§ flandrepo

Programmadecreet bij de begroting 2025

Vlaamse Regering #121 Staatsblad 30 december 2024 NUMAC 2024011944
19 artikels gewijzigd
+1 −0 codex-wonen/art. 1.3
4126° kavels: de in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van een niet vervallen verkaveling afgebakende percelen;4126° kavels: de in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van een niet vervallen verkaveling afgebakende percelen;
4227° landmeter-expert: de landmeter-expert, ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep als bedoeld in de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert en op wie het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert van toepassing is;4227° landmeter-expert: de landmeter-expert, ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep als bedoeld in de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert en op wie het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert van toepassing is;
4327°/1 mobiele woonunit: woonvorm die gekenmerkt wordt door flexibiliteit en verplaatsbaarheid, bestemd voor tijdelijke bewoning;
4328° NBN EN 14604: Belgische norm inzake rookmelders, waarvan de registratie door het Belgisch Instituut voor Normalisatie werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 februari 2006, en de later bekendgemaakte wijzigingen ervan. Het is de omzetting van de Europese geharmoniseerde norm CE EN 14604;4428° NBN EN 14604: Belgische norm inzake rookmelders, waarvan de registratie door het Belgisch Instituut voor Normalisatie werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 februari 2006, en de later bekendgemaakte wijzigingen ervan. Het is de omzetting van de Europese geharmoniseerde norm CE EN 14604;
4429° niet-residentiële ruimte: elk onroerend goed of deel ervan dat niet bestemd is voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande en dat geen gemeenschapsvoorziening is noch een specifieke voorziening zoals bedoeld in artikel 5.40;4529° niet-residentiële ruimte: elk onroerend goed of deel ervan dat niet bestemd is voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande en dat geen gemeenschapsvoorziening is noch een specifieke voorziening zoals bedoeld in artikel 5.40;
+1 −0 codex-wonen/art. 5.22
1Om het recht op wonen te bevorderen, kan de Vlaamse Regering, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, subsidie verlenen voor een aantal verrichtingen die betrekking hebben op sociale huurwoningen en die passen in de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur.1Om het recht op wonen te bevorderen, kan de Vlaamse Regering, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, subsidie verlenen voor een aantal verrichtingen die betrekking hebben op sociale huurwoningen en die passen in de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur.
2De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, een subsidie verlenen voor de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur die nodig is voor de realisatie van een gemengd sociaal woonproject als vermeld in artikel 1.3, §1, eerste lid, 70°, a). De Vlaamse Regering bepaalt het minimum aandeel sociale huurwoningen dat binnen het voornoemde gemengd sociaal woonproject moet worden gerealiseerd om in aanmerking te komen voor een subsidie voor de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur.2De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, een subsidie verlenen voor de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur die nodig is voor de realisatie van een gemengd sociaal woonproject als vermeld in artikel 1.3, §1, eerste lid, 70°, a). De Vlaamse Regering bepaalt het minimum aandeel sociale huurwoningen dat binnen het voornoemde gemengd sociaal woonproject moet worden gerealiseerd om in aanmerking te komen voor een subsidie voor de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur.
3De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begro-ting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, een subsidie verlenen voor stockage, transport en installatie van mobiele woonunits die dienen voor de tijde-lijke huisvesting van huurders van sociale huurwoningen en voor de daarvoor noodzakelijke infrastructuurwerken.
3Rekening houdend met de bepalingen van dit hoofdstuk stelt de Vlaamse Regering de bijzondere voorwaarden vast waaronder ze subsidie verleent.4Rekening houdend met de bepalingen van dit hoofdstuk stelt de Vlaamse Regering de bijzondere voorwaarden vast waaronder ze subsidie verleent.
+3 −2 codex-wonen/art. 5.23
1De Vlaamse Regering kan subsidie verlenen om initiatiefnemers in staat te stellen:1De Vlaamse Regering kan subsidie verlenen om initiatiefnemers in staat te stellen:
21° gronden bouwrijp te maken, in voorkomend geval door sloping van de aanwezige constructies;21° gronden bouwrijp te maken, in voorkomend geval door sloping van de aanwezige constructies;
32° infrastructuurwerken uit te voeren of aan te passen, namelijk de wegenuitrusting, de omgevingswerken, de openbare verlichting, het openbare watervoorzieningsnet en de inrichtingen voor afvoer en zuivering van afvalwater die voor de woningen in kwestie noodzakelijk zijn;32° infrastructuurwerken uit te voeren of aan te passen, namelijk de wegenuitrusting, de omgevingswerken, de openbare verlichting, het openbare watervoorzieningsnet en de inrichtingen voor afvoer en zuivering van afvalwater die voor de woningen of de mobiele woonunits in kwestie noodzakelijk zijn;
43° gemeenschapsvoorzieningen op te richten.43° gemeenschapsvoorzieningen op te richten;
54° mobiele woonunits als vermeld in artikel 5.22, derde lid, te stocke-ren, te transporteren, te installeren en het perceel waarop de mobiele woonunits geplaatst worden, aan te leggen.
+1 −1 codex-wonen/art. 5.24
1De infrastructuurwerken, vermeld in artikel 5.23, 2°, kunnen alleen gesubsidieerd worden als ze samen met de grond waarin of waarop ze worden uitgevoerd, binnen de termijn die door de Vlaams Regering wordt bepaald, overgedragen worden aan de gemeente om in het gemeentelijk openbaar domein te worden opgenomen, of aan een door de gemeente aangewezen rioolbeheerder die instaat voor het beheer en onderhoud van de rioleringen in de gemeente. De initiatiefnemer voegt de overeenkomst of het akkoord tussen de gemeente en rioolbeheerder bij de subsidieaanvraag. De gemeente en initiatiefnemer verklaren zich uiterlijk bij de indiening van de subsidieaanvraag principieel bereid tot die overdracht.1De infrastructuurwerken, vermeld in artikel 5.23, 2°, met uitzondering van de infrastructuurwerken die betrekking hebben op tijdelijke voorzieningen voor mobiele woonunits kunnen alleen gesubsidieerd worden als ze samen met de grond waarin of waarop ze worden uitgevoerd, binnen de termijn die door de Vlaams Regering wordt bepaald, overgedragen worden aan de gemeente om in het gemeentelijk openbaar domein te worden opgenomen, of aan een door de gemeente aangewezen rioolbeheerder die instaat voor het beheer en onderhoud van de rioleringen in de gemeente. De initiatiefnemer voegt de overeenkomst of het akkoord tussen de gemeente en rioolbeheerder bij de subsidieaanvraag. De gemeente en initiatiefnemer verklaren zich uiterlijk bij de indiening van de subsidieaanvraag principieel bereid tot die overdracht.
2De initiatiefnemer kan de gemeenschapsvoorzieningen die niet uitsluitend bedoeld zijn voor de bewoners van de woningen van het sociaal woonproject, aan de gemeente overdragen om in het gemeentelijke openbare domein te worden opgenomen.2De initiatiefnemer kan de gemeenschapsvoorzieningen die niet uitsluitend bedoeld zijn voor de bewoners van de woningen van het sociaal woonproject, aan de gemeente overdragen om in het gemeentelijke openbare domein te worden opgenomen.
3De initiatiefnemer mag voor de overdracht aan de gemeente, bedoeld in dit artikel, een vergoeding vragen die niet meer mag bedragen dan het niet-gesubsidieerde deel van de kostprijs van de werkzaamheden, verrichtingen en voorzieningen.3De initiatiefnemer mag voor de overdracht aan de gemeente, bedoeld in dit artikel, een vergoeding vragen die niet meer mag bedragen dan het niet-gesubsidieerde deel van de kostprijs van de werkzaamheden, verrichtingen en voorzieningen.
+6 −8 decreet-2011-12-23-1021295/art. 46
776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
809° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;809° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8110° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;8110° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8211° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.8211° in het heffingsjaar 2028 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.
83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.
84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :
1304° het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting, met recuperatie van energie, van recyclageresidu's van selectief ingezameld gebruikt textiel, zoals kledij, huishoudlinnen en schoenen, en van recyclageresidu's van bedrijven die glasafval, afkomstig van selectieve inzamelingen, gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas;1304° het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting, met recuperatie van energie, van recyclageresidu's van selectief ingezameld gebruikt textiel, zoals kledij, huishoudlinnen en schoenen, en van recyclageresidu's van bedrijven die glasafval, afkomstig van selectieve inzamelingen, gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas;
1315° het inzetten in een meeverbrandingsinstallatie van niet-gevaarlijke afvalstoffen waarvan de onderste verbrandingswaarde, berekend op de droogrest, kleiner is dan 8 MJ/kg, en waarvan de minerale fractie, inclusief carbonaten, uitgedrukt als gewichtpercent asrest op de droogrest, groter is dan 50 %, en die ingezet worden omwille van hun minerale fractie, met uitzondering van afvalstoffen die ingezet worden als afvalwater;1315° het inzetten in een meeverbrandingsinstallatie van niet-gevaarlijke afvalstoffen waarvan de onderste verbrandingswaarde, berekend op de droogrest, kleiner is dan 8 MJ/kg, en waarvan de minerale fractie, inclusief carbonaten, uitgedrukt als gewichtpercent asrest op de droogrest, groter is dan 50 %, en die ingezet worden omwille van hun minerale fractie, met uitzondering van afvalstoffen die ingezet worden als afvalwater;
1326° vanaf 1 juli 2016 voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van de hierna vermelde afvalstoffen geproduceerd in een ander land dan België en die worden overgebracht onder toepassing van de bepalingen van de Verordening (EG) Nr 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen :1326° vanaf 1 juli 2016 voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van gevaarlijke afvalstoffen geproduceerd in een ander land dan België en die worden overgebracht onder toepassing van de bepalingen van de verordening (EG) nr. 1013/2006 van 14 juni 2006 betref-fende de overbrenging van afvalstoffen.
133a) gevaarlijke afvalstoffen;
134b) ongevaarlijke slibs, behorende tot de hoofdstukken 04, 05, 06, 07, 08, 12, 16 en 19 van de lijst, bedoeld in artikel 35.
135Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand.133Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden over-gebracht als voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand.
136Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn;134Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn;
1377° voor wat betreft het buiten het Vlaamse Gewest ingezameld en in het Vlaamse Gewest gesorteerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval.1357° voor wat betreft het buiten het Vlaamse Gewest ingezameld en in het Vlaamse Gewest gesorteerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval.
+6 −8 decreet-2011-12-23-1021295/art. 46
776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;776° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;787° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;798° in de heffingsjaren 2020 tot en met 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
809° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;809° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8110° in het heffingsjaar 2026 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;8110° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
8211° in het heffingsjaar 2027 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.8211° in het heffingsjaar 2028 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.
83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.83Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2.
84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :84Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :
1304° het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting, met recuperatie van energie, van recyclageresidu's van selectief ingezameld gebruikt textiel, zoals kledij, huishoudlinnen en schoenen, en van recyclageresidu's van bedrijven die glasafval, afkomstig van selectieve inzamelingen, gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas;1304° het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting, met recuperatie van energie, van recyclageresidu's van selectief ingezameld gebruikt textiel, zoals kledij, huishoudlinnen en schoenen, en van recyclageresidu's van bedrijven die glasafval, afkomstig van selectieve inzamelingen, gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas;
1315° het inzetten in een meeverbrandingsinstallatie van niet-gevaarlijke afvalstoffen waarvan de onderste verbrandingswaarde, berekend op de droogrest, kleiner is dan 8 MJ/kg, en waarvan de minerale fractie, inclusief carbonaten, uitgedrukt als gewichtpercent asrest op de droogrest, groter is dan 50 %, en die ingezet worden omwille van hun minerale fractie, met uitzondering van afvalstoffen die ingezet worden als afvalwater;1315° het inzetten in een meeverbrandingsinstallatie van niet-gevaarlijke afvalstoffen waarvan de onderste verbrandingswaarde, berekend op de droogrest, kleiner is dan 8 MJ/kg, en waarvan de minerale fractie, inclusief carbonaten, uitgedrukt als gewichtpercent asrest op de droogrest, groter is dan 50 %, en die ingezet worden omwille van hun minerale fractie, met uitzondering van afvalstoffen die ingezet worden als afvalwater;
1326° vanaf 1 juli 2016 voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van de hierna vermelde afvalstoffen geproduceerd in een ander land dan België en die worden overgebracht onder toepassing van de bepalingen van de Verordening (EG) Nr 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen :1326° vanaf 1 juli 2016 voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van gevaarlijke afvalstoffen geproduceerd in een ander land dan België en die worden overgebracht onder toepassing van de bepalingen van de verordening (EG) nr. 1013/2006 van 14 juni 2006 betref-fende de overbrenging van afvalstoffen.
133a) gevaarlijke afvalstoffen;
134b) ongevaarlijke slibs, behorende tot de hoofdstukken 04, 05, 06, 07, 08, 12, 16 en 19 van de lijst, bedoeld in artikel 35.
135Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand.133Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden over-gebracht als voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand.
136Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn;134Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn;
1377° voor wat betreft het buiten het Vlaamse Gewest ingezameld en in het Vlaamse Gewest gesorteerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval.1357° voor wat betreft het buiten het Vlaamse Gewest ingezameld en in het Vlaamse Gewest gesorteerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval.
+9 −2 decreet-2009-02-20/art. 4
1§1. Naast de werkingsuitkering ontvangt de Hogere Zeevaartschool vanaf het begrotingsjaar 2009 een bedrag van 169.183 euro voor investeringsmiddelen en een bedrag van 18.839 euro voor eigenaarsonderhoud.1§1. Naast de werkingsuitkering ontvangt de Hogere Zeevaartschool een bedrag van 194.000 euro voor investeringsmiddelen (prijsniveau 2024).
2§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2011 wordt het bedrag van de investeringsmiddelen geïndexeerd volgens de evolutie van de gezondheidsindex.
2§2. Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag van de investeringsmiddelen, vermeld in paragraaf 1, geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.46, §5, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.
3§ 3. De investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur die bestemd is voor het onderwijs, en voor de onroerende investeringen voor de sociale voorzieningen, en tot dekking van de kapitaal- en intrestlasten die voortvloeien uit leningen voor de investeringsuitgaven.3§ 3. De investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur die bestemd is voor het onderwijs, en voor de onroerende investeringen voor de sociale voorzieningen, en tot dekking van de kapitaal- en intrestlasten die voortvloeien uit leningen voor de investeringsuitgaven.
4§ 4. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in begrotingsjaar 2018 een eenmalige bijkomende investeringsdotatie van 10.000.000 euro.4§ 4. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in begrotingsjaar 2018 een eenmalige bijkomende investeringsdotatie van 10.000.000 euro.
5§ 5. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in het begrotingsjaar 2021 eenmalige bijkomende investeringsmiddelen ten bedrage van 100.000 euro.5§ 5. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in het begrotingsjaar 2021 eenmalige bijkomende investeringsmiddelen ten bedrage van 100.000 euro.
6§6. Als aanvulling op het bedrag, vermeld in paragraaf 1, kan de Vlaamse Rege-ring in begrotingsjaar 2025 een eenmalige bijkomende investeringstoelage van 20.000.000 euro toekennen aan de Hogere Zeevaartschool in het kader van het renovatie- en nieuwbouwproject. De daaraan gekoppelde betaalkredieten worden over vijf jaar gespreid: 10 procent wordt uitbetaald in 2025, 20 procent in 2026, 30 procent in 2027, 20 procent in 2028 en 20 procent in 2029.
7De Hogere Zeevaartschool dient voor de toekenning een inhoudelijk dossier in bij de Vlaamse Regering dat minstens bestaat uit de volgende elementen:
81° een actuele en realistische bouwprijs met inbegrip van ecologische technieken;
92° een degelijke projectmatige opvolging van het bouwproces;
103° een regelmatige rapportering aan de regeringscommissaris;
114° een engagementsverklaring van externe partijen.
12De Vlaamse Regering is gemachtigd om het betalingsritme te koppelen aan eventueel bijkomende voorwaarden omtrent cofinanciering.
+9 −2 decreet-2009-02-20/art. 4
1§1. Naast de werkingsuitkering ontvangt de Hogere Zeevaartschool vanaf het begrotingsjaar 2009 een bedrag van 169.183 euro voor investeringsmiddelen en een bedrag van 18.839 euro voor eigenaarsonderhoud.1§1. Naast de werkingsuitkering ontvangt de Hogere Zeevaartschool een bedrag van 194.000 euro voor investeringsmiddelen (prijsniveau 2024).
2§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2011 wordt het bedrag van de investeringsmiddelen geïndexeerd volgens de evolutie van de gezondheidsindex.
2§2. Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag van de investeringsmiddelen, vermeld in paragraaf 1, geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.46, §5, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.
3§ 3. De investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur die bestemd is voor het onderwijs, en voor de onroerende investeringen voor de sociale voorzieningen, en tot dekking van de kapitaal- en intrestlasten die voortvloeien uit leningen voor de investeringsuitgaven.3§ 3. De investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur die bestemd is voor het onderwijs, en voor de onroerende investeringen voor de sociale voorzieningen, en tot dekking van de kapitaal- en intrestlasten die voortvloeien uit leningen voor de investeringsuitgaven.
4§ 4. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in begrotingsjaar 2018 een eenmalige bijkomende investeringsdotatie van 10.000.000 euro.4§ 4. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in begrotingsjaar 2018 een eenmalige bijkomende investeringsdotatie van 10.000.000 euro.
5§ 5. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in het begrotingsjaar 2021 eenmalige bijkomende investeringsmiddelen ten bedrage van 100.000 euro.5§ 5. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in het begrotingsjaar 2021 eenmalige bijkomende investeringsmiddelen ten bedrage van 100.000 euro.
6§6. Als aanvulling op het bedrag, vermeld in paragraaf 1, kan de Vlaamse Rege-ring in begrotingsjaar 2025 een eenmalige bijkomende investeringstoelage van 20.000.000 euro toekennen aan de Hogere Zeevaartschool in het kader van het renovatie- en nieuwbouwproject. De daaraan gekoppelde betaalkredieten worden over vijf jaar gespreid: 10 procent wordt uitbetaald in 2025, 20 procent in 2026, 30 procent in 2027, 20 procent in 2028 en 20 procent in 2029.
7De Hogere Zeevaartschool dient voor de toekenning een inhoudelijk dossier in bij de Vlaamse Regering dat minstens bestaat uit de volgende elementen:
81° een actuele en realistische bouwprijs met inbegrip van ecologische technieken;
92° een degelijke projectmatige opvolging van het bouwproces;
103° een regelmatige rapportering aan de regeringscommissaris;
114° een engagementsverklaring van externe partijen.
12De Vlaamse Regering is gemachtigd om het betalingsritme te koppelen aan eventueel bijkomende voorwaarden omtrent cofinanciering.
+1 −0 decreet-2007-06-15/art. 196sexies
9De centra voor volwassenenonderwijs kunnen na een voorafgaand akkoord in het bevoegde lokale comité de toegekende leraarsuren ten laste van het begrotingsjaar 2023 omzetten in werkingsmiddelen voor contractuele aanwervingen ten belope van de lesopdracht tijdens de maanden juli en augustus. Voor de omzetting geldt één leraarsuur voor 63,64 euro. Uiterlijk twee maanden na de melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de om te zetten leraarsuren voor de aanwerving van contractuele personeelsleden worden 80% van deze omgezette werkingsmiddelen als voorschot aan de centra uitbetaald. Het resterende saldo van 20% wordt uitbetaald uiterlijk in de loop van de maand december van het kalenderjaar 2023. Het centrum moet alle aangewende middelen bewijzen met facturen of betalingen die werden gedaan in het kader van deze contractuele aanstellingen. Niet-aangewende middelen worden na het einde van het kalenderjaar 2023 teruggestort. Daarvoor deelt het centrum het niet-aangewende bedrag mee aan de bevoegde administratie.9De centra voor volwassenenonderwijs kunnen na een voorafgaand akkoord in het bevoegde lokale comité de toegekende leraarsuren ten laste van het begrotingsjaar 2023 omzetten in werkingsmiddelen voor contractuele aanwervingen ten belope van de lesopdracht tijdens de maanden juli en augustus. Voor de omzetting geldt één leraarsuur voor 63,64 euro. Uiterlijk twee maanden na de melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de om te zetten leraarsuren voor de aanwerving van contractuele personeelsleden worden 80% van deze omgezette werkingsmiddelen als voorschot aan de centra uitbetaald. Het resterende saldo van 20% wordt uitbetaald uiterlijk in de loop van de maand december van het kalenderjaar 2023. Het centrum moet alle aangewende middelen bewijzen met facturen of betalingen die werden gedaan in het kader van deze contractuele aanstellingen. Niet-aangewende middelen worden na het einde van het kalenderjaar 2023 teruggestort. Daarvoor deelt het centrum het niet-aangewende bedrag mee aan de bevoegde administratie.
10Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.10Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
11Ten laste van het begrotingsjaar 2025 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmid-delen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende voltijdsequivalenten, 1494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie.
11§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.12§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.
12§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.13§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.1.1
1513° sanering: het ondernemen van alle acties nodig voor de organisatie en de uitvoering van het opvangen, transporteren, collecteren en zuiveren van het afvalwater;1513° sanering: het ondernemen van alle acties nodig voor de organisatie en de uitvoering van het opvangen, transporteren, collecteren en zuiveren van het afvalwater;
1614° titel II van het Vlarem: besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;1614° titel II van het Vlarem: besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
1715° toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving: Voor de toepassing van dit decreet wordt onder de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving verstaan: de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, vermeld in artikel 12, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.1715° toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving: de gewestelijke toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving vermeld in artikel 12, 1°, en artikel 12, 9° tot en met 9°/3, van het besluit van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en de provinciale en lokale toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, zoals bedoeld in artikel 13 van hetzelfde besluit;
1816° Vlaamse Milieumaatschappij: intern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Milieumaatschappij opgericht bij decreet van 7 mei 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, tot aanvulling ervan met een titel Agentschappen en tot wijziging van diverse andere wetten en decreten;1816° Vlaamse Milieumaatschappij: intern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Milieumaatschappij opgericht bij decreet van 7 mei 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, tot aanvulling ervan met een titel Agentschappen en tot wijziging van diverse andere wetten en decreten;
1917° water bestemd voor menselijke consumptie: al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding, vaat of persoonlijke hygiëne, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een waterdistributienetwerk of via een private waterwinning, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen, met uitzondering van:1917° water bestemd voor menselijke consumptie: al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding, vaat of persoonlijke hygiëne, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een waterdistributienetwerk of via een private waterwinning, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen, met uitzondering van:
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.1.1
16a) in het individueel of collectief te optimaliseren buitengebied;16a) in het individueel of collectief te optimaliseren buitengebied;
17b) in het centraal, collectief geoptimaliseerd of collectief te optimaliseren buitengebied, waarbij conform artikel 6.2.2.1.2, §1, van titel II van het VLAREM wordt afgeweken van de aansluitplicht op openbare riolering.17b) in het centraal, collectief geoptimaliseerd of collectief te optimaliseren buitengebied, waarbij conform artikel 6.2.2.1.2, §1, van titel II van het VLAREM wordt afgeweken van de aansluitplicht op openbare riolering.
18Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 33,38 euro.18Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 45,53 euro.
19De eenheidstarieven van de heffing worden jaarlijks gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen voor de maand november van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het heffingsjaar wordt genoemd met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen van november 1992, basis 1988, met name 113,77.19De eenheidstarieven van de heffing worden jaarlijks gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen voor de maand november van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het heffingsjaar wordt genoemd met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen van november 1992, basis 1988, met name 113,77.
20De indexering wordt ieder jaar ambtshalve toegepast op 1 januari. Het aangepaste bedrag wordt afgerond op de hogere eurocent.20De indexering wordt ieder jaar ambtshalve toegepast op 1 januari. Het aangepaste bedrag wordt afgerond op de hogere eurocent.
+1 −0 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.1.2
1Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel artikel 4.2.2.2.1 §1 en §3, wordt geen heffing gevestigd op het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de openbare drinkwatervoorzieningsmaatschappij gefactureerd waterverbruik voor zover op dit waterverbruik een bijdrage, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.1.1., aangerekend werd voor de bovengemeentelijke sanering.1Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel artikel 4.2.2.2.1 §1 en §3, wordt geen heffing gevestigd op het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de openbare drinkwatervoorzieningsmaatschappij gefactureerd waterverbruik voor zover op dit waterverbruik een bijdrage, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.1.1., aangerekend werd voor de bovengemeentelijke sanering.
2Vanaf heffingsjaar 2024 worden de heffingsplichtigen, vermeld in het eerste lid, bij wijze van overgangsmaatregel vrijgesteld van heffing voor het door Brabant Water N.V. gefactureerd waterverbruik dat vóór 1 januari 2024 ver-bruikt werd.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.1.2
1Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel artikel 4.2.2.2.1 §1en §3, wordt geen heffing gevestigd op het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de openbare drinkwatervoorzieningsmaatschappij gefactureerd waterverbruik voor zover op dit waterverbruik een bijdrage, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.1.1., aangerekend werd voor de bovengemeentelijke sanering.1Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 4.2.2.2.1, eerste lid, 1° en 3°, wordt geen heffing gevestigd op het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de openbare drinkwatervoorzieningsmaatschappij gefactureerd waterverbruik voor zover op dit waterverbruik een bijdrage, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.1.1., aangerekend werd voor de bovengemeentelijke sanering.
2Vanaf heffingsjaar 2024 worden de heffingsplichtigen, vermeld in het eerste lid, bij wijze van overgangsmaatregel vrijgesteld van heffing voor het door Brabant Water N.V. gefactureerd waterverbruik dat vóór 1 januari 2024 ver-bruikt werd.2Vanaf heffingsjaar 2024 worden de heffingsplichtigen, vermeld in het eerste lid, bij wijze van overgangsmaatregel vrijgesteld van heffing voor het door Brabant Water N.V. gefactureerd waterverbruik dat vóór 1 januari 2024 ver-bruikt werd.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.1.3
3B = de som van de bovengemeentelijke bijdrage en vergoeding, vermeld in artikel 4.3.2.1 en 4.3.2.2, exclusief btw. De Vlaamse Milieumaatschappij kan vermelde som voorafgaand aan de aanrekening door de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk in mindering brengen. De heffing kan in geen geval negatief worden.3B = de som van de bovengemeentelijke bijdrage en vergoeding, vermeld in artikel 4.3.2.1 en 4.3.2.2, exclusief btw. De Vlaamse Milieumaatschappij kan vermelde som voorafgaand aan de aanrekening door de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk in mindering brengen. De heffing kan in geen geval negatief worden.
4Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik waarop de Vennootschap vermeld in artikel 2.6.1.1.1, de vergoeding, vermeld in artikel 2.6.2.1, aanrekent voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, exclusief btw, op voorwaarde dat de heffingsplichtige waterverontreiniging deze vergoeding heeft betaald."4Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik waarop de Vennootschap vermeld in artikel 2.6.1.1.1, de vergoeding, vermeld in artikel 2.6.2.1, aanrekent voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, exclusief btw, op voorwaarde dat de heffingsplichtige waterverontreiniging deze vergoeding heeft betaald."
5§2. Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 4.2.2.2.1. §2en 3, wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik QP respectievelijk Qg voor zover door de openbare watervoorzieningsmaatschappij op dit waterverbruik een vergoeding, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.2.1, werd aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering.5§2. Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 4.2.2.2.1, eerste lid, 2° en 3°, wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik QP respectievelijk Qg voor zover door de openbare watervoorzieningsmaatschappij op dit waterverbruik een vergoeding, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.2.1, werd aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.1.5
143° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet of een gezinslid de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft;143° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet of een gezinslid de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft;
154° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, eerste lid, 47°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige, vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood genoten heeft;154° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, eerste lid, 47°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige, vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood genoten heeft;
165° de afscheurstrook van het overeenkomstige heffingsbiljet.
165° ....
17Mits op 1 januari van het heffingsjaar of op datum van overlijden voldaan is aan de bovenvermelde voorwaarden, is het vermeld sociaal tarief van rechtswege verworven.17Mits op 1 januari van het heffingsjaar of op datum van overlijden voldaan is aan de bovenvermelde voorwaarden, is het vermeld sociaal tarief van rechtswege verworven.
18§3. Als de heffing betrekking heeft op het waterverbruik van een of meer gezinnen die gedomicilieerd zijn op het adres van de heffingsplichtige en waarvan de heffingsplichtige geen deel uitmaakt, geldt in afwijking van paragraaf 1 de volgende regeling: de in dat gebouw gedomicilieerde gezinnen, waarvan een gezinslid op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden tot een van de categorieën vermeld in paragraaf 1, eerste lid, behoort, komen in aanmerking voor een compensatie in hun aandeel in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in paragraaf 1, overeenkomstig de voorwaarden en de procedure/regeling vermeld in artikel 4.2.2.1.6.18§3. Als de heffing betrekking heeft op het waterverbruik van een of meer gezinnen die gedomicilieerd zijn op het adres van de heffingsplichtige en waarvan de heffingsplichtige geen deel uitmaakt, geldt in afwijking van paragraaf 1 de volgende regeling: de in dat gebouw gedomicilieerde gezinnen, waarvan een gezinslid op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden tot een van de categorieën vermeld in paragraaf 1, eerste lid, behoort, komen in aanmerking voor een compensatie in hun aandeel in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in paragraaf 1, overeenkomstig de voorwaarden en de procedure/regeling vermeld in artikel 4.2.2.1.6.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.5.1
25waarin:25waarin:
26Nk: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van koelwa­ter;26Nk: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van koelwa­ter;
27k: het thermisch belast koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;27K: het thermisch belast koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1;
28ak: deze term is gelijk aan 0,550.28ak: deze term is gelijk aan 0,550.
29Nv = (Q - K) x Cv29Nv = (Q - K) x Cv
+1 −0 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.4.2
6§3. De heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1.§1, 2°, die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, gedeeltelijk overschakelt op water, afgenomen van een openbaar waterdistributienet, meldt dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum dat hij over een aansluiting bij de openbare watervoorzieningsmaatschappij beschikt.6§3. De heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1.§1, 2°, die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, gedeeltelijk overschakelt op water, afgenomen van een openbaar waterdistributienet, meldt dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum dat hij over een aansluiting bij de openbare watervoorzieningsmaatschappij beschikt.
7De heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1, §1, 3°, die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, volledig overschakelt op water opgenomen uit een eigen waterwinning, meldt dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum dat hij uitsluitend gebruik maakt van een eigen waterwinning.7De heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1, §1, 3°, die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, volledig overschakelt op water opgenomen uit een eigen waterwinning, meldt dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum dat hij uitsluitend gebruik maakt van een eigen waterwinning.
8§4. Correcte en volledige meldingen of aanvragen gedaan via de daarvoor be-stemde digitale loketten ingericht in het kader van hoofdstuk 5 van titel 2 van het Scheepvaartdecreet van 21 januari 2022 en artikel 30 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, volstaan als melding zoals bedoeld in de eerste paragraaf.
+2 −2 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.3.1.1.4
8Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed geen wooneenheden heeft, past de exploitant een vlakke tariefstructuur toe om de variabele prijs te bepalen. Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed één of meerdere wooneenheden heeft, past de exploitant een progressieve tariefstructuur met twee schijven om de variabele prijs te bepalen. De schijfgrens ligt op een verbruik van 30 m³ per wooneenheid per jaar, vermeerderd met 30 m³ per gedomicilieerde per wooneenheid per jaar. Van deze indeling kan afgeweken worden.8Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed geen wooneenheden heeft, past de exploitant een vlakke tariefstructuur toe om de variabele prijs te bepalen. Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed één of meerdere wooneenheden heeft, past de exploitant een progressieve tariefstructuur met twee schijven om de variabele prijs te bepalen. De schijfgrens ligt op een verbruik van 30 m³ per wooneenheid per jaar, vermeerderd met 30 m³ per gedomicilieerde per wooneenheid per jaar. Van deze indeling kan afgeweken worden.
9De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen. Criteria die meegenomen moeten worden in deze nadere regels zijn het stimuleren van duurzaam watergebruik bij de abonnee en een eenduidige en transparante aanrekening door de exploitant.9De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen. Criteria die meegenomen moeten worden in deze nadere regels zijn het stimuleren van duurzaam watergebruik bij de abonnee en een eenduidige en transparante aanrekening door de exploitant.
10§2. Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de collectieve sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 1,4 keer hoger zijn.10§2. Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de collectieve sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 1,15 keer hoger zijn.
11Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de individuele sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 2,4 keer hoger zijn.11Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de individuele sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 2,15 keer hoger zijn.
12De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen.12De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen.
13De Vlaamse Milieumaatschappij legt de verdere voorwaarden met betrekking tot de aanrekening van de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage vast in een protocol met de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op een uniforme omzetting van de aanrekeningregels in Vlaanderen, de data-uitwisseling tussen de exploitant en de Vlaamse Milieumaatschappij en de toe te passen afrondingsregels.13De Vlaamse Milieumaatschappij legt de verdere voorwaarden met betrekking tot de aanrekening van de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage vast in een protocol met de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op een uniforme omzetting van de aanrekeningregels in Vlaanderen, de data-uitwisseling tussen de exploitant en de Vlaamse Milieumaatschappij en de toe te passen afrondingsregels.
+2 −2 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.3.1.2.1
1§1. In dit artikel wordt verstaan onder gebruiker van een private waterwinning: onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.2.2.2.2 en 4.2.2.2.3. een klant is een heffingsplichtige als vermeld in artikel 4.2.2.2.1., §1en §3.1§1. In dit artikel wordt verstaan onder gebruiker van een private waterwinning: onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.2.2.2.2 en 4.2.2.2.3. een klant is een heffingsplichtige als vermeld in artikel 4.2.2.2.1, eerste lid, 1° en 3°.
2De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kan een vergoeding aanrekenen aan de gebruiker van een private waterwinning als bijdrage in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning.2De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kan een vergoeding aanrekenen aan de gebruiker van een private waterwinning als bijdrage in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning.
3De vergoedingen in de kostprijs voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, bestaan op gemeentelijk vlak uit een vastrecht en een variabele prijs. Het vastrecht van de vergoeding mag niet aangerekend worden voor de gebruiker van een private waterwinning die ook abonnee is.3De vergoedingen in de kostprijs voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, bestaan op gemeentelijk vlak uit een vastrecht en een variabele prijs. Het vastrecht van de vergoeding mag niet aangerekend worden voor de gebruiker van een private waterwinning die ook abonnee is.
5De vergoeding voor de sanering op bovengemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting.5De vergoeding voor de sanering op bovengemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting.
6De bepalingen van artikel 4.3.1.1.2, §3 en §4, artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4 zijn van overeenkomstige toepassing op de vergoeding, vermeld in het tweede lid.6De bepalingen van artikel 4.3.1.1.2, §3 en §4, artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4 zijn van overeenkomstige toepassing op de vergoeding, vermeld in het tweede lid.
7§2. Als een vergoeding als vermeld in paragraaf 1, wordt aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering, wordt het bedrag ervan bepaald conform artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4, met dien verstande dat Q in dat geval gelijk is aan het aantal m³ water, opgenomen via de private waterwinning. Het water, opgenomen via de private waterwinning, wordt bepaald conform artikel 4.2.2.2.1, §2en §3.7§2. Als een vergoeding als vermeld in paragraaf 1, wordt aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering, wordt het bedrag ervan bepaald conform artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4, met dien verstande dat Q in dat geval gelijk is aan het aantal m³ water, opgenomen via de private waterwinning. Het water, opgenomen via de private waterwinning, wordt bepaald conform artikel 4.2.2.2.1, eerste lid, 2° en 3°.
8§3. De gemeentelijke tarieven voor de berekening van de variabele prijs en de economische, ecologische en sociale beperkingen, vermeld in artikel 4.3.1.1.2, §3, maken deel uit van de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.6.1.3.3.8§3. De gemeentelijke tarieven voor de berekening van de variabele prijs en de economische, ecologische en sociale beperkingen, vermeld in artikel 4.3.1.1.2, §3, maken deel uit van de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.6.1.3.3.
9§4. Wooninrichtingen worden onweerlegbaar vermoed te zijn aangesloten op de bovengemeentelijke saneringsinfrastructuur als ze gelegen zijn in een zone van vijftig meter rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren dat:9§4. Wooninrichtingen worden onweerlegbaar vermoed te zijn aangesloten op de bovengemeentelijke saneringsinfrastructuur als ze gelegen zijn in een zone van vijftig meter rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren dat:
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd