§ flandrepo
89 regels · van kracht sinds 1 jan 2025

Artikel 84

§1. Een attest waaruit blijkt dat een perceel niet fosfaatverzadigd is, afgeleverd op grond van artikel 15quater, § 4 van hetzelfde decreet van 23 januari 1991, heeft dezelfde rechtsgevolgen als een attest afgeleverd op grond van artikel 17, § 5.

§2. Percelen gelegen in zandgronden, waarvan de landbouwer, in uitvoering van artikel 13, § 2, zoals het gold op 31 december 2010, door een textuuranalyse van het betreffende perceel reeds aangetoond heeft dat de textuurklasse van dat perceel niet textuurklasse P, S of Z is, worden in afwijking van artikel 3, 72°, niet aanzien als zandgrond.

§3. Aan landbouwers die in het kalenderjaar 2011 maatregelen opgelegd kregen, in uitvoering van artikel 38, en de opgelegde maatregelen in 2011 niet volledig hebben nageleefd, worden in 2012 de volgende maatregelen opgelegd :

  1. 1°de maatregelen vermeld in artikel 14, § 4, als de landbouwer in 2011 de maatregelen, als vermeld in artikel 2, § 1, van het ministerieel besluit van 11 februari 2011 tot nadere bepaling van de strengere verbodsbepalingen ter uitvoering van artikel 38 van het Mestdecreet van 22 december 2006, opgelegd kreeg;
  2. 2°de maatregelen vermeld in artikel 14, § 5, als de landbouwer in 2011, de maatregelen, als vermeld in artikel 2, § 2, van het ministerieel besluit van 11 februari 2011 tot nadere bepaling van de strengere verbodsbepalingen ter uitvoering van artikel 38 van het Mestdecreet van 22 december 2006, opgelegd kreeg;
  3. 3°de maatregelen vermeld in artikel 14, § 6, als de landbouwer in 2011, de maatregelen, als vermeld in artikel 2, § 3, van het ministerieel besluit van 11 februari 2011 tot nadere bepaling van de strengere verbodsbepalingen ter uitvoering van artikel 38 van het Mestdecreet van 22 december 2006, opgelegd kreeg.

§4. De Vlaamse Regering kan voor een periode tot en met 1 september 2011, afwijkingen voorzien op artikel 8, als blijkt dat de landbouwers niet bij machte zijn om de wijzigingen die aan dit decreet in 2011 zijn ingevoerd, uit te voeren.

§5. De overname van nutriëntenemissierechten mits verwerking van mest, vermeld in artikel 34, §1, eerste lid, 1°, zoals laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juni 2015, en de overname van nutriëntenemissierechten waarop de meldingsplicht van artikel 34, §1, derde lid, zoals laatst gewijzigd bij het decreet van 24 mei 2019, van toepassing is, worden uitgevoerd en beoordeeld op basis van de bepalingen van artikel 34 en de uitvoeringsbesluiten ervan zoals die van kracht zijn op 1 januari 2023.

§6. In afwijking van artikel 22, §1, tweede lid, 1°, kan er tot 1 januari 2028 op grasland ook gebruikgemaakt worden van een sleepslangtechniek.

§7. In afwachting van een vaststelling door de Vlaamse Regering van de nadere regels om vast te stellen welke meststoffen als traagwerkende meststof beschouwd worden en aangaande de wijze waarop aangetoond wordt dat een meststof een traagwerkende meststof is als vermeld in artikel 3, § 5, 22°, worden als traagwerkende meststof beschouwd, de andere meststoffen en bewerkte dierlijke mest die stikstof in dusdanige vorm bevatten, dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging als vermeld in artikel 8, § 4, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014.

§8. In afwachting van een bepaling door de Vlaamse Regering van de meststoffen die een meststof zijn waarvan de stikstofinhoud laag is als vermeld in artikel 8, § 4, derde lid, worden als meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is beschouwd, de andere meststoffen en bewerkte dierlijke mest waarvan de stikstofinhoud laag is als vermeld in artikel 8, § 4, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, met dien verstande dat bij het gebruik van deze meststoffen, er moet op toegezien worden dat de opgebrachte hoeveelheid in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 8, § 4, derde lid, van dit decreet.

§9. Voor het jaar 2015 wordt voor de toepassing van artikel 8, § 4, derde lid, 15 november gelezen als 31 december.

§10. In afwijking van artikel 13, § 1 en § 2, kunnen landbouwers in het jaar 2015 nog opteren voor een systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof als vermeld in artikel 13, § 1, vijfde lid, 1°, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014. Een landbouwer die hiervoor opteert moet in het jaar 2015 zijn stikstofbemesting beperken tot de hoeveelheden, vermeld in artikel 13, § 2, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, met dien verstande dat voor het bepalen van de toegelaten hoeveelheden, sierteelt en boomkweek als een groente van groep II en dat aardbeien op zandgronden of op niet-zandgronden, aanzien worden als een groente van groep II op zandgronden.

De landbouwer die voor het jaar 2015 kiest voor het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof, deelt dit in het jaar 2016 mee bij de aangifte, vermeld in artikel 23.

Voor de landbouwer die in het jaar 2015 kiest voor het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof als vermeld in artikel 13, § 1, vijfde lid, 1°, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, wordt voor de berekening van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 63, § 1, voor het kalenderjaar 2015, het aantal nutriënten dat niet is afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, bepaald als de som van het aantal kg N die niet is afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 63, § 1, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, en het aantal kg P2O5 die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 63, § 2, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014.

§11. In afwijking van artikel 13, § 3, tweede lid, kan de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem ook bepaald worden op basis van een bodemanalyse die uitgevoerd is vóór 1 augustus 2015 en waarbij, hoewel de X-Y-coördinaten niet vermeld zijn, het geanalyseerde perceel toch op een eenduidige manier geïdentificeerd kan worden.

§12. In afwijking van artikel 13, § 3, derde lid, worden, in afwachting van de aanpassing van het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, mogen de bodemanalyses, vermeld in artikel 13, § 3, op een andere wijze aan de Mestbank overgemaakt worden.

§13. In afwachting van een bepaling door de Vlaamse Regering van het aantal staalnames met bijhorend bemestingsadvies dat in een bepaald jaar minimaal uitgevoerd moet worden opdat er een voldoende aantal staalnames als vermeld in artikel 13, § 7, eerste lid, zou zijn, wordt het aantal staalnames met bijhorend bemestingsadvies dat in een bepaald jaar minimaal uitgevoerd moet worden bepaald als de som, afgerond naar het hogere geheel getal, van de volgende twee getallen:

  1. 1°één zesde van het aantal hectares landbouwgrond dat tot het bedrijf behoort, dat niet gelegen is in gebiedstype 0 en waarop in het betreffende jaar, overeenkomstig de verzamelaanvraag:
  2. a)hetzij een blijvende teelt wordt geteeld die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II;
  3. b)hetzij een van de volgende teelten wordt geteeld: artisjokken, boomkweek van bosplanten, fruitplanten, sierplanten of andere planten of sierbomen en sierstruiken;
  4. 2°de helft van het aantal hectares landbouwgrond dat tot het bedrijf behoort dat niet gelegen is in gebiedstype 0 en waarop in het betreffende jaar, overeenkomstig de verzamelaanvraag, een teelt wordt geteeld die geen teelt is als vermeld in 1°.

Het aantal hectares tot het bedrijf behorende landbouwgronden die niet gelegen zijn in gebiedstype 0 en waarop in een bepaald jaar, overeenkomstig de verzamelaanvraag, zowel een teelt wordt geteeld als vermeld in het eerste lid, 1°, als een teelt als vermeld in het eerste lid, 2°, wordt enkel meegerekend voor het bepalen van het getal, vermeld in het eerste lid, 2°.

Als de som, vermeld in het eerste lid, groter is dan het aantal percelen tot het bedrijf behorende landbouwgronden die niet gelegen zijn in gebiedstype 0 en waarop een teelt wordt geteeld die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien, dan wordt het aantal staalnames met bijhorend bemestingsadvies beperkt tot het aantal percelen tot het bedrijf behorende landbouwgronden die niet gelegen zijn in gebiedstype 0 en waarop een teelt wordt geteeld die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien..

§14. Voor het jaar 2015 zijn de focusgebieden als vermeld in artikel 14, § 1, vierde lid, de focusgebieden, aangeduid op de kaart die als bijlage opgenomen is bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2012 tot bepaling van de nitraatresidudrempelwaarde, vermeld in artikel 14, § 1, vijfde lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006.

§15. In afwijking van artikel 14, § 5, tweede lid, moeten de aanvragen tot vrijstelling in het jaar 2015 uiterlijk op 1 augustus bij de Mestbank ingediend worden.

§16. In het jaar 2015 is de maatregel, vermeld in artikel 14, § 6, 2°, niet van toepassing.

§17. In afwachting van een vaststelling door de Vlaamse Regering van de nadere regels aangaande het bemestingsplan als vermeld in artikel 14, § 7, 6°, en § 8, eerste lid, 6°, is het bemestingsplan dat bijgehouden moet worden, een bemestingsplan als vermeld in artikel 14, § 4, eerste lid, 3°, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014.

§18. In het jaar 2015 moet een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 uitgevoerd worden door:

  1. 1°de landbouwer die in het jaar 2015 maatregelen als vermeld in artikel 14, § 4, § 5 of § 6, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, opgelegd kreeg;
  2. 2°de landbouwer die in het jaar 2015 maatregelen als vermeld in artikel 14, § 3, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, opgelegd kreeg, en in het jaar 2015 omwille van zijn ligging, beschouwd wordt als een focusbedrijf, overeenkomstig de bepalingen van artikel 14, § 4, tweede lid, 1°.

In het jaar 2015 moet een nitraatresiduevaluatie uitgevoerd worden op één door de Mestbank aangeduid perceel landbouwgrond door de landbouwer die in het jaar 2015 maatregelen als vermeld in artikel 14, § 3, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, opgelegd kreeg, en in het jaar 2015 omwille van zijn ligging, niet beschouwd wordt als een focusbedrijf, overeenkomstig de bepalingen van artikel 14, § 4, tweede lid, 1°.

§19. Percelen die beschikken over een attest als vermeld in artikel 17, § 6, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, worden ingedeeld in klasse IV als vermeld in artikel 13, § 3, tenzij ze beschikken over een analyse op basis waarvan ze, in toepassing van artikel 13, § 3, in een lagere klasse ingedeeld worden.

§20. Voor het kalenderjaar 2015 of een eerder kalenderjaar wordt de mestverwerkingsplicht, vermeld in artikel 29, opgelegd aan bedrijfsgroepen als vermeld in artikel 29 van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, en wordt, bij het niet voldoen aan deze mestverwerkingsplicht, aan de bedrijfsgroep een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 21, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, opgelegd.

§21. Voor feiten, gepleegd in het kalenderjaar 2015 of een eerder kalenderjaar, worden de administratieve geldboetes opgelegd op basis van de bepalingen van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014.

In afwijking hiervan worden gedragingen of feiten die betrekking hebben op het jaar 2015 en die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 63, § 1, § 2, § 4, § 7, § 8 en § 9, opgelegd op basis van de bepalingen van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 12 juni 2015 tot wijziging van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen.

§22. Voor de toepassing van artikel 14, § 6, wordt een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau, uitgevoerd in het kalenderjaar 2018 die, overeenkomstig de nitraatresidudrempelwaarden voor focusbedrijven, als categorie nul is beoordeeld, overeenkomstig artikel 15 van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 30 juni 2017, beschouwd als een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau waarvan het resultaat positief was als vermeld in artikel 15, § 9.

Een landbouwer die, overeenkomstig artikel 14, § 5, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 30 juni 2017, in 2019 beschouwd werd als een landbouwer met een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf wordt van rechtswege geacht een vrijstelling als vermeld in artikel 14, § 6, te vragen voor het jaar 2019.

In afwijking van artikel 14, § 6, kan de landbouwer voor het jaar 2019, tot uiterlijk 31 mei een aanvraag tot vrijstelling indienen of intrekken.

In afwijking van artikel 14, § 6, zesde lid, moet een landbouwer in het jaar 2019 een nitraatresidubepaling op bedrijfsniveau laten uitvoeren als hij onder één van de volgende twee situaties valt:

  1. 1°het verschil in oppervlakte, tussen de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, uitgedrukt in hectare, in het jaar Y en de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, uitgedrukt in hectare, in het jaar X, bedraagt meer dan 25% of meer dan 10 hectare. Voor de toepassing van deze voorwaarde is het jaar Y, het laatste jaar waarin betrokkene een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau liet uitvoeren, die overeenkomstig de nitraatresidudrempelwaarden voor focusbedrijven, als categorie nul werd beoordeeld, overeenkomstig artikel 15 van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 30 juni 2017;
  2. 2°ofwel zijn de volgende twee voorwaarden vervuld:
  3. a)de landbouwer werd in 2018 beschouwd als een landbouwer met een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf, overeenkomstig artikel 14, § 5, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 30 juni 2017;
  4. b)in 2018 werd op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond een nitraatresidu gemeten dat hoger was dan de overeenkomstige eerste drempelwaarde, vermeld in artikel 14, § 1, zoals vervangen door het decreet van 12 juni 2015, behoudens indien het nitraatresidu gemeten werd in het kader van een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau.

§23. Een landbouwer die, overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 30 juni 2017, in het kalenderjaar 2019 het nitraatresidu op één perceel moest laten bepalen of een nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau moest laten uitvoeren, behoudt deze verplichting, met dien verstande dat de beoordeling van de resultaten van de uitgevoerde nitraatresidumetingen en in voorkomend geval de oplegging van de gevolgen van het niet uitvoeren van de opgelegde nitraatresidumetingen, gebeurt overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 6 mei 2011 tot wijziging van het Mestdecreet van 22 december 2006.

§24. In afwachting dat de Vlaamse Regering nader heeft bepaald op welke wijze de indeling in gebiedstypes, naar aanleiding van een tweejaarlijkse evaluatie als vermeld in artikel 14, § 2, moet gebeuren, geldt voor de indeling van de afstroomzones in gebiedstypes, de indeling als vermeld in de lijst die als bijlage 4 bij dit decreet is gevoegd.

§25. In afwijking van artikel 14, § 4, eerste lid, 3°, is een landbouwer in het jaar 2019 vrijgesteld van de maatregel, vermeld in artikel 14, § 4, eerste lid, 3°, als in 2019 op elk van de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, waarop een groente van groep I, een groente van groep II of een groente van groep III wordt verbouwd, de bemesting gebeurt onder begeleiding van een erkend praktijkcentrum en overeenkomstig de bepalingen van het rapport `Het documenteren en milieukundig bijstellen van het KNS en andere bemestingsadviessystemen in de tuinbouw met het oog op een ruimere toepassing in de tuinbouw zoals voorzien in het Actieprogramma 2011-2014', zoals beschikbaar op de website van de Vlaamse Landmaatschappij.

Een landbouwer die gebruik wil maken van de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, meldt dit uiterlijk op 31 mei 2019 aan de Mestbank via een beveiligde zending.

In het kader van de begeleiding, vermeld in het eerste lid, leeft de landbouwer ook de volgende voorwaarden na:

  1. 1°de landbouwer zorgt dat de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg werkzame N die op een perceel opgebracht wordt voor het zaaien of planten, maximaal 50% bedraagt van de hoeveelheid werkzame N die op het betreffende perceel in het jaar in kwestie opgebracht mag worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;
  2. 2°de landbouwer zorgt dat de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg werkzame N die op een perceel opgebracht wordt voor het zaaien of planten van een bepaalde teelt, maximaal 50% bedraagt van de hoeveelheid werkzame N die overeenkomstig het rapport, vermeld in het eerste lid, voor de teelt in kwestie opgebracht kan worden;
  3. 3°als op een perceel meerdere specifieke teelten na elkaar verbouwd worden, mogen er, na het oogsten van een eerste teelt op het betreffende perceel, geen meststoffen meer opgebracht worden behoudens als er na de oogst van een voorgaande teelt een staalname op het betreffende perceel wordt uitgevoerd en er een bijhorend bemestingsadvies wordt opgemaakt waaruit blijkt dat het voor de volgende teelt noodzakelijk is om nog meststoffen op te brengen. In voorkomend geval wordt de hoeveelheid meststoffen die nog opgebracht mag worden, beperkt tot de hoeveelheid, vermeld in het bemestingsadvies, met dien verstande dat de hoeveelheid meststoffen die in totaal op het betreffende perceel wordt opgebracht in overeenstemming moet zijn met de bepalingen van dit decreet;
  4. 4°ter staving van de begeleiding houdt de landbouwer alle stavingsstukken bij en houdt hij per perceel een teelt- en bemestingsregister bij waarin hij de bewerkingen op het perceel in kwestie noteert, zoals de uitgevoerde bemesting, de plant- of inzaaiwerkzaamheden en de bodembewerkingen, evenals de data waarop er een staalname op het betreffende perceel werd uitgevoerd, en de resultaten van de uitgevoerde bodemanalyse.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder een erkend praktijkcentrum als vermeld in het eerste lid een praktijkcentrum als vermeld in artikel 2, 1°, van het ministerieel besluit van 15 oktober 2007 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2007 betreffende steun aan investeringen in de omkaderingssector van land- en tuinbouw.

Een landbouwer die in het jaar 2019 gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, en de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf, niet naleeft, wordt voor de berekening van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 63, § 15, beschouwd als een landbouwer die overeenkomstig artikel 14, § 5, een vrijstelling van de maatregel, vermeld in artikel 14, § 4, eerste lid, 3°, heeft bekomen en de betrokken equivalente maatregelen niet heeft nageleefd.

§26. In afwijking van artikel 14, § 4, eerste lid, 4°, is een landbouwer die in het jaar 2019 precisielandbouwtechnieken toepast voor de bemesting van zijn percelen, gelegen in gebiedstype 2 of gebiedstype 3, vrijgesteld van de maatregel, vermeld in artikel 14, § 4, eerste lid, 4°.

Opdat een landbouwtechniek aanzien wordt als een precisielandbouwtechniek als vermeld in het eerste lid is aan al de volgende voorwaarden voldaan:

  1. 1°het transportmiddel waarmee de bemesting wordt uitgevoerd, is uitgerust met een positiebepalingssysteem op basis van GPS, gewassensoren en een systeem dat de exact toegediende dosis meststoffen bepaalt;
  2. 2°bij elke bemesting die uitgevoerd wordt, zijn de systemen en sensoren, vermeld in punt 1°, operationeel;
  3. 3°de gegevens van de systemen en sensoren, vermeld in punt 1°, worden automatisch geregistreerd en op eenduidige wijze opgeslagen, zodat deze op eenvoudig verzoek voorgelegd kunnen worden.

Een landbouwer die gebruik wil maken van de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, meldt dit uiterlijk op 31 mei 2019 aan de Mestbank, via een beveiligde zending, en vermeldt hierbij de gegevens en karakteristieken van het transportmiddel waarbij de precisielandbouwtechniek wordt uitgevoerd.

Een landbouwer die in het jaar 2019 gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, en de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf niet naleeft, wordt voor de berekening van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 63, § 15, beschouwd als een landbouwer die overeenkomstig artikel 14, § 5, een vrijstelling van de maatregel, vermeld in artikel 14, § 4, eerste lid, 4°, heeft bekomen en de betrokken equivalente maatregelen niet heeft nageleefd.

§27. In afwijking van artikel 14, § 8, zevende lid, kan de landbouwer voor het jaar 2019 tot uiterlijk 31 mei een melding indienen of intrekken.

§28. De nutriëntenemissierechten-MVW waarover landbouwers op 2 maart 2022 beschikken, blijven behouden en worden beoordeeld en in voorkomend geval geannuleerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 35, 36 en 37 en de uitvoeringsbesluiten ervan, zoals die van kracht zijn op 1 januari 2022.

§29. In afwijking van artikel 35, 36 en 37 en de uitvoeringsbesluiten ervan, zoals die van kracht zijn op 1 januari 2022, en in afwijking van paragraaf 28 worden de nutriëntenemissierechten-MVW die geannuleerd zouden worden omdat het bedrijf niet voldoende bedrijfseigen mest heeft verwerkt of laten verwerken, niet geannuleerd maar geschorst als tegelijk voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  1. 1°het bedrijf heeft uiterlijk op 1 november van het kalenderjaar in kwestie aan de Mestbank via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket gemeld dat het in dat kalenderjaar minder dieren heeft gehouden, waardoor de bedrijfseigen productie van dierlijke mest in dat kalenderjaar onvoldoende zal zijn om te voldoen aan de mestverwerkingsplicht met betrekking tot de nutriëntenemissierechten-MVW;
  2. 2°het bedrijf heeft de aanvraag voor bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking minstens twee kalenderjaren vóór het kalenderjaar in kwestie ingediend;
  3. 3°het bedrijf heeft voor het kalenderjaar in kwestie de volledige bedrijfseigen productie van dierlijke mest voor de diersoort waarop de uitbreiding betrekking heeft, verwerkt of laten verwerken en beschikt daarvoor ook over de overeenkomstige mestverwerkingscertificaten;
  4. 4°als het bedrijf, naast de diersoort waarop de uitbreiding betrekking heeft, in het kalenderjaar in kwestie nog dieren van een andere diersoort heeft gehouden, heeft het bedrijf voor dat kalenderjaar de bedrijfseigen productie van dierlijke mest die afkomstig is van dieren van een andere diersoort, verwerkt of laten verwerken en beschikt het daarvoor ook over de overeenkomstige mestverwerkingscertificaten zodat het bedrijf 25 procent van de uitbreiding verwerkt heeft. Als de bedrijfseigen productie van dierlijke mest kleiner is dan 25 procent van de volledige uitbreiding, is het voldoende dat het bedrijf voor het kalenderjaar in kwestie de volledige bedrijfseigen productie van dierlijke mest verwerkt of laat verwerken en daarvoor over de overeenkomstige mestverwerkingscertificaten beschikt.

In de melding, vermeld in het eerste lid, 1°, noteert de landbouwer op welke aanvraag van nutriëntenemissierechten-MVW zijn melding betrekking heeft.

Voor een bedrijf dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden de nutriëntenemissierechten-MVW voor het kalenderjaar in kwestie van rechtswege tijdelijk geschorst voor het gedeelte van de nutriëntenemissierechten-MVW waarvoor het bedrijf geen bedrijfseigen productie van dierlijke mest heeft die afkomstig is van de diersoort waarop de uitbreiding betrekking heeft.

Een bedrijf kan maximaal voor één kalenderjaar gedurende een periode van vier kalenderjaren een melding als vermeld in het eerste lid, 1°, doen.

Deze regeling en de effecten ervan zullen worden geëvalueerd twee jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling.

§30. In afwijking van artikel 8, §3, eerste lid, geldt in 2025 de uitzondering, vermeld in artikel 8, §4, derde lid, zowel voor kunstmest en spuistroom als voor effluent, met dien verstande dat bij de opbrenging van effluent naast de voorwaarden, vermeld in artikel 8, §4, derde lid, ook al de volgende voorwaarden nageleefd moeten worden:

  1. 1°de meststoffen worden opgebracht op een perceel grasland of op een perceel waarop na een niet-nitraatgevoelige hoofdteelt een vanggewas wordt verbouwd;
  2. 2°de hoeveelheid effluent die in de periode vanaf 1 juli tot en met 31 augustus opgebracht wordt is beperkt tot 50 ton per hectare en tot maximum 36 kg werkzame N/ha;
  3. 3°de hoeveelheid effluent die na 31 augustus opgebracht wordt is beperkt tot 25 ton per hectare en tot maximum 10 kg werkzame N/ha;
  4. 4°het effluent mag maar opgebracht worden tot en met 15 oktober;
  5. 5°het vervoer van het effluent gebeurt met een trekkend voertuig dat is uitgerust met een AGR-GPS-systeem. Tijdens het transport wordt het AGR-GPS-systeem gebruikt, zodat de traceerbaarheid van de betreffende transporten gewaarborgd is.

§31. In afwachting van een bepaling door de Vlaamse Regering van de nadere regels rond begeleiding van landbouwers, als vermeld in artikel 61, §9, moeten landbouwers bij wie een perceelsevaluatie of een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitgevoerd werd in het jaar 2024, worden de hieraan verbonden gevolgen, onder meer voor wat betreft de toekenning of oplegging van de vrijstellingen en maatregelen en andere gevolgen, opgelegd op basis van artikel 14, 14bis en 15 zoals die van kracht zijn op 1 januari 2025, met dien verstande dat een landbouwer bij wie een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitgevoerd werd in het jaar 2024 en waarbij op basis van de gemeten nitraatresiduwaarden blijkt dat de gewogen gemiddelde nitraatresidudrempelwaarde groter is dan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf, zich vanaf het jaar 2025 moet laten begeleiden door een erkend praktijkcentrum.

De begeleiding, vermeld in het eerste lid, stopt als bij de landbouwer in kwestie bij een volgende nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen maximaal gelijk is aan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf.

Van zodra de Vlaamse Regering de nadere regels rond begeleiding van landbouwers heeft vastgelegd in uitvoering van artikel 61, §9, van het Mestdecreet, moet de begeleiding die gebeurt in uitvoering van deze paragraaf, in overeenstemming gebracht worden met de door de Vlaamse Regering vastgelegde nadere regels ter zake.

Een landbouwer die, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, in 2024 een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moest laten uitvoeren en die niet heeft laten uitvoeren of die de uitvoering van een nitraatresidubepaling die kadert in een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, heeft gehinderd, wordt voor de toepassing van deze paragraaf gelijkgesteld met een landbouwer waarbij uit het resultaat van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau blijkt dat het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen groter is dan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder erkend praktijkcentrum: een praktijkcentrum als vermeld in artikel 2, 1°, van het ministerieel besluit van 15 oktober 2007 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2007 betreffende steun aan investeringen in de omkaderingssector van land- en tuinbouw, zoals laatst gewijzigd door het ministerieel besluit van 6 juli 2012.

§32. In afwijking van artikel 27, §1, bedragen de forfaitaire uitscheidingsnormen voor zoogkoeien:

  1. 1°voor het productiejaar 2025: 69 kg N per dier en per jaar en 27 kg P2O5 per dier en per jaar;
  2. 2°voor het productiejaar 2026: 72 kg N per dier en per jaar en 29 kg P2O5 per dier en per jaar.

§33. In afwijking van artikel 14, §2, geldt voor de indeling van de afstroomzones in gebiedstypes voor de kalenderjaren 2025 en 2026 de indeling, vermeld in de lijst die als bijlage 5 bij dit decreet is gevoegd.

§34. Voor feiten, gepleegd in het kalenderjaar 2024 of een eerder kalenderjaar, worden de administratieve geldboetes opgelegd op basis van de bepalingen van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 26 april 2024.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd