot: | 8 | 2° de ICT-coördinator, de beleidsondersteuner en de zorgcoördinator de bepalingen die van toepassing zijn voor het onderwijzend personeel met betrekking tot: |
| 9 | - de jaarlijkse vakantieregeling; | 9 | - de jaarlijkse vakantieregeling; |
| 10 | - de verlofregeling. | 10 | - de verlofregeling. |
| 2 | Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de waarnemende aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de raad van bestuur. | 2 | Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de waarnemende aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de raad van bestuur. |
| 3 | Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Het ontslag om dringende redenen wordt gegeven door de raad van bestuur of door de afgevaardigd bestuurder voor het personeelslid aangesteld in het vormingscentrum of de pedagogische begeleidingsdienst. | 3 | Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Het ontslag om dringende redenen wordt gegeven door de raad van bestuur of door de afgevaardigd bestuurder voor het personeelslid aangesteld in het vormingscentrum of de pedagogische begeleidingsdienst. |
| 4 | Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenenmet een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Als het personeelslid het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De raad van bestuur - en voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven wordt, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 59. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke waarnemende aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is. | 4 | Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen vanaf de dag nadat de post de schriftelijke mededeling van de motieven van het ontslag om dringende redenen, vermeld in het derde lid, voor het eerst heeft aangeboden, met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Als het personeelslid de mededeling met de motieven van het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De raad van bestuur - en voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven wordt, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 59. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke waarnemende aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is. |
| 5 | Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. | 5 | Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. |
| 6 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep. | 6 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep. |
| 1 | Als een raad van bestuur een personeelslid belast met de functie van preventieadviseur in het kader van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de Codex over het welzijn op het werk kan de raad van bestuur aan dit personeelslid het mandaat van preventieadviseur toekennen voor het uitoefenen van deze functie. | ||
| 2 | De raad van bestuur kan het mandaat van preventieadviseur slechts toekennen aan een personeelslid dat aangesteld is in een betrekking in een ambt in een instelling van de inrichtende macht en moet daarbij rekening houden met artikel II.1-19 van de Codex over het welzijn op het werk. | ||
| 3 | Het personeelslid dat belast wordt met het mandaat neemt de functie van preventieadviseur op volgens de voorwaarden, opgenomen in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de Codex over het welzijn op het werk. | ||
| 4 | Bij de beëindiging van het mandaat van preventieadviseur dat de raad van bestuur aan een personeelslid heeft toegekend, houdt de raad van bestuur rekening met artikel II.1-19 van de Codex over het welzijn op het werk. |
| 1 | § 1. Met uitzondering van de preventieve schorsing in toepassing van artikel 24, artikel 52bis, artikel 53bis, § 5, en artikel 73undecies, § 4, kan het personeelslid tegen de preventieve schorsing of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris in beroep gaan bij de kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Op straffe van verval dient het beroep ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na het versturen van de ter post aangetekende brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing . | 1 | § 1. Met uitzondering van de preventieve schorsing in toepassing van artikel 24, artikel 52bis, artikel 53bis, § 5, en artikel 73undecies, § 4, kan het personeelslid tegen de preventieve schorsing of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris in beroep gaan bij de kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Op straffe van verval moet het beroep worden ingesteld binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste aanbieding door de post van de schriftelijke mededeling van de preventieve schorsing die door de raad van bestuur, of de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, aangetekend wordt verstuurd. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. |
| 2 | Het beroep wordt ingesteld bij beroepsschrift en moet alle middelen bevatten die tegen de preventieve schorsing of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris kunnen worden ingebracht. Daartoe ontvangt het betrokken personeelslid met dezelfde zending als die waarmee hem de preventieve schorsing wordt meegedeeld, een kopie van zijn dossier. | 2 | Het beroep wordt ingesteld bij beroepsschrift en moet alle middelen bevatten die tegen de preventieve schorsing of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris kunnen worden ingebracht. Daartoe ontvangt het betrokken personeelslid met dezelfde zending als die waarmee hem de preventieve schorsing wordt meegedeeld, een kopie van zijn dossier. |
| 3 | Het personeelslid dat over nieuwe elementen beschikt, kan tegen zijn preventieve schorsing of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris een beroep instellen, van zodra minstens drie maanden verstreken zijn sinds de dag na het versturen van de ter post aangetekende brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing. | 3 | Het personeelslid dat over nieuwe elementen beschikt, kan tegen zijn preventieve schorsing of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris een beroep instellen, van zodra minstens drie maanden verstreken zijn sinds de dag na het versturen van de ter post aangetekende brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing. |
| 1 | De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen betreffende het secretariaat en de werkwijze van de kamer van beroep, de procedure en de redenen tot wraking. | 1 | De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen betreffende het secretariaat en de werkwijze van de kamer van beroep, de procedure en de redenen tot wraking. |
| 2 | Op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste aanbieding door de post van de schriftelijke mededeling van de tuchtstraf die door de raad van bestuur, of de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, aangetekend wordt verstuurd. De vervaltermijn kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Het beroep heeft een schorsende werking. | 2 | Op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste aanbieding door de post van de schriftelijke mededeling van de tuchtstraf die door de raad van bestuur, of de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, aangetekend wordt verstuurd. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Het beroep heeft een schorsende werking. |
| 18 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep. | 18 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep. |
| 19 | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende de beroepsprocedure en betreffende de werking van de kamers van het college van beroep, in het procedurereglement, met dien verstande dat : | 19 | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende de beroepsprocedure en betreffende de werking van de kamers van het college van beroep, in het procedurereglement, met dien verstande dat : |
| 20 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met de eindconclusie 'onvoldoende' door de eerste evaluator, de raad van bestuur voor de beheerder van een autonoom internaat en de directeur of de afgevaardigd bestuurder voor de directeur van het vormingscentrum. Deze termijn kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode; Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 73decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd; | 20 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met de eindconclusie 'onvoldoende' door de eerste evaluator, de raad van bestuur voor de beheerder van een autonoom internaat en de directeur of de afgevaardigd bestuurder voor de directeur van het vormingscentrum. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 73decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd; |
| 21 | 2° het beroep de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' opschort; | 21 | 2° het beroep de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' opschort; |
| 22 | 3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; | 22 | 3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; |
| 2 | 1° houder is van een bekwaamheidsbewijs voor het ambt, zoals bedoeld in artikel 5, 8°; | 2 | 1° houder is van een bekwaamheidsbewijs voor het ambt, zoals bedoeld in artikel 5, 8°; |
| 3 | 2° voldoet aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 19bis tot en met 19quinquies; | 3 | 2° voldoet aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 19bis tot en met 19quinquies; |
| 4 | 3° van onberispelijk gedrag is, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven. | 4 | 3° van onberispelijk gedrag is, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan een maand tevoren werd afgegeven. |
| 5 | § 2. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. | 5 | § 2. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. |
| 6 | § 3. ... | 6 | § 3. ... |
| 2 | Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert tenminste drie werkdagen bekend is aan de inrichtende macht of zijn gemandateerde. | 2 | Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert tenminste drie werkdagen bekend is aan de inrichtende macht of zijn gemandateerde. |
| 3 | Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. | 3 | Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. |
| 4 | Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen vanaf de dag nadat de post de schriftelijke mededeling van het ontslag om dringende redenenvoor het eerst heeft aangeboden, met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 69. Als het personeelslid het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De inrichtende macht moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven is, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 67. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is. | 4 | Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen vanaf de dag nadat de post de schriftelijke mededeling van de motieven van het ontslag om dringende redenen, vermeld in het derde lid, voor het eerst heeft aangeboden, met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 69. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Als het personeelslid de mededeling met de motieven van het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De inrichtende macht moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven is, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 67. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is. |
| 5 | Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. | 5 | Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. |
| 6 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep. | 6 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep. |
| 6 | - de verlofregeling; | 6 | - de verlofregeling; |
| 7 | - de bezoldiging; | 7 | - de bezoldiging; |
| 8 | 2° de ICT-coördinatoren de zorgcoördinator de bepalingen die van toepassing zijn voor het onderwijzend personeel met betrekking tot: | 8 | 2° de ICT-coördinator, de beleidsondersteuner en de zorgcoördinator de bepalingen die van toepassing zijn voor het onderwijzend personeel met betrekking tot: |
| 9 | - de jaarlijkse vakantieregeling; | 9 | - de jaarlijkse vakantieregeling; |
| 10 | - de verlofregeling. | 10 | - de verlofregeling. |
| 20 | Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de inrichtende macht. | 20 | Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de inrichtende macht. |
| 21 | Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Het ontslag om dringende redenen wordt gegeven door de inrichtende macht. | 21 | Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Het ontslag om dringende redenen wordt gegeven door de inrichtende macht. |
| 22 | Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenenmet een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 69. Als het personeelslid het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De inrichtende macht moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven wordt, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 67. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is. | 22 | Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen vanaf de dag nadat de post de schriftelijke mededeling van de motieven van het ontslag om dringende redenen, vermeld in het derde lid, voor het eerst heeft aangeboden, met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 69. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Als het personeelslid de mededeling met de motieven van het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De inrichtende macht moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven wordt, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 67. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is. |
| 23 | Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. | 23 | Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. |
| 24 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep. | 24 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep. |
| 1 | § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "het bevoegde comité" verstaan: | ||
| 2 | - voor het gesubsidieerd officieel onderwijs: het hoog overlegcomité dat bevoegd is voor de inrichtende macht van de instelling; | ||
| 3 | - voor het gesubsidieerd vrij onderwijs: het comité voor preventie en bescherming op het werk dat bevoegd is voor de instelling. | ||
| 4 | § 2. Als een inrichtende macht een personeelslid belast met de functie van preventieadviseur in het kader van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de Codex over het welzijn op het werk kan de inrichtende macht aan dit personeelslid het mandaat van preventieadviseur toekennen voor het uitoefenen van deze functie. | ||
| 5 | De inrichtende macht kan het mandaat van preventieadviseur slechts toekennen aan een personeelslid dat aangesteld is in een betrekking in een ambt in een instelling van de inrichtende macht en moet daarbij rekening houden met artikel II.1-19 van de Codex over het welzijn op het werk. | ||
| 6 | Het personeelslid dat belast wordt met het mandaat neemt de functie van preventieadviseur op volgens de voorwaarden, opgenomen in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de Codex over het welzijn op het werk. | ||
| 7 | Bij de beëindiging van het mandaat van preventieadviseur dat de inrichtende macht aan een personeelslid heeft toegekend, houdt de inrichtende macht rekening met artikel II.1-19 van de Codex over het welzijn op het werk. |
| 20 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep. | 20 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep. |
| 21 | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende beroepsprocedure en betreffende de werking van de kamers van het college van beroep in het procedurereglement, met dien verstande dat : | 21 | § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende beroepsprocedure en betreffende de werking van de kamers van het college van beroep in het procedurereglement, met dien verstande dat : |
| 22 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie 'onvoldoende' door de eerste evaluator of door de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en desgevallend de adjunct-directeur of door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap voor de directeur belast met de functie van directeur coördinatie-scholengemeenschap. Deze termijn kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode; Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 47decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd; | 22 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie 'onvoldoende' door de eerste evaluator of door de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en desgevallend de adjunct-directeur of door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap voor de directeur belast met de functie van directeur coördinatie-scholengemeenschap. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 47decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd; |
| 23 | 2° het beroep de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' opschort; | 23 | 2° het beroep de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' opschort; |
| 24 | 3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; | 24 | 3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek; |
| 1 | § 1. Met uitzondering van de preventieve schorsing in toepassing van artikel 25 en artikel 42, § 6, kan het personeelslid tegen de preventieve schorsing of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris in beroep gaan bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 69. Op straffe van verval dient het beroep ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na het versturen van de ter post aangetekende brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing. | 1 | § 1. Met uitzondering van de preventieve schorsing in toepassing van artikel 25 en artikel 42, § 6, kan het personeelslid tegen de preventieve schorsing of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris in beroep gaan bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 69. Op straffe van verval moet het beroep worden ingesteld binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste aanbieding door de post van de schriftelijke mededeling, die door de inrichtende macht aangetekend wordt verstuurd, met de kennisgeving van de preventieve schorsing. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Als de laatste dag van de voormelde termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. |
| 2 | Het beroep wordt ingesteld bij beroepsschrift en moet alle middelen bevatten die tegen de preventieve schorsing of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris kunnen worden ingebracht. Daartoe ontvangt het betrokken personeelslid met dezelfde zending als die waarmee hem de preventieve schorsing wordt meegedeeld, een kopie van zijn dossier. | 2 | Het beroep wordt ingesteld bij beroepsschrift en moet alle middelen bevatten die tegen de preventieve schorsing of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris kunnen worden ingebracht. Daartoe ontvangt het betrokken personeelslid met dezelfde zending als die waarmee hem de preventieve schorsing wordt meegedeeld, een kopie van zijn dossier. |
| 3 | Het personeelslid dat over nieuwe elementen beschikt, kan tegen zijn preventieve schorsing of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris een beroep instellen, van zodra minstens drie maanden verstreken zijn sinds de dag na het versturen van de ter post aangetekende brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing. | 3 | Het personeelslid dat over nieuwe elementen beschikt, kan tegen zijn preventieve schorsing of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris een beroep instellen, van zodra minstens drie maanden verstreken zijn sinds de dag na het versturen van de ter post aangetekende brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing. |
| 1 | De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen betreffende de werkwijze van de kamer van beroep, in het procedurereglement, met dien verstande dat: | 1 | De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen betreffende de werkwijze van de kamer van beroep, in het procedurereglement, met dien verstande dat: |
| 2 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste aanbieding door de post van de schriftelijke mededeling van de tuchtstraf die door de inrichtende macht aangetekend wordt verstuurd. Deze termijn kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode; | 2 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste aanbieding door de post van de schriftelijke mededeling van de tuchtstraf die door de inrichtende macht aangetekend wordt verstuurd. Als de laatste dag van deze termijn een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De voormelde termijn van twintig kalenderdagen kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode; |
| 3 | 2° het beroep de tuchtmaatregel opschort; | 3 | 2° het beroep de tuchtmaatregel opschort; |
| 4 | 3° de aangevatte preventieve schorsing tijdens de beroepsprocedure kan worden verlengd, ook na het verstrijken van de in artikel 67 bedoelde termijn; | 4 | 3° de aangevatte preventieve schorsing tijdens de beroepsprocedure kan worden verlengd, ook na het verstrijken van de in artikel 67 bedoelde termijn; |
| 1 | Het centrumbestuur draagt er zorg voor dat de cursist vanaf het ogenblik van inschrijving het centrumreglement gemakkelijk kan raadplegen. Als een cursist er uitdrukkelijk om vraagt, is het centrumbestuur ertoe gehouden een papieren kopie van het centrumreglement te overhandigen. | 1 | Het centrumbestuur draagt er zorg voor dat de cursist vanaf het ogenblik van inschrijving het centrumreglement gemakkelijk kan raadplegen. Als een cursist er uitdrukkelijk om vraagt, is het centrumbestuur ertoe gehouden een papieren kopie van het centrumreglement te overhandigen. |
| 2 | Het centrumreglement bevat ten minste de bijdrageregeling, het reglement van orde, het evaluatiereglement en informatie over de klachtenprocedure. | 2 | Het centrumreglement bevat ten minste de bijdrageregeling, de uitschrijvingsregeling, het reglement van orde, het evaluatiereglement en informatie over de klachtenprocedure. |
| 3 | Indien het centrum voor volwassenenonderwijs onderwijsbevoegdheid heeft voor opleidingen waarbij cursisten in aanraking komen met voedingswaren, vermeldt het centrumreglement dat de cursist die deelneemt aan een opleiding waarbij deze in aanraking komt met voedingswaren, in voorkomend geval, het centrum onmiddellijk op de hoogte brengt van het feit dat zijn medische toestand een risico inhoudt op (on)rechtstreekse verontreiniging van levensmiddelen, met als gevolg dat na beslissing van het centrum de cursist hetzij tijdelijk bepaalde programmaonderdelen niet mag volgen, hetzij de opleiding in zijn geheel niet langer mag volgen. Daarbij wordt eveneens vermeld dat de gegevens over de medische toestand worden verwerkt onder de verantwoordelijkheid van de centrumdirecteur en dat de centrumdirecteur en de personeelsleden van het centrum die deze gegevens over de medische toestand verwerken, gehouden zijn tot geheimhouding over deze gegevens. | 3 | Indien het centrum voor volwassenenonderwijs onderwijsbevoegdheid heeft voor opleidingen waarbij cursisten in aanraking komen met voedingswaren, vermeldt het centrumreglement dat de cursist die deelneemt aan een opleiding waarbij deze in aanraking komt met voedingswaren, in voorkomend geval, het centrum onmiddellijk op de hoogte brengt van het feit dat zijn medische toestand een risico inhoudt op (on)rechtstreekse verontreiniging van levensmiddelen, met als gevolg dat na beslissing van het centrum de cursist hetzij tijdelijk bepaalde programmaonderdelen niet mag volgen, hetzij de opleiding in zijn geheel niet langer mag volgen. Daarbij wordt eveneens vermeld dat de gegevens over de medische toestand worden verwerkt onder de verantwoordelijkheid van de centrumdirecteur en dat de centrumdirecteur en de personeelsleden van het centrum die deze gegevens over de medische toestand verwerken, gehouden zijn tot geheimhouding over deze gegevens. |
| 4 | Het centrumreglement bevat, naast de bepalingen die ook gelden voor modules in niet-duale opleidingen, de volgende specifieke bepaling voor modules in duale opleidingen: de cursist schikt zich naar alle mogelijke maatregelen die het CVO neemt om de werkplekcomponent ononderbroken invulling te geven, met inbegrip van het intakegesprek en de begeleiding van de cursist in een duale opleiding. |
| 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 89, of met andere middelen of van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB, personeel aanwerven. Het centrumbestuur kan het voormelde principe aanwenden voor het personeel, vermeld in artikel 3 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. | 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 89, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB, of met andere middelen, personeel aanwerven. Het centrumbestuur kan het voormelde principe aanwenden voor het personeel, vermeld in artikel 3 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. |
| 2 | De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt georganiseerd, kan niet vacant worden verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen of muteren in die betrekking. | 2 | De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt georganiseerd, kan niet vacant worden verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen of muteren in die betrekking. |
| 3 | Het personeelslid dat door een centrum voor basiseducatie wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld mits toepassing van hoofdstuk 9 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. Het decreet Rechtspositie Basiseducatie is op hem van toepassing. | 3 | Het personeelslid dat door een centrum voor basiseducatie wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld mits toepassing van hoofdstuk 9 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. Het decreet Rechtspositie Basiseducatie is op hem van toepassing. |
| 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 108 of van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB of van andere middelen, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het meesters-, vak en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. | 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 108, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB of van andere middelen, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het meesters-, vak en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. |
| 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 3 | Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. | 3 | Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. |
| 1 | § 1. Voor de toepassing van dit artikel worden vanaf het schooljaar 2020-2021 als voldoende aanwezig beschouwd, de leerlingen die ingeschreven zijn in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor Nederlandstalig kleuteronderwijs en er 290 halve dagen daadwerkelijk aanwezig zijn. Halve dagen aanwezigheid in de rijdende kleuterschool zoals bepaald in artikel 168 van dit decreet worden beschouwd als aanwezigheid in de erkende school voor Nederlandstalig onderwijs waar de leerling ingeschreven is. | 1 | § 1. Voor de toepassing van dit artikel worden vanaf het schooljaar 2020-2021 als voldoende aanwezig beschouwd, de leerlingen die ingeschreven zijn in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor Nederlandstalig kleuteronderwijs en er 290 halve dagen daadwerkelijk aanwezig zijn. Halve dagen aanwezigheid in de rijdende kleuterschool zoals bepaald in artikel 168 van dit decreet worden beschouwd als aanwezigheid in de erkende school voor Nederlandstalig onderwijs waar de leerling ingeschreven is. |
| 2 | In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering wanneer een leerling geacht wordt voldoende aanwezig te zijn, wanneer de school overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en het onderwijs voor sociale promotie erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt. | 2 | In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering wanneer een leerling geacht wordt voldoende aanwezig te zijn, wanneer de school overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt. |
| 3 | § 2. Om toegelaten te worden tot het gewoon lager onderwijs vanaf het schooljaar 2021-2022 moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar. Als hij nog niet de leeftijd van zeven jaar heeft bereikt of zal bereiken voor 1 januari van het lopende schooljaar, moet hij bovendien voldoen aan de voorwaarden van de groep waartoe hij behoort: | 3 | § 2. Om toegelaten te worden tot het gewoon lager onderwijs vanaf het schooljaar 2021-2022 moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar. Als hij nog niet de leeftijd van zeven jaar heeft bereikt of zal bereiken voor 1 januari van het lopende schooljaar, moet hij bovendien voldoen aan de voorwaarden van de groep waartoe hij behoort: |
| 4 | 1° voor leerlingen die voldoende aanwezig waren in het voorafgaande schooljaar: | 4 | 1° voor leerlingen die voldoende aanwezig waren in het voorafgaande schooljaar: |
| 13 | Bij weigering van toelating tot het lager onderwijs beslist de klassenraad van de school voor kleuteronderwijs of de leerling in het kleuteronderwijs het reguliere traject of een taalintegratietraject met in beginsel een taalbad of een volwaardig alternatief volgt. | 13 | Bij weigering van toelating tot het lager onderwijs beslist de klassenraad van de school voor kleuteronderwijs of de leerling in het kleuteronderwijs het reguliere traject of een taalintegratietraject met in beginsel een taalbad of een volwaardig alternatief volgt. |
| 14 | § 3. Het advies door de school voor kleuteronderwijs wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk op 30 juni. | 14 | § 3. Het advies door de school voor kleuteronderwijs wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk op 30 juni. |
| 15 | De beslissing door de school voor lager onderwijs wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk de tiende schooldag van september bij inschrijving vóór 1 september van het lopende schooljaar, of, bij inschrijving vanaf 1 september, uiterlijk tien schooldagen na deze inschrijving. Indien de leerling geen beroep kan doen op het behoud van inschrijving, conform artikel 37/9 of artikel 37bis, § 4, is de leerling in afwachting van deze mededeling ingeschreven onder opschortende voorwaarde. Bij overschrijding van de genoemde termijn is de leerling ingeschreven of toegelaten. | 15 | De beslissing door de school voor lager onderwijs wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk de tiende schooldag van september bij inschrijving vóór 1 september van het lopende schooljaar, of, bij inschrijving vanaf 1 september, uiterlijk tien schooldagen na deze inschrijving. Indien de leerling geen beroep kan doen op het behoud van inschrijving, conform artikel 37/9 of artikel 37bis, § 4, is de leerling in afwachting van deze mededeling ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. Bij overschrijding van de genoemde termijn is de leerling ingeschreven of toegelaten. De inschrijving onder ontbindende voorwaarde wordt ontbonden de dag na de mededeling van de negatieve beslissing van de klassenraad lager onderwijs aan de ouders. |
| 16 | De schriftelijke mededeling aan de ouders van een negatief advies of negatieve beslissing bevat tevens de motivatie. | 16 | De schriftelijke mededeling aan de ouders van een negatief advies of negatieve beslissing bevat tevens de motivatie. |
| 17 | § 4. Met uitzondering van de eerste zin van paragraaf 2 is dit artikel niet van toepassing op leerlingen die worden ingeschreven in scholen voor Franstalig onderwijs in de randen taalgrensgemeenten die deel uitmaken van het Nederlandse taalgebied. | 17 | § 4. Met uitzondering van de eerste zin van paragraaf 2 is dit artikel niet van toepassing op leerlingen die worden ingeschreven in scholen voor Franstalig onderwijs in de randen taalgrensgemeenten die deel uitmaken van het Nederlandse taalgebied. |
| 1 | Vanaf het schooljaar 2021-2022 kan een leerling die 5 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, in afwijking van artikel 13/1, § 2 en § 5, tot het lager onderwijs toegelaten worden onder de volgende voorwaarden: | 1 | In afwijking van artikel 13/1, § 2 tot en met § 5, kan een leerling die de leeftijd van 6 jaar voor 1 januari van het lopende schooljaar niet bereikt heeft, tot het lager onderwijs toegelaten worden onder de volgende voorwaarden: |
| 2 | 1° in het gewoon onderwijs: p verzoek van de ouders of op initiatief van de school, na toelating conform artikel 13/1, § 2, eerste lid, 2°, en § 3, indien het een leerling betreft die het voorgaande schooljaar ingeschreven was in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor Nederlandstalig kleuteronderwijs, of conform artikel 13/1, § 2, eerste lid, 3°, en § 3, indien het een leerling betreft die het voorgaande schooljaar niet ingeschreven was in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor kleuteronderwijs. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing; | 2 | 1° in het gewoon onderwijs: p verzoek van de ouders of op initiatief van de school, na toelating conform artikel 13/1, § 2, eerste lid, 2°, en § 3, indien het een leerling betreft die het voorgaande schooljaar ingeschreven was in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor Nederlandstalig kleuteronderwijs, of conform artikel 13/1, § 2, eerste lid, 3°, en § 3, indien het een leerling betreft die het voorgaande schooljaar niet ingeschreven was in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor kleuteronderwijs. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing; |
| 3 | 2° in het buitengewoon onderwijs: na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB, op vraag van de ouders of op initiatief van de school, nemen de ouders daaromtrent een beslissing. | 3 | 2° in het buitengewoon onderwijs: na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB, op vraag van de ouders of op initiatief van de school, nemen de ouders daaromtrent een beslissing. |
| 1 | § 1. Een leerling die het getuigschrift basisonderwijs behaald heeft, kan geen lager onderwijs meer volgen tenzij, na toelating door de klassenraad. | ||
| 1 | § 1. Een leerling die het getuigschrift basisonderwijs behaald heeft, kan geen lager onderwijs meer volgen, tenzij na gunstig advies door de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd. De klassenraad geeft het advies op vraag van de ouders. De klassenraad geeft de ouders toelichting bij het advies. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van de klassenraad nemen de ouders daaromtrent een beslissing. | ||
| 2 | Als de leerling het voorafgaande schooljaar geen les heeft gevolgd in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt het advies verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het gewoon lager onderwijs wil volgen. | ||
| 2 | § 2. In het gewoon lager onderwijs kan een leerling die 14 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na gunstig advies van de klassenraad en een advies van het CLB. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing. | 3 | § 2. In het gewoon lager onderwijs kan een leerling die veertien jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na gunstig advies van de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd en een advies van het CLB. De klassenraad en het CLB geven de ouders toelichting bij de adviezen. De klassenraad geeft advies op vraag van de ouders of op eigen initiatief. Het CLB geeft advies op vraag van de ouders of, wanneer de klassenraad op eigen initiatief adviseert, op vraag van de klassenraad. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing. |
| 4 | Als de leerling het voorafgaande schooljaar geen les heeft gevolgd in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt het advies verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het gewoon lager onderwijs wil volgen.. | ||
| 3 | § 3. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die veertien jaar wordt voor 1 januari van het lopende schooljaar, nog een schooljaar het lager onderwijs volgen. De ouders nemen daarover een beslissing na kennis te nemen van en toelichting te krijgen bij de adviezen van de klassenraad en het CLB . | 5 | § 3. In het buitengewoon lager onderwijs kan een leerling die veertien jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na advies van de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd en een advies van het CLB. De klassenraad en het CLB geven de ouders toelichting bij de adviezen. De klassenraad geeft advies op vraag van de ouders of op eigen initiatief. Het CLB geeft advies op vraag van de ouders of, wanneer de klassenraad op eigen initiatief adviseert, op vraag van de klassenraad. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing. |
| 6 | Als een leerling het voorgaande schooljaar niet ingeschreven was in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt het advies verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het buitengewoon lager onderwijs wil volgen. | ||
| 4 | Een inschrijving in het type basisaanbod wordt op het einde van het tweede schooljaar geëvalueerd door de klassenraad en het CLB. Het CLB informeert de ouders en de leerling op een actieve wijze over de onderstaande mogelijkheden. | 7 | Een inschrijving in het type basisaanbod wordt op het einde van het tweede schooljaar geëvalueerd door de klassenraad en het CLB. Het CLB informeert de ouders en de leerling op een actieve wijze over de onderstaande mogelijkheden. |
| 5 | Als de klassenraad en het CLB op basis van de evaluatie, vermeld in het tweede lid, en in overleg met de ouders en met betrokkenheid van de leerling, beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, proportioneel zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs, dan : | 8 | Als de klassenraad en het CLB op basis van de evaluatie, vermeld in het tweede lid, en in overleg met de ouders en met betrokkenheid van de leerling, beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, proportioneel zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs, dan : |
| 1 | Ouders die niet akkoord gaan met het niet toekennen van een getuigschrift basisonderwijs aan hun kind, hebben toegang tot een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het schoolreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling. Ouders kunnen evenwel slechts een beroep instellen na het overleg zoals bepaald in artikel 55. | 1 | Ouders die niet akkoord gaan met het niet toekennen van een getuigschrift basisonderwijs aan hun kind, hebben toegang tot een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het schoolreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling. Ouders kunnen evenwel slechts een beroep instellen na het overleg zoals bepaald in artikel 55. |
| 2 | In afwijking van het eerste lid moeten de ouders van kinderen die een negatieve beslissing van de examencommissie, vermeld in artikel 56, hebben ontvangen over het toekennen van het getuigschrift basisonderwijs, geen overleg vragen met de directeur of zijn afgevaardigde als vermeld in artikel 55, eerste lid, voor ze een beroep kunnen instellen. Indien er toch overleg wordt gevraagd door de ouders, kan de directeur of zijn afgevaardigde dit overleg niet weigeren. | ||
| 2 | De ouders stellen het beroep in bij het schoolbestuur. Het beroep wordt gedateerd en ondertekend en vermeldt ten minste het voorwerp van het beroep met beschrijving van de feiten en motivering van de ingeroepen bezwaren. Bij deze beschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd. | 3 | De ouders stellen het beroep in bij het schoolbestuur. Het beroep wordt gedateerd en ondertekend en vermeldt ten minste het voorwerp van het beroep met beschrijving van de feiten en motivering van de ingeroepen bezwaren. Bij deze beschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd. |
| 2 | § 2. Voorafgaand aan een inschrijving biedt het schoolbestuur schriftelijk of via elektronische drager het pedagogisch project als vermeld in artikel 28, § 1, 2°, en 47, § 1, 1°, en het schoolreglement, vermeld in artikel 37, aan de ouders en de leerling aan en geeft hierbij, indien de ouders dit wensen, toelichting. Indien het schoolbestuur het pedagogisch project of het schoolreglement via elektronische drager ter beschikking stelt, vraagt het de ouders of ze een papieren versie wensen te ontvangen. | 2 | § 2. Voorafgaand aan een inschrijving biedt het schoolbestuur schriftelijk of via elektronische drager het pedagogisch project als vermeld in artikel 28, § 1, 2°, en 47, § 1, 1°, en het schoolreglement, vermeld in artikel 37, aan de ouders en de leerling aan en geeft hierbij, indien de ouders dit wensen, toelichting. Indien het schoolbestuur het pedagogisch project of het schoolreglement via elektronische drager ter beschikking stelt, vraagt het de ouders of ze een papieren versie wensen te ontvangen. |
| 3 | De inschrijving wordt genomen na ondertekening voor akkoord van de ouders van dit pedagogisch project en dit schoolreglement. | 3 | De inschrijving wordt genomen na ondertekening voor akkoord van de ouders van dit pedagogisch project en dit schoolreglement. |
| 4 | Bij elke wijziging van het pedagogisch project of het schoolreglement informeert het schoolbestuur de ouders schriftelijk of via elektronische drager over die wijziging en geeft hierbij, indien ouders dit wensen, toelichting. Ouders geven opnieuw schriftelijk akkoord. Ouders die erom verzoeken, ontvangen steeds een papieren versie van het pedagogisch project of het schoolreglement. Indien de ouders zich met de wijziging niet akkoord verklaren, dan wordt aan de inschrijving van het kind een einde gesteld op 31 augustus van het lopende schooljaar. | 4 | Bij elke wijziging van het pedagogisch project of het schoolreglement informeert het schoolbestuur de ouders schriftelijk of via elektronische drager over die wijziging en geeft hierbij, indien ouders dit wensen, toelichting. Ouders verklaren zich dan opnieuw schriftelijk of digitaal akkoord. Ouders die erom verzoeken, ontvangen steeds een papieren versie van het pedagogisch project of het schoolreglement. Indien de ouders zich met de wijziging niet akkoord verklaren, dan wordt aan de inschrijving van het kind een einde gesteld op 31 augustus van het lopende schooljaar. |
| 5 | Een wijziging van het pedagogisch project of schoolreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving. | 5 | Een wijziging van het pedagogisch project of schoolreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving. |
| 6 | § 3. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar. | 6 | § 3. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar. |
| 1 | § 1. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een onderwijszoekende die niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 1. | 1 | § 1. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een onderwijszoekende die niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 1. |
| 2 | Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar is mogelijk onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende op de dag van de effectieve instap aan de toelatingsvoorwaarden voldoet . | 2 | Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar is mogelijk onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende op de dag van de effectieve instap aan de toelatingsvoorwaarden voldoet of onder ontbindende voorwaarde als vermeld in artikel 13/1, § 3. |
| 3 | § 2. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een leerling die in de loop van hetzelfde schooljaar van school verandert, als deze inschrijving tot doel heeft of er in de feiten toe leidt dat de betrokken leerling in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen zal gaan. | 3 | § 2. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een leerling die in de loop van hetzelfde schooljaar van school verandert, als deze inschrijving tot doel heeft of er in de feiten toe leidt dat de betrokken leerling in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen zal gaan. |
| 27 | § 5bis. In afwijking van paragraaf 4 moet een schoolbestuur in volgende situaties toch overgaan tot een inschrijving : | 27 | § 5bis. In afwijking van paragraaf 4 moet een schoolbestuur in volgende situaties toch overgaan tot een inschrijving : |
| 28 | 1° voor de terugkeer van leerlingen in het buitengewoon onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die met toepassing van artikel 15 of 16, in een school voor gewoon onderwijs ingeschreven waren; | 28 | 1° voor de terugkeer van leerlingen in het buitengewoon onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die met toepassing van artikel 15 of 16, in een school voor gewoon onderwijs ingeschreven waren; |
| 29 | 2° voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die in een school voor buitengewoon onderwijs ingeschreven waren. | 29 | 2° voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die in een school voor buitengewoon onderwijs ingeschreven waren; |
| 30 | 3° voor de terugkeer van leerlingen in het kleuteronderwijs die in het voorafgaande school jaar ingeschreven waren in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeren uit een school voor het lager onderwijs omdat ze niet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1, § 3. | ||
| 1 | § 1. Het recht op inschrijving, vermeld in artikel 37bis, § 1, geldt onverkort voor leerlingen die het gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad. | 1 | § 1. Het recht op inschrijving, vermeld in artikel 37bis, § 1, geldt onverkort voor leerlingen die het gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad. |
| 2 | § 2. Leerlingen die beschikken over een verslag als vermeld in artikel 15 worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Dit verslag maakt deel uit van de informatie die ouders bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Het ter beschikking stellen van het verslag door de ouders gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, binnen een redelijke termijn na de inschrijving over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum. Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennis neemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde. | 2 | § 2. Leerlingen die beschikken over een verslag als vermeld in artikel 15 worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Dit verslag maakt deel uit van de informatie die ouders bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Het ter beschikking stellen van het verslag door de ouders gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, binnen een redelijke termijn na de inschrijving over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum. Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennis neemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde. |
| 3 | Op basis van het overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het eerste lid, beslist de school binnen een redelijke termijn en uiterlijk 60 kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn. | 3 | Op basis van het overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het eerste lid, beslist de school binnen een redelijke termijn en uiterlijk 60 kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn. Als de termijn van zestig kalenderdagen is verstreken zonder dat de school een beslissing heeft genomen, is de leerling definitief ingeschreven. Als de school pas nadat de inschrijving al is gerealiseerd, kennisneemt van een verslag als vermeld in het eerste lid, start de voormelde termijn van de zestig kalenderdagen op de dag van die kennisneming. |
| 4 | Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in het gemeenschappelijk curriculum, proportioneel acht, heft het CLB het verslag op of maakt het een gemotiveerd verslag op. Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in het gemeenschappelijk curriculum of studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, disproportioneel acht, wordt de inschrijving ontbonden op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit. | 4 | Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in het gemeenschappelijk curriculum, proportioneel acht, heft het CLB het verslag op of maakt het een gemotiveerd verslag op. Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in het gemeenschappelijk curriculum of studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, disproportioneel acht, wordt de inschrijving ontbonden ofwel op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit, ofwel met het oog op een daaropvolgend schooljaar. Een school die beslist om te ontbinden met het oog op een daaropvolgend schooljaar beslist eveneens over de termijn waarop ze zullen ontbinden en deelt deze beslissing ook mee aan de ouders. |
| 5 | § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag, als vermeld in artikel 15, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden. | 5 | § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag, als vermeld in artikel 15, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden. |
| 6 | § 4. Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs dat opgemaakt werd in het kader van het geïntegreerd onderwijs, die van school veranderen binnen het gewoon basisonderwijs, geldt een onverkort recht op inschrijving. | 6 | § 4. Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs dat opgemaakt werd in het kader van het geïntegreerd onderwijs, die van school veranderen binnen het gewoon basisonderwijs, geldt een onverkort recht op inschrijving. |
| 1 | Het schoolbestuur van een erkende school kan, op voordracht en na beslissing van de klassenraad, een getuigschrift basisonderwijs uitreiken aan de regelmatige leerlingen in het gewoon lager onderwijs, die vóór 1 januari van het lopende schooljaar al acht jaar geworden zijn. | 1 | Het schoolbestuur van een erkende school kan, op voordracht en na beslissing van de klassenraad, een getuigschrift basisonderwijs uitreiken aan de regelmatige leerlingen in het gewoon lager onderwijs. |
| 2 | De klassenraad oordeelt hierbij autonoom of een leerling in voldoende mate de doelen uit het leerplan die het bereiken van de eindtermen beogen, heeft bereikt. | 2 | De klassenraad oordeelt hierbij autonoom of een leerling in voldoende mate de doelen uit het leerplan die het bereiken van de eindtermen beogen, heeft bereikt. |
| 1 | § 1. Aan leerlingen uit het buitengewoon lager onderwijs en aan leerlingen met een individueel aangepast curriculum in het gewoon lager onderwijs kan een getuigschrift basisonderwijs worden uitgereikt indien de voor deze leerlingen vooropgestelde leerdoelen door de onderwijsinspectie als gelijkwaardig worden beschouwd met die van het gewoon lager onderwijs. | ||
| 2 | § 2. ... | ||
| 1 | Aan leerlingen met een verslag als vermeld in artikel 15 in het gewoon lager onderwijs en in het buitengewoon lager onderwijs kan een getuigschrift basisonderwijs uitgereikt worden als de klassenraad oordeelt dat de leerling in voldoende mate de doelen behaald heeft, zoals bepaald in artikel 53, tweede lid. | ||
| 2 | De onderwijsinspectie houdt kwaliteitstoezicht op deze bevoegdheid van de klassenraad tijdens de schooldoorlichting. |
| 1 | De beslissing omtrent het toekennen van het getuigschrift wordt uiterlijk op 30 juni aan de ouders meegedeeld. De ouders worden geacht die beslissing uiterlijk op 1 juli in ontvangst te hebben genomen. Indien de ouders niet akkoord gaan met de genomen beslissing volgt er, op vraag van de ouders, een overleg met de directeur of zijn afgevaardigde, binnen een termijn vastgelegd in het schoolreglement. De school kan dit overleg niet weigeren. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Dit overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen om het niet toekennen van het getuigschrift basisonderwijs te bevestigen of te wijzigen. De ouders nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen schriftelijk in ontvangst. Bij het niet in ontvangst nemen van deze beslissing door de ouders op de voorziene datum wordt ze toch geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum. Indien de ouders niet akkoord gaan met de beslissing, wijst de school de ouders schriftelijk op de mogelijkheid tot beroep zoals bepaald in hoofdstuk IV, afdeling 2, onderafdeling E. | 1 | De beslissing omtrent het toekennen van het getuigschrift wordt uiterlijk op 30 juni aan de ouders meegedeeld. De ouders worden geacht die beslissing uiterlijk op 1 juli in ontvangst te hebben genomen. Indien de ouders niet akkoord gaan met de genomen beslissing volgt er, op vraag van de ouders, een overleg met de directeur of zijn afgevaardigde, binnen een termijn vastgelegd in het schoolreglement. De school kan dit overleg niet weigeren. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Dit overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen om het niet toekennen van het getuigschrift basisonderwijs te bevestigen of te wijzigen. De ouders nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen schriftelijk in ontvangst. Bij het niet in ontvangst nemen van deze beslissing door de ouders op de voorziene datum wordt ze toch geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum. Indien de ouders niet akkoord gaan met de beslissing, wijst de school de ouders schriftelijk op de mogelijkheid tot beroep zoals bepaald in hoofdstuk IV, afdeling 2, onderafdeling E. |
| 2 | In afwijking van het eerste lid moeten de ouders van kinderen die een beslissing van de examencommissie, vermeld in artikel 56, over het toekennen van het getuigschrift basisonderwijs hebben ontvangen geen overleg met de directeur of zijn afgevaardigde vragen als de ouders niet akkoord gaan met de beslissing. Indien er toch overleg wordt gevraagd door de ouders, kan de directeur of zijn afgevaardigde dit overleg niet weigeren. Bij het mededelen aan de ouders van de beslissing om het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen, wordt op de mogelijkheid tot beroep zoals bepaald in hoofdstuk IV, afdeling 2, onderafdeling E, gewezen. |
| 1 | Bij de inschrijving van een leerling bij de examencommissie, vermeld in artikel 56, tot het behalen van het getuigschrift basisonderwijs, deelt de examencommissie de procedure mee waarmee het getuigschrift basisonderwijs wordt toegekend, met inbegrip van de beroepsprocedure. |
| 3 | Die teldag geldt in het gewoon basisonderwijs voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de vijf daaropvolgende schooljaren. | 3 | Die teldag geldt in het gewoon basisonderwijs voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de vijf daaropvolgende schooljaren. |
| 4 | Die teldag geldt in het buitengewoon basisonderwijs voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de twee daaropvolgende schooljaren. | 4 | Die teldag geldt in het buitengewoon basisonderwijs voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de twee daaropvolgende schooljaren. |
| 5 | § 3. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. | 5 | § 3. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. Deze afwijking geldt niet voor scholen van het gewoon basisonderwijs als het gaat over autonome kleuterscholen die een vestigingsplaats afschaffen. |
| 6 | § 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden « de eerste schooldag van oktober » telkens gelezen als « de maand september » en wordt het woord « teldag » telkens gelezen als « telperiode ». | 6 | § 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden « de eerste schooldag van oktober » telkens gelezen als « de maand september » en wordt het woord « teldag » telkens gelezen als « telperiode ». |
| 7 | Voor type 5-scholen die betrokken zijn bij een herstructurering is de telperiode in het tweede jaar na die herstructurering de volledige maand september van het lopende schooljaar. | ||
| 7 | Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en scholen voor type 5 worden de woorden « op basis van het aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven op de eerste schooldag van februari » gelezen als « op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari ». | 8 | Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en scholen voor type 5 worden de woorden « op basis van het aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven op de eerste schooldag van februari » gelezen als « op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari ». |
| 8 | § 5. Het werkingsbudget van een school voor type 5 kan alleen volledig worden aangewend als een door de regering vastgelegd gemiddelde van onderwijsdagen per kind gedurende de telperiode wordt bereikt. | 9 | § 5. Het werkingsbudget van een school voor type 5 kan alleen volledig worden aangewend als een door de regering vastgelegd gemiddelde van onderwijsdagen per kind gedurende de telperiode wordt bereikt. |
| 1 | § 1. In elke gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs die voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen kunnen per 1 september types van vrije keuze, met uitzondering van type 5, worden gefinancierd of gesubsidieerd indien het type binnen de provincie niet georganiseerd wordt in een school van dezelfde groep. | 1 | § 1. In elke gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs die voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen kunnen per 1 september types van vrije keuze, met uitzondering van type 5, worden gefinancierd of gesubsidieerd indien het type binnen de provincie niet georganiseerd wordt in een school van dezelfde groep. |
| 2 | Een schoolbestuur dat, conform paragraaf 5, van de regering een goedkeuring heeft gekregen voor de oprichting van een nieuw type van vrije keuze kan ervoor kiezen om de oprichting met een schooljaar uit te stellen. | ||
| 2 | § 2. De conform paragraaf 1 nieuw opgerichte types van vrije keuze moeten op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar voldoen aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen; | 3 | § 2. De conform paragraaf 1 nieuw opgerichte types van vrije keuze moeten op de eerste schooldag van oktober van het eerste schooljaar na de goedkeuring door de regering of, in geval van uitstel, op de eerste schooldag van oktober van het daaropvolgende schooljaar voldoen aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen; |
| 3 | § 3. Een volgens § 1 opgericht type kan niet tot een ander type omgevormd worden. | 4 | § 3. Een volgens § 1 opgericht type kan niet tot een ander type omgevormd worden. |
| 4 | § 4. In aanvulling op § 1 tot § 3 moet een schoolbestuur dat een nieuw type van vrije keuze wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden: | 5 | § 4. In aanvulling op § 1 tot § 3 moet een schoolbestuur dat een nieuw type van vrije keuze wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden: |
| 9 | § 5. De oprichting vanaf 1 september van een nieuw type van vrije keuze kan pas na een gunstige beslissing van de regering. | 10 | § 5. De oprichting vanaf 1 september van een nieuw type van vrije keuze kan pas na een gunstige beslissing van de regering. |
| 10 | Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi. | 11 | Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi. |
| 11 | In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van een type 9 van vrije keuze gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014. | ||
| 12 | De regering neemt deze beslissing na advies van AgODi en de onderwijsinspectie. | 12 | De regering neemt deze beslissing na advies van AgODi en de onderwijsinspectie. |
| 13 | § 6. Als een schoolbestuur dat van de regering een goedkeuring heeft gekregen voor de oprichting van een nieuw type van vrije keuze, er, conform paragraaf 1, tweede lid, voor kiest om de oprichting ervan met een schooljaar uit te stellen, hoeft het schoolbestuur niet opnieuw een oprichtingsdossier in te dienen of een goedkeuring te krijgen van de regering, conform paragraaf 4 en 5. | ||
| 3 | - voor elk type de door de regering vastgelegde programmatienormen bereikt. | 3 | - voor elk type de door de regering vastgelegde programmatienormen bereikt. |
| 4 | - voor alle georganiseerde types samen de door de regering vastgelegde programmatienormen bereikt. | 4 | - voor alle georganiseerde types samen de door de regering vastgelegde programmatienormen bereikt. |
| 5 | In afwijking van het eerste lid kan een school voor buitengewoon basisonderwijs met slechts één type opgericht worden, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: | ||
| 6 | 1° voor respectievelijk type 2 en type 3 kan dit enkel in regio's waar er zich aantoonbaar een capaciteitstekort stelt voor leerlingen met een verslag voor die types. Het capaciteitstekort wordt gemotiveerd in het oprichtingsdossier, vermeld in artikel 111, § 3; | ||
| 7 | 2° voor de andere types, met uitzondering van type 5, kan dit enkel in regio's waar er zich aantoonbaar een capaciteitstekort stelt voor leerlingen met een verslag voor die types, wanneer er geen aanbod voor deze types is binnen een straal van 25 km rond het adres van de op te richten nieuwe school en wanneer kan worden aangetoond dat het capaciteitstekort niet kan worden opgelost met een nieuwe vestigingsplaats van een bestaande school. Het capaciteitstekort wordt gemotiveerd in het oprichtingsdossier, vermeld in artikel 111, § 3. | ||
| 5 | §1bis. In afwijking van § 1 kan, indien er binnen de provincie nog geen school van die groep bestaat, één nieuwe school voor buitengewoon onderwijs per 1 september in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden indien zij op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar de door de Vlaamse Regering vastgestelde programmatienorm bereikt. | 8 | §1bis. In afwijking van § 1 kan, indien er binnen de provincie nog geen school van die groep bestaat, één nieuwe school voor buitengewoon onderwijs per 1 september in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden indien zij op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar de door de Vlaamse Regering vastgestelde programmatienorm bereikt. |
| 6 | § 2. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe school het tweede en derde bestaansjaar telkens op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar de door de regering vastgelegde programmatienormen bereiken zowel voor de totale schoolbevolking als voor elk type afzonderlijk. | 9 | § 2. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe school het tweede en derde bestaansjaar telkens op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar de door de regering vastgelegde programmatienormen bereiken zowel voor de totale schoolbevolking als voor elk type afzonderlijk. |
| 10 | 2° de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen in de school in kwestie voldoet gedurende de maand september van het oprichtingsjaar aan de programmatienorm die de regering vaststelt. | 13 | 2° de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen in de school in kwestie voldoet gedurende de maand september van het oprichtingsjaar aan de programmatienorm die de regering vaststelt. |
| 11 | Voor het type 5 wordt de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen gedurende de maand september van het tweede en derde bestaansjaar vergeleken met de programmatienorm. | 14 | Voor het type 5 wordt de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen gedurende de maand september van het tweede en derde bestaansjaar vergeleken met de programmatienorm. |
| 15 | § 4. In afwijking van paragraaf 1, 1bis en 2 mag een schoolbestuur dat van de regering een goedkeuring heeft gekregen voor de programmatie van een nieuwe school met het oog op de start van het nieuwe aanbod op 1 september volgend op de goedkeuring, zonder bijkomende aanvraag of goedkeuring het bijkomende aanbod organiseren vanaf 1 september van het daaropvolgend schooljaar, als de school de programmatienormen voor dat nieuwe aanbod niet haalt op de eerste schooldag van oktober van het eerste jaar. Het schoolbestuur mag ondanks het niet bereiken van de programmatienorm in het eerste jaar van oprichting het aanbod in dat eerste jaar toch organiseren, maar de school moet dan vanaf de eerste schooldag van oktober van het daaropvolgende schooljaar en de twee daaropvolgende schooljaren de programmatienormen voor dat nieuwe aanbod bereiken op de eerste schooldag van oktober. | ||
| 1 | § 1. Met uitzondering van de scholen voor type 5kan een school voor buitengewoon onderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de rationalisatienormen die de regering vastlegt, per 1 september een nieuw type oprichten, met uitzondering van type 5. De school, elk type in de school en elk type in de vestigingsplaatsen van de school bereiken daarvoor op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van het nieuwe type de rationalisatienormen die de regering vastlegt. | 1 | § 1. Met uitzondering van de scholen voor type 5, kan een school voor buitengewoon onderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de rationalisatienormen die de regering vastlegt, vanaf 1 september een nieuw type oprichten, met uitzondering van type 5. |
| 2 | Een schoolbestuur dat conform paragraaf 4 van de regering een goedkeuring heeft gekregen voor de oprichting van een nieuw type, kan ervoor kiezen om de oprichting ervan met een schooljaar uit te stellen. | ||
| 3 | De school, elk type in de school en elk type in de vestigingsplaatsen van de school bereiken op de eerste schooldag van oktober van het eerste schooljaar na de goedkeuring van de regering of, in geval van uitstel, op de eerste schooldag van oktober van het daaropvolgende schooljaar, de rationalisatienormen die de regering vastlegt. | ||
| 2 | § 2. In afwijking van § 1 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van de scholen voor type 5, in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling één of meer types, met uitzondering van type 5, oprichten op voorwaarde dat de school op de eerste schooldag van oktober van het voorgaande schooljaar voldeed aan de door de regering vastgelegde programmatienormen. In dat geval zijn de programmatienormen van toepassing. | 4 | § 2. In afwijking van § 1 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van de scholen voor type 5, in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling één of meer types, met uitzondering van type 5, oprichten op voorwaarde dat de school op de eerste schooldag van oktober van het voorgaande schooljaar voldeed aan de door de regering vastgelegde programmatienormen. In dat geval zijn de programmatienormen van toepassing. |
| 3 | § 3. In aanvulling op § 1 en § 2 moet een schoolbestuur dat een nieuw type wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden: | 5 | § 3. In aanvulling op § 1 en § 2 moet een schoolbestuur dat een nieuw type wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden: |
| 9 | § 4. De oprichting vanaf 1 september van een nieuw type kan pas na een gunstige beslissing van de regering. | 11 | § 4. De oprichting vanaf 1 september van een nieuw type kan pas na een gunstige beslissing van de regering. |
| 10 | Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt. | 12 | Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt. |
| 11 | In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014. | ||
| 12 | De regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie. | 13 | De regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie. |
| 13 | § 5. De scholen voor buitengewoon basisonderwijs die tijdens het schooljaar 2014-2015 een aanbod type 1 of type 8 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 10, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering. | 14 | § 5. De scholen voor buitengewoon basisonderwijs die tijdens het schooljaar 2014-2015 een aanbod type 1 of type 8 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 10, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering. |
| 14 | De oprichting van type 9 in het schooljaar 2015-2016 wordt niet beschouwd als een herstructurering. | 15 | De oprichting van type 9 in het schooljaar 2015-2016 wordt niet beschouwd als een herstructurering. |
| 16 | § 6. Als een schoolbestuur dat van de regering een goedkeuring heeft gekregen voor de oprichting van een nieuw type, er, conform paragraaf 1, tweede lid, voor kiest om de oprichting ervan met een schooljaar uit te stellen, hoeft het schoolbestuur niet opnieuw een oprichtingsdossier in te dienen of een goedkeuring te krijgen van de regering als vermeld in paragraaf 3 en 4. | ||
| 1 | In afwijking van artikel 111, §3, kan een schoolbestuur dat voor de programmatie van een nieuw type of een nieuwe school een goedkeuring kreeg van de Vlaamse Regering met het oog op de start van het nieuwe aanbod op 1 september 2021 ervoor opteren om de programmatie van dit nieuwe aanbod met 1 schooljaar uit te stellen zonder bijkomende aanvraag of goedkeuring. |
| 1 | In afwijking van artikel 103, § 1, § 1bis en § 2, mag een schoolbestuur dat voor de programmatie van een nieuwe school een goedkeuring kreeg van de Vlaamse Regering met het oog op de start van het nieuwe aanbod op 1 september 2021, zonder bijkomende aanvraag of goedkeuring een tweede maal het bijkomende aanbod inrichten vanaf 1 september 2022, indien de school de programmatienormen voor dit nieuwe aanbod niet haalt op de eerste schooldag van oktober 2021. Vanaf de eerste schooldag van oktober 2022 moet de school gedurende drie opeenvolgende schooljaren de programmatienormen voor dit nieuwe aanbod bereiken op de eerste schooldag van oktober. |
| 1 | In afwijking van de artikelen 101, § 2 en 111, § 1 en § 2, telt een type dat wordt opgericht op 1 september 2021 na een goedkeuring van de Vlaamse Regering niet mee voor het behalen van de rationalisatienormen op de eerste schooldag van oktober 2021. De school, inclusief het nieuw opgerichte type, moet aan de rationalisatienormen voldoen op de eerste schooldag van februari 2022. |
| 3 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. | 3 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. |
| 4 | § 4. Voor de toepassing van dit artikel op scholen voor type 5 worden de woorden « de eerste schooldag van oktober » telkens gelezen als de woorden « de maand september » en wordt het woord « teldag » telkens gelezen als het woord « telperiode ». | 4 | § 4. Voor de toepassing van dit artikel op scholen voor type 5 worden de woorden « de eerste schooldag van oktober » telkens gelezen als de woorden « de maand september » en wordt het woord « teldag » telkens gelezen als het woord « telperiode ». |
| 5 | Voor type 5-scholen die betrokken zijn bij een herstructurering is de telperiode in het tweede jaar na deze herstructurering de volledige maand september van het lopende schooljaar. | ||
| 5 | Voor de toepassing van dit artikel op scholen voor type 5 worden de woorden « op basis van het aantal regelmatige leerlingen die zijn ingeschreven op de eerste schooldag van februari » gelezen als de woorden « op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen die zijn ingeschreven tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari ». | 6 | Voor de toepassing van dit artikel op scholen voor type 5 worden de woorden « op basis van het aantal regelmatige leerlingen die zijn ingeschreven op de eerste schooldag van februari » gelezen als de woorden « op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen die zijn ingeschreven tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari ». |
| 6 | § 5. De lestijden volgens de schalen van een school voor type 5 kunnen uitsluitend volledig worden aangewend als een door de regering vastgelegd gemiddelde van onderwijsdagen per kind gedurende de telperiode wordt bereikt. Als dat gemiddelde niet wordt bereikt, worden de lestijden volgens de schalen evenredig verminderd. | 7 | § 5. De lestijden volgens de schalen van een school voor type 5 kunnen uitsluitend volledig worden aangewend als een door de regering vastgelegd gemiddelde van onderwijsdagen per kind gedurende de telperiode wordt bereikt. Als dat gemiddelde niet wordt bereikt, worden de lestijden volgens de schalen evenredig verminderd. |
| 1 | § 1. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget bedoeld in artikel 76 onder meer administratief, meester-, vak- en dienstpersoneel, opvoedend hulppersoneel en per-soneel voor specifieke opdrachten aanwerven. | 1 | § 1. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget bedoeld in artikel 76 onder meer administratief, meester-, vak- en dienstpersoneel, opvoedend hulppersoneel en per-soneel voor specifieke opdrachten aanwerven. |
| 2 | Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. | 2 | Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. |
| 3 | § 2. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 76, artikel 87bis, artikel 172sexies, artikel 173quinquies/2, artikel 173quinquies/3 of artikel 173quinquies/4 of van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB , personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. | 3 | § 2. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 76, artikel 87bis, artikel 172sexies, artikel 173quinquies/2, artikel 173quinquies/3 of artikel 173quinquies/4, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB of ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. |
| 4 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 4 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 5 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. | 5 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. |
| 15 | c) voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019. | 15 | c) voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019. |
| 16 | d) voor het schooljaar 2020-2021: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2014-2015 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020; | 16 | d) voor het schooljaar 2020-2021: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2014-2015 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020; |
| 17 | e) voor het schooljaar 2021-2022: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2015-2016 en 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018, 2018-2019, 2019-2020 en 2020-2021. | 17 | e) voor het schooljaar 2021-2022: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2015-2016 en 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018, 2018-2019, 2019-2020 en 2020-2021; |
| 18 | f) voor het schooljaar 2022-2023: de eerste schooldag van oktober van het schooljaar 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018, 2018-2019, 2019-2020, 2020-2021 en 2021-2022. | ||
| 18 | Voor de middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, gebeurt deze verdeling afzonderlijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs. | 19 | Voor de middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, gebeurt deze verdeling afzonderlijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs. |
| 19 | Bij haar toewijzing aan de ondersteuningsnetwerken, vermeld in het eerste lid, garandeert de Vlaamse Regering jaarlijks 18.974 lestijden en 17.845 uren voor basisonderwijs en 10.761 lesuren en 3614 uren voor secundair onderwijs. De toepassing hiervan zal gemonitord worden en indien nodig in het schooljaar 2022-2023 bijgestuurd worden. | 20 | Bij haar toewijzing aan de ondersteuningsnetwerken, vermeld in het eerste lid, garandeert de Vlaamse Regering jaarlijks 18.974 lestijden en 17.845 uren voor basisonderwijs en 10.761 lesuren en 3614 uren voor secundair onderwijs. De toepassing hiervan zal gemonitord worden en indien nodig in het schooljaar 2022-2023 bijgestuurd worden. |
| 27 | De middelen voor coördinatie worden in mindering gebracht van de budgetten die de pedagogische begeleidingsdiensten ontvingen in toepassing van artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze middelen in mindering worden gebracht en de wijze van toekenning van de lestijden, lesuren of uren voor de coördinatie van het ondersteuningsnetwerk. | 28 | De middelen voor coördinatie worden in mindering gebracht van de budgetten die de pedagogische begeleidingsdiensten ontvingen in toepassing van artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze middelen in mindering worden gebracht en de wijze van toekenning van de lestijden, lesuren of uren voor de coördinatie van het ondersteuningsnetwerk. |
| 28 | Middelen voor coördinatie van een ondersteuningsnetwerk van het overleg kleine onderwijsverstrekkers kunnen worden georganiseerd vanuit het begeleidingskorps dat aan de kleine onderwijsverstrekkers werd toegekend in toepassing van artikel VI.1, § 4, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften | 29 | Middelen voor coördinatie van een ondersteuningsnetwerk van het overleg kleine onderwijsverstrekkers kunnen worden georganiseerd vanuit het begeleidingskorps dat aan de kleine onderwijsverstrekkers werd toegekend in toepassing van artikel VI.1, § 4, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften |
| 29 | § 4. Het globale verlies op het niveau van een onderwijsnet ten gevolge van de berekeningswijze, vermeld in paragraaf 3, in vergelijking met de situatie op niveau van een onderwijsnet van waarborg en begeleidingseenheden gon, met uitzondering van de doelgroepen, bedoeld in artikel 172quinquies/1, in het schooljaar 2016-2017, wordt gecompenseerd voor een transitieperiode van de schooljaren 2017-2018 tot en met 2021-2022bij wijze van een garantiefonds, door het aandeel van de scholen en centra van het stijgende onderwijsnet procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen en centra van het dalende onderwijsnet procentueel te vermeerderen naar rato van het vastgestelde verlies van het dalende onderwijsnet. | 30 | § 4. Het globale verlies op het niveau van een onderwijsnet ten gevolge van de berekeningswijze, vermeld in paragraaf 3, in vergelijking met de situatie op niveau van een onderwijsnet van waarborg en begeleidingseenheden gon, met uitzondering van de doelgroepen, bedoeld in artikel 172quinquies/1, in het schooljaar 2016-2017, wordt gecompenseerd voor een transitieperiode van de schooljaren 2017-2018 tot en met 2022-2023 bij wijze van een garantiefonds, door het aandeel van de scholen en centra van het stijgende onderwijsnet procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen en centra van het dalende onderwijsnet procentueel te vermeerderen naar rato van het vastgestelde verlies van het dalende onderwijsnet. |
| 30 | De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten. | 31 | De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten. |
| 31 | § 5. Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert de gemeenschappelijke vergadering, vermeld in paragraaf 9, als commissie. Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden. Bij de toewijzing wordt rekening gehouden met volgende criteria : er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen. | 32 | § 5. Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert de gemeenschappelijke vergadering, vermeld in paragraaf 9, als commissie. Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden. Bij de toewijzing wordt rekening gehouden met volgende criteria : er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen. |
| 41 | 3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking. | 42 | 3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking. |
| 42 | § 7. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs. | 43 | § 7. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs. |
| 43 | § 8. In afwijking van artikel 8 tot en met artikel 15, artikel 16bis tot en met artikel 20, en artikel 22 tot en met artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de opdracht van het personeel in het basisonderwijs geldt voor het onderwijzend personeel, het paramedisch personeel, het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel dat aangesteld wordt in een betrekking in het buitengewoon basisonderwijs tijdens het schooljaar 2017-2018 tot en met 2021-2022een hoofdopdracht van 22 lestijden en een schoolopdracht van 26 klokuren. | 44 | § 8. In afwijking van artikel 8 tot en met artikel 15, artikel 16bis tot en met artikel 20, en artikel 22 tot en met artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de opdracht van het personeel in het basisonderwijs geldt voor het onderwijzend personeel, het paramedisch personeel, het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel dat aangesteld wordt in een betrekking in het buitengewoon basisonderwijs tijdens het schooljaar 2017-2018 tot en met 2022-2023 een hoofdopdracht van 22 lestijden en een schoolopdracht van 26 klokuren. |
| 44 | De hoofdopdracht bestaat in de ondersteuning van het onderwijzend personeel en van het kind dat de ondersteuning nodig heeft in het gewoon onderwijs. | 45 | De hoofdopdracht bestaat in de ondersteuning van het onderwijzend personeel en van het kind dat de ondersteuning nodig heeft in het gewoon onderwijs. |
| 45 | De tijd die nodig is voor professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen maakt deel uit van de schoolopdracht. | 46 | De tijd die nodig is voor professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen maakt deel uit van de schoolopdracht. |
| 1 | Een leerling die beschikt over een verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, of een verslag als vermeld in artikel 294 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs, of erkend is als persoon met een handicap krachtens een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving, kan een individueel aangepast curriculum volgen als de directeur en de betrokken leerkrachten na overleg met de leerling en de betrokken personen motiveren dat de leerling ondanks redelijke aanpassingen onvoldoende leerwinst kan boeken in het gemeenschappelijke curriculum. | 1 | Een leerling kan een individueel aangepast curriculum volgen als de directeur en de betrokken leerkrachten na overleg met de leerling en de betrokken personen motiveren dat de leerling ondanks redelijke aanpassingen onvoldoende leerwinst kan boeken in het gemeenschappelijke curriculum, als de leerling voldoet aan een van de volgende voorwaarden: |
| 2 | 1° beschikken over een verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; | ||
| 3 | 2° beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs; | ||
| 4 | 3° erkend zijn als persoon met een handicap met toepassing van een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving; | ||
| 5 | 4° een medisch attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de leerling een aandoening heeft die de leerling verhindert om alle leeractiviteiten in het lessenrooster te volgen. Het attest is ondertekend door een arts, psycholoog of lid van een multidisciplinair team dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. | ||
| 2 | Een leerling met een individueel aangepast curriculum kan afwijken van een of meer van de volgende bepalingen : | 6 | Een leerling met een individueel aangepast curriculum kan afwijken van een of meer van de volgende bepalingen : |
| 3 | 1° de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20; | 7 | 1° de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20; |
| 7 | De directeur en de betrokken leerkrachten ontwikkelen het individueel aangepast curriculum in samenspraak met de leerling en de betrokken personen, bewaken de ontwikkelingsgerichtheid en nemen de nodige pedagogische, didactische en organisatorische maatregelen. De directeur en betrokken leerkrachten kunnen een beroep doen op externe deskundigen of op de pedagogische begeleidingsdienst. | 11 | De directeur en de betrokken leerkrachten ontwikkelen het individueel aangepast curriculum in samenspraak met de leerling en de betrokken personen, bewaken de ontwikkelingsgerichtheid en nemen de nodige pedagogische, didactische en organisatorische maatregelen. De directeur en betrokken leerkrachten kunnen een beroep doen op externe deskundigen of op de pedagogische begeleidingsdienst. |
| 8 | Een individueel aangepast curriculum duurt maximaal een leerjaar langer dan de graad waarin de leerling is ingeschreven. De leerling kan het leertraject niet verlengen. Bij het beëindigen van de graad reikt de academie aan de leerling een leerbewijs uit. | 12 | Een individueel aangepast curriculum duurt maximaal een leerjaar langer dan de graad waarin de leerling is ingeschreven. De leerling kan het leertraject niet verlengen. Bij het beëindigen van de graad reikt de academie aan de leerling een leerbewijs uit. |
| 9 | De onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen het individueel aangepast curriculum op elk moment inkijken in de academie. | ||
| 13 | De onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen het individueel aangepast curriculum op elk moment inkijken in de academie. De coëfficiënten, vermeld in artikel 67, § 3, eerste en tweede lid, zijn van toepassing als de academie het individueel aangepast curriculum niet kan voorleggen en de leerling een lessenrooster volgt dat afwijkt van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20. | ||
| 1 | Een leerling die beschikt over een gemotiveerd verslag, vermeld in artikel 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, of een verslag als vermeld in artikel 352 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs, of erkend is als persoon met een handicap krachtens een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving, kan na overleg met de directeur en de betrokken leerkrachten, binnen het gemeenschappelijk curriculum afwijken van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, en de bepalingen over de evaluaties, vermeld in artikel 61 en 62. | 1 | Een leerling kan na overleg met de directeur en de betrokken leerkrachten, binnen het gemeenschappelijke curriculum afwijken van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20 en de bepalingen over de evaluaties, vermeld in artikel 61 en 62, als de leerling voldoet aan een van de volgende voorwaarden: |
| 2 | 1° beschikken over een gemotiveerd verslag als vermeld in artikel 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; | ||
| 3 | 2° beschikken over een gemotiveerd verslag als vermeld in artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs; | ||
| 4 | 3° erkend zijn als persoon met een handicap met toepassing van een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving; | ||
| 5 | 4° een medisch attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de leerling een aandoening heeft die de leerling verhindert om alle leeractiviteiten in het lessenrooster te volgen. Het attest is ondertekend door een arts, psycholoog of lid van een multidisciplinair team dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. | ||
| 2 | In het eerste lid wordt onder gemeenschappelijk curriculum verstaan de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de basiscompetenties, de beroepskwalificaties of de specifieke eindtermen te bereiken. | 6 | In het eerste lid wordt onder gemeenschappelijk curriculum verstaan de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de basiscompetenties, de beroepskwalificaties of de specifieke eindtermen te bereiken. |
| 3 | De directeur en de leerkrachten motiveren de afwijkingen in relatie tot de leerwinst met het oog op het behalen van het bewijs van competenties of bewijs van beroepskwalificatie. | ||
| 7 | De directeur en de leerkrachten motiveren de afwijkingen in relatie tot de leerwinst met het oog op het behalen van het leerbewijs, het bewijs van competenties of bewijs van beroepskwalificatie. De onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen het motivatiedossier op elk moment inkijken in de academie. De coëfficiënten, vermeld in artikel 67, § 3, eerste en tweede lid, zijn van toepassing als de academie het motivatiedossier niet kan voorleggen en de leerling een lessenrooster volgt dat afwijkt van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20. |
| 4 | In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen, verplaatsen of vervangen door extra-murosactiviteiten. | 4 | In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen, verplaatsen of vervangen door extra-murosactiviteiten. |
| 5 | § 3. Maximaal vijf percent van de lestijden berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om voordrachtgevers in te zetten. Dat percentage kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité. | 5 | § 3. Maximaal vijf percent van de lestijden berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om voordrachtgevers in te zetten. Dat percentage kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité. |
| 6 | In het eerste lid wordt verstaan onder voordrachtgever : een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de academie. Een voordrachtgever geeft, in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, voordrachten in de academie of op een andere locatie in het kader van de realisatie van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties vanuit zijn deskundigheid of ervaring in de amateurkunsten, de professionele kunsten, de creatieve industrie of het cultureel erfgoed. | 6 | In het eerste lid wordt verstaan onder voordrachtgever : een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de academie. Een voordrachtgever geeft, in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, voordrachten in de academie of op een andere locatie in het kader van de realisatie van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties vanuit zijn deskundigheid of ervaring in de amateurkunsten, de professionele kunsten, de creatieve industrie of het cultureel erfgoed. Als de capaciteit dat toelaat, kunnen naast leerlingen van de academie ook andere geïnteresseerden de voordrachten bijwonen. |
| 7 | Bij de aanwending van lestijden voor voordrachtgevers worden lestijden omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding ervan aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet. | 7 | Bij de aanwending van lestijden voor voordrachtgevers worden lestijden omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding ervan aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet. |
| 8 | De aanwending van lestijden voor voordrachtgevers maakt voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité. | 8 | De aanwending van lestijden voor voordrachtgevers maakt voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité. |
| 9 | § 4. Maximaal vijf percent van de lestijden, berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, te organiseren. Leeractiviteiten op maat kunnen alleen ingezet worden voor de doelstellingen, vermeld in artikel 4, derde lid. | 9 | § 4. Maximaal vijf percent van de lestijden, berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, te organiseren. Leeractiviteiten op maat kunnen alleen ingezet worden voor de doelstellingen, vermeld in artikel 4, derde lid. |
| 10 | Het schoolbestuur kan de leeractiviteiten op maat vrij inplannen in de loop van het schooljaar. | 10 | Het schoolbestuur kan de leeractiviteiten op maat vrij inplannen in de loop van het schooljaar. |
| 11 | Een schoolbestuur kan lestijden voor leeractiviteiten op maat omzetten in een krediet om experten te vergoeden die deskundig zijn in een of meer van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, derde lid. De rechtspositieregeling in het onderwijs is niet van toepassing. | ||
| 12 | In het derde lid wordt verstaan onder rechtspositieregeling in het onderwijs: het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991. | ||
| 13 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop een academie aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten de omzetting meldt, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet | ||
| 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 en 84, of van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDABof van de eigen middelenpersoneel aanwerven. | 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 en 84, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, of ten laste van de eigen middelen, personeel aanwerven. |
| 2 | In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. | 2 | In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. |
| 3 | In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs. | 3 | In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs. |
| 1 | § 1. Het recht op inschrijving, vermeld in artikel 110/1, § 1, geldt onverkort voor leerlingen die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad. | 1 | § 1. Het recht op inschrijving, vermeld in artikel 110/1, § 1, geldt onverkort voor leerlingen die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad. |
| 2 | § 2. Leerlingen die beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294 worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Dit verslag maakt deel uit van de informatie die ouders bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Het ter beschikking stellen van het verslag door de ouders gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, binnen een redelijke termijn na de inschrijving over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum. Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennis neemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde. | 2 | § 2. Leerlingen die beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294 worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Dit verslag maakt deel uit van de informatie die ouders bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Het ter beschikking stellen van het verslag door de ouders gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, binnen een redelijke termijn na de inschrijving over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum. Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennis neemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde. |
| 3 | Op basis van het overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het eerste lid, beslist de school binnen een redelijke termijn na de inschrijving en uiterlijk binnen 60 kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn. | 3 | Op basis van het overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het eerste lid, beslist de school binnen een redelijke termijn na de inschrijving en uiterlijk binnen 60 kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn. Als de termijn van zestig kalenderdagen is verstreken zonder dat de school een beslissing heeft genomen, is de leerling definitief ingeschreven. Als de school pas nadat de inschrijving al is gerealiseerd kennisneemt van een verslag als vermeld in het eerste lid, start de voormelde termijn van zestig kalenderdagen de dag van die kennisneming. |
| 4 | Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum, proportioneel acht, heft het centrum voor leerlingenbegeleiding het verslag op of maakt het een gemotiveerd verslag op. Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, disproportioneel acht, wordt de inschrijving ontbonden op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit. | 4 | Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum, proportioneel acht, heft het centrum voor leerlingenbegeleiding het verslag op of maakt het een gemotiveerd verslag op. Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, disproportioneel acht, wordt de inschrijving ontbonden ofwel op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit, ofwel met het oog op een daaropvolgend schooljaar. Een school die beslist om te ontbinden met het oog op een daaropvolgend schooljaar beslist eveneens over de termijn waarop ze zullen ontbinden en deelt deze beslissing ook mee aan de betrokken personen. |
| 5 | § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag, als vermeld in artikel 294, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden. | 5 | § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag, als vermeld in artikel 294, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden. |
| 6 | § 4. In afwijking op paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd. | 6 | § 4. In afwijking op paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd. |
| 4 | 3° de studiebewijzen, alsmede de vorm en de vermeldingen erop; | 4 | 3° de studiebewijzen, alsmede de vorm en de vermeldingen erop; |
| 5 | 4° de samenstelling, de werking en de bevoegdheden van de klassenraad. | 5 | 4° de samenstelling, de werking en de bevoegdheden van de klassenraad. |
| 6 | Aan de leerlingen, vermeld in artikel 252, § 1, b), worden jaarlijks attesten van verworven bekwaamheden uitgereikt. | ||
| 7 | Indien aan de leerlingen, vermeld in artikel 252, § 1, b), toch de reguliere studiebewijzen worden gegeven, zal voorafgaand aan de uitreiking van deze studiebewijzen, de overeenkomst van de doelen opgenomen in het individuele curriculum met de leerplandoelen van het overeenkomstige structuuronderdeel voorgelegd moeten worden aan de onderwijsinspectie. | ||
| 8 | Aan de vrije leerlingen, vermeld in artikel 252, § 2, worden uitsluitend attesten van lesbijwoning als vrije leerling uitgereikt. | ||
| 9 | § 2. Een welbepaalde bekrachtiging van de studie impliceert dat de betrokken leerling geacht wordt het overeenkomstig studietraject volledig en met vrucht te hebben doorlopen, ongeacht het tijdstip van aansluiting bij dat traject en ongeacht het feit of dat traject uit leerjaren of een ander ordeningscriterium bestaat. | 6 | § 2. Een welbepaalde bekrachtiging van de studie impliceert dat de betrokken leerling geacht wordt het overeenkomstig studietraject volledig en met vrucht te hebben doorlopen, ongeacht het tijdstip van aansluiting bij dat traject en ongeacht het feit of dat traject uit leerjaren of een ander ordeningscriterium bestaat. |
| 1 | Voor leerlingen die overstappen van een school met een buitenlands onderwijssysteem of van een school die is erkend door de Franse of Duitstalige Gemeenschap van België en die : | ||
| 2 | a) zich ofwel binnen de leerplichtleeftijd bevinden zoals die is bepaald bij de wet van 29 juni 1983; | ||
| 3 | b) ofwel uitdrukkelijk opteren voor het volgen van voltijds secundair onderwijs, | ||
| 4 | geldt, behoudens eventueel andere door de Vlaamse Regering opgelegde toelatingsvoorwaarden, als toelatingsvoorwaarde een gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, zoals die als orgaan door de Vlaamse Regering is bepaald, van een door de betrokken personen gekozen school voor voltijds secundair onderwijs. Bij de beslissing houdt de toelatingsklassenraad rekening met het advies van de klassenraad van het onthaaljaar als het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs, vermeld in artikel 146, § 4. Elke beslissing die afwijkt van het advies, wordt afdoende gemotiveerd. | ||
| 5 | In voorkomend geval en in afwijking op de vigerende regelgeving : | ||
| 6 | a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert; In het geval het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs als vermeld in artikel 146, § 4, moet in de toelatingsklassenraad raadgevend de persoon worden opgenomen die, op basis van daartoe specifiek toegekende uren-leraar, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van gewezen anderstalige nieuwkomers in de scholengemeenschap waarbinnen de betrokken leerling het onthaaljaar heeft gevolgd. | ||
| 7 | b) moet de beslissing van de toelatingsklassenraad uiterlijk genomen worden 25 lesdagen na aanvang van de regelmatige lesbijwoning. | ||
| 8 | Voor de leerlingen in kwestie kan de Vlaamse Regering nooit toelatingsvoorwaarden met betrekking tot de vooropleiding bepalen. |
| 1 | De Vlaamse Regering kan de algemene gelijkwaardigheid vastleggen van buitenlandse studiebewijzen met de volgende studiebewijzen, afgeleverd door scholen voor secundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap : | ||
| 2 | 1° het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs; | ||
| 3 | 2° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs; | ||
| 4 | 3° het diploma van het secundair onderwijs; | ||
| 5 | 4° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs; | ||
| 6 | 5° het certificaat van Se-n-Se; | ||
| 7 | 6° het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd als een specialisatiejaar; | ||
| 8 | 7° het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer; | ||
| 9 | 8° het certificaat van een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs; | ||
| 10 | 9° het getuigschrift van een opleiding buitengewoon secundair onderwijs; | ||
| 11 | 10° het getuigschrift van verworven competenties in een opleiding buitengewoon secundair onderwijs. | ||
| 1 | De Vlaamse Regering kan de algemene gelijkwaardigheid vastleggen van buitenlandse studiebewijzen met de studiebewijzen vastgelegd in uitvoering van artikel 115, § 1, eerste lid, 2° en 3°. | ||
| 12 | Bij de vastlegging van de algemene gelijkwaardigheid houdt de Vlaamse Regering rekening : | 2 | Bij de vastlegging van de algemene gelijkwaardigheid houdt de Vlaamse Regering rekening : |
| 13 | 1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering als referentiekader, in voorkomend geval, de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen, de opleidingsprofielen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald; | 3 | 1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering als referentiekader, in voorkomend geval, de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen, de opleidingsprofielen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald; |
| 1 | De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van studiebewijzen die niet in een besluit als vermeld in artikel 115/2 zijn opgenomenmet de volgende studiebewijzen , uitgereikt door scholen of centra voor secundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap : | 1 | De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen die niet in een besluit als vermeld in artikel 115/2 zijn opgenomen, met de studiebewijzen vastgelegd in uitvoering van artikel 115, § 1, eerste lid, 2° en 3°. |
| 2 | 1° het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs; | ||
| 3 | 2° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs; | ||
| 4 | 3° het diploma van het secundair onderwijs; | ||
| 5 | 4° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs; | ||
| 6 | 5° het certificaat van Se-n-Se; | ||
| 7 | 6° het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd als een specialisatiejaar; | ||
| 8 | 7° het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer; | ||
| 9 | 8° het certificaat van een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs; | ||
| 10 | 9° het getuigschrift van een opleiding buitengewoon secundair onderwijs; | ||
| 11 | 10° het getuigschrift van verworven competenties in een opleiding buitengewoon secundair onderwijs. | ||
| 12 | De Vlaamse Regering waarborgt dat binnen deze procedure rekening wordt gehouden : | 2 | De Vlaamse Regering waarborgt dat binnen deze procedure rekening wordt gehouden : |
| 13 | 1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden, in voorkomend geval, de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen, de opleidingsprofielen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald, als referentiekader gebruikt; | 3 | 1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden, in voorkomend geval, de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen, de opleidingsprofielen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald, als referentiekader gebruikt; |
| 1 | § 1. Leerlingenevaluatie strekt ertoe om, rekening houdend met het pedagogisch project van de school, na te gaan of de leerling in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving, heeft bereikt of nagestreefd, naargelang van het geval. De leerlingenevaluatie wordt, gespreid over het schooljaar of over de opleidingsduur, uitgevoerd door de klassenraad en resulteert in een beslissing over het al dan niet geslaagd zijn. Voor zover het regelmatige leerlingen en door de Vlaamse Gemeenschap erkende structuuronderdelen betreft, kennen, in aansluiting op de beslissingen van de klassenraad, de school- en centrumbesturen de van rechtswege geldende studiebewijzen aan de betrokken leerlingen toe. De toekenning van die studiebewijzen kan om geen enkele reden worden ingehouden, ook niet bij verzuim door de betrokken personen van hun financiële verplichtingen. | ||
| 1 | § 1. ... | ||
| 2 | § 2. De school- en centrumbesturen zijn bevoegd voor de regeling van het evaluatiestelsel. | 2 | § 2. De school- en centrumbesturen zijn bevoegd voor de regeling van het evaluatiestelsel. |
| 3 | In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering: | 3 | In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering: |
| 12 | 3° met de betrokken personen te overleggen op hun vraag. | 12 | 3° met de betrokken personen te overleggen op hun vraag. |
| 13 | Het overleg, bedoeld in 3°, vindt plaats tussen de directeur of zijn afgevaardigde en de betrokken personen binnen een redelijke termijn nadat die laatsten het evaluatieresultaat in ontvangst hebben genomen. Die termijn wordt in het school- of centrumreglement bepaald. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Het overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen. Nadat de klassenraad al dan niet aan de leerling bijkomende proeven of opdrachten heeft opgelegd, beslist diezelfde klassenraad om het oorspronkelijk evaluatieresultaat te bevestigen of door een ander evaluatieresultaat te vervangen. De betrokken personen nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen in ontvangst. Bij het niet in ontvangst nemen op de voorziene datum door de betrokken personen wordt de beslissing geacht te zijn ontvangen. | 13 | Het overleg, bedoeld in 3°, vindt plaats tussen de directeur of zijn afgevaardigde en de betrokken personen binnen een redelijke termijn nadat die laatsten het evaluatieresultaat in ontvangst hebben genomen. Die termijn wordt in het school- of centrumreglement bepaald. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Het overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen. Nadat de klassenraad al dan niet aan de leerling bijkomende proeven of opdrachten heeft opgelegd, beslist diezelfde klassenraad om het oorspronkelijk evaluatieresultaat te bevestigen of door een ander evaluatieresultaat te vervangen. De betrokken personen nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen in ontvangst. Bij het niet in ontvangst nemen op de voorziene datum door de betrokken personen wordt de beslissing geacht te zijn ontvangen. |
| 14 | § 5. In afwijking van paragraaf 1 kennen de school -en centrumbesturen de van rechtswege geldende studiebewijzen eveneens toe in uitvoering van de beslissingen van beroepscommissies die worden genomen naar aanleiding van beroepen die door betrokken personen zijn ingediend. | 14 | § 5. De school -en centrumbesturen kennen de van rechtswege geldende studiebewijzen toe in uitvoering van de evaluatiebeslissingen van klassenraden of, in voorkomend geval, de beslissingen van beroepscommissies die worden genomen naar aanleiding van beroepen die door betrokken personen zijn ingediend. |
| 2 | 1° de tijdelijke uitsluiting: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om in de loop van het schooljaar het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig te volgen en dit gedurende een periode van, naargelang van het geval, minimaal één lesdag en maximaal vijftien opeenvolgende lesdagen in de school of minimaal één kalenderdag en maximaal eenentwintig opeenvolgende kalenderdagen in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Een nieuwe tijdelijke uitsluiting kan enkel na een nieuw feit; Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst. | 2 | 1° de tijdelijke uitsluiting: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om in de loop van het schooljaar het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig te volgen en dit gedurende een periode van, naargelang van het geval, minimaal één lesdag en maximaal vijftien opeenvolgende lesdagen in de school of minimaal één kalenderdag en maximaal eenentwintig opeenvolgende kalenderdagen in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Een nieuwe tijdelijke uitsluiting kan enkel na een nieuw feit; Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst. |
| 3 | 2° de definitieve uitsluiting: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om vanaf een bepaalde datum het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig verder te volgen in de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst. | 3 | 2° de definitieve uitsluiting: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om vanaf een bepaalde datum het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig verder te volgen in de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst. |
| 4 | § 2. In afwachting van een eventuele tijdelijke of definitieve uitsluiting, kan de leerling preventief worden geschorst als bewarende maatregel. Bij preventieve schorsing wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig te volgen en dit gedurende een periode van, naargelang van het geval, maximaal tien opeenvolgende lesdagen in de school of maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Het school- of centrumbestuur kan, mits motivering aan de betrokken personen, beslissen om desbetreffende periode eenmalig met maximaal tien opeenvolgende lesdagen respectievelijk veertien opeenvolgende kalenderdagen te verlengen indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond. De schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en wordt aan de betrokken personen ter kennis gebracht. Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst. | 4 | § 2. In afwachting van een eventuele tijdelijke of definitieve uitsluiting, kan de leerling preventief worden geschorst als bewarende maatregel. Bij preventieve schorsing wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig te volgen en dit gedurende een periode van, naargelang van het geval, maximaal tien opeenvolgende lesdagen in de school of maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. De directeur van de school kan, mits motivering aan de betrokken personen, beslissen om desbetreffende periode eenmalig met maximaal tien opeenvolgende lesdagen respectievelijk veertien opeenvolgende kalenderdagen te verlengen indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond. De schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en wordt aan de betrokken personen ter kennis gebracht. Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst. |
| 5 | § 3. De bevoegdheid tot preventieve schorsing of tuchtmaatregelen ligt bij de directeur van de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de leerling is ingeschreven, of zijn afgevaardigde. Voorafgaand aan de beslissing tot definitieve uitsluiting, moet het advies van de klassenraad worden ingewonnen. In die klassenraad zetelt, met adviesbevoegdheid, een personeelslid van het begeleidend centrum voor leerlingenbegeleiding. Het advies van de klassenraad wordt in het tuchtdossier opgenomen. | 5 | § 3. De bevoegdheid tot preventieve schorsing of tuchtmaatregelen ligt bij de directeur van de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de leerling is ingeschreven, of zijn afgevaardigde. Voorafgaand aan de beslissing tot definitieve uitsluiting, moet het advies van de klassenraad worden ingewonnen. In die klassenraad zetelt, met adviesbevoegdheid, een personeelslid van het begeleidend centrum voor leerlingenbegeleiding. Het advies van de klassenraad wordt in het tuchtdossier opgenomen. |
| 6 | Elkeen die daartoe is gemachtigd door het school- of centrumbestuur is bevoegd tot het opleggen aan de leerling van andere maatregelen dan tuchtmaatregelen bij schending van leefregels, waaraan hij ingevolge zijn school- of centrumreglement is onderworpen, op een locatie waar hij toezicht op de leerling uitoefent. | 6 | Elkeen die daartoe is gemachtigd door het school- of centrumbestuur is bevoegd tot het opleggen aan de leerling van andere maatregelen dan tuchtmaatregelen bij schending van leefregels, waaraan hij ingevolge zijn school- of centrumreglement is onderworpen, op een locatie waar hij toezicht op de leerling uitoefent. |
| 1 | Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten: | 1 | Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten: |
| 2 | 1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar en de vervanging door andere onderdelen die de finaliteit van het structuuronderdeel niet aantasten, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt én mits akkoord van de betrokken personen, voor een leerling die onderwijsbehoeften heeft omwille van: | 2 | 1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar en de vervanging door andere onderdelen die de finaliteit van het structuuronderdeel niet aantasten, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt én mits akkoord van de betrokken personen, voor een leerling die onderwijsbehoeften heeft omwille van: |
| 3 | a) hetzij hoogbegaafdheid, zoals vastgesteld op basis van handelingsgerichte diagnostiek van het centrum voor leerlingenbegeleiding; | ||
| 3 | a) hetzij cognitief sterk functioneren; | ||
| 4 | b) hetzij tijdelijke leermoeilijkheden of leerachterstanden voor een of meer vakken, die niet vallen onder de toepassing van artikel 136/2; | 4 | b) hetzij tijdelijke leermoeilijkheden of leerachterstanden voor een of meer vakken, die niet vallen onder de toepassing van artikel 136/2; |
| 5 | 2° in voorkomend geval: | 5 | 2° in voorkomend geval: |
| 6 | a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert; | 6 | a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert; |
| 7 | b) kunnen individuele vrijstellingen nooit worden verleend voor het geheel van een vak, tenzij laatstbedoeld vak wordt vervangen door het vak Nederlands; | 7 | b) kunnen voor de doelgroep, vermeld in punt 1°, b), individuele vrijstellingen nooit worden verleend voor het geheel van een vak, tenzij laatstbedoeld vak wordt vervangen door het vak Nederlands; |
| 8 | c) worden individuele vrijstellingen en vervangingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd; | 8 | c) worden individuele vrijstellingen en vervangingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd; |
| 9 | d) doen individuele vrijstellingen en vervangingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging. | 9 | d) doen individuele vrijstellingen en vervangingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging; |
| 10 | e) kunnen voor de doelgroep, vermeld in punt 1°, a), individuele vrijstellingen worden verleend voor het geheel van een vak door de klassenraad, indien duidelijk blijkt dat de doelen ervan al bereikt zijn. |
| 3 | 2° van een structuuronderdeel van de tweede of derde graad, dubbele finaliteit: de doelen die leiden tot een of meer erkende beroepskwalificaties; | 3 | 2° van een structuuronderdeel van de tweede of derde graad, dubbele finaliteit: de doelen die leiden tot een of meer erkende beroepskwalificaties; |
| 4 | 3° van een structuuronderdeel van de tweede of derde graad, arbeidsmarktfinaliteit: de doelen die leiden tot een of meer erkende beroepskwalificaties; | 4 | 3° van een structuuronderdeel van de tweede of derde graad, arbeidsmarktfinaliteit: de doelen die leiden tot een of meer erkende beroepskwalificaties; |
| 5 | 3°/1 van een structuuronderdeel van het derde leerjaar van de derde graad dat voorbereidt op het hoger onderwijs, met uitzondering van het structuuronderdeel, vermeld in artikel 139, § 3, eerste lid, 5° : de doelen die afgeleid zijn van de eindtermen of de specifieke eindtermen van inhoudelijk verwante structuuronderdelen van de derde graad; | ||
| 5 | 4° van elk structuuronderdeel van de eerste, tweede of derde graad: de eventuele differentiële doelen van het desbetreffend structuuronderdeel die een uitbreiding of verdieping van al voorkomende doelen inhouden. | 6 | 4° van elk structuuronderdeel van de eerste, tweede of derde graad: de eventuele differentiële doelen van het desbetreffend structuuronderdeel die een uitbreiding of verdieping van al voorkomende doelen inhouden. |
| 6 | De hogervermelde doelen worden gezamenlijk ontwikkeld door het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs. De doelen die leiden tot één of meer erkende beroepskwalificaties kunnen enkel mits voorafgaand akkoord van de betrokken sectoren, inhoudelijk van erkende beroepskwalificaties afwijken. | 7 | De hogervermelde doelen worden gezamenlijk ontwikkeld door het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs. De doelen die leiden tot één of meer erkende beroepskwalificaties kunnen enkel mits voorafgaand akkoord van de betrokken sectoren, inhoudelijk van erkende beroepskwalificaties afwijken. |
| 8 | Bij de totstandkoming van de doelen, vermeld in het eerste lid, 3° /1, worden vak- en andere experten uit het hoger onderwijs betrokken. | ||
| 2 | De programmatieregels, vermeld in artikel 179 tot en met 179/2, hebben zoals aangegeven een tijdelijk karakter. | 2 | De programmatieregels, vermeld in artikel 179 tot en met 179/2, hebben zoals aangegeven een tijdelijk karakter. |
| 3 | Elke programmatie moet in overeenstemming zijn met de afspraken die de scholengemeenschap, in voorkomend geval, maakt met het oog op een rationeel geordend onderwijsaanbod. | 3 | Elke programmatie moet in overeenstemming zijn met de afspraken die de scholengemeenschap, in voorkomend geval, maakt met het oog op een rationeel geordend onderwijsaanbod. |
| 4 | Als een programmatie van een structuuronderdeel een goedkeuring van de Vlaamse Regering vereist, kan het schoolbestuur dat de goedgekeurde programmatie voor een bepaald structuuronderdeel het eerste schooljaar na de aanvraag niet organiseert, zonder nieuwe aanvraag of goedkeuring het bijkomende aanbod van dat bepaalde structuuronderdeel pas organiseren vanaf 1 september het daaropvolgende schooljaar. Indien het een programmatie van een Se-n-Se betreft die van start gaat op 1 februari, kan het schoolbestuur dat de goedkeurde programmatie voor dat bepaalde structuuronderdeel op 1 februari dat onmiddellijk volgt na de aanvraag niet organiseert, zonder nieuwe aanvraag of goedkeuring het bijkomende aanbod van dat bepaalde structuuronderdeel pas organiseren het daaropvolgende schooljaar. | ||
| 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 249 of van de Vlaamse Ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB , personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. | 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 249, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB of ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. |
| 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 3 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. | 3 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. |
| 4 | 2) van zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart, de vorming van dit leerjaar volledig en daadwerkelijk volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid; | 4 | 2) van zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart, de vorming van dit leerjaar volledig en daadwerkelijk volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid; |
| 5 | b) hetzij aan alle onderstaande voorwaarden voldoet : | 5 | b) hetzij aan alle onderstaande voorwaarden voldoet : |
| 6 | 1) voldoen aan de toelatingsvoorwaarden tot een eerste leerjaar van de eerste graad van het secundair onderwijs, zoals bepaald in Hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs; | 6 | 1) voldoen aan de toelatingsvoorwaarden tot een eerste leerjaar van de eerste graad van het secundair onderwijs; |
| 7 | 2) beschikken over een verslag, als bepaald in artikel 294, en het individueel aangepast curriculum dat voor hem of haar is bepaald door de klassenraad werkelijk en regelmatig volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid. | 7 | 2) beschikken over een verslag, als bepaald in artikel 294, en het individueel aangepast curriculum dat voor hem of haar is bepaald door de klassenraad werkelijk en regelmatig volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid. |
| 8 | 3) .... | 8 | 3) .... |
| 1 | Onverminderd de door de Vlaamse Regering bepaalde toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 252, is het voltijds gewoon secundair onderwijs toegankelijk voor leerlingen die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Het kan worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin de leerlingen de leeftijd van 25 jaar bereiken. | 1 | Onverminderd de door de Vlaamse Regering bepaalde toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 252, is het voltijds gewoon secundair onderwijs toegankelijk voor leerlingen die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Het kan worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin de leerlingen de leeftijd van 25 jaar bereiken. |
| 2 | Deze maximumleeftijd is evenwel niet van toepassing op : | 2 | Deze maximumleeftijd is evenwel niet van toepassing op : |
| 3 | 1° leerlingen die tijdens het schooljaar 2013-2014 voltijds gewoon secundair onderwijs hebben gevolgd en vanaf het schooljaar 2014-2015 hun secundaire studie verder zetten; | ||
| 3 | 1° ...; | ||
| 4 | 2° de structuuronderdelen van het derde leerjaar van de derde graad; | 4 | 2° de structuuronderdelen van het derde leerjaar van de derde graad; |
| 5 | 3° andere dan in 2° vermelde structuuronderdelen die door de Vlaamse Regering kunnen worden vastgelegd en voor zover het betrokken schoolbestuur beslist om in een of meer van zijn scholen onderhavige bepaling voor alle leerlingen van het betrokken structuuronderdeel toe te passen. | 5 | 3° andere dan in 2° vermelde structuuronderdelen die door de Vlaamse Regering kunnen worden vastgelegd en voor zover het betrokken schoolbestuur beslist om in een of meer van zijn scholen onderhavige bepaling voor alle leerlingen van het betrokken structuuronderdeel toe te passen. |
| 36 | 6° de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld; | 36 | 6° de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld; |
| 37 | 7° de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters, binnen en buiten de scholengemeenschap in kwestie, zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod. | 37 | 7° de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters, binnen en buiten de scholengemeenschap in kwestie, zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod. |
| 38 | Het schoolbestuur stuurt een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk op 30 november van het schooljaar dat voorafgaat aan de programmatie. Het dossier kan zowel structuuronderdelen van de opleidingsfase, ofwel de kwalificatiefase, ofwel de integratiefase bevatten, als structuuronderdelen van enkele of alle fasen in kwestie samen. De programmatie in de integratiefase en de kwalificatiefase kan verschillen van elkaar, zolang het schoolbestuur structuuronderdelen binnen hetzelfde studiedomein programmeert. Het schoolbestuur kan er ook voor kiezen om identieke structuuronderdelen in die fasen te programmeren. De programmatie van gemoderniseerde structuuronderdelen kan in de verschillende leerjaren of fasen gelijktijdig dan wel progressief worden doorgevoerd, nadat de modernisering is uitgerold. De voormelde termijn geldt als een vervaltermijn. | 38 | Het schoolbestuur stuurt een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk op 30 november van het schooljaar dat voorafgaat aan de programmatie. Het dossier kan zowel structuuronderdelen van de opleidingsfase, ofwel de kwalificatiefase, ofwel de integratiefase bevatten, als structuuronderdelen van enkele of alle fasen in kwestie samen. De programmatie in de integratiefase en de kwalificatiefase kan verschillen van elkaar. Het schoolbestuur kan er ook voor kiezen om identieke structuuronderdelen in die fasen te programmeren. De programmatie van gemoderniseerde structuuronderdelen kan in de verschillende leerjaren of fasen gelijktijdig dan wel progressief worden doorgevoerd, nadat de modernisering is uitgerold. De voormelde termijn geldt als een vervaltermijn. |
| 39 | Aanvragen die later worden ingediend, zijn onontvankelijk. Een observatiefase is een apart structuuronderdeel, dat in alle scholen met opleidingsvorm 3 wordt aangeboden, waarin met de structuuronderdelen die in de latere fases worden aangeboden kennis gemaakt kan worden, en is vrij programmeerbaar. | 39 | Aanvragen die later worden ingediend, zijn onontvankelijk. Een observatiefase is een apart structuuronderdeel, dat in alle scholen met opleidingsvorm 3 wordt aangeboden, waarin met de structuuronderdelen die in de latere fases worden aangeboden kennis gemaakt kan worden, en is vrij programmeerbaar. |
| 40 | Indien de voormelde aanvraag betrekking heeft op de programmatie per 1 september 2021 of 2022 van een niet-gemoderniseerd structuuronderdeel van de kwalificatiefase en de integratiefase, dan moet de aanvraag eveneens de toekomstige concordantie naar het gemoderniseerde structuuronderdeel bevatten om ontvankelijk te zijn. Niet-gemoderniseerde structuuronderdelen zijn niet programmeerbaar in de opleidingsfase en vanaf 1 september 2023 in de kwalificatiefase en de integratiefase. | 40 | Indien de voormelde aanvraag betrekking heeft op de programmatie per 1 september 2021 of 2022 van een niet-gemoderniseerd structuuronderdeel van de kwalificatiefase en de integratiefase, dan moet de aanvraag eveneens de toekomstige concordantie naar het gemoderniseerde structuuronderdeel bevatten om ontvankelijk te zijn. Niet-gemoderniseerde structuuronderdelen zijn niet programmeerbaar in de opleidingsfase en vanaf 1 september 2023 in de kwalificatiefase en de integratiefase. |
| 1 | In afwijking van de artikelen 286, 289 en 290/1 mag een schoolbestuur dat voor de programmatie van een nieuw type, een nieuwe opleidingsvorm of van een nieuwe school een goedkeuring kreeg van de Vlaamse Regering met het oog op de start van het nieuwe aanbod op 1 september 2021, zonder bijkomende aanvraag of goedkeuring een tweede maal het bijkomende aanbod inrichten vanaf 1 september 2022, indien de school de programmatienormen voor dit nieuwe aanbod niet haalt op de eerste schooldag van oktober 2021. Op de eerste schooldag van oktober 2022 moet de school de programmatienormen voor dit nieuwe aanbod bereiken. | 1 | In afwijking van de artikelen 286, 289 en 290/1 mag een schoolbestuur dat voor de programmatie van een nieuw structuuronderdeel, een nieuw type, een nieuwe opleidingsvorm of van een nieuwe school een goedkeuring kreeg van de Vlaamse Regering met het oog op de start van het nieuwe aanbod op 1 september van het jaar X, zonder nieuwe aanvraag of goedkeuring het toegestane aanbod inrichten vanaf 1 september van het jaar X+1, indien de school de programmatienormen voor dit nieuwe aanbod niet haalt op de eerste schooldag van oktober van het jaar X. In geval van een nieuw type beslist de school tegen de eerste schooldag van oktober van het jaar X of ze het nieuwe type in de loop van dat schooljaar alsnog zal organiseren, als er een vraag tot inschrijving wordt gesteld. Op de eerste schooldag van oktober van het jaar X+1 moet de school de programmatienormen voor dat nieuwe aanbod bereiken. Als de programmatienormen niet bereikt worden, worden ofwel de opgerichte opleidingsvorm of opleidingsvormen ofwel de nieuwe school met ingang van 1 september daaropvolgend opgeheven. |
| 4 | - voor nieuwe scholen die worden opgenomen in de financiering of de subsidiëring; | 4 | - voor nieuwe scholen die worden opgenomen in de financiering of de subsidiëring; |
| 5 | - voor bestaande scholen die bij een herstructurering betrokken zijn, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of de subsidiëring of de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm. | 5 | - voor bestaande scholen die bij een herstructurering betrokken zijn, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of de subsidiëring of de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm. |
| 6 | Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren. | 6 | Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren. In afwijking van de voorgaande zin is met toepassing van artikel 290/2 voor de opname in de financiering of de subsidiering de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de drie daaropvolgende schooljaren. |
| 7 | In geval van oprichting van een nieuw type, met uitzondering van het schooljaar 2015-2016, alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar. | 7 | In geval van oprichting van een nieuw type, met uitzondering van het schooljaar 2015-2016, alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar. Als het nieuwe type met toepassing van artikel 290/2 pas na de eerste lesdag van oktober wordt opgericht blijft de teldatum 1 februari van het voorafgaande schooljaar. |
| 8 | Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel. | 8 | Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel. |
| 9 | 2° in het type 5 het aantal bepaald door de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen : | 9 | 2° in het type 5 het aantal bepaald door de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen : |
| 10 | - voor nieuwe scholen die worden opgenomen in de financiering of subsidiëring; | 10 | - voor nieuwe scholen die worden opgenomen in de financiering of subsidiëring; |
| 11 | - voor bestaande scholen die bij een herstructurering betrokken zijn, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of subsidiëring of de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm. | 11 | - voor bestaande scholen die bij een herstructurering betrokken zijn, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of subsidiëring of de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm. |
| 12 | Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren. | 12 | Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren. In afwijking van de voorgaande zin is met toepassing van artikel 290/2 voor de opname in de financiering of de subsidiering de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de drie daaropvolgende schooljaren. |
| 13 | In geval van oprichting van een nieuw type, alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar. | 13 | In geval van oprichting van een nieuw type, alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar. Als het nieuwe type met toepassing van artikel 290/2 pas na de eerste lesdag van oktober wordt opgericht, blijft de teldatum 1 februari van het voorafgaande schooljaar. |
| 14 | Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel. (308) | 14 | Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel. (308) |
| 16 | c) voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019. | 16 | c) voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019. |
| 17 | d) voor het schooljaar 2020-2021: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2014-2015 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020; | 17 | d) voor het schooljaar 2020-2021: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2014-2015 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020; |
| 18 | e) voor het schooljaar 2021-2022: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2015-2016 en 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018, 2018-2019, 2019-2020 en 2020-2021. | 18 | e) voor het schooljaar 2021-2022: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2015-2016 en 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018, 2018-2019, 2019-2020 en 2020-2021; |
| 19 | f) voor het schooljaar 2022-2023: de eerste schooldag van oktober van het schooljaar 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018, 2018-2019, 2019-2020, 2020-2021 en 2021-2022. | ||
| 19 | Voor de middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, gebeurt deze verdeling afzonderlijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs. | 20 | Voor de middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, gebeurt deze verdeling afzonderlijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs. |
| 20 | Bij haar toewijzing aan de ondersteuningsnetwerken, vermeld in het eerste lid, garandeert de Vlaamse Regering jaarlijks 18.974 lestijden en 17.845 uren voor basisonderwijs en 10.761 lesuren en 3614 uren voor secundair onderwijs. De toepassing hiervan zal gemonitord worden en indien nodig in het schooljaar 2022-2023 bijgestuurd worden. | 21 | Bij haar toewijzing aan de ondersteuningsnetwerken, vermeld in het eerste lid, garandeert de Vlaamse Regering jaarlijks 18.974 lestijden en 17.845 uren voor basisonderwijs en 10.761 lesuren en 3614 uren voor secundair onderwijs. De toepassing hiervan zal gemonitord worden en indien nodig in het schooljaar 2022-2023 bijgestuurd worden. |
| 28 | De middelen voor coördinatie worden in mindering gebracht van de budgetten die de pedagogische begeleidingsdiensten ontvingen in toepassing van artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze middelen in mindering worden gebracht en de wijze van toekenning van de lestijden, lesuren of uren voor de coördinatie van het ondersteuningsnetwerk. | 29 | De middelen voor coördinatie worden in mindering gebracht van de budgetten die de pedagogische begeleidingsdiensten ontvingen in toepassing van artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze middelen in mindering worden gebracht en de wijze van toekenning van de lestijden, lesuren of uren voor de coördinatie van het ondersteuningsnetwerk. |
| 29 | Middelen voor coördinatie van een ondersteuningsnetwerk van het overleg kleine onderwijsverstrekkers kunnen worden georganiseerd vanuit het begeleidingskorps dat aan de kleine onderwijsverstrekkers werd toegekend in toepassing van artikel VI.1, § 4, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften | 30 | Middelen voor coördinatie van een ondersteuningsnetwerk van het overleg kleine onderwijsverstrekkers kunnen worden georganiseerd vanuit het begeleidingskorps dat aan de kleine onderwijsverstrekkers werd toegekend in toepassing van artikel VI.1, § 4, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften |
| 30 | § 4. Het globale verlies op het niveau van een onderwijsnet ten gevolge van de berekeningswijze, vermeld in paragraaf 3, in vergelijking met de situatie op niveau van een onderwijsnet van waarborg en begeleidingseenheden gon, met uitzondering van de doelgroepen, bedoeld in artikel 314/9, in het schooljaar 2016-2017, wordt gecompenseerd voor een transitieperiode van de schooljaren 2017-2018 tot en met 2021-2022bij wijze van een garantiefonds, door het aandeel van de scholen en centra van het stijgende onderwijsnet procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen en centra van het dalende onderwijsnet procentueel te vermeerderen naar rato van het vastgestelde verlies van het dalende onderwijsnet. | 31 | § 4. Het globale verlies op het niveau van een onderwijsnet ten gevolge van de berekeningswijze, vermeld in paragraaf 3, in vergelijking met de situatie op niveau van een onderwijsnet van waarborg en begeleidingseenheden gon, met uitzondering van de doelgroepen, bedoeld in artikel 314/9, in het schooljaar 2016-2017, wordt gecompenseerd voor een transitieperiode van de schooljaren 2017-2018 tot en met 2022-2023 bij wijze van een garantiefonds, door het aandeel van de scholen en centra van het stijgende onderwijsnet procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen en centra van het dalende onderwijsnet procentueel te vermeerderen naar rato van het vastgestelde verlies van het dalende onderwijsnet. |
| 31 | De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten. | 32 | De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten. |
| 32 | § 5. Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert de gemeenschappelijke vergadering, vermeld in § 9, als commissie. Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden. Bij de toewijzing wordt rekening gehouden met de volgende criteria : er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen. | 33 | § 5. Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert de gemeenschappelijke vergadering, vermeld in § 9, als commissie. Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden. Bij de toewijzing wordt rekening gehouden met de volgende criteria : er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen. |
| 42 | 3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking. | 43 | 3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking. |
| 43 | § 7. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs. | 44 | § 7. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs. |
| 44 | § 8. In afwijking van artikel 2, 7, 7bis, 7quater, 9, 11, 13 en 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003 betreffende de vastlegging van de prestaties van een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs en in afwijking van artikel 3, eerste lid, voor wat betreft het prestatiestelsel van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1994 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 geldt tijdens het schooljaar 2017-2018 tot en met schooljaar 2021-2022een aangepaste prestatieregeling voor het personeelslid dat aangesteld wordt in een betrekking in het buitengewoon secundair onderwijs. | 45 | § 8. In afwijking van artikel 2, 7, 7bis, 7quater, 9, 11, 13 en 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003 betreffende de vastlegging van de prestaties van een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs en in afwijking van artikel 3, eerste lid, voor wat betreft het prestatiestelsel van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1994 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 geldt tijdens het schooljaar 2017-2018 tot en met schooljaar 2022-2023 een aangepaste prestatieregeling voor het personeelslid dat aangesteld wordt in een betrekking in het buitengewoon secundair onderwijs. |
| 45 | De wekelijkse prestaties in een voltijdse betrekking bedragen 26 klokuren. Binnen die 26 klokuren presteert het personeelslid een opdracht van 22 lesuren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch personeel, en een opdracht van 22 uren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. | 46 | De wekelijkse prestaties in een voltijdse betrekking bedragen 26 klokuren. Binnen die 26 klokuren presteert het personeelslid een opdracht van 22 lesuren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch personeel, en een opdracht van 22 uren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. |
| 46 | De opdracht van 22 lesuren of 22 uren, vermeld in het tweede lid, bestaat in de ondersteuning van het onderwijzend personeel en van de jongere die de ondersteuning nodig heeft in het gewoon onderwijs. | 47 | De opdracht van 22 lesuren of 22 uren, vermeld in het tweede lid, bestaat in de ondersteuning van het onderwijzend personeel en van de jongere die de ondersteuning nodig heeft in het gewoon onderwijs. |
| 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 329 of van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB , personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. | 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 329, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB of ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. |
| 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 3 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. | 3 | Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. |
| 1 | De bepalingen van dit artikel treden progressief, te beginnen met de observatiefase, in werking vanaf 1 september 2020. | 1 | De bepalingen van dit artikel treden progressief, te beginnen met de observatiefase, in werking vanaf 1 september 2020. |
| 2 | In de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de facultatieve integratiefase worden opleidingen onderscheiden, die als finaliteit arbeidsmarkt hebben. Die opleidingen worden geordend in een matrix op basis van studiedomeinen . | 2 | In de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de facultatieve integratiefase worden opleidingen onderscheiden, die als finaliteit arbeidsmarkt hebben. Die opleidingen worden geordend in een matrix op basis van studiedomeinen zoals vastgelegd door de Vlaamse Regering. |
| 3 | De studiedomeinen zijn: | 3 | De studiedomeinen zijn: |
| 4 | 1° taal en cultuur; | 4 | 1° taal en cultuur; |
| 10 | 7° sport; | 10 | 7° sport; |
| 11 | 8° voeding en horeca. | 11 | 8° voeding en horeca. |
| 12 | De opleidingen van de kwalificatiefase en facultatieve integratiefase van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3, leiden tot een of meerdere bewijzen van beroepskwalificaties of deelkwalificaties; mits de ontwikkelingsdoelen van die opleidingen overeenkomen met de eindtermen voor de tweede graad van de finaliteit arbeidsmarkt, leiden ze tot een onderwijskwalificatie niveau 2. Het bewijs van beroepskwalificatie of van deelkwalificatie in kwestie kan in hoofde van de leerling in de kwalificatiefase of in de facultatieve integratiefase worden behaald. | ||
| 13 | De lijst van opleidingen kan worden gewijzigd door maatschappelijke, onderwijskundige, technologische of andere ontwikkelingen of vanwege arbeidsmarktbehoeften. Die wijziging kan opheffing, vervanging of toevoeging van opleidingen betekenen. Het initiatief daarvoor kan zowel uitgaan van de Vlaamse Regering als van derden. | 12 | De lijst van opleidingen kan worden gewijzigd door maatschappelijke, onderwijskundige, technologische of andere ontwikkelingen of vanwege arbeidsmarktbehoeften. Die wijziging kan opheffing, vervanging of toevoeging van opleidingen betekenen. Het initiatief daarvoor kan zowel uitgaan van de Vlaamse Regering als van derden. |
| 14 | De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die aan een eventuele wijziging voorafgaat. | 13 | De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die aan een eventuele wijziging voorafgaat. |
| 1 | § 1. Opleidingsvorm 3 omvat 4 fases: de observatiefase, de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de facultatieve integratiefase: | 1 | § 1. Opleidingsvorm 3 omvat vier fases: de observatiefase, de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de facultatieve integratiefase: |
| 2 | 1° de observatiefase duurt één volledig schooljaar. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding, kan hier door middel van een gemotiveerde beslissing voor individuele leerlingen van afwijken; | ||
| 3 | 2° de opleidingsfase omvat ten minste twee schooljaren. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleidingg, bepaalt voor iedere leerling de duur van deze fase; | ||
| 4 | 3° de kwalificatiefase omvat ten minste twee schooljaren. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding, bepaalt voor iedere leerling de duur van deze fase en kan voor individuele leerlingen het traject ook verkorten naar één schooljaar. Op het einde van deze kwalificatiefase is er voor de leerlingen die toegelaten worden door de klassenraad een kwalificatieproef voor de kwalificatiecommissie. Er kunnen bijkomende opleidingen binnen hetzelfde studiedomein worden georganiseerd voor dezelfde leerling, indien deze reeds een studiebekrachtiging van een opleiding behaald heeft en de klassenraad de leerling toelaat tot bijkomende opleidingen; | ||
| 2 | 1° de observatiefase omvat één schooljaar; | ||
| 3 | 2° de opleidingsfase omvat twee schooljaren; | ||
| 4 | 3° de kwalificatiefase omvat twee schooljaren; | ||
| 5 | 4° de facultatieve integratiefase omvat één volledig schooljaar, in de vorm van een alternerende beroepsopleiding, bestaande uit 1200 uur vorming op school en werkervaring in een bedrijf. De vorming op school bestaat uit minimum 400 uur algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. De werkervaring bestaat uit minimum 700 uur werkervaring in een regulier bedrijf, onder de vorm van leerlingenstage. Er kan geen tweede schooljaar alternerende beroepsopleiding worden georganiseerd voor één leerling. Deze facultatieve integratiefase van één schooljaar kan bij wijze van uitzondering door de klassenraad wel verlengd worden tot een tweede schooljaar. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze verlenging mogelijk is. | 5 | 4° de facultatieve integratiefase omvat één schooljaar in de vorm van een alternerende beroepsopleiding, bestaande uit 1200 uur vorming op school en werkervaring in een bedrijf. De vorming op school bestaat uit minimum 400 uur algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. De werkervaring bestaat uit minimum 700 uur werkervaring in een regulier bedrijf in de vorm van leerlingenstage. |
| 6 | § 2. In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage. | 6 | § 2. In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage. |
| 7 | § 3. Op het einde van de opleidingsfase kan de leerling een studieadvies krijgen van de klassenraad. Op het einde van de kwalificatiefase en op het einde van de integratiefase moet de leerling een studiebekrachtiging van de klassenraad ontvangen. Bij wijze van uitzondering kan de klassenraad in de integratiefase ook een leerling voor het einde van het schooljaar een studiebekrachtiging geven, indien deze leerling tewerkgesteld is en voorafgaand aan deze tewerkstelling 900 uur vorming heeft gevolgd, waarvan minimaal 300 uur schoolse vorming en minimaal 525 uur werkervaring, onder de vorm van leerlingenstage. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de bekrachtiging van de studie door de klassenraad en de modellen van de studiebewijzen. | ||
| 8 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels inzake de organisatie en inhoud van opleidingsvorm 3 en de mogelijke opleidingen die kunnen worden georganiseerd in opleidingsvorm 3 en hun opleidingsprofielen, de verdere bevoegdheden van de klassenraad en de samenstelling en de bevoegdheden van de kwalificatiecommissie. | ||
| 7 | § 3. .... | ||
| 8 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels inzake: | ||
| 9 | 1° de organisatie van opleidingsvorm 3; | ||
| 10 | 2° de inhoud van opleidingsvorm 3; | ||
| 11 | 3° de opleidingen die kunnen worden georganiseerd in opleidingsvorm 3; | ||
| 12 | 4° de opleidingsprofielen; | ||
| 13 | 5° de bevoegdheden van de klassenraad. | ||
| 9 | § 5. In afwijking van paragraaf 1, 4°, en paragraaf 2 en 3, wordt in duaal leren op het niveau van de integratiefase van opleidingsvorm 3 de werkervaring in een regulier bedrijf georganiseerd onder de vorm van een arbeidsdeelname in een regulier bedrijf als vermeld in artikel 357/2. | 14 | § 5. In afwijking van paragraaf 1, 4°, en paragraaf 2 en 3, wordt in duaal leren op het niveau van de integratiefase van opleidingsvorm 3 de werkervaring in een regulier bedrijf georganiseerd onder de vorm van een arbeidsdeelname in een regulier bedrijf als vermeld in artikel 357/2. |
| 1 | Voor een voltijds secundaire school met een daaraan verbonden centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs heeft elke programmatie van een duaal structuuronderdeel betrekking op zowel de school als het centrum, ongeacht waar het duale structuuronderdeel in kwestie of een of meer van de daaraan verbonden aanloopstructuuronderdelen wordt aangeboden. Als noch een duaal structuuronderdeel noch ten minste één van de eraan verbonden aanloopstructuuronderdelen op de eerste lesdag van oktober of, voor Se-n-Se, de eerste lesdag van maart van twee aansluitende schooljaren wordt ingericht, kan heropstart slechts na programmatie. | 1 | Voor een voltijds secundaire school met een daaraan verbonden centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs heeft elke programmatie van een duaal structuuronderdeel betrekking op zowel de school als het centrum, ongeacht waar het duale structuuronderdeel in kwestie of een of meer van de daaraan verbonden aanloopstructuuronderdelen wordt aangeboden. Op duale structuuronderdelen is artikel 176, vierde lid, van toepassing. Voor de toepassing van het vierde lid van artikel 176 wordt voor duale structuuronderdelen ook rekening gehouden met de aanloopstructuuronderdelen, vermeld in artikel 357/43, die daar eventueel aan gekoppeld zijn. |
| 2 | De desbetreffende programmatie van een duaal structuuronderdeel wordt door het bestuur van de aanbieder duaal leren bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar en uiterlijk op 30 september van het lopende schooljaar als het een Se-n-Se betreft die van start gaat op de eerste lesdag van februari van het daaropvolgende jaar. Die termijn geldt als vervaltermijn; aanvragen die later worden ingediend zijn onontvankelijk. De motivering van de aanvraag houdt in elk geval rekening met de criteria, vermeld in het vierde lid, 1° tot en met 8°. Bij de aanvraag zitten, in voorkomend geval, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité en, als de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. | 2 | De desbetreffende programmatie van een duaal structuuronderdeel wordt door het bestuur van de aanbieder duaal leren bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar en uiterlijk op 30 september van het lopende schooljaar als het een Se-n-Se betreft die van start gaat op de eerste lesdag van februari van het daaropvolgende jaar. Die termijn geldt als vervaltermijn; aanvragen die later worden ingediend zijn onontvankelijk. De motivering van de aanvraag houdt in elk geval rekening met de criteria, vermeld in het vierde lid, 1° tot en met 8°. Bij de aanvraag zitten, in voorkomend geval, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité en, als de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. |
| 3 | De Vlaamse Regering neemt een beslissing over de programmatie na advies van: | 3 | De Vlaamse Regering neemt een beslissing over de programmatie na advies van: |
| 17 | Een aanbieder van een duaal structuuronderdeel dat in het schooljaar 2018-2019 experimenteel wordt ingericht, is vrijgesteld van programmatie zolang dit structuuronderdeel geen twee aansluitende schooljaren niet wordt ingericht. | 17 | Een aanbieder van een duaal structuuronderdeel dat in het schooljaar 2018-2019 experimenteel wordt ingericht, is vrijgesteld van programmatie zolang dit structuuronderdeel geen twee aansluitende schooljaren niet wordt ingericht. |
| 18 | Op de programmaties, bedoeld in dit artikel, zijn vanaf het schooljaar 2021-2022 eveneens de bepalingen van artikel 176/1 van toepassing. | 18 | Op de programmaties, bedoeld in dit artikel, zijn vanaf het schooljaar 2021-2022 eveneens de bepalingen van artikel 176/1 van toepassing. |
| 19 | In afwijking van artikel 3, 35°, hoeft een aanbieder die op 1 september 2020 de toelating had om de opleiding beveiligingstechnicus duaal te organiseren, geen nieuwe programmatieaanvraag in te dienen met het oog op een opstart op 1 september 2021, ongeacht of die opleiding in het schooljaar 2020-2021 is georganiseerd. | 19 | In afwijking van artikel 3, 35°, hoeft een aanbieder die op 1 september 2020 de toelating had om de opleiding beveiligingstechnicus duaal te organiseren, geen nieuwe programmatieaanvraag in te dienen met het oog op een opstart op 1 september 2022, indien de opleiding in de schooljaren 2020-2021 en 2021-2022 niet is georganiseerd. |
| 1 | Artikel 357/9, § 1, artikel 357/10 tot en met 357/13, artikel 357/14, eerste en tweede lid, artikel 357/16 en artikel 357/18 houden op uitwerking te hebben ingevolge de modernisering van het secundair onderwijs op de volgende data: | ||
| 2 | 1° 14 juni 2022: in het eerste leerjaar van de tweede graad; | ||
| 3 | 2° 31 augustus 2022: in het tweede leerjaar van de tweede graad; | ||
| 4 | 3° 31 augustus 2023: in het eerste leerjaar van de derde graad; | ||
| 5 | 4° 31 augustus 2024: in het tweede leerjaar van de derde graad; | ||
| 6 | 5° 31 augustus 2025: in het derde leerjaar van de derde graad. |
| 1 | Om als regelmatig leerling tot een aanloopstructuuronderdeel te kunnen worden toegelaten, moeten al de volgende voorwaarden vervuld zijn: | 1 | Om als regelmatig leerling tot een aanloopstructuuronderdeel van de derde graad te kunnen worden toegelaten, moeten al de volgende voorwaarden vervuld zijn: |
| 2 | 1° voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht; | 2 | 1° voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht; |
| 3 | 2° beantwoorden aan de specifieke toelatingsvoorwaarden tot het duale structuuronderdeel in kwestie zoals bepaald in het standaardtraject; in afwijking hiervan geldt voor leerlingen die hetzij overstappen van een school met een buitenlands onderwijssysteem of van een school die is erkend door de Franse of Duitstalige Gemeenschap van België en al dan niet onthaalonderwijs hebben gevolgd, hetzij overstappen van een school voor buitengewoon secundair onderwijs, behoudens opleidingsvorm 4, een gunstige beslissing met betrekking tot vereiste vooropleiding of studiebewijzen van de klassenraad die beslist over de toelating als toelatingsvoorwaarde, zonder afbreuk te doen aan de specifieke toelatingsvoorwaarden van het duale structuuronderdeel; | 3 | 2° beantwoorden aan de specifieke toelatingsvoorwaarden tot het duale structuuronderdeel in kwestie zoals bepaald in het standaardtraject; in afwijking hiervan geldt voor leerlingen die hetzij overstappen van een school met een buitenlands onderwijssysteem of van een school die is erkend door de Franse of Duitstalige Gemeenschap van België en al dan niet onthaalonderwijs hebben gevolgd, hetzij overstappen van een school voor buitengewoon secundair onderwijs, behoudens opleidingsvorm 4, een gunstige beslissing met betrekking tot vereiste vooropleiding of studiebewijzen van de klassenraad die beslist over de toelating als toelatingsvoorwaarde, zonder afbreuk te doen aan de specifieke toelatingsvoorwaarden van het duale structuuronderdeel; |
| 4 | 3° niet beschikken over een arbeidsdeelname. | 4 | 3° niet beschikken over een arbeidsdeelname. |
| 5 | In afwijking van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, kan een leerling bijzondere toelating krijgen om vanaf het begin van het schooljaar waarin hij deeltijds leerplichtig wordt, het aanloopstructuuronderdeel te volgen. Het bestuur van de aanbieder van de aanloopfase geeft die toelating op advies van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de instelling voor voltijds onderwijs waar de jongere de lessen volgt, samenwerkt. | 5 | In afwijking van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, kan een leerling bijzondere toelating krijgen om vanaf het begin van het schooljaar waarin hij deeltijds leerplichtig wordt, het aanloopstructuuronderdeel te volgen. Het bestuur van de aanbieder van de aanloopfase geeft die toelating op advies van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de instelling voor voltijds onderwijs waar de jongere de lessen volgt, samenwerkt. |
| 6 | De bepalingen van dit artikel houden op uitwerking te hebben op 1 september 2023 in het eerste leerjaar van de derde graad en op 1 september 2024 in het tweede leerjaar van de derde graad. |
| 1 | Artikel 357/9 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. | 1 | § 1. Artikel 357/9 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. |
| 2 | Artikel 357/10 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. | 2 | Artikel 357/10 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. |
| 3 | Artikel 357/11 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat ook de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 293, § 2, en artikel 294, van toepassing zijn. | 3 | Artikel 357/11 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat ook de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 293, § 2, en artikel 294, van toepassing zijn. |
| 7 | Artikel 357/18 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat voor opleidingsvorm 3 moet worden aangevuld dat het behalen van de eindstudiebekrachtiging op het einde van de kwalificatiefase of de integratiefase niet tot gevolg mag hebben dat een leerling vóór het jaar waarin hij de leeftijd van achttien jaar bereikt, zijn opleiding of deelname aan het leerplichtonderwijs beëindigt. | 7 | Artikel 357/18 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat voor opleidingsvorm 3 moet worden aangevuld dat het behalen van de eindstudiebekrachtiging op het einde van de kwalificatiefase of de integratiefase niet tot gevolg mag hebben dat een leerling vóór het jaar waarin hij de leeftijd van achttien jaar bereikt, zijn opleiding of deelname aan het leerplichtonderwijs beëindigt. |
| 8 | Artikel 357/19 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, als de aanpassingen de werkplekcomponent betreffen. | 8 | Artikel 357/19 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, als de aanpassingen de werkplekcomponent betreffen. |
| 9 | § 2. De bepalingen in paragraaf 1 houden op uitwerking te hebben ingevolge de modernisering van het secundair onderwijs op de volgende data: | ||
| 10 | 1° 14 juni 2022: in het eerste leerjaar van de tweede graad; | ||
| 11 | 2° 31 augustus 2022: in het tweede leerjaar van de tweede graad; | ||
| 12 | 3° 31 augustus 2023: | ||
| 13 | a) in het eerste leerjaar van de derde graad; | ||
| 14 | b) in het eerste leerjaar van de kwalificatiefase; | ||
| 15 | 4° 31 augustus 2024: | ||
| 16 | a) in het tweede leerjaar van de derde graad; | ||
| 17 | b) in het tweede leerjaar van de kwalificatiefase; | ||
| 18 | 5° 31 augustus 2025: | ||
| 19 | a) in het derde leerjaar van de derde graad; | ||
| 20 | b) in de integratiefase. | ||
| 21 | § 3. Artikel 357/9 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. | ||
| 22 | Artikel 357/14 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. | ||
| 23 | Artikel 357/15 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dien verstande dat de woorden "algemene vorming" voor opleidingsvorm 3 als de woorden "de algemene en sociale vorming" worden gelezen. | ||
| 24 | Artikel 357/17 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. | ||
| 25 | Artikel 357/19 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, als de aanpassingen de werkplekcomponent betreffen. | ||
| 26 | De bepalingen van deze paragraaf treden progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de tweede graad, in werking met ingang vanaf 15 juni 2022. | ||
| 1 | § 1. Het bestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 26, personeel voor specifieke opdrachten aanwerven. | 1 | § 1. Het bestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 26, personeel voor specifieke opdrachten aanwerven. |
| 2 | Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. | 2 | Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. |
| 3 | § 2. Het bestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 26, van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB, of van subsidies toegekend door het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, ook personeelsleden aanwerven op basis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, respectievelijk het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. In het gemeenschapsonderwijs kan een bestuur het voormelde principe aanwenden voor de personeelscategorieën die van toepassing zijn in de centra voor leerlingenbegeleiding, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een bestuur het voormelde principe aanwenden voor de personeelscategorieën die van toepassing zijn in de centra voor leerlingenbegeleiding vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. | 3 | § 2. Het bestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 26, van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent of ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het voormelde besluit, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ook personeelsleden aanwerven op basis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, respectievelijk het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. In het gemeenschapsonderwijs kan een bestuur het voormelde principe aanwenden voor de personeelscategorieën die van toepassing zijn in de centra voor leerlingenbegeleiding, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een bestuur het voormelde principe aanwenden voor de personeelscategorieën die van toepassing zijn in de centra voor leerlingenbegeleiding vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. |
| 4 | De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt opgericht kan niet vacant worden verklaard en het bestuur kan in geen geval een personeelslid vastbenoemen, affecteren of muteren in die betrekking. | 4 | De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt opgericht kan niet vacant worden verklaard en het bestuur kan in geen geval een personeelslid vastbenoemen, affecteren of muteren in die betrekking. |
| 5 | Het personeelslid dat door een bestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 is op hem van toepassing. | 5 | Het personeelslid dat door een bestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 is op hem van toepassing. |
| 1 | Voor de instellingen wordt een budget van 900.000euro aan bijkomende werkingsmiddelen voorzien. | 1 | Voor de instellingen wordt een budget van 1.000.000 euro aan bijkomende werkingsmiddelen voorzien. |
| 2 | Deze bijkomende werkingsmiddelen worden verdeeld over de instellingen a rato van het aantal internen ingeschreven op 1 februari 2021 die beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de typemodule specifieke actie of een vonnis van de jeugdrechtbank. | 2 | Deze bijkomende werkingsmiddelen worden verdeeld over de instellingen a rato van het aantal internen ingeschreven op 1 februari 2022 die beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de typemodule specifieke actie of een vonnis van de jeugdrechtbank. |
| 1 | §1. Een raad van bestuur van een scholengroep in het gemeenschapsonderwijs kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel III.17 en III.18, toegekend voor een autonoom internaat of een internaat verbonden aan een school voor gewoon basis- of secundair onderwijs, of met de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, personeel aanwerven in de internaten. | 1 | §1. Een raad van bestuur van een scholengroep in het gemeenschapsonderwijs kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel III.17 en III.18, toegekend voor een autonoom internaat of een internaat verbonden aan een school voor gewoon basis- of secundair onderwijs, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door VDAB, of ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken personeel aanwerven in de internaten. |
| 2 | Een raad van bestuur kan voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in deze internaten vermeld in artikel 2, §1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uit zondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. | 2 | Een raad van bestuur kan voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in deze internaten vermeld in artikel 2, §1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uit zondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. |
| 3 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 3 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 4 | Het personeelslid dat door de raad van bestuur wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. | 4 | Het personeelslid dat door de raad van bestuur wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. |
| 5 | Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Dezelfde dienst vordert het brutosalaris, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van de raad van bestuur terug. | 5 | Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Dezelfde dienst vordert het brutosalaris, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van de raad van bestuur terug. |
| 6 | §2. Een bestuur in het gesubsidieerd onderwijs kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel III.17 en III.18, toegekend voor een autonoom internaat of een internaat verbonden aan een school voor gewoon basis- of secundair onderwijs, of met de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, personeel aanwerven in die internaten. | 6 | §2. Een bestuur in het gesubsidieerd onderwijs kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel III.17 en III.18, toegekend voor een autonoom internaat of een internaat verbonden aan een school voor gewoon basis- of secundair onderwijs, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door VDAB, of ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken personeel aanwerven in die internaten. |
| 7 | Een bestuur kan voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in deze internaten vermeld in artikel 4, §1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. | 7 | Een bestuur kan voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in deze internaten vermeld in artikel 4, §1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. |
| 8 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het bestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 8 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het bestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 1 | § 1. In de volgende geografische regio's is voor de toepassing binnen het buitengewoon onderwijs een collectieve afwijking op artikel IV.35 toegestaan: | ||
| 2 | 1° Leuven - Heverlee; | ||
| 3 | 2° Hooglede - Izegem - Ingelmunster - Roeselare - Moorslede - Torhout; | ||
| 4 | 3° Antwerpen - Brasschaat - Schilde - Schoten. | ||
| 5 | § 2. Als de scholen voor buitengewoon onderwijs in de regio's, vermeld in paragraaf 1, er collectief voor kiezen om af te wijken van artikel IV.35, gebeurt de toekenning van het recht op leerlingenvervoer volgens het criterium en het bijbehorende regelgevend kader als ontwikkeld in die regio in de looptijd van het pilootproject Leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs van september 2017 tot en met juni 2022. | ||
| 6 | De gehanteerde werkwijze voor het toekennen van het recht op vervoer wordt door de regio's, vermeld in paragraaf 1, omschreven in een werkplan. Dat document maakt integraal deel uit van de werking van het leerlingenvervoer in de regio's en bevat minstens al de volgende bepalingen: | ||
| 7 | 1° bepalingen over de wijze waarop het recht op vervoer wordt toegekend; | ||
| 8 | 2° bepalingen over wie het recht op vervoer toekent; | ||
| 9 | 3° bepalingen over de wijze waarop men een aanvraag tot leerlingenvervoer indient vanwege de schooladministratie; | ||
| 10 | 4° bepalingen over de beroepsprocedure in geval van niet-akkoord; | ||
| 11 | 5° bepalingen over de centrale op- en afstapplaatsen en wie ze kan gebruiken; | ||
| 12 | 6° bepalingen over mobiliteitscoaching en wie dat kan volgen; | ||
| 13 | 7° bepalingen over vervoer op eigen kracht en wie dat kan gebruiken; | ||
| 14 | 8° bepalingen over kinderopvang en wie dat kan gebruiken; | ||
| 15 | 9° bepalingen over collectieve, individuele en alternatieve vervoersmodi zoals reeds uitgetest; | ||
| 16 | 10° bepalingen over de wijze waarop omgegaan wordt met rechtsgelijkheid voor leerlingen die al dan niet al naar school zijn gegaan in de geografische regio. | ||
| 17 | § 3. Per regio, vermeld in paragraaf 1, wordt een werkplan voor toepassing op de inschrijvingen vanaf het schooljaar 2022-2023 ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering in het schooljaar 2021-2022. | ||
| 18 | Voor het schooljaar 2023-2024 wordt een nieuw werkplan opgesteld waarin de evaluatieresultaten van de pilootfase, die ten einde loopt in juni 2022, verwerkt worden. Het eindrapport van de evaluatiefase wordt aan de regio's bezorgd. | ||
| 19 | Het werkplan, vermeld in het eerste en tweede lid, is minstens één schooljaar geldig. Als de Vlaamse Regering of een van de regio's, vermeld in paragraaf 1, elementen in het werkplan wil wijzigen voor het daaropvolgende schooljaar, kan dat alleen in onderling overleg. Het werkplan wordt bij wijziging opnieuw voorgelegd aan de Vlaamse Regering. | ||
| 20 | § 4. De werking van het leerlingenvervoer in de regio's, vermeld in paragraaf 1, wordt gemonitord door de Vlaamse Regering. | ||
| 21 | § 5. De overgangsregeling zoals omschreven in dit artikel zal vier schooljaren gelden vanaf het schooljaar 2022-2023. | ||
| 22 | De overgangsregeling kan eerder beëindigd worden door de Vlaamse Regering indien er een nieuw regelgevend kader voor het leerlingenvervoer in werking treedt. |
| 3 | Uitsluitend wat het deeltijds beroepssecundair onderwijs betreft gaan bij de melding of aanvraag van een programmatie het protocol van de onderhandeling daarover in het bevoegde lokaal comité en, als het centrum tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. | 3 | Uitsluitend wat het deeltijds beroepssecundair onderwijs betreft gaan bij de melding of aanvraag van een programmatie het protocol van de onderhandeling daarover in het bevoegde lokaal comité en, als het centrum tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. |
| 4 | Uitsluitend wat de leertijd betreft komt de voorwaarde met betrekking tot programmatie, vermeld in het tweede lid, als subsidievoorwaarde bovenop de subsidievoorwaarden, bepaald in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding". | 4 | Uitsluitend wat de leertijd betreft komt de voorwaarde met betrekking tot programmatie, vermeld in het tweede lid, als subsidievoorwaarde bovenop de subsidievoorwaarden, bepaald in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding". |
| 5 | Als een programmatie van een opleiding een goedkeuring door de Vlaamse Regering vereist, kan het centrumbestuur dat de goedgekeurde programmatie voor een bepaalde opleiding het eerste schooljaar na de aanvraag niet organiseert, zonder bijkomende aanvraag of goedkeuring het bijkomende aanbod van die bepaalde opleiding pas organiseren vanaf 1 september van het daaropvolgende schooljaar. | ||
| 1 | Indien aan de jongeren in het deeltijds beroepssecundair onderwijs met een verslag, vermeld in het eerste lid van artikel 58, in afwijking van artikel 70 en 71, een regulier studiebewijs van het deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt uitgereikt, zal voorafgaand aan de uitreiking van deze studiebewijzen de overeenkomst van de doelen opgenomen in het individuele curriculum met de doelen, in voorkomend geval de eindtermen, van de algemene vorming en de doelen van de beroepsgerichte vorming zoals reglementair vastgelegd van het overeenkomstige structuuronderdeel, voorgelegd worden aan de onderwijsinspectie. | ||
| 1 | In uitzonderlijke gevallen kan de klassenraad aan een jongere die een individueel aangepast curriculum volgt, de gewone studiebekrachtiging, in plaats van een attest van verworven competenties, toekennen, op voorwaarde dat er gelijkwaardigheid is van de doelen van het individueel aangepast curriculum met de doelen, vastgelegd door of krachtens decreetof regelgeving, die toepasbaar zijn in het structuuronderdeel dat de leerling volgt. | ||
| 2 | De onderwijsinspectie houdt kwaliteitstoezicht op deze bevoegdheid van de klassenraad tijdens de schooldoorlichting. |