§ flandrepo

Decreet over het onderwijs XXXVI

Vlaamse Regering #844 Staatsblad 26 augustus 2026 NUMAC 2026005886
205 artikels gewijzigd
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. I.3
28c) het niveau van master;28c) het niveau van master;
29d) een welomschreven opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen;29d) een welomschreven opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen;
3016° bijna-beursstudent: een student die onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische ruimte of voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap en die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar waarvan het referentie-inkomen ten hoogste 3000 euro ligt boven de financiële maximumgrens, bepaald in de regelgeving betreffende de studietoelagen. Het bedrag van 3000 euro wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218;3016° bijna-beursstudent: een student die onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische ruimte of voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar van wie het referentie-inkomen ten hoogste 3900 euro boven de financiële maximumgrens ligt die is bepaald in de regelgeving over de studietoelagen. Het basisbedrag van 3900 euro is het bedrag voor het academiejaar 2024-2025 en wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218, §1, tweede lid;;
3117° creditbewijs : de erkenning van het feit dat een student blijkens een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een document of een registratie. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden aangeduid als “credits”;3117° creditbewijs : de erkenning van het feit dat een student blijkens een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een document of een registratie. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden aangeduid als “credits”;
3218° creditcontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor 1 of meer opleidingsonderdelen;3218° creditcontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor 1 of meer opleidingsonderdelen;
+4 −1 codex-hoger-onderwijs/art. I.3
9250°/1 pesterijen: een onrechtmatig geheel van meerdere, gelijkaardige of uiteenlopende gedragingen buiten of binnen de hogeronderwijsinstelling, die plaatshebben gedurende een bepaalde tijd, die tot doel of gevolg hebben dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een student of een personeelslid wordt aangetast of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;9250°/1 pesterijen: een onrechtmatig geheel van meerdere, gelijkaardige of uiteenlopende gedragingen buiten of binnen de hogeronderwijsinstelling, die plaatshebben gedurende een bepaalde tijd, die tot doel of gevolg hebben dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een student of een personeelslid wordt aangetast of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;
9351° postinitieel onderwijs : de opleidingen die leiden tot een graad van master en waarvoor de inschrijving primair openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een graad van master. Personen die niet in het bezit zijn van een graad van master kunnen toegelaten worden na een intakegesprek waarin de instelling peilt naar de motivatie en de wetenschappelijke affiniteit van de student en naar de aard van de beroepservaring;9351° postinitieel onderwijs: de opleidingen die leiden tot een graad van master en waarvoor de inschrijving primair openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een graad van master. Personen die niet in het bezit zijn van een graad van master kunnen toegelaten worden na een intakegesprek waarin de instelling peilt naar de motivatie en de wetenschappelijke affiniteit van de student en naar de aard van de beroepservaring;
9451°/1 preventieadviseur psychosociale aspecten: de preventieadviseur psychosociale aspecten, vermeld in artikel 32sexies, §1, van de wet van 4 augustus 1996
9452° publiekrechtelijke hogeschool: een hogeschool met een publiekrechtelijk karakter die vanaf 1 oktober 2013 omgevormd of opgericht is bij of krachtens het bijzonder decreet van 13 juli 2012 houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van sommige publiekrechtelijke hogescholen en het bijzonder decreet van 13 juli 2012 houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van twee fusiehogescholen;9552° publiekrechtelijke hogeschool: een hogeschool met een publiekrechtelijk karakter die vanaf 1 oktober 2013 omgevormd of opgericht is bij of krachtens het bijzonder decreet van 13 juli 2012 houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van sommige publiekrechtelijke hogescholen en het bijzonder decreet van 13 juli 2012 houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van twee fusiehogescholen;
9553° raadsman : een advocaat of deskundige;9653° raadsman: een advocaat of deskundige;
12470° toetredingsovereenkomst : de overeenkomst tussen instellingsbestuur en student bedoeld in artikel II.273;12570° toetredingsovereenkomst: de overeenkomst tussen instellingsbestuur en student bedoeld in artikel II.273;
12570°/1: tolerantie: regeling in examenreglement van een instelling hoger onderwijs waarbij de student geen credits verwerft maar voor een beperkt aantal studiepunten toch het vak niet moet hernemen en waarbij de student zelf of de instelling hoger onderwijs beslist voor welke vakken hij dit inzet;12670°/1: tolerantie: regeling in examenreglement van een instelling hoger onderwijs waarbij de student geen credits verwerft maar voor een beperkt aantal studiepunten toch het vak niet moet hernemen en waarbij de student zelf of de instelling hoger onderwijs beslist voor welke vakken hij dit inzet;
12770°/2 vertrouwenspersoon personeel: de vertrouwenspersoon, vermeld in artikel 32sexies, §2 en §2/2, van de wet van 4 augustus 1996;
12671° verworven studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student een creditbewijs heeft ontvangen;12871° verworven studiepunten: studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student een creditbewijs heeft ontvangen;
12772° vestiging van een hogeronderwijsinstelling: het administratief arrondissement, het gerechtelijk arrondissement of de gemeente of een geheel van aan elkaar grenzende gemeenten waar de hogeronderwijsinstelling onderwijsbevoegdheid heeft. Voor de hogescholen die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd als uitsluitend behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, geldt het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad als 1 vestiging;12972° vestiging van een hogeronderwijsinstelling: het administratief arrondissement, het gerechtelijk arrondissement of de gemeente of een geheel van aan elkaar grenzende gemeenten waar de hogeronderwijsinstelling onderwijsbevoegdheid heeft. Voor de hogescholen die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd als uitsluitend behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, geldt het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad als 1 vestiging;
137a) hij is in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van ten minste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk;139a) hij is in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van ten minste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk;
138b) hij is nog niet in het bezit van een tweede cyclusdiploma of masterdiploma;140b) hij is nog niet in het bezit van een tweede cyclusdiploma of masterdiploma;
139c) hij is ingeschreven in een studietraject met specifieke onderwijs- en leervormen en met specifieke modaliteiten van begeleiding en aanbod, dat als zodanig geregistreerd is in het Hogeronderwijsregister. De afzonderlijke registratie in het Hogeronderwijsregister impliceert niet dat het hier een nieuwe opleiding betreft, zoals bepaald in artikel II.150.141c) hij is ingeschreven in een studietraject met specifieke onderwijs- en leervormen en met specifieke modaliteiten van begeleiding en aanbod, dat als zodanig geregistreerd is in het Hogeronderwijsregister. De afzonderlijke registratie in het Hogeronderwijsregister impliceert niet dat het hier een nieuwe opleiding betreft, zoals bepaald in artikel II.150;
14279° wet van 4 augustus 1996: de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.2
75° de "Vrije Universiteit Brussel".75° de "Vrije Universiteit Brussel".
8Onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, worden de Vlerick Business School, de Antwerp Management School en het Instituut voor Tropische Geneeskunde beschouwd als universiteit voor de opdrachten, vermeld in artikel II.19, II.20 en II 21.8Onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, worden de Vlerick Business School, de Antwerp Management School en het Instituut voor Tropische Geneeskunde beschouwd als universiteit voor de opdrachten, vermeld in artikel II.19, II.20 en II 21.
9Onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn op de Hogere Instituten voor Schone Kunsten, wordt het Orpheus Instituut beschouwd als universiteit voor zijn opdracht tot het verstrekken van postinitieel onderwijs, het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verstrekken van wetenschappelijke dienstverlening op het gebied van de kunsten en artistiek onderzoek.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.4
1Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.2, eerste lid kunnen als universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming universiteit en zich als dusdanig doen kennen.1Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.2, eerste lid kunnen als universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming universiteit en zich als dusdanig doen kennen.
2Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.3 kunnen als hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming hogeschool en zich als dusdanig doen kennen. De benaming hogeschool wordt vertaald als University College. 2Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.3 kunnen als hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming hogeschool en zich als dusdanig doen kennen. De benaming hogeschool wordt vertaald als “University of Applied Sciences”. Voor de hogescholen die een School of Arts hebben opgericht of als geheel beschouwd worden als een School of Arts als vermeld in artikel II.7, is de vertaling “University of Applied Sciences and Arts”.
3De Vlaamse Regering past de lijst van de universiteiten en hogescholen aan in geval van fusie, opslorping, opheffing of officiële naamswijziging.3De Vlaamse Regering past de lijst van de universiteiten en hogescholen aan in geval van fusie, opslorping, opheffing of officiële naamswijziging.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.29/2
1De Vlaamse Regering financiert, binnen de perken van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003 en van de Vlaamse begroting, de werking van de accreditatieorganisatie.1De Vlaamse Regering financiert, binnen de perken van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003 en van de Vlaamse begroting, de werking van de accreditatieorganisatie.
2De accreditatieorganisatie kan het gedeelte van de toegekende financiële ondersteuning dat de aanvaarde kosten overschrijdt, aanwenden voor de aanleg van reserves van maximaal 20% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag. De totale gecumuleerde reserves mogen maximaal 50% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag bedragen. De accreditatieorganisatie rapporteert jaarlijks over de reservevorming.2De accreditatieorganisatie kan het gedeelte van de toegekende financiële ondersteuning dat de aanvaarde kosten overschrijdt, aanwenden voor de aanleg van reserves van maximaal 20% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag. De totale gecumuleerde reserves mogen maximaal 50% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag bedragen. De accreditatieorganisatie rapporteert jaarlijks over de reservevorming.
3In het begrotingsjaar 2026 wordt 500.000 euro toegevoegd aan de financiële onder-steuning om de werkingskosten voor het werkingsjaar 2026 te bekostigen.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.29/3 nieuw
1Ter uitvoering van artikel 15, derde lid, van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003, financiert de Vlaamse Regering, binnen de perken van de Vlaamse begroting, de ondersteunende of de aanvullende opdrachten, vermeld in artikel 1, tweede lid, van het voormelde verdrag, die de Vlaamse Regering als enige Verdragsluitende Partij aan de accreditatieorganisatie opdraagt.
2De accreditatieorganisatie rapporteert, inhoudelijk en financieel, over elke aanvullende opdracht die de Vlaamse Regering heeft opgedragen. De accreditatieorganisatie kan het gedeelte van de toegekende financiering voor een aanvullende opdracht dat de aanvaarde kosten overschrijdt, niet aanwenden voor de aanleg van reserves.
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.37
2§2. De VLUHR is bevoegd voor de externe kwaliteitsbeoordelingen in de instellingen zoals bepaald in artikel II.122. De VLUHR kan daartoe een verzelfstandigd orgaan oprichten.2§2. De VLUHR is bevoegd voor de externe kwaliteitsbeoordelingen in de instellingen zoals bepaald in artikel II.122. De VLUHR kan daartoe een verzelfstandigd orgaan oprichten.
3De leden van het verzelfstandigd orgaan, vermeld in het eerste lid, moeten expertise hebben met betrekking tot kwaliteitszorg van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, het hoger professioneel onderwijs en het academisch onderwijs.3De leden van het verzelfstandigd orgaan, vermeld in het eerste lid, moeten expertise hebben met betrekking tot kwaliteitszorg van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, het hoger professioneel onderwijs en het academisch onderwijs.
4§2/1. De VLUHR richt een expertisecentrum voor inclusief onderwijs met een focus op hoger onderwijs op. Het expertisecentrum heeft als opdracht de instellingen te begeleiden en te ondersteunen bij de ondersteuning van studenten met een inclusienood, met bijzondere aandacht voor de inclusie van studenten met een functiebeperking ter implementatie van de VN-conventie van 13 december 2006 over de rechten van personen met een handicap.
4§3. Op vraag van de Vlaamse Regering en de Commissie Hoger Onderwijs verstrekt de VLUHR adviezen in diverse materies.5§3. Op vraag van de Vlaamse Regering en de Commissie Hoger Onderwijs verstrekt de VLUHR adviezen in diverse materies.
5§4. De VLUHR moet ook aspecten zoals internationalisering, ontwikkelingssamenwerking en wetenschap en innovatie op volwaardige manier aan bod laten komen binnen zijn werking.6§4. De VLUHR moet ook aspecten zoals internationalisering, ontwikkelingssamenwerking, wetenschap, innovatie en de ondersteuning van studenten met een inclusienood op volwaardige manier aan bod laten komen binnen zijn werking.
6§5. De VLUHR fungeert als forum voor interassociatieoverleg.7§5. De VLUHR fungeert als forum voor interassociatieoverleg.
+7 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.38/1 nieuw
1De Vlaamse Regering en de VLUHR sluiten ten aanzien van de organisatie van het expertisecentrum voor inclusief onderwijs vijfjaarlijks een convenant waarin al de volgende elementen zijn opgenomen:
21° de aansturingsmogelijkheden van de Vlaamse Regering en de wijze waarop relevante actoren uit het inclusieveld worden betrokken;
32° de minimale resultaatsverbintenissen van het expertisecentrum voor inclusief onderwijs, met de focus op hoger onderwijs;
43° de minimale behoorlijkheidsvereisten op het vlak van het financieel management, en ook de mogelijkheden om een bepaalde financiële reserve aan te leggen van maximaal 20%per jaar van de werkingsenveloppe die in een bepaald jaar is toegekend. De totale gecumuleerde reserve op basis van de werkingsenveloppe bedraagt maximaal 50% van de jaarlijkse werkingsenveloppe;
54° de rapporterings- en controlemechanismen, in het bijzonder de wijze waarop het expertisecentrum voor inclusief onderwijs wordt geëvalueerd. Deze evaluatie wordt steeds afgerond in de eerste helft van het vijfde kalenderjaar van het lopende convenant;
65° de remediërende en sanctionerende maatregelen in geval van niet-naleving van het convenant;
76° de gevallen waarin en de wijze waarop het convenant tijdens de looptijd ervan kan worden gewijzigd.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.38/2 nieuw
1Als de VLUHR een overeenkomst sluit met de Vlaamse Regering, krijgt ze jaarlijks recht op een werkingsenveloppe voor het expertisecentrum voor inclusief onderwijs.
2De Vlaamse Regering bepaalt, rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten, de grootte van de jaarlijkse werkingsenveloppe van het expertisecentrum, vermeld in artikel II.37, §2/1, en ook de wijze van vereffening ervan. De werkingsenveloppe wordt geïndexeerd volgens de formule vastgesteld om de werkingsuitkering van de universiteiten en hogescholen te indexeren, vermeld in artikel III.5, §9.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.38/3 nieuw
1De hogescholen en de universiteiten kunnen in het kader van de opdracht van de VLUHR, vermeld in artikel II.37, §2/1, personeelsleden met hun instemming belasten met een opdracht bij de VLUHR. De betrokken personeelsleden blijven gedurende de uitoefening van de opdracht bij de VLUHR juridisch en administratief behoren tot de universiteit of hogeschool die hen ter beschikking stelt.
+4 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.65/1 nieuw
1Getuigschriften van micro-credentials kunnen door de hogescholen en universiteiten uitgereikt worden. De micro-credentials zijn het bewijs van de leerresultaten die een lerende heeft behaald na een klein leervolume, met een omvang tussen 0,5 en 59 studiepunten.
2Leerervaringen die leiden tot micro-credentials zijn bedoeld om de lerende te voorzien van specifieke kennis, vaardigheden en competenties die beantwoorden aan maatschappelijke, persoonlijke, culturele of arbeidsmarktbehoeften. De leerresultaten zijn beoordeeld aan de hand van transparante en duidelijk omschreven criteria.
3Micro-credentials zijn eigendom van de lerende, kunnen worden gedeeld en zijn meeneembaar. Zij kunnen op zichzelf staan of tot bredere credentials worden gecombineerd. Zij worden ondersteund door kwaliteitsborging volgens overeengekomen normen in de betrokken sector of het betrokken activiteitengebied.
4Het instellingsbestuur verleent een getuigschrift van een micro-credential aan de student die het opleidingstraject met succes heeft afgerond. De Vlaamse Regering bepaalt de vorm van dat getuigschrift en de inhoud van het bijbehorende supplement. Het getuigschrift vermeldt de naam en de studieomvang van de micro-credential. Het supplement geeft een aanduiding van de leerresultaten van de micro-credential, het niveau van de leerervaring die leidt tot de micro-credential, het soort beoordeling, de vorm van deelname aan de leeractiviteit en de gehanteerde kwaliteitsborging.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.98
25a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;25a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;
26b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.26b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.
27§3. Thomas More Mechelen-Antwerpen kan in de vestiging Mechelen opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in het studiegebied Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.124/2 opgeheven
1§ 1. De accreditatieorganisatie voert systeembrede analyses uit in het hoger onderwijs. Deze analyses brengen goede praktijken inzake onderwijsbeleid en onderwijskwaliteit in beeld en bieden de mogelijkheid om van elkaar te leren.
2§ 2. ...
+3 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.151
1De bacheloren masteropleidingen die worden geselecteerd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel II.150. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen sinds de deelname van de Vlaamse instelling aan die opleiding.1De graduaats-, bachelor- en masteropleidingen die worden geselecteerd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel II.150. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen sinds de deelname van de Vlaamse instelling aan die opleiding.
2Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een bacheloren masteropleiding die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen.2Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een graduaats-, bachelor- en masteropleiding die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen.
3Een bachelor­ of masteropleiding die kadert binnen een ‘European Universities Initiative’ dat als pilootproject in 2019 of 2020 is goedgekeurd, of de verlengingen daarvan, wordt geacht een opleiding te zijn die is geselecteerd conform de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi­ of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld als vermeld in het eerste lid. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. De voormelde opleidingen starten uiterlijk in het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het pilootproject afloopt of waarin de verlengingen van het pilootproject aflopen. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen.3Een graduaats-, bachelor­ of masteropleiding die kadert binnen een ‘European Universities Initiative’ wordt geacht een opleiding te zijn die is geselecteerd conform de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi­ of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld als vermeld in het eerste lid. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. De voormelde opleidingen starten uiterlijk in het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het project afloopt of waarin de verlengingen van het project aflopen. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen.
+7 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.176
2Daarenboven moet de student beschikken over 1 van de volgende studiebewijzen:2Daarenboven moet de student beschikken over 1 van de volgende studiebewijzen:
31° een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, dat minstens 3 jaar behaald is;31° een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, dat minstens 3 jaar behaald is;
41°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het schooljaar 2024-2025;
41°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;51°/2 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf het schooljaar 2027-2028;
52° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025;62° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap tot en met het schooljaar 2024-2025;
62°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;72°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het schooljaar 2024-2025;
72°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2025-2026;82°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2026-2027;
92°/3 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf het schooljaar 2027-2028;
83° een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;103° een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;
94° een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;114° een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;
149° een diploma van bachelor of master;169° een diploma van bachelor of master;
1510° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst wordt erkend als gelijkwaardig met 1 van de diploma’s vermeld in punt 1° tot en met 9°. Bij ontstentenis van een dergelijke erkenning kan het instellingsbestuur personen die in een land buiten de Europese Unie een diploma of een getuigschrift hebben behaald dat toelating geeft tot het hoger onderwijs in dat land, toelaten tot de inschrijving voor een opleiding hoger beroepsonderwijs.1710° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst wordt erkend als gelijkwaardig met 1 van de diploma’s vermeld in punt 1° tot en met 9°. Bij ontstentenis van een dergelijke erkenning kan het instellingsbestuur personen die in een land buiten de Europese Unie een diploma of een getuigschrift hebben behaald dat toelating geeft tot het hoger onderwijs in dat land, toelaten tot de inschrijving voor een opleiding hoger beroepsonderwijs.
18De hogescholen treden, op grond van een taak van algemeen belang, op als verwerkingsverantwoordelijke voor het verwerken van de gegevens voor de toetsing van de algemene toelatingsvoorwaarden tot een opleiding van het hoger beroepsonderwijs. De gegevens worden maximaal 10 jaar bewaard.
+5 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.178
1Als algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding gelden:1Als algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding gelden:
21° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025;21° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap tot en met het schooljaar 2024-2025;
31°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;31°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het schooljaar 2024-2025;
41°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2025-2026;41°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2026-2027;
51°/3 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf het schooljaar 2027-2028;
52° een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;62° een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
63° een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid, of73° een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid, of
95° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met 1 van de voorgaande diploma’s wordt erkend.105° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met 1 van de voorgaande diploma’s wordt erkend.
10Het instellingsbestuur kan personen toelaten die in een land buiten de Europese Unie een diploma of certificaat hebben behaald dat niet als gelijkwaardig is erkend zoals bepaald in punt 5° van lid 1. Dit kan enkel op voorwaarde dat dit document toegang verleent tot een bacheloropleiding in het land waar het is uitgereikt die vergelijkbaar is met een Vlaamse bacheloropleiding én op voorwaarde dat aan de authenticiteitscontrole van de betreffende diploma’s of certificaten is voldaan, voor zover door de Vlaamse overheid maatregelen zijn uitgevaardigd.11Het instellingsbestuur kan personen toelaten die in een land buiten de Europese Unie een diploma of certificaat hebben behaald dat niet als gelijkwaardig is erkend zoals bepaald in punt 5° van lid 1. Dit kan enkel op voorwaarde dat dit document toegang verleent tot een bacheloropleiding in het land waar het is uitgereikt die vergelijkbaar is met een Vlaamse bacheloropleiding én op voorwaarde dat aan de authenticiteitscontrole van de betreffende diploma’s of certificaten is voldaan, voor zover door de Vlaamse overheid maatregelen zijn uitgevaardigd.
12De universiteiten en hogescholen treden, op grond van een taak van algemeen belang, op als verwerkingsverantwoordelijke voor het verwerken van de gegevens voor de toetsing van de algemene toelatingsvoorwaarden tot een bacheloropleiding. De gegevens worden maximaal 10 jaar bewaard.
+3 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.188/1
1§ 1. Met behoud van de toepassing van de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178, wordt de eerste inschrijving voor bepaalde bacheloropleidingen aan de hogescholen of universiteiten afhankelijk gesteld van de verplichte deelname aan een starttoets. Een starttoets is instellingsneutraal, betrouwbaar en valide. Na de afname van de starttoets ontvangen de deelnemers een attest van deelname, dat alleen geldig is voor inschrijving in het lopende academiejaar waarin de test wordt afgenomen of in het academiejaar dat start na de afname van de starttoets.1§ 1. Met behoud van de toepassing van de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178, wordt de eerste inschrijving voor bepaalde bacheloropleidingen aan de hogescholen of universiteiten afhankelijk gesteld van de verplichte deelname aan een starttoets. Een starttoets is instellingsneutraal, betrouwbaar en valide. Na de afname van de starttoets ontvangen de deelnemers een attest van deelname. De geldigheidsduur van het attest van deelname wordt opgenomen in de instellingsoverschrijdende reglementen, vermeld in paragraaf 5.
2Een starttoets test startcompetenties die nodig zijn voor het welslagen in de betrokken opleiding. De deelname aan een starttoets gebeurt onder gecontroleerde omstandigheden. Bij de organisatie van een starttoets wordt voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, tweede lid, in redelijke aanpassingen voorzien.2Een starttoets test startcompetenties die nodig zijn voor het welslagen in de betrokken opleiding. De deelname aan een starttoets gebeurt onder gecontroleerde omstandigheden. Bij de organisatie van een starttoets wordt voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, tweede lid, in redelijke aanpassingen voorzien.
3Na de afname van de starttoets ontvangt iedere deelnemer een individueel feedbackrapport. Iedere deelnemer heeft het recht om op basis van dit feedbackrapport een gesprek aan te gaan met een studie- of trajectbegeleider in de instelling waar hij zich wenst in te schrijven.3Na de afname van de starttoets ontvangt iedere deelnemer een individueel feedbackrapport. Iedere deelnemer heeft het recht om op basis van dit feedbackrapport een gesprek aan te gaan met een studie- of trajectbegeleider in de instelling waar hij zich wenst in te schrijven.
254° de vrijstellingen van de verplichte deelname aan een starttoets en de manier waarop de vrijstelling van deelname wordt verleend;254° de vrijstellingen van de verplichte deelname aan een starttoets en de manier waarop de vrijstelling van deelname wordt verleend;
265° de regels over de beroepsprocedure;265° de regels over de beroepsprocedure;
276° afspraken rond de toekenning van redelijke aanpassingen bij de deelname aan een starttoets voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, tweede lid.276° afspraken rond de toekenning van redelijke aanpassingen bij de deelname aan een starttoets voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, tweede lid;
287° de geldigheidsduur van een attest van deelname en eventuele overgangsbepalingen.
28De instellingsoverschrijdende reglementen worden jaarlijks opgesteld en gevalideerd door respectievelijk de VLHORA en de VLIR volgens hun eigen beslissingsregels. Ze maken deze reglementen over aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 15 maart van het jaar waarin de starttoetsen worden afgenomen. De instellingsoverschrijdende reglementen worden door de instellingen openbaar en makkelijk raadpleegbaar gemaakt.29De instellingsoverschrijdende reglementen worden jaarlijks opgesteld en gevalideerd door respectievelijk de VLHORA en de VLIR volgens hun eigen beslissingsregels. Ze maken deze reglementen over aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 15 maart van het jaar waarin de starttoetsen worden afgenomen. De instellingsoverschrijdende reglementen worden door de instellingen openbaar en makkelijk raadpleegbaar gemaakt.
29§ 6. De deelname aan een starttoets is kosteloos. In voorkomend geval genereert ook de opgelegde verplichte remediëring voor de student geen extra kosten, met uitzondering van verschuldigd studiegeld en kosten voor het gebruikelijke cursusmateriaal.30§ 6. De deelname aan een starttoets is kosteloos. In voorkomend geval genereert ook de opgelegde verplichte remediëring voor de student geen extra kosten, met uitzondering van verschuldigd studiegeld en kosten voor het gebruikelijke cursusmateriaal.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.208
4§2. Het vast gedeelte is slechts eenmaal per academiejaar verschuldigd.4§2. Het vast gedeelte is slechts eenmaal per academiejaar verschuldigd.
5Deze bepaling geldt ongeacht het aantal inschrijvingen dat tijdens dat academiejaar aan dezelfde instelling wordt genomen.5Deze bepaling geldt ongeacht het aantal inschrijvingen dat tijdens dat academiejaar aan dezelfde instelling wordt genomen.
6Als een student is ingeschreven in een gezamenlijk georganiseerde opleiding, geldt de bepaling, vermeld in het eerste lid, ongeacht het aantal inschrijvingen tijdens dat academiejaar aan de hogeronderwijsinstellingen die de gezamenlijke georganiseerde opleiding aanbieden.
6§3. Wanneer een student wordt ingeschreven in een opleiding met het oog op het uitreiken van een diploma in overeenstemming met artikel II.245, §1, eerste lid, of in uitvoering van artikel II.172, §2, gebeurt de registratie zonder heffing van studiegeld, onverminderd de toepassing van artikel II.245, §2.7§3. Wanneer een student wordt ingeschreven in een opleiding met het oog op het uitreiken van een diploma in overeenstemming met artikel II.245, §1, eerste lid, of in uitvoering van artikel II.172, §2, gebeurt de registratie zonder heffing van studiegeld, onverminderd de toepassing van artikel II.245, §2.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.218
1§1. De in deze onderafdeling bedoelde bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2015.1§1. De in deze onderafdeling bedoelde bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2015.
2In afwijking van het eerste lid wordt het basisbedrag, vermeld in artikel I.3, 16°, aangepast overeenkomstig de procentuele stijging van de gezondheidsindex voor de maand december (basis 1996) van het tweede kalenderjaar vóór het jaar waarin het academiejaar in kwestie begint, ten opzichte van de gezondheidsindex voor de maand december (basis 1996) van het derde kalenderjaar vóór het jaar waarin het academiejaar in kwestie begint. De stijging wordt afgerond naar het hogere tiende. Het resultaat van de indexatie van het bedrag, vermeld in artikel I.3, 16°, wordt afgerond op het dichtstbijzijnde geheel getal.
2§2. De bedragen bedoeld in de artikelen II.209 en II.213 worden naar het dichtstbijzijnde decimaal afgerond tot één cijfer na de komma.3§2. De bedragen bedoeld in de artikelen II.209 en II.213 worden naar het dichtstbijzijnde decimaal afgerond tot één cijfer na de komma.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.261
63° de anderstalige opleidingsonderdelen die, op initiatief van de student en met instemming van de instelling, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs;63° de anderstalige opleidingsonderdelen die, op initiatief van de student en met instemming van de instelling, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs;
74° de opleidingsonderdelen waar uit de expliciet gemotiveerde beslissing de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding blijkt.74° de opleidingsonderdelen waar uit de expliciet gemotiveerde beslissing de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding blijkt.
85° de opleidingsonderdelen die deel uitmaken van een bachelorof masteropleiding die kadert binnen een `European Universities Initiative' dat als pilootproject werd goedgekeurd in 2019 of 2020, zoals beschreven in artikel II.151.85° de opleidingsonderdelen die deel uitmaken van een bachelor- of masteropleiding die kadert binnen een `European Universities Initiative', zoals beschreven in artikel II.151.
9§3. Een anderstalige initiële bacheloropleiding is een initiële bacheloropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 18,33% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject.9§3. Een anderstalige initiële bacheloropleiding is een initiële bacheloropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 18,33% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject.
10Een anderstalige intiële masteropleiding is een initiële masteropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 50% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject.10Een anderstalige intiële masteropleiding is een initiële masteropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 50% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.262
83° de gezamenlijk georganiseerde equivalente opleidingen die van de Commissie Hoger Onderwijs de toelating hebben gekregen om het volgen van de onderwijsactiviteiten te spreiden over meer dan 1 vestiging. De aanvragen tot afwijking worden door de Commissie Hoger Onderwijs behandeld overeenkomstig de procedure beschreven in artikel II.263;83° de gezamenlijk georganiseerde equivalente opleidingen die van de Commissie Hoger Onderwijs de toelating hebben gekregen om het volgen van de onderwijsactiviteiten te spreiden over meer dan 1 vestiging. De aanvragen tot afwijking worden door de Commissie Hoger Onderwijs behandeld overeenkomstig de procedure beschreven in artikel II.263;
94° de equivalente opleiding master in de ingenieurswetenschappen : biomedische ingenieurstechnieken, gezamenlijk aangeboden door de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel.94° de equivalente opleiding master in de ingenieurswetenschappen : biomedische ingenieurstechnieken, gezamenlijk aangeboden door de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel.
10§3. Als er door een beslissing van een instelling om een Nederlandstalige opleiding stop te zetten in de Vlaamse Gemeenschap geen Nederlandstalige equivalente opleiding meer wordt aangeboden voor een bepaalde anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding, wordt die anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding afgebouwd. Bij de afbouw neemt het instellingsbestuur de nodige maatregelen zodat de ingeschreven studenten hun opleiding kunnen voltooien binnen een redelijke termijn.
11Als de enige Nederlandstalige equivalente opleiding, vermeld in het eerste lid, door een andere instelling wordt aangeboden dan de instelling die de anderstalige opleiding aanbiedt, dan heeft de instelling die de anderstalige opleiding aanbiedt de mogelijkheid om deze anderstalige opleiding niet af te bouwen maar om voor de Nederlandstalige equivalente opleiding, vermeld in het eerste lid, de erkenning als nieuwe opleiding aan te vragen. Zij dient hiervoor een dossier toets nieuwe opleiding, vermeld in artikel II.153/1, in bij de accreditatieorganisatie. Zij dient deze aanvraag in uiterlijk tijdens het academiejaar dat volgt op de beslissing om de Nederlandstalige equivalente opleiding stop te zetten. Als de accreditatieorganisatie niet tot een positief toetsingsbesluit over deze aanvraag komt, dan bouwt de instelling de anderstalige opleiding af.
+2 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.270
1§1. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, moet de onderwijstaal waarin hij een opleidingsonderdeel doceert op adequate wijze beheersen.1§1. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, moet de onderwijstaal waarin hij een opleidingsonderdeel doceert op adequate wijze beheersen.
2Dit betekent dat het personeelslid die taal moet beheersen op het ERK-niveau C1. Dit vereiste beheersingsniveau van de onderwijstaal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de onderwijstaal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een diploma secundair onderwijsof een bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in de onderwijstaal waarin hij doceert, in een instelling waarin die taal de onderwijstaal is.2Dit betekent dat het personeelslid die taal moet beheersen op het ERK-niveau C1. Dit vereiste beheersingsniveau van de onderwijstaal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de onderwijstaal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een diploma secundair onderwijs, een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, een diploma van ge-gradueerde of een bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in de onderwijstaal waarin hij doceert, in een instelling waarin die taal de onderwijstaal is.
3In afwijking van het tweede lid is voor een personeelslid dat doceert in een opleiding in het studiegebied Muziek en podiumkunsten of Audiovisuele en beeldende kunst de beheersing van het Frans of Engels op ERK-niveau B1 voldoende.3In afwijking van het tweede lid is voor een personeelslid dat doceert in een opleiding in het studiegebied Muziek en podiumkunsten of Audiovisuele en beeldende kunst de beheersing van het Frans of Engels op ERK-niveau B1 voldoende.
4Aan de voorwaarden vermeld in deze paragraaf moet voldaan zijn vóór 15 februari 2015.4Aan de voorwaarden vermeld in deze paragraaf moet voldaan zijn vóór 15 februari 2015.
5§2. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, dat geen opleidingsonderdelen in het Nederlands doceert, moet de Nederlandse taal beheersen op ERK-niveau B2. Het instellingsbestuur voorziet een verplicht integratietraject dat garandeert dat het personeelslid na twee jaar minstens de Nederlandse taal beheerst op ERK-niveau A2, dat wordt afgesloten met het vereiste beheersingsniveau op ERK-niveau B2, en dat door het betrokken personeelslid wordt afgerond binnen de vijf jaar na zijn aanstelling of op het moment van zijn benoeming. Wanneer een personeelslid al langer dan vijf jaar aangesteld is of al benoemd is op het moment dat het belast wordt met een onderwijsopdracht, moet het op dat moment aan het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoen. Een personeelslid dat niet aan de vereisten voor het beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoet, kan geen onderwijsopdracht uitoefenen. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de Nederlandse taal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een Nederlandstalig bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in een niet-anderstalige opleiding.5§2. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, dat geen opleidingsonderdelen in het Nederlands doceert, moet de Nederlandse taal beheersen op ERK-niveau B2. Het instellingsbestuur voorziet een verplicht integratietraject dat garandeert dat het personeelslid na twee jaar minstens de Nederlandse taal beheerst op ERK-niveau A2, dat wordt afgesloten met het vereiste beheersingsniveau op ERK-niveau B2, en dat door het betrokken personeelslid wordt afgerond binnen de vijf jaar na zijn aanstelling of op het moment van zijn benoeming. Wanneer een personeelslid al langer dan vijf jaar aangesteld is of al benoemd is op het moment dat het belast wordt met een onderwijsopdracht, moet het op dat moment aan het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoen. Een personeelslid dat niet aan de vereisten voor het beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoet, kan geen onderwijsopdracht uitoefenen. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de Nederlandse taal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs, een Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, een Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, een Nederlandstalig diploma van gegradueerde, een Nederlandstalig bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in een niet-anderstalige opleiding.
6§3. De instellingen voorzien voor de leden van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel in aangepaste voorzieningen, waaronder een toegankelijk en behoeftedekkend aanbod van Nederlandstalige en anderstalige taalcursussen en taalbegeleidingsmaatregelen.6§3. De instellingen voorzien voor de leden van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel in aangepaste voorzieningen, waaronder een toegankelijk en behoeftedekkend aanbod van Nederlandstalige en anderstalige taalcursussen en taalbegeleidingsmaatregelen.
+6 −5 codex-hoger-onderwijs/art. II.355/3
1§1. Het bestuur stelt samen met de vertegenwoordigers van de studenten en het personeel een gedragscode op over grensoverschrijdend gedrag. De voormelde gedragscode wordt opgenomen in het arbeidsreglement en in het onderwijs- en examenreglement van de instelling.1§1. Het bestuur stelt samen met de vertegenwoordigers van de studenten en het personeel een gedragscode op over grensoverschrijdend gedrag. De voormelde gedragscode wordt opgenomen in het arbeidsreglement en in het onderwijs- en examenreglement van de instelling.
2Het bestuur werkt samen met de vertegenwoordigers van de studenten en van het personeel een procedure uit voor de meldingen over grensoverschrijdend gedrag en de opvolging ervan binnen de instelling, met inbegrip van de te respecteren termijnen. 2Het bestuur werkt samen met de vertegenwoordigers van de studenten en van het personeel een procedure uit voor de meldingen door studenten en door personeel over grensoverschrijdend gedrag en de opvolging ervan binnen de instelling, met inbegrip van de te respecteren termijnen. De procedure voor de meldingen door personeel wordt conform de wet van 4 augustus 1996 opgemaakt..
3Studenten die een melding doen, kunnen desgewenst gebruikmaken van de mogelijkheid om hun examen te laten bijwonen door een waarnemer als vermeld in artikel II.222, 3°.3Studenten die een melding doen, kunnen desgewenst gebruikmaken van de mogelijkheid om hun examen te laten bijwonen door een waarnemer als vermeld in artikel II.222, 3°.
4§2. Het bestuur richt binnen de instelling minstens één intern meldpunt voor meldingen van grensoverschrijdend gedrag door studenten of personeelsleden op. Dit meldpunt bestaat uit de vertrouwenspersoon voor studenten en de vertrouwenspersoon voor personeel. Het bestuur garandeert de onafhankelijke en toegankelijke werking van het interne meldpunt of de interne meldpunten voor meldingen van grensoverschrijdend gedrag.4§2. Het bestuur richt binnen de instelling minstens één intern meldpunt voor meldingen van grensoverschrijdend gedrag door studenten of personeelsleden op. Dit meldpunt bestaat uit de vertrouwenspersoon voor studenten en de vertrouwenspersoon voor personeel. Het bestuur garandeert de onafhankelijke en toegankelijke werking van het interne meldpunt of de interne meldpunten voor meldingen van grensoverschrijdend gedrag.
5§3. Het bestuur zorgt ervoor dat er per instelling een centraal register bijgehouden wordt waarin alle meldingen van grensoverschrijdend gedrag bij het meldpunt, de vertrouwenspersoon voor studenten en de vertrouwenspersoon personeel zoals bedoeld in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, van de instelling worden geregistreerd. Het doel van dit centrale register bestaat erin om alle meldingen die binnen de instelling worden gedaante verzamelen op één digitale plek. Dit moet de instelling in staat stellen om een beter overzicht te krijgen over meldingen met gemeenschappelijke kenmerken, om deze meldingen beter en accurater op te volgen en om ten aanzien van de betrokken personen sneller en beter gepaste maatregelen uit te werken en te implementeren. Daarnaast stelt het de instellingen in staat om kwaliteitscontrole en opvolging te organiseren rond wat er met de meldingen gebeurt.5§3. Het bestuur zorgt ervoor dat er per instelling een centraal register bijgehouden wordt waarin alle meldingen van grensoverschrijdend gedrag bij de vertrouwenspersoon voor studenten en de vertrouwenspersoon personeel worden geregistreerd. De hogeronderwijsinstelling treedt op als verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens die worden opgenomen in het centrale register. Het doel van het centrale register is om alle meldingen die binnen de instelling worden gedaan, te verzamelen op één digitale plek. Het centrale register stelt de instelling in staat om een beter overzicht te krijgen over meldingen met gemeenschappelijke kenmerken, om die meldingen beter en accurater op te volgen en om ten aanzien van de betrokken personen sneller en beter gepaste maatregelen uit te werken en te implementeren. Daarnaast stelt het centrale register de instellingen in staat om kwaliteitscontrole en opvolging te organiseren rond wat er met de meldingen gebeurt.
6In het centrale register worden met inachtneming van de wetgeving op de bescherming van de persoonsgegevens en met het oog op het bereiken van het doel, vermeld in het eerste lid, volgende gegevens opgenomen per registratie:6In het centrale register worden met inachtneming van de wetgeving op de bescherming van de persoonsgegevens en met het oog op het bereiken van het doel, vermeld in het eerste lid, volgende gegevens opgenomen per registratie:
71° de identificatiegegevens van de melder: naam en voornaam;71° de identificatiegegevens van de melder: naam en voornaam;
82° de identificatiegegevens van iedere persoon die volgens de melder direct of indirect betrokken is bij het grensoverschrijdend gedrag, in welke hoedanigheid dan ook: naam, voornaam, functie en hoedanigheid;82° de identificatiegegevens van iedere persoon die volgens de melder direct of indirect betrokken is bij het grensoverschrijdend gedrag, in welke hoedanigheid dan ook: naam, voornaam, functie en hoedanigheid;
93° een beschrijving van de verklaring van de melder inzake grensoverschrijdend gedrag: de aard van het grensoverschrijdend gedrag, tijdstip van het grensoverschrijdend gedrag, een feitelijke weergave van het grensoverschrijdend gedrag.93° een beschrijving van de verklaring van de melder inzake grensoverschrijdend gedrag: de aard van het grensoverschrijdend gedrag, tijdstip van het grensoverschrijdend gedrag, een feitelijke weergave van het grensoverschrijdend gedrag;
104° de acties, vermeld in artikel II.355/4, §2, die zijn ondernomen.
10Het gaat om meldingen over grensoverschrijdend gedrag tussen studenten, verbonden aan de instelling, onderling binnen de onderwijscontext en tussen studenten en personeel, verbonden aan de instelling binnen de onderwijscontext of buiten de onderwijscontext indien er een hiërarchische relatie bestaat tussen de student en het personeelslid. Ook de meldingen in het kader van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, komen in dit register.11Het gaat om meldingen over grensoverschrijdend gedrag tussen studenten, verbonden aan de instelling, onderling binnen de onderwijscontext en tussen studenten en personeel, verbonden aan de instelling binnen de onderwijscontext of buiten de onderwijscontext indien er een hiërarchische relatie bestaat tussen de student en het personeelslid.
11Alleen de preventieadviseur psychosociale aspecten, de vertrouwenspersonen voor personeel zoals bedoeld in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, en de vertrouwenspersoon voor studenten hebben toegang tot het centrale register. 12Alleen de preventieadviseur psychosociale aspecten, de vertrouwenspersoon personeel en de vertrouwenspersoon voor studenten hebben toegang tot het centrale register. De vertrouwenspersoon personeel en de vertrouwenspersoon voor studenten registreren meldingen over grensoverschrijdend gedrag in het centrale register.
12Indien een melder wenst dat de naam van de melder niet in het register wordt opgenomen, dan zorgt de vertrouwenspersoon waar mogelijk voor een geanonimiseerde registratie. De vertrouwenspersoon informeert de melder dat dit gevolgen heeft voor de opvolging van het dossier.13Indien een melder wenst dat de naam van de melder niet in het register wordt opgenomen, dan zorgt de vertrouwenspersoon waar mogelijk voor een geanonimiseerde registratie. De vertrouwenspersoon informeert de melder dat dit gevolgen heeft voor de opvolging van het dossier.
13De instelling bewaart de verklaringen inzake de feiten die in het register zijn opgenomen gedurende vijf jaar indien de betrokkenen allemaal studenten zijn, tien jaar indien een personeelslid betrokken partij is, dertig jaar indien de melding om strafbare feiten gaat, dit steeds te rekenen vanaf de dag dat het personeelslid of de student deze verklaringen heeft laten optekenen. Indien er een nieuwe melding wordt gedaan omtrent een betrokken partij die eerder in het register werd vermeld, dan wordt de bewaartermijn van de oorspronkelijke verklaring in overeenstemming gebracht met de nieuwe bewaartermijn.14De instelling bewaart de verklaringen inzake de feiten die in het register zijn opgenomen gedurende vijf jaar indien de betrokkenen allemaal studenten zijn, tien jaar indien een personeelslid betrokken partij is, dertig jaar indien de melding om strafbare feiten gaat, dit steeds te rekenen vanaf de dag dat het personeelslid of de student deze verklaringen heeft laten optekenen. Indien er een nieuwe melding wordt gedaan omtrent een betrokken partij die eerder in het register werd vermeld, dan wordt de bewaartermijn van de oorspronkelijke verklaring in overeenstemming gebracht met de nieuwe bewaartermijn.
+14 −8 codex-hoger-onderwijs/art. II.355/4
74° een gerichte doorverwijzing;74° een gerichte doorverwijzing;
85° het in kaart brengen van andere mogelijke interne en externe acties en het ondersteunen bij die acties die de melder kan ondernemen als de melder de acties, vermeld in punt 1° tot en met 4°, als onvoldoende beschouwt.85° het in kaart brengen van andere mogelijke interne en externe acties en het ondersteunen bij die acties die de melder kan ondernemen als de melder de acties, vermeld in punt 1° tot en met 4°, als onvoldoende beschouwt.
9§3. De vertrouwenspersoon voor studenten of de vertrouwenspersoon voor personeel kan, als er ten aanzien van een bepaalde betrokken persoon meerdere meldingen zijn ontvangen, ambtshalve initiatief nemen om vervolgstappen te nemen. Daarbij houdt de vertrouwenspersoon steeds rekening met de eventuele vraag van een of meerdere melders om anoniem te blijven.9§3. De vertrouwenspersoon voor studenten of de vertrouwenspersoon personeel kan, als er ten aanzien van een bepaalde betrokken persoon meerdere meldingen zijn ontvangen, vervolgstappen nemen. Daarbij houdt de vertrouwenspersoon steeds rekening met de eventuele vraag van een of meerdere melders om anoniem te blijven.
10Als er zich een situatie voordoet die een acuut risico inhoudt voor studenten of personeelsleden, neemt de vertrouwenspersoon voor studenten of de vertrouwenspersoon voor personeel een initiatief met inachtneming van de regels van het beroepsgeheim, vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek.10Als er zich een situatie voordoet die een acuut risico of een noodtoestand inhoudt voor studenten of personeelsleden, moet de vertrouwenspersoon voor studenten of de vertrouwenspersoon personeel vervolgstappen nemen.
11Het nemen van initiatief kan bestaan uit de acties opgenomen in paragraaf 2, het op de hoogte brengen van de tuchtoverheid en/of het parket informeren.
11Vervolgstappen als vermeld in het eerste en tweede lid kunnen bestaan uit:
121° de acties, vermeld in paragraaf 2;
132° de tuchtoverheid op de hoogte brengen;
143° het parket informeren.
12De vertrouwenspersoon voor studenten of personeel kan de bevoegde tuchtoverheid op de hoogte brengen van een melding over grensoverschrijdend gedrag als er ten aanzien van een bepaalde persoon meerdere meldingen zijn ontvangen. Hierbij worden in een eerste fase enkel die gegevens doorgegeven die de tuchtoverheid toelaten te beslissen of ze al dan niet een tuchtonderzoek wil opstarten.15Bij het op de hoogte brengen van de tuchtoverheid, vermeld in het derde lid, 2°, worden in een eerste fase alleen die gegevens uit het centrale register doorgegeven die de tuchtoverheid toelaten te beslissen of ze al dan niet een tuchtonderzoek opstart.
13Het tuchtreglement legt procedures vast waaronder vastgelegde termijnen voor het geven van een ontvangstbevestiging en de verschillende stappen die de tuchtoverheid kan ondernemen.16Het tuchtreglement van de instelling legt procedures vast waaronder termijnen om een ontvangstbevestiging te versturen en de verschillende stappen die de tuchtoverheid kan ondernemen
14§4. Het bestuur zorgt ervoor dat de vertrouwenspersoon voor studenten beschikt over de nodige tijd en over de vaardigheden en kennis die nodig zijn voor de uitoefening van de opdracht als vertrouwenspersoon voor studenten.17§4. Het bestuur zorgt ervoor dat de vertrouwenspersoon voor studenten beschikt over de nodige tijd en over de vaardigheden en kennis die nodig zijn voor de uitoefening van de opdracht als vertrouwenspersoon voor studenten.
15Desgevallend zorgt de instelling zo snel mogelijk voor de nodige opleiding en professionalisering. De vertrouwenspersoon voor studenten volgt uiterlijk binnen zes maanden nadat die is aangesteld een basisopleiding van ten minste vijf dagen.18Desgevallend zorgt de instelling zo snel mogelijk voor de nodige opleiding en professionalisering. De vertrouwenspersoon voor studenten volgt uiterlijk binnen zes maanden nadat die is aangesteld een basisopleiding van ten minste vijf dagen.
16De vertrouwenspersoon voor studenten volgt minstens één keer per jaar een intervisie of supervisie voor vertrouwenspersonen voor studenten. Vertrouwenspersonen voor studenten die zonder geldige reden niet jaarlijks een intervisie of supervisie volgen, verliezen het statuut van vertrouwenspersoon voor studenten en kunnen niet meer als vertrouwenspersoon voor studenten functioneren.19De vertrouwenspersoon voor studenten volgt minstens één keer per jaar een intervisie of supervisie voor vertrouwenspersonen voor studenten. Vertrouwenspersonen voor studenten die zonder geldige reden niet jaarlijks een intervisie of supervisie volgen, verliezen het statuut van vertrouwenspersoon voor studenten en kunnen niet meer als vertrouwenspersoon voor studenten functioneren.
17§5. De vertrouwenspersoon voor studenten werkt binnen de regels van het beroepsgeheim, vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek.20§5. De vertrouwenspersoon voor studenten werkt binnen de regels van het beroepsgeheim, vermeld in artikel 352 van het nieuwe Strafwetboek.
18De vertrouwenspersoon voor studenten, de vertrouwenspersoon personeel en de preventieadviseur psychosociale aspecten zoals bedoeld in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, hebben het recht en de plicht om waar nodig contact op te nemen met elkaar zodat het mogelijk wordt om alle meldingen die gedaan worden binnen de instelling op één digitale plek te verzamelen. Zij maken gezamenlijke afspraken over het centraal register en kunnen pertinente informatie uitwisselen met het oog op de uitoefening van hun functie. De verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) wordt hierbij in acht genomen. De persoonsgegevens worden verwerkt op basis van de rechtvaardigheidsgrond in artikel 6.1, c), van de algemene verordening gegevensbescherming.
21In afwijking van de verplichting, vermeld in het eerste lid, gelden de volgende bepalingen:
221° de vertrouwenspersoon voor studenten kan, als er ten aanzien van een bepaalde betrokken persoon meerdere meldingen zijn ontvangen, vervolgstappen nemen;
232° de vertrouwenspersoon voor studenten moet vervolgstappen nemen als er zich een situatie voordoet die een acuut risico of een noodtoestand inhoudt voor studenten of personeelsleden;
243° de vertrouwenspersoon voor studenten wisselt met de vertrouwenspersoon personeel en de preventie adviseur psychosociale aspecten informatie uit die nodig is voor het vervullen van zijn of haar opdracht.
19Vertrouwenspersonen voor studenten houden per melding een individueel dossier bij. Het gaat om een weergave van de gebeurtenissen inzake het grensoverschrijdend gedrag zoals beschreven door de melder en identificatiegegevens van alle personen die volgens de melder direct of indirect zijn betrokken bij het grensoverschrijdend gedrag, in welke hoedanigheid dan ook. In het dossier wordt ook opgenomen welke acties uit paragraaf 2 zijn ondernomen.25Vertrouwenspersonen voor studenten houden per melding een individueel dossier bij. Het gaat om een weergave van de gebeurtenissen inzake het grensoverschrijdend gedrag zoals beschreven door de melder en identificatiegegevens van alle personen die volgens de melder direct of indirect zijn betrokken bij het grensoverschrijdend gedrag, in welke hoedanigheid dan ook. In het dossier wordt ook opgenomen welke acties uit paragraaf 2 zijn ondernomen.
20Indien een melder wenst dat de naam van de melder niet in het individueel dossier wordt opgenomen, dan zorgt de vertrouwenspersoon waar mogelijk voor een geanonimiseerde registratie. De vertrouwenspersoon informeert de melder dat dit gevolgen heeft voor de opvolging van het dossier.26Indien een melder wenst dat de naam van de melder niet in het individueel dossier wordt opgenomen, dan zorgt de vertrouwenspersoon waar mogelijk voor een geanonimiseerde registratie. De vertrouwenspersoon informeert de melder dat dit gevolgen heeft voor de opvolging van het dossier.
22§7. Minstens de helft van de vertrouwenspersonen voor studenten behoort niet tot het zelfstandig academisch personeel of onderwijspersoneel.28§7. Minstens de helft van de vertrouwenspersonen voor studenten behoort niet tot het zelfstandig academisch personeel of onderwijspersoneel.
23§8. Personen die binnen de hogeronderwijsinstelling als vrijwilliger werkzaam zijn, extern gefinancierde onderzoekers en doctoraatsstudenten die werkzaam zijn in een hogeronderwijsinstelling kunnen grensoverschrijdend gedrag melden bij een intern meldpunt als vermeld in artikel II.355/3, §2. Ze worden met betrekking tot de verdere afhandeling van hun melding gelijkgesteld met een personeelslid.29§8. Personen die binnen de hogeronderwijsinstelling als vrijwilliger werkzaam zijn, extern gefinancierde onderzoekers en doctoraatsstudenten die werkzaam zijn in een hogeronderwijsinstelling kunnen grensoverschrijdend gedrag melden bij een intern meldpunt als vermeld in artikel II.355/3, §2. Ze worden met betrekking tot de verdere afhandeling van hun melding gelijkgesteld met een personeelslid.
24§9. De bepalingen van paragraaf 3 tot en met 5 zijn onverminderd de bepalingen van de federale wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk eveneens van toepassing op de vertrouwenspersonen voor personeel.
30§9. ...
+0 −9 codex-hoger-onderwijs/art. III.18 opgeheven
1De totale omvang van de middelen die gegenereerd worden door de toepassing van de voorschriften inzake financieringsboni voor beurstariefstudenten, werkstudenten en studenten met een functiebeperking kan:
21° in het onderwijsvariabel deel voor de professionele opleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 15% van het totaal VOWprof;
32° in het onderwijsvariabel deel voor de academische opleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 10% van het totaal VOWac;
43° in het onderwijsvariabel deel voor de academische opleidingen aan de universiteiten niet meer bedragen dan 10% van het totaal VOWun;
54° in het onderwijsvariabele deel voor de professionele opleidingen, met uitzondering van de professionele kunstopleidingen, aan de hogescholen niet meer bedragen dan 15% van het totaal VOWprof2014;
65° in het onderwijsvariabele deel voor de kunstopleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 10% van het totaal VOWhko2014;
76° in het onderwijsvariabele deel voor de academische opleidingen aan de universiteiten niet meer bedragen dan 10% in het totaal VOWun2014.
8Indien het aandeel van die middelen de in het eerste lid genoemde percentages overschrijdt dan worden de extra puntengewichten proportioneel verminderd voor de berekening van de werkingsuitkeringen van het desbetreffende begrotingsjaar.
9Voor de berekening van de financieringspunten in het kader van de evolutie van de bedragen voor de variabele onderwijsdelen VOWprof, VOWac, VOWun, VOWprof2014, VOWhko2014 en VOWun2014, zoals bedoeld in artikel III.6, is deze proportionele vermindering van de extra puntengewichten niet van toepassing.
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.29
11Een instelling die een studiegebied overdraagt naar een andere instelling verliest de onderwijsbevoegdheid voor het betreffende studiegebied.11Een instelling die een studiegebied overdraagt naar een andere instelling verliest de onderwijsbevoegdheid voor het betreffende studiegebied.
12§3. De hogescholen en universiteiten delen jaarlijks voor 1 mei de opleidingen of studiegebieden die ze het daaropvolgende academiejaar willen overdragen, mee aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.12§3. De hogescholen en universiteiten delen jaarlijks voor 1 mei de opleidingen of studiegebieden die ze het daaropvolgende academiejaar willen overdragen, mee aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.
13§4. In afwijking van paragraaf 2 kan de schrapping van een opleiding uit het Hogeronderwijsregister bij de overdragende instelling worden uitgesteld als de betrokken instellingen hiervoor een overeenkomst afsluiten. Door die overeenkomst gaat de overgedragen opleiding in afbouw parallel met de uitbouw van de overgedragen opleiding aan de ontvangende instelling. De overgedragen opleiding wordt geschrapt in het Hogeronderwijsregister bij de overdragende instelling één academiejaar na de overdracht voor opleidingen met een studieomvang van maximaal 120 studiepunten en twee academiejaren voor opleidingen met een studieomvang van minimaal 120 studiepunten.
14Instellingen die een opleiding overdragen en een overeenkomst als vermeld in het eerste lid afsluiten, kunnen in deze overeenkomst opnemen dat ze afwijken van de bepalingen voor de berekening van de werkingsuitkeringen, vermeld in paragraaf 1, 1° en 2°. Die afwijkingen mogen geen budgettaire meerkosten genereren voor de Vlaamse overheid.
15De instellingen bezorgen de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, voor 1 mei van het academiejaar waarin ze de opleiding willen overdragen aan de Vlaamse minis-ter, bevoegd voor onderwijs en vorming.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/1 opgeheven
1De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd om onder de in volgende artikelen vermelde voorwaarden over te gaan tot erkenning van het door de verenigde associaties opgerichte Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/2 opgeheven
1Het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs heeft als opdracht het begeleiden en ondersteunen van de instellingen bij de implementatie van de VN-conventie van 13 december 2006 over de rechten van personen met een handicap. Centraal bij die implementatie staat het verbeteren van de participatie van studenten met functiebeperkingen in het Vlaams hoger onderwijs.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/3 opgeheven
1§ 1. Het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs bezit geen rechtspersoonlijkheid.
2§ 2. De associaties duiden een administratief coördinerende instelling of instantie aan. De associaties sluiten met de administratief coördinerende instelling of instantie een samenwerkingsovereenkomst waarin de bestuurs- en beheersstructuur wordt bepaald.
+0 −7 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/4 opgeheven
1De Vlaamse Regering en de associaties sluiten ten aanzien van de organisatie van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs vijfjaarlijks een convenant waarin ten minste de volgende elementen zijn opgenomen:
21° de aansturingsmogelijkheden van de Vlaamse Regering;
32° de minimale resultaatsverbintenissen van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs;
43° de minimale behoorlijkheidsvereisten op het vlak van het financieel management, evenals de mogelijkheden om een bepaalde financiële reserve aan te leggen van maximaal 20 procent per jaar van de werkingsenveloppe die in een bepaald jaar is toegekend. De totale gecumuleerde reserve op basis van de werkingsenveloppe mag maximaal 50 procent van de jaarlijkse werkingsenveloppe bedragen;
54° de rapporterings- en controlemechanismen, in het bijzonder de wijze van evaluatie van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs in de tweede helft van het vijfde kalenderjaar van het lopende convenant;
65° de remediërende en sanctionerende maatregelen in geval van niet-naleving van het convenant;
76° de gevallen waarin en de wijze waarop het convenant tijdens de looptijd ervan kan worden gewijzigd.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/5 opgeheven
1De administratief coördinerende instelling of instantie bezorgt met betrekking tot de werking van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs jaarlijks een afzonderlijke begroting, jaarplanning, jaarrekening en jaarverslag aan de Vlaamse Regering.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/6 opgeheven
1Het sluiten van een convenant met de Vlaamse Regering doet in hoofde van de administratief coördinerende instelling of instantie een recht ontstaan op een jaarlijkse werkingsenveloppe ten behoeve van de werking van het betrokken Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs.
2De Vlaamse Regering bepaalt, rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten, de grootte van de jaarlijkse werkingsenveloppe, evenals de wijze van vereffening ervan. De werkingsenveloppe wordt geïndexeerd volgens de formule vastgesteld voor de indexering van de werkingsuitkering van de universiteiten en hogescholen.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/7 opgeheven
1De partners bij de associaties kunnen personeelsleden met hun instemming belasten met een taak bij het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs. De betrokken personeelsleden blijven gedurende de uitoefening van deze taak juridisch en administratief behoren tot de terbeschikkingstellende universiteit of hogeschool.
+4 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.119
7Aan PoPoK wordt voor het begrotingsjaar 2023 een bijkomend transitiebudget van 60.000 euro voor een transitie- en onderzoekscoördinator en 25.000 euro aan werkingsmiddelen toegekend om de gesprekken en onderhandelingen met betrekking tot structurele, inhoudelijke en financiële samenwerkingen verder te zetten, en tegelijkertijd met deze transitie de programma’s van de huidige studenten te bestendigen.7Aan PoPoK wordt voor het begrotingsjaar 2023 een bijkomend transitiebudget van 60.000 euro voor een transitie- en onderzoekscoördinator en 25.000 euro aan werkingsmiddelen toegekend om de gesprekken en onderhandelingen met betrekking tot structurele, inhoudelijke en financiële samenwerkingen verder te zetten, en tegelijkertijd met deze transitie de programma’s van de huidige studenten te bestendigen.
8§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.8§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.
9§2/1. Naast het doel, vermeld in paragraaf 2, wordt in het kader van deze codificatie als opdracht van het Orpheus Instituut erkend:
101° het verstrekken van postacademisch onderwijs en vorming inzake muziek;
112° het faciliteren en het voeren van onderzoek in het domein van de muziek, met inbegrip van de begeleiding van doctoraatsstudenten met het oog op het behalen van de academische graad van doctor aan een Belgische of buitenlandse universiteit;
123° het verstrekken van maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening die voortvloeit uit zijn specifieke wetenschappelijke en artistieke expertise.
9§3. Om voor de in paragraaf 1 bedoelde subsidiëring in aanmerking te komen, sluiten de instituten een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar met de Vlaamse Regering, waarin ten minste volgende zaken worden afgesproken:13§3. Om voor de in paragraaf 1 bedoelde subsidiëring in aanmerking te komen, sluiten de instituten een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar met de Vlaamse Regering, waarin ten minste volgende zaken worden afgesproken:
101° de onderdelen van het strategisch beleidsplan;141° de onderdelen van het strategisch beleidsplan;
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. IV.28
1§1 Bij het vaststellen van de jaarlijkse personeelsformaties neemt het hogeschoolbestuur met betrekking tot het onderwijzend personeel, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de volgende regels in acht:1§1 Bij het vaststellen van de jaarlijkse personeelsformaties neemt het hogeschoolbestuur met betrekking tot het onderwijzend personeel, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de volgende regels in acht:
21° voor de personeelsformaties die betrekking hebben op de personeelsleden verbonden aan de professionele opleidingenen op de personeelsleden toegewezen aan de Schools of Arts: het aantal vastbenoemde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, bedraagt ten hoogste 72% van het aantal leden van het onderwijzend personeel uitgedrukt in voltijdse eenheden. Hierbij wordt de bevordering of ambtswijziging van een reeds in de hogeschool benoemd personeelslid niet beschouwd als een nieuwe benoeming. De toepassing van de bepalingen van dit punt wordt voor een periode van 8 jaar met ingang van het begrotingsjaar 2014 opgeschort.21° voor de personeelsformaties die betrekking hebben op de personeelsleden verbonden aan de professionele opleidingen, op de personeelsleden van de Hogere Zeevaartschool en op de personeelsleden toegewezen aan de Schools of Arts: het aantal vastbenoemde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, bedraagt ten hoogste 72% van het aantal leden van het onderwijzend personeel uitgedrukt in voltijdse eenheden. Hierbij wordt de bevordering of ambtswijziging van een reeds in de hogeschool benoemd personeelslid niet beschouwd als een nieuwe benoeming. De toepassing van de bepalingen van dit punt wordt voor een periode van 8 jaar met ingang van het begrotingsjaar 2014 opgeschort.
3Een benoeming of aanstelling in een ambt van het onderwijzend personeel is slechts mogelijk met inachtneming van bovenvermelde aantallen.3Een benoeming of aanstelling in een ambt van het onderwijzend personeel is slechts mogelijk met inachtneming van bovenvermelde aantallen.
4§2. In geval van een herstructurering zoals bedoeld in artikel I.3, 34°, kunnen de herstructurerende instellingen op gemotiveerde wijze afwijken van de normen vermeld in paragraaf 1.4§2. In geval van een herstructurering zoals bedoeld in artikel I.3, 34°, kunnen de herstructurerende instellingen op gemotiveerde wijze afwijken van de normen vermeld in paragraaf 1.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. IV.37
1Inzake de salarissen van het onderwijzend, het wetenschappelijk, het academisch personeel, het administratief en het technisch personeel van de universiteiten, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen, als gevolg van onjuiste salarisvaststellingen door de bevoegde overheid of het universiteitsbestuur, definitief vervallen aan hen die ze ontvangen als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van 2 jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, behoudens wanneer de onverschuldigde bedragen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. In deze gevallen geldt een verjaringstermijn van 30 jaar.1Inzake de salarissen van het onderwijzend, het wetenschappelijk, het academisch personeel, het administratief en het technisch personeel van de universiteiten, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen, als gevolg van onjuiste salarisvaststellingen door de bevoegde overheid of het universiteitsbestuur, definitief vervallen aan hen die ze ontvangen als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van 2 jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, behoudens wanneer de onverschuldigde bedragen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. In deze gevallen geldt een verjaringstermijn van 30 jaar.
2In afwijking van het eerste lid zijn de ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen, als de terugbetaling daarvan niet is gevraagd binnen een termijn van één jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, als het salaris foutief berekend werd als gevolg van een administratieve fout van de betalende overheid, waarbij deze laatste tijdig beschikte over alle nodige informatie. Dit lid is enkel van toepassing wanneer er sprake is van foutief berekend salaris. Het is niet van toepassing wanneer het personeelslid ten onrechte een salaris heeft ontvangen voor prestaties die niet werden geleverd, of wanneer het personeelslid voor een onderbreking van zijn opdracht recht heeft op een socialezekerheidsuitkering.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. IV.42
1Als het hogeschoolbestuur of de bevoegde overheid de salarissen van het onderwijzend personeel of van het administratief en technisch personeel verkeerd heeft vastgesteld, moet het de terugbetaling vragen binnen een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van betaling in de vorm zoals bepaald in artikel 16, §2, eerste lid, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. Als de terugbetaling niet gevraagd wordt binnen de gestelde termijn, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen definitief vervallen.1Als het hogeschoolbestuur of de bevoegde overheid de salarissen van het onderwijzend personeel of van het administratief en technisch personeel verkeerd heeft vastgesteld, moet het de terugbetaling vragen binnen een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van betaling in de vorm zoals bepaald in artikel 16, §2, eerste lid, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. Als de terugbetaling niet gevraagd wordt binnen de gestelde termijn, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen definitief vervallen.
2Te rekenen vanaf de vraag bedoeld in het eerste lid kan het onverschuldigde bedrag worden teruggevorderd gedurende de termijn die in artikel 16, §2, tweede lid, van vermelde wet is bepaald.2Te rekenen vanaf de vraag bedoeld in het eerste lid kan het onverschuldigde bedrag worden teruggevorderd gedurende de termijn die in artikel 16, §2, tweede lid, van vermelde wet is bepaald.
3In afwijking van het eerste lid moet de terugbetaling gevraagd worden binnen een termijn van één jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, als het salaris foutief berekend werd als gevolg van een administratieve fout van de betalende overheid, waarbij deze laatste tijdig beschikte over alle nodige informatie. Dit lid is enkel van toepassing wanneer er sprake is van foutief berekend salaris. Het is niet van toepassing wanneer het personeelslid ten onrechte een salaris heeft ontvangen voor prestaties die niet werden geleverd, of wanneer het personeelslid voor een onderbreking van zijn opdracht recht heeft op een socialezekerheidsuitkering. Als de terugbetaling niet gevraagd wordt binnen de gestelde termijn, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen definitief vervallen.
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.1
91°/3 gezinslid: elke persoon die met het personeelslid samenwoont;91°/3 gezinslid: elke persoon die met het personeelslid samenwoont;
101°/4 langdurige pleegzorg: pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleeg-ouders zal verblijven;101°/4 langdurige pleegzorg: pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleeg-ouders zal verblijven;
112° vakgebied: tak van de wetenschap waarover het zelfstandig academisch personeel onderwijs verstrekt, wetenschappelijk onderzoek verricht of wetenschappelijke dienstverlening verleent.112° vakgebied: tak van de wetenschap waarover het zelfstandig academisch personeel onderwijs verstrekt, wetenschappelijk onderzoek verricht of wetenschappelijke dienstverlening verleent;
123° werkdag: elke andere dag dan een zondag en een wettelijke feestdag.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.2
1De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het academisch personeel van de universiteiten bezoldigd ten laste van de werkingsuitkeringen verschaft door de Vlaamse Gemeenschap.1De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het academisch personeel van de universiteiten bezoldigd ten laste van de werkingsuitkeringen verschaft door de Vlaamse Gemeenschap.
2De Vlaamse Regering stelt voor het academisch personeel een regeling vast omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de ambtsbeëindiging en de mandaatsbeëindiging.2De Vlaamse Regering stelt voor het academisch personeel een regeling vast omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de ambtsbeëindiging met inbegrip van het ontslag om dringende redenen, en de mandaatsbeëindiging.
+10 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.44
1§1. In afwijking van artikel 2, §1, van de wet van 4 augustus 1986 tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving kan de benoeming van een in het artikel 1 van de wet van 4 augustus 1986 bedoeld personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum 1 academiejaar en telkens met instemming van het universiteitsbestuur verlengd worden. Het universiteitsbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.
1§1. Het universiteitsbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de tewerkstelling beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de tewerkstelling gaat in op een van de volgende momenten:
21° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
32° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
43° op een door het universiteitsbestuur en het personeelslid overeengekomen moment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
5Het universiteitsbestuur dat de tewerkstelling beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het universiteitsbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift , vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
6Het universiteitsbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
71° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
82° bij aangetekend schrijven;
93° bij deurwaardersexploot.
10Het aangetekend schrijven, vermeld in het derde lid, heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.
2§2. Het universiteitsbestuur kan beslissen dat een lid van het zelfstandig academisch personeel dat met pensioen is een deel van de activiteiten van onderwijs onderzoek of dienstverlening mag voortzetten. Het universiteitsbestuur kan hiervoor een vergoeding ten laste van de werkingsuitkeringen geven. De beslissing geldt voor maximum 1 jaar en kan telkens met maximum 1 jaar verlengd worden.11§2. Het universiteitsbestuur kan beslissen dat een lid van het zelfstandig academisch personeel dat met pensioen is een deel van de activiteiten van onderwijs onderzoek of dienstverlening mag voortzetten. Het universiteitsbestuur kan hiervoor een vergoeding ten laste van de werkingsuitkeringen geven. De beslissing geldt voor maximum 1 jaar en kan telkens met maximum 1 jaar verlengd worden.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.50
3Het universiteitsbestuur kan de omvang van het dienstverband wijzigen met instemming of op verzoek van het personeelslid. In geval van een vermindering van de omvang behoudt het personeelslid gedurende 6 jaar het recht van terugkeer naar de oorspronkelijke omvang.3Het universiteitsbestuur kan de omvang van het dienstverband wijzigen met instemming of op verzoek van het personeelslid. In geval van een vermindering van de omvang behoudt het personeelslid gedurende 6 jaar het recht van terugkeer naar de oorspronkelijke omvang.
4Het universiteitsbestuur kan een deeltijds lid van het administratief en technisch personeel ook tewerkstellen als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. Op deze personeelsleden is de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing.4Het universiteitsbestuur kan een deeltijds lid van het administratief en technisch personeel ook tewerkstellen als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. Op deze personeelsleden is de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing.
5Het universiteitsbestuur kan beslissen dat een lid van het administratief en technisch personeel dat met pensioen is, een deel van de activiteiten kan voortzetten. Het uni-versiteitsbestuur kan daarvoor een vergoeding ten laste van de werkingsuitkeringen geven. De beslissing geldt voor maximaal een jaar en kan telkens met maximaal een jaar worden verlengd.
+10 −2 codex-hoger-onderwijs/art. V.59
1Het universiteitsbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de benoeming beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de tewerkstelling gaat in op een van de volgende momenten:
21° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
1Een benoeming eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of, mits toestemming van het universiteitsbestuur, op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt.32° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
2In afwijking van het eerste lid, kan de benoeming van het personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum 1 jaar en telkens met instemming van het universiteitsbestuur verlengd worden. De definitieve ambtsneerlegging gaat pas in na het einde van de benoeming. Het universiteitsbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.
43° op een door het universiteitsbestuur en het personeelslid overeengekomen mo-ment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
5Het universiteitsbestuur dat de benoeming beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het universiteitsbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift, vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
6Het universiteitsbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
71° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
82° bij aangetekend schrijven;
93° bij deurwaardersexploot.
10Het in het derde lid vermelde aangetekend schrijven heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.80
3425° vacante betrekking : een betrekking die niet toegewezen is aan een titularis door benoeming of aanstelling;3425° vacante betrekking : een betrekking die niet toegewezen is aan een titularis door benoeming of aanstelling;
3526° voltijdse betrekking : een betrekking waaraan een opdracht van 100% verbonden is en die een volledige beschikbaarheid voor de hogeschool inhoudt, gedefinieerd overeenkomstig de gangbare arbeidsduurregeling;3526° voltijdse betrekking : een betrekking waaraan een opdracht van 100% verbonden is en die een volledige beschikbaarheid voor de hogeschool inhoudt, gedefinieerd overeenkomstig de gangbare arbeidsduurregeling;
3626°/1: werkdag: elke andere dag dan een zondag en een wettelijke feestdag.
3627° werving : eerste aanstelling of benoeming tot personeelslid in een ambt voorzien op de personeelsformatie van de hogeschool;3727° werving : eerste aanstelling of benoeming tot personeelslid in een ambt voorzien op de personeelsformatie van de hogeschool;
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.110
43° op het ogenblik dat het tijdelijk personeelslid wordt benoemd in deze betrekking;43° op het ogenblik dat het tijdelijk personeelslid wordt benoemd in deze betrekking;
54° uiterlijk op het einde van de termijn waarvoor de aanstelling gebeurde;54° uiterlijk op het einde van de termijn waarvoor de aanstelling gebeurde;
65° bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. De leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in hoofdstuk 3, kunnen bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar verder werken tot het einde van het academiejaar wanneer het hogeschoolbestuur hiermee instemt;
65° ...;
76° bij overlijden;76° bij overlijden;
87° bij ontslag wegens dringende redenen;87° bij ontslag wegens dringende redenen;
+10 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.110
98° voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel V.106;98° voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel V.106;
109° wanneer is vastgesteld dat het personeelslid wegens en overeenkomstig de wet, het decreet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen.109° wanneer is vastgesteld dat het personeelslid wegens en overeenkomstig de wet, het decreet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen.
11In afwijking van het eerste lid, punt 5°, kan de aanstelling van het personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum een academiejaar en telkens met instemming van het hogeschoolbestuur verlengd worden. De definitieve ambtsneerlegging gaat pas in na het einde van de aanstelling. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de aanstelling.
12§2. Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling, om andere redenen dan de bepalingen vermeld in paragraaf 1, moet het een opzeggingstermijn in acht nemen, gelijk aan 3 maanden per begonnen schijf van 5 jaar dienstanciënniteit gepresteerd in de betrokken hogeschool of haar rechtsvoorganger. De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving van de opzegging. Op straffe van nietigheid moet de kennisgeving van de opzegging het begin en de duur van de opzeggingstermijn vermelden. De kennisgeving gebeurt door afgifte van een geschrift aan het personeelslid dat tekent voor ontvangst, ofwel bij aangetekend schrijven dat uitwerking heeft de derde werkdag na verzending, ofwel bij deurwaardersexploot.11§2. Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling, om andere redenen dan de bepalingen vermeld in paragraaf 1, moet het een opzeggingstermijn in acht nemen, gelijk aan 3 maanden per begonnen schijf van 5 jaar dienstanciënniteit gepresteerd in de betrokken hogeschool of haar rechtsvoorganger. De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving van de opzegging. Op straffe van nietigheid moet de kennisgeving van de opzegging het begin en de duur van de opzeggingstermijn vermelden. De kennisgeving gebeurt door afgifte van een geschrift aan het personeelslid dat tekent voor ontvangst, ofwel bij aangetekend schrijven dat uitwerking heeft de derde werkdag na verzending, ofwel bij deurwaardersexploot.
13De opzeggingstermijn wordt herleid tot 7 dagen indien het een personeelslid betreft dat is aangesteld voor een periode van minder dan 12 maanden en indien dit personeelslid de evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen voor het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft.12De opzeggingstermijn wordt herleid tot 7 dagen indien het een personeelslid betreft dat is aangesteld voor een periode van minder dan 12 maanden en indien dit personeelslid de evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen voor het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft.
14Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling van een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1 naar de hogeschool overgegaan is, wordt voor het bepalen van de opzeggingstermijn ook rekening gehouden met de dienstanciënniteit die het personeelslid in het hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding aan het centrum voor volwassenenonderwijs opgebouwd heeft.13Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling van een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1 naar de hogeschool overgegaan is, wordt voor het bepalen van de opzeggingstermijn ook rekening gehouden met de dienstanciënniteit die het personeelslid in het hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding aan het centrum voor volwassenenonderwijs opgebouwd heeft.
14§2/1. Het hogeschoolbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de aanstelling beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de aanstelling gaat in op een van de volgende momenten:
151° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
162° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
173° op een door het hogeschoolbestuur en het personeelslid overeengekomen moment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
18Het hogeschoolbestuur dat de aanstelling beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het hogeschoolbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift, vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
19Het hogeschoolbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
201° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
212° bij aangetekend schrijven;
223° bij deurwaardersexploot.
23Het in het derde lid vermelde aangetekend schrijven heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.
15§3. Behalve om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening van de volgende rechten mag het hogeschoolbestuur in afwijking van paragraaf 2 geen handelingen stellen die eenzijdig een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat gebruik maakt van een van die rechten:24§3. Behalve om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening van de volgende rechten mag het hogeschoolbestuur in afwijking van paragraaf 2 geen handelingen stellen die eenzijdig een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat gebruik maakt van een van die rechten:
161° het recht op geboorteverlof, vermeld in artikel 7/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool;251° het recht op geboorteverlof, vermeld in artikel 7/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool;
+10 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.111
87° bij toepassing van artikel V.87 en V.91;87° bij toepassing van artikel V.87 en V.91;
98° wanneer een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1, eerste lid, 1°, overgekomen is van een centrum voor volwassenenonderwijs naar een centrum terugkeert met toepassing van artikel 31, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 45, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.98° wanneer een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1, eerste lid, 1°, overgekomen is van een centrum voor volwassenenonderwijs naar een centrum terugkeert met toepassing van artikel 31, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 45, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
10In afwijking van het eerste lid, punt 5°, kan de benoeming van het personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum 1 academiejaar en telkens met instemming van het hogeschoolbestuur verlengd worden. De definitieve ambtsneerlegging gaat pas in na het einde van de benoeming. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.
11§2. Voor de benoemde personeelsleden geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:10§2. Voor de benoemde personeelsleden geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:
121° het ontslag als gevolg van een tuchtmaatregel;111° het ontslag als gevolg van een tuchtmaatregel;
17Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de hogeschool de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.16Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de hogeschool de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.
18§3. Het hogeschoolbestuur kan de benoeming van een personeelslid eveneens beëindigen bij een ontslag om een dringende reden. In dit geval vindt het ontslag plaats zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding. Het hogeschoolbestuur betaalt evenwel de werkgevers- en werknemersbijdragen nodig voor de opname van het betrokken personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen en de moederschapsbescherming. De duur van de periode gedekt door de betaling van werkgevers- en werknemersbijdragen voor de werkloosheidsverzekering en de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen mag de duur van de benoeming van het ontslagen personeelslid niet overschrijden.17§3. Het hogeschoolbestuur kan de benoeming van een personeelslid eveneens beëindigen bij een ontslag om een dringende reden. In dit geval vindt het ontslag plaats zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding. Het hogeschoolbestuur betaalt evenwel de werkgevers- en werknemersbijdragen nodig voor de opname van het betrokken personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen en de moederschapsbescherming. De duur van de periode gedekt door de betaling van werkgevers- en werknemersbijdragen voor de werkloosheidsverzekering en de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen mag de duur van de benoeming van het ontslagen personeelslid niet overschrijden.
18§4. Het hogeschoolbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de benoeming beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de aanstelling gaat in op een van de volgende momenten:
191° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
202° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
213° op een door het hogeschoolbestuur en het personeelslid overeengekomen moment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
22Het hogeschoolbestuur dat de benoeming beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het hogeschoolbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift, vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
23Het hogeschoolbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
241° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
252° bij aangetekend schrijven;
263° bij deurwaardersexploot.
27Het in het derde lid vermelde aangetekend schrijven heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.
+1 −2 codex-hoger-onderwijs/art. V.111
43° indien het personeelslid zich bevindt in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;43° indien het personeelslid zich bevindt in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;
54° wanneer is vastgesteld dat het personeelslid wegens en overeenkomstig de wet, het decreet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen;54° wanneer is vastgesteld dat het personeelslid wegens en overeenkomstig de wet, het decreet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen;
65° bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. De leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in hoofdstuk 3, kunnen bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar verder werken tot het einde van het academiejaar wanneer het hogeschoolbestuur hiermee instemt;
76° bij overlijden;
65° ...;
87° bij toepassing van artikel V.87 en V.91;77° bij toepassing van artikel V.87 en V.91;
98° wanneer een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1, eerste lid, 1°, overgekomen is van een centrum voor volwassenenonderwijs naar een centrum terugkeert met toepassing van artikel 31, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 45, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.88° wanneer een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1, eerste lid, 1°, overgekomen is van een centrum voor volwassenenonderwijs naar een centrum terugkeert met toepassing van artikel 31, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 45, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.113
1Het hogeschoolbestuur kan elk personeelslid zonder opzegging om dringende redenen ontslaan. Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de aanstelling of benoeming onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.1Het hogeschoolbestuur kan elk personeelslid zonder opzegging om dringende redenen ontslaan. Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de aanstelling of benoeming onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.
2Het hogeschoolbestuur meldt het ontslag en de dringende redenen die er aanleiding toe geven bij een ter post aangetekende brief aan het betrokken personeelslid, binnen 3 werkdagen nadat de feiten bekend werden bij het hogeschoolbestuur.2Het hogeschoolbestuur meldt het ontslag en de dringende redenen die er aanleiding toe geven bij een ter post aangetekende brief aan het betrokken personeelslid, binnen 3 werkdagen nadat de feiten bekend werden bij het hogeschoolbestuur.
3Het betrokken personeelslid kan binnen 3 werkdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de indiening bij de post van bovenvermelde brief, bij aangetekend schrijven een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het college van beroep inzake tucht bedoeld in artikel V.101. Het beroep is niet opschortend. Het college van beroep inzake tucht spreekt zich binnen de 20 werkdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de indiening van het bezwaarschrift bij de post uit over de gegrondheid van het ontslag om dwingende redenen.3Het betrokken personeelslid kan binnen zes werkdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de indiening bij de post van bovenvermelde brief, bij aangetekend schrijven een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het college van beroep inzake tucht bedoeld in artikel V.101. Het beroep is opschortend. Het college van beroep inzake tucht spreekt zich binnen de 20 werkdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de indiening van het bezwaarschrift bij de post uit over de gegrondheid van het ontslag om dwingende redenen.
4Indien het college van beroep inzake tucht het ontslag om dringende redenen van een benoemd personeelslid ongegrond verklaart, kan het beslissen tot een preventieve schorsing van het personeelslid, met een tuchtprocedure tot gevolg. Het personeelslid wordt in dat geval in de administratieve stand geplaatst waarin het zich de dag voor het ontslag bevond.4Indien het college van beroep inzake tucht het ontslag om dringende redenen van een benoemd personeelslid ongegrond verklaart, kan het beslissen tot een preventieve schorsing van het personeelslid, met een tuchtprocedure tot gevolg. Het personeelslid wordt in dat geval in de administratieve stand geplaatst waarin het zich de dag voor het ontslag bevond.
5Voor de berekening van de termijnen vermeld in dit artikel is de poststempel bewijskrachtig.5Voor de berekening van de termijnen vermeld in dit artikel is de poststempel bewijskrachtig.
+4 −3 codex-hoger-onderwijs/art. V.121
1In afwijking van artikel V.120 worden de ambten van het onderwijzend personeel in de studiegebieden Audiovisuele en Beeldende kunst en Muziek en Podiumkunsten en de ambten aan de Hogere Zeevaartschool als volgt ingedeeld:1In afwijking van artikel V.120 worden de ambten van het onderwijzend personeel in de studiegebieden Audiovisuele en Beeldende kunst en Muziek en Podiumkunsten en de ambten aan de Hogere Zeevaartschool als volgt ingedeeld:
21° groep 1 : de praktijklector, de hoofdpraktijklector, de lector en de hoofdlector;21° groep 1 : de praktijklector, de hoofdpraktijklector, de lector en de hoofdlector;
32° groep 2 : het assisterend personeel : de assistent, de doctor-assistent en de werkleider;32° groep 2 : het assisterend personeel : de assistent, de praktijkassistent, de doctor-assistent en de werkleider;
43° groep 3 : de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar.43° groep 3 : de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar.
5De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de graduaatsopleidingen en de professionele bacheloropleidingen. De lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen.5De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de graduaatsopleidingen en de professionele bacheloropleidingen. De praktijklectoren, hoofdpraktijklectoren, lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen.
6De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. De praktijkassistenten, de benoemde assistenten en de werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen.6De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. De praktijkassistenten en de werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen.
7De ambten van groep 3 kunnen zowel in de graduaatsopleidingen en de professionele als in de academische opleidingen worden verleend.7De ambten van groep 3 kunnen zowel in de graduaatsopleidingen en de professionele als in de academische opleidingen worden verleend.
8In afwijking van het tweede lid, kan een personeelslid in een ambt van groep 1 dat aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet, aangesteld blijven en in voorkomend geval benoemd worden in de educatieve masteropleiding voor de kunsten:8In afwijking van het tweede lid, kan een personeelslid in een ambt van groep 1 dat aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet, aangesteld blijven en in voorkomend geval benoemd worden in de educatieve masteropleiding voor de kunsten:
121° het personeelslid oefende tot 31 augustus 2021 deze opdracht uit in de professionele bachelor in de scheepswerktuigkunde;121° het personeelslid oefende tot 31 augustus 2021 deze opdracht uit in de professionele bachelor in de scheepswerktuigkunde;
132° het personeelslid is vanaf 1 september 2021 voor het luik onderwijs van zijn opdracht uitsluitend belast met praktijkgebonden opleidingsonderdelen in de academische bachelor van de opleiding scheepswerktuigkunde.132° het personeelslid is vanaf 1 september 2021 voor het luik onderwijs van zijn opdracht uitsluitend belast met praktijkgebonden opleidingsonderdelen in de academische bachelor van de opleiding scheepswerktuigkunde.
14De personeelsleden die op 31 maart 2024 benoemd zijn als assistent, verkrijgen vanaf 1 april 2024 een benoeming als praktijkassistent met behoud van het tewerkstellingspercentage, de anciënniteit en de salarisschaal die ze op 1 april 2024 hadden.
+5 −3 decreet-2009-05-08/art. 2
108° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen of de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een CLB of een leersteuncentrum moet voldoen;108° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen of de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een CLB of een leersteuncentrum moet voldoen;
119° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;119° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;
129°/1 GI-school: de school, vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 17 mei 2024 over het onderwijs in de gemeenschapsinstellingen die ter uitvoering van het jeugddelinquentierecht zijn opgericht;
1210° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;1310° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
1311° instelling : onderwijsinstelling, onderwijsinternaat, CLB of leersteuncentrum;1411° instelling : onderwijsinstelling, onderwijsinternaat, CLB of leersteuncentrum;
28b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;29b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
2916° pedagogische begeleiding: de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen, CLB’s en leersteuncentra in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs, kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding en kwaliteitsvolle leersteun ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie;3016° pedagogische begeleiding: de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen, CLB’s en leersteuncentra in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs, kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding en kwaliteitsvolle leersteun ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie;
3016°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingenuitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling;3116°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingen, met uitzondering van de GI-school, uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling;
3116°/2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB;3216°/2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB;
3216°/3 referentiekader kwaliteitsvolle leersteun: het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leersteun door de leersteuncentra uitzet; het kader is opgebouwd rond de drie rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het leersteuncentrum;3316°/3 referentiekader kwaliteitsvolle leersteun: het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leersteun door de leersteuncentra uitzet; het kader is opgebouwd rond de drie rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het leersteuncentrum;
3416°/3/1 referentiekader kwaliteit van onderwijs in de gemeenschapsinstellingen: het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle onderwijstrajecten door de GI-school uitzet. Dat kader is opgebouwd rond de volgende vier rubrieken: resultaten en effecten, stimuleren van ontwikkeling, kwaliteitsontwikkeling en beleid. Het houdt rekening met de context en input van de onderwijsinstelling;
3316°/4 referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit: het kader dat de ver- wachtingen voor kwaliteitsvol verblijf en kwaliteitsvolle begeleiding uitzet. Het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, beleid en kwaliteitsontwikkeling en het houdt rekening met context en input van het onderwijsinternaat;3516°/4 referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit: het kader dat de ver- wachtingen voor kwaliteitsvol verblijf en kwaliteitsvolle begeleiding uitzet. Het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, beleid en kwaliteitsontwikkeling en het houdt rekening met context en input van het onderwijsinternaat;
3417° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en die een werking ontplooit ten behoeve van de inspectie;3617° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en die een werking ontplooit ten behoeve van de inspectie;
3619° secundair onderwijs : het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs;3819° secundair onderwijs : het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
3720° structuuronderdeel : onderverdeling in het onderwijsaanbod die afzonderlijk erkend kan worden;3920° structuuronderdeel : onderverdeling in het onderwijsaanbod die afzonderlijk erkend kan worden;
3820°/1 toezichtkader : kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om haar doorlichtingsinstrumenten te ontwikkelen, gebaseerd op de referentiekaders zoals bedoeld in punt 16°/1, 16°/2, 16°/3en 16°/4. Het toezichtkader heeft betrekking op de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling, en beleid en houdt rekening met context en input van de instelling;4020°/1 toezichtkader : kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om haar doorlichtingsinstrumenten te ontwikkelen, gebaseerd op de referentiekaders zoals bedoeld in punt 16°/1, 16°/2, 16°/3, 16°/3/1 en 16°/4. Het toezichtkader heeft betrekking op de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling, en beleid en houdt rekening met context en input van de instelling;
3921° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende centra voor volwassenenonderwijs en de erkende centra voor basiseducatie, vermeld in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.4121° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende centra voor volwassenenonderwijs en de erkende centra voor basiseducatie, vermeld in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
4022° leeftijdsgrens : na het einde van het jaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 heeft bereikt.
4222° ...
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 39
25§7. Voor het basisen secundair onderwijs zijn volgende evaluaties van het gelijkeonderwijskansenbeleid mogelijk:25§7. Voor het basisen secundair onderwijs zijn volgende evaluaties van het gelijkeonderwijskansenbeleid mogelijk:
261° een positieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, alsook, naargelang het geval, de SES-lestijden, de aanvullende lestijden, de extra uren-leraar of de extra lesuren ontvangt tot de daaropvolgende schooldoorlichting, conform de berekeningen gebaseerd op, naargelang het geval, artikel 85, §2, 134 en 139ter decies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 227, 235, 249 of 319 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;261° een positieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, alsook, naargelang het geval, de SES-lestijden, de aanvullende lestijden, de extra uren-leraar of de extra lesuren ontvangt tot de daaropvolgende schooldoorlichting, conform de berekeningen gebaseerd op, naargelang het geval, artikel 85, §2, 134 en 139ter decies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 227, 235, 249 of 319 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
272° een negatieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school een engagement tot remediëring met externe begeleiding en ondersteuning moet aangaan. Als de eerstvolgende evaluatie door de onderwijsinspectie opnieuw negatief is, dan ontvangt de school vanaf het daaropvolgend schooljaar, slechts de helft van het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken , alsook, naargelang het geval, de helft van het aantal SES-lestijden, aanvullende lestijden, extra uren-leraar of extra lesuren waarop ze normaliter recht heeft en dat tot en met het schooljaar waarin een evaluatie positief is. De onderwijsinspectie evalueert de school opnieuw binnen een termijn van 1 jaar. 272° een negatieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school zich verplicht engageert tot remediëring met externe begeleiding en ondersteuning. De onderwijsinspectie evalueert in dat geval opnieuw het gelijkeonderwijskansenbeleid na een termijn van minstens 180 kalenderdagen. Als die evaluatie opnieuw negatief is, ontvangt de school vanaf het daaropvolgend schooljaar, slechts de helft van het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken en, naargelang het geval, de helft van het aantal SES-lestijden, aanvullende lestijden, extra uren-leraar of extra lesuren waarop ze normaliter recht heeft en dat tot en met het schooljaar waarin een evaluatie positief is. Evaluaties ten gevolge van een negatieve evaluatie kunnen plaatsvinden buiten de schooldoorlichting, vermeld in artikel 38, §1, eerste lid. In het geval de omkadering en het werkingsbudget zijn gehal-veerd, wordt vanaf het daaropvolgend schooljaar de evaluatie jaarlijks herhaald totdat de evaluatie positief is. Hierbij kan de termijn tussen twee opeenvolgende evaluaties nooit minder dan 180 kalenderdagen bedragen.
+3 −0 decreet-2009-05-08/art. 149
162° geniet het personeelslid het brutoactiviteitssalaris dat verbonden is aan het ambt waarin het vastbenoemd was.162° geniet het personeelslid het brutoactiviteitssalaris dat verbonden is aan het ambt waarin het vastbenoemd was.
17Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.17Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.
18§3. De Vlaamse Regering kan een einde maken aan de tijdelijke aanstelling, vaste benoeming of het mandaat van een personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft. De Vlaamse Regering neemt hierbij een opzeggingstermijn in acht, gelijk aan 3 maanden per begonnen schijf van 10 jaar dienstanciënniteit die het personeelslid heeft verworven. De opzegging wordt gemotiveerd.
19Met behoud van de toepassing van het eerste lid, kan het personeelslid bij het voltooien van de opzeggingstermijn voortwerken tot het einde van de maand waarin het personeelslid de opzeggingstermijn volbracht heeft.
20De opzeggingstermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de maandag die volgt op de week waarin de Vlaamse Regering, het personeelslid op de hoogte heeft gebracht van het ontslag.
+1 −2 decreet-2009-05-08/art. 150
1Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een tijdelijk aangesteld en een vastbenoemd personeelslid eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging of tot beëindiging van de tijdelijke aanstelling :1Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een tijdelijk aangesteld en een vastbenoemd personeelslid eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging of tot beëindiging van de tijdelijke aanstelling :
21° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn bedraagt vijftien kalenderdagen, tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen. Het personeelslid deelt het vrijwillig ontslag mee per aangetekende brief;21° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn bedraagt vijftien kalenderdagen, tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen. Het personeelslid deelt het vrijwillig ontslag mee per aangetekende brief;
32° de pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens.
4In afwijking van artikel 150, eerste lid, 2°, en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 62, § 2 en § 3, eindigt de aanstelling niet na het bereiken van de leeftijdsgrens indien het betrokken personeelslid en de inspecteur-generaal overeenkomen de aanstelling te verlengen. Dergelijke verlenging van de aanstelling geldt telkens enkel voor de duur van maximum één jaar.
32° ...
+1 −2 decreet-2009-05-08/art. 151
1Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een personeelslid dat een mandaat bekleedt, eveneens aanleiding tot beëindiging van het mandaat :1Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een personeelslid dat een mandaat bekleedt, eveneens aanleiding tot beëindiging van het mandaat :
21° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn zoals vermeld in artikel 87, § 1, moet worden nageleefd;21° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn zoals vermeld in artikel 87, § 1, moet worden nageleefd;
32° de pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens.
4In afwijking van artikel 151, eerste lid, 2°, en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 62, § 2 en § 3, eindigt het mandaat niet na het bereiken van de leeftijdsgrens indien het betrokken personeelslid en de inspecteur-generaal overeenkomen het mandaat te verlengen. Dergelijke verlenging van het mandaat geldt telkens enkel voor de duur van maximum één jaar.
32° ...
+9 −0 decreet-2009-05-08/art. 152/1 nieuw
1De Vlaamse Regering mag, met toepassing van artikel 149, alleen eenzijdig een einde maken aan de tijdelijke aanstelling of vaste benoeming van een personeelslid om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening door het personeelslid volgens de geldende regelgeving van een van de volgende rechten:
21° het recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling;
32° het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
43° het recht op afwezigheid voor verminderde prestaties voor zorgdoeleinden;
54° het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen;
65° het recht om een nevenactiviteit uit te oefenen, binnen de grenzen van de cumulatieregeling en de regeling rond onverenigbaarheden van de inspectie;
76° het recht op een ambtswijziging of om werk met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden te vragen.
8Het verbod om eenzijdig een einde maken aan de tijdelijke aanstelling of vaste benoeming van een personeelslid om de redenen, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag van de aanvraag van een van de rechten, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof dat ingaat op de dag van de geboorte van het kind.
9De Vlaamse Regering deelt het personeelslid schriftelijk mee wat de redenen voor het ontslag zijn. Als de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan de uitoefening van de rechten, vermeld in het eerste lid, of als er geen reden opgegeven is, krijgt het personeelslid aanvullend op de opzeggingstermijn of -vergoeding een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden. Die forfaitaire vergoeding mag bij het ontslag van een personeelslid niet samen genoten worden met andere vergoedingen die in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag zijn bepaald.
+4 −3 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 3
21° de ARGO: de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs;21° de ARGO: de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs;
32° de centrale raad: de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988;32° de centrale raad: de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988;
43° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de scholengemeenschapsinstellingen de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de leersteuncentra, de onderwijsinternaten, de semi-internaten, de pedagogische begeleidingsdienst en de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel. Voor de personeelsleden die op basis van artikel 32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bij de scholengroep aangesteld zijn, en voor de vastbenoemde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel die bij de scholengroep aangesteld zijn, wordt de scholengroep voor de toepassing van dit decreet beschouwd als een instelling;43° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de GI-school, de scholengemeenschapsinstellingen de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de leersteuncentra, de onderwijsinternaten, de semi-internaten, de pedagogische begeleidingsdienst en de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel. Voor de personeelsleden die op basis van artikel 32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bij de scholengroep aangesteld zijn, en voor de vastbenoemde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel die bij de scholengroep aangesteld zijn, wordt de scholengroep voor de toepassing van dit decreet beschouwd als een instelling;
54° het schooljaar: de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar;54° het schooljaar: de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar;
65° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt;65° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt;
3935° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs.3935° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs.
4036° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs;4036° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs;
4137° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
4137° ...
4238° het net :4238° het net :
43- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;43- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;
5043° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;5043° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
5144° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie;5144° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie;
5245° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20, §1, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun.5245° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20, §1, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun;
5346° GI-school: de school, vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 17 mei 2024 over het onderwijs in de gemeenschapsinstellingen die ter uitvoering van het jeugddelinquentierecht zijn opgericht.
+2 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 4
19§4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker.19§4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker.
20Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.20Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
21Voor de toepassing van hoofdstuk III kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, beschouwen als diensten die gepresteerd zijn in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan daarbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen voor maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
22Voor de toepassing van hoofdstuk III kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, beschouwen als diensten die gepresteerd zijn in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 2, §1. De raad van bestuur kan daarbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen voor maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
21§5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.23§5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.
+7 −2 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 20bis
1§1. Een tijdelijk personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur, tenzij het personeelslid voldoet aan artikel 21, 21bis, 100quater decies of 100quinquies decies.1§1. Een tijdelijk personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur, tenzij het personeelslid voldoet aan artikel 21, 21bis, 100quater decies of 100quinquies decies.
2Tijdens de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft een tijdelijk personeelslid recht op aanvangsbegeleiding. Het tijdelijke personeelslid wordt tijdens de periode van aanvangsbegeleiding gecoacht en ondersteund. De duur en intensiteit van de aanvangsbegeleiding worden bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator en opgenomen in een schriftelijke overeenkomst. De schriftelijke overeenkomst wordt in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator tijdens de periode van de aanvangsbegeleiding aangepast als gevolg van nieuwe afspraken.2Tijdens de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft een tijdelijk personeelslid recht op aanvangsbegeleiding. Het tijdelijke personeelslid wordt tijdens de periode van aanvangsbegeleiding gecoacht en ondersteund. De duur en intensiteit van de aanvangsbegeleiding worden bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator en opgenomen in een schriftelijke overeenkomst. De schriftelijke overeenkomst wordt in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator tijdens de periode van de aanvangsbegeleiding aangepast als gevolg van nieuwe afspraken.
3Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de raad van bestuur, door de afgevaardigd bestuurder in het geval van het vormingscentrum, of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.3Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de raad van bestuur, door de afgevaardigd bestuurder in het geval van het vormingscentrum, of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.
4§2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 55bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.4§2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 55bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.
5§3. Een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, zorgt ervoor dat een startend personeelslid dat in het basis- of secundair onderwijs tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het recht op aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, gedeeltelijk kan uitoefenen in maximum 20% van diens toegekende opdracht, rekening houdend met de afspraken en de criteria die lokaal worden vastgelegd, vermeld in het vierde lid. In dat deel van de aanvangsbegeleiding wordt gewerkt aan het verbeteren van klasmanagement en vakdidactiek, en aan andere aspecten verbonden aan diens aanvangsbegeleiding. Daarbij wordt altijd uitgegaan van een verplichte aanwezigheid op school.
6Daarvoor wendt een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie aan zoals vermeld in artikel 153tricies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. In het schooljaar 2026-2027 kan een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie ook voor andere doelstellingen aanwenden, conform artikel 153tricies, §1, tweede lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3, §1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. Voor die eenheden die voor andere doelstellingen worden aangewend, zijn de bepalingen opgenomen in dit artikel niet van toepassing.
7Scholen kunnen ook organieke omkadering aanwenden voor dat doel zoals vermeld in artikel 163bis van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 212 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
8Over de aanwending van eenheden inductie of organieke omkadering in de vorm van bijzondere pedagogische taken voor dat doel voor de startende personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden in het bevoegde lokaal comité algemene afspraken onderhandeld. Mits een akkoord binnen het bevoegde lokaal comité kunnen er daarbij criteria worden vastgelegd om te bepalen voor welke groepen startende personeelsleden de eenheden inductie prioritair worden aangewend. Een startend personeelslid heeft ook dan recht op een deel van deze eenheden inductie als het aangeeft nood te hebben aan een inductiejaar, tenzij alle eenheden inductie al zijn aangewend. Zonder een akkoord in het lokaal comité over de aanwendingscriteria worden de eenheden inductie in verhouding tot hun opdracht evenredig verdeeld over de startende personeelsleden.
9De opdracht van die startende personeelsleden kan nooit meer dan een voltijdse opdracht zijn.
+7 −10 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 23
1Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg voor het geheel of een deel van de opdracht:1§1. Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg voor het geheel of een deel van de opdracht:
2a) bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;2a) bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;
3b) op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk aangesteld personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een ander personeelslid:3b) op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk aangesteld personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een ander personeelslid:
10d) ...10d) ...
11e) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur;11e) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur;
12f) bij het bereiken van de leeftijdsgrens;
12f) ...;
13g) overeenkomstig artikel 24 voor personeelsleden die aangesteld zijn voor bepaalde duur;13g) overeenkomstig artikel 24 voor personeelsleden die aangesteld zijn voor bepaalde duur;
14h) door afschaffing van de betrekking;14h) door afschaffing van de betrekking;
15i) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 17;15i) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 17;
16j) voor de personeelsleden die werden aangesteld met miskenning van de in de artikel 21 of 21bis bedoelde voorrangsregels;16j) voor de personeelsleden die werden aangesteld met miskenning van de in de artikel 21 of 21bis bedoelde voorrangsregels;
17k) op het ogenblik dat wordt vastgesteld dat de betrekking buiten de reglementaire normen werd opgericht.17k) op het ogenblik dat wordt vastgesteld dat de betrekking buiten de reglementaire normen werd opgericht.
18l) bij de definitieve pensionering;
19m) bij het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel. »;
20In afwijking van punt f) eindigt de aanstelling van een personeelslid niet na het bereiken van de leeftijdsgrens als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
21Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :
221° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;
232° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt' zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.
18l) ...;
19m) ...;
24Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld onder f) als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.20Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.
25De directeur of in voorkomend geval de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.21De directeur of in voorkomend geval de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.
22§2. De directeur of, in voorkomend geval, de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, in geval van een vormingscentrum, en het personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, kunnen in onderling akkoord een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Dat akkoord blijkt uit een geschrift. Het geschrift vermeldt de datum van de beëindiging van de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur en wordt door beide partijen ondertekend.
+14 −9 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 31
1§1. Een personeelslid kan binnen dezelfde scholengroep mits zijn akkoord een nieuwe affectatie krijgen in een vacante betrekking van het ambt waarin het vast benoemd is, voor zover die betrekking, krachtens de reglementering terzake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld. Dat akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds uit één instelling met een tweede en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.1§1. Een personeelslid kan binnen dezelfde scholengroep mits zijn akkoord een nieuwe affectatie krijgen in een vacante betrekking van het ambt waarin het vast benoemd is, voor zover die betrekking, krachtens de reglementering terzake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld. Dat akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds uit één instelling met een tweede en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.
2Een personeelslid kan, op zijn verzoek, worden gemuteerd in een vacante betrekking, voorzover die betrekking, krachtens de reglementering terzake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld.2Een personeelslid kan, op zijn verzoek, worden gemuteerd in een vacante betrekking, voorzover die betrekking, krachtens de reglementering terzake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld.
3De betrekking kan bij wijze van affectatie of mutatie worden toegewezen aan het personeelslid dat in die betrekking werd gereaffecteerd.3De betrekking kan bij wijze van affectatie of mutatie worden toegewezen aan het personeelslid dat in die betrekking werd gereaffecteerd.
4§2. Voor de affectatie of mutatie van een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht is de instemming vereist van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.4§2. Voor de affectatie of mutatie van een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht is de instemming vereist van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.
5§3. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.5§3. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.
6In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.6In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.
7§4. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.7§4. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.
8In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.8In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.
9§4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.9§4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
10In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.10In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
11§ 5. ...
12§ 6. ...
13§ 7. ...
11§5. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in het wervingsambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het ambt van leraar secundair onderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in dat ambt.
12In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 2, §1, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat wervingsambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het wervingsambt van het ondersteunend personeel waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het wervingsambt van affectatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat wervingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het wervingsambt van affectatie.
13In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van affectatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat selectie- of bevorderingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van affectatie.
14§6. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in het wervingsambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een centrum voor volwassenenonderwijs, op diens verzoek op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het ambt van leraar secundair onderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in dat ambt.
15In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 2, §1, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat wervingsambt. Als het personeelslid de mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het wervingsambt van het ondersteunend personeel waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het wervingsambt van mutatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat wervingsambt in een centrum voor volwassenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het wervingsambt van affectatie.
16In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van mutatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat selectie- of bevorderingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van mutatie.
17§7. ...
14§8. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buitengewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, mits zijn akkoord, op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.18§8. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buitengewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, mits zijn akkoord, op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
15In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buiten- gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.19In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buiten- gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
16Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.20Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.
18§9. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.22§9. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
19In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.23In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
24§10. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2026 vastbenoemd is in een ambt en werkt in een gemeenschapsinstelling als vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, op diens verzoek op 1 september 2026 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in de GI-school, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid die mutatie opneemt, aanvaardt het personeelslid de salarisschaal die verbonden is aan dat ambt, tenzij het personeelslid een beroep kan doen op een overgangsmaatregel.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 50
54° in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst.54° in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst.
6Tijdens die periode blijft het personeelslid in voorkomend geval titularis van het ambt waarin het vast benoemd is.6Tijdens die periode blijft het personeelslid in voorkomend geval titularis van het ambt waarin het vast benoemd is.
7§ 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de raad van bestuur na de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 23, f), een definitief gepensioneerde waarnemend aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, 1°, 2° en 4°. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet tot de proeftijd worden toegelaten of vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.7§ 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de raad van bestuur een definitief gepensioneerde waarnemend aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, 1°, 2° en 4°. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet tot de proeftijd worden toegelaten of vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.
8§ 2. Het personeelslid dat wordt aangesteld voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 46, 1° tot en met 4°. De personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst moeten tevens aan de voorwaarden van artikel 46bis voldoen.8§ 2. Het personeelslid dat wordt aangesteld voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 46, 1° tot en met 4°. De personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst moeten tevens aan de voorwaarden van artikel 46bis voldoen.
9Wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen:9Wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen:
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 61
76° het ontslag. Naargelang de aard van de redenen waarom een ontslag gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen;76° het ontslag. Naargelang de aard van de redenen waarom een ontslag gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen;
87° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom de afzetting gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen.87° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom de afzetting gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen.
9Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, dan kan de tuchtstraf enkel worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.9Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, dan wordt de tuchtstraf meegedeeld aan de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.
10§ 2. ...10§ 2. ...
+4 −2 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 77quinquies
1Een personeelslid dat met toepassing van artikelen 41 en 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 door de werkgever verwijderd werd uit een risico kan door de bevoegde inrichtende macht belast worden met pedagogische ofadministratieve taken in een nietorganieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum in kwestie en/of voor de scholengemeenschap. Mits onderling akkoord kan het personeelslid deze taken ook uitoefenen in een andere instelling van de scholengemeenschap.1Als een raad van bestuur en, voor het vormingscentrum, de afgevaardigd bestuurder voor een tijdelijk of vastbenoemd personeelslid voor wie volgens artikel 41 van de arbeidswet van 16 maart 1971 een risico is vastgesteld, geen toepassing kunnen maken van de maatregelen, vermeld in artikel 42, §1, eerste lid, 1° of 2°, van de voormelde wet, moeten de raad van bestuur en, voor het vormingscentrum, de afgevaardigd bestuurder dat personeelslid belasten met in haar toestand toelaatbare pedagogische taken of, als het personeelslid niet in het bezit is van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs, met in haar toestand toelaatbare administratieve taken in een niet-organieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld.
2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere administratieve en geldelijke gevolgen van deze maatregel.
2Als de raad van bestuur het personeelslid niet met de hiervoor vermelde taken kan belasten in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld, belast de raad van bestuur het personeelslid met de hiervoor vermelde taken in een andere instelling of een ander centrum van de scholengroep of van de scholengemeenschap. Daarbij geldt steeds dat de afstand over de openbare weg tussen de instelling van aanstelling of affectatie en de instelling waar het personeelslid wordt belast met de hiervoor vermelde taken, nooit meer dan 25 kilometer mag bedragen. Dat geldt niet als het personeelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden.
3In afwijking van het tweede lid belast de raad van bestuur het personeelslid van een centrum voor volwassenenonderwijs met de hiervoor vermelde taken altijd in hetzelfde centrum en dit rekening houdend met artikel 40duodecies.
4Tijdens de periode waarin het personeelslid met een niet-organieke betrekking als vermeld in het eerste lid wordt belast, is het personeelslid in dienstactiviteit. Het personeelslid blijft titularis van haar betrekking, behoudt daarbij haar salaris en kan worden vervangen volgens de gebruikelijke vervangingsregeling.
+12 −8 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 88
1Voor de vastbenoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging :1§1. Voor de vastbenoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging :
21° het vrijwillige ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten met inachtneming van een opzeggingstermijn van21° het vrijwillige ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten met inachtneming van een opzeggingstermijn van
3tenminste vijftien kalenderdagen;3tenminste vijftien kalenderdagen;
42° het bereiken van de leeftijdsgrens;
42° ...;
53° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 61, 6° of 7°;53° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 61, 6° of 7°;
64° bij toepassing van artikel 83, § 1;64° bij toepassing van artikel 83, § 1;
75° de definitieve pensionering;
86° het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel;
75° ...;
86° ...;
97° ...;97° ...;
108° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.108° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.
11In afwijking van punt 2° geeft het bereiken van de leeftijdsgrens geen aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
12Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :
131° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;
142° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt', zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.
11§2. De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, kan een einde maken aan de vaste benoeming of aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van een personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft. De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht, die gelijk is aan drie maanden per begonnen schijf van tien jaar dienstanciënniteit die het personeelslid heeft verworven. De opzegging wordt gemotiveerd.
12Met behoud van de toepassing van het eerste lid, kan het personeelslid bij het voltooien van de opzeggingstermijn voortwerken tot het einde van de maand waarin het personeelslid de opzeggingstermijn volbracht heeft.
13De opzeggingstermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de maandag die volgt op de week waarin de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, in geval van een vormingscentrum, het personeelslid op de hoogte heeft gebracht van het ontslag.
14De kennisgeving gebeurt op straffe van nietigheid op een van de volgende wijzen:
151° met een aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van de verzending ervan;
162° bij deurwaardersexploot.
17Op straffe van nietigheid vermeldt de kennisgeving, vermeld in het vierde lid, het begin en de duur van de opzeggingstermijn.
18In afwijking van het eerste lid kunnen de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, in geval van een vormingscentrum, en het personeelslid in onderling akkoord een einde maken aan de vaste benoeming of aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Dat akkoord blijkt uit een geschrift. Het geschrift vermeldt de datum van de beëindiging van de vaste benoeming of van de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur en wordt door beide partijen ondertekend.
+9 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 88ter nieuw
1De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, mag, met toepassing van artikel 88, §2, alleen eenzijdig een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of aan de vaste benoeming van een personeelslid om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening door het personeelslid volgens de geldende regelgeving van een van de volgende rechten:
21° het recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling;
32° het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
43° het recht op afwezigheid voor verminderde prestaties voor zorgdoeleinden;
54° het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen;
65° het recht om een nevenactiviteit uit te oefenen binnen de grenzen van de cumulatieregeling en de regeling rond onverenigbaarheden van het schoolbestuur;
76° het recht op een nieuwe affectatie of mutatie of om werk met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden te vragen.
8Het principe, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag van de aanvraag van een van de rechten, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, dat ingaat op de dag van de geboorte van het kind.
9De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, deelt het personeelslid schriftelijk mee wat de redenen voor het ontslag zijn. Als de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan de uitoefening van het recht waarvan het personeelslid gebruikmaakt of als er geen reden opgegeven is, betaalt de raad van bestuur aan het personeelslid aanvullend op de opzeggingstermijn een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden. Die vergoeding mag bij het ontslag van een personeelslid niet samen genoten worden met andere vergoedingen die in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag zijn bepaald.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 5
3225° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs.3225° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs.
3326° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs.3326° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs.
3427° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
3427° ...
3528° de inrichtende macht : de schoolbesturen van het basisonderwijs en van het voltijds secundair onderwijs, de besturen van de leersteuncentra, de centrumbesturen van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de rechtspersonen die bevoegdheid dragen voor de scholengemeenschapsinstellingen, de centrumbesturen van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, de schoolbesturen van het deeltijds kunstonderwijs, de besturen van de pedagogische begeleidingsdiensten en de onderwijsinternaatsbesturen van de onderwijsinternaten;3528° de inrichtende macht : de schoolbesturen van het basisonderwijs en van het voltijds secundair onderwijs, de besturen van de leersteuncentra, de centrumbesturen van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de rechtspersonen die bevoegdheid dragen voor de scholengemeenschapsinstellingen, de centrumbesturen van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, de schoolbesturen van het deeltijds kunstonderwijs, de besturen van de pedagogische begeleidingsdiensten en de onderwijsinternaatsbesturen van de onderwijsinternaten;
3629° leerkracht levensbeschouwelijk onderricht: de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer;3629° leerkracht levensbeschouwelijk onderricht: de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer;
+2 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 6
20§4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker.20§4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker.
21Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.21Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
22Voor de toepassing van hoofdstuk III kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, beschouwen als diensten die gepresteerd zijn in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan daarbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen voor maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
23Voor de toepassing van hoofdstuk III kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, beschouwen als diensten die gepresteerd zijn in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 4, §1. De inrichtende macht kan daarbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen voor maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
22§5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.24§5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.
+5 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 20bis
3Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de inrichtende macht of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.3Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de inrichtende macht of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.
4§ 2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 44bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.4§ 2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 44bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.
5§3. Een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, zorgt ervoor dat een startend personeelslid dat in het basis- of secundair onderwijs tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het recht op aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, gedeeltelijk kan uitoefenen in maximum 20% van diens toegekende opdracht, rekening houdend met de afspraken en de criteria die lokaal worden vastgelegd, vermeld in het vierde lid. In dat deel van de aanvangsbegeleiding wordt gewerkt aan het verbeteren van klasmanagement en vakdidactiek, en aan andere aspecten verbonden aan diens aanvangsbegeleiding. Daarbij wordt altijd uitgegaan van een verplichte aanwezigheid op school.
6Daarvoor wendt een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie aan zoals vermeld in artikel 153tricies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. In het schooljaar 2026-2027 kan een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie ook voor andere doelstellingen aanwenden, conform artikel 153tricies, §1, tweede lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3, §1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. Voor die eenheden die voor andere doelstellingen worden aangewend, zijn de bepalingen opgenomen in dit artikel niet van toepassing.
7Scholen kunnen ook organieke omkadering aanwenden voor dat doel zoals vermeld in artikel 163bis van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 212 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
8Over de aanwending van eenheden inductie of organieke omkadering in de vorm van bijzondere pedagogische taken voor dat doel voor de startende personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden in het bevoegde lokaal comité algemene afspraken onderhandeld. Mits een akkoord in het lokaal comité kunnen daarbij criteria worden vastgelegd om te bepalen voor welke groepen startende personeelsleden de eenheden inductie prioritair worden aangewend. Een startend personeelslid heeft ook dan recht op een deel van deze eenheden inductie als het aangeeft nood te hebben aan een inductiejaar, tenzij alle eenheden inductie al zijn aangewend. Zonder een akkoord in het lokaal comité over de aanwendingscriteria worden de eenheden inductie in verhouding tot hun opdracht evenredig verdeeld over de startende personeelsleden.
9De opdracht van die startende personeelsleden kan nooit meer dan een voltijdse opdracht zijn.
+5 −8 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 21
10e) ...10e) ...
11f) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;11f) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
12g) bij het bereiken van de leeftijdsgrens;
12g) ...;
13h) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 19.13h) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 19.
14i) bij de definitieve pensionering;
15j) bij het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van deze paragraaf.
16In afwijking van punt g) eindigt de aanstelling van een personeelslid niet na het bereiken van de leeftijdsgrens als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
17Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :
181° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;
192° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt' zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.
14i) ...;
15j) ...
20Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld onder g) als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.16Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Die aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.
17§1/1. De inrichtende macht en het personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, kunnen in onderling akkoord een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Dat akkoord blijkt uit een geschrift. Het geschrift vermeldt de datum van de beëindiging van de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur en wordt door beide partijen ondertekend.
21§ 2. De inrichtende macht moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.18§ 2. De inrichtende macht moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.
22§ 3. Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur eindigt eveneens voor het geheel of een deel van de opdracht overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26.19§ 3. Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur eindigt eveneens voor het geheel of een deel van de opdracht overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 42
82° ...;82° ...;
9d) in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst.9d) in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst.
10§ 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de inrichtende macht een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 21, § 1, g), tijdelijk aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, a), b) en d). Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.10§ 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de inrichtende macht een definitief gepensioneerde tijdelijk aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, a), b) en d). Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.
11§ 2. Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 40. Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een ambt van de pedagogische begeleidingsdiensten moet bovendien voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 40bis.11§ 2. Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 40. Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een ambt van de pedagogische begeleidingsdiensten moet bovendien voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 40bis.
12In afwijking van artikel 40, 1°, kan een personeelslid met een ander bekwaamheidsbewijs worden aangesteld wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen.12In afwijking van artikel 40, 1°, kan een personeelslid met een ander bekwaamheidsbewijs worden aangesteld wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen.
+13 −9 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 45
1§1. De mutatie bestaat in het toewijzen bij een andere inrichtende macht van een andere betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. Een mutatie geschiedt niet dan op verzoek van een personeelslid.1§1. De mutatie bestaat in het toewijzen bij een andere inrichtende macht van een andere betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. Een mutatie geschiedt niet dan op verzoek van een personeelslid.
2§2. De nieuwe affectatie bestaat in het toewijzen van een personeelslid aan een instelling of centrum ingericht door dezelfde inrichtende macht in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. In de instellingen en centra van het gesubsidieerd vrij onderwijs geschiedt de nieuwe affectatie niet dan met akkoord van het personeelslid. Dit akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds één instelling met een tweede, en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.2§2. De nieuwe affectatie bestaat in het toewijzen van een personeelslid aan een instelling of centrum ingericht door dezelfde inrichtende macht in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. In de instellingen en centra van het gesubsidieerd vrij onderwijs geschiedt de nieuwe affectatie niet dan met akkoord van het personeelslid. Dit akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds één instelling met een tweede, en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.
3§3. In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.3§3. In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.
4In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.4In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.
5§4. In afwijking van paragraaf 2 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.5§4. In afwijking van paragraaf 2 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.
6In afwijking van paragraaf 2 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.6In afwijking van paragraaf 2 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.
7§4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.7§4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
8In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.8In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
9§ 5. ...
10§ 6. ...
11§ 7. ...
9§5. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in het wervingsambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het ambt van leraar secundair onderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in dat ambt.
10In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 4, §1, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat wervingsambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het wervingsambt van het ondersteunend personeel waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het wervingsambt van affectatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat wervingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het wervingsambt van affectatie.
11In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van affectatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat selectie- of bevorderingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van affectatie.
12§6. In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in het wervingsambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een centrum voor volwassenenonderwijs, op diens verzoek op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het ambt van leraar secundair onderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in dat ambt.
13In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 4, §1, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat wervingsambt. Als het personeelslid de mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het wervingsambt van het ondersteunend personeel waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het wervingsambt van mutatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat wervingsambt in een centrum voor volwassenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het wervingsambt van affectatie.
14In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van mutatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat selectie- of bevorderingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van mutatie.
15§7. ...
12§8. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onder- wijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.16§8. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onder- wijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
13In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervings- ambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitenge- woon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.17In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervings- ambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitenge- woon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
14Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.18Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.
+4 −2 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 51quinquies
1Een personeelslid dat met toepassing van de artikelen 41 en 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 door de werkgever verwijderd werd uit een risico , kan door de bevoegde inrichtende macht belast worden met pedagogische ofadministratieve taken in een niet-organieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum in kwestie en/of voor de scholengemeenschap. Mits onderling akkoord kan het personeelslid deze taken ook uitoefenen in een andere instelling van de scholengemeenschap.1Als een inrichtende macht voor een tijdelijk of vastbenoemd personeelslid voor wie volgens artikel 41 van de arbeidswet van 16 maart 1971 een risico is vastgesteld, geen toepassing kan maken van de maatregelen, vermeld in artikel 42, §1, eerste lid, 1° of 2°, van de voormelde wet, moet de inrichtende macht dat personeelslid belasten met in haar toestand toelaatbare pedagogische taken of, als het personeelslid niet in het bezit is van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs, met in haar toestand toelaatbare administratieve taken in een niet-organieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld.
2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere administratieve en geldelijke gevolgen van deze maatregel.
2Als de inrichtende macht het personeelslid niet met de hiervoor vermelde taken kan belasten in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld, belast de inrichtende macht het personeelslid met de hiervoor vermelde taken in een andere instelling of een ander centrum van de inrichtende macht of van de scholengemeenschap. Daarbij geldt steeds dat de afstand over de openbare weg tussen de instelling van aanstelling of affectatie en de instelling waar het personeelslid wordt belast met de hiervoor vermelde taken, nooit meer dan 25 kilometer mag bedragen. Dat geldt niet als het personeelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden.
3In afwijking van het tweede lid belast de inrichtende macht het personeelslid van een centrum voor volwassenenonderwijs altijd in hetzelfde centrum met de hiervoor vermelde taken en dit rekening houdend met artikel 36novies/2.
4Tijdens de periode waarin het personeelslid met een niet-organieke betrekking als vermeld in het eerste lid wordt belast, is het personeelslid in dienstactiviteit. Het personeelslid blijft titularis van haar betrekking, behoudt daarbij haar salaris en kan worden vervangen volgens de gebruikelijke vervangingsregeling.
+11 −8 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 62
1Voor de vastbenoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:1§1. Voor de vastbenoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:
21° het vrijwillig ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten na inachtneming van een opzeggingstermijn van minstens vijftien kalenderdagen;21° het vrijwillig ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten na inachtneming van een opzeggingstermijn van minstens vijftien kalenderdagen;
32° het bereiken van de leeftijdsgrens;
32° ...;
43° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 64, 6° of 7°;43° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 64, 6° of 7°;
54° de definitieve pensionering;
65° het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel;
54° ...;
65° ...;
76° ...;76° ...;
87° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.87° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.
9In afwijking van punt 2° geeft het bereiken van de leeftijdsgrens geen aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
10Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :
111° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;
122° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt' zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.
9§2. De inrichtende macht kan een einde maken aan de vaste benoeming of aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van een personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft. De inrichtende macht neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht, die gelijk is aan drie maanden per begonnen schijf van tien jaar dienstanciënniteit die het personeelslid heeft verworven. De opzegging wordt gemotiveerd.
10Met behoud van de toepassing van het eerste lid, kan het personeelslid bij het voltooien van de opzeggingstermijn voortwerken tot het einde van de maand waarin het personeelslid de opzeggingstermijn volbracht heeft.
11De opzeggingstermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de maandag die volgt op de week waarin de inrichtende macht het personeelslid op de hoogte heeft gebracht van het ontslag.
12De kennisgeving gebeurt op straffe van nietigheid op een van de volgende wijzen:
131° met een aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van de verzending ervan;
142° bij deurwaardersexploot.Op straffe van nietigheid vermeldt de kennisgeving, vermeld in het vierde lid, het begin en de duur van de opzeggingstermijn.
15In afwijking van het eerste lid kunnen de inrichtende macht en het personeelslid in onderling akkoord een einde maken aan de vaste benoeming of aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Dat akkoord blijkt uit een geschrift. Het geschrift vermeldt de datum van de beëindiging van de vaste benoeming of van de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur en wordt door beide partijen ondertekend.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 64
87° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom tot afzetting wordt overgegaan, kan de inrichtende macht beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen of centra.87° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom tot afzetting wordt overgegaan, kan de inrichtende macht beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen of centra.
9Een tuchtmaatregel is definitief indien de termijn waarin is voorzien voor het instellen van een beroep is verstreken of nadat in beroep een definitieve beslissing werd genomen.9Een tuchtmaatregel is definitief indien de termijn waarin is voorzien voor het instellen van een beroep is verstreken of nadat in beroep een definitieve beslissing werd genomen.
10Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht dan kan de tuchtstraf enkel worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.10Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht dan wordt de tuchtstraf meegedeeld aan de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.
+1 −1 decreet-2007-06-15/art. 14
5§3. Om het studiepeil te waarborgen, ontwikkelt het centrumbestuur leerplannen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7 of 10, die beperkt zijn in omvang.5§3. Om het studiepeil te waarborgen, ontwikkelt het centrumbestuur leerplannen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7 of 10, die beperkt zijn in omvang.
6Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de eindtermen en de basiscompetenties, zoals vermeld in artikel 24, volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de vastgestelde eindtermen en basiscompetenties.6Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de eindtermen en de basiscompetenties, zoals vermeld in artikel 24, volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de vastgestelde eindtermen en basiscompetenties.
7De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een centrum te kaderen. 7De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een centrum te kaderen. De Vlaamse Regering bepaalt de beroepsprocedure voor een beslissing die de indiener betwist.
+0 −23 decreet-2007-06-15/art. 72octies opgeheven
1§1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt de Vlaamse Regering op basis van de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°, jaarlijks een subsidie ter beschikking aan Vocvo vzw voor de uitvoering van volgende opdrachten:
21° ...
32° ...
43° de opdrachten in uitvoering van het strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden:
5a) de coördinatie en ondersteuning van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie bij de uitwerking van een onderwijs- en vormingsbeleid voor gedetineerden, de organisatie van het detecteren van de onderwijs- en vormingsbehoeften van gedetineerden en de coördinatie van de begeleiding van het onderwijstraject van gedetineerden;
6b) de ondersteuning van de onderwijscoördinatoren bij enerzijds de uitbouw van een behoeftedekkend en aangepast aanbod voor onderwijs aan gedetineerden en anderzijds de coördinatie van het onderwijsaanbod in de gevangenis.
7Voor de uitvoering van de opdracht, vermeld in het eerste lid, 3°, beantwoordt Vocvo vzw ten minste aan volgende voorwaarden:
81° Vocvo vzw voert de opdracht in elke penitentiaire inrichting gelegen in de werkingsgebieden van de centra voor basiseducatie en de vestigingsplaatsen van de centra voor volwassenenonderwijs op een efficiënte wijze uit en toont dit aan op basis van de resultaatsverbintenissen uit de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°;
92° Vocvo vzw vindt een draagvlak bij de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs en toont dit aan door middel van een stuurgroep samengesteld door vertegenwoordigers van de aanbodverstrekkers en andere stakeholders;
103° Vocvo vzw organiseert minstens tweemaal per jaar een gezamenlijk overleg van de stuurgroep onderwijs aan gedetineerden met de overheid.
11§2. Vocvo vzw kan enkel in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als:
121° in de algemene vergadering een afgevaardigde opgenomen wordt van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten;
132° Vocvo vzw met de Vlaamse Regering een vierjaarlijkse beheersovereenkomst afsluit over de uitvoering van de opdrachten en de aanwending van de toegekende middelen, vermeld in paragraaf 1. Deze beheersovereenkomst bevat ten minste per opdracht, vermeld in paragraaf 1:
14a) het aandeel van de toegekende subsidie, vermeld in paragraaf 1;
15b) de doelstellingen en bijhorende resultaatsverbintenissen;
16c) de planning bestaande uit een vierjarig werkingsprogramma en een jaarlijks actieplan met telkens een overeenstemmende begroting. Het vierjarig werkingsprogramma is maximaal afgestemd op de strategische doelstellingen uit de beheersovereenkomst;
17d) rapportering en opvolging van de werkzaamheden bestaande uit een jaarlijks activiteitenverslag, een jaarlijks financieel rapport en, na de volledige periode van vier kalenderjaren, een afsluitend rapport over de activiteiten van de volledige periode. De rapportering motiveert telkens minstens welke doelstellingen en bijhorende resultaatsverbintenissen al dan niet behaald werden.
18§3. Voor de aanwending van de subsidie, vermeld in paragraaf 1, gelden volgende regels:
191° de subsidie kan enkel worden aangewend voor het dekken van werkingskosten en personeelskosten;
202° van de subsidie kunnen geen andere reserves worden aangelegd dan voor het sociaal passief ter bezoldiging van prestaties, gerelateerd aan deze subsidies, van personeelsleden;
213° de subsidies kunnen geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden, indien blijkt dat deze middelen niet worden aangewend voor de realisatie van de opdrachten bepaald in paragraaf 1;
224° de stukken ter verantwoording van de ingezette middelen worden op de zetel van Vocvo vzw bewaard, waar ze voor controle ter beschikking staan van de bevoegde administratie;
235° de voorziene subsidie volgt de gezondheidsindex.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 3
32° aanvullende uren: uren paramedische, medische, psychologische, sociale of orthopedagogische hulp toegekend voor specifieke behoeften;32° aanvullende uren: uren paramedische, medische, psychologische, sociale of orthopedagogische hulp toegekend voor specifieke behoeften;
43° administratieve vestigingsplaats: vestigingsplaats door het schoolbestuur gekozen als administratieve zetel van de school;43° administratieve vestigingsplaats: vestigingsplaats door het schoolbestuur gekozen als administratieve zetel van de school;
54° afstand: de kortst mogelijke afstand gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2.1van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, éénrichtingsverkeer en autosnelwegen;54° afstand: de kortst mogelijke afstand gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2, I, 1, van het koninklijk besluit van 3 juni 2024 betreffende de code van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, éénrichtingsverkeer en autosnelwegen;
64° bis afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;64° bis afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;
74° bis/1 afzonderingskamer: een specifieke, veilig ingerichte, hoog beveiligde ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;74° bis/1 afzonderingskamer: een specifieke, veilig ingerichte, hoog beveiligde ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;
+8 −2 decreet-1997-02-25/art. 12/1
1§1. Leerlingen die zes jaar worden vóór 1 januari van het lopende schooljaar worden nog één schooljaar toegelaten tot een erkende school voor het Nederlandstalig gewoon kleuteronderwijs als ze behoren tot een van de volgende categorieën:
21° de leerlingen die het kleuteronderwijs conform artikel 13, §1, niet met vrucht beëindigd hebben;
32° de leerlingen met een IAC-verslag waarvan de school, conform artikel 13, §2, beslist heeft dat de leerling niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs;
43° de leerlingen, die het voorafgaande schooljaar niet ingeschreven waren in een erkende school voor het gewoon Nederlandstalig kleuteronderwijs.
5Leerlingen die zes jaar worden vóór 1 januari van het lopende schooljaar en die het kleuteronderwijs wel met vrucht beëindigd hebben of die een IAC-verslag hebben en mogen doorstromen naar het gewoon lager onderwijs, kunnen zich niet meer inschrijven in een erkende school voor het gewoon Nederlandstalig kleuteronderwijs, tenzij na gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar kleuteronderwijs heeft gevolgd. De klassenraad neemt een beslissing op verzoek van de ouders. De klassenraad geeft de ouders toelichting bij de beslissing.
6In afwijking van het tweede lid beslist bij schoolverandering de klassenraad van de school waar de leerling zich wil inschrijven of de leerling die het kleuteronderwijs met vrucht beëindigd heeft of die een IAC-verslag heeft en die kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs en die zes jaar wordt voor 1 januari van het lopende schooljaar nog één schooljaar gewoon Nederlandstalig kleuteronderwijs kan volgen. De klassenraad neemt een beslissing op verzoek van de ouders. De klassenraad geeft de ouders toelichting bij de beslissing.
7De beslissing over toelating van de leerlingen door de klassenraad van de school waar de leerling zich wil inschrijven, wordt uiterlijk vijftien kalenderdagen na de aanvang van de regelmatige lesbijwoning genomen. De leerlingen worden ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. Bij overschrijding van de termijn is de leerling toegelaten. De inschrijving onder ontbindende voorwaarde wordt ontbonden de dag na de mededeling van de ongunstige beslissing van de klassenraad kleuteronderwijs aan de ouders. Bij schoolverandering in de loop van het schooljaar wordt de beslissing van de klassenraad overgedragen naar de nieuwe school.
1§ 1. In het gewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar nog één schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden. De klassenraad adviseert over de toelating tot het kleuteronderwijs en na kennisneming van en toelichting bij het advies nemen de ouders daaromtrent een beslissing .8Leerlingen die zes jaar worden voor 1 januari van het lopende schooljaar kunnen nog één schooljaar toegelaten worden tot een school voor Franstalig onderwijs in de rand- en taalgrensgemeenten die deel uitmaken van het Nederlandse taalgebied, na gunstige beslissing van de klassenraad kleuteronderwijs.
2Voor leerlingen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is geen advies als vermeld in het eerste lid, vereist.
3§ 2. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden. Het volgen van kleuteronderwijs kan daarna nog met één schooljaar verlengd worden. De klassenraad adviseert over de toelating tot het kleuteronderwijs en na kennisneming van en toelichting bij het advies nemen de ouders daaromtrent een beslissing.9§ 2. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden. Het volgen van kleuteronderwijs kan daarna nog met één schooljaar verlengd worden. De klassenraad adviseert over de toelating tot het kleuteronderwijs en na kennisneming van en toelichting bij het advies nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
4Voor leerlingen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is geen advies als vermeld in het eerste lid, vereist.10Voor leerlingen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is geen advies als vermeld in het eerste lid, vereist.
+12 −0 decreet-1997-02-25/art. 13
1§1. Voor leerlingen die ingeschreven zijn in het Nederlandstalig erkend gewoon kleuteronderwijs en die vijf jaar zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar evalueert de klassenraad kleuteronderwijs of die leerlingen in voldoende mate de doelen uit het leerplan die de te bereiken of na te streven minimumdoelen, vermeld in artikel 44, §1, 2° en 3°, beogen, hebben bereikt of nagestreefd, naar gelang het geval.
2De leerlingenevaluatie resulteert in de beslissing van de klassenraad over het al dan niet met vrucht beëindigen van het gewoon kleuteronderwijs.
3§2. Voor leerlingen met een IAC-verslag die ingeschreven zijn in het gewoon Nederlandstalig erkend kleuteronderwijs en die vijf jaar worden vóór 1 januari van het lopende schooljaar maakt de klassenraad de afweging of de leerling in het kader van het individueel aangepast curriculum kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs.
4§3. Op initiatief van de klassenraad kunnen ook leerlingen die nog geen vijf jaar zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar, geëvalueerd worden door de klassenraad conform de doelen, vermeld in paragraaf 1. De leerlingenevaluatie resulteert in de beslissing van de klassenraad over het al dan niet met vrucht beëindigen van het gewoon kleuteronderwijs. Op initiatief van de klassenraad kan de klassenraad ook voor leerlingen met een IAC-verslag die nog geen vijf jaar zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar beslissen dat in het kader van het individueel aangepast curriculum de leerling kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs, conform paragraaf 2.
5§4. Bij een beslissing van de klassenraad over het met vrucht beëindigen van het gewoon Nederlandstalig kleuteronderwijs of bij een beslissing over het doorstromen van een leerling met een IAC-verslag naar het gewoon lager onderwijs, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, geldt altijd een vermoeden van deskundigheid.
6§5. Bij een beslissing van de klassenraad kleuteronderwijs over het al dan niet met vrucht beëindigen van het gewoon Nederlandstalig kleuteronderwijs, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 3, beslist de klassenraad kleuteronderwijs of de leerling in het volgend schooljaar een taalintegratietraject als vermeld in artikel 11quater, §3, moet volgen in het gewoon kleuteronderwijs of in het gewoon lager onderwijs.
7Voor leerlingen die ingeschreven zijn in het Nederlandstalig gewoon kleuteronderwijs en die zes jaar worden vóór 1 januari van het lopend schooljaar beslist de klassenraad kleuteronderwijs of die leerlingen een taalintegratietraject als vermeld in artikel 11quater, §3, in het gewoon lager onderwijs moeten volgen.
8In afwijking van het eerste lid hoeft er voor een leerling zonder IAC-verslag die doof of slechthorend is als vermeld in artikel 37/8, §5, of artikel 37/45, §5, en die ingeschreven is in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal, en voor een leerling die speciale onderwijsleermiddelen in de vorm van tolken ter beschikking krijgt als vermeld in artikel 91, §1 en §2, geen beslissing tot het volgen van een taalintegratietraject te worden genomen.
9§6. De beslissing over het al dan niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs en de beslissing over het doorstromen van een leerling met een IAC-verslag naar het gewoon lager onderwijs, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, wordt uiterlijk op 30 juni aan de ouders meegedeeld. De beslissing van de klassenraad tot niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs of tot het niet doorstromen van een leerling met een IAC-verslag naar het gewoon lager onderwijs bevat de schriftelijke motivering waarom het kleuteronderwijs niet met vrucht beëindigd werd of waarom de leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs alsook de aandachtspunten voor de toekomst. De ouders worden geacht die beslissing uiterlijk op 1 juli in ontvangst te hebben genomen. Bij de mededeling van de beslissing wordt ook vermeld of de leerling een taalintegratietraject als vermeld in paragraaf 5, eerste lid, moet volgen.
10Voor leerlingen die voor 1 januari van het lopende schooljaar 6 jaar zijn geworden en waarvoor dus alleen een beslissing over het opleggen van het taalintegratietraject genomen wordt als vermeld in paragraaf 5, tweede lid, wordt de beslissing tot het opleggen van een taalintegratietraject uiterlijk op 30 juni aan de ouders meegedeeld.
11Als de ouders niet akkoord gaan met de beslissing dat het kleuteronderwijs niet met vrucht beëindigd is of dat de leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, volgt er, op verzoek van de ouders, een overleg met de directeur of zijn afgevaardigde, binnen een termijn die is vastgelegd in het schoolreglement. De school kan dat overleg niet weigeren. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Dat overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen om de beslissing tot het niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs of de beslissing dat de leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs te bevestigen of te wijzigen. De ouders nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen schriftelijk in ontvangst. De school wijst de ouders schriftelijk op de mogelijkheid tot beroep vermeld in artikel 37/1 tot en met 37/3. Het is voor de ouders niet mogelijk om in beroep te gaan tegen het opleggen van het taalintegratietraject, vermeld in paragraaf 5.
12§7. De Vlaamse regering bepaalt de modaliteiten, de vorm en de procedure tot aflevering van de beslissing over het al dan niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs of de beslissing dat de leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs en de beslissing tot het opleggen van een taalintegratietraject zoals vermeld in paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 en paragraaf 5.
+14 −0 decreet-1997-02-25/art. 13/0 nieuw
1§1. De volgende leerlingen worden als regelmatige leerling toegelaten tot het gewoon Nederlandstalig lager onderwijs:
21° leerlingen die het kleuteronderwijs met vrucht beëindigd hebben of leerlingen met een IAC-verslag waarvan de klassenraad beslist heeft dat ze kunnen doorstromen naar het gewoon lager onderwijs als vermeld in artikel 13, §1, §2 en §3;
32° leerlingen die zeven jaar of ouder worden vóór 1 januari van het lopende schooljaar;
43° leerlingen die de leeftijd van zeven jaar nog niet bereikt hebben voor 1 januari van het lopende schooljaar en die het voorafgaande schooljaar niet ingeschreven waren in een erkende school voor Nederlandstalig gewoon kleuteronderwijs, na een gunstige beslissing van de klassenraad lager onderwijs.
5De beslissing over de toelating van de leerlingen, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt uiterlijk vijftien kalenderdagen na de aanvang van de regelmatige lesbijwoning genomen. De leerlingen, vermeld in het eerste lid, 3°, worden ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. Als de termijn van vijftien kalenderdagen is overschreden, is de leerling toegelaten. De inschrijving onder ontbindende voorwaarde wordt ontbonden de dag na de mededeling van de negatieve beslissing van de klassenraad lager onderwijs aan de ouders. De leerling bijft conform artikel 12/1, §1, toegelaten tot het gewoon kleuteronderwijs
6Bij schoolverandering in de loop van het schooljaar wordt de beslissing van de klassenraad overgedragen naar de nieuwe school, tenzij kennelijk blijkt dat de beslissing is verkregen zonder dat de leerling het oogmerk had om in de school in kwestie daadwerkelijk en regelmatig de lessen te volgen. In dat geval is de klassenraad van de nieuwe school bevoegd om zelf een beslissing te nemen.
7§2. Leerlingen die ingeschreven zijn in scholen voor Franstalig onderwijs in de rand- en taalgrensgemeenten worden toegelaten tot het gewoon lager onderwijs als ze de leeftijd van zes jaar bereikt hebben vóór 1 januari van het lopende schooljaar. Leerlingen die nog niet de leeftijd van zes jaar bereikt hebben vóór 1 januari van het lopende schooljaar kunnen starten in het Franstalig onderwijs, na toelating van de klassenraad.
8§3. Om toegelaten te worden tot het buitengewoon lager onderwijs moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar.
9Een leerling die de leeftijd van zes jaar voor 1 januari van het lopende schooljaar niet bereikt heeft, kan tot het buitengewoon lager onderwijs toegelaten worden onder de volgende voorwaarden:
101° voor leerlingen die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven waren in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor Nederlandstalig kleuteronderwijs:
11a) een gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling voorafgaand aan de instap in het buitengewoon lager onderwijs kleuteronderwijs gevolgd heeft;
12b) bij een ongunstige beslissing van de klassenraad als vermeld in punt a), een gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling het buitengewoon lager onderwijs wil volgen;
132° voor leerlingen die in het voorgaande schooljaar niet ingeschreven waren in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor Nederlandstalig kleuteronderwijs: een gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling het buitengewoon lager onderwijs wil volgen.
14De beslissing van de school voor kleuteronderwijs, vermeld in het tweede lid, 1°, a), wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk op 30 juni. De ouders worden geacht die beslissing uiterlijk op 1 juli in ontvangst te hebben genomen. De beslissing door de school voor lager onderwijs, vermeld in het tweede lid, 1), b) en 2°, wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk 15 september bij inschrijving vóór 1 september van het lopende schooljaar, of, bij inschrijving vanaf 1 september, uiterlijk vijftien kalenderdagen na die inschrijving. Als de leerling geen beroep kan doen op het behoud van in-schrijving conform artikel 37bis, §4, is de leerling in afwachting van die mededeling ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. Bij overschrijding van de termijn is de leerling ingeschreven of toegelaten. De inschrijving onder ontbindende voorwaarde wordt ontbonden de dag na de mededeling van de negatieve beslissing van de klas-senraad lager onderwijs aan de ouders. De leerling bijft conform artikel 12/1, §3, toegelaten tot het buitengewoon kleuteronderwijs.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 13/1
18§4/1. In afwijking van paragraaf 2 hoeft er bij de adviezen en beslissingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, a) en b), 2°, a) en b), en 3°, voor een leerling die doof of slechthorend is als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven is in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal of voor een leerling die speciale onderwijsmiddelen in de vorm van tolken ter beschikking krijgt als vermeld in artikel 91, §1 en §2, of voor een leerling die beschikt over een IAC-verslag, geen advies te worden gegeven over de beheersing van het Nederlands en is er geen verplichting voor de klassenraad om een taalintegratietraject op te leggen.18§4/1. In afwijking van paragraaf 2 hoeft er bij de adviezen en beslissingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, a) en b), 2°, a) en b), en 3°, voor een leerling die doof of slechthorend is als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven is in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal of voor een leerling die speciale onderwijsmiddelen in de vorm van tolken ter beschikking krijgt als vermeld in artikel 91, §1 en §2, of voor een leerling die beschikt over een IAC-verslag, geen advies te worden gegeven over de beheersing van het Nederlands en is er geen verplichting voor de klassenraad om een taalintegratietraject op te leggen.
19§ 5. Om toegelaten te worden tot het buitengewoon lager onderwijs vanaf het schooljaar 2021-2022 moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar.19§ 5. Om toegelaten te worden tot het buitengewoon lager onderwijs vanaf het schooljaar 2021-2022 moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar.
20§6. Dit artikel is van toepassing voor de toelatingen tot en met het schooljaar 2026-2027.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 14/0
7b) voor leerlingen die in het voorgaande schooljaar niet ingeschreven waren in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor Nederlandstalig kleuteronderwijs: een gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling het buitengewoon lager onderwijs wil volgen;7b) voor leerlingen die in het voorgaande schooljaar niet ingeschreven waren in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor Nederlandstalig kleuteronderwijs: een gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling het buitengewoon lager onderwijs wil volgen;
8c) het advies door de school voor kleuteronderwijs wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk op 30 juni. De beslissing door de school voor lager onderwijs wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk de tiende schooldag van september bij inschrijving vóór 1 september van het lopende schooljaar, of, bij inschrijving vanaf 1 september, uiterlijk tien schooldagen na die inschrijving. Als de leerling geen beroep kan doen op het behoud van inschrijving conform artikel 37bis, §4, is de leerling in afwachting van die mededeling ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. Bij overschrijding van de voormelde termijn is de leerling ingeschreven of toegelaten. De inschrijving onder ontbindende voorwaarde wordt ontbonden de dag na de mededeling van de negatieve beslissing van de klassenraad lager onderwijs aan de ouders.8c) het advies door de school voor kleuteronderwijs wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk op 30 juni. De beslissing door de school voor lager onderwijs wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk de tiende schooldag van september bij inschrijving vóór 1 september van het lopende schooljaar, of, bij inschrijving vanaf 1 september, uiterlijk tien schooldagen na die inschrijving. Als de leerling geen beroep kan doen op het behoud van inschrijving conform artikel 37bis, §4, is de leerling in afwachting van die mededeling ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. Bij overschrijding van de voormelde termijn is de leerling ingeschreven of toegelaten. De inschrijving onder ontbindende voorwaarde wordt ontbonden de dag na de mededeling van de negatieve beslissing van de klassenraad lager onderwijs aan de ouders.
9Dit artikel is van toepassing voor de toelatingen tot en met het schooljaar 2026-2027.
+6 −6 decreet-1997-02-25/art. 14/1
1§ 1. Een leerling die het getuigschrift basisonderwijs behaald heeft, kan geen lager onderwijs meer volgen, tenzij na gunstig advies door de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd. De klassenraad geeft het advies op vraag van de ouders. De klassenraad geeft de ouders toelichting bij het advies. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van de klassenraad nemen de ouders daaromtrent een beslissing.1§ 1. Een leerling die het getuigschrift basisonderwijs behaald heeft, kan geen lager onderwijs meer volgen, tenzij na gunstige beslissing door de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd. De klassenraad geeft de beslissing op vraag van de ouders. De klassenraad geeft de ouders toelichting bij de beslissing. Na kennisneming van en toelichting bij de beslissing van de klassenraad nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
2Als de leerling het voorafgaande schooljaar geen les heeft gevolgd in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt het advies verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het gewoon lager onderwijs wil volgen.2Als de leerling het voorafgaande schooljaar geen les heeft gevolgd in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt de beslissing verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het gewoon lager onderwijs wil volgen.
3§ 2. In het gewoon lager onderwijs kan een leerling die veertien jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na gunstig advies van de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd. De klassenraad geeft advies op vraag van de ouders of op eigen initiatief. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van de klassenraad nemen de ouders daaromtrent een beslissing.3§ 2. In het gewoon lager onderwijs kan een leerling die veertien jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na gunstige beslissing van de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd. De klassenraad geeft de beslissing op vraag van de ouders of op eigen initiatief. Na kennisneming van en toelichting bij de beslissing van de klassenraad nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
4Als de leerling het voorafgaande schooljaar geen les heeft gevolgd in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt het advies verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het gewoon lager onderwijs wil volgen..4Als de leerling het voorafgaande schooljaar geen les heeft gevolgd in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt de beslissing verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het gewoon lager onderwijs wil volgen..
5§ 3.In het buitengewoon lager onderwijs kan een leerling die veertien jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na advies van de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd. De klassenraad geeft advies op vraag van de ouders of op eigen initiatief. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van de klassenraad nemen de ouders daaromtrent een beslissing.5§ 3.In het buitengewoon lager onderwijs kan een leerling die veertien jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na advies van de klassenraad van de school waar de leerling het voorafgaande schooljaar lager onderwijs heeft gevolgd. De klassenraad geeft advies op vraag van de ouders of op eigen initiatief. Na kennisneming van en toelichting bij de beslissing van de klassenraad nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
6Als een leerling het voorgaande schooljaar niet ingeschreven was in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt het advies verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het buitengewoon lager onderwijs wil volgen.6Als een leerling het voorgaande schooljaar niet ingeschreven was in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende school voor het lager onderwijs, wordt de beslissing verstrekt door de klassenraad van de school waar de leerling het buitengewoon lager onderwijs wil volgen.
7Op basis van het cyclisch proces van handelingsplanmatig werken geeft de school voor buitengewoon basisonderwijs, in samenspraak met de ouders, jaarlijks aan het CLB door voor welke leerlingen een evaluatie aangewezen is van de inschrijving van een leerling in de school voor buitengewoon basisonderwijs. Ouders kunnen de evaluatie ook rechtstreeks aan het CLB vragen. De evaluatie gebeurt door het CLB op basis van een handelingsgericht diagnostisch traject samen met de leerling tenzij dat niet mogelijk is, de ouders en de school, waarbij samen wordt bekeken of de leerling kan terugkeren naar het gewoon basisonderwijs binnen het gemeenschappelijke curriculum, of om een individueel aangepast curriculum te volgen.7Op basis van het cyclisch proces van handelingsplanmatig werken geeft de school voor buitengewoon basisonderwijs, in samenspraak met de ouders, jaarlijks aan het CLB door voor welke leerlingen een evaluatie aangewezen is van de inschrijving van een leerling in de school voor buitengewoon basisonderwijs. Ouders kunnen de evaluatie ook rechtstreeks aan het CLB vragen. De evaluatie gebeurt door het CLB op basis van een handelingsgericht diagnostisch traject samen met de leerling tenzij dat niet mogelijk is, de ouders en de school, waarbij samen wordt bekeken of de leerling kan terugkeren naar het gewoon basisonderwijs binnen het gemeenschappelijke curriculum, of om een individueel aangepast curriculum te volgen.
8Als ouders beslissen voor een leerling om terug te keren naar het gewoon basisonderwijs, ondersteunen de school voor buitengewoon basisonderwijs en het CLB de ouders bij het vinden van en bij de overstap naar een school voor gewoon basisonderwijs waar de leerling wordt ingeschreven in geval van een GC-verslag, of onder ontbindende voorwaarde wordt ingeschreven in geval van een IAC-verslag met het oog op de afweging van redelijke aanpassingen.8Als ouders beslissen voor een leerling om terug te keren naar het gewoon basisonderwijs, ondersteunen de school voor buitengewoon basisonderwijs en het CLB de ouders bij het vinden van en bij de overstap naar een school voor gewoon basisonderwijs waar de leerling wordt ingeschreven in geval van een GC-verslag, of onder ontbindende voorwaarde wordt ingeschreven in geval van een IAC-verslag met het oog op de afweging van redelijke aanpassingen.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 15
1§ 1. Naast de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 12, § 1, 12/1, § 2, 13/1, § 5, 14/0, 2°, en 14/1, § 1, § 3, § 4, is voor de toelating van een leerling tot het buitengewoon onderwijs, met uitzondering voor de toelating tot type 5, of voor een individueel aangepast curriculum in het gewoon basisonderwijs, het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject met de opmaak van een IAC-verslag van een CLB vereist, opgesteld met inachtname van artikel 7 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, waaruit blijkt:1§ 1. Naast de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 12, § 1, 12/1, § 2, 13/0, §3, en 14/1, § 1, § 3, § 4, is voor de toelating van een leerling tot het buitengewoon onderwijs, met uitzondering voor de toelating tot type 5, of voor een individueel aangepast curriculum in het gewoon basisonderwijs, het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject met de opmaak van een IAC-verslag van een CLB vereist, opgesteld met inachtname van artikel 7 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, waaruit blijkt:
21° dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;21° dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;
32° dat met toepassing van de principes van artikel 8, tweede lid, de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;32° dat met toepassing van de principes van artikel 8, tweede lid, de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 20
1§1. Een regelmatige leerling is een leerling die:1§1. Een regelmatige leerling is een leerling die:
21° voldoet aan de toelatingsvoorwaarden zoals bepaald in de artikelen 12, 12/1, 13/1, 14/0, 14/1, 15 of 16;21° voldoet aan de toelatingsvoorwaarden zoals bepaald in de artikelen 12, 12/1, 13/0, 14/1, 15 of 16;
32° slechts in één school is ingeschreven.32° slechts in één school is ingeschreven.
4§2. Leerplichtigen of leerlingen die niet leerplichtig zijn, maar ingeschreven zijn in het lager onderwijs zijn een regelmatige leerling als ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, en aan al de volgende voorwaarden:4§2. Leerplichtigen of leerlingen die niet leerplichtig zijn, maar ingeschreven zijn in het lager onderwijs zijn een regelmatige leerling als ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, en aan al de volgende voorwaarden:
+2 −1 decreet-1997-02-25/art. 20/1
1§1. Leerlingen die ingeschreven zijn in een school voor basisonderwijs, kunnen deeltijds lessen en activiteiten volgen in een andere school voor basisonderwijs dan de school waar ze ingeschreven zijn of in een school voor voltijds secundair onderwijs. Lesbijwoning in een school voor buitengewoon onderwijs is alleen mogelijk voor leerlingen met een IAC-verslag die ingeschreven zijn in een school voor gewoon onderwijs.1§1. Leerlingen die ingeschreven zijn in een school voor basisonderwijs, kunnen deeltijds lessen en activiteiten volgen in een andere school voor basisonderwijs dan de school waar ze ingeschreven zijn of in een school voor voltijds secundair onderwijs. Lesbijwoning in een school voor buitengewoon onderwijs is alleen mogelijk voor leerlingen met een IAC-verslag.
2§1/1. In afwijking van paragraaf 1 is voor het volgen van de taalheldklassen, vermeld in artikel 139vicies semel, §2, voltijdse lesbijwoning in een andere school mogelijk.
2§2. Als de lesbijwoning, vermeld in paragraaf 1, kadert in de organisatie van een taalintegratietraject als vermeld in artikel 11quater, §3, werken de scholen samen voor de organisatie van het vervoer van de ingeschreven leerling van en naar de school die het taalintegratietraject organiseert.3§2. Als de lesbijwoning, vermeld in paragraaf 1, kadert in de organisatie van een taalintegratietraject als vermeld in artikel 11quater, §3, werken de scholen samen voor de organisatie van het vervoer van de ingeschreven leerling van en naar de school die het taalintegratietraject organiseert.
3§3. In afwijking van paragraaf 1 kunnen leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van leerlingen van type 5, voltijds lessen of activiteiten volgen in een school voor gewoon basisonderwijs voor een periode van maximaal twee schooljaren, met het oog op een overstap naar het gewoon onderwijs. In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB ondersteunt de school voor buitengewoon onderwijs de school voor gewoon onderwijs.4§3. In afwijking van paragraaf 1 kunnen leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van leerlingen van type 5, voltijds lessen of activiteiten volgen in een school voor gewoon basisonderwijs voor een periode van maximaal twee schooljaren, met het oog op een overstap naar het gewoon onderwijs. In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB ondersteunt de school voor buitengewoon onderwijs de school voor gewoon onderwijs.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 31
43° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de ouders er zich expliciet tegen verzetten, na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien.43° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de ouders er zich expliciet tegen verzetten, na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien.
54° de vorige school van inschrijving brengt de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag of GC-verslag. Het CLB dat verbonden is aan de vorige school van inschrijving brengt het CLB dat verbonden is met de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag of GC-verslag. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen die overdrachten niet verzetten;54° de vorige school van inschrijving brengt de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag of GC-verslag. Het CLB dat verbonden is aan de vorige school van inschrijving brengt het CLB dat verbonden is met de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag of GC-verslag. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen die overdrachten niet verzetten;
64°/1 het tuchtdossier, vermeld in artikel 33, 1°/1 en 3°, wordt alleen bezorgd aan een lid van het schoolteam dat betrokken is bij de begeleiding van de leerling en dat daarvoor gemandateerd is door het schoolbestuur. Het lid van het schoolteam behandelt het dossier vertrouwelijk en kan alleen met andere leden van het schoolteam informatie die is opgenomen in het tuchtdossier, vermeld in artikel 33, 1°/1 en 3°, delen als dat noodzakelijk is voor de begeleiding van de leerling en als dat in het belang van de leerling is. Voor de informatie uit het tuchtdossier, vermeld in artikel 33, 1°/1 en 3°, wordt gedeeld, gaat de school in gesprek met de ouders en de leerling. Ook de andere leden van het schoolteam met wie de informatie gedeeld wordt, behandelen de informatie vertrouwelijk. Ouders kunnen zich niet verzetten tegen de overdracht van het tuchtdossier, vermeld in artikel 33, 1°/1 en 3°
65° het schoolbestuur van de onderwijsinstelling of de gemandateerde is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens voor de looptijd dat deze bewaard dienen te worden;75° het schoolbestuur van de onderwijsinstelling of de gemandateerde is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens voor de looptijd dat deze bewaard dienen te worden;
76° het centrumbestuur van het CLB dat het IAC-verslag of het GC-verslag, vermeld in punt 4°, heeft opgesteld, is verantwoordelijke voor de verwerking door of ter voorbereiding van het IAC-verslag of GC-verslag. Het centrumbestuur van het overnemende CLB is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking na de ontvangst van het IAC-verslag of GC-verslag.86° het centrumbestuur van het CLB dat het IAC-verslag of het GC-verslag, vermeld in punt 4°, heeft opgesteld, is verantwoordelijke voor de verwerking door of ter voorbereiding van het IAC-verslag of GC-verslag. Het centrumbestuur van het overnemende CLB is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking na de ontvangst van het IAC-verslag of GC-verslag.
8Gegevens die betrekking hebben op schending van leefregels door de leerling zijn echter nooit tussen scholen overdraagbaar.
9De Vlaamse Regering kan de regels bepalen omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke, veilige en transparante verwerking.9De Vlaamse Regering kan de regels bepalen omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke, veilige en transparante verwerking.
10§ 2. Paragraaf 1 is, met uitzondering van het eerste lid, 4°, ook van toepassing bij schoolverandering van basisonderwijs naar secundair onderwijs.10§ 2. Paragraaf 1 is, met uitzondering van het eerste lid, 4°, ook van toepassing bij schoolverandering van basisonderwijs naar secundair onderwijs.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 33
1Tijdelijke en definitieve uitsluitingen kunnen alleen uitgevoerd worden na een procedure die de rechten van verdediging waarborgt en waarin de volgende principes gerespecteerd worden:1Tijdelijke en definitieve uitsluitingen kunnen alleen uitgevoerd worden na een procedure die de rechten van verdediging waarborgt en waarin de volgende principes gerespecteerd worden:
21° het voorafgaandelijke advies van de klassenraad moet worden ingewonnen. In geval van een definitieve uitsluiting moet de klassenraad uitgebreid worden met een vertegenwoordiger van het CLB die een adviserende stem heeft;21° het voorafgaandelijke advies van de klassenraad moet worden ingewonnen. In geval van een definitieve uitsluiting moet de klassenraad uitgebreid worden met een vertegenwoordiger van het CLB die een adviserende stem heeft;
31°/1 in het tuchtdossier worden de maatregelen opgenomen die de school heeft genomen om de leerling te begeleiden. Als er geen begeleidende maatregelen zijn genomen, wordt aangegeven waarom begeleiding niet mogelijk is en welke stappen de school heeft gezet om, in samenwerking met de ouders en eventueel externe partners, de onmogelijkheid te vermijden;
32° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de ouders schriftelijk ter kennis gebracht;42° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de ouders schriftelijk ter kennis gebracht;
43° de ouders en de leerling hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling, met inbegrip van het advies van de klassenraad, en worden gehoord, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon;53° de ouders en de leerling hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling, met inbegrip van het advies van de klassenraad, en worden gehoord, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon;
+20 −2 decreet-1997-02-25/art. 35
1§1. Leerlingen die vijf jaar of ouder geworden zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 15, §1, maar voor wie het omwille van een handicap permanent onmogelijk is onderwijs te volgen op school, hebben na gunstig advies van de onderwijsinspectie, recht op permanent onderwijs aan huis.1§1. Leerlingen die vijf jaar of ouder geworden zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar en die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 15, §1, maar voor wie het vanwege een handicap permanent onmogelijk is onderwijs te volgen op school, hebben na een gunstige beslissing van het CLB recht op permanent onderwijs aan huis.
2§ 2. De ouders kiezen in overleg met het CLB de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon onderwijs van hun vrije keuze om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. Deze school wordt aangeduid door de onderwijsinspectie. Omwille van omstandigheden eigen aan het kind en mits omstandige motivering kan een andere school voor buitengewoon onderwijs worden gekozen.
2Ouders kunnen een aanvraag voor permanent onderwijs aan huis indienen bij het begeleidende CLB van de basisschool van hun kind. Indien het kind nog niet ingeschreven is in een basisschool, dan kan de ouder de vraag richten aan het CLB van een onderwijsnet naar keuze, het dichtst gelegen bij de woonplaats van de leerling.
3Voor leerlingen die nog niet over een IAC-verslag beschikken, wordt er een handelingsgericht diagnostisch traject opgestart. Voor leerlingen die al over een IAC-verslag beschikken, sluit de aanvraag, vermeld in het tweede lid, aan bij verdere stappen in hun handelingsgericht diagnostisch traject.
4§2. De basis voor de beslissing door het CLB over de overweging of permanent onderwijs aan huis voor de leerling het meest passend aanbod is, ligt in het handelingsgericht diagnostisch traject van de leerling. De beslissing wordt toegevoegd aan het IAC-verslag van de leerling. Het CLB kent het recht op permanent onderwijs aan huis toe op basis van de volgende criteria:
51° de mate waarin de leerling slechts een beperkt onderwijsaanbod aankan door de absolute prioriteit van de nood aan zorg en comfort;
62° de mate waarin in een school verzekerd kan worden dat de leerling veilig onderwijs kan volgen. Het CLB maakt een afweging van de mate waarin een specifieke context is vereist voor de veiligheid van de leerling. Een specifieke context is vereist voor:
7a) het tijdig opmerken van een medisch probleem met grote impact op het functioneren of de veiligheid van het kind en een gepaste reactie daarop;
8b) het voorkomen en hanteren van een uitgesproken gedragsstoornis waarbij de leerling zichzelf of anderen regelmatig ernstig in gevaar brengt;
93° de mate waarin de verplaatsing naar de school mogelijk is omwille van de medische of psychische conditie van de leerling;
104° de contextfactoren in combinatie met criterium 1°, 2° of 3° waardoor permanent onderwijs aan huis de enige mogelijkheid is om het leerrecht vorm te geven. Gebrek aan capaciteit kan in deze niet ingeroepen worden als een contextfactor.
11De motivatie door het CLB op basis van bovenstaande criteria wordt aangevuld met een medisch attest van een arts-specialist dat bevestigt dat permanent aan huis nodig is. Het medisch attest wordt ook toegevoegd aan het IAC-verslag.
12§3. Het CLB, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, bepaalt hoe lang de leerling recht heeft op permanent onderwijs aan huis. Het CLB kent dat recht toe voor een periode van maximaal drie schooljaren. Het recht kan verlengd worden met periodes van maximaal drie schooljaren na een nieuwe aanvraag door de ouders. Het CLB kent de verlenging toe, tenzij er bij de leerling een evolutie vastgesteld wordt die een heroverweging ten gronde noodzakelijk maakt. Het recht loopt in ieder geval af op het einde van het buitengewoon basisonderwijs.
13In afwijking van het eerste lid is in geval van toekenning van permanent onderwijs aan huis op basis van een gedragsstoornis jaarlijks zowel een beslissing door het CLB als een medisch attest door een arts-specialist nodig.
14§4. De beslissing over de aanvraag voor permanent onderwijs aan huis door het CLB wordt genomen binnen zestig kalenderdagen na de aanvraag.
15§5. Als ouders en het CLB geen akkoord bereiken over de behoefte aan permanent onderwijs aan huis als meest passende aanbod, kan een beroep gedaan worden op de klachtenprocedure die van toepassing is bij onenigheid over de noodzaak of inhoud van het IAC-verslag, conform artikel 16, §3, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding en artikel 15, §7, van dit decreet.
16§6. In afwijking van artikel 37bis tot en met 37vicies septies en de bepalingen van hoofdstuk IV/2 hebben de leerlingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, onverkort recht op inschrijving in de vestigingsplaats voor buitengewoon basisonderwijs op de kortst mogelijke afstand over de berijdbare weg van ofwel het officieel onderwijs ofwel het gesubsidieerd vrij onderwijs, naar keuze van de ouders, bij de verblijfplaats van de leerling, dat het type, vermeld in het IAC-verslag, aanbiedt.
17De leerling met een IAC-verslag van type 4, 6 of 7 zonder school van keuze met dat aanbod op een redelijke afstand van de verblijfplaats van de leerling kan het onverkort recht op inschrijving laten gelden in de dichtstbijzijnde vestigingsplaats voor buitengewoon basisonderwijs op de kortst mogelijke afstand over de berijdbare weg van ofwel het officieel onderwijs ofwel het gesubsidieerd vrij onderwijs, naar keuze van de ouders bij de verblijfplaats van de leerling.
18In afwijking van artikel 37bis tot en met 37vicies septies en de bepalingen van hoofdstuk IV/2, kan een schoolbestuur de inschrijving van een leerling met recht op permanent onderwijs aan huis weigeren in een andere vestigingsplaats dan vermeld in het eerste en het tweede lid.
19§7. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kunnen de leerlingen die voldoen aan de voor-waarden, vermeld in artikel 15, §1, en aan wie permanent onderwijs aan huis in het buitengewoon basisonderwijs toegekend werd voor 1 september 2026, gedurende maximaal drie schooljaren na 2025-2026 en uiterlijk tot het einde van het onderwijsniveau verder gebruik maken van het permanent onderwijs aan huis in de school van het buitengewoon basisonderwijs, binnen de door de onderwijsinspectie toegekende periode. Als de toegekende periode afloopt op het einde van het schooljaar 2026-2027 kan de periode door het CLB verlengd worden zonder een overweging ten gronde, met maximaal 1 schooljaar binnen hetzelfde onderwijsniveau.
20§8. De toepassing door de CLB’s van de bepalingen opgenomen in dit artikel worden vanaf het schooljaar 2026-2027 gemonitord en in het schooljaar 2027-2028 geëvalueerd.
+2 −1 decreet-1997-02-25/art. 37
1813° richtlijnen over aanwezigheden, in het bijzonder voor de leerplichtige kleuters, en te laat komen;1813° richtlijnen over aanwezigheden, in het bijzonder voor de leerplichtige kleuters, en te laat komen;
1914° dat er leersteun kan worden geboden voor leerlingen met een GC-verslag of IAC-verslag en bij welk leersteuncentrum de school aangesloten is;1914° dat er leersteun kan worden geboden voor leerlingen met een GC-verslag of IAC-verslag en bij welk leersteuncentrum de school aangesloten is;
2015° de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen opgelegde verbod op slimme apparaten, vermeld in artikel 37/0, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding van het verbod op het gebruik van slimme apparaten.2015° de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen opgelegde verbod op slimme apparaten, vermeld in artikel 37/0, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding van het verbod op het gebruik van slimme apparaten;
2116° de procedure tegen de beslissing tot het al dan niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs of de beslissing over de doorstroom van een leerling met een IAC-verslag naar het gewoon lager onderwijs, vermeld in artikel 13, §1 tot en met §3, met inbegrip van de beroepsprocedure, vermeld in artikel 37/1 tot en met 37/3
21§ 3. Voor het lager onderwijs bevat het schoolreglement ten minste de volgende elementen:22§ 3. Voor het lager onderwijs bevat het schoolreglement ten minste de volgende elementen:
221° het reglement inzake tucht en schending van de leefregels van de leerlingen met inbegrip van een preventieve schorsing, een tijdelijke uitsluiting of een definitieve uitsluiting en inzake de beroepsprocedure zoals vermeld in onderafdeling F van deze afdeling, inbegrepen het hanteren van redelijke en haalbare termijnen;231° het reglement inzake tucht en schending van de leefregels van de leerlingen met inbegrip van een preventieve schorsing, een tijdelijke uitsluiting of een definitieve uitsluiting en inzake de beroepsprocedure zoals vermeld in onderafdeling F van deze afdeling, inbegrepen het hanteren van redelijke en haalbare termijnen;
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 37/1
1Ouders die niet akkoord gaan met het niet toekennen van een getuigschrift basisonderwijs aan hun kind , hebben toegang tot een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het schoolreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling. Ouders kunnen evenwel slechts een beroep instellen na het overleg zoals bepaald in artikel 55 .1Ouders die niet akkoord gaan met het niet toekennen van een getuigschrift basisonderwijs aan hun kind of die niet akkoord gaan met de beslissing tot het niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs door hun kind of voor kinderen met een IAC-verslag dat hun kind niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs, vermeld in arti-kel 13, §1 tot en met §3, hebben toegang tot een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het schoolreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling. Ouders kunnen evenwel slechts een beroep instellen na het overleg zoals bepaald in artikel 55 of artikel 13, §6.
2In afwijking van het eerste lid moeten de ouders van kinderen die een negatieve beslissing van de examencommissie, vermeld in artikel 56, hebben ontvangen over het toekennen van het getuigschrift basisonderwijs, geen overleg vragen met de directeur of zijn afgevaardigde als vermeld in artikel 55, eerste lid, voor ze een beroep kunnen instellen. Indien er toch overleg wordt gevraagd door de ouders, kan de directeur of zijn afgevaardigde dit overleg niet weigeren.2In afwijking van het eerste lid moeten de ouders van kinderen die een negatieve beslissing van de examencommissie, vermeld in artikel 56, hebben ontvangen over het toekennen van het getuigschrift basisonderwijs, geen overleg vragen met de directeur of zijn afgevaardigde als vermeld in artikel 55, eerste lid, voor ze een beroep kunnen instellen. Indien er toch overleg wordt gevraagd door de ouders, kan de directeur of zijn afgevaardigde dit overleg niet weigeren.
3De ouders stellen het beroep in bij het schoolbestuur. Het beroep wordt gedateerd en ondertekend en vermeldt ten minste het voorwerp van het beroep met beschrijving van de feiten en motivering van de ingeroepen bezwaren. Bij deze beschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd.3De ouders stellen het beroep in bij het schoolbestuur. Het beroep wordt gedateerd en ondertekend en vermeldt ten minste het voorwerp van het beroep met beschrijving van de feiten en motivering van de ingeroepen bezwaren. Bij deze beschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 37/2
3a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het schoolreglement, is overschreden;3a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het schoolreglement, is overschreden;
4b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het schoolreglement;4b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het schoolreglement;
52° hetzij de bevestiging van het niet toekennen van het getuigschrift basisonderwijs, hetzij de toekenning van het getuigschrift basisonderwijs. Het schoolbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor de beslissing van de beroepscommissie.
52° hetzij de bevestiging van het niet toekennen van het getuigschrift basisonderwijs, hetzij de toekenning van het getuigschrift basisonderwijs, hetzij de bevestiging van het niet met vrucht beëindigen van het kleuteronderwijs, hetzij de beslissing dat het kleuteronderwijs met vrucht is beëindigd of hetzij de be-vestiging dat een leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs of de beslissing dat een leerling met een IAC-verslag wel kan door-stromen naar het gewoon lager onderwijs. Het schoolbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor de beslissing van de beroepscommissie.
6Het resultaat van het beroep wordt aan de ouders schriftelijk ter kennis gebracht uiterlijk op 15 september daaropvolgend.6Het resultaat van het beroep wordt aan de ouders schriftelijk ter kennis gebracht uiterlijk op 15 september daaropvolgend.
+3 −3 decreet-1997-02-25/art. 37/3
2§ 2. Het schoolbestuur of zijn afgevaardige bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:2§ 2. Het schoolbestuur of zijn afgevaardige bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
31° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;31° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
42° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van de klassenraad die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen ,waaronder alleszins de directeur of zijn afgevaardigde, eventueel aangevuld met een lid van het schoolbestuur; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan dat schoolbestuur en aan de school die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet uit te reiken .42° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van de klassenraad die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen of die beslist heeft dat de kleuter het kleuteronderwijs niet met vrucht heeft beëindigd of die beslist heeft dat de leerling met een IAC-verslag niet kan door-stromen naar het gewoon lager onderwijs,, waaronder alleszins de directeur of zijn afgevaardigde, eventueel aangevuld met een lid van het schoolbestuur; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan dat schoolbestuur en aan de school die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet uit te reiken of die beslist heeft dat de kleuter het kleuteronderwijs niet met vrucht heeft beëindigd of dat de leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs.
5In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:5In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:
6a) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;6a) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;
7b) wordt een lid van de ouderraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen , geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt a) van toepassing is;7b) wordt een lid van de ouderraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen of die beslist heeft dat de kleuter het kleuteronderwijs niet met vrucht heeft beëindigd of die beslist heeft dat een leerling met een IAC-verslag niet kan door-stromen naar het gewoon lager onderwijs, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt a) van toepassing is;
83° de voorzitter wordt door het schoolbestuur onder de externe leden aangeduid.83° de voorzitter wordt door het schoolbestuur onder de externe leden aangeduid.
9§ 3. Het schoolbestuur bepaalt de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:9§ 3. Het schoolbestuur bepaalt de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
112° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;112° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
123° een beroepscommissie hoort de ouders in kwestie;123° een beroepscommissie hoort de ouders in kwestie;
134° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad die het getuigschrift basisonderwijs niet toegekend heeft ;134° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad die het getuigschrift basisonderwijs niet toegekend heeft of die beslist heeft dat het kleuteronderwijs niet met vrucht is beëindigd of die beslist heeft dat de leerling met een IAC-verslag niet kan doorstromen naar het gewoon lager onderwijs;
145° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van individuele personeelsleden van het onderwijs;145° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van individuele personeelsleden van het onderwijs;
156° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de reglementaire onderwijsbepalingen en met het schoolreglement.156° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de reglementaire onderwijsbepalingen en met het schoolreglement.
+2 −1 decreet-1997-02-25/art. 37novies
2In het gewoon basisonderwijs bepaalt het schoolbestuur de capaciteit op het niveau van de school, van de vestigingsplaats, het niveau kleuteronderwijs en het niveau lager onderwijs. Het schoolbestuur kan de capaciteit voor het kleuteronderwijs ook op niveau van het geboortejaar en voor het lager onderwijs ook op niveau van het leerjaar bepalen.2In het gewoon basisonderwijs bepaalt het schoolbestuur de capaciteit op het niveau van de school, van de vestigingsplaats, het niveau kleuteronderwijs en het niveau lager onderwijs. Het schoolbestuur kan de capaciteit voor het kleuteronderwijs ook op niveau van het geboortejaar en voor het lager onderwijs ook op niveau van het leerjaar bepalen.
3Een schoolbestuur kan voor anderstalige nieuwkomers, als bedoeld in artikel 3, 4°quater, een capaciteit bepalen, enkel indien aldus geweigerde leerlingen een plaats gegarandeerd wordt binnen een school, gelegen op een redelijke afstand en rekening houdend met de vrije keuze van de ouders. Schoolbesturen met scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP maken daartoe binnen het LOP afspraken. Een schoolbestuur met scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP maakt daartoe afspraken met de schoolbesturen van scholen gelegen in dezelfde gemeente. De capaciteit voor anderstalige nieuwkomers kan nooit minder zijn dan acht leerlingen voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van meer dan honderd leerlingen, en vier leerlingen voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van maximaal honderd leerlingen.3Een schoolbestuur kan voor anderstalige nieuwkomers, als bedoeld in artikel 3, 4°quater, een capaciteit bepalen, enkel indien aldus geweigerde leerlingen een plaats gegarandeerd wordt binnen een school, gelegen op een redelijke afstand en rekening houdend met de vrije keuze van de ouders. Schoolbesturen met scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP maken daartoe binnen het LOP afspraken. Een schoolbestuur met scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP maakt daartoe afspraken met de schoolbesturen van scholen gelegen in dezelfde gemeente. De capaciteit voor anderstalige nieuwkomers kan nooit minder zijn dan acht leerlingen voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van meer dan honderd leerlingen, en vier leerlingen voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van maximaal honderd leerlingen.
4In het buitengewoon basisonderwijs bepaalt het schoolbestuur de capaciteit op het niveau van de school, van de vestigingsplaats, het niveau kleuteronderwijs, het niveau lager onderwijs en voor elk type afzonderlijk.
4In het buitengewoon basisonderwijs bepaalt het schoolbestuur de capaciteit op het niveau van de school, van de vestigingsplaats, het niveau kleuteronderwijs, het niveau lager onderwijs en voor elk type afzonderlijk. Het schoolbestuur kan de capaciteit voor het kleuteronderwijs bepalen op het niveau van het geboortejaar en voor het lager onderwijs ook op niveau van het leerjaar, voor een school voor buitengewoon basisonderwijs die samenwerkt met een school voor gewoon onderwijs in een project dat bijdraagt aan de transitie naar inclusief onderwijs als vermeld in artikel IV.55/1 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016. Bij het bepalen van de capaciteit kan een schoolbestuur ervoor kiezen om de capaciteit van kleuters die conform artikel 12/1 nog een schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden, samen te voegen met de capaciteit van het laatste geboortejaar van het kleuteronderwijs waarvoor een kind toegelaten kan worden tot het kleuteronderwijs, zonder een beroep te doen op artikel 12/1.
5In afwijking van het vierde lid is een schoolbestuur niet verplicht om voor zijn scholen voor type 5 de capaciteit te bepalen.5In afwijking van het vierde lid is een schoolbestuur niet verplicht om voor zijn scholen voor type 5 de capaciteit te bepalen.
6§ 2. Met toepassing van paragraaf 1 maakt een schoolbestuur, voor al zijn scholen, de capaciteiten die hij bepaald heeft, bekend aan alle belanghebbenden. Een schoolbestuur deelt voor al zijn scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP de capaciteiten die hij bepaald heeft, mee aan dat LOP.6§ 2. Met toepassing van paragraaf 1 maakt een schoolbestuur, voor al zijn scholen, de capaciteiten die hij bepaald heeft, bekend aan alle belanghebbenden. Een schoolbestuur deelt voor al zijn scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP de capaciteiten die hij bepaald heeft, mee aan dat LOP.
12§ 3. In afwijking van paragraaf 1 kan een schoolbestuur, met toepassing van artikel 37duodecies, § 2, en met toepassing van de overeenkomstig artikel 37septies te bepalen contingenten, de capaciteit, vermeld in paragraaf 1, verhogen na de start van de inschrijvingen.12§ 3. In afwijking van paragraaf 1 kan een schoolbestuur, met toepassing van artikel 37duodecies, § 2, en met toepassing van de overeenkomstig artikel 37septies te bepalen contingenten, de capaciteit, vermeld in paragraaf 1, verhogen na de start van de inschrijvingen.
13In gemeenten gelegen in een werkingsgebied van een LOP, moet de verhoging door het LOP zijn goedgekeurd. In gemeenten gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP deelt het schoolbestuur de verhoging ter kennisgeving mee aan de schoolbesturen van de andere scholen gelegen in die gemeente.13In gemeenten gelegen in een werkingsgebied van een LOP, moet de verhoging door het LOP zijn goedgekeurd. In gemeenten gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP deelt het schoolbestuur de verhoging ter kennisgeving mee aan de schoolbesturen van de andere scholen gelegen in die gemeente.
14Het schoolbestuur kan ervoor kiezen om de capaciteit te verhogen in een school voor buitengewoon basisonderwijs die samenwerkt met een school voor gewoon onderwijs in een project dat bijdraagt aan de transitie naar inclusief onderwijs als vermeld in artikel IV.55/1 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016. In dat geval kan de school ervoor opteren om de capaciteit voor een ander type, geboortejaar of leerjaar met evenveel plaatsen te verminderen. Die keuze is alleen mogelijk als er na de inschrijvingen, of in voorkomend geval na het aflopen van de inschrijvingen van de aangemelde leerlingen voor het desbetreffende capaciteitsniveau, geen niet-gerealiseerde inschrijvingen zijn waarvan de volgorde conform artikel 37duodecies gerespecteerd wordt.
14§ 4. Een schoolbestuur weigert elke bijkomende inschrijving wanneer de capaciteit, als vermeld in paragraaf 1 en 3, overschreden wordt en als een bijkomende inschrijving na de start van de inschrijvingen voor volgend schooljaar er toe zou leiden dat de capaciteit, als vermeld in paragraaf 1 en 3, voor dat volgend schooljaar overschreden zou worden.15§ 4. Een schoolbestuur weigert elke bijkomende inschrijving wanneer de capaciteit, als vermeld in paragraaf 1 en 3, overschreden wordt en als een bijkomende inschrijving na de start van de inschrijvingen voor volgend schooljaar er toe zou leiden dat de capaciteit, als vermeld in paragraaf 1 en 3, voor dat volgend schooljaar overschreden zou worden.
15§ 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een schoolbestuur in volgende situaties toch overgaan tot een inschrijving :16§ 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een schoolbestuur in volgende situaties toch overgaan tot een inschrijving :
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 37/26
3§ 2. Met uitzondering van leerlingen die zijn ingeschreven in overcapaciteit conform artikel 37/28, wordt bij het invullen van vrijgekomen plaatsen of bijkomende plaatsen door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 37/20, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd, met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/22, 37/22/1 en 37/24, en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. En dit wat de leerlingen, vermeld in artikel 37/24 betreft, met het oog op het bereiken van het respectievelijke aandeel in artikel 37/24, § 1. Voor kleuters geboren in het meest recente kalenderjaar dat mogelijk is voor de inschrijvingen van het betrokken schooljaar, wordt deze volgorde gerespecteerd tot en met 30 juni van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Uiterlijk vanaf 1 juli geldt de volgorde van de weigeringen van kleuters van hetzelfde geboortejaar voor het volgende schooljaar.3§ 2. Met uitzondering van leerlingen die zijn ingeschreven in overcapaciteit conform artikel 37/28, wordt bij het invullen van vrijgekomen plaatsen of bijkomende plaatsen door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 37/20, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd, met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/22, 37/22/1 en 37/24, en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. En dit wat de leerlingen, vermeld in artikel 37/24 betreft, met het oog op het bereiken van het respectievelijke aandeel in artikel 37/24, § 1. Voor kleuters geboren in het meest recente kalenderjaar dat mogelijk is voor de inschrijvingen van het betrokken schooljaar, wordt deze volgorde gerespecteerd tot en met 30 juni van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Uiterlijk vanaf 1 juli geldt de volgorde van de weigeringen van kleuters van hetzelfde geboortejaar voor het volgende schooljaar.
4Ouders van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.4Ouders van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.
5Een schoolbestuur kan ervoor opteren om de volgorde van de weigeringen niet te respecteren voor een leerling die via een aanmeldingsprocedure geweigerd is en al ingeschreven is in een school van hogere keuze.
5§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.6§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.
6§ 4. Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.7§ 4. Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 37/28
14§2. In afwijking van artikel 37/20, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20/1, §3, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.14§2. In afwijking van artikel 37/20, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20/1, §3, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
15§3. In afwijking van artikel 37/20, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1.15§3. In afwijking van artikel 37/20, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1.
16§4. In afwijking van artikel 37/20, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in, in het lager onderwijs die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het kleuteronderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het verlengd verblijf in het kleuteronderwijs met toepas-sing van artikel 12/1.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 37/62
3§ 2. Met uitzondering van leerlingen die zijn ingeschreven in overcapaciteit conform artikel 37/64, wordt bij het invullen van vrijgekomen plaatsen of bijkomende plaatsen door een verhoogde capaciteit, vermeld in artikel 37/55, § 3, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/57, 37/57/1, 37/58 en 37/60, en, wat de leerlingen, vermeld in artikel 37/58 en artikel 37/60, betreft, met het oog op het bereiken van hun respectievelijke aandeel, vermeld in artikel 37/58, § 3, en artikel 37/60, § 1, en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Voor kleuters geboren in het meest recente kalenderjaar dat mogelijk is voor de inschrijvingen van het betrokken schooljaar, wordt deze volgorde gerespecteerd tot en met 30 juni van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Uiterlijk vanaf 1 juli geldt de volgorde van de weigeringen van kleuters van hetzelfde geboortejaar voor het volgende schooljaar.3§ 2. Met uitzondering van leerlingen die zijn ingeschreven in overcapaciteit conform artikel 37/64, wordt bij het invullen van vrijgekomen plaatsen of bijkomende plaatsen door een verhoogde capaciteit, vermeld in artikel 37/55, § 3, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/57, 37/57/1, 37/58 en 37/60, en, wat de leerlingen, vermeld in artikel 37/58 en artikel 37/60, betreft, met het oog op het bereiken van hun respectievelijke aandeel, vermeld in artikel 37/58, § 3, en artikel 37/60, § 1, en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Voor kleuters geboren in het meest recente kalenderjaar dat mogelijk is voor de inschrijvingen van het betrokken schooljaar, wordt deze volgorde gerespecteerd tot en met 30 juni van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Uiterlijk vanaf 1 juli geldt de volgorde van de weigeringen van kleuters van hetzelfde geboortejaar voor het volgende schooljaar.
4Ouders van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.4Ouders van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.
5Een schoolbestuur kan ervoor opteren om de volgorde van de weigeringen niet te respecteren voor een leerling die via een aanmeldingsprocedure geweigerd is en al ingeschreven is in een school van hogere keuze.
5§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.6§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.
6§ 4. Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.7§ 4. Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 37/64
14§2. In afwijking van artikel 37/55, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20/1, §3, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.14§2. In afwijking van artikel 37/55, § 4, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 20/1, §3, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
15§3. In afwijking van artikel 37/55, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1.15§3. In afwijking van artikel 37/55, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in de school voor het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het lager onderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs met toepassing van artikel 13/1.
16§4. In afwijking van artikel 37/55, §4, schrijft een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling in, in het lager onderwijs die in het voorafgaande schooljaar ingeschreven was in het kleuteronderwijs en die terugkeert uit een school voor het kleuteronderwijs omdat de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het verlengd verblijf in het kleuteronderwijs met toepas-sing van artikel 12/1.
+8 −8 decreet-1997-02-25/art. 44
181° Nederlands;181° Nederlands;
192° wiskunde;192° wiskunde;
202°/1 voor taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal: Vlaamse Gebarentaal en dovencultuur;
203° geschiedenis;213° geschiedenis;
214° aardrijkskunde;224° aardrijkskunde;
271° Nederlands;281° Nederlands;
282° wiskunde;292° wiskunde;
302°/1 voor taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal: Vlaamse Gebarentaal en dovencultuur;
293° Frans313° Frans
304° geschiedenis;324° geschiedenis;
39Het finale ontwerp van het geheel van minimumdoelen wordt bepaald door de expertencommissie. Het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering legt dat finale ontwerp vervolgens voor advies voor aan de Vlaamse Onderwijsraad, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de vertegenwoor-digers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs. De Vlaamse Onderwijsraad, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de onderwijsverstrekkers baseren hun advies minstens op de kwaliteitscriteria, vermeld in het eerste lid. Het advies van de Vlaamse Onderwijsraad wordt verstrekt binnen de termijn, vermeld in artikel 72 van het decreet van 2 april 2004 betreffende de participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen wordt verstrekt binnen de termijn, vermeld in artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen. Het advies van de vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs wordt verstrekt binnen een termijn van dertig kalenderdagen. In spoedeisende gevallen, die met redenen worden omkleed, kan de adviesverzoeker de termijn inkorten op voorwaarde dat die termijn ten minste tien werkdagen bedraagt.41Het finale ontwerp van het geheel van minimumdoelen wordt bepaald door de expertencommissie. Het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering legt dat finale ontwerp vervolgens voor advies voor aan de Vlaamse Onderwijsraad, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de vertegenwoor-digers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs. De Vlaamse Onderwijsraad, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de onderwijsverstrekkers baseren hun advies minstens op de kwaliteitscriteria, vermeld in het eerste lid. Het advies van de Vlaamse Onderwijsraad wordt verstrekt binnen de termijn, vermeld in artikel 72 van het decreet van 2 april 2004 betreffende de participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen wordt verstrekt binnen de termijn, vermeld in artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen. Het advies van de vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs wordt verstrekt binnen een termijn van dertig kalenderdagen. In spoedeisende gevallen, die met redenen worden omkleed, kan de adviesverzoeker de termijn inkorten op voorwaarde dat die termijn ten minste tien werkdagen bedraagt.
40De minimumdoelen worden periodiek gescreend op hun actualiteitswaarde en worden zo nodig bijgestuurd. Minstens om de vijf jaar wordt over die screening gerapporteerd aan het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de procedure.42De minimumdoelen worden periodiek gescreend op hun actualiteitswaarde en worden zo nodig bijgestuurd. Minstens om de vijf jaar wordt over die screening gerapporteerd aan het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de procedure.
41Het bereiken van de minimumdoelen en de leerwinst bij kleuters wordt om de drie jaar gepeild door middel van een representatieve steekproef in het laatste jaar van het kleuteronderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de procedure.
42§4. In afwachting van na te streven en te bereiken minimumdoelen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel blijven de bestaande ontwikkelingsdoelen en eindtermen van toepassing. In afwijking van paragraaf 3 en 5 kan de regering de bestaande ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs herordenen en technisch aanpassen.43§4. In afwachting van na te streven en te bereiken minimumdoelen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel blijven de bestaande ontwikkelingsdoelen en eindtermen van toepassing. In afwijking van paragraaf 3 en 5 kan de regering de bestaande ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs herordenen en technisch aanpassen.
43Bij de ontwikkeling en de implementatie van de na te streven en te bereiken minimumdoelen wordt rekening gehouden met de coherentie en continuïteit over het kleuter- en lager onderwijs heen en de aansluiting op de eindtermen en ontwikkelingsdoelen van het secundair onderwijs, zonder de eigenheid van het basisonderwijs uit het oog te verliezen.44Bij de ontwikkeling en de implementatie van de na te streven en te bereiken minimumdoelen wordt rekening gehouden met de coherentie en continuïteit over het kleuter- en lager onderwijs heen en de aansluiting op de eindtermen en ontwikkelingsdoelen van het secundair onderwijs, zonder de eigenheid van het basisonderwijs uit het oog te verliezen.
44§5. De minimumdoelen worden bij decreet vastgesteld.45§5. De minimumdoelen worden bij decreet vastgesteld.
45§6. In afwachting van na te streven en te bereiken minimumdoelen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel, kan een klassenraad, na overleg met de ouders, beslissen om de ontwikkelingsdoelen voor het gewoon kleuteronderwijs, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen in het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997 die opgenomen zijn in bijlage 5 bij dit decreet niet na te streven bij leerlingen die doof of slechthorend zijn als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven zijn in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal.
46De klassenraad neemt de voormelde ontwikkelingsdoelen die niet nagestreefd worden op in een afsprakenkader. Het afsprakenkader wordt tot één schooljaar nadat de leerling voor het laatst ingeschreven was in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal bewaard. Het voormelde afsprakenkader kan ter verificatie worden voorgelegd aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
46§6. ...
47§7. In afwachting van na te streven en te bereiken minimumdoelen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel, kan er voor leerlingen die doof of slechthorend zijn als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven zijn in het lager onderwijs in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal een afwijking voorzien worden op sommige van de bestaande eindtermen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen in het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997. Er kan worden afgeweken van de eindtermen opgenomen in bijlage 5 bij dit decreet.47§7. Voor leerlingen die doof of slechthorend zijn als vermeld in artikel 37/8, §5, of artikel 37/45, §5, en die ingeschreven zijn in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal en voor wie bepaalde minimumdoelen niet haalbaar zijn, kan in een vrijstelling voorzien worden voor sommige minimumdoelen, vermeld in paragraaf 2 en opgenomen in bijlage 6, of voor sommige eindtermen, vermeld in de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen in het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997, als die conform paragraaf 9, tweede lid, 4°, nog toegepast worden. De minimumdoelen en eindtermen waarvoor een vrijstelling gegeven kan worden, zijn opgenomen in bijlage 5 bij dit decreet.
48Na instemming van de ouders bepaalt de klassenraad welke eindtermen, vermeld in het eerste lid, niet haalbaar zijn en waarvoor in een afwijking moet worden voorzien. De klassenraad neemt de voormelde afwijkingen van de eindtermen op in een afsprakenkader.48Na instemming van de ouders bepaalt de klassenraad welke minimumdoelen niet haalbaar zijn en waarvoor in een vrijstelling wordt voorzien.
49Het afsprakenkader, vermeld in het tweede lid, wordt tot één schooljaar nadat de leerling voor het laatst ingeschreven was in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal bewaard. Het voormelde afsprakenkader kan ter verificatie worden voorgelegd aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.49Het afsprakenkader, vermeld in het tweede lid, wordt tot één schooljaar nadat de leerling voor het laatst ingeschreven was in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal bewaard. Het voormelde afsprakenkader kan ter verificatie worden voorgelegd aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
50§8. In afwachting van na te streven en te bereiken minimumdoelen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel, krijgen de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon onderwijs type 7, vermeld in de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7, bekrachtigd bij het decreet van 25 mei 2003 met betrekking tot Communicatie en taal: Vlaamse Gebarentaal, en met betrekking tot Wereldoriëntatie: dovencultuur het statuut van eindtermen in het lager onderwijs in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal.50§8. In afwachting van de na te streven en te bereiken minimumdoelen Vlaamse Gebarentaal en dovencultuur, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°/1, en tweede lid, 2°/1, tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel, krijgen de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon onderwijs type 7, vermeld in de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7, bekrachtigd bij het decreet van 25 mei 2003 met betrekking tot Communicatie en taal: Vlaamse Gebarentaal, en met betrekking tot Wereldoriëntatie: dovencultuur het statuut van na te streven of te bereiken minimumdoelen in het kleuteronderwijs en in het lager onderwijs in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal.
51In afwijking van het eerste lid krijgen de volgende ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon onderwijs type 7 niet het statuut van eindtermen of ontwikkelingsdoelen:51In afwijking van het eerste lid krijgen de volgende ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon onderwijs type 7 niet het statuut van na te streven of te bereiken minimumdoelen:
521° met betrekking tot Communicatie en taal: Vlaamse Gebarentaal:521° met betrekking tot Communicatie en taal: Vlaamse Gebarentaal:
53a) punt 1 Lezen;53a) punt 1 Lezen;
721° kunnen scholen vanaf 1 september 2025 de minimumdoelen, vermeld in het eerste lid, aanbieden als aanvullende doelen of in de eigen ruimte, vermeld in artikel 45, §1, eerste lid;721° kunnen scholen vanaf 1 september 2025 de minimumdoelen, vermeld in het eerste lid, aanbieden als aanvullende doelen of in de eigen ruimte, vermeld in artikel 45, §1, eerste lid;
732° implementeren de scholen in het schooljaar 2026-2027 de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, en wetenschappen en techniek, vermeld in het eerste lid, 1°, alleen bij de leerlingengroepen die het getuigschrift basisonderwijs, vermeld in artikel 53, volgens het normale leerproces in het schooljaar 2029-2030 en de volgende schooljaren kunnen behalen;732° implementeren de scholen in het schooljaar 2026-2027 de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, en wetenschappen en techniek, vermeld in het eerste lid, 1°, alleen bij de leerlingengroepen die het getuigschrift basisonderwijs, vermeld in artikel 53, volgens het normale leerproces in het schooljaar 2029-2030 en de volgende schooljaren kunnen behalen;
743° implementeren de scholen in het schooljaar 2027-2028 alleen de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, en wetenschappen en techniek, vermeld in het eerste lid, 1°, bij de leerlingengroepen die het getuigschrift basisonderwijs, vermeld in artikel 53, volgens het normale leerproces in het schooljaar 2028-2029 en het schooljaar 2029-2030 kunnen behalen en wordt het getuigschrift basisonderwijs uitgereikt op basis van de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, wetenschappen en techniek;743° implementeren de scholen in het schooljaar 2027-2028 alleen de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, en wetenschappen en techniek, vermeld in het eerste lid, 1°, bij de leerlingengroepen die het getuigschrift basisonderwijs, vermeld in artikel 53, volgens het normale leerproces in het schooljaar 2028-2029 en het schooljaar 2029-2030 kunnen behalen en wordt het getuigschrift basisonderwijs uitgereikt op basis van de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, wetenschappen en techniek, en van de doelen uit het leerplan, die het bereiken van de eindtermen voor de leergebieden Frans, lichamelijke opvoeding, mens en maatschappij en muzische vorming beogen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997;
754° passen de scholen de eindtermen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997, toe bij de leerlingengroepen die het getuigschrift basisonderwijs, vermeld in artikel 53, volgens het normale leerproces in de schooljaren 2026-2027 en 2027-2028 kunnen behalen en wordt het getuigschrift basisonderwijs uitgereikt op basis van de eindtermen.754° passen de scholen de eindtermen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997, toe bij de leerlingengroepen die het getuigschrift basisonderwijs, vermeld in artikel 53, volgens het normale leerproces in de schooljaren 2026-2027 en 2027-2028 kunnen behalen en wordt het getuigschrift basisonderwijs uitgereikt op basis van de eindtermen.
+10 −7 decreet-1997-02-25/art. 44bis
1§1. Als een schoolbestuur oordeelt dat de minimumdoelen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of er onverzoenbaar mee zijn, dient het bij de regering een aanvraag tot gelijk-waardigheid in door vervangende minimumdoelen voor te stellen. Het school-bestuur dient die aanvraag in, uiterlijk op 1 september van het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de vervangende minimumdoelen zullen gelden.1§1. Als een schoolbestuur oordeelt dat de minimumdoelen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of er onverzoenbaar mee zijn, dient het bij de regering een aanvraag tot gelijk-waardigheid in door vervangende minimumdoelen voor te stellen. Het school-bestuur dient die aanvraag in, uiterlijk op 1 september van het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de vervangende minimumdoelen zullen gelden.
2In afwijking van het eerste lid kunnen aanvragen tot gelijkwaardigheid voor het schooljaar 2026-2027 ingediend worden tot en met 30 november 2025.2In afwijking van het eerste lid kunnen aanvragen tot gelijkwaardigheid voor het schooljaar 2026-2027 ingediend worden tot en met 15 januari 2026.
3Als de aanvraag wordt ingediend naar aanleiding van een wijziging van minimumdoelen, geldt een gedoogperiode van één volledig schooljaar waar-binnen de aanvrager nog met de oude eindtermen of minimumdoelen of ontwikkelingsdoelen of in voorkomend geval oude afwijkende eindtermen of minimum¬doelen of ontwikkelingsdoelen mag werken.3Als de aanvraag wordt ingediend naar aanleiding van een wijziging van minimumdoelen, geldt een gedoogperiode van één volledig schooljaar waar-binnen de aanvrager nog met de oude eindtermen of minimumdoelen of ontwikkelingsdoelen of in voorkomend geval oude afwijkende eindtermen of minimum¬doelen of ontwikkelingsdoelen mag werken.
4De aanvraag is alleen ontvankelijk als precies wordt aangegeven waarom de minimumdoelen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of waarom ze er onverzoenbaar mee zijn. Het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende minimumdoelen voor.4De aanvraag is alleen ontvankelijk als precies wordt aangegeven waarom de minimumdoelen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of waarom ze er onverzoenbaar mee zijn. Het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende minimumdoelen voor.
5§2. De regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de vervangende minimumdoelen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die minimumdoelen goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en bijgevolg toelaten gelijkwaardige studiebewijzen af te leveren. De regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.5§2. De regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de vervangende minimumdoelen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die minimumdoelen goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en bijgevolg toelaten gelijkwaardige studiebewijzen af te leveren. De regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.
6De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:6De gelijkwaardigheid wordt in haar geheel beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
71° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;71° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;
82° de vereiste inhoud, in functie van de sleutelcompetenties, zoals bepaald in artikel 44;
82° de vereiste inhoud:
9a) het onderwijsaanbod in de minimumdoelen voor het kleuteronderwijs omvat de inhouden van de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, wetenschap en techniek, lichamelijke opvoeding, muzische vorming, attitudes;
10b) het onderwijsaanbod in de minimumdoelen voor het lager onderwijs omvat de inhouden van de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, wetenschap en techniek, ICT, lichamelijke opvoeding, muzische vorming, attitudes, en Frans naargelang van het geval;
93° de formulering113° de formulering:
10a) gebeurt onder de vorm van na te streven of te bereiken minimumdoelen, naargelang van het geval;12a) gebeurt in de vorm van te bereiken of na te streven minimumdoelen, naargelang van het geval;
11b) laat toe om na te gaan in welke mate bij een leerlingenpopulatie minimumdoelen worden nagestreefd of bereikt.13b) laat toe om na te gaan in welke mate bij een leerlingenpopulatie of een leerling minimumdoelen worden bereikt of nagestreefd, naargelang van het ge-val;
144° de ordening van de minimumdoelen, vermeld in artikel 44, §1, 1°.
12Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerd advies ingewonnen van een commissie van deskundigen en van de onderwijsinspectie en wordt telkens de aanvrager gehoord. De regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling van de commissie van deskundigen en van de procedure.15Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerd advies ingewonnen van een commissie van deskundigen en van het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen en wordt telkens de aanvrager gehoord. De regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling van de commissie van deskundigen en van de procedure.
13§ 3. De vervangende na te streven of te bereiken minimumdoelen die door de regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement.16§ 3. De vervangende na te streven of te bereiken minimumdoelen die door de regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement.
+4 −0 decreet-1997-02-25/art. 44octies nieuw
1§1. Het bereiken van de minimumdoelen en de leerwinst bij kleuters wordt om de drie jaar gepeild door middel van een representatieve steekproef in het laatste jaar van het gewoon kleuteronderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure daarvoor.
2De school neemt de kleuterpeiling af als ze op basis van een representatieve steekproef wordt geselecteerd om deel te nemen.
3De kleuterpeiling is een representatieve, wetenschappelijk en gestandaardiseerde evaluatie van de te bereiken minimumdoelen in het gewoon kleuteronderwijs die binnen drie jaar vanaf 1 september 2025 en daarna om de drie jaar plaatsvindt.
4§2. De leerlingen van de school, vermeld in paragraaf 1, die zich op het einde van het gewoon kleuteronderwijs bevinden, nemen deel aan de kleuterpeiling, tenzij ze op de dag van de kleuterpeiling gewettigd afwezig zijn.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 44nonies nieuw
1Scholen die op basis van een representatieve steekproef worden geselecteerd om deel te nemen aan internationaal vergelijkend onderwijsonderzoek waarbij prestaties worden gemeten en waaraan de Vlaamse Gemeenschap deelneemt, nemen deel aan dat onderwijsonderzoek.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 45
51° voor het schooljaar 2025-2026;51° voor het schooljaar 2025-2026;
62° voor het schooljaar 2026-2027, met uitzondering van de leerplannen die betrekking hebben op de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, en wetenschap en techniek.62° voor het schooljaar 2026-2027, met uitzondering van de leerplannen die betrekking hebben op de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, en wetenschap en techniek.
7De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. 7De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. De regering bepaalt de beroepsprocedure voor een beslissing die de indiener betwist.
8§2. Alle leerplannen, met inbegrip van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing, zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en respecteren de goedgekeurde na te streven en te bereiken minimumdoelen. De leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing respecteren tevens de interlevensbeschouwelijke competenties.8§2. Alle leerplannen, met inbegrip van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing, zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en respecteren de goedgekeurde na te streven en te bereiken minimumdoelen. De leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing respecteren tevens de interlevensbeschouwelijke competenties.
9De directeur kan de levensbeschouwelijke leerlingengroepen tijdens de levensbeschouwelijke les bezoeken om administratieve redenen, om algemeen pedagogische redenen, om na te gaan of de grondwettelijke rechten en vrijheden gevrijwaard worden of voor een bespreking met de leerlingen. De directeur - of een ander personeelslid dat aangesteld is als evaluator - kan de les ook bijwonen, gelet op zijn bevoegdheid als evaluator voor niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten.9De directeur kan de levensbeschouwelijke leerlingengroepen tijdens de levensbeschouwelijke les bezoeken om administratieve redenen, om algemeen pedagogische redenen, om na te gaan of de grondwettelijke rechten en vrijheden gevrijwaard worden of voor een bespreking met de leerlingen. De directeur - of een ander personeelslid dat aangesteld is als evaluator - kan de les ook bijwonen, gelet op zijn bevoegdheid als evaluator voor niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten.
+2 −0 decreet-1997-02-25/art. 51
93° bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;93° bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;
104° bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen.104° bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen.
11In het kader van de toepassing van het eerste lid, 3°, zijn sponsoring en bedoelde mededelingen die betrekking hebben op betalende bijlessen, niet verenigbaar met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school.
12In deze paragraaf wordt verstaan onder bijlessen: lessen die niet door de school georganiseerd worden en die de realisatie van onderwijsinhouden van de leerling beogen. Therapeutische tussenkomsten worden niet beschouwd als bijlessen.
+2 −0 decreet-1997-02-25/art. 125novies
117° maakt algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen en evaluaties;117° maakt algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen en evaluaties;
128° maakt algemene afspraken over de interne afstemming van het personeelsbeleid binnen de scholengemeenschap en over de aanvangsbegeleiding van personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur;128° maakt algemene afspraken over de interne afstemming van het personeelsbeleid binnen de scholengemeenschap en over de aanvangsbegeleiding van personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur;
139° maakt afspraken over de aanwendingen van de aanvullende lestijden voor de organisatie van taalheldklassen;
1410° maakt afspraken over de verdeling over haar scholen van de eenheden inductie, vermeld in artikel 153tricies, en over de organisatie van de inductie. Over de criteria voor die verdeling wordt onderhandeld in het bevoegde lokale onderhandelingscomité van de scholengemeenschap.
13§ 2. Het schoolbestuur/de schoolbesturen kan/kunnen de beslissingsbevoegdheid inzake de in § 1 bedoelde aan-gelegenheden overdragen naar het niveau van de scholengemeenschap.15§ 2. Het schoolbestuur/de schoolbesturen kan/kunnen de beslissingsbevoegdheid inzake de in § 1 bedoelde aan-gelegenheden overdragen naar het niveau van de scholengemeenschap.
+2 −1 decreet-1997-02-25/art. 125decies
54° ...54° ...
65° het gebruik van de infrastructuur;65° het gebruik van de infrastructuur;
76° de overdracht naar een andere scholengemeenschap van punten ter ondersteuning van de werking, die verkregen zijn op basis van artikel 125duodecies, §1, of van punten voor het voeren van een zorgbeleid, die verkregen zijn op basis van artikel 125duodecies1, §1, op voorwaarde dat een school op basis van artikel 125quinquies, §4, de scholengemeenschap verlaat en toetreedt tot de scholengemeenschap waarnaar de punten worden overgedragen. Een overdracht naar een andere scholengemeenschap van punten ter ondersteuning van de werking kan evenwel niet in het schooljaar 2025-2026. De overdacht van de punten mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk gereaffecteerd of wedertewerkgesteld kunnen worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap voor de duur van het volledige schooljaar.76° de overdracht naar een andere scholengemeenschap van punten ter ondersteuning van de werking, die verkregen zijn op basis van artikel 125duodecies, §1, of van punten voor het voeren van een zorgbeleid, die verkregen zijn op basis van artikel 125duodecies1, §1, op voorwaarde dat een school op basis van artikel 125quinquies, §4, de scholengemeenschap verlaat en toetreedt tot de scholengemeenschap waarnaar de punten worden overgedragen. Een overdracht naar een andere scholengemeenschap van punten ter ondersteuning van de werking kan evenwel niet in het schooljaar 2025-2026. De overdacht van de punten mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk gereaffecteerd of wedertewerkgesteld kunnen worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap voor de duur van het volledige schooljaar;
87° de overdracht naar een andere scholengemeenschap van eenheden in-ductie als vermeld in artikel 153tricies.
+3 −0 decreet-1997-02-25/art. 153undetricies nieuw
1Voor de toepassing van deze afdeling worden personeelsleden beschouwd als startende personeelsleden als ze aan de volgende voorwaarden voldoen:
21° ze zijn aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel;
32° ze hadden tijdens het voorgaande schooljaar geen aanstelling in dat ambt.
+14 −0 decreet-1997-02-25/art. 153tricies nieuw
1§1. Vanaf het schooljaar 20TT – 20TT+1, startende in 2026 - 2027, worden jaarlijks eenheden inductie toegekend aan iedere scholengemeenschap en aan iedere school die geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap voor de personeelsleden en de doelstelling, vermeld in artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. Het aantal eenheden inductie van een scholengemeenschap is de som van de eenheden inductie die, in overeenstemming met paragraaf 3, eerste en tweede lid, aan iedere school van de scholengemeenschap worden toegekend.
2In het schooljaar 2026-2027 kunnen de eenheden inductie ook voor een andere doelstelling aangewend worden dan deze, vermeld in artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. Ook dan kunnen deze eenheden inductie alleen aangewend worden in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel.
3§2. Voor de maatregel, vermeld in paragraaf 1 en in artikel 34/3, §1 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, wordt voor het basis- en secundair onderwijs samen jaarlijks in een bedrag van 48,7 miljoen euro voorzien.
4Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt over het gewoon basisonderwijs, het buitengewoon basisonderwijs, het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs verdeeld op basis van het aandeel van elk van deze niveaus in het totale aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettair voltijdse equivalenten in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT.
5Het totale aantal eenheden inductie voor het gewoon basisonderwijs is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het bedrag dat met toepassing van het tweede lid voor het gewoon basisonderwijs is verkregen, met 7,53.
6Het totale aantal eenheden inductie voor het buitengewoon basisonderwijs is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het bedrag dat met toepassing van het tweede lid voor het buitengewoon basisonderwijs is verkregen, met 7,51.
7§3. De inductiecoëfficiënt voor het gewoon basisonderwijs wordt verkregen door het totale aantal eenheden inductie, met toepassing van paragraaf 2, derde lid, te delen door het aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijdse equivalenten in het gewoon basisonderwijs in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT. Het aantal eenheden inductie dat voor iedere school voor gewoon basisonderwijs wordt berekend, is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten, in de school in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT- 1 en 20TT- 1 – 20TT, met de inductiecoëfficiënt voor het gewoon basisonderwijs.
8De inductiecoëfficiënt voor het buitengewoon basisonderwijs wordt verkregen door het totale aantal eenheden inductie, met toepassing van paragraaf 2, vierde lid, te delen door het totale aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten, in het buitengewoon basisonderwijs in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT. Het aantal eenheden inductie dat voor iedere school voor buitengewoon basisonderwijs wordt berekend, is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten in de school in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT, met de inductiecoëfficiënt voor het buitengewoon basisonderwijs.
9Het verkregen aantal eenheden inductie, conform het eerste en het tweede lid, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere gehele getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere gehele getal.
10§4. Voor de aanwending van de eenheden inductie wordt de volgende formule toegepast: X x aantal aanstellingsdagen / 7 = Y, waarbij
111° X = de opdracht op weekbasis van het personeelslid dat met eenheden inductie wordt aangesteld, uitgedrukt in 10.000sten, waarbij 10.000 de voltijdse weekop-dracht uitdrukt;
122° aantal aanstellingsdagen = het aantal dagen waarop het personeelslid met eenheden inductie wordt aangesteld, met inbegrip van een wettelijke feestdag, een weekeinde, de herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie voor zover die periode in het aantal inductiedagen begrepen is;
133° Y = het aantal eenheden inductie, afgerond naar de hogere eenheid, als het resultaat van de deling na de komma 5 of meer bedraagt.
14§5. Het deel van de betrekking dat met deze omkadering wordt opgericht, kan niet vacant worden verklaard. Er kan in geen geval een personeelslid in vast benoemd, geaffecteerd of gemuteerd worden en er kan ook niet in vervangen worden.
+2 −2 decreet-1997-02-25/art. 154
1§ 1. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget bedoeld in artikel 76 onder meer administratief, meester-, vak- en dienstpersoneel, opvoedend hulppersoneel en per-soneel voor specifieke opdrachten aanwerven.1§ 1. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget bedoeld in artikel 76 en 87septies onder meer administratief, meester-, vak- en dienstpersoneel, opvoedend hulppersoneel en per-soneel voor specifieke opdrachten aanwerven.
2Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.2Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
3§ 2. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 76 of artikel 87quinquies, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken of ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.3§ 2. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 76, artikel 87quinquies, of 87septies, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken of ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
4De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.4De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
5Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.5Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 177
1§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 174 kunnen volgende overtredingen na aanmaning aanleiding geven tot sancties door de Vlaamse regering:1§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 174 kunnen volgende overtredingen na aanmaning aanleiding geven tot sancties door de Vlaamse regering:
21° het niet naleven van de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 12, 12/1, 13/1, 14/0, 14/1, 15 en 16;21° het niet naleven van de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 12, 12/1, 13/0, 14/1, 15 en 16;
32° ...32° ...
43° het niet naleven van de bepalingen inzake de keuze en de vrijstelling van keuze tussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer zoals bedoeld in artikel 29;43° het niet naleven van de bepalingen inzake de keuze en de vrijstelling van keuze tussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer zoals bedoeld in artikel 29;
+24 −16 decreet-1997-02-25/art. Bijlage 5
1Vervanging van bijlage 5 bij het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997
1Bijlage 5. Lijst met ontwikkelingsdoelen van het gewoon kleuteronderwijs en eindtermen van het gewoon lager onderwijs waarvan kan worden afweken worden voor dove en slechthorende kinderen binnen de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal, als vermeld in artikel 44, §6 en §7, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 19972Bijlage 5. Lijst met minimumdoelen waarvan kan worden afgeweken voor dove en slechthorende kinderen binnen de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal, als vermeld in artikel 44, §7 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997
2Artikel 1. Van de volgende ontwikkelingsdoelen voor het gewoon kleuteronderwijs, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen in het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997 kan volgens de procedure en voor de leerlingen, vermeld in artikel 44, §6, beslist worden dat ze niet na te streven zijn:
31° van de ontwikkelingsdoelen lichamelijke opvoeding bij motorische competenties alleen ontwikkelingsdoel 1.6, wat betreft het snel reageren op auditieve signalen;
3Vrijstellingen van de minimumdoelen
4Van de volgende minimumdoelen, vermeld in bijlage 6, kan een vrijstelling worden verleend:
51° van de minimumdoelen Nederlands:
6a) van de minimumdoelen kleuters: van 1.1.1 tot en met 1.1.4, 1.1.7, 1.1.9, van 1.3.1 tot en met 1.3.4, van 1.3.6 tot en met 1.3.9, 1.4.4, 1.4.5, 1.5.2, 1.5.4. en 1.5.5;
7b) Van de minimumdoelen 4de jaar: 1.1.2, 1.1.3, 1.1.9, 1.1.10, van 1.3.1 tot en met 1.3.5, van 1.3.7 tot en met 1.3.14, 1.4.6., 1.4.8 1.5.6 en 1.5.8;
8c) Van de minimumdoelen 6de jaar: 1.1.2, 1.2.4, van 1.3.1 tot en met 1.3.4, 1.3.6, 1.3.10,1.5.2;
92° van de minimumdoelen Wiskunde-getallenkennis (2.1): voor de kleuters: minimumdoel 2.1.1;
103° van de minimumdoelen Wetenschappen en techniek:
11a) van de minimumdoelen kleuters: 3.1.2, 3.4.1 en 3.5.3;
12b) van de minimumdoelen 4de jaar: 3.5.5;
13c) van de minimumdoelen 6de jaar: 3.5.5;
42° van de ontwikkelingsdoelen muzische vorming:144° van de minimumdoelen muzische vorming:
5a) de ontwikkelingsdoelen van 2 Muziek;
6b) van de ontwikkelingsdoelen van 4 Beweging alleen de volgende ontwikkelingsdoelen:
71) ontwikkelingsdoel 4.1 spontaan meebewegen op muziek;
82) ontwikkelingsdoel 4.4 waargenomen klanken omzetten in beweging;
9c) van de ontwikkelingsdoelen media alleen het ontwikkelingsdoel 5.3 met betrekking tot het vaststellen, veranderen, schikken, herschikken van de volgorde van een reeks klanken en geluiden en er een nieuw verhaal rond vertellen;
103° van de ontwikkelingsdoelen Nederlands:
11a) de ontwikkelingsdoelen van 1 Luisteren;
12b) de ontwikkelingsdoelen van 2 Spreken;
13c) van de ontwikkelingsdoelen van 5 Taalbeschouwing alleen ontwikkelingsdoel 5.5 wat betreft het discrimineren van klanken en woorden en de ritmische aspecten van taal en rijmen;
144° van de ontwikkelingsdoelen wetenschap en techniek alleen ontwikkelingsdoel 1.1 wat betreft het kunnen onderscheiden van verschillen in geluid.
15a) van de minimumdoelen kleuters: 6.1.1, 6.1.2 wat betreft muziek, van 6.2.1 tot en met 6.2.4, 6.4.3 en 6.6.3;
16b) van de minimumdoelen 4de jaar: van 6.1.2 tot en met 6.1.4, wat betreft muziek, van 6.2.1 tot en met 6.2.5., 6.6.1, 6.6.2 en 6.6.5;
17c) van de minimumdoelen 6de jaar: van 6.1.2 tot en met 6.1.4, wat betreft muziek, van 6.2.1 tot en met 6.2.6, 6.2.8 en 6.6.5;
185° van de minimumdoelen lichamelijke opvoeding:
19a) van de minimumdoelen kleuters: 7.1.8 wat betreft het auditief gedeelte;
20b) van de minimumdoelen 4de jaar: 7.1.9, wat betreft de auditieve instructies;
216° van de minimumdoelen 4de jaar persoonsvormende en socialiserende vaardigheden: 9.1.1., wat betreft de auditieve signalen;
227° van de minimumdoelen 6de jaar Frans: van 10.1.1 tot en met 10.1.6., van 10.3.1 tot en met 10.3.10, van 10.4.1. tot en met 10.4.6; 10.5.6, 10.6.2, 10.6.3, 10.7.6, 10.7.7, 10.9.1 en 10.9.2.
23Vrijstelling voor de leerlingen die nog het curriculum volgens de oude eindtermen volgen:
15Art. 2. Van de volgende eindtermen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen in het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997 kan volgens de procedure en voor de leerlingen, vermeld in artikel 44, 24Van de volgende eindtermen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen in het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997 kan volgens de procedure en voor de leerlingen, vermeld in artikel 44, §7, een vrijstelling worden verleend:
16§7, een afwijking voorzien worden:
171° van de eindtermen Nederlands:251° van de eindtermen Nederlands:
18a) alle eindtermen van 1 Luisteren;26a) alle eindtermen van 1 Luisteren;
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. Bijlage 6
1Minimumdoelen voor het derde jaar kleuteronderwijs, het vierde jaar lager onderwijs en het zesde jaar lager onderwijs1Minimumdoelen voor het derde jaar kleuteronderwijs, het vierde jaar lager onderwijs en het zesde jaar lager onderwijs
2(→ link naar de bijlage nog in te voegen)
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 8
7§2. Om de kwaliteit van het deeltijds kunstonderwijs te waarborgen, ontwikkelt het schoolbestuur in omvang beperkte leerplannen die voldoende ruimte laten voor de inbreng van academies, leraren, lerarenteams of leerlingen.7§2. Om de kwaliteit van het deeltijds kunstonderwijs te waarborgen, ontwikkelt het schoolbestuur in omvang beperkte leerplannen die voldoende ruimte laten voor de inbreng van academies, leraren, lerarenteams of leerlingen.
8Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de basiscompetenties, de beroepskwalificaties en de specifieke eindtermen volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de vastgestelde minimumdoelen.8Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de basiscompetenties, de beroepskwalificaties en de specifieke eindtermen volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de vastgestelde minimumdoelen.
9De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een academie te kaderen. 9De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een academie te kaderen. De Vlaamse Regering bepaalt de beroepsprocedure voor een beslissing die de indiener betwist.
+6 −0 decreet-2018-03-09/art. 9
1Het schoolbestuur bepaalt vrij de organisatie van zijn deeltijds kunstonderwijs en zijn artistiek-pedagogische visie. Het legt die organisatie en visie vast in het artistiek-pedagogische project.1Het schoolbestuur bepaalt vrij de organisatie van zijn deeltijds kunstonderwijs en zijn artistiek-pedagogische visie. Het legt die organisatie en visie vast in het artistiek-pedagogische project.
2De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen bepaalt in een schoolwerkplan de volgende organisatorische aspecten van de opleiding:
31° de doelstellingen en de inhoud van de opleiding, het opleidingsprogramma en de studieomvang;
42° de organisatie van het schooljaar;
53° de mogelijkheid om de opleiding te volgen in intensieve lessenpakketten als vermeld in artikel 18, §4;
64° de gehanteerde onderwijs-, werk- en evaluatievormen;
75° de toelatingsvoorwaarden, die betrekking hebben op artistieke vooropleiding of competenties.
+5 −4 decreet-2018-03-09/art. 18
7De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden.7De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden.
8In afwijking van het eerste lid kan de studierichting beiaardier, vermeld in punt 1°, enkel georganiseerd worden in de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen.8In afwijking van het eerste lid kan de studierichting beiaardier, vermeld in punt 1°, enkel georganiseerd worden in de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen.
9De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen kan alleen een langlopende studierichting beiaardier en een kortlopende studierichting specialisatie: optie beiaardier als vermeld in artikel 19, §2, tweede lid, van dit decreet en artikel 3, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2018 betreffende het opleidingsaanbod, de structuur, organisatie en financiering van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen organiseren.
9§ 2. De onderwijsdoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.10§ 2. De onderwijsdoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.
10De onderwijsdoelen van de vierde graad zijn verschillend voor ieder van die studierichtingen.11De onderwijsdoelen van de vierde graad zijn verschillend voor ieder van die studierichtingen.
11§ 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.12§ 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.
12Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor jongeren ten minste twaalf wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren.13Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor jongeren ten minste twaalf wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren.
13Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor volwassenen ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren. 14Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor volwassenen ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren. De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor volwassenen in de studierichting beiaardier bedraagt ten minste veertien lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren.
14Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie of vier leerjaren. 15Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie of vier leerjaren. De som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad in de studierichting beiaardier bedraagt ten minste twaalf lestijden, gespreid over een traject van drie of vier leerjaren.
15Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad ten minste zes wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren. 16Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad ten minste zes wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren. De som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad in de studierichting beiaardier bedraagt ten minste vijftien lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.
16De Vlaamse Regering bepaalt de studieomvang en de trajecten van de tweede, derde en vierde graad van de studierichting beiaardier.
17§4. In afwijking van paragraaf 3 kan de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen de studierichtingen organiseren in intensievere lessenpakketten op een kortere termijn dan een leerjaar in het lineaire traject. In dat geval is de totale studieomvang dezelfde als die van een leerjaar in het lineaire traject.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 19
43° specialisatie muziek.43° specialisatie muziek.
5§ 2. De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichtingen muziekgeschiedenis en muziekcultuur bedraagt elk zes wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.5§ 2. De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichtingen muziekgeschiedenis en muziekcultuur bedraagt elk zes wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.
6De som van de studieomvang van de leerjaren van de specialisatie muziekbedraagt vier wekelijkse lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.6De som van de studieomvang van de leerjaren van de specialisatie muziek, inclusief de specialisatie: optie beiaardier, bedraagt vier wekelijkse lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.
+2 −2 decreet-2018-03-09/art. 26
1De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen wordt als academie deeltijds kunstonderwijs erkend en gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering kan specifieke normen, structuren, vakken en bekwaamheidsbewijzen voor die academie vastleggen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop die instelling gesubsidieerd wordt, de wijze waarop die academie rapporteert aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en welk statuut op het personeel van toepassing is.1De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen wordt als academie deeltijds kunstonderwijs erkend en gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering kan specifieke vakken en bekwaamheidsbewijzen voor die academie vastleggen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop die academie rapporteert aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en welk statuut op het personeel van toepassing is.
2Het besluit van de Vlaamse Regering over de aangelegenheden in het eerste lid wordt decretaal bekrachtigd.
2De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2018 betreffende het opleidingsaanbod, de structuur, organisatie en financiering van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen, zoals bekrachtigd bij het decreet van 15 juni 2018, en gewijzigd door het programmadecreet van 20 december 2019, en de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juli 2023 en 21 juni 2024, zoals gedeeltelijk bekrachtigd bij het decreet van [datum onderwijsdecreet XXXVI], te wijzigen, aan te vullen of op te heffen, teneinde dit besluit in overeenstemming te brengen met dit decreet.
+0 −4 decreet-2018-03-09/art. 33
1§ 1. Om toegelaten te worden tot een studierichting in de vierde graad van de domeinen dans, woordkunst-drama of muziek moet de leerling de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben.1§ 1. Om toegelaten te worden tot een studierichting in de vierde graad van de domeinen dans, woordkunst-drama of muziek moet de leerling de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben.
2In afwijking van het eerste lid kan de directeur op advies van de betrokken leerkrachten een leerling die de instrumenttechnische competenties van de derde graad muziek niet volledig verworven heeft toch toelaten tot de vierde graad muziek onder de volgende voorwaarden:
31° de leerling heeft alle overige competenties verworven;
42° de leerling volgt een instrumentvak in de derde graad;
53° de leerling is vrijgesteld voor het instrumentvak in de vierde graad.
6§ 2. Om toegelaten te worden tot een studierichting van de vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden :2§ 2. Om toegelaten te worden tot een studierichting van de vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden :
71° de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben;31° de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben;
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 67
2§ 2. Ongeacht het aantal opleidingen dat hij volgt, is een leerling per domein maar een keer financierbaar.2§ 2. Ongeacht het aantal opleidingen dat hij volgt, is een leerling per domein maar een keer financierbaar.
3Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd.3Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd.
4Een leerling die meer dan een derde van de leeractiviteiten georganiseerd tussen 1 oktober en de teldag voor de omkaderingberekening ongewettigd afwezig is, is niet financierbaar.4Een leerling die meer dan een derde van de leeractiviteiten van een vak georganiseerd tussen 1 oktober en de teldag voor de omkaderingberekening ongewettigd afwezig is, is niet financierbaar.
5In afwijking van het eerste lid is een leerling die tegelijkertijd een opleiding volgt in de vierde graad en in een kortlopende studierichting specialisatie financierbaar voor beide opleidingen.5In afwijking van het eerste lid is een leerling die tegelijkertijd een opleiding volgt in de vierde graad en in een kortlopende studierichting specialisatie financierbaar voor beide opleidingen.
6Een leerling die voor 1 november van het betrokken schooljaar geen inschrijvingsgeld heeft betaald, is niet regelmatig en niet financierbaar.6Een leerling die voor 1 november van het betrokken schooljaar geen inschrijvingsgeld heeft betaald, is niet regelmatig en niet financierbaar.
+2 −1 decreet-2018-03-09/art. 69
14In het geval van de oprichting van een academie geldt die teldag voor de hele academie vanaf het schooljaar van oprichting tot en met de elf daaropvolgende schooljaren.14In het geval van de oprichting van een academie geldt die teldag voor de hele academie vanaf het schooljaar van oprichting tot en met de elf daaropvolgende schooljaren.
15In het geval van de oprichting van een domein waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 geldt die teldag enkel voor het domein in kwestie tot en met het schooljaar waarin alle leerjaren van de verschillende graden van het domein zijn uitgebouwd conform artikel 157.15In het geval van de oprichting van een domein waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 geldt die teldag enkel voor het domein in kwestie tot en met het schooljaar waarin alle leerjaren van de verschillende graden van het domein zijn uitgebouwd conform artikel 157.
16§4/1. In afwijking van paragraaf 1, 2, 3 en 4 ontvangt de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen op basis van het aantal financierbare leerlingen jaarlijks een pakket lestijden, dat per ingeschreven leerling twee lestijden b-draagt. De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen kan dat urenpakket vrij aanwenden.
16§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de salarisschalen waarin een academie met de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2en 4, betrekkingen kan organiseren en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2en 4, naar die betrekkingen worden omgerekend.17§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de salarisschalen waarin een academie met de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2, 4 en 4/1, betrekkingen kan organiseren en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2, 4 en 4/1, naar die betrekkingen worden omgerekend.
+6 −0 decreet-2018-03-09/art. 84/1 nieuw
1De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen ontvangt voor het schooljaar X/X+1 een werkingsbudget van 25.606 euro.
2Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden de bedragen van het voorgaande schooljaar jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt met de volgende formule: A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
31° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
42° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2;
53° de A-coëfficiënt voor 100% in rekening wordt gebracht.
6Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag, vermeld in het eerste lid, verminderd met 2000 euro.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 85
1Een schoolbestuur dat werken, leveringen of diensten aanneemt die geheel of gedeeltelijk betaald worden met de middelen, vermeld in artikel 83 en 84, sluit een overeenkomst volgens de toepasselijke procedure en onder de toepasselijke voorwaarden die voor het Rijk gelden.1Een schoolbestuur dat werken, leveringen of diensten aanneemt die geheel of gedeeltelijk betaald worden met de middelen, vermeld in artikel 83, 84en 84/1, sluit een overeenkomst volgens de toepasselijke procedure en onder de toepasselijke voorwaarden die voor het Rijk gelden.
+1 −0 decreet-2018-03-09/art. 114
101° er is op het grondgebied van de gemeente nog geen hoofdvestigingsplaats van een academie gevestigd;101° er is op het grondgebied van de gemeente nog geen hoofdvestigingsplaats van een academie gevestigd;
112° gedurende drie opeenvolgende schooljaren draagt het schoolbestuur de financiering van het directeursambt, vermeld in artikel 77, en in voorkomend geval van de lestijden voor beleidsondersteuning, vermeld in artikel 76, op basis van artikel 82. In het gemeenschapsonderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, tweede lid. In het gesubsidieerd onderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, derde lid.112° gedurende drie opeenvolgende schooljaren draagt het schoolbestuur de financiering van het directeursambt, vermeld in artikel 77, en in voorkomend geval van de lestijden voor beleidsondersteuning, vermeld in artikel 76, op basis van artikel 82. In het gemeenschapsonderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, tweede lid. In het gesubsidieerd onderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, derde lid.
12Als de nieuwe academie bij de oprichting een of meer bestaande structuuronderdelen in vestigingsplaatsen op het grondgebied van de gemeente overneemt, gebeurt de overname conform de voorwaarde en modaliteiten voor overheveling, vermeld in artikel 131, met dien verstande dat de overname uitwerking heeft op 1 september van het oprichtingsjaar en dat het schoolbestuur van de nieuwe academie voor de voorafgaande procedure als schoolbestuur wordt beschouwd.
12§ 3. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal schooljaren dat de nieuwe academie al in oprichting is.13§ 3. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal schooljaren dat de nieuwe academie al in oprichting is.
13Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, wordt de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd.14Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, wordt de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd.
+1 −0 decreet-2018-03-09/art. 120/1 nieuw
1Op de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen zijn geen programmatienormen van toepassing.
+2 −0 decreet-2018-03-09/art. 126
11In afwijking van het eerste lid bedraagt de rationalisatienorm van het domein beeldende en audiovisuele kunsten 42 leerlingen, als het schoolbestuur alleen de structuuronderdelen van de eerste graad, de tweede graad en de derde graad voor jongeren organiseert.11In afwijking van het eerste lid bedraagt de rationalisatienorm van het domein beeldende en audiovisuele kunsten 42 leerlingen, als het schoolbestuur alleen de structuuronderdelen van de eerste graad, de tweede graad en de derde graad voor jongeren organiseert.
12§3. De rationalisatienormen, vermeld in paragraaf 1 en 2, zijn niet van toepassing op academies voor deeltijds kunstonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats gevestigd is in de gemeente Voeren.12§3. De rationalisatienormen, vermeld in paragraaf 1 en 2, zijn niet van toepassing op academies voor deeltijds kunstonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats gevestigd is in de gemeente Voeren.
13§4. Als de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen het aantal van vijf leerlingen niet bereikt, gaat ze over tot de geleidelijke sluiting van iedere graad, leerjaar per leerjaar, te beginnen met het laagste, tenzij ze op de vorige teldag voldeed aan de voorwaarden, vermeld in artikel 125. In dat aantal zijn ook de studenten inbegrepen die de intensievere lessenpakketten, vermeld in artikel 18, §4, volgen. In dat geval worden de werkingsmiddelen en het aantal lestijden proportioneel aangepast.
14Behalve de norm, vermeld in het eerste lid, zijn geen rationalisatienormen van toepassing op de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen.
+2 −2 decreet-2018-03-09/art. 136
1Vanaf het schooljaar 2019-2020 kunnen lokale samenwerkingsinitiatieven georganiseerd worden tussen academies en scholen voor basisonderwijs, secundair of hoger onderwijs. Die samenwerkingsinitiatieven realiseren de volgende doelstellingen :1Vanaf het schooljaar 2019-2020 kunnen lokale samenwerkingsinitiatieven georganiseerd worden tussen academies en scholen voor basisonderwijs, secundair of hoger onderwijs. Die samenwerkingsinitiatieven realiseren de volgende doelstellingen :
21° het cultureel bewustzijn en de culturele expressie van de betrokken leerlingen basisonderwijs of secundair onderwijs versterken;21° bijdragen tot de realisatie van de minimumdoelen muzische vorming van het basisonderwijs of de sleutelcompetentie cultureel bewustzijn en culturele expressie van het secundair onderwijs in relatie tot andere minimumdoelen of sleutelcompetenties;
32° het cultureel bewustzijn en de culturele expressie van de studenten hoger onderwijs versterken met het oog op hun latere professionele activiteiten;32° bijdragen tot de vakbekwaamheid van studenten hoger onderwijs in de realisatie van de minimumdoelen muzische vorming van het basisonderwijs of de sleutelcompetentie cultureel bewustzijn en culturele expressie van het secundair onderwijs met het oog op hun latere professionele onderwijspraktijk;
43° een duurzaam delend netwerk tussen leerkrachten basisonderwijs, secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs voor het organiseren van culturele leeractiviteiten tot stand brengen;43° een duurzaam delend netwerk tussen leerkrachten basisonderwijs, secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs voor het organiseren van culturele leeractiviteiten tot stand brengen;
54° het toeleiden van leerlingen basisonderwijs of secundair onderwijs die blijk geven van artistieke interesse en aanleg naar het deeltijds kunstonderwijs bevorderen, in het bijzonder leerlingen uit scholen met een meerderheid van leerlingen die beantwoorden aan de leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de gelijkekansenindicatoren, vermeld in artikel 225, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs.54° het toeleiden van leerlingen basisonderwijs of secundair onderwijs die blijk geven van artistieke interesse en aanleg naar het deeltijds kunstonderwijs bevorderen, in het bijzonder leerlingen uit scholen met een meerderheid van leerlingen die beantwoorden aan de leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de gelijkekansenindicatoren, vermeld in artikel 225, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 145
1De Vlaamse Regering bepaalt de uiterste indieningsdatum voor de ondersteuningsaanvragen van lokale samenwerkingsinitiatieven.1De Vlaamse Regering bepaalt de uiterste indieningsdatum voor de ondersteuningsaanvragen van lokale samenwerkingsinitiatieven.
2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere aanvraag- en gunningsprocedure en houdt daarbij rekening met de doelstellingen en de organisatievoorwaarden, vermeld in artikel 136 tot en met 138.2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere aanvraag- en gunningsprocedure en houdt daarbij rekening met de doelstellingen en de organisatievoorwaarden, vermeld in artikel 136 tot en met 138.
3De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop de lokale samenwerkingsinitiatieven rapporteren over de manier waarop de ondersteuning ingezet wordt. De Vlaamse Regering beperkt zich daarbij tot het opvragen van een jaarlijks beknopt verslag en een steekproefsgewijze financiële controle op het einde van de samenwerking.3De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop de lokale samenwerkingsinitiatieven rapporteren over de manier waarop de ondersteuning ingezet wordt. De Vlaamse Regering kan daarvoor op het einde van de samenwerking maximaal een eindverslag opvragen en kan een methode bepalen die toelaat om een globaal zicht te krijgen op de besteding van de werkingsmiddelen.
+2 −1 decreet-2018-03-09/art. 146
1De lokale samenwerkingsinitiatieven laten de controle door de onderwijsinspectie toe, zoals bepaald in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.
1De academie en de scholen, de instellingen voor hoger onderwijs en, in voorkomend geval, externe partners zijn samen verantwoordelijk voor de kwaliteit van het lokale samenwerkingsinitiatief.
2De onderwijsinspectie kan de kwaliteit van de lokale samenwerkingsinitiatieven in de betrokken basis- en secundaire scholen en academies beoordelen.
+2 −0 decreet-2018-03-09/art. 150
43° de sponsoring en de voormelde mededelingen niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de academie;43° de sponsoring en de voormelde mededelingen niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de academie;
54° de sponsoring en de voormelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de academie niet in het gedrang brengen.54° de sponsoring en de voormelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de academie niet in het gedrang brengen.
6In het kader van de toepassing van het eerste lid, 3°, zijn sponsoring en bedoelde mededelingen die betrekking hebben op betalende bijlessen niet verenigbaar met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de academie.
7In dit artikel wordt verstaan onder bijlessen: lessen die niet door de school geor-ganiseerd worden en die de realisatie van onderwijsinhouden van het structuuronder-deel van de leerling beogen. Therapeutische tussenkomsten worden niet beschouwd als bijlessen.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 3
1Voor de toepassing van de bepalingen opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs worden de volgende begrippen gebruikt :1Voor de toepassing van de bepalingen opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs worden de volgende begrippen gebruikt :
21° administratieve groep : entiteit binnen de onderwijsstructuur geïdentificeerd door een uniek administratief groepsnummer;21° administratieve groep : entiteit binnen de onderwijsstructuur geïdentificeerd door een uniek administratief groepsnummer;
31°/1 afstand : de kortst mogelijke afstand tussen de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de ene school tot de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de andere school gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen;31°/1 afstand : de kortst mogelijke afstand tussen de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de ene school tot de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de andere school gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2, I, 1, van het koninklijk besluit van 3 juni 2024 betreffende de Code van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen;
41°/2 afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon41°/2 afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon
5niet zelfstandig kan verlaten;5niet zelfstandig kan verlaten;
+2 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 10
43° sponsoring en bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;43° sponsoring en bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;
54° sponsoring en bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen.54° sponsoring en bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen.
6In het kader van de toepassing van het eerste lid, 3°, zijn sponsoring en bedoelde mededelingen die betrekking hebben op betalende bijlessen, niet verenigbaar met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school.
7In dit artikel wordt verstaan onder bijlessen: lessen die niet door de school georganiseerd worden en die de realisatie van onderwijsinhouden van het structuuronder-deel van de leerling beogen. Therapeutische tussenkomsten worden niet beschouwd als bijlessen.
+3 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 34/2 nieuw
1Voor de toepassing van deze onderafdeling worden personeelsleden beschouwd als startende personeelsleden als ze aan de volgende voorwaarden voldoen:
21° ze zijn aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel;
32° ze hadden tijdens het voorgaande schooljaar geen aanstelling in dat ambt.
+14 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 34/3 nieuw
1§1. Vanaf het schooljaar 20TT – 20TT+1, startende in 2026 - 2027, worden jaarlijks eenheden inductie toegekend aan iedere scholengemeenschap en aan iedere school die geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap, voor de personeelsleden en de doelstelling, vermeld in artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. Het aantal eenheden inductie van een scholengemeenschap is de som van de eenheden inductie die, in overeenstemming met paragraaf 3, eerste en tweede lid, aan iedere school van de scholengemeenschap worden toegekend.
2In het schooljaar 2026-2027 kunnen de eenheden inductie ook voor een andere doelstelling aangewend worden dan deze, vermeld in artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 20bis, §3, eerste lid van het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. Ook dan kunnen deze eenheden inductie alleen aangewend worden in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel.
3§2. Voor de maatregel, vermeld in paragraaf 1 en in artikel 153tricies, §1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, wordt voor het basis- en secundair onderwijs samen jaarlijks in een bedrag van 48,7 miljoen euro voorzien.
4Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt over het gewoon basisonderwijs, het buitengewoon basisonderwijs, het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs verdeeld op basis van het aandeel van elk van die ni-veaus in het totale aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT.
5Het totale aantal eenheden inductie voor het gewoon voltijds secundair onderwijs is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het bedrag dat met toepassing van het tweede lid voor het voltijds gewoon secundair onderwijs is verkregen, met 6,62.
6Het totale aantal eenheden inductie voor het buitengewoon secundair onderwijs is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het bedrag dat met toepassing van het tweede lid voor het buitengewoon secundair onderwijs is verkregen, met 7,18.
7§3. De inductiecoëfficiënt voor het gewoon voltijds secundair onderwijs wordt verkregen door het totale aantal eenheden inductie, met toepassing van paragraaf 2, derde lid, te delen door het aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten in het gewoon voltijds secundair onderwijs in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT. Het aantal eenheden inductie dat voor iedere school voor gewoon voltijds secundair onderwijs wordt berekend, is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal startende personeelsleden, uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten, in de school in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT, met de inductiecoëfficiënt voor het gewoon voltijds secundair onderwijs.
8De inductiecoëfficiënt voor het buitengewoon secundair onderwijs wordt verkregen door het totale aantal eenheden inductie, met toepassing van paragraaf 2, vierde lid, te delen door het totale aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten in het buitengewoon secundair onderwijs in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT. Het aantal eenheden inductie dat voor iedere school voor buitengewoon secundair onderwijs wordt berekend, is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten, in de school in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT, met de inductiecoëfficiënt voor het buitengewoon secundair onderwijs.
9Het verkregen aantal eenheden inductie, conform het eerste en het tweede lid, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere gehele getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere gehele getal.
10§4. Voor de aanwending van de eenheden inductie wordt de volgende formule toegepast: X x aantal aanstellingsdagen / 7 = Y, waarbij
111° X = de opdracht op weekbasis van het personeelslid dat met eenheden inductie wordt aangesteld, uitgedrukt in 10.000sten waarbij 10.000 de voltijdse weekopdracht uitdrukt;
122° aantal aanstellingsdagen = het aantal dagen waarop het personeelslid met eenheden inductie wordt aangesteld, met inbegrip van een wettelijke feestdag, een weekeinde, de herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie als die periode in het aantal inductiedagen begrepen is;
133° Y = het aantal eenheden inductie, afgerond naar de hogere eenheid, als het resultaat van de deling na de komma 5 of meer bedraagt.
14§5. Het deel van de betrekking dat met die omkadering wordt opgericht, kan niet vacant worden verklaard. Er kan er in geen geval een personeelslid in vast benoemd, geaffecteerd of gemuteerd worden en er kan ook niet in vervangen worden.
+5 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 48
1De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, voorzien in bijkomende financiering voor scholen met technisch of beroepsgerichte opleidingen die leiden tot de invulling van knelpuntberoepen, ten einde de kost voor leerlingen in voormelde opleidingen te verminderen. Op basis van criteria die verband houden met de kostprijzen van de opleidingen, bepaalt de Vlaamse Regering de lijst van opleidingen die voor deze bijkomende financiering in aanmerking komen en modaliteiten van deze bijkomende financiering. (47)
1§1. De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, voorzien in bijkomende financiering om de kost voor leerlingen te verminderen. De maatregel geldt voor de tweede en derde graad tso, bso en kso in het gewoon secundair onderwijs, de tweede en derde graad tso, bso en kso in opleidingsvorm 4 in het buitengewoon onderwijs alsook voor de integratie- en kwalificatiefase in opleidingsvorm 3 in het buitengewoon onderwijs.
2De toekenning gebeurt op basis van een indeling in clusters. Voor elke cluster wordt een basisbedrag per gewogen leerling bepaald.
3De Vlaamse Regering bepaalt de clusters van structuuronderdelen of opleidingen die voor deze bijkomende financiering in aanmerking komen en het eraan verbonden gewicht, en houdt daarbij rekening met de kostprijs, de doorstroomkansen naar de arbeidsmarkt of naar het hoger onderwijs en hun maatschappelijke relevantie.
4De Vlaamse Regering kan bijkomende randvoorwaarden opleggen om de kosten in betrokken structuuronderdelen en opleidingen van de tweede en derde graad in het gewoon secundair onderwijs, in opleidingsvorm 4 in het buitengewoon onderwijs alsook voor de integratie- en kwalificatiefase in opleidingsvorm 3 in het buitengewoon onderwijs te doen dalen.
5§2. Onverminderd artikel 35 kan de Vlaamse Regering bijkomende maatregelen vaststellen die ertoe strekken de transparantie van de bijdrageregeling te verhogen.
+3 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 57
109° maakt afspraken/beslist over de aanwending van de punten voor ICT-coördinatie;109° maakt afspraken/beslist over de aanwending van de punten voor ICT-coördinatie;
1110° ...1110° ...
1211° kan afspraken maken over de engagementsverklaring vermeld in artikel 111. (56)1211° kan afspraken maken over de engagementsverklaring vermeld in artikel 111;
1312° maakt afspraken over de verdeling over haar scholen van de eenheden inductie, vermeld in artikel 34/3, en over de organisatie van de inductie. Over de criteria wordt onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap;
1413° kan afspraken maken over de overdracht naar een andere scholengemeenschap van eenheden inductie als vermeld in artikel 34/3.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 110/31
73° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;73° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
84° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.84° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.
9Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht van de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend als de leerling voorafgaand aan het hervatten van het huisonderwijs zes maanden ingeschreven was in een van de scholen, vermeld in het eerste lid, in die school voldoende aanwezig was, behoudens gewettigde afwezigheid en mits voorafgaande toestemming van de onderwijsinspectie. De termijn van zes maanden wordt geschorst tijdens de zomervakantie. De toestemming van de onderwijsinspectie kan door de ouders worden aangevraagd vanaf twee maanden voor het einde van de termijn van zes maanden. De toestemming van de onderwijsinspectie kan door de ouders worden aangevraagd vanaf twee maanden voor het einde van de zes maanden. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen die worden aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt.9Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht van de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend als de leerling voorafgaand aan het hervatten van het huisonderwijs zes maanden ingeschreven was in een van de scholen, vermeld in het eerste lid, in die school voldoende aanwezig was, behoudens gewettigde afwezigheid en mits voorafgaande toestemming van de onderwijsinspectie. De termijn van zes maanden wordt geschorst tijdens de zomervakantie. De toestemming van de onderwijsinspectie kan door de ouders worden aangevraagd vanaf twee maanden voor het einde van de termijn van zes maanden. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen die worden aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt.
10Een leerling wordt tijdens de zes maanden, vermeld in het tweede lid, geacht niet voldoende aanwezig als vermeld in het tweede lid te zijn als de leerling 15 al dan niet gespreide halve dagen problematisch afwezig is geweest.10Een leerling wordt tijdens de zes maanden, vermeld in het tweede lid, geacht niet voldoende aanwezig als vermeld in het tweede lid te zijn als de leerling 15 al dan niet gespreide halve dagen problematisch afwezig is geweest.
11De Vlaamse Regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast.11De Vlaamse Regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast.
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 113
52° in het kader van redelijke aanpassingen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of omwille van medische redenen;52° in het kader van redelijke aanpassingen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of omwille van medische redenen;
63° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, tijdens extra-murosactiviteiten;63° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, tijdens extra-murosactiviteiten;
74° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, voor individuele leerlingen, in de tweede graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs , omwille van persoonlijke omstandigheden.74° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, voor individuele leerlingen, in de tweede graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en van het buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 4, omwille van persoonlijke omstandigheden.
8§2. Het is leerlingen van de derde graad van het voltijds gewoon en opleidingsvorm 4 buitengewoon secundair onderwijs, de kwalificatiefase en facultatieve integratiefase van opleidingsvorm 3 buitengewoon secundair onderwijs en in de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, verboden om slimme apparaten te gebruiken tijdens de lessen.8§2. Het is leerlingen van de derde graad van het voltijds gewoon en opleidingsvorm 4 buitengewoon secundair onderwijs, de kwalificatiefase en integratiefase van opleidingsvorm 3 buitengewoon secundair onderwijs en in de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, verboden om slimme apparaten te gebruiken tijdens de lessen.
9In afwijking van het eerste lid is het gebruik van slimme apparaten toege-staan in de volgende gevallen:9In afwijking van het eerste lid is het gebruik van slimme apparaten toege-staan in de volgende gevallen:
101° voor onderwijsdoeleinden die de school bepaalt;101° voor onderwijsdoeleinden die de school bepaalt;
+1 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 115/12 nieuw
1Scholen die op basis van een representatieve steekproef worden geselecteerd om deel te nemen aan internationaal vergelijkend onderwijsonderzoek waarbij prestaties worden gemeten en waaraan de Vlaamse Gemeenschap deelneemt, nemen deel aan dat onderwijsonderzoek.
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 116
21° secundair onderwijs : het secundair onderwijs met uitzondering van :21° secundair onderwijs : het secundair onderwijs met uitzondering van :
3a) de structuuronderdelen van het voltijds secundair onderwijs zonder basisvorming en het hoger beroepsonderwijs;3a) de structuuronderdelen van het voltijds secundair onderwijs zonder basisvorming en het hoger beroepsonderwijs;
4b) het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
4b) ...;
5c) de alternerende beroepsopleiding in het buitengewoon secundair onderwijs;5c) de integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs;
6De Vlaamse Regering kan beslissen de punten a, b of c toch te beschouwen als secundair onderwijs.6De Vlaamse Regering kan beslissen de punten a, b of c toch te beschouwen als secundair onderwijs.
72° ...;72° ...;
+20 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 118
1§1. Leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden maar voor wie het omwille van een handicap permanent onmogelijk is secundair onderwijs te volgen op school, hebben na gunstig advies van de onderwijsinspectie, recht op permanent onderwijs aan huis.1§1. Leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 294, §2, voor wie het vanwege een handicap permanent onmogelijk is onderwijs te volgen op school, hebben na een gunstige beslissing van het centrum voor leerlingenbegeleiding, recht op permanent onderwijs aan huis.
2§ 2. De ouders kiezen in overleg met het centrum voor leerlingenbegeleiding de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon onderwijs van hun vrije keuze om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. Deze school wordt aangeduid door de onderwijsinspectie. Omwille van omstandigheden eigen aan de leerling en mits omstandige motivering kan een andere school voor buitengewoon secundair onderwijs worden gekozen.
2Ouders kunnen een aanvraag voor permanent onderwijs aan huis indienen bij het begeleidende centrum voor leerlingenbegeleiding van de secundaire school van hun kind. Indien het kind nog niet ingeschreven is in een secundaire school, dan kan de ouder de vraag richten aan het centrum voor leerlingenbegeleiding van een onderwijsnet naar keuze, dichtst gelegen bij de woonplaats van de leerling.
3Voor leerlingen die nog niet over een IAC-verslag of OV4-verslag beschikken, wordt er een handelingsgericht diagnostisch traject opgestart. Voor leerlingen die al over een IAC-verslag of OV4-verslag beschikken, sluit die aanvraag aan bij verdere stappen in hun handelingsgericht diagnostisch traject.
4§2. De basis voor de beslissing door het centrum voor leerlingenbegeleiding over de overweging of permanent onderwijs aan huis voor de leerling het meest passende aanbod is, ligt in het handelingsgericht diagnostisch traject van de leerling. Die beslissing wordt toegevoegd aan het IAC-verslag of OV4-verslag van de leerling. Het centrum voor leerlingenbegeleiding kent het recht op permanent onderwijs aan huis toe op basis van de volgende criteria:
51° de mate waarin de leerling slechts een beperkt onderwijsaanbod aankan door de absolute prioriteit van de nood aan zorg en comfort;
62° de mate waarin in een school verzekerd kan worden dat de leerling veilig onderwijs kan volgen. Het centrum voor leerlingenbegeleiding maakt een afweging van de mate waarin een specifieke context is vereist voor de veiligheid van de leerling. Een specifieke context is vereist voor:
7a) Het tijdig opmerken van een medisch probleem met grote impact op het functioneren of de veiligheid van het kind en een gepaste reactie daarop;
8b) Het voorkomen en hanteren van een uitgesproken gedragsstoornis waarbij de leerling zichzelf of anderen regelmatig ernstig in gevaar brengt.
93° de mate waarin de verplaatsing naar de school mogelijk is omwille van de medische of psychische conditie van de leerling;
104° 4de contextfactoren in combinatie met criterium 1°, 2° of 3° waardoor permanent onderwijs aan huis de enige mogelijkheid is om het leerrecht vorm te geven, Gebrek aan capaciteit kan in deze niet ingeroepen worden als een context-factor.
11De motivatie door het centrum voor leerlingenbegeleiding op basis van bovenstaande criteria wordt aangevuld met een medisch attest van een arts-specialist dat bevestigt dat permanent onderwijs aan huis nodig is. Het medisch attest wordt ook toegevoegd aan het IAC- of OV4-verslag.
12§3. Het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, be-paalt hoe lang de leerling recht heeft op permanent onderwijs aan huis. Het centrum voor leerlingenbegeleiding kent dat recht toe voor een periode van maximaal drie schooljaren. Het recht kan verlengd worden met periodes van maximaal drie schooljaren na een nieuwe aanvraag door de ouders. Het centrum voor leerlingenbegeleiding kent de verlenging toe, tenzij er bij de leerling een evolutie vastgesteld wordt die een heroverweging ten gronde noodzakelijk maakt. Het recht loopt in ieder geval af op het einde van het buitengewoon secundair onderwijs.
13In afwijking van het eerste lid is in geval van toekenning van permanent onderwijs aan huis op basis van een gedragsstoornis jaarlijks zowel een beslissing door het centrum voor leerlingenbegeleiding als een medisch attest door een arts-specialist nodig.
14§4. De beslissing over de aanvraag voor permanent onderwijs aan huis door het centrum voor leerlingenbegeleiding wordt genomen binnen zestig kalenderdagen na de aanvraag.
15§5. Als ouders en het centrum voor leerlingenbegeleiding geen akkoord bereiken over de behoefte aan permanent onderwijs aan huis als meest passende aanbod, kan een beroep gedaan worden op de klachtenprocedure die van toepassing is bij onenigheid over de noodzaak of inhoud van een IAC-verslag of OV4-verslag, conform artikel 16, §3, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding en artikel 294, §8, van deze codex.
16§6. In afwijking van artikel 110/1 tot en met 110/27 en de bepalingen van deel V, titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 2, hebben de leerlingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, onverkort recht op inschrijving in de vestigingsplaats voor buitengewoon secundair onderwijs op de kortst mogelijke afstand over de berijdbare weg van ofwel het offici-eel onderwijs ofwel het gesubsidieerd vrij onderwijs, naar keuze van de ouders, bij de verblijfplaats van de leerling dat het type en de opleidingsvorm vermeld in het IAC-verslag of het OV4-verslag aanbiedt.
17De leerling met een IAC-verslag of OV4-verslag van type 4, 6 of 7 zonder vestigingsplaats van keuze met dat aanbod op een redelijke afstand van de verblijfplaats van de leerling kan het onverkort recht op inschrijving laten gelden in de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon secundair onderwijs op de kortst mogelijke afstand over de berijdbare weg van ofwel het officieel onderwijs ofwel het gesubsidieerd vrij onderwijs, naar keuze van de ouders bij de verblijfplaats van de leerling.
18In afwijking van artikel 110/1 tot en met 110/27 en de bepalingen van deel V, titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 2, kan een schoolbestuur de inschrijving van een leerling met recht op permanent onderwijs aan huis weigeren in een andere vestigingsplaats dan vermeld in het eerste en tweede lid.
19§7. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kunnen de leerlingen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 294, §2, en aan wie permanent onderwijs aan huis in het buitengewoon secundair onderwijs toegekend werd voor 1 september 2026, geduren-de maximaal drie schooljaren na 2025-2026 en uiterlijk tot het einde van het onder-wijsniveau verder gebruik maken van het permanent onderwijs aan huis in de school van het buitengewoon secundair onderwijs, binnen de door de onderwijsinspectie toegekende periode. Als de toegekende periode afloopt op het einde van het schooljaar 2026-2027 kan de periode door het centrum voor leerlingebegeleiding verlengd worden zonder een overweging ten gronde, met maximaal 1 schooljaar binnen hetzelfde onderwijsniveau.
20§8. De toepassing door de CLB’s van de bepalingen opgenomen in dit artikel worden vanaf het schooljaar 2026-2027 gemonitord en in het schooljaar 2027-2028 geëvalueerd.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 122/6
1Met het oog op een mogelijke bijsturing wordt het interactief afstandsonderwijs in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3 en opleidingsvorm 4, in het schooljaar 2027-2028 geëvalueerd.1Met het oog op een mogelijke bijsturing wordt het interactief afstandsonderwijs in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3 en opleidingsvorm 4, in het schooljaar 2026-2027 geëvalueerd.
2De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten van deze evaluatie bepalen en heeft bij die evaluatie minstens aandacht voor de gelijke onderwijskansen van alle leerlingen.2De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten van deze evaluatie bepalen en heeft bij die evaluatie minstens aandacht voor de gelijke onderwijskansen van alle leerlingen.
+1 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 123/6
43° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien;43° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien;
54° de vorige school van inschrijving brengt de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag. Het CLB dat verbonden is aan de vorige school van inschrijving brengt het CLB dat verbonden is met de school waar nu wordt ingeschreven, op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen die overdrachten niet verzetten;54° de vorige school van inschrijving brengt de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag. Het CLB dat verbonden is aan de vorige school van inschrijving brengt het CLB dat verbonden is met de school waar nu wordt ingeschreven, op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen die overdrachten niet verzetten;
64°/1 het tuchtdossier, vermeld in artikel 123/9, wordt alleen bezorgd aan een lid van het schoolteam dat betrokken is bij de begeleiding van de leerling en dat daarvoor gemandateerd is door het schoolbestuur. Het lid van het schoolteam behandelt het dossier vertrouwelijk en kan alleen met andere leden van het schoolteam informatie die is opgenomen in het tuchtdossier, vermeld in artikel 123/9, delen als dat noodzakelijk is voor de begeleiding van de leerling en in het belang is van de leerling. Voor de informatie uit het tuchtdossier, vermeld in artikel 123/9, wordt gedeeld, gaat de school in gesprek met de betrokken personen en de minderjarige leerling. Ook de andere leden van het schoolteam met wie de informatie gedeeld wordt, behandelen de informatie vertrouwelijk. Betrokken personen kunnen zich niet verzetten tegen de overdracht van het tuchtdossier, vermeld in artikel 123/9;
65° het schoolbestuur van de onderwijsinstelling of de gemandateerde is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens voor de looptijd dat deze bewaard dienen te worden;75° het schoolbestuur van de onderwijsinstelling of de gemandateerde is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens voor de looptijd dat deze bewaard dienen te worden;
76° het centrumbestuur van het CLB dat het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag, vermeld in punt 4°, heeft opgesteld, is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen door of ter voorbereiding van het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag. Het centrumbestuur van het overnemende CLB is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen na de ontvangst van het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag.86° het centrumbestuur van het CLB dat het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag, vermeld in punt 4°, heeft opgesteld, is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen door of ter voorbereiding van het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag. Het centrumbestuur van het overnemende CLB is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen na de ontvangst van het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag.
+2 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 123/9
1Voor een tuchtdossier gelden de volgende regels, inherent aan tuchtrechtspleging:1Voor een tuchtdossier gelden de volgende regels, inherent aan tuchtrechtspleging:
21° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;21° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;
31°/1 in het tuchtdossier worden de maatregelen opgenomen die de school heeft genomen om de leerling te begeleiden. Als er geen begeleidende maatregelen zijn genomen, wordt aangegeven waarom begeleiding en preventie niet mogelijk zijn en welke stappen de school heeft gezet om, in samenwerking met de ouders en eventueel externe partners, de onmogelijkheid te vermijden;
32° de betrokken personen evenals de leerling, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon, worden gehoord;42° de betrokken personen evenals de leerling, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon, worden gehoord;
43° elke genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd; bij definitieve uitsluiting wordt schriftelijk verwezen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure;53° elke genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd; bij definitieve uitsluiting wordt schriftelijk verwezen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure;
76° de tuchtstraf moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten;86° de tuchtstraf moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten;
87° de betrokken personen hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling;97° de betrokken personen hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling;
98° het tuchtdossier en de tuchtmaatregel zijn niet overdraagbaar naar een andere onderwijsinstelling.
108° ...
+4 −3 codex-secundair-onderwijs/art. 146
4§ 2. In afwijking op het in paragraaf 1 gestelde, kan voor eindtermen die als basisgeletterdheid zijn aangeduid, geen gelijkwaardigheid worden aangevraagd.4§ 2. In afwijking op het in paragraaf 1 gestelde, kan voor eindtermen die als basisgeletterdheid zijn aangeduid, geen gelijkwaardigheid worden aangevraagd.
5§ 3. De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die, goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en derhalve toelaten gelijkwaardige studiebewijzen af te leveren. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.5§ 3. De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die, goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en derhalve toelaten gelijkwaardige studiebewijzen af te leveren. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.
6De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:6De gelijkwaardigheid wordt in haar geheel beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
71° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;71° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;
82° de vereiste inhoud, in functie van de sleutelcompetenties, zoals bepaald in artikel 139, § 2, en 262, § 2;
82° de vereiste inhoud: het onderwijsaanbod voor het secundair onderwijs omvat de inhouden voor de sleutelcompetenties als vermeld in artikel 139, §2, en artikel 262, §2, en de inhouden voor de wetenschapsdomeinen, zoals bepaald in artikel 145, derde lid, naargelang van het geval;
93° de formulering93° de formulering
10a) gebeurt onder de vorm van eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen, naargelang van het geval;10a) gebeurt onder de vorm van eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen, naargelang van het geval;
11b) laat toe om na te gaan in welke mate bij een leerlingenpopulatie of een leerling eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands of specifieke eindtermen worden bereikt of bij een leerlingenpopulatie ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd.11b) laat toe om na te gaan in welke mate bij een leerlingenpopulatie of een leerling eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands of specifieke eindtermen worden bereikt of bij een leerlingenpopulatie ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd;
124° de ordening van de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen, naargelang van het geval, vermeld in artikel 139, §3, eerste lid, artikel 140, tweede lid, artikel 141 en artikel 145, tweede, vierde en vijfde lid.
12Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerd advies ingewonnen van een commissie van deskundigen en van het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen en wordt telkens de aanvrager gehoord. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling van de commissie van deskundigen en van de procedure.13Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerd advies ingewonnen van een commissie van deskundigen en van het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen en wordt telkens de aanvrager gehoord. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling van de commissie van deskundigen en van de procedure.
13§ 4. De vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen die door de Vlaamse Regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement.14§ 4. De vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen die door de Vlaamse Regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 147/3
2In de leerplannen, vermeld in het eerste lid, zijn in elk geval alle betrokken eindtermen die het Vlaams Parlement heeft goedgekeurd, letterlijk opgenomen. Het leerplan bevat een concordantietabel met de overeenkomst tussen de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit, en de leerplandoelen.2In de leerplannen, vermeld in het eerste lid, zijn in elk geval alle betrokken eindtermen die het Vlaams Parlement heeft goedgekeurd, letterlijk opgenomen. Het leerplan bevat een concordantietabel met de overeenkomst tussen de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit, en de leerplandoelen.
3Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit.3Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit.
4De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een school te kaderen. 4De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een school te kaderen. De Vlaamse Regering bepaalt de beroepsprocedure voor een beslissing die de indiener betwist.
5§2. In afwijking van paragraaf 1 vormen curriculumdossiers niet de basis voor het opstellen van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie en kunnen die leerplannen niet voor advies worden voorgelegd aan het agentschap, vermeld in paragraaf 1, derde lid.5§2. In afwijking van paragraaf 1 vormen curriculumdossiers niet de basis voor het opstellen van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie en kunnen die leerplannen niet voor advies worden voorgelegd aan het agentschap, vermeld in paragraaf 1, derde lid.
6De leerplannen, vermeld in het eerste lid, worden publiek bekendgemaakt.6De leerplannen, vermeld in het eerste lid, worden publiek bekendgemaakt.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 168/3
9Uitsluitend voor cursisten en studenten die uiterlijk in het schooljaar 2022-2023 al in een opleiding Verpleegkunde waren ingeschreven, wordt de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs:9Uitsluitend voor cursisten en studenten die uiterlijk in het schooljaar 2022-2023 al in een opleiding Verpleegkunde waren ingeschreven, wordt de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs:
101° vanaf het schooljaar 2023-2024 en tot en met het einde van het schooljaar 2025-2026 in een uitdoofscenario door elke school georganiseerd;101° vanaf het schooljaar 2023-2024 en tot en met het einde van het schooljaar 2025-2026 in een uitdoofscenario door elke school georganiseerd;
112° vanaf het schooljaar 2026-2027 en tot en met het einde van het schooljaar 2027-2028 in een uitdoofscenario door één school per provincie georganiseerd. De samenwerkingsverbanden, vermeld in artikel II.397 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, wijzen die scholen in onderling overleg aan.112° vanaf het schooljaar 2026-2027 en tot en met het einde van het schooljaar 2027-2028 in een uitdoofscenario door minstens één school per provincie georganiseerd.
12De cursisten en studenten, vermeld in het derde lid, hebben het recht om in de periode in kwestie de opleiding Verpleegkunde van het hoger be-roepsonderwijs te voltooien, tenzij ze hun opleiding gedurende minstens een volledig schooljaar onderbreken.12De cursisten en studenten, vermeld in het derde lid, hebben het recht om in de periode in kwestie de opleiding Verpleegkunde van het hoger be-roepsonderwijs te voltooien, tenzij ze hun opleiding gedurende minstens een volledig schooljaar onderbreken.
13§3. De organisatie van de opleidingen, vermeld in paragraaf 1, is gebaseerd op een samenwerkingsverband tussen één hogeschool met onderwijsbevoegdheid voor de bacheloropleiding Verpleegkunde, en een of meer scholen van het voltijds secundair onderwijs. De organisatie en de opdrachten van het samenwerkingsverband worden geregeld conform artikel II.397 en artikel II.398 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.13§3. De organisatie van de opleidingen, vermeld in paragraaf 1, is gebaseerd op een samenwerkingsverband tussen één hogeschool met onderwijsbevoegdheid voor de bacheloropleiding Verpleegkunde, en een of meer scholen van het voltijds secundair onderwijs. De organisatie en de opdrachten van het samenwerkingsverband worden geregeld conform artikel II.397 en artikel II.398 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 169
3- de norm vastgelegd in de sectoren en niveaus waarvoor reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden;3- de norm vastgelegd in de sectoren en niveaus waarvoor reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden;
4- het bepalen van het werkingsbudget en/of uitrustingskredieten en -toelagen.4- het bepalen van het werkingsbudget en/of uitrustingskredieten en -toelagen.
5§ 2. In afwijking van § 1 worden voor de telling per school voor voltijds secundair onderwijs van het aantal regelmatige leerlingen van 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt die over één of drie semesters worden georganiseerd en van het aantal cursisten van het hoger beroepsonderwijs, twee data vastgesteld in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar :5§ 2. In afwijking van § 1 worden voor de telling per school voor voltijds secundair onderwijs van het aantal regelmatige leerlingen van 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt en van het aantal cursisten van het hoger beroepsonderwijs, twee data vastgesteld in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar :
6- namelijk 15 januari of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt,6- namelijk 15 januari of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt,
7- en 15 mei of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt.7- en 15 mei of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt.
+2 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 252/1
1Onverminderd de door de Vlaamse Regering bepaalde toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 252, beslist de klassenraad of een leerling die uiterlijk op 31 december na de aanvang van het schooljaar de leeftijd van 19 jaar heeft bereikt, kan worden toegelaten tot een structuuronderdeel van de eerste of tweede graad.
1Onverminderd de door de Vlaamse Regering bepaalde toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 252, is het voltijds gewoon secundair onderwijs toegankelijk voor leerlingen die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Het kan worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin de leerlingen de leeftijd van 25 jaar bereiken.2Onverminderd de door de Vlaamse Regering bepaalde toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 252, is de derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs toegankelijk voor leerlingen die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Het kan worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin de leerlingen de leeftijd van 25 jaar bereiken.
2Deze maximumleeftijd is evenwel niet van toepassing op :3Deze maximumleeftijd is evenwel niet van toepassing op :
31° ...;41° ...;
+1 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 253/18
3§ 2. Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 253/20, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 253/13, § 2, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd, met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, in voorkomend geval met het oog op het bereiken van hun respectieve aandeel en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.3§ 2. Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 253/20, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 253/13, § 2, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd, met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, in voorkomend geval met het oog op het bereiken van hun respectieve aandeel en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.
4Betrokken personen van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de betrokken personen de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.4Betrokken personen van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de betrokken personen de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.
5Een schoolbestuur kan ervoor opteren om de volgorde van de weigeringen niet te respecteren voor een leerling die via een aanmeldingsprocedure geweigerd is en al ingeschreven is in een school van hogere keuze.
5§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.6§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.
6§ 4. Het verloop van inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.7§ 4. Het verloop van inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/20
93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;
104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vesti-gingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maxi-maal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats wordt berekend door de kortste afstand te meten langs de openbare weg, vermeld in het koninklijk besluit van 3 juni 2024 betreffende de Code van de openbare weg. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
12Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.12Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
13In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13.13In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/20
93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;
104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vesti-gingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maxi-maal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. 115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vesti-gingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maxi-maal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
12Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.12Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
13In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13.13In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/24
8e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294.8e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294.
93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de volzetverklaring is vastgelegd. Dit vastgelegd aantal leerlingen waarop volzet is verklaard mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend structuuronderdeel op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats wordt berekend door de kortste afstand te meten langs de openbare weg, vermeld in het koninklijk besluit van 3 juni 2024 betreffende de Code van de openbare weg. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de volzetverklaring is vastgelegd. Dit vastgelegd aantal leerlingen waarop volzet is verklaard mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend structuuronderdeel op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na volzetverklaring, vermeld in artikel 253/22, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of het centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na volzetverklaring, vermeld in artikel 253/22, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of het centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.
12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van volzetverklaring.12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van volzetverklaring.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/24
8e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294.8e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294.
93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de volzetverklaring is vastgelegd. Dit vastgelegd aantal leerlingen waarop volzet is verklaard mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend structuuronderdeel op de gebrui-kelijke teldatum van het vorige schooljaar. 104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de volzetverklaring is vastgelegd. Dit vastgelegd aantal leerlingen waarop volzet is verklaard mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend structuuronderdeel op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na volzetverklaring, vermeld in artikel 253/22, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of het centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na volzetverklaring, vermeld in artikel 253/22, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of het centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.
12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van volzetverklaring.12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van volzetverklaring.
+1 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 253/49
3§ 2. Met uitzondering van de inschrijvingen van leerlingen die zijn ingeschreven in overcapaciteit conform artikel 253/51, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit, vermeld in artikel 253/42, § 2, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 253/43 tot en met 253/46, en, wat de leerlingen, vermeld in artikel 253/44, 253/45 en 253/46, betreft, met het oog op het bereiken van hun respectievelijke aandeel, vermeld in artikel 253/44, § 3, artikel 253/45, § 3, en artikel 253/46, § 1, en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.3§ 2. Met uitzondering van de inschrijvingen van leerlingen die zijn ingeschreven in overcapaciteit conform artikel 253/51, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit, vermeld in artikel 253/42, § 2, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 253/43 tot en met 253/46, en, wat de leerlingen, vermeld in artikel 253/44, 253/45 en 253/46, betreft, met het oog op het bereiken van hun respectievelijke aandeel, vermeld in artikel 253/44, § 3, artikel 253/45, § 3, en artikel 253/46, § 1, en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.
4Betrokken personen van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de betrokken personen de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.4Betrokken personen van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de betrokken personen de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.
5Een schoolbestuur kan ervoor opteren om de volgorde van de weigeringen niet te respecteren voor een leerling die via een aanmeldingsprocedure geweigerd is en al ingeschreven is in een school van hogere keuze.
5§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.6§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.
6§ 4. Het verloop van inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.7§ 4. Het verloop van inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/51
93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/40, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/40, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;
104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats wordt berekend door de kortste afstand te meten langs de openbare weg, vermeld in het koninklijk besluit van 3 juni 2024 betreffende de Code van de openbare weg. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
12§ 2. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.12§ 2. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
13§ 3. In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/42.13§ 3. In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/42.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/51
93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/40, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/40, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;
104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. 115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar. Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
12§ 2. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.12§ 2. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
13§ 3. In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/42.13§ 3. In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/42.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/55
82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de bereikte capaciteit;82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de bereikte capaciteit;
93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats wordt berekend door de kortste afstand te meten langs de openbare weg, vermeld in het koninklijk besluit van 3 juni 2024 betreffende de Code van de openbare weg. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na het bereiken van de capaciteit, zoals bepaald in artikel 253/53, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na het bereiken van de capaciteit, zoals bepaald in artikel 253/53, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.
12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van de bereikte capaciteit.12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van de bereikte capaciteit.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/55
82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de bereikte capaciteit;82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de bereikte capaciteit;
93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.Het schoolbestuur communiceert de precieze berekeningswijze en de gebruikte applicatie aan de betrokken personen.
11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na het bereiken van de capaciteit, zoals bepaald in artikel 253/53, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na het bereiken van de capaciteit, zoals bepaald in artikel 253/53, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.
12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van de bereikte capaciteit.12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van de bereikte capaciteit.
+7 −3 codex-secundair-onderwijs/art. 253/62
4a) een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 20232024;4a) een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 20232024;
5b) een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;5b) een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;
6c) een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025;6c) een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of de examencommissie van de Vlaamse Gemeen-schap tot en met het schooljaar 2024-2025;
7d) een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;7d) een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;
8d)/1 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een cen-trum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2026-2027
8e) een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;9e) een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;
9f) een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;10f) een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;
182° medische, psychische of sociale redenen;192° medische, psychische of sociale redenen;
193° het algemene niveau van de cursist, getoetst met een toelatingsproef die wordt georganiseerd binnen vijf lesdagen nadat de cursist met de opleiding is gestart.203° het algemene niveau van de cursist, getoetst met een toelatingsproef die wordt georganiseerd binnen vijf lesdagen nadat de cursist met de opleiding is gestart.
20De organisatie op verzoek van de cursist van een toelatingsproef als vermeld in het tweede lid kan niet worden geweigerd. De proef wordt beoordeeld door de klassenraad, die nagaat of de cursist over de kennis en vaardigheden beschikt die vereist zijn om de opleiding in kwestie aan te vangen. Van de beoordeling wordt een schriftelijk verslag gemaakt, dat wordt opgenomen in het dossier van de cursist.21De organisatie op verzoek van de cursist van een toelatingsproef als vermeld in het tweede lid kan niet worden geweigerd. De proef wordt georganiseerd en beoordeeld door de klassenraad, die nagaat of de cursist over de kennis en vaardigheden beschikt die vereist zijn om de opleiding in kwestie aan te vangen. Van de beoordeling wordt een schriftelijk verslag gemaakt, dat wordt opgenomen in het dossier van de cursist.
21Het schoolreglement van de school in kwestie bevat het vrijstellingenbeleid.
22In afwijking van het derde lid, kan het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 168/3, §3, de bevoegdheid om de toelatingsproef te organiseren en te beoordelen van de klassenraad overdragen aan een validerende instantie als vermeld in artikel II.232 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.
23Voor de registratie van de kandidaten voor de toetsing van de afwijkende toelatingsvoorwaarden voor de opleiding Basisverpleegkunde, leggen de scholen, de hogescholen en de associaties een register aan. Voor de gegevensdeling tussen die instellingen en de eventuele koppeling met de administratieve toepassingen om leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming uit te wisselen, wordt het identificatienummer van het Rijksregister gebruikt.
24Iedere school, hogeschool en associatie stelt een interne of externe functionaris met betrekking tot de gegevensbescherming aan. De scholen, de hogescholen en de associaties worden voor die verwerking aangewezen als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken en verwerken de gegevens over de studieloopbaan en de gegevens voor de toetsing van de afwijkende toelatingsvoorwaarden, vermeld in het tweede lid. Het register wordt maximaal tien jaar bewaard.
22§1/1. De school biedt ten minste het standaardtraject aan, met een studieomvang van 27 tot 33 studiepunten per semester of 54 tot 66 studiepunten per schooljaar.25§1/1. De school biedt ten minste het standaardtraject aan, met een studieomvang van 27 tot 33 studiepunten per semester of 54 tot 66 studiepunten per schooljaar.
23Een cursist volgt in de opleiding Basisverpleegkunde:26Een cursist volgt in de opleiding Basisverpleegkunde:
241° hetzij het standaardtraject;271° hetzij het standaardtraject;
252° hetzij, na een gunstige beslissing van de klassenraad, een traject dat meer of minder studiepunten omvat dan het standaardtraject. Dat af-wijkende traject wordt vastgelegd voor een individuele cursist of voor een groep van cursisten.282° hetzij, na een gunstige beslissing van de klassenraad, een traject dat meer of minder studiepunten omvat dan het standaardtraject. Dat af-wijkende traject wordt vastgelegd voor een individuele cursist of voor een groep van cursisten.
29§1/2. Het schoolreglement van de school in kwestie bevat het vrijstellingenbeleid.
26§2. Om tot een sequentieel geordende module van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs toegelaten te worden, voldoet de cursist aan een van de volgende voorwaarden:30§2. Om tot een sequentieel geordende module van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs toegelaten te worden, voldoet de cursist aan een van de volgende voorwaarden:
271° het bezit van het deelcertificaat van een sequentieel voorafgaande module;311° het bezit van het deelcertificaat van een sequentieel voorafgaande module;
+2 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 256/2/1 nieuw
1Binnen de beschikbare specifieke kredieten richt de examencommissie zich in haar doelgroep ook tot gedetineerden in penitentiaire instellingen met het oog op de organisatie van examens die leiden tot de bewijzen, vermeld in artikel 256/2, eerste lid, 1° tot en met 6°.
2De leidend ambtenaar van de instantie waaraan de organisatie van de examencommissie is opgedragen, sluit daarvoor een protocol met de Vlaamse overheidsdienst Justitie.
+4 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 256/3
1§1. Onverminderd de examens die leiden tot het bewijs, vermeld in artikel 256/2, eerste lid, 5°, bepaalt de examencommissie over welke structuuronderdelen en onderliggende beroepskwalificaties van het voltijds secundair onderwijsaanbod, die de Vlaamse Regering vastlegt, examens kunnen worden afgelegd. De examencommissie houdt daarbij per structuuronderdeel en per onderliggende beroepskwalificatie ten minste rekening met de hiernavolgende criteria:1§1. Onverminderd de examens die leiden tot het bewijs, vermeld in artikel 256/2, eerste lid, 5°, bepaalt de examencommissie over welke structuuronderdelen en onderliggende beroepskwalificaties van het voltijds secundair onderwijsaanbod, die de Vlaamse Regering vastlegt, examens kunnen worden afgelegd. De examencommissie houdt daarbij per structuuronderdeel en per onderliggende beroepskwalificatie ten minste rekening met de hiernavolgende criteria:
21° de technische en praktische haalbaarheid van de organisatie van de examens;21° de technische en praktische haalbaarheid van de organisatie van de examens;
32° de financiële kost van de organisatie van de examens;32° de financiële kost van de organisatie van de examens;
43° het te verwachten aantal inschrijvingen van kandidaten;43° het te verwachten aantal inschrijvingen van kandidaten;
54° de mate waarin een doorsnee kandidaat er zelfstandig in slaagt om zich afdoende op het examenprogramma voor te bereiden.54° de mate waarin een doorsnee kandidaat er zelfstandig in slaagt om zich afdoende op het examenprogramma voor te bereiden.
6§2. Het examenprogramma voor een structuuronderdeel is opgebouwd uit vakken. Het wordt ontwikkeld door de examencommissie, rekening houdend met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden als referentiekader voor de ontwikkeling van een examenprogramma, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden die zijn bepaald in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving, gehanteerd.6§2. Het examenprogramma voor een structuuronderdeel is opgebouwd uit vakken en wordt ontwikkeld door de examencommissie. Voor structuuronderdelen die leiden tot een onderwijskwalificatie wordt bij de ontwikkeling rekening gehouden met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Voor structuuronderdelen die niet leiden tot een onderwijskwalificatie, worden als referentiekader voor de ontwikkeling, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden, vermeld in Vlaamse regelgeving, gehanteerd.
7Elk examenprogramma dient, voorafgaand aan de invoering, door de onderwijsinspectie te worden goedgekeurd. De onderwijsinspectie kan de goedkeuring van een examenprogramma intrekken op grond van onvoldoende actualiteitswaarde.
7De Vlaamse Regering kan onderwijsdoelen uit onderwijskwalificaties of uit referentiekaders als vermeld in het eerste lid, aanduiden die binnen de context van de examencommissie niet evalueerbaar of niet haalbaar zijn en bijgevolg buiten beschouwing worden gelaten bij de ontwikkeling van examenprogramma’s.
8§3. In afwijking van paragraaf 1 en 2, eerste lid, bestaat, voor wat betreft de examens tot het behalen van een getuigschrift van de eerste graad, het examenprogramma uit de basisvorming van de A- stroom of de basisvorming van de B-stroom, naargelang van de keuze van de kandidaat.8§3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bestaat, voor wat betreft de examens tot het behalen van een getuigschrift van de eerste graad, het examenprogramma uit de basisvorming van de A- stroom of de basisvorming van de B-stroom, naargelang van de keuze van de kandidaat.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 256/4
6Het bedrag, vermeld in 2°, wordt jaarlijks vanaf 1 november als volgt aangepast : het bedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het kalenderjaar in kwestie en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2012. Het resultaat van die berekening wordt afgerond naar de lagere eenheid bij een cijfer van minder dan vijf na de komma en afgerond naar de hogere eenheid bij een cijfer van vijf of meer na de komma.6Het bedrag, vermeld in 2°, wordt jaarlijks vanaf 1 november als volgt aangepast : het bedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het kalenderjaar in kwestie en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2012. Het resultaat van die berekening wordt afgerond naar de lagere eenheid bij een cijfer van minder dan vijf na de komma en afgerond naar de hogere eenheid bij een cijfer van vijf of meer na de komma.
7§ 2. Het inschrijvingsgeld geldt voor het geheel van de examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen.7§ 2. Het inschrijvingsgeld geldt voor het geheel van de examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen.
8§ 3. Onwettige afwezigheidop examens wordt van rechtswege gelijkgesteld met uitschrijving. De resterende examens kunnen pas worden afgelegd als opnieuw voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.8§ 3. Onwettige afwezigheid, zoals bepaald in het examenreglement, op examens wordt van rechtswege gelijkgesteld met uitschrijving. De resterende examens kunnen pas worden afgelegd als opnieuw voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.
9§ 4. Voor een examen over hetzelfde vak kan een kandidaat zich per jaar maximaal drie keer inschrijven.9§ 4. Voor een examen over hetzelfde vak kan een kandidaat zich per jaar maximaal drie keer inschrijven.
10§ 5. Zolang niet alle examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen, zijn afgelegd, blijft het resultaat voor een afgelegd examen geldig gedurende zeven kalenderjaren, te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van het resultaat.10§ 5. Zolang niet alle examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen, zijn afgelegd, blijft het resultaat voor een afgelegd examen geldig gedurende zeven kalenderjaren, te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van het resultaat.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 306
1Maximum 3 % van het lesurenpakket en van het urenpakket, bedoeld in artikel 311, kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor het buitengewoon secundair beroepsonderwijs dat georganiseerd is volgens een modulair stelsel of in de vorm van een alternerende beroepsopleiding. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (305)1Maximum 3 % van het lesurenpakket en van het urenpakket, bedoeld in artikel 311, kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor de integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden.
+4 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 308/1
1§ 1. Met behoud van de toepassing van het reglementair vastgelegde lesurenpakket dat wordt toegekend, wordt een specifiek aantal lesuren toegekend aan elke door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instelling voor buitengewoon secundair onderwijs, die opleidingen aanbiedt die verwant zijn aan land- en tuinbouw. De Vlaamse Regering bepaalt welke opleidingen uit het studiegebied of studiedomein land- en tuinbouw daarvoor in aanmerking komen. Dit moeten opleidingen zijn waarvoor er een noodzaak is om culturen, serres of veestapel uit te baten of onderhouden, die van de instelling afhangen.1§ 1. Met behoud van de toepassing van het reglementair vastgelegde lesurenpakket dat wordt toegekend, wordt een specifiek aantal lesuren toegekend aan elke door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instelling voor buitengewoon secundair onderwijs, die opleidingen aanbiedt die verwant zijn aan land- en tuinbouw. De Vlaamse Regering bepaalt welke opleidingen uit het studiedomein land- en tuinbouw daarvoor in aanmerking komen. Dit moeten opleidingen zijn waarvoor er een noodzaak is om culturen, serres of veestapel uit te baten of onderhouden, die van de instelling afhangen.
2Het specifieke aantal lesuren, vermeld in het eerste lid, dat respectievelijk overeenstemt met één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met praktische vakken in de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 of één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met beroepsgerichte vorming in opleidingsvorm 3, staat de instelling toe de volgende opdrachten uit te voeren:2Het specifieke aantal lesuren, vermeld in het eerste lid, dat respectievelijk overeenstemt met één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met praktische vakken in de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 of één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met beroepsgerichte vorming in opleidingsvorm 3, staat de instelling toe de volgende opdrachten uit te voeren:
31° de culturen, de serres en de veestapel die van de instelling afhangen, uitbaten en onderhouden;31° de culturen, de serres en de veestapel die van de instelling afhangen, uitbaten en onderhouden;
42° tijdens de praktijklessen aan de leerlingen van het studiegebied of studiedomein land- en tuinbouw illustratieve demonstraties geven die rekening houden met de technische en technologische ontwikkelingen in de sector.42° tijdens de praktijklessen aan de leerlingen van het studiedomein land- en tuinbouw illustratieve demonstraties geven die rekening houden met de technische en technologische ontwikkelingen in de sector.
5§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt rekening gehouden met:5§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt rekening gehouden met:
61° voor opleidingsvorm 3: alle administratieve groepen uit de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de integratiefase van de opleidingen die de Vlaamse Regering bepaalt, die behoren tot het studiegebied of studiedomein land- en tuinbouw;61° voor opleidingsvorm 3: alle administratieve groepen uit de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de integratiefase van de opleidingen die de Vlaamse Regering bepaalt, die behoren tot het studiedomein land- en tuinbouw;
72° voor opleidingsvorm 4: alle structuuronderdelen van het studiegebied of studiedomein land- en tuinbouw die zich over de tweede en derde graad van het technisch en beroepssecundair onderwijs uitstrekken, met uitzondering van die structuuronderdelen waarvan de wekelijkse lessentabel geen praktijkvakken bevat.72° voor opleidingsvorm 4: alle structuuronderdelen van het studiedomein land- en tuinbouw, met uitzondering van die structuuronderdelen waarvan de wekelijkse lessentabel geen praktijkvakken bevat.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 314
1Maximum 3 % van het urenpakket en van het lesurenpakket kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor het buitengewoon secundair beroepsonderwijs dat georganiseerd is volgens een modulair stelsel of in de vorm van een alternerende beroepsopleiding. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (313)1Maximum 3 % van het urenpakket en van het lesurenpakket kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor de integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (313)
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 332/1
1Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 329 , ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken of ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.1Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 329 of artikel X/4.1 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken of ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
2De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.2De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
3Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.3Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 333
1Het buitengewoon secundair onderwijs in deze opleidingsvormen wordt verstrekt naar rata van minimum 32 lesuren en maximum 36 lesuren van 50 minuten per week, gespreid over 9 halve dagen, met uitzondering van de facultatieve integratiefase van opleidingsvorm 3, waar 38 lesuren per week worden verstrekt.1Het buitengewoon secundair onderwijs in deze opleidingsvormen wordt verstrekt naar rata van minimum 32 lesuren en maximum 36 lesuren van 50 minuten per week, gespreid over 9 halve dagen, met uitzondering van de integratiefase van opleidingsvorm 3, waar 38 lesuren per week worden verstrekt.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 335/1
1De bepalingen van dit artikel treden progressief, te beginnen met de observatiefase, in werking vanaf 1 september 2020.1De bepalingen van dit artikel treden progressief, te beginnen met de observatiefase, in werking vanaf 1 september 2020.
2In de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de facultatieve integratiefase worden opleidingen onderscheiden, die als finaliteit arbeidsmarkt hebben. Die opleidingen worden geordend in een matrix op basis van studiedomeinen zoals vastgelegd door de Vlaamse Regering.2In de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de integratiefase worden opleidingen onderscheiden, die als finaliteit arbeidsmarkt hebben. Die opleidingen worden geordend in een matrix op basis van studiedomeinen zoals vastgelegd door de Vlaamse Regering.
3De studiedomeinen zijn:3De studiedomeinen zijn:
41° taal en cultuur;41° taal en cultuur;
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 336
1§1. Opleidingsvorm 3 omvat vier fases: de observatiefase, de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de facultatieve integratiefase:1§1. Opleidingsvorm 3 omvat vier fases: de observatiefase, de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de integratiefase:
21° de observatiefase omvat één schooljaar;21° de observatiefase omvat één schooljaar;
32° de opleidingsfase omvat twee schooljaren;32° de opleidingsfase omvat twee schooljaren;
43° de kwalificatiefase omvat twee schooljaren;43° de kwalificatiefase omvat twee schooljaren;
54° de facultatieve integratiefase omvat één schooljaar in de vorm van een alternerende beroepsopleiding, bestaande uit 1200 uur vorming op school en werkervaring in een bedrijf. De vorming op school bestaat uit minimum 400 uur algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. De werkervaring bestaat uit minimum 700 uur werkervaring in een regulier bedrijf in de vorm van leerlingenstage.54° de integratiefase omvat één schooljaar in de vorm van een alternerende beroepsopleiding, bestaande uit 1200 uur vorming op school en werkervaring in een bedrijf. De vorming op school bestaat uit minimum 400 uur algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. De werkervaring bestaat uit minimum 700 uur werkervaring in een regulier bedrijf in de vorm van leerlingenstage.
6§2. In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage.6§2. In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage.
7Als er geen of onvoldoende stageplaatsen beschikbaar zijn in de kwalificatiefase, zet de school maximaal in op observatieactiviteiten in een organisatie of onderneming waarbij de leerling, zonder effectief aan het arbeidsproces te participeren, kennismaakt met een beroep of een specifieke werkplek.7Als er geen of onvoldoende stageplaatsen beschikbaar zijn in de kwalificatiefase, zet de school maximaal in op observatieactiviteiten in een organisatie of onderneming waarbij de leerling, zonder effectief aan het arbeidsproces te participeren, kennismaakt met een beroep of een specifieke werkplek.
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 357/2
87° modulair: een organisatievorm waarbij een duaal structuuronderdeel of aanloopstructuuronderdeel als vermeld in deel V/2, opgebouwd is uit één of meer clusters, samenhangende en afgeronde gehelen van competenties, die een lerende de mogelijkheid biedt via een individuele leerweg toe te werken naar een studiebekrachtiging met waarborg voor aansluiting op vervolgopleidingen of tewerkstellingsmogelijkheden;87° modulair: een organisatievorm waarbij een duaal structuuronderdeel of aanloopstructuuronderdeel als vermeld in deel V/2, opgebouwd is uit één of meer clusters, samenhangende en afgeronde gehelen van competenties, die een lerende de mogelijkheid biedt via een individuele leerweg toe te werken naar een studiebekrachtiging met waarborg voor aansluiting op vervolgopleidingen of tewerkstellingsmogelijkheden;
98° onderneming: elke natuurlijke persoon, privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon die een leerling opleidt met een overeenkomst tot uitvoering van een alternerende opleiding;98° onderneming: elke natuurlijke persoon, privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon die een leerling opleidt met een overeenkomst tot uitvoering van een alternerende opleiding;
109° opleidingsplan: een plan dat het individuele leertraject van de leerling bevat, dat het standaardtraject omvat;109° opleidingsplan: een plan dat het individuele leertraject van de leerling bevat, dat het curriculumdossier omvat;
1110° opleidingsuur: zowel de tijdspanne van vijftig minuten waarin een les of een met een les gelijkgestelde activiteit wordt georganiseerd, als de tijdspanne van zestig minuten waarin de opleiding op de werkplek wordt georganiseerd;1110° opleidingsuur: zowel de tijdspanne van vijftig minuten waarin een les of een met een les gelijkgestelde activiteit wordt georganiseerd, als de tijdspanne van zestig minuten waarin de opleiding op de werkplek wordt georganiseerd;
1211° organisatoren: organisaties met publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, of natuurlijke personen, die leerlingen ondersteunen tijdens de invulling van de werkplekcomponent;1211° organisatoren: organisaties met publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, of natuurlijke personen, die leerlingen ondersteunen tijdens de invulling van de werkplekcomponent;
1312° schoolcomponent: het deel van de opleiding dat lessen bij de aanbieder duaal leren of met lessen gelijkgestelde activiteiten, buiten de werkplekcomponent, omvat;1312° schoolcomponent: het deel van de opleiding dat lessen bij de aanbieder duaal leren of met lessen gelijkgestelde activiteiten, buiten de werkplekcomponent, omvat;
1413° sector: een groep professionele activiteiten ingedeeld naar belangrijkste dienst, product, technologie, naar belangrijkste economische functie of naar bedrijfstak;1413° sector: een groep professionele activiteiten ingedeeld naar belangrijkste dienst, product, technologie, naar belangrijkste economische functie of naar bedrijfstak;
1514° standaardtraject: een eenvormig traject per duaal structuuronderdeel dat de minimale inhoudelijke en organisatorische modaliteiten van het traject bevat;
1514° ...;
1615° trajectbegeleider: het gemandateerde personeelslid van een aanbieder duaal leren, dat belast is met de opvolging en begeleiding van de leerling met het oog op de volledige realisatie van het opleidingsplan;1615° trajectbegeleider: het gemandateerde personeelslid van een aanbieder duaal leren, dat belast is met de opvolging en begeleiding van de leerling met het oog op de volledige realisatie van het opleidingsplan;
1716° trajectbegeleiding: een continu proces van begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en de vorming van de leerling zowel tijdens de schoolcomponent als tijdens de werkplekcomponent;1716° trajectbegeleiding: een continu proces van begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en de vorming van de leerling zowel tijdens de schoolcomponent als tijdens de werkplekcomponent;
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 357/6
1Een aanbieder duaal leren kan een duaal structuuronderdeel opstarten tot en met de eerste lesdag van oktober. Een structuuronderdeel 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt kan ook opgestart worden op de eerste lesdag van februari van het lopende schooljaar. Als een aanbieder duaal leren ten minste één regelmatige leerling in een duaal structuuronderdeel of aanloopstructuuronderdeel als vermeld in 357/43, eerste lid, 1° of 2°, die zijn opgenomen in hetzelfde standaardtraject, heeft ingeschreven op de eerste lesdag van oktober, is de duale opleiding opgenomen in het studieaanbod van de aanbieder.1Een aanbieder duaal leren kan een duaal structuuronderdeel opstarten tot en met de eerste lesdag van oktober. Een structuuronderdeel 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt kan ook opgestart worden op de eerste lesdag van februari van het lopende schooljaar. Als een aanbieder duaal leren ten minste één regelmatige leerling in een duaal structuuronderdeel of aanloopstructuuronderdeel als vermeld in 357/43, eerste lid, 1° of 2°, die zijn opgenomen in hetzelfde curriculumdossier, heeft ingeschreven op de eerste lesdag van oktober, is de duale opleiding opgenomen in het studieaanbod van de aanbieder.
2In afwijking van het eerste lid kan een duaal structuuronderdeel ook opstarten na de eerste lesdag van oktober als de instroom in dat structuuronderdeel op dat moment al voorbehouden wordt voor leerlingen die bij dezelfde aanbieder duaal leren kunnen overstappen van een aanloopstructuuronderdeel als vermeld in deel V/2, naar een duaal structuuronderdeel dat aan dat aanloopstructuuronderdeel gekoppeld is. In voorkomend geval wordt de eerste lesdag van juni als tweede referentiedatum beschouwd voor de vaststelling of het aanloopstructuuronderdeel of het duale structuuronderdeel in het schooljaar in kwestie al dan niet in het studieaanbod van de aanbieder duaal leren in kwestie voorkomt.2In afwijking van het eerste lid kan een duaal structuuronderdeel ook opstarten na de eerste lesdag van oktober als de instroom in dat structuuronderdeel op dat moment al voorbehouden wordt voor leerlingen die bij dezelfde aanbieder duaal leren kunnen overstappen van een aanloopstructuuronderdeel als vermeld in deel V/2, naar een duaal structuuronderdeel dat aan dat aanloopstructuuronderdeel gekoppeld is. In voorkomend geval wordt de eerste lesdag van juni als tweede referentiedatum beschouwd voor de vaststelling of het aanloopstructuuronderdeel of het duale structuuronderdeel in het schooljaar in kwestie al dan niet in het studieaanbod van de aanbieder duaal leren in kwestie voorkomt.
+2 −13 codex-secundair-onderwijs/art. 357/7
1§1. In afwachting van de invoering van curriculumdossiers als vermeld in artikel 138, eerste lid, zijn de duale structuuronderdelen ingericht volgens standaardtrajecten.
2§ 2. Voor elk duaal structuuronderdeel wordt één standaardtraject ontwikkeld, gebaseerd op een of meerdere beroepskwalificaties of één of meerdere deelkwalificaties, onder coördinatie van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap in overleg met de betrokken sector, het Gemeenschapsonderwijs, de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs, een afvaardiging van de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. Standaardtrajecten worden door de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Werk ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.
3Een standaardtraject bevat in elk geval:
41° de reguliere opleidingsduur uitgedrukt in jaren of semesters;
52° de specifieke toelatingsvoorwaarden;
63° de graad en het studiegebied waartoe het structuuronderdeel behoort;
74° een clustering van beroepsgerichte competenties gebaseerd op een of meerdere beroepskwalificaties of een of meerder deelkwalificaties;
85° in voorkomend geval de algemeen vormende competenties, gebaseerd op de toepasbare eindtermen voor het overeenstemmend niet-duaal leren. Indien de aanbieder van de duale opleiding een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is, zijn evenwel niet van toepassing:
91° vóór de modernisering: de eindtermen lichamelijke opvoeding van het beroepssecundair onderwijs als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000, bekrachtigd bij het decreet van 18 januari 2002, en het besluit van de Vlaamse Regering van 20 september 2002, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2002;
102° ...;
116° de omvang van de werkplekcomponent;
127° welke cluster van competenties of welke combinatie van clusters van competenties die een leerling met vrucht beëindigt, recht geeft op een studiebekrachtiging;
138° de aanloopstructuuronderdelen die, afgeleid van dit standaardtraject, georganiseerd kunnen worden conform deel V/2.
1§1. ...
2§ 2. ...
14§ 3. Een duaal structuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd.3§ 3. Een duaal structuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd.
15§ 4. Als de aanbieder een school voor voltijds secundair onderwijs is, dan geldt de verplichting tot organisatie van levensbeschouwelijk onderricht. Deze cursussen vallen buiten het standaardtraject. Als de aanbieder duaal leren een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is, worden levensbeschouwelijke vakken niet aangeboden.4§ 4. Als de aanbieder een school voor voltijds secundair onderwijs is, dan geldt de verplichting tot organisatie van levensbeschouwelijk onderricht. Deze cursussen vallen buiten het standaardtraject. Als de aanbieder duaal leren een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is, worden levensbeschouwelijke vakken niet aangeboden.
+1 −6 codex-secundair-onderwijs/art. 357/9
1§ 1. In het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin eventueel met een duaal structuuronderdeel wordt gestart, wordt aan de leerling een niet-bindend advies gegeven. Het advies wordt tijdig verstrekt met het oog op een vlotte studiekeuze en -voortgang van de leerling.
2Het niet-bindende advies heeft betrekking op de instap in een duaal structuuronderdeel en geeft inzicht in de arbeidsbereidheid en arbeidsrijpheid van de leerling.
3Het niet-bindende karakter van het advies waarborgt de keuzevrijheid van de leerling en is geen toelatingsvoorwaarde voor een duaal structuuronderdeel.
4In het tweede lid wordt verstaan onder:
51° arbeidsbereid: gemotiveerd om te leren en te participeren op de werkplek;
62° arbeidsrijp: competent om te leren en te participeren op de werkplek.
1§ 1....
7§ 2. Met behoud van de toepassing van artikel 123/20, kan een leerling die niet meer voltijds leerplichtig is, een verkennende leerlingenstage lopen in een onderneming in elk schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin eventueel met een duaal structuuronderdeel wordt gestart.2§ 2. Met behoud van de toepassing van artikel 123/20, kan een leerling die niet meer voltijds leerplichtig is, een verkennende leerlingenstage lopen in een onderneming in elk schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin eventueel met een duaal structuuronderdeel wordt gestart.
8Die leerlingenstage:3Die leerlingenstage:
+0 −9 codex-secundair-onderwijs/art. 357/10 opgeheven
1In dit artikel wordt verstaan onder:
21° equivalent leefloongerechtigde: de persoon die recht heeft op bijstand van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, waarvoor de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van de federale overheid zijn op basis van artikel 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
32° leefloongerechtigde: de persoon, vermeld in artikel 2 en 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of de behoeftige, vermeld in artikel 5 van de voormelde wet van 2 april 1965.
4Het niet-bindende advies, vermeld in artikel 357/9, wordt gegeven op de volgende wijze:
51° voor een leerling uit een niet-duaal ingericht arbeidsmarktgericht structuuronderdeel en voor een leerling uit een niet-duaal ingericht structuuronderdeel met dubbele finaliteit wordt het advies verplicht gegeven door de klassenraad van dat structuuronderdeel;
62° voor een zijinstromer, die geen leefloongerechtigde of equivalent leefloongerechtigde is, wordt het advies gegeven door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding gaat daarbij na wat de meest passende opleiding in zijn traject naar werk is. Bij een negatief advies voor duaal leren stelt de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding een meer passend opleidings- of begeleidingstraject aan de zijinstromer voor;
73° voor een zijinstromer, die een leefloongerechtigde of equivalent leefloongerechtigde is, wordt het advies gegeven door het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn;
84° in alle andere situaties wordt het advies verstrekt op vraag van de leerling of de betrokken personen, door de klassenraad van het voorafgaande structuuronderdeel of door de trajectbegeleider van de aanbieder duaal leren waar de leerling duaal leren wensen te volgen.
9In afwachting van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019, wordt het advies, vermeld in punt 1°, gegeven in structuuronderdelen die na concordantie door de Vlaamse Regering beschouwd worden als structuuronderdelen met arbeidsmarktgerichte of dubbele finaliteit.
+0 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 357/11 opgeheven
1Om als regelmatige leerling tot een duaal structuuronderdeel te kunnen worden toegelaten, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn:
21° voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht;
32° beantwoorden aan de specifieke toelatingsvoorwaarden tot het duale structuuronderdeel in kwestie zoals bepaald in het standaardtraject; in afwijking hiervan geldt voor leerlingen die hetzij overstappen van een school met een buitenlands onderwijssysteem of van een school die is erkend door de Franse of Duitstalige Gemeenschap van België en al dan niet onthaalonderwijs hebben gevolgd, hetzij overstappen van een school voor buitengewoon secundair onderwijs, behoudens opleidingsvorm 4, een gunstige beslissing met betrekking tot vereiste vooropleiding of studiebewijzen van de klassenraad die beslist over de toelating als toelatingsvoorwaarde, zonder afbreuk te doen aan de specifieke toelatingsvoorwaarden van het duale structuuronderdeel;
43° voor zijinstromers een gunstige beslissing van de klassenraad gekregen hebben.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 357/12 opgeheven
1De klassenraad van een niet-duaal structuuronderdeel beslist over de instap van een leerling die overkomt uit een duaal structuuronderdeel en alleen in het bezit is van een bewijs van beroepskwalificatie, een bewijs van deelkwalificatie of een bewijs van competenties.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 357/13 opgeheven
1Tot en met de eerste lesdag van november kan een leerling van rechtswege instappen in een duaal structuuronderdeel als die leerling voldoet aan de toelatingsvoorwaarden. Leerlingen die na de eerste lesdag van november willen instappen, worden toegelaten via een klassenraad.
+0 −3 codex-secundair-onderwijs/art. 357/14 opgeheven
1De trajectbegeleider en de mentor zijn ambtshalve stemgerechtigde leden van de klassenraad.
2In afwijking van het eerste lid is de mentor geen lid van de klassenraad als die klassenraad zou beslissen over de toelating van leerlingen in het kader van de toelatingsvoorwaarden.
3De Vlaamse Regering bepaalt de praktische afspraken over het functioneren van de mentor in de klassenraad.
+0 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 357/18 opgeheven
1Voor een regelmatige leerling die zijn opleiding in de loop van of op het einde van het schooljaar beëindigt, beslist de klassenraad, na evaluatie, over de studiebekrachtiging. De studiebekrachtiging in duale structuuronderdelen is gebaseerd op onderwijskwalificaties en beroepskwalificaties of op onderdelen ervan.
2De Vlaamse Regering legt de lijst van studiebewijzen vast die uitgereikt kunnen worden in duale structuuronderdelen.
+0 −6 codex-secundair-onderwijs/art. 357/19/1 opgeheven
1Artikel 357/9, § 1, artikel 357/10 tot en met 357/13, artikel 357/14, eerste en tweede lid, artikel 357/16 en artikel 357/18 houden op uitwerking te hebben ingevolge de modernisering van het secundair onderwijs op de volgende data:
21° 14 juni 2022: in het eerste leerjaar van de tweede graad;
32° 31 augustus 2022: in het tweede leerjaar van de tweede graad;
43° 31 augustus 2023: in het eerste leerjaar van de derde graad;
54° 31 augustus 2024: in het tweede leerjaar van de derde graad;
65° 31 augustus 2025: in het derde leerjaar van de derde graad.
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 357/43
1Voor de invulling van een aanloopstructuuronderdeel zijn er twee mogelijkheden:1Voor de invulling van een aanloopstructuuronderdeel zijn er twee mogelijkheden:
21° een aanloopstructuuronderdeel is een bundeling van competenties uit een standaardtraject als vermeld in artikel 357/7;21° een aanloopstructuuronderdeel is een bundeling van competenties uit een duaal structuuronderdeel;
32° een aanloopstructuuronderdeel is een bundeling van competenties uit standaardtrajecten als vermeld in artikel 357/7, die gekoppeld zijn aan een studiedomein of een afgebakend geheel binnen een studiedomein. Deze invulling is enkel mogelijk op niveau van de tweede graad.32° een aanloopstructuuronderdeel is een bundeling van competenties uit duale structuuronderdelen, die gekoppeld zijn aan een studiedomein of een afgebakend geheel binnen een studiedomein. Deze invulling is enkel mogelijk op niveau van de tweede graad.
4De Vlaamse Regering bepaalt de invulling van een aanloopstructuuronderdeel.4De Vlaamse Regering bepaalt de invulling van een aanloopstructuuronderdeel.
5Een aanloopstructuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd.5Een aanloopstructuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 357/46
1§ 1. De aanbieder van de aanloopfase staat in voor de invulling van de aanloopcomponent en kan daarbij beroep doen op een organisator.1§ 1. De aanbieder van de aanloopfase staat in voor de invulling van de aanloopcomponent en kan daarbij beroep doen op een organisator.
2§ 2. De aanloopcomponent is een individueel traject op maat van de leerling. De inhoud en de duur van het individuele traject worden bepaald door het resultaat van de screening, vermeld in artikel 357/47, en worden verankerd in een individueel opleidingsplan, gebaseerd op het standaardtraject.2§ 2. De aanloopcomponent is een individueel traject op maat van de leerling. De inhoud en de duur van het individuele traject worden bepaald door het resultaat van de screening, vermeld in artikel 357/47, en worden verankerd in een individueel opleidingsplan, gebaseerd op het curriculumdossier.
3§ 3. De aanloopcomponent focust op het stimuleren van de arbeidsrijpheid van de leerling en is gericht op:3§ 3. De aanloopcomponent focust op het stimuleren van de arbeidsrijpheid van de leerling en is gericht op:
41° het verbeteren van de arbeidsgerichte competenties van de leerling of;41° het verbeteren van de arbeidsgerichte competenties van de leerling of;
+4 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 357/62
1Voor elk duaal structuuronderdeel wordt één standaardtraject ontwikkeld dat gebaseerd is op een of meerdere beroepskwalificaties, onder coördinatie van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap en in overleg met de betrokken sector, het Gemeenschapsonderwijs, de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs, een afvaardiging van de centra voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. Standaardtrajecten worden op voordracht van de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Werk ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.1Voor elk duaal structuuronderdeel van opleidingsvorm 3 wordt één standaardtraject ontwikkeld dat gebaseerd is op een of meerdere beroepskwalificaties, onder coördinatie van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap en in overleg met de betrokken sector, het Gemeenschapsonderwijs, de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs, een afvaardiging van de centra voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. Standaardtrajecten worden op voordracht van de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Werk ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.
2Een standaardtraject vermeldt in elk geval:2Een standaardtraject vermeldt in elk geval:
31° de reguliere opleidingsduur uitgedrukt in jaren of semesters;31° de reguliere opleidingsduur uitgedrukt in jaren of semesters;
42° de specifieke toelatingsvoorwaarden;42° de specifieke toelatingsvoorwaarden;
53° voor opleidingsvorm 4: de graad en het studiegebied waartoe het structuuronderdeel behoort;
53° ...;
64° voor opleidingsvorm 3: de fase waartoe het structuuronderdeel behoort;64° de fase waartoe het structuuronderdeel behoort;
75° een clustering van beroepsgerichte competenties, die gebaseerd zijn op een of meer beroepskwalificaties;75° een clustering van beroepsgerichte competenties, die gebaseerd zijn op een of meer beroepskwalificaties;
86° in voorkomend geval de algemeen vormende competenties, die gebaseerd zijn op de toepasbare eindtermen voor het overeenstemmende niet-duaal leren voor opleidingsvorm 4 en op de toepasbare ontwikkelingsdoelen voor het overeenstemmend niet-duaal leren voor opleidingsvorm 3, of op de toepasbare eindtermen voor het overeenstemmende niet-duaal leren, als in opleidingsvorm 3 voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 335/1, vierde lid;86° de toepasbare ontwikkelingsdoelen voor het overeenstemmend niet-duaal leren voor opleidingsvorm 3, of op de toepasbare eindtermen voor het overeenstemmende niet-duaal leren, als in opleidingsvorm 3 voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 262, §4;
97° de omvang van de werkplekcomponent;97° de omvang van de werkplekcomponent;
108° welke cluster van competenties of welke combinatie van clusters van competenties die een leerling met vrucht beëindigt, recht geeft op een studiebekrachtiging;108° welke cluster van competenties of welke combinatie van clusters van competenties die een leerling met vrucht beëindigt, recht geeft op een studiebekrachtiging;
+2 −20 codex-secundair-onderwijs/art. 357/65
1§ 1. Artikel 357/9 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
2Artikel 357/10 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
3Artikel 357/11 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat ook de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 293, § 2, en artikel 294, van toepassing zijn.
4Artikel 357/12 tot en met 357/14 zijn ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
5Artikel 357/15 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dien verstande dat de woorden "algemene vorming" voor opleidingsvorm 3 als de woorden "de algemene en sociale vorming" worden gelezen.
6Artikel 357/16 en 357/17 zijn ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
7Artikel 357/18 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat voor opleidingsvorm 3 moet worden aangevuld dat het behalen van de eindstudiebekrachtiging op het einde van de kwalificatiefase of de integratiefase niet tot gevolg mag hebben dat een leerling vóór het jaar waarin hij de leeftijd van achttien jaar bereikt, zijn opleiding of deelname aan het leerplichtonderwijs beëindigt.
8Artikel 357/19 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, als de aanpassingen de werkplekcomponent betreffen.
9§ 2. De bepalingen in paragraaf 1 houden op uitwerking te hebben ingevolge de modernisering van het secundair onderwijs op de volgende data:
101° 14 juni 2022: in het eerste leerjaar van de tweede graad;
112° 31 augustus 2022: in het tweede leerjaar van de tweede graad;
123° 31 augustus 2023:
13a) in het eerste leerjaar van de derde graad;
14b) in het eerste leerjaar van de kwalificatiefase;
154° 31 augustus 2024:
16a) in het tweede leerjaar van de derde graad;
17b) in het tweede leerjaar van de kwalificatiefase;
185° 31 augustus 2025:
19a) in het derde leerjaar van de derde graad;
20b) in de integratiefase.
1§ 1. ...
2§ 2. ...
21§ 3. Artikel 357/9 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.3§ 3. Artikel 357/9 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
22Artikel 357/14 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.4Artikel 357/14 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
+1 −0 decreet-2018-04-27/art. 5
4In de fase uitbreiding van zorg bespreekt het centrum met de school en de leerling de hulpvraag en bepaalt het centrum handelingsgericht welke kernactiviteit het zal inzetten om de hulpvraag te beantwoorden.4In de fase uitbreiding van zorg bespreekt het centrum met de school en de leerling de hulpvraag en bepaalt het centrum handelingsgericht welke kernactiviteit het zal inzetten om de hulpvraag te beantwoorden.
5De Vlaamse Regering kan de verdere operationalisering van de kernactiviteit draaischijffunctie bepalen.5De Vlaamse Regering kan de verdere operationalisering van de kernactiviteit draaischijffunctie bepalen.
6Het centrum beslist, in de fase van uitbreiding van zorg na een vraag van de ouders, in het kader van handelingsgerichte diagnostiek over de toekenning en de duur van het recht op permanent onderwijs aan huis voor een leerling als vermeld in artikel 35 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 118 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. IV.35/1
19Het werkplan, vermeld in het eerste en tweede lid, is minstens één schooljaar geldig. Als de Vlaamse Regering of een van de regio's, vermeld in paragraaf 1, elementen in het werkplan wil wijzigen voor het daaropvolgende schooljaar, kan dat alleen in onderling overleg. Het werkplan wordt bij wijziging opnieuw voorgelegd aan de Vlaamse Regering.19Het werkplan, vermeld in het eerste en tweede lid, is minstens één schooljaar geldig. Als de Vlaamse Regering of een van de regio's, vermeld in paragraaf 1, elementen in het werkplan wil wijzigen voor het daaropvolgende schooljaar, kan dat alleen in onderling overleg. Het werkplan wordt bij wijziging opnieuw voorgelegd aan de Vlaamse Regering.
20§ 4. De werking van het leerlingenvervoer in de regio's, vermeld in paragraaf 1, wordt gemonitord door de Vlaamse Regering.20§ 4. De werking van het leerlingenvervoer in de regio's, vermeld in paragraaf 1, wordt gemonitord door de Vlaamse Regering.
21§ 5. De overgangsregeling zoals omschreven in dit artikel zal vier schooljaren gelden vanaf het schooljaar 2022-2023 .21§ 5. De overgangsregeling zoals omschreven in dit artikel zal vier schooljaren gelden vanaf het schooljaar 2022-2023 en wordt voor twee schooljaren verlengd vanaf het schooljaar 2026-2027.
22De overgangsregeling kan eerder beëindigd worden door de Vlaamse Regering indien er een nieuw regelgevend kader voor het leerlingenvervoer in werking treedt.22De overgangsregeling kan eerder beëindigd worden door de Vlaamse Regering indien er een nieuw regelgevend kader voor het leerlingenvervoer in werking treedt.
+19 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. IV.55/1 nieuw
1De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de begrotingskredieten die daarvoor zijn voorzien, en na een oproep naar respectievelijk scholen en consortia, middelen toekennen in het kader van het project pioniersscholen met het oog op een evolutie naar meer inclusief onderwijs.
2De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag en voor de toekenning van de middelen, vermeld in het eerste lid, voor:
31° de projecten die pioniersscholen vormgeven en dit binnen het kader van het decreet betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs van 9 december 2005;
42° de begeleiding van de pioniersscholen door een consortium;
53° onderzoek ter evaluatie van het project;
6Bij de selectie van de pioniersscholen, vermeld in het tweede lid, 1°, houdt de Vlaamse Regering ten minste rekening met:
71° de kwaliteit en haalbaarheid van de voorgestelde organisatie en werking van de pioniersschool of pioniersscholen, waarbij de kwaliteit en de haalbaarheid min-stens door de volgende elementen wordt aangetoond:
8a) het functioneren van het multidisciplinair team;
9b) het werken richting een evidence informed inclusieve leeromgeving;
10c) de samenwerking met de centra voor leerlingenbegeleiding en de leersteuncentra;
112° de wijze waarop interne kwaliteitszorg wordt georganiseerd, met inbegrip van duidelijke en meetbare doelstellingen;
123° de spreiding van types en opleidingsvormen buitengewoon onderwijs over de pro-jecten heen;
134° de spreiding van projecten op vlak van onderwijsniveaus en regio’s;
145° de spreiding van projecten op het vlak van onderwijsnetten;
156° voor wat het secundair onderwijs betreft: de spreiding van projecten over finaliteiten en domeinen.
16Bij de selectie van het consortium voor de begeleiding, vermeld in het tweede lid, 2°, houdt de Vlaamse Regering ten minste rekening met:
171° de mate waarin de begeleiding blijk geeft van aantoonbare expertise inzake veranderingsmanagement en evidence informed inclusief onderwijs;
182° de mate waarin de begeleiding blijk geeft de pioniersscholen op kwaliteitsvolle wijze te kunnen ondersteunen in hun specifieke opdracht als pioniersschool;
193° de mate waarin het consortium ervaring kan aantonen in de werking met zowel het vrij als het officieel onderwijs.
+1 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. V.65
1Inzake toegekende salarissen, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de salarissen vormen of ermee gelijkstaan, zijn de door de Vlaamse Gemeenschap ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen, als de terugbetaling daarvan niet is gevraagd aan de schoolbesturen of hun personeelsleden binnen een termijn van twee jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, in de vorm zoals bepaald in artikel 16, §2, eerste lid, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.1Inzake toegekende salarissen, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de salarissen vormen of ermee gelijkstaan, zijn de door de Vlaamse Gemeenschap ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen, als de terugbetaling daarvan niet is gevraagd aan de schoolbesturen of hun personeelsleden binnen een termijn van twee jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, in de vorm zoals bepaald in artikel 16, §2, eerste lid, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.
2In afwijking van het eerste lid zijn de ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen, als de terugbetaling daarvan niet is gevraagd aan de schoolbesturen of hun personeelsleden binnen een termijn van één jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, als het salaris foutief berekend werd als gevolg van een administratieve fout van de betalende overheid, waarbij deze laatste tijdig beschikte over alle nodige informatie. Dit lid is enkel van toepassing wanneer er sprake is van foutief berekend salaris. Het is niet van toepassing wanneer het personeelslid ten onrechte een salaris heeft ontvangen voor prestaties die niet werden geleverd, of wanneer het personeelslid voor een onderbreking van zijn opdracht recht heeft op een socialezekerheidsuitkering.
2Te rekenen vanaf de vraag bedoeld in het eerste lid kan het onverschuldigde bedrag worden teruggevorderd gedurende de termijn die in artikel 16, §2, tweede lid, van vermelde wet is bepaald.3Te rekenen vanaf de vraag bedoeld in het eerste lid kan het onverschuldigde bedrag worden teruggevorderd gedurende de termijn die in artikel 16, §2, tweede lid, van vermelde wet is bepaald.
3Inzake toegekende salarissen, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de salarissen vormen of ermee gelijkstaan wordt van de schoolbesturen of hun personeelsleden geen terugbetaling gevorderd van de door de Vlaamse Gemeenschap ten onrechte uitbetaalde sommen, waarvan het totale bedrag 25 euro niet overschrijdt.4Inzake toegekende salarissen, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de salarissen vormen of ermee gelijkstaan wordt van de schoolbesturen of hun personeelsleden geen terugbetaling gevorderd van de door de Vlaamse Gemeenschap ten onrechte uitbetaalde sommen, waarvan het totale bedrag 25 euro niet overschrijdt.
+2 −2 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VI.10
1§1. De Vlaamse Regering biedt een informaticatoepassing aan, die tot doel heeft dat leerlingen zich kunnen identificeren om digitale leermiddelen en toepassingen te gebruiken waarvoor identificatie nodig is. Via de voormelde informaticatoepassing melden leerlingen zich aan bij verschillende dienstenleveranciers met hetzelfde account. De school bepaalt welke leermiddelen of toepassingen de leerling gebruikt. De dienstenleveranciers vragen het gebruik van de informaticatoepassing aan bij de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2. Tijdens die aanvraagprocedure en tijdens de uitvoering worden de verwerkingen beoordeeld die de dienstenleveranciers beogen of uitvoeren.1§1. De Vlaamse Regering biedt een informaticatoepassing aan, die tot doel heeft dat leerlingen zich kunnen identificeren om digitale leermiddelen en toepassingen te gebruiken waarvoor identificatie nodig is. Via de voormelde informaticatoepassing melden leerlingen zich aan bij verschillende dienstenleveranciers met hetzelfde account. De informaticatoepassing voorziet ook in de mogelijkheid om leerlinggegevens te delen met verschillende applicaties via een Application Programming Interface, afgekort API. Per applicatie geeft het schoolbestuur, of de instelling daartoe ge-machtigd, zijn toestemming voor welke leerlingen de gegevens gedeeld kunnen worden. De school bepaalt welke leermiddelen of toepassingen de leerling gebruikt. De dienstenleveranciers vragen het gebruik van de informaticatoepassing aan bij de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2. Tijdens die aanvraagprocedure en tijdens de uitvoering worden de verwerkingen beoordeeld die de dienstenleveranciers beogen of uitvoeren.
2§2. De entiteit die door de Vlaamse Regering wordt belast met de voorbereiding van het Vlaamse onderwijsbeleid, is verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). De voormelde verwerkingsverantwoordelijke verwerkt de gegevens om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust.2§2. De entiteit die door de Vlaamse Regering wordt belast met de voorbereiding van het Vlaamse onderwijsbeleid, is verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). De voormelde verwerkingsverantwoordelijke verwerkt de gegevens om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust.
3§3. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, gebruikt in de informaticatoepassing, vermeld in paragraaf 1, administratieve gegevens die beschikbaar zijn bij de entiteiten van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, conform de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd.3§3. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, gebruikt in de informaticatoepassing, vermeld in paragraaf 1, administratieve gegevens die beschikbaar zijn bij de entiteiten van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, conform de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd.
117° de gegevens waarmee de leerling bij de dienstenleverancier inlogt.117° de gegevens waarmee de leerling bij de dienstenleverancier inlogt.
12De gegevens van de auditlogs en technische logs worden beheerd door de instantie die instaat voor het Vlaamse toegangsen gebruikersbeheer, als verwerker.12De gegevens van de auditlogs en technische logs worden beheerd door de instantie die instaat voor het Vlaamse toegangsen gebruikersbeheer, als verwerker.
13§5. De betrokkenen zijn de leerlingen die het leermiddel of de toepassing moeten gebruiken in het kader van hun onderwijs. De dienstenleveranciers zijn de ontvangers van de gegevens die noodzakelijk zijn voor het doel van de identificatie van de gebruikers of de controle van de gebruiksvoorwaarden . De dienstenleveranciers ontvangen de voor­ en achternaam en de unieke identificator voor de informaticatoepassing, tenzij ze tijdens de aanvraagprocedure aantonen dat ze gerechtigd zijn om ook andere gegevens te ontvangen.13§5. De betrokkenen zijn de leerlingen die het leermiddel of de toepassing moeten gebruiken in het kader van hun onderwijs. De dienstenleveranciers zijn de ontvangers van de gegevens die noodzakelijk zijn om de gebruikers te identificeren, om de gebruiksvoorwaarden te controleren of voor enkel de leerlinggegevensdeling. De dienstenleveranciers ontvangen de voor­ en achternaam en de unieke identificator voor de informaticatoepassing, tenzij ze tijdens de aanvraagprocedure aantonen dat ze gerechtigd zijn om ook andere gegevens te ontvangen.
14§6. De gegevens worden door de verwerkingsverantwoordelijke niet langer bewaard dan twaalf jaar nadat het leerlingenaccount is aangemaakt. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, neemt de nodige maatregelen om de juistheid van de persoonsgegevens te garanderen. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, verduidelijkt in een privacyverklaring welke verwerkingen er gebeuren en neemt met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van de betrokkenen, vermeld in paragraaf 5, in de communicatie met de voormelde betrokkenen of hun onderwijsinstelling een verwijzing op naar de vindplaats van de privacyverklaring.14§6. De gegevens worden door de verwerkingsverantwoordelijke niet langer bewaard dan twaalf jaar nadat het leerlingenaccount is aangemaakt. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, neemt de nodige maatregelen om de juistheid van de persoonsgegevens te garanderen. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, verduidelijkt in een privacyverklaring welke verwerkingen er gebeuren en neemt met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van de betrokkenen, vermeld in paragraaf 5, in de communicatie met de voormelde betrokkenen of hun onderwijsinstelling een verwijzing op naar de vindplaats van de privacyverklaring.
+2 −2 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VIII.4
128° een vertegenwoordiger van de integratiedienst;128° een vertegenwoordiger van de integratiedienst;
139° een vertegenwoordiger van het schoolopbouwwerk;139° een vertegenwoordiger van het schoolopbouwwerk;
1410° een vertegenwoordiger van het betrokken gemeentebestuur of de betrokken gemeentebesturen-in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad: van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Deze persoon treedt niet op in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gemeente, respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie als schoolbestuur.1410° een vertegenwoordiger van het betrokken college van burgemeester en schepenen of de colleges van burgemeester en schepenen of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad: van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Deze persoon treedt niet op in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gemeente, respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie als schoolbestuur.
15De Vlaamse Regering bepaalt welke organen worden belast met de coördinatie van het aanduiden van de in het eerste lid, 4°, 5°, 6°, b) en c), en 7°, bedoelde participanten. De in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 7°, 8° en 10°, bedoelde participanten duiden bij een eerste samenkomst de in het eerste lid, 6°, a), b) en c), en 9°, bedoelde participanten aan. Zij worden daartoe samengeroepen door de in paragraaf 3 bedoelde deskundige.15De Vlaamse Regering bepaalt welke organen worden belast met de coördinatie van het aanduiden van de in het eerste lid, 4°, 5°, 6°, b) en c), en 7°, bedoelde participanten. De in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 7°, 8° en 10°, bedoelde participanten duiden bij een eerste samenkomst de in het eerste lid, 6°, a), b) en c), en 9°, bedoelde participanten aan. Zij worden daartoe samengeroepen door de in paragraaf 3 bedoelde deskundige.
16Het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 10°, is steeds kleiner dan het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°.16Het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 10°, is steeds kleiner dan het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°.
17§ 2. De Vlaamse Regering stelt na overleg met het lokaal overlegplatform een voorzitter aan, die vertrouwd is met het ruime onderwijsveld. De voorzitter zetelt niet in een schoolbestuur en is geen personeelslid van één van de betrokken scholen, scholengroepen, scholengemeenschappen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de vertegenwoordiger van het betrokken lokaal bestuur, of in voorkomend geval, de betrokken lokale besturen.17§ 2. De Vlaamse Regering stelt na overleg met het lokaal overlegplatform een voorzitter aan, die vertrouwd is met het ruime onderwijsveld. De voorzitter zetelt niet in een schoolbestuur en is geen personeelslid van één van de betrokken scholen, scholengroepen, scholengemeenschappen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de vertegenwoordiger van het betrokken lokaal bestuur, of in voorkomend geval, de betrokken lokale besturen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 10°.
18De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de voorzitter wordt vergoed.18De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de voorzitter wordt vergoed.
19§ 3. De Vlaamse Regering voorziet, rekening houdend met artikel VIII.3, § 2, eerste lid, in de subsidiëring van een deskundige die de inhoudelijke en organisatorische ondersteuning van het lokaal overlegplatform waarneemt. Zij bepaalt de nadere aanwervings- en functioneringsvoorwaarden van de deskundige.19§ 3. De Vlaamse Regering voorziet, rekening houdend met artikel VIII.3, § 2, eerste lid, in de subsidiëring van een deskundige die de inhoudelijke en organisatorische ondersteuning van het lokaal overlegplatform waarneemt. Zij bepaalt de nadere aanwervings- en functioneringsvoorwaarden van de deskundige.
+2 −2 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VIII.4/1
139° een vertegenwoordiger van de integratiedienst;139° een vertegenwoordiger van de integratiedienst;
1410° een vertegenwoordiger van het schoolopbouwwerk;1410° een vertegenwoordiger van het schoolopbouwwerk;
1511° een vertegenwoordiger van het betrokken gemeentebestuur of de betrokken gemeentebesturen - in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad: van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Deze persoon treedt niet op in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gemeente, respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie als schoolbestuur.1511° een vertegenwoordiger van het betrokken college van burgemeester en schepenen of de colleges van burgemeester en schepenen of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad: van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Deze persoon treedt niet op in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gemeente, respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie als schoolbestuur.
16De Vlaamse Regering bepaalt welke organen worden belast met de coördinatie van het aanduiden van de in het eerste lid, 4°, 5°, 6°, 7°, b) en c), en 8°, bedoelde participanten.16De Vlaamse Regering bepaalt welke organen worden belast met de coördinatie van het aanduiden van de in het eerste lid, 4°, 5°, 6°, 7°, b) en c), en 8°, bedoelde participanten.
17De in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 8°, 9° en 11°, bedoelde participanten duiden bij een eerste samenkomst de in het eerste lid, 7°, a), b) en c), en 10°, bedoelde participanten aan. Zij worden daartoe samengeroepen door de in paragraaf 3 bedoelde deskundige.17De in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 8°, 9° en 11°, bedoelde participanten duiden bij een eerste samenkomst de in het eerste lid, 7°, a), b) en c), en 10°, bedoelde participanten aan. Zij worden daartoe samengeroepen door de in paragraaf 3 bedoelde deskundige.
18Het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 11°, is steeds kleiner dan het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°.18Het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 11°, is steeds kleiner dan het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°.
19§ 2. De Vlaamse Regering stelt na overleg met het lokaal overlegplatform een voorzitter aan, die vertrouwd is met het ruime onderwijsveld. De voorzitter zetelt niet in een schoolbestuur en is geen personeelslid van één van de betrokken scholen, scholengroepen, scholengemeenschappen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de vertegenwoordiger van het betrokken lokaal bestuur, of in voorkomend geval, de betrokken lokale besturen.19§ 2. De Vlaamse Regering stelt na overleg met het lokaal overlegplatform een voorzitter aan, die vertrouwd is met het ruime onderwijsveld. De voorzitter zetelt niet in een schoolbestuur en is geen personeelslid van één van de betrokken scholen, scholengroepen, scholengemeenschappen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de vertegenwoordiger van het betrokken lokaal bestuur, of in voorkomend geval, de betrokken lokale besturen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 11°.
20De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de voorzitter wordt vergoed.20De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de voorzitter wordt vergoed.
21§ 3. De Vlaamse Regering voorziet, rekening houdend met artikel VIII.3, § 2, eerste lid, in de subsidiëring van een deskundige die de inhoudelijke en organisatorische ondersteuning van het lokaal overlegplatform waarneemt. Zij bepaalt de nadere aanwervings- en functioneringsvoorwaarden van de deskundige.21§ 3. De Vlaamse Regering voorziet, rekening houdend met artikel VIII.3, § 2, eerste lid, in de subsidiëring van een deskundige die de inhoudelijke en organisatorische ondersteuning van het lokaal overlegplatform waarneemt. Zij bepaalt de nadere aanwervings- en functioneringsvoorwaarden van de deskundige.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VIII.9
1De Commissie adviseert en oordeelt naar recht over het recht op inschrijving voor inschrijvingen tot en met het schooljaar 2022-2023 in het gewoon onderwijs en tot en met het schooljaar 2026-2027 in het buitengewoon onderwijs conform artikel 37quater decies en 37sedecies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 110/14 en 110/16 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. De Commissie adviseert en oordeelt naar recht over het recht op inschrijving voor inschrijvingen voor het schooljaar 2023-2024 en verder in het gewoon onderwijs en voor het schooljaar 2027-2028 en verder in het buitengewoon onderwijs conform artikel 37/14, 37/33, 37/34, 37/68, 37/69 en 37/70 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 253/10, 253/28, 253/30, 253/31, 235/59, 253/60 en 253/61 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, en ook bij een weigering of een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school conform artikel 37/43/4 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 295/15 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.1De Commissie adviseert en oordeelt naar recht over het recht op inschrijving voor inschrijvingen tot en met het schooljaar 2022-2023 in het gewoon onderwijs en tot en met het schooljaar 2028-2029 in het buitengewoon onderwijs conform artikel 35, 37quater decies en 37sedecies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 110/14, 110/16 en 118 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. De Commissie adviseert en oordeelt naar recht over het recht op inschrijving voor inschrijvingen voor het schooljaar 2023-2024 en verder in het gewoon onderwijs en voor het schooljaar 2029-2030 en verder in het buitengewoon onderwijs conform artikel 37/14, 37/33, 37/34, 37/68, 37/69 en 37/70 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 253/10, 253/28, 253/30, 253/31, 235/59, 253/60 en 253/61 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, en ook bij een weigering of een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school conform artikel 37/43/4 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 295/15 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
2Tegen een uitspraak van de Commissie staat geen beroep open bij de Vlaamse Regering.2Tegen een uitspraak van de Commissie staat geen beroep open bij de Vlaamse Regering.
+11 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. X/4.1 nieuw
1§1. Vanaf het begrotingsjaar 20TT, dat start in 2026, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, en aan scholen voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, dat start in 2026-2027, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden:
21° de school van gewoon of buitengewoon basisonderwijs of de school van gewoon of buitengewoon secundair onderwijs heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste zeven regelmatige leerlingen meer dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 met een IAC-verslag type 2 in het basison-derwijs of een IAC-verslag opleidingsvorm 1, type 2 of opleidingsvorm 2, type 2 in het secundair onderwijs, waarbij de extra leerlingen van beide opleidingsvor-men per school samen worden geteld;
32° de hoofdvestigingsplaats van de school ligt in een onderwijszone waar in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs samen het aantal regelmatige leerlingen met een IAC-verslag type 2 en een IAC-verslag opleidingsvorm 1, type 2 en opleidingsvorm 2, type 2, op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1;
43° er is geen gelijktijdige daling van leerlingen met een IAC-verslag type 2 en een IAC-verslag type 2, opleidingsvorm 1, en een IAC-verslag type 2, opleidingsvorm 2, in een of meer andere scholen van hetzelfde onderwijsniveau en hetzelfde schoolbestuur die in dezelfde gemeente liggen als de hoofdvestigingsplaats van de begunstigde school, waarbij de omvang van de daling toelaat aan laatstgenoemde school om de norm, vermeld in 1°, te bereiken.
5§2. Voor de maatregel, vermeld in paragraaf 1, wordt vanaf 2026 jaarlijks in een bedrag van 6 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2027 geïndexeerd volgens artikel 85bis, §3, tweede lid, 2°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten het bedrag verhogen.
6Het extra werkingsbudget per school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs en per school voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs voor het schooljaar in kwestie is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal bijkomende regelmatige leerlingen met een IAC-verslag type 2 en een IAC-verslag opleidingsvorm 1, type 2 of opleidingsvorm 2, type 2, in de school op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in de school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs en in de school voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs met een IAC-verslag type 2 en een IAC-verslag opleidingsvorm 1, type 2 of opleidingsvorm 2, type 2 op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 met het werkingsbudget waarin is voorzien binnen de begroting, vermeld in dit artikel, gedeeld door het totale aantal bijkomende regelmatige leerlingen met een IAC-verslag type 2 en een IAC-verslag opleidingsvorm 1, type 2 of opleidingsvorm 2, type 2, op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 in alle scholen voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs en in alle scholen voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen met een IAC-verslag type 2 en een IAC-verslag opleidingsvorm 1, type 2 of opleidingsvorm 2, type 2, op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle scholen voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs en in alle scholen voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.
7Het bedrag dat een school voor buitengewoon basisonderwijs of gewoon basisonderwijs per bijkomende regelmatige leerling ontvangt, kan niet hoger zijn dan 19.278 euro. Het bedrag dat een school voor buitengewoon secundair onderwijs of gewoon secundair onderwijs per bijkomende regelmatige leerling ontvangt, kan niet hoger zijn dan 26.234 euro.
8De bedragen, vermeld in het derde lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2027 geïndexeerd, voor het basisonderwijs conform artikel 85bis, §3, tweede lid, 2°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en voor het secundair onderwijs conform artikel 324, §3, tweede lid, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
9Scholen van gewoon en buitengewoon basisonderwijs en gewoon en buitengewoon secundair onderwijs die voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT die tellen of hertellen op de eerste schooldag van oktober komen voor het schooljaar in kwestie niet in aanmerking voor het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel.
10Leerlingen die permanent onderwijs aan huis volgen als vermeld in artikel 35 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 118 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, komen niet in aanmerking voor het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel.
11Het extra werkingsbudget voor het schooljaar in kwestie wordt aan de schoolbesturen vóór 1 februari van het schooljaar in kwestie betaald.
+0 −27 decreet-2023-06-30/art. 20 opgeheven
1§1. Vanaf het begrotingsjaar 2023 kan de Vlaamse Regering jaarlijks per schooljaar, startend met het schooljaar 2023-2024, binnen de beschikbare begrotingskredieten een extra werkingsbudget toekennen aan gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor gewoon en buitengewoon basisonderwijs en secundair onderwijs die extra capaciteit inrichten voor regelmatige leerlingen met een verslag, IAC-verslag of OV4-verslag. De toekenning gebeurt onder de volgende voorwaarden:
21° de scholen voor buitengewoon onderwijs richten het betreffende type of de betreffende combinatie van type en opleidingsvorm in hun aanbod in op het moment van de aanvraag;
32° de scholen van het gewoon of het buitengewoon onderwijs die extra capaciteit creëren voor leerlingen met een verslag, IAC-verslag of OV4-verslag hebben per type voor het basisonderwijs en per combinatie van type en opleidingsvorm, waarbij de leerlingen per type worden samengeteld over de in aanmerking komende opleidingsvormen heen, in het secundair onderwijs, ten minste 7 regelmatige leerlingen met een verslag, IAC-verslag of OV4-verslag meer op de eerste schooldag van februari van het jaar X, startend in 2024, in vergelijking met het aantal regelmatige leerlingen met een verslag, IAC-verslag of OV4-verslag van het betreffende type op de eerste schooldag van februari van het jaar X-1.
4Voor het schooljaar 2023-2024 kunnen scholen extra werkingsbudget ontvangen als ze extra capaciteit creëren voor leerlingen met een verslag of IAC-verslag van type 2 of 3 van het buitengewoon basisonderwijs en opleidingsvorm 1, type 2 of type 3 en opleidingsvorm 2, type 2 of 3 van het buitengewoon secundair onderwijs.
5De Vlaamse Regering bepaalt vanaf het schooljaar 2024-2025, in functie van de bestaande capaciteitstekorten voor leerlingen met een verslag, IAC- verslag of een OV4-verslag, welke types en welke combinaties van types en opleidingsvormen in aanmerking komen voor extra werkingsbudget.
6De Vlaamse Regering kan, in functie van de bestaande capaciteitstekorten voor leerlingen met een verslag, IAC-verslag of een OV4-verslag, een prioritering tussen de types en de combinaties van types en opleidingsvormen bepalen, alsook een prioritering voor een onderwijsniveau;
73° de scholen die tellen of hertellen op de eerste schooldag van oktober van het jaar X-1 komen niet in aanmerking voor extra werkingsbudget;
84° de leerlingen die permanent onderwijs aan huis volgen op de eerste schooldag van februari van het jaar X kunnen niet meegeteld worden voor het bekomen van het vereiste aantal van minimum 7 bijkomende leerlingen per type of combinatie van type en opleidingsvorm in vergelijking met het aantal op de eerste schooldag van februari van het schooljaar X-1;
95° de scholen dienen tegen uiterlijk 15 juni of op de eerstvolgende werkdag als 15 juni in een weekend valt, van het jaar X-1 een aanvraag in waarin de beoogde bijkomende capaciteit wordt vermeld die zal worden ingericht vanaf de eerste schooldag van september van het jaar X-1. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap stellen daarvoor een digitaal aanvraagformulier ter beschikking;
106° in voorkomend geval, worden de scholen conform de aanvraag, vermeld in punt 5°, gerangschikt volgens de prioritering van de types en de combinaties van types en opleidingsvormen, alsook volgens de prioritering van een onderwijsniveau als vermeld in punt 2°;
117° de school is gelegen in een onderwijszone als vermeld in artikel 53 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 waar zich een capaciteitstekort voordoet voor leerlingen met een verslag, IAC-verslag of OV4-verslag voor de in aanmerking komende types of combinaties van types en opleidingsvormen, vermeld in punt 2°. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap bepalen jaarlijks voor de in aanmerking komende types of combinaties van types en opleidingsvormen een rangorde per type, van de onderwijszones waarin zich een capaciteitstekort stelt door rekening te houden met ontbrekend of ontoereikend aanbod voor de in aanmerking komende types of combinaties van types en opleidingsvormen, op basis van de volgende criteria. Hierbij worden voor het secundair onderwijs de leerlingen per type samengeteld, over de in aanmerking komende opleidingsvormen heen:
12a) eerst de mismatch in absolute cijfers tussen het aantal leerlingen dat ingeschreven is in het buitengewoon onderwijs en woonachtig is in de betreffende onderwijszone (a) en het aantal leerlingen dat ingeschreven is in het buitengewoon onderwijs in een vestigingsplaats voor buitengewoon onderwijs gelegen in de betreffende onderwijszone (b), waarbij het resultaat van (b) min (a) altijd negatief moet zijn;
13b) vervolgens, bij een ex aequo van a), de procentuele uitgaande pendel tussen de woonplaats en de onderwijsplaats voor de leerlingen woonachtig in de betrokken zone, waarbij een hogere pendel tot een hogere rangschikking leidt;
148° binnen de gerangschikte onderwijszones, vermeld in punt 7°, en rekening houdend met het bepaalde in punt 6°, worden de scholen die een aanvraag indienden op hun beurt gerangschikt op basis van het beoogde aantal bijkomende inschrijvingen in verhouding tot het absoluut tekort, vermeld in punt 7°, a), in de onderwijszone voor dat type, waarbij een school die meer extra inschrijvingen realiseert gunstiger wordt gerangschikt dan een school die minder extra inschrijvingen realiseert;
159° in afwijking van punt 7° en 8° en indien er nog te besteden werkingsbudget over is nadat alle aanvragen uit zones met tekorten gehonoreerd zijn, kunnen scholen met aanvragen uit andere onderwijszones gerangschikt worden. Deze scholen worden gerangschikt op basis van de afstand, vermeld in artikel 3, 4°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, van de vestigingsplaats waar extra inschrijvingen gerealiseerd zullen worden tot de grens van de onderwijszone met tekorten. Een school met een vestigingsplaats waar extra inschrijvingen gerealiseerd zullen worden die dichter gelegen is, wordt gunstiger gerangschikt dan een school met een vestigingsplaats die verderaf gelegen is tot de grens van de onderwijszone met tekorten. Bij een ex aequo in afstand wordt de school die meer extra leerlingen inschrijft gunstiger gerangschikt dan een school die minder extra leerlingen inschrijft.
16De scholen die, rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten, gunstig gerangschikt zijn, komen in aanmerking voor extra werkingsbudget. De toewijzing van extra werkingsbudget gebeurt telkens aan de hoogst gerangschikte onderwijszone voor elk type van de hoogst gerangschikte zones tot de laagst gerangschikte zones en daarbinnen van de hoogst naar de laagst gerangschikte scholen. De scholen die niet gunstig gerangschikt zijn, krijgen een brief met de motivering waarom ze niet gunstig gerangschikt werden.
17Het extra werkingsbudget bedraagt voor het schooljaar 2023-2024 18.000 euro per extra leerling met een verslag, IAC-verslag in het basisonderwijs en
1824.00 euro per extra leerling met een verslag, IAC-verslag of OV4-verslag in het secundair onderwijs. Deze bedragen worden jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt conform de volgende formule:
19A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
201° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
212° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
22§2. Het extra werkingsbudget wordt aangewend voor de personeels- en werkingskosten die verbonden zijn aan de inrichting van extra capaciteit.
23§3. Een eerste schijf van 60% wordt, uiterlijk op 31 december van het jaar X-1, uitbetaald op basis van het beoogde aantal leerlingen die per type bijkomend zullen worden ingeschreven, vermeld in paragraaf 1, 5°. Het saldo van maximaal 40% wordt uiterlijk op 30 juni van het jaar X uitbetaald na verificatie van het werkelijke aantal bijkomende inschrijvingen per type op de eerste schooldag van februari van het jaar X in vergelijking met de eerste schooldag van februari van het jaar X-1.
24Indien het vooropgestelde minimum van 7 leerlingen niet wordt gehaald, wordt alle extra werkingsbudget teruggevorderd, behalve in geval van overmacht. Indien door overmacht het vooropgestelde minimum van 7 leerlingen niet wordt gehaald, wordt er uitbetaald voor het aantal leerlingen dat effectief extra is ingeschreven.
25Indien evenveel leerlingen werden ingeschreven als vooropgesteld in de aanvraag, krijgt de school het saldo volledig uitbetaald.
26Indien er meer leerlingen werden ingeschreven dan vooropgesteld in de aanvraag, wordt er uitbetaald tot het aantal leerlingen uit de aanvraag.
27Indien er minder leerlingen werden ingeschreven dan vooropgesteld in de aanvraag, maar het vooropgestelde minimum van 7 leerlingen werd bereikt, wordt berekend hoeveel de school nog als saldo moet ontvangen of hoeveel er teruggevorderd zal worden van de eerste schijf van 60%. De berekening gebeurt op basis van het aantal extra leerlingen dat daadwerkelijk extra werd ingeschreven.
+1 −1 decreet-2017-07-07/art. 5
107° Federatie Centra voor Basiseducatie: de belangenorganisatie van de centra voor basiseducatie;107° Federatie Centra voor Basiseducatie: de belangenorganisatie van de centra voor basiseducatie;
118° kamer van beroep: de kamer van beroep, vermeld in artikel 69 van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs;118° kamer van beroep: de kamer van beroep, vermeld in artikel 69 van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs;
129° leeftijdsgrens: het einde van het schooljaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt;
129° ...;
1310° lokaal onderhandelingscomité: het lokale overleg- of onderhandelingsorgaan dat bevoegd is op het vlak van arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden;1310° lokaal onderhandelingscomité: het lokale overleg- of onderhandelingsorgaan dat bevoegd is op het vlak van arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden;
1411° Medex: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen;1411° Medex: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen;
+2 −0 decreet-2017-07-07/art. 17/1 nieuw
1Als het centrumbestuur voor een tijdelijk of vastbenoemd personeelslid voor wie volgens artikel 41 van de arbeidswet van 16 maart 1971 een risico is vastgesteld, geen toepassing kan maken van de maatregelen, vermeld in artikel 42, §1, eerste lid, 1° of 2°, van de voormelde wet, moet het centrumbestuur dat personeelslid belasten met in haar toestand toelaatbare pedagogische taken of, als het personeelslid niet in het bezit is van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs, met in haar toestand toelaatbare administratieve taken in een niet-organieke betrekking in haar ambt in het centrum waar het personeelslid is aangesteld. Daarbij geldt steeds dat de afstand over de openbare weg tussen de standplaats als vermeld in artikel 31, §3 en artikel 40, §3 en de plaats van tewerkstelling waar het personeelslid wordt belast met de hiervoor vermelde taken, nooit meer dan 25 kilometer mag bedragen. Dat geldt niet als het per-soneelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden.
2Tijdens de periode waarin het personeelslid met een niet-organieke betrekking als vermeld in het eerste lid wordt belast, is het personeelslid in dienstactiviteit. Het personeelslid blijft titularis van haar betrekking, behoudt daarbij haar salaris en kan worden vervangen hetzij volgens artikel 128ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs voor de vervanging van een leraar basiseducatie, hetzij volgens de gebruikelijke vervangingsregeling voor de vervanging van ande-re ambten dan de leraar basiseducatie.
+2 −2 decreet-2017-07-07/art. 32
76° als het personeelslid zonder geldige reden zijn betrekking verlaat en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft;76° als het personeelslid zonder geldige reden zijn betrekking verlaat en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft;
87° als het personeelslid zich bevindt in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;87° als het personeelslid zich bevindt in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;
98° als het personeelslid met rustpensioen gaat wegens het bereiken van de leeftijdsgrens, tenzij het betrokken personeelslid en het centrumbestuur overeenkomen de aanstelling te verlengen, telkens met maximaal één schooljaar;
98° ...;
109° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;109° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;
1110° bij ontslag wegens dringende reden;1110° bij ontslag wegens dringende reden;
1312° als het personeelslid wordt toegelaten tot het definitieve vroegtijdige pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;1312° als het personeelslid wordt toegelaten tot het definitieve vroegtijdige pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;
1413° uiterlijk op het einde van het schooljaar. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor onbepaalde duur.1413° uiterlijk op het einde van het schooljaar. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor onbepaalde duur.
15Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens, vermeld in het eerste lid, 8°, als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Die aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 van dit decreet. Het personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur.15Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Die aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 van dit decreet. Het personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur.
+1 −1 decreet-2017-07-07/art. 41
65° hij wordt toegelaten tot het definitieve vroegtijdige pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;65° hij wordt toegelaten tot het definitieve vroegtijdige pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;
76° hij na terugroeping in actieve dienst zonder gegronde redenen weigert de door het centrumbestuur aangewezen betrekking te bekleden;76° hij na terugroeping in actieve dienst zonder gegronde redenen weigert de door het centrumbestuur aangewezen betrekking te bekleden;
87° hij met rustpensioen gaat wegens het bereiken van de leeftijdsgrens, tenzij het betrokken personeelslid en het centrumbestuur overeenkomen de aanstelling te verlengen, telkens met maximaal één schooljaar.
87° ...
9Het ontslag wordt ter kennis gebracht van het personeelslid. Die kennisgeving kan op straffe van nietigheid alleen gebeuren hetzij met een aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van de verzending ervan, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.9Het ontslag wordt ter kennis gebracht van het personeelslid. Die kennisgeving kan op straffe van nietigheid alleen gebeuren hetzij met een aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van de verzending ervan, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.
10Het centrumbestuur motiveert het ontslag.10Het centrumbestuur motiveert het ontslag.
+1 −1 decreet-2017-07-07/art. 58
65° hij wordt toegelaten tot het definitieve vroegtijdige pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;65° hij wordt toegelaten tot het definitieve vroegtijdige pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;
76° hij na terugroeping in actieve dienst zonder gegronde redenen weigert de door het centrumbestuur aangewezen betrekking te bekleden;76° hij na terugroeping in actieve dienst zonder gegronde redenen weigert de door het centrumbestuur aangewezen betrekking te bekleden;
87° hij met rustpensioen gaat wegens het bereiken van de leeftijdsgrens, tenzij het betrokken personeelslid en het centrumbestuur overeenkomen de aanstelling te verlengen, telkens met maximaal één schooljaar.
87° ...
9Deze beëindiging wordt ter kennis gebracht van de directeur. Die kennisgeving kan op straffe van nietigheid alleen gedaan worden met een aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van de verzending ervan, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.9Deze beëindiging wordt ter kennis gebracht van de directeur. Die kennisgeving kan op straffe van nietigheid alleen gedaan worden met een aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van de verzending ervan, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.
10Het centrumbestuur motiveert het ontslag.10Het centrumbestuur motiveert het ontslag.
+5 −0 decreet-2017-07-07/art. 88/1 nieuw
1In afwijking van artikel 86, § 1, kan het centrumbestuur de aanstelling of benoeming beëindigen van een personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft. In afwijking van artikel 88, § 1 neemt het centrumbestuur daarbij een opzeggingstermijn in acht die maximaal 26 weken bedraagt. Het centrumbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzegging wordt gemotiveerd.
2Met behoud van de toepassing van het eerste lid, kan het personeelslid bij het voltooien van de opzeggingstermijn voortwerken tot het einde van de maand waarin het personeelslid de opzeggingstermijn volbracht heeft.
3De opzeggingstermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending.
4Het centrumbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het centrumbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn.
5Artikel 88, § 5 is niet van toepassing op een ontslag van een personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt.
+10 −0 decreet-2017-07-07/art. 88/2 nieuw
1Het centrumbestuur mag de tijdelijke aanstelling of vaste benoeming van een personeelslid, met toepassing van artikel 88/1 van dit decreet, niet eenzijdig beëindigen om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening door het personeelslid volgens de geldende regelgeving van een van de volgende rechten:
21° het recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling;
32° het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
43° het recht op afwezigheid voor verminderde prestaties voor zorgdoeleinden;
54° het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen;
65° het recht om een nevenactiviteit uit te oefenen, binnen de grenzen van de cumulatieregeling en de regeling rond onverenigbaarheden van het centrumbestuur;
76° het recht op een ambtswijziging of om werk met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden te vragen.
8Het verbod, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag van de aanvraag van een van de rechten, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof dat ingaat op de dag van de geboorte van het kind.
9Het centrumbestuur deelt het personeelslid schriftelijk mee wat de redenen voor het ontslag zijn.
10Als de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan de uitoefening van een recht, als vermeld in het eerste lid, waarvan het personeelslid gebruik maakt of als er geen reden voor het ontslag is opgegeven, als vermeld in het derde lid, betaalt het centrumbestuur aan het personeelslid aanvullend op de opzegtermijn of -vergoeding een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden. Die forfaitaire vergoeding kan bij het ontslag van een personeelslid niet samen genoten worden met andere vergoedingen die in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag zijn bepaald.
+1 −5 decreet-2022-06-03-1037193/art. 24
1In afwijking van artikel 26bis/1 van hetzelfde decreet geldt de termijn voor het indienen van een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap niet voor het huisonderwijs dat wordt georganiseerd voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan . Voor die kinderen kan dus op elk moment een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.1In afwijking van artikel 26bis/1 van hetzelfde decreet geldt de termijn voor het indienen van een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap niet voor het huisonderwijs dat wordt georganiseerd voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan als die kinderen bij de start van het schooljaar minder dan één jaar geleden voor het eerst zijn gedomicilieerd in België of als die kinderen voor 1 januari 2027 twaalf jaar of ouder zijn. Voor die kinderen kan dus op elk moment een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
2Met behoud van de toepassing van het eerste lid en in afwijking van artikel 26bis/1 van hetzelfde decreet geldt voor het huisonderwijs dat gefaciliteerd en ondersteund wordt door het lokaal bestuur, vermeld in artikel 2, dat:
31° de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs ook wordt ingediend voor nog niet leerplichtige kinderen;
42° het lokaal bestuur de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs indient voor elk kind waarvoor het lokaal bestuur subsidies als vermeld in artikel 2 ontvangt om het huisonderwijs te ondersteunen en te faciliteren;
53° de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie alleen de bijhorende informatie over het huisonderwijs, vermeld in artikel 26bis/1, § 1, tweede lid, 1°, van hetzelfde decreet bevat, met uitzondering van de persoonsgegevens van de ouders, alsook de bijhorende informatie, vermeld in artikel 26bis/1, § 1, tweede lid, 4°, van hetzelfde decreet bevat.
+1 −1 decreet-2022-06-03-1037193/art. 25
1Artikel 26bis/2 tot en met 26quater van hetzelfde decreet zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat georganiseerd wordt voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan .1Artikel 26bis/2 tot en met 26quater van hetzelfde decreet zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat georganiseerd wordt voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan als die kinderen bij de start van het schooljaar minder dan één jaar geleden voor het eerst zijn gedomicilieerd in België of voor zover die kinderen voor 1 januari 2027 twaalf jaar of ouder zijn.
+1 −5 decreet-2022-06-03-1037193/art. 38
1In afwijking van artikel 110/29, § 1, van dezelfde codex geldt de termijn voor het indienen van een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap niet voor het huisonderwijs dat wordt georganiseerd voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan . Voor die kinderen kan dus op elk moment een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.1In afwijking van artikel 110/29, § 1, van dezelfde codex geldt de termijn voor het indienen van een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap niet voor het huisonderwijs dat wordt georganiseerd voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan als die kinderen bij de start van het schooljaar minder dan één jaar geleden voor het eerst zijn gedomicilieerd in België of voor zover die kinderen voor 1 januari 2027 zestien jaar of ouder zijn. Voor die kinderen kan dus op elk moment een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
2Met behoud van de toepassing van het eerste lid en in afwijking van artikel 110/29 van dezelfde codex geldt voor het huisonderwijs, vermeld in artikel 2, dat gefaciliteerd en ondersteund wordt door het lokaal bestuur dat:
31° de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over huisonderwijs ook wordt ingediend voor nog niet leerplichtige kinderen;
42° het lokaal bestuur de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs indient voor elk kind waarvoor een lokaal bestuur subsidies als vermeld in artikel 2 ontvangt om het huisonderwijs te ondersteunen en te faciliteren;
53° de verklaring van huisonderwijs alleen de bijhorende informatie over het huisonderwijs, vermeld in artikel 110/29, § 1, eerste lid, 1°, van dezelfde codex bevat, met uitzondering van de persoonsgegevens van de ouders, alsook de bijhorende informatie, vermeld in artikel 110/29, § 1, eerste lid, 4°, van dezelfde codex.
+1 −1 decreet-2022-06-03-1037193/art. 39
1Artikel 110/30 tot en met 110/32 van dezelfde codex zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat georganiseerd wordt voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan .1Artikel 110/30 tot en met 110/32 van dezelfde codex zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat georganiseerd wordt voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan voor zover die kinderen bij de start van het schooljaar minder dan één jaar geleden voor het eerst gedomicilieerd waren in België of voor zover die kinderen voor 1 janu-ari 2027 de leeftijd van 16 jaar of ouder bereikt hebben.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd