§ flandrepo
21 regels · van kracht sinds 1 sep 2026

Artikel 38

§ 1. De jeugdrechtbank kan een minderjarige verdachte uit handen geven.

§ 2. Als de minderjarige verdachte op het tijdstip van het plegen van het jeugddelict zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een van de sancties, vermeld in artikel 29, § 2, niet geschikt acht, kan ze de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en de zaak naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog op vervolging voor de bevoegde rechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast.

De jeugdrechtbank kan evenwel alleen beslissen tot uithandengeving als bovendien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. 1°de minderjarige verdachte, vermeld in het eerste lid, is het voorwerp geweest van een of meer sancties, vermeld in de artikelen 35, 36 en 37;
  2. 2°het gepleegde jeugddelict betreft een feit als vermeld in artikel 112 tot en met 117, 120 tot en met 125, 134, 152 tot en met 168, 172, 196, 198, 3°, artikel 408, 409, of 467 tot en met 469 van het Strafwetboek, of een feit dat de dood tot gevolg heeft als vermeld in artikel 107/1, 118, 126, 197, 198, 4°, artikel 199, eerste lid, 4°, artikel 200, eerste lid, 4°, artikel 201, eerste lid, 4°, artikel 202, 4°, artikel 209, 210, eerste lid, derde zin, artikel 215, 222, 225, 228, 260, §2, eerste lid, 1°, artikel 274, §2, 1°, artikel 280, §2, 1°, artikel 284, §2, 1°, artikel 308, 321, 330, 335, 413, §2, artikel 414, eerste lid, 1°, artikel 415, eerste lid, 1°, artikel 416, eerste lid, 1°, artikel 473, §3, 2°, artikel 509, 521, 553, 555, 557 en 600 van het Strafwetboek.

De jeugdrechtbank kan ook beslissen tot uithandengeving als de minderjarige verdachte een feit heeft gepleegd als vermeld in artikel 96 tot en met 102 van het Strafwetboek, of een feit als vermeld in titel 4, hoofdstuk 1, van boek II van het Strafwetboek, of een feit als vermeld in artikel 82, 83, 85 tot en met 90, 138 tot en met 143, 144, eerste en derde tot en met vijfde streepje, artikel 145, 146, tweede lid, eerste en derde tot en met vijfde streepje, artikel 147, eerste lid, eerste en derde tot en met vijfde streepje, en tweede lid, artikel 148, eerste en derde tot en met vijfde streepje, en artikel 149, eerste en derde tot en met vijfde streepje, van het Strafwetboek, of een poging heeft ondernomen om een feit als vermeld in artikel 96 tot en met 102 van het Strafwetboek te plegen.

De motivering, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, wordt opgesteld in functie van de persoonlijkheid van de minderjarige verdachte, zijn maturiteitsgraad en zijn omgeving.

Dit artikel kan worden toegepast als de minderjarige verdachte op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, maar op het ogenblik van de feiten nog geen achttien jaar was.

De Vlaamse Regering kan nadere regels opleggen aan de justitiehuizen of hun partners, voor de uitvoering van straffen ten aanzien van uithanden gegeven minderjarigen of bepalen waar de gevangenisstraf wordt uitgevoerd tot de leeftijd van drieëntwintig jaar. De basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van gedetineerden, en de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, zijn van toepassing.

§ 3. De jeugdrechtbank kan de zaak alleen uit handen geven nadat zij maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken heeft laten verrichten door een multidisciplinair samengesteld team. Het medisch-psychologisch onderzoek is erop gericht de situatie te evalueren in functie van de persoonlijkheid van de minderjarige verdachte, zijn omgeving en zijn maturiteitsgraad. De aard, frequentie en ernst van de feiten die de minderjarige verdachte ten laste worden gelegd, worden in overweging genomen als ze bijdragen tot de evaluatie van zijn persoonlijkheid.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak en inhoud van het medisch-psychologisch onderzoek.

De jeugdrechtbank kan echter:

  1. 1°de zaak uit handen geven zonder dat zij over het verslag van het medisch-psychologisch onderzoek beschikt, als ze constateert dat de minderjarige verdachte zich aan dat onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen;
  2. 2°de zaak uit handen geven zonder dat zij een maatschappelijk onderzoek en een medisch-psychologisch onderzoek heeft laten uitvoeren, als bij vonnis al een sanctie genomen is ten aanzien van een minderjarige verdachte en die een of meer van de volgende feiten betreft, nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt, en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer een of meer van de volgende feiten heeft gepleegd:
  3. a)een feit als vermeld in artikel 96 tot en met 102 van het Strafwetboek;
  4. b)een feit als vermeld in titel 4, hoofdstuk 1, van boek II van het Strafwetboek;
  5. c)een feit als vermeld in artikel 82, 83, 85 tot en met 90, 112 tot en met 117, 120 tot en met 125, 134, 138 tot en met 143, 144, eerste en derde tot en met vijfde streepje, artikel 145, 146, tweede lid, eerste en derde tot en met vijfde streepje, artikel 147, eerste lid, eerste en derde tot en met vijfde streepje, en tweede lid, artikel 148, eerste en derde tot en met vijfde streepje, artikel 149, eerste en derde tot en met vijfde streepje, artikel 152 tot en met 168, 172, 196, 198, 3°, artikel 408, 409 of 467 tot en met 469 van het Strafwetboek;
  6. d)een feit dat de dood tot gevolg heeft als vermeld in artikel 107/1, 118, 126, 197, 198, 4°, artikel 199, eerste lid, 4°, artikel 200, eerste lid, 4°, artikel 201, eerste lid, 4°, artikel 202, 4°, artikel 209, 210, eerste lid, derde zin, artikel 215, 222, 225, 228, 260, §2, eerste lid, 1°, artikel 274, §2, 1°, artikel 280, §2, 1°, artikel 284, §2, 1°, artikel 308, 321, 330, 335, 413, §2, artikel 414, eerste lid, 1°, artikel 415, eerste lid, 1°, artikel 416, eerste lid, 1°, artikel 473, §3, 2°, artikel 509, 521, 553, 555, 557 en 600 van het Strafwetboek;
  7. e)een poging om een feit als vermeld in artikel 96 tot en met 102 van het Strafwetboek te plegen;
  8. 3°onder dezelfde voorwaarden als vermeld in 2°, uitspraak doen over de vordering tot het uit handen geven ten aanzien van een minderjarige verdachte die een feit, waarop een straf staat van niveau 6 of hoger, heeft gepleegd nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en pas wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

In het geval, vermeld in het derde lid, 2°, worden de stukken van de vorige procedure bij die van de nieuwe procedure gevoegd.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd