§ flandrepo

Programmadecreet bij de begroting 2021

Vlaamse Regering #513 Staatsblad 30 december 2020 NUMAC 2020016467
44 artikels gewijzigd
+6 −0 codex-wonen/art. 4.44
1§ 1. De Vlaamse Regering kan sociale huisvestingsmaatschappijen erkennen om op te treden als kredietbemiddelaar van het Vlaams Woningfonds bij het verstrekken van de bijzondere sociale leningen, vermeld in artikel 5.65.
2Om erkend te kunnen worden en te blijven moet de sociale huisvestingsmaatschappij financieel gezond zijn en beschikken over personeel dat voldoet aan de vereisten van beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid. De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden opleggen om erkend te worden.
3De Vlaamse Regering kan de erkenning van de sociale huisvestingsmaatschappij, vermeld in het eerste lid, opheffen.
4De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor de erkenning en de opheffing van de erkenning.
5De sociale huisvestingsmaatschappijen die overeenkomstig het eerste lid als kredietbemiddelaar erkend zijn, worden toegelaten om op te treden als krediet- bemiddelaar inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.177, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het Wetboek van Economisch Recht en zijn vrijgesteld van de registratieplicht waarin artikel VII.180 van het Wetboek van Economisch Recht voorziet.
6§ 2. Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest ingeschreven worden, kan de Vlaamse Regering, onder de voor- waarden die ze bepaalt, subsidies verlenen voor de werking van de sociale huisvestingsmaatschappijen die erkend zijn als kredietbemiddelaar. De subsidiëring ten laste van de uitgavenbegroting van het Vlaamse Gewest mag nooit meer bedragen dan 100% van de totale kosten.
+12 −2 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.2.4.0.1
401783,20 verhoogd met 97,20 per pk boven 20401783,20 verhoogd met 97,20 per pk boven 20
41§ 2/1. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die na 31 december 2015 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, op basis van de tabel, vermeld in paragraaf 2, met in achtneming van volgende elementen:41§ 2/1. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die na 31 december 2015 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, op basis van de tabel, vermeld in paragraaf 2, met in achtneming van volgende elementen:
421° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief421° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving, wordt het tarief
43a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;43a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;
44b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram;44b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram;
76In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.76In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.
77Deze paragraaf is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.77Deze paragraaf is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
78§ 2/2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibus- sen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, vermeld in paragraaf 2/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 2/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief:
79a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram;
80b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram.
81Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
82Deze paragraaf is ook van toepassing op de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
78§ 3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3 500 kilogram niet overschrijdt, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, andere dan die, vermeld in paragraaf 6, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegestane totaalgewicht.83§ 3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3 500 kilogram niet overschrijdt, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, andere dan die, vermeld in paragraaf 6, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegestane totaalgewicht.
79§ 3/1. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa, met inachtneming van volgende elementen:84§ 3/1. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa, met inachtneming van volgende elementen:
801° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief851° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving, wordt het tarief
81a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;86a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;
82b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram;87b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram;
138In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.143In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.
139Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.144Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
145§ 3/3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, wordt de belasting berekend als vermeld in paragraaf 3/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 3/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief:
146a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram;
147b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram.
148Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
149Deze paragraaf is ook van toepassing op de motorvoertuigen, vermeld in het eerste lid, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden in- geschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
140§ 4. Voor de motorfietsen bedraagt de belasting 49,44 euro.150§ 4. Voor de motorfietsen bedraagt de belasting 49,44 euro.
141§ 5 Voor de autobussen en de autocars bedraagt de belasting 4,44 euro per fiscale paardenkracht als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht niet te boven gaat, met een minimum van 69,94 euro.151§ 5 Voor de autobussen en de autocars bedraagt de belasting 4,44 euro per fiscale paardenkracht als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht niet te boven gaat, met een minimum van 69,94 euro.
+6 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.2.6.0.7
1Er wordt tot en met 31 december 2020 geen belasting geheven op:1Er wordt op volgende voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid geen belasting geheven op:
21° voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;21° voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;
32° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.32° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.
4De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
51° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
62° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
7a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
8b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
4Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.9Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
5Het eerste lid, 1°, is alleen van toepassing op de volgende voertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten:10Het eerste lid, 1°, is alleen van toepassing op de volgende voertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten:
+60 −29 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.3.4.1.2
2BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC2BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC
3De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt :3De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt :
41° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving;41° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving;
52° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg;52° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg;
6f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas;6f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas;
93° x = CO2-correctie in functie van de technologische evolutie; x is gelijk aan 0 g CO2/km en wordt jaarlijks verhoogd met 4,5 g CO2/km vanaf het jaar 2013;93° x = CO2-correctie in functie van de technologische evolutie; x is gelijk aan 0 g CO2/km en wordt jaarlijks verhoogd met 4,5 g CO2/km vanaf het jaar 2013;
104° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :104° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :
11Brandstofsoort
12Euronorm
11Brandstofsoort Euronorm Bedrag in euro13Bedrag in euro
14Diesel
15euro 0
12Diesel euro 0 2.863,15162.863,15
13euro 1 840,0017euro 1
18840,00
14euro 2 622,5719euro 2
20622,57
15euro 3 493,3621euro 3
22493,36
16euro 3 + roetfilter 467,0623euro 3 + roetfilter
17euro 4 467,0624467,06
25euro 4
26467,06
18euro 4 + roetfilter 459,3527euro 4 + roetfilter
28459,35
19euro 5 of EEV 459,3529euro 5 of EEV
30459,35
20euro 6 454,0731euro 6
32454,07
21Benzine, en andere brandstoffen euro 0 1138,7833Benzine, en andere brandstoffen
34euro 0
351138,78
22euro 1 509,2836euro 1
37509,28
23euro 2 152,2938euro 2
39152,29
24euro 3 95,5340euro 3
4195,53
25euro 4 22,9342euro 4
4322,93
26euro 5 of EEV 20,6144euro 5 of EEV
27euro 6 20,614520,61
46euro 6
4720,61
285° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :485° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :
29ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs waarde LC in %49ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs
50waarde LC in %
30minder dan 12 volle maanden 10051minder dan 12 volle maanden
52100
31van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden 9053van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden
5490
32van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden 8055van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden
5680
33van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden 7057van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden
5870
34van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden 6059van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden
6060
35van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden 5061van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden
6250
36van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden 4063van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden
6440
37van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden 3065van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden
6630
38van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden 2067van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden
6820
39meer dan 107 volle maanden 1069meer dan 107 volle maanden
7010
+70 −0 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.3.4.1.2/1 nieuw
1De belasting wordt voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, die voor de eerste keer worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid na 31 december 2020, berekend volgens de volgende formule:
2BIV= ((CO2 * f * q) /246)6 * 4500 + c) * LC
3De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt:
41° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving;
52° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg;
6f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas;
7f = 0,744 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door zowel aardgas als benzine, als ze als benzinewagen gehomologeerd zijn;
8f = 1 voor andere wegvoertuigen;
93° q = een factor in functie van de Europese emissienormen voor 2025 en 2030; q is gelijk aan 1,07 in 2021 en wordt jaarlijks verhoogd met 0,035 vanaf het jaar 2022;
104° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brand- stofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel:
11Brandstofsoort
12Euronorm
13Bedrag in euro
14Diesel
15euro 0
162.863,15
17euro 1
18840,00
19euro 2
20622,57
21euro 3
22493,36
23euro 3 + roetfilter
24467,06
25euro 4
26467,06
27euro 4 + roetfilter
28459,35
29euro 5 of EEV
30459,35
31euro 6
32454,07
33Benzine, en andere brandstoffen
34euro 0
351138,78
36euro 1
37509,28
38euro 2
39152,29
40euro 3
4195,53
42euro 4
4322,93
44euro 5 of EEV
4520,61
46euro 6
4720,61
485° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, ver- meld in de volgende tabel:
49ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs
50waarde LC in %
51minder dan 12 volle maanden
52100
53van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden
5490
55van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden
5680
57van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden
5870
59van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden
6060
61van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden
6250
63van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden
6440
65van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden
6630
67van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden
6820
69meer dan 107 volle maanden
7010
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.3.4.1.3
1De belasting bedraagt nooit minder dan 41,99 euro en nooit meer dan 10.497,70 euro. In afwijking van artikel 2.3.4.1.2 bedraagt de belasting 41,99 euro voor de wegvoertuigen die een eerste keer in het verkeer zijn gesteld 30 jaar geleden of eerder en voor de wegvoertuigen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden:1De belasting bedraagt nooit minder dan 41,99 euro en nooit meer dan 10.497,70 euro. In afwijking van artikel 2.3.4.1.2 en artikel 2.3.4.1.2/1 bedraagt de belasting 41,99 euro voor de wegvoertuigen die een eerste keer in het verkeer zijn gesteld 30 jaar geleden of eerder en voor de wegvoertuigen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
21° in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;21° in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
32° in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;32° in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.3.4.1.4
1De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4°, en de bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.3, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2en artikel 2.3.4.1.3, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2015.1De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4°, en artikel 2.3.4.1.2/1, tweede lid, 4°, en de bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.3, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, 2.3.4.1.2/1 en artikel 2.3.4.1.3, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2015.
+6 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.3.5.0.1
1Voor voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas, wordt de belasting verminderd met vierduizend euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting als berekend overeenkomstig artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.4, maar zonder toepassing van de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.3.4.1.3.1Voor voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas, wordt de belasting verminderd met vierduizend euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting als berekend overeenkomstig artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.4, maar zonder toepassing van de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.3.4.1.3.
2Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.2Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.
3De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend tot en met 31 december 2020 .3De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend voor voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
4De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voer- tuigen die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
51° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
62° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
7a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
8b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
+6 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 2.3.6.0.3
1Er wordt tot en met 31 december 2020 geen belasting geheven op:1Er wordt voor volgende voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid geen belasting geheven op:
21° voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;21° voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;
32° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.32° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.
4Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.4Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
5Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.5Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.
6De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
71° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
82° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
9a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuur- lijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprich- ting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-gene- raal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
10b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 3.9.1.0.1
1§ 1. Bij wanbetaling binnen de termijnen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, brengen de verschuldigde sommen ten bate van het Vlaamse Gewest, voor de duur van het verwijl, een interest van 7 % op jaarbasis op, berekend per kalendermaand.1§ 1. Bij wanbetaling binnen de termijnen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, brengen de verschuldigde sommen ten bate van het Vlaamse Gewest, voor de duur van het verwijl, een interest van 4 % op jaarbasis op, berekend per kalendermaand.
2Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vorige betaling als een som is aangerekend op de hoofdsom van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsvindt.2Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vorige betaling als een som is aangerekend op de hoofdsom van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsvindt.
3De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd als hij geen vijf euro per maand bedraagt.3De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd als hij geen vijf euro per maand bedraagt.
+1 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 3.9.2.0.1
1Bij terugbetaling van belastingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve geldboeten wordt moratoriuminterest toegekend tegen een rentevoet van 7 % op jaarbasis, berekend per kalendermaand.1Bij terugbetaling van belastingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve geldboeten wordt moratoriuminterest toegekend tegen een rentevoet van 4 % op jaarbasis, berekend per kalendermaand.
2Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro. De maand waarin de betaling is uitgevoerd, wordt niet meegerekend, maar de maand waarin aan de belastingschuldige het bericht wordt gestuurd dat de terug te betalen som ter beschikking is, wordt voor een hele maand geteld.2Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro. De maand waarin de betaling is uitgevoerd, wordt niet meegerekend, maar de maand waarin aan de belastingschuldige het bericht wordt gestuurd dat de terug te betalen som ter beschikking is, wordt voor een hele maand geteld.
3Er wordt geen moratoriuminterest toegekend :3Er wordt geen moratoriuminterest toegekend :
+26 −1 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 3.18.0.0.7
1De erfgenaam, legataris of begiftigde die niet alle goederen heeft aangegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.3.1.0.8, betaalt een belastingverhoging die gelijk is aan 20 % van de daardoor verschuldigde aanvullende rechten.1De erfgenaam, legataris of begiftigde die niet alle goederen heeft aangegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.3.1.0.8, betaalt een belastingverhoging die gelijk is aan 20 % van de daardoor verschuldigde aanvullende rechten.
2De belastingverhoging, vermeld in het eerste lid, wordt verminderd tot 10 % van de erdoor verschuldigde aanvullende rechten als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, en binnen tien maanden na hetzij het overlijden, hetzij de start van de aangiftetermijn zoals berekend overeenkomstig artikel 3.3.1.0.6, derde of vierde lid, een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 niet was opgenomen in de aangifte, alsnog aangeeft.2De belastingverhoging, vermeld in het eerste lid, wordt vervangen door een belastingverhoging conform de onderstaande tabel als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 niet was opgenomen in de aangifte, alsnog aangeeft:
3ogenblik van indiening na het verstrijken van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, VCF of artikel 3.3.1.0.6 VCF
4belastingverhoging in % van de te betalen erfbelasting
5vanaf de eerste dag van
6tot en met de laatste dag van
7maand 1
8maand 1
91
10maand 2
11maand 2
122
13maand 3
14maand 3
153
16maand 4
17maand 4
184
19maand 5
20maand 5
215
22maand 6
23maand 6
246
25maand 7
26maand 10
2710
+16 −7 vlaamse-codex-fiscaliteit-van-13-december-2013/art. 3.18.0.0.8
1Als wordt vastgesteld dat de aangegeven waarde van de aangegeven goederen te laag is, is een belastingverhoging verschuldigd, conform de onderstaande tabel :1Als wordt vastgesteld dat de aangegeven waarde van de aangegeven goederen te laag is, is een belastingverhoging verschuldigd, conform de onderstaande tabel :
2verhouding van het tekort in %2verhouding van het tekort in %
3ten opzichte van de aangegeven waarde van het goed belastingverhoging in % van de aanvullende rechten3ten opzichte van de aangegeven waarde van het goed
4belastingverhoging in % van de aanvullende rechten
4Vanaf tot5Vanaf
6tot
510 25 5710
625 50 10825
95
1025
750 100 151150
1210
1350
8100 2014100
1515
16100
1720
9In afwijking van het eerste lid, wordt de belastingverhoging in voorkomend geval verminderd tot 10 % van de erdoor verschuldigde aanvullende rechtenals een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, en binnen tien maanden na hetzij het overlijden, hetzij de start van de aangiftetermijn zoals berekend overeenkomstig artikel 3.3.1.0.6, derde of vierde lid, voor een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 voor een te lage waarde was opgenomen in de aangifte, alsnog een hogere waarde aangeeft.18In afwijking van het eerste lid, wordt de belastingverhoging verminderd tot de helft van het percentage van de verschuldigde aanvullende rechten, vermeld in het eerste lid, als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, en binnen tien maanden na hetzij het overlijden, hetzij de start van de aangiftetermijn zoals berekend overeenkomstig artikel 3.3.1.0.6, derde of vierde lid, voor een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 voor een te lage waarde was opgenomen in de aangifte, alsnog een hogere waarde aangeeft.
+2 −1 decreet-2018-11-23/art. 3
13§ 5. De volgende openbare werkgevers kunnen de uitvoering van hun publieke pensioenstelsels ook toevertrouwen aan het Vlaams Pensioenfonds:13§ 5. De volgende openbare werkgevers kunnen de uitvoering van hun publieke pensioenstelsels ook toevertrouwen aan het Vlaams Pensioenfonds:
141° de rechtspersonen die ressorteren onder de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest en die niet behoren tot de openbare werkgevers, vermeld in paragraaf 4, tweede lid;141° de rechtspersonen die ressorteren onder de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest en die niet behoren tot de openbare werkgevers, vermeld in paragraaf 4, tweede lid;
152° de lokale besturen.152° de lokale besturen;
163° de Vlaamse Gemeenschapscommissie.
16De openbare werkgevers, vermeld in het eerste lid van deze paragraaf, kunnen de uitvoering van hun publieke pensioenstelsel toevertrouwen aan het Vlaams Pensioenfonds op voorwaarde dat hun publieke pensioenstelsel:17De openbare werkgevers, vermeld in het eerste lid van deze paragraaf, kunnen de uitvoering van hun publieke pensioenstelsel toevertrouwen aan het Vlaams Pensioenfonds op voorwaarde dat hun publieke pensioenstelsel:
171° voldoet aan de kenmerken, vermeld in artikel 12, eerste lid;181° voldoet aan de kenmerken, vermeld in artikel 12, eerste lid;
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.72
2De academisch gerichte opleidingen "bachelor in de conservatie-restauratie" en "master in de conservatie-restauratie", gerangschikt in het studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst en aangeboden door de Artesis Hogeschool Antwerpen worden vanaf het academiejaar 2013-2014 gerangschikt in het studiegebied Conservatie-restauratie in het academisch onderwijs.2De academisch gerichte opleidingen "bachelor in de conservatie-restauratie" en "master in de conservatie-restauratie", gerangschikt in het studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst en aangeboden door de Artesis Hogeschool Antwerpen worden vanaf het academiejaar 2013-2014 gerangschikt in het studiegebied Conservatie-restauratie in het academisch onderwijs.
3De academisch gerichte opleidingen "bachelor in het milieu- en preventiemanagement" en "master in het milieu-en preventiemanagement", gerangschikt in het studiegebied Gezondheidszorg en aangeboden door de HUB-EHSAL, worden vanaf het academiejaar 2013-2014 gerangschikt in het studiegebied Sociale gezondheidswetenschappen in het academisch onderwijs.3De academisch gerichte opleidingen "bachelor in het milieu- en preventiemanagement" en "master in het milieu-en preventiemanagement", gerangschikt in het studiegebied Gezondheidszorg en aangeboden door de HUB-EHSAL, worden vanaf het academiejaar 2013-2014 gerangschikt in het studiegebied Sociale gezondheidswetenschappen in het academisch onderwijs.
4De volgende professioneel gerichte bacheloropleidingen, gerangschikt in het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde, worden vanaf het academie- jaar 2021-2022 gerangschikt in het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie van het hoger professioneel onderwijs:
51° bachelor in de toegepaste informatica; 2° bachelor of Applied Computer Science;
63° bachelor of Applied Information Technology.
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.84
275° Onderwijs, waarvoor :275° Onderwijs, waarvoor :
28a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;28a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;
29b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend29b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.
30§ 3. Odisee kan in de vestiging Brussel-Hoofdstad in het hoger professioneel onderwijs in het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie de opleiding "bachelor in de toegepaste informatica" aanbieden en de daarop betrekking hebbende graad van bachelor verlenen.
+19 −10 codex-hoger-onderwijs/art. III.5
83Voor de begrotingsjaren 2012 en 2013 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid van dit artikel, artikel III.9, §8, laatste lid, III.21, §4, eerste lid en III.21, §4, eerste lid in artikel III.123, III.24, §3, III.34, §5, tweede lid, III.37, §1, tweede lid, III.40, §2, III.43, §1, derde lid, III.45, §1, tweede lid, III.59, §3, III.77, tweede lid en III.114, §3 toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid.83Voor de begrotingsjaren 2012 en 2013 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid van dit artikel, artikel III.9, §8, laatste lid, III.21, §4, eerste lid en III.21, §4, eerste lid in artikel III.123, III.24, §3, III.34, §5, tweede lid, III.37, §1, tweede lid, III.40, §2, III.43, §1, derde lid, III.45, §1, tweede lid, III.59, §3, III.77, tweede lid en III.114, §3 toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid.
84Voor het begrotingsjaar 2015 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid, van dit artikel, artikel III.9, § 8, laatste lid, III.21, § 4, eerste lid, en III.21, § 4, eerste lid, in artikel III.123, III.24, § 3, III.34, § 5, tweede lid, III.37, § 1, tweede lid, III.40, § 2, III.43, § 1, derde lid, III.45, § 1, tweede lid, III.59, § 3, III.77, tweede lid, en III.114, § 3, toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid.84Voor het begrotingsjaar 2015 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid, van dit artikel, artikel III.9, § 8, laatste lid, III.21, § 4, eerste lid, en III.21, § 4, eerste lid, in artikel III.123, III.24, § 3, III.34, § 5, tweede lid, III.37, § 1, tweede lid, III.40, § 2, III.43, § 1, derde lid, III.45, § 1, tweede lid, III.59, § 3, III.77, tweede lid, en III.114, § 3, toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid.
85§12. De bedragen VOWprof, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden ver­meerderd met de volgende bedragen en de bedragen vermeld in paragraaf 1, zijn de volgende (uitgedrukt in euro):85§12. De bedragen VOWprof, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden ver­meerderd met de volgende bedragen en de bedragen vermeld in paragraaf 1, zijn de volgende (uitgedrukt in euro):
86begrotingsjaar86">begrotingsjaar
87VOWprof87VOWprof
88VOWprof201488VOWprof2014
1223.700.0001223.700.000
12320211232021
12431.166.520
12427.766.520
125100.000125100.000
1263.700.0001263.700.000
12720221272022
12831.166.520
129100.000
1303.700.000
1312023
12834.566.52013234.566.520
129100.000133100.000
1303.700.0001343.700.000
131vanaf 2023135vanaf 2024
13237.066.52013637.066.520
133100.000137100.000
139Begrotingsjaar143Begrotingsjaar
140VOWun144VOWun
141VOWun 2014
145VOWun2014
142VOZun146VOZun
143VOZun 2014
147VOZun2014
144ZAP148ZAP
145Puntengewichten
149Punten- gewichten
146ZAP150ZAP
147ZAP151ZAP
1829.971.0001869.971.000
18320211872021
1887.519.000
18912.186.000
1909.971.000
1912022
1848.519.0001928.519.000
18513.726.00019313.726.000
18611.231.00019411.231.000
1872022
1952023
1889.519.0001969.519.000
18915.321.00019715.321.000
19012.536.00019812.536.000
1912023
1992024
19211.219.00020011.219.000
19316.476.00020116.476.000
19413.481.00020213.481.000
195vanaf 2024203vanaf 2025
19611.700.00020411.700.000
19717.270.00020517.270.000
222Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9.230Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9.
223§ 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro.231§ 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro.
232§ 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro.
+19 −10 codex-hoger-onderwijs/art. III.5
83Voor de begrotingsjaren 2012 en 2013 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid van dit artikel, artikel III.9, §8, laatste lid, III.21, §4, eerste lid en III.21, §4, eerste lid in artikel III.123, III.24, §3, III.34, §5, tweede lid, III.37, §1, tweede lid, III.40, §2, III.43, §1, derde lid, III.45, §1, tweede lid, III.59, §3, III.77, tweede lid en III.114, §3 toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid.83Voor de begrotingsjaren 2012 en 2013 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid van dit artikel, artikel III.9, §8, laatste lid, III.21, §4, eerste lid en III.21, §4, eerste lid in artikel III.123, III.24, §3, III.34, §5, tweede lid, III.37, §1, tweede lid, III.40, §2, III.43, §1, derde lid, III.45, §1, tweede lid, III.59, §3, III.77, tweede lid en III.114, §3 toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid.
84Voor het begrotingsjaar 2015 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid, van dit artikel, artikel III.9, § 8, laatste lid, III.21, § 4, eerste lid, en III.21, § 4, eerste lid, in artikel III.123, III.24, § 3, III.34, § 5, tweede lid, III.37, § 1, tweede lid, III.40, § 2, III.43, § 1, derde lid, III.45, § 1, tweede lid, III.59, § 3, III.77, tweede lid, en III.114, § 3, toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid.84Voor het begrotingsjaar 2015 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid, van dit artikel, artikel III.9, § 8, laatste lid, III.21, § 4, eerste lid, en III.21, § 4, eerste lid, in artikel III.123, III.24, § 3, III.34, § 5, tweede lid, III.37, § 1, tweede lid, III.40, § 2, III.43, § 1, derde lid, III.45, § 1, tweede lid, III.59, § 3, III.77, tweede lid, en III.114, § 3, toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid.
85§12. De bedragen VOWprof, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden ver­meerderd met de volgende bedragen en de bedragen vermeld in paragraaf 1, zijn de volgende (uitgedrukt in euro):85§12. De bedragen VOWprof, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden ver­meerderd met de volgende bedragen en de bedragen vermeld in paragraaf 1, zijn de volgende (uitgedrukt in euro):
86begrotingsjaar86">begrotingsjaar
87VOWprof87VOWprof
88VOWprof201488VOWprof2014
1223.700.0001223.700.000
12320211232021
12431.166.520
12427.766.520
125100.000125100.000
1263.700.0001263.700.000
12720221272022
12831.166.520
129100.000
1303.700.000
1312023
12834.566.52013234.566.520
129100.000133100.000
1303.700.0001343.700.000
131vanaf 2023135vanaf 2024
13237.066.52013637.066.520
133100.000137100.000
139Begrotingsjaar143Begrotingsjaar
140VOWun144VOWun
141VOWun 2014
145VOWun2014
142VOZun146VOZun
143VOZun 2014
147VOZun2014
144ZAP148ZAP
145Puntengewichten
149Punten- gewichten
146ZAP150ZAP
147ZAP151ZAP
1829.971.0001869.971.000
18320211872021
1887.519.000
18912.186.000
1909.971.000
1912022
1848.519.0001928.519.000
18513.726.00019313.726.000
18611.231.00019411.231.000
1872022
1952023
1889.519.0001969.519.000
18915.321.00019715.321.000
19012.536.00019812.536.000
1912023
1992024
19211.219.00020011.219.000
19316.476.00020116.476.000
19413.481.00020213.481.000
195vanaf 2024203vanaf 2025
19611.700.00020411.700.000
19717.270.00020517.270.000
222Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9.230Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9.
223§ 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro.231§ 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro.
232§ 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.6/1
1In afwijking van artikel III.6, § 1, § 2 en § 3, van deze codex, evolueren in de begrotingsjaren 2015 en 2016 de bedragen van de variabele onderwijsdelen niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor de begrotingsjaren 2015 en 2016 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel.1In afwijking van artikel III.6, § 1, § 2 en § 3, van deze codex, evolueren in de begrotingsjaren 2015 en 2016 de bedragen van de variabele onderwijsdelen niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor de begrotingsjaren 2015 en 2016 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel.
2In afwijking van artikel III.6, § 1, § 2 en § 3, van deze codex, evolueren in het begrotingsjaar 2021 de bedragen van de variabele onderwijsdelen VOWun en VOWac niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor het begrotingsjaar 2021 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel.
3Onder VOWun, vermeld in het vorige lid, wordt begrepen VOWun vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014ZAP, zoals vermeld in paragraaf 2 van artikel III.6. Onder VOWac, vermeld in het vorige lid, wordt begrepen VOWac ver- minderd met het bedrag van het variabele onderwijsdeel VOWhko en vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014puntengewichten, vermeld in paragraaf 2 van artikel III.6.
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.19
2165° Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt aan iedere universiteit die met ingang van het academiejaar 2013-2014 academische hogeschoolopleidingen integreert, een bijkomende opstartfinanciering toegekend van 200.000 euro. Dit bedrag wordt jaarlijks afgebouwd met 10% van het initiële bedrag. Het saldo wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 voor 55% toegevoegd aan het variabele onderwijsdeel VOWun2014 en voor 45% aan het variabele onderzoeksdeel VOZun2014. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.2165° Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt aan iedere universiteit die met ingang van het academiejaar 2013-2014 academische hogeschoolopleidingen integreert, een bijkomende opstartfinanciering toegekend van 200.000 euro. Dit bedrag wordt jaarlijks afgebouwd met 10% van het initiële bedrag. Het saldo wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 voor 55% toegevoegd aan het variabele onderwijsdeel VOWun2014 en voor 45% aan het variabele onderzoeksdeel VOZun2014. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
2176° In afwijking van punt 1°, c), bedraagt voor het begrotingsjaar 2020 het puntengewicht voor het studiegebied Industriële Wetenschappen en Technologie 1,25. In afwijking van punt 1°, i), bedraagt voor het begrotingsjaar 2020 het puntengewicht voor het studiegebied Handelswetenschappen en Bedrijfskunde 1,01.2176° In afwijking van punt 1°, c), bedraagt voor het begrotingsjaar 2020 het puntengewicht voor het studiegebied Industriële Wetenschappen en Technologie 1,25. In afwijking van punt 1°, i), bedraagt voor het begrotingsjaar 2020 het puntengewicht voor het studiegebied Handelswetenschappen en Bedrijfskunde 1,01.
2187° in afwijking van punt 1°, c), bedraagt voor het begrotingsjaar 2021 het puntengewicht voor het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie 1,25.
219In afwijking van punt 1°, i), bedraagt voor het begrotingsjaar 2021 het puntengewicht voor het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1,01;
2208° in afwijking van punt 1°, i), bedraagt voor het begrotingsjaar 2021 het puntengewicht voor de bacheloropleiding "bachelor in de toegepaste informatica" 1,25.
218§ 1/1. In het begrotingsjaar 2014 bedraagt het puntengewicht voor de doctoraten in het studiegebied Nautische wetenschappen 3.221§ 1/1. In het begrotingsjaar 2014 bedraagt het puntengewicht voor de doctoraten in het studiegebied Nautische wetenschappen 3.
219Voor de berekening van het variabele onderzoeksdeel, vermeld in artikel III.22, worden met ingang van het begrotingsjaar 2015 voor de weging van het aantal doctoraatsdiploma's de volgende puntengewichten gebruikt:222Voor de berekening van het variabele onderzoeksdeel, vermeld in artikel III.22, worden met ingang van het begrotingsjaar 2015 voor de weging van het aantal doctoraatsdiploma's de volgende puntengewichten gebruikt:
+3 −4 codex-hoger-onderwijs/art. III.24
71Vanaf het begrotingsjaar 2019 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 1.747.939 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.71Vanaf het begrotingsjaar 2019 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 1.747.939 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.
72De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.72De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
73§ 9. Vanaf het begrotingsjaar 2020 worden de totale werkingsmiddelen van de hoge-scholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 4.390.165 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.73§ 9. In het begrotingsjaar 2020 worden de totale werkingsmiddelen van de hoge-scholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 4.390.165 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.
74Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vanaf het begrotingsjaar 2021 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
75§ 10. Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 5.092.455 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.74§ 10. Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 6.468.329,21 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.
76Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 7.119.565 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen.75Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 8.842.117,00 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen.
77De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.76De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
+3 −4 codex-hoger-onderwijs/art. III.24
71Vanaf het begrotingsjaar 2019 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 1.747.939 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.71Vanaf het begrotingsjaar 2019 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 1.747.939 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.
72De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.72De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
73§ 9. Vanaf het begrotingsjaar 2020 worden de totale werkingsmiddelen van de hoge-scholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 4.390.165 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.73§ 9. In het begrotingsjaar 2020 worden de totale werkingsmiddelen van de hoge-scholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 4.390.165 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.
74Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vanaf het begrotingsjaar 2021 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
75§ 10. Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 5.092.455 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.74§ 10. Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 6.468.329,21 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.
76Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 7.119.565 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen.75Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 8.842.117,00 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen.
77De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.76De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
+30 −14 codex-hoger-onderwijs/art. III.39
189,01189,01
192021192021
2010,31
209,01
212022212022
2210,31
232023
2211,612411,61
23vanaf 202325vanaf 2024
2412,932612,93
25Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in het tweede lid, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen vermeld in de artikelen III.37, §3, 1°, en III.38, §2, 1°, en de bedragen vermeld in het tweede lid als 1 geheel beschouwd.27Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in het tweede lid, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen vermeld in de artikelen III.37, §3, 1°, en III.38, §2, 1°, en de bedragen vermeld in het tweede lid als 1 geheel beschouwd.
30§3. Vanaf het begrotingsjaar 2014 ontvangen de universiteiten een uitkering van 23.514.788,22 euro als aanvullende onderzoeksmiddelen voor de academisch gerichte hogeschoolopleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd zijn in de universiteiten. Dat bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.32§3. Vanaf het begrotingsjaar 2014 ontvangen de universiteiten een uitkering van 23.514.788,22 euro als aanvullende onderzoeksmiddelen voor de academisch gerichte hogeschoolopleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd zijn in de universiteiten. Dat bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
31Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de volgende bedragen (uitgedrukt in miljoen euro):33Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de volgende bedragen (uitgedrukt in miljoen euro):
34begrotingsjaar
32Begrotingsjaar Bedrag (uitgedrukt in miljoen euro)35bedrag (uitgedrukt in miljoen euro)
362014
332014 12,823712,82
382015
342015 18,643918,64
402016
352016 21,614121,61
422017
362017 27,434327,43
442018
372018 32,734532,73
462019
382019 38,234738,23
482020
392020 43,534943,53
502021
5143,53
522022
402021 48,835348,83
542023
412022 54,335554,33
562024
422023 58,015758,01
58vanaf 2025
43vanaf 2024 60,675960,67
44Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in het tweede lid, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen vermeld in de artikelen III.37, §3, 2°, en III.38, §2, 2°, en de bedragen vermeld in het tweede lid als 1 geheel beschouwd.60Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in het tweede lid, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen vermeld in de artikelen III.37, §3, 2°, en III.38, §2, 2°, en de bedragen vermeld in het tweede lid als 1 geheel beschouwd.
45§4. De bedragen, vermeld in paragraaf 3, worden onder de universiteiten verdeeld naar rato van het aantal opgenomen studiepunten en het aantal uitgereikte diploma’s in de academisch gerichte opleidingen waarvan de onderwijsbevoegdheid met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen is van de hogescholen aan de universiteiten.61§4. De bedragen, vermeld in paragraaf 3, worden onder de universiteiten verdeeld naar rato van het aantal opgenomen studiepunten en het aantal uitgereikte diploma’s in de academisch gerichte opleidingen waarvan de onderwijsbevoegdheid met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen is van de hogescholen aan de universiteiten.
+6 −5 codex-hoger-onderwijs/art. III.42/1
32° vanaf het begrotingsjaar 2020 : de gegenereerde middelen voor de hbo5-opleidingen voor het schooljaar 2018-2019 in het desbetreffende centrum voor volwassenenonderwijs.32° vanaf het begrotingsjaar 2020 : de gegenereerde middelen voor de hbo5-opleidingen voor het schooljaar 2018-2019 in het desbetreffende centrum voor volwassenenonderwijs.
4De gegenereerde middelen, vermeld in punt 1° en 2°, zijn het aantal leraarsuren voor de hbo5-opleidingen in het desbetreffende centrum of centra voor volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2018-2019, berekend conform de artikelen 98 en 99 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, vermenigvuldigd met 98,39 euro. Dit bedrag van 98,39 euro wordt tot en met het begrotingsjaar 2019 aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de aanpassing is 1 september 2017.4De gegenereerde middelen, vermeld in punt 1° en 2°, zijn het aantal leraarsuren voor de hbo5-opleidingen in het desbetreffende centrum of centra voor volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2018-2019, berekend conform de artikelen 98 en 99 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, vermenigvuldigd met 98,39 euro. Dit bedrag van 98,39 euro wordt tot en met het begrotingsjaar 2019 aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de aanpassing is 1 september 2017.
5§ 2. De middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, worden cumulatief vermenigvuldigd met het volgende percentage:5§ 2. De som van de middelen zoals toegekend aan de hogescholen overeenkomstig paragraaf 1, 2°, wordt cumulatief vermenigvuldigd met het volgende percentage:
61° voor het begrotingsjaar 2020: het percentage van de evolutie tussen het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 en het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2017-2018 van de betrokken centra voor volwassenenonderwijs;61° voor het begrotingsjaar 2020: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 en het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2017-2018 van alle betrokken centra voor volwassenen- onderwijs;
72° voor het begrotingsjaar 2021: het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogeschool en het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 van de betrokken centra voor volwassenenonderwijs;72° voor het begrotingsjaar 2021: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2019-2020 in de hogescholen en het aantal lestijden waarvoor werd inge schreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 van alle betrokken centra voor volwassenenonderwijs;
83° voor het begrotingsjaar 2022: het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogeschool;83° voor het begrotingsjaar 2022: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academie- jaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogescholen;
94° voor de begrotingsjaren 2023 en 2024 monitort de Vlaamse Regering budgettaire effecten van de open-end financiering van de graduaatsopleidingen tweemaal per jaar in functie van begrotingsopmaak en begrotingscontrole. Op basis van deze monitoring kan de regering ingrijpen in het groeimechanisme om deze effecten onder controle te houden en eventueel beslissen om over te stappen op een budgetbeheersbaar financieringssysteem.94° voor de begrotingsjaren 2023 en 2024 monitort de Vlaamse Regering bud- gettaire effecten van de open-endfinanciering van de graduaatsopleidingen tweemaal per jaar in functie van begrotingsopmaak en begrotingscontrole. Op basis van deze monitoring kan de regering ingrijpen in het groeimechanisme om deze effecten onder controle te houden en eventueel beslissen om over te stappen op een budgetbeheersbaar financieringssysteem.
10De groei berekend overeenkomstig het eerste lid wordt jaarlijks onder de betrokken hogescholen verdeeld op basis van hun aandeel in de groei van het aan- tal lestijden gedeeld door 12 respectievelijk het aantal opgenomen studiepunten.
10§ 3. De middelen, vermeld in paragraaf 1, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.11§ 3. De middelen, vermeld in paragraaf 1, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
11§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de middelen, berekend overeenkomstig paragraaf 1, 2 en 3, jaarlijks met 1/3 afgebouwd. De vrijgekomen middelen worden toegevoegd aan het variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen VOWhbo, vermeld in artikel III.5.12§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de middelen, berekend overeenkomstig paragraaf 1, 2 en 3, jaarlijks met 1/3 afgebouwd. De vrijgekomen middelen worden toegevoegd aan het variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen VOWhbo, vermeld in artikel III.5.
+4 −2 codex-hoger-onderwijs/art. III.45
233,9233,9
242021242021
254,5
253,9
262022262022
274,5
282023
274,8294,8
28vanaf 202330vanaf 2024
295,2315,2
30Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.32Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.55
4§4. In afwijking van paragraaf 3 wordt in 2014 182.250 euro, gelijk verdeeld over het aantal hogescholen dat lid is van een samenwerkingsverband.4§4. In afwijking van paragraaf 3 wordt in 2014 182.250 euro, gelijk verdeeld over het aantal hogescholen dat lid is van een samenwerkingsverband.
5§ 5. Indien de Hogere Zeevaartschool gebruik maakt van de bepaling, vermeld in artikel 50, § 2, van het decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, kan ze geen aanspraak maken op de werkingstoelage als vermeld in paragraaf 1.5§ 5. Indien de Hogere Zeevaartschool gebruik maakt van de bepaling, vermeld in artikel 50, § 2, van het decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, kan ze geen aanspraak maken op de werkingstoelage als vermeld in paragraaf 1.
6§ 6. In afwijking van paragraaf 3 is het bedrag van de werkingstoelage van een hogeschool in het begrotingsjaar 2020 gelijk aan het conform artikel III.5, § 9, geïndexeerde bedrag van de werkingsuitkering dat de hogeschool ontvangen heeft in het begrotingsjaar 2019. Dit bedrag wordt in het begrotingsjaar 2020 toegevoegd aan het bedrag dat de hogescholen ontvangen van de centra voor volwassenenonderwijs, zoals vermeld in artikel III.42/1.6§ 6. In afwijking van paragraaf 3 is het bedrag van de werkingstoelage van een hogeschool in het begrotingsjaar 2020 en 2021 gelijk aan het conform artikel III.5, § 9, geïndexeerde bedrag van de werkingsuitkering dat de hogeschool ontvangen heeft in het begrotingsjaar 2019. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden deze middelen toegevoegd aan het variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen VOWhbo, vermeld in artikel III.5.
+7 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.119
26§ 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016 en van 400.000 euro vanaf 2018 niet in rekening gebracht.26§ 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016 en van 400.000 euro vanaf 2018 niet in rekening gebracht.
27§ 7. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 met 265.000 euro verminderd.27§ 7. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 met 265.000 euro verminderd.
28§ 8. De toelage, vermeld in paragraaf 1 en berekend overeenkomstig dit artikel, wordt in het begrotingsjaar 2021 als volgt verdeeld over de hogere instituten voor schone kunsten en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren:
291° de toelage voor P.A.R.T.S. (Performing Arts, Research and Training Studies) wordt vastgesteld op 1.297.000 euro;
302° de toelage voor het HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten) wordt vast- gesteld op 1.178.000 euro;
313° de toelage voor het Orpheus Instituut wordt vastgesteld op 750.000 euro;
324° de toelage voor de IOA (International Opera Academy) wordt vastgesteld op 497.000 euro;
335° de toelage voor PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) wordt vastgesteld op 457.000 euro.
34De bedragen vermeld in het eerste lid, worden in het begrotingsjaar 2021 geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen in paragraaf 1 van dit artikel.
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 21/1
1De pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsformatie als vermeld in artikel 16, ontvangen jaarlijks 4.584.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen. Van het voormelde bedrag, wordt voor het schooljaar 2019-2020 en schooljaar 2020-2021 478.000 euro gebruikt voor de begeleiding van leerkrachten bij de remediëring van leerlingen in de klasvanaf de opening van de scholen in het derde trimester van het schooljaar 2019-2020 tot en met 30 juni 2021.1De pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsforma- tie als vermeld in artikel 16, ontvangen in begrotingsjaar 2021 1.606.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen. Van het voormelde bedrag wordt voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 956.000 euro gebruikt voor de begeleiding van leerkrachten bij de remediëring van leerlingen in de klas. Deze aanvullende middelen verdwijnen vanaf begrotingsjaar 2022.
2De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de instellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst.2De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de instellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst.
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 22
1De bedragen vermeld in de artikelen 18 en 19 in deze afdeling hebben betrekking op het begrotingsjaar 2012. Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.1De bedragen vermeld in de artikelen 18 en 19 in deze afdeling hebben betrekking op het begrotingsjaar 2012. Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
2De bedragen vermeld in de artikelen 20 en 21/1 in deze afdeling hebben betrekking op het begrotingsjaar 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.2Het bedrag, vermeld in het artikel 20 in deze afdeling, heeft betrekking op het begrotingsjaar 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 77decies
1§ 1. Dit artikel is van toepassing op een personeelslid wiens betrekking vacant is verklaard in toepassing van artikel 28, § 1, 4° en 5°, of artikel 100terdecies .1§ 1. Dit artikel is van toepassing op een personeelslid wiens betrekking vacant is verklaard in toepassing van artikel 28, § 1, 4° en 5°, artikel 100terdecies of artikel 100septies decies.
2§ 2. Het personeelslid wiens betrekking volgens paragraaf 1 vacant is verklaard, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of afwezigheid.2§ 2. Het personeelslid wiens betrekking volgens paragraaf 1 vacant is verklaard, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of afwezigheid.
3Als het personeelslid, vermeld in het eerste lid, in de loop van het schooljaar uit zijn verlof of afwezigheid terugkeert, dan neemt hij in de eigen instelling of, als dat niet mogelijk is, in een andere instelling van de scholengemeenschap of desgevallend de scholengroep een vacante betrekking in. Als er geen vacante betrekking voorhanden is, wordt het personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in toepassing van artikel V.75, § 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016.3Als het personeelslid, vermeld in het eerste lid, in de loop van het schooljaar uit zijn verlof of afwezigheid terugkeert, dan neemt hij in de eigen instelling of, als dat niet mogelijk is, in een andere instelling van de scholengemeenschap of desgevallend de scholengroep een vacante betrekking in. Als er geen vacante betrekking voorhanden is, wordt het personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in toepassing van artikel V.75, § 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016.
+18 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 100sexiesdecies nieuw
1§ 1. In afwijking van artikel 28 moet de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - met het oog op een vaste benoeming op 1 juli 2021 als vermeld in artikel 100septies decies, betrekkingen vacant verklaren. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen omvat:
21° alle vacante betrekkingen in de betrokken instelling of instellingen op 15 mei 2021;
32° de betrekkingen die in de periode van 15 mei tot en met 1 juli 2021 vacant zullen worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis. De raad van bestuur kan deze betrekkingen vacant verklaren;
43° de betrekking van een vastbenoemd personeelslid dat uiterlijk op 15 mei 2021 in toepassing van artikel V.75, § 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Op het ogenblik van deze terbeschikkingstelling wordt de betrekking waar het personeelslid titularis van is een vacante betrekking;
54° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat perso- neelslid op 15 mei 2021 een verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar geniet als vermeld in artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
65° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingen- begeleiding;
76° de betrekking of het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 voor een volledig schooljaar afwezig is omwille van een of meer van volgende verlofstelsels:
8a) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 77quater van dit decreet;
9b) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 77quater van dit decreet;
10c) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
11d) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de Federale Regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de Federale Regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
12e) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen en of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
13f) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met artikel 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
14g) verlof toegekend aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld zoals bepaald in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrich- tingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
15h) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
16i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties.
17In afwijking van het eerste lid bepaalt de raad van bestuur voor haar centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onder- handelingen in het bevoegde lokaal comité welke vacante betrekkingen hij vacant verklaart. De raad van bestuur moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokaal comité geen akkoord wordt bereikt vacant verklaren als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De raad van bestuur moet met het oog op de vaste benoeming op 1 juli 2021 alleszins de betrekkingen, vermeld in het eerste lid, 4°, 5° en 6°, vacant verklaren.
18§ 2. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt voor 15 juni 2021 openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend.
+15 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 100septiesdecies nieuw
1§ 1. In afwijking van artikel 36 kan de raad van bestuur een personeelslid op 1 juli 2021 vast benoemen in een ambt in een vacant verklaarde betrekking als vermeld in artikel 100sexies decies, als dat personeelslid op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de bepalingen van artikel 17, met uitzondering van paragraaf 1, 7°, en daarenboven:
21° op 31 mei 2021 360 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in het betrokken ambt in een of meer instellingen van de scholengroep. Als het een leraar betreft die is aangesteld op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs moeten de 360 dagen gepresteerd zijn in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
32° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten;
43° op 30 juni 2021 in een instelling van de scholengroep waar hij de in punt 1° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven, is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling waar het personeelslid is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van deze scholengemeenschap. Is het personeelslid op 30 juni 2021 aangesteld in het ambt van leraar met een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor dat vereiste bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, geldt. Is het personeelslid op 30 juni 2021 aangesteld in het ambt van leraar met een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, in een opleiding, module, vak of specialiteit dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor die opleiding, die module, dat vak of die specialiteit en daarenboven ook voor alle opleidingen, modules, vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. Voor het personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling en voor het personeelslid bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij
5is vast benoemd en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, moeten, voor zover hij het ambt van leraar uitoefent, de 360 dagen dienstanciënniteit verworven zijn in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
64° als laatste evaluatie in het ambt in kwestie geen evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen bij de scholengroep waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid niet is geëvalueerd, wordt die voorwaarde geacht voldaan te zijn. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in een instelling van de scholengroep die behoort tot een scholengemeenschap, geldt deze bepaling voor alle instellingen van die scholengroep die behoren tot die scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in een instelling van de scholengroep die niet behoort tot een scholengemeenschap, geldt deze bepaling voor alle instellingen van die scholengroep die niet behoren tot een scholengemeenschap.
7De vaste benoeming is slechts mogelijk als het personeelslid de betrekking in hoofdambt uitoefent.
8§ 2. Als er meerdere personeelsleden zijn die zich kandidaat stellen voor vaste benoeming in eenzelfde betrekking moet de raad van bestuur bij de toewijzing van de vaste benoeming in die betrekking de volgende volgorde respecteren:
91° de personeelsleden die deeltijds benoemd zijn in het ambt;
102° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 30 juni 2021 tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
113° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt ten minste 580 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de scholengroep of desgevallend in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap en waarvan minstens 360 dagen zijn verworven in een of meer instellingen van de scholengroep. De scholengroep kan bij de vaststellingen van de 360 dagen rekening houden met dagen die zijn verworven in een of meer instellingen van een andere scholengroep of van een andere inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs;
124° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt waarvoor ze zich kandidaat stellen ten minste 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de scholengroep.
13De raad van bestuur kan beslissen om een tijdelijk personeelslid dat voldoet aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, niet vast te benoemen, op voor- waarde dat het personeelslid dan een schriftelijke motivatie krijgt waarin de raad van bestuur opneemt om welke redenen ze de vaste benoeming weigert. Dit geldt ook als het tijdelijk personeelslid de enige kandidaat is voor de vacant verklaarde betrekking.
14De raad van bestuur kan binnen elke groep, vermeld in het eerste lid, bijkomende criteria bepalen om een vaste benoeming toe te kennen. Deze criteria worden onderhandeld in het daartoe bevoegde lokaal onderhandelingscomité.
15§ 3. In afwijking van artikel 37, § 3, wordt de vaste benoeming toegekend op 1 juli 2021 na de vacantverklaring, voor zover de betrekking op dezelfde datum nog vacant is.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 51decies
1§ 1. Dit artikel is van toepassing op een personeelslid wiens betrekking vacant is verklaard in toepassing van artikel 33, § 1, 4° en 5°, of artikel 84undevicies .1§ 1. Dit artikel is van toepassing op een personeelslid wiens betrekking vacant is verklaard in toepassing van artikel 33, § 1, 4° en 5°, artikel 84undevicies of artikel 84vicies septies.
2§ 2. Het personeelslid van wie de betrekking volgens paragraaf 1 vacant is verklaard, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of afwezigheid.2§ 2. Het personeelslid van wie de betrekking volgens paragraaf 1 vacant is verklaard, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of afwezigheid.
3Als het personeelslid, vermeld in het eerste lid, in de loop van het schooljaar uit zijn verlof of afwezigheid terugkeert, dan neemt hij in de eigen instelling of, als dat niet mogelijk is, in een andere instelling van de inrichtende macht een vacante betrekking in. In het basis- en secundair onderwijs is dit beperkt tot de instellingen van de inrichtende macht die behoren tot dezelfde scholengemeenschap. Als er geen vacante betrekking voorhanden is, wordt het personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in toepassing van artikel V.75, § 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016.3Als het personeelslid, vermeld in het eerste lid, in de loop van het schooljaar uit zijn verlof of afwezigheid terugkeert, dan neemt hij in de eigen instelling of, als dat niet mogelijk is, in een andere instelling van de inrichtende macht een vacante betrekking in. In het basis- en secundair onderwijs is dit beperkt tot de instellingen van de inrichtende macht die behoren tot dezelfde scholengemeenschap. Als er geen vacante betrekking voorhanden is, wordt het personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in toepassing van artikel V.75, § 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016.
+18 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 84viciessexies nieuw
1§ 1. In afwijking van artikel 33, moet de inrichtende macht met het oog op een vaste benoeming op 1 juli 2021, voor 15 juni 2021 aan de personeelsleden van haar instellingen de vacante betrekkingen meedelen. Behoort een instelling tot een scholengemeenschap dan deelt de inrichtende macht van die instelling de vacante betrekkingen in haar instellingen die behoren tot die scho- lengemeenschap mee aan de personeelsleden van de scholengemeenschap. De mededeling van de vacante betrekkingen omvat:
21° alle vacante betrekkingen in de betrokken instelling of instellingen op 15 mei 2021;
32° eventueel de betrekkingen die in de periode van 15 mei tot en met 1 juli 2021 vacant zullen worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis. De inrichtende macht kan deze betrekkingen eveneens meedelen als vacante betrekking met het oog op een vaste benoeming;
43° de betrekking van een vastbenoemd personeelslid dat uiterlijk op 15 mei 2021 in toepassing van artikel V.75, § 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Op het ogenblik van deze terbeschikkingstelling wordt de betrekking waar het personeelslid titularis van is een vacante betrekking;
54° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 een verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar geniet als vermeld in artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
65° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onder- wijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingen- begeleiding;
76° de betrekking of het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 van dat schooljaar voor een volledig schooljaar afwezig is omwille van een of meer van volgende verlofstelsels:
8a) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 51quater van dit decreet;
9b) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 51quater van dit decreet;
10c) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs of zoals bepaald in het koninklijk besluit van 16 december 1981 betreffende het syndicaal verlof in het Gesubsidieerd onderwijs;
11d) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de Federale Regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de Federale Regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
12e) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen en of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
13f) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met artikel 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
14g) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
15h) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties.
16De mededeling van de vacante betrekkingen bevat een duidelijke omschrijving van de aangeboden betrekkingen en vermeldt de vorm waarin en de termijn waarbinnen een personeelslid moet kandideren, evenals de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vaste benoeming. Dit bericht wordt aan alle in het eerste lid bedoelde personeelsleden meegedeeld en openbaar gemaakt.
17§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, bepaalt de inrichtende macht afzonder- lijk voor haar centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks op basis van een beleids- plan en na onderhandelingen in het bevoegde lokale onderhandelingscomité welke vacante betrekkingen ze meedeelt.
18De inrichtende macht moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokale onderhandelingscomité geen akkoord wordt bereikt, meedelen als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De inrichtende macht moet met het oog op de vaste benoeming op 1 juli 2021 alleszins de betrekkingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, 5° en 6°, meedelen.
+31 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 84viciessepties nieuw
1§ 1. In afwijking van artikel 31 kan een inrichtende macht een personeelslid op 1 juli 2021 vast benoemen in een ambt in een vacant ver- klaarde betrekking als vermeld in artikel 84vicies sexies, als dat personeelslid op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de voorwaarden van artikel 19 en hij, rekening houdend met artikel 77, daarenboven:
21° op 31 mei 2021 ten minste 360 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in het bedoelde ambt in een of meer instellingen van de inrichtende macht. Als het een leraar betreft in het bezit van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs moeten de 360 dagen gepresteerd zijn in het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
32° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten;
43° op 30 juni 2021 in een instelling van de inrichtende macht waar hij de in punt 1° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven, tijdelijk is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling waar het personeelslid tijdelijk is aangesteld niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid tijdelijk is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de inrichtende macht in de scholengemeenschap. Is het personeelslid op 30 juni 2021 aangesteld in het ambt van leraar met een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor dat vereiste bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, geldt. Is het personeelslid op
530 juni 2021 aangesteld in het ambt van leraar met een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, in een opleiding, module, vak of specialiteit dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor die opleiding, die module, dat vak of die specialiteit en daarenboven ook voor alle opleidingen, modules, vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. Voor het personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling en voor het personeelslid bedoeld in hoofdstuk IVbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij is vast benoemd en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, moeten, voor zover hij het ambt van leraar uitoefent, de 360 dagen dienstanciënniteit verworven zijn in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
64° als laatste evaluatie in het betrokken ambt geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" verkregen heeft bij de inrichtende macht waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de inrichtende macht die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die behoren tot deze scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de inrichtende macht die niet behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn.
7De vaste benoeming is slechts mogelijk als het personeelslid de betrekking in hoofdambt uitoefent.
8§ 2. Als er meerdere personeelsleden zijn die zich kandidaat stellen voor vaste benoeming in eenzelfde betrekking moet de inrichtende macht bij de toewijzing van de vaste benoeming in die betrekking de volgende volgorde respecteren:
91° de personeelsleden die deeltijds benoemd zijn in het ambt;
102° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 30 juni 2021 tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
113° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt ten minste 580 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de inrichtende macht of desgevallend in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap en waarvan minstens 360 dagen zijn verworven in een of meer instellingen van de inrichtende macht. De inrichtende macht kan voor de 360 dagen dienstanciënniteit ook rekening houden met diensten die een personeelslid heeft verworven in een of meer instellingen van een andere inrichtende macht;
124° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt waarvoor ze zich kandidaat stellen ten minste 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de inrichtende macht.
13De inrichtende macht kan beslissen om een tijdelijk personeelslid dat voldoet aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, niet vast te benoemen, op voorwaarde dat het personeelslid dan een schriftelijke motivatie krijgt waarin de inrichtende macht opneemt om welke redenen ze de vaste benoeming weigert. Dit geldt ook als het tijdelijk personeelslid de enige kandidaat is voor de vacant verklaarde betrekking.
14De inrichtende macht kan binnen elke groep, vermeld in het eerste lid, bij- komende criteria bepalen om een vaste benoeming toe te kennen. Deze criteria worden onderhandeld in het daartoe bevoegde lokaal onderhandelingscomité.
15§ 3. In de instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs wordt elke benoeming in een wervingsambt en elke wijziging ervan schriftelijk vastgesteld. De overeenkomst vermeldt ten minste:
161° de benaming en het adres van de inrichtende macht en van de instelling waarin het personeelslid tewerkgesteld wordt;
172° de identiteit van het personeelslid;
183° het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;
194° in voorkomend geval, het pedagogisch project, de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.
20De overeenkomst van benoeming wordt opgemaakt in ten minste twee exemplaren, waarvan één bestemd voor het personeelslid.
21§ 4. In de instellingen van het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt elke benoeming in een wervingsambt en elke wijziging ervan vastgesteld bij besluit van de inrichtende macht. Het besluit vermeldt ten minste:
221° de benaming en het adres van de inrichtende macht en van de instelling waarin het personeelslid tewerkgesteld wordt;
232° de identiteit van het personeelslid;
243° het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;
254° in voorkomend geval, het pedagogisch project, de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.
26Een afschrift van dit besluit wordt meegedeeld aan het betrokken personeelslid.
27§ 5. Bij ontstentenis van hetzij de schriftelijke overeenkomst bedoeld in paragraaf 3, hetzij het besluit bedoeld in paragraaf 4, wordt het personeelslid geacht vast benoemd te zijn voor het ambt, voor de opdracht en in de betrekking die het werkelijk uitoefent.
28§ 6. Het personeelslid wordt benoemd bij een inrichtende macht en geaffecteerd aan een instelling van deze inrichtende macht.
29§ 7. De Vlaamse Regering bepaalt de regels volgens welke de vaste benoeming, de nieuwe affectatie en de mutatie worden meegedeeld aan het Departement Onderwijs opdat zij zouden uitwerking hebben ten aanzien van de overheid.
30§ 8. De Vlaamse Regering bepaalt de gevolgen van een nieuwe vaste benoeming ten aanzien van de door het betrokken personeelslid voorheen reeds verkregen vaste benoeming, met dien verstande dat een personeelslid slechts vast benoemd kan zijn ten belope van maximaal één voltijdse betrekking in hoofdambt. Het voltijds karakter wordt bepaald in functie van de prestaties vereist voor een voltijdse betrekking in het ambt van de nieuwe benoeming.
31§ 9. In afwijking van artikel 33, § 1, gaat de vaste benoeming in op 1 juli 2021 volgend op de vacantverklaring, voor zover de betrekking op die datum nog vacant is.
+1 −0 decreet-2007-06-15/art. 196sexies
4Ten laste van het begrotingsjaar 2019 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 643.454,45 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.731.545,55 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.4Ten laste van het begrotingsjaar 2019 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 643.454,45 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.731.545,55 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
5Ten laste van het begrotingsjaar 2020 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.5Ten laste van het begrotingsjaar 2020 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
6Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
6§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.7§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.
7§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.8§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.
+2 −2 decreet-2015-12-18/art. 135
1413° artikel 102, dat in werking treedt vanaf 1 april 2016;1413° artikel 102, dat in werking treedt vanaf 1 april 2016;
1514° artikel 112 tot en met 114, die in werking treden vanaf aanslagjaar 2016;1514° artikel 112 tot en met 114, die in werking treden vanaf aanslagjaar 2016;
1615° artikel 114, dat ophoudt uitwerking te hebben vanaf 1 januari 2021;
1716° artikel 123, dat ophoudt uitwerking te hebben vanaf 1 januari 2021;
1615°...;
1716° ...;
1817° artikel 126 en 127, die in werking treden vanaf 1 april 2016;1817° artikel 126 en 127, die in werking treden vanaf 1 april 2016;
1918° artikel 128 tot en met 134, die in werking treden op 1 maart 2016.1918° artikel 128 tot en met 134, die in werking treden op 1 maart 2016.
+1 −0 decreet-2009-04-30/art. 63/13/1 nieuw
1De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd om over te gaan tot de erkenning van een Kenniscentrum Data & Maatschappij, dat opgericht wordt door een consortium van instellingen uit het hoger onderwijs.
+7 −0 decreet-2009-04-30/art. 63/13/2 nieuw
1Het Kenniscentrum Data & Maatschappij speelt in op het disruptieve karakter van artificiële intelligentie en heeft als strategische doelstellingen:
21° een breed gedragen co-design approach voor het uittekenen van AI-beleid;
32° stimuleren van maatschappelijk debat rond acceptatie van de technologie;
43° het aanleveren van thought leadership over zowel maatschappelijk als economisch aanvaardbare ontwikkelingstrajecten voor AI;
54° de identificatie en validatie van belangrijke menselijke factoren in de ontwikkeling van AI;
65° de ontwikkeling van juridische kaders en richtsnoeren voor beleidsmakers en bedrijven.
7De Vlaamse Regering kan het kenniscentrum belasten met bijzondere opdrachten.
+2 −0 decreet-2009-04-30/art. 63/13/3 nieuw
1Het Kenniscentrum Data & Maatschappij bezit geen rechtspersoonlijkheid.
2Op basis van de in artikel 63/13/2 vermelde strategische doelstellingen maakt het Kenniscentrum Data & Maatschappij een vijfjarenplanning op bij het afsluiten van een vijfjarige convenant. Jaarlijks wordt op basis van deze convenant een jaarplanning opgemaakt na afstemming met de stuurgroep van het Kenniscentrum Data & Maatschappij.
+2 −0 decreet-2009-04-30/art. 63/13/4 nieuw
1De samenstelling van de stuurgroep wordt vastgelegd in het convenant.
2De voortgang van de activiteiten van het Kenniscentrum wordt opgevolgd door een stuurgroep. De taakstelling van de stuurgroep wordt vastgelegd in het convenant.
+10 −0 decreet-2009-04-30/art. 63/13/5 nieuw
1De Vlaamse Regering en een consortium van instellingen uit Hoger Onderwijs sluiten voor de organisatie van het Kenniscentrum Data & Maatschappij een vijfjaarlijks convenant waarin ten minste volgende elementen zijn opgenomen:
21° de modaliteiten waaronder de Vlaamse Regering de subsidies verleent;
32° de strategische en operationele doelstellingen van de instelling;
43° de regels voor de meting en de opvolging ervan;
54° de betalingsregeling voor de jaarlijkse subsidie van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap;
65° de financiële bepalingen over de aanwending van de subsidies en de reserve- vorming;
76° een rapporteringsmechanisme en een mechanisme dat bestemd is voor de opvolging van de werking;
87° de maatregelen in geval van niet-naleving van het convenant;
98° de gevallen waarin en de wijze waarop het convenant tijdens de looptijd ervan kan worden gewijzigd;
109° de duur en de opzeggings- en verlengingsmogelijkheden van het convenant; 10° de samenwerkingsovereenkomst tussen de partners uit het consortium als bijlage.
+1 −0 decreet-2009-04-30/art. 63/13/6 nieuw
1De Vlaamse Regering stelt binnen de beschikbare begrotingskredieten een jaarlijkse subsidie ter beschikking aan de consortiumpartners.
+2 −0 decreet-2009-04-30/art. 63/13/7 nieuw
1De Vlaamse Regering waakt erover dat de activiteiten van het Kenniscentrum Data & Maatschappij worden geëvalueerd voor het verstrijken van het lopende convenant, aan de hand van de strategische en operationele doelstellingen die vastgelegd zijn in het convenant.
2De voorwaarden voor een nieuw convenant worden onder meer bepaald door de resultaten van de evaluatie.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd