§ flandrepo

Decreet over de lerenden en de organisatie in het onderwijs

Vlaamse Regering #312 Staatsblad 8 augustus 2025 NUMAC 2025005931
109 artikels gewijzigd
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.78
287° Biomedische wetenschappen, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;287° Biomedische wetenschappen, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;
298° Onderwijskunde, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend.298° Onderwijskunde, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend.
30Op het grondgebied van de stad Kortrijk kan de Katholieke Universiteit Leuven in het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde de opleiding master in de handelswetenschappen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graad van master verlenen.
31Voor de erkenning door de Vlaamse Regering van de opleiding, vermeld in het eerste lid, zijn de regels, vermeld in artikel II.153, §2 tot en met §6, niet van toepassing. De Katholieke Universiteit Leuven dient voor de opleiding, vermeld in het eerste lid, onmiddellijk een dossier in bij de accreditatieorganisatie.
30§3. In de vestiging Brussel-Hoofdstad kan de Katholieke Universiteit Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden:32§3. In de vestiging Brussel-Hoofdstad kan de Katholieke Universiteit Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden:
311° Architectuur, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;331° Architectuur, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;
+7 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.79
41° Toegepaste economische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;41° Toegepaste economische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;
52° Wetenschappen, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;52° Wetenschappen, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;
63° Geneeskunde, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;63° Geneeskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;
74° Verkeerskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;74° Verkeerskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;
85° Revalidatiewetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;85° Revalidatiewetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;
12§ 3. De Universiteit Hasselt kan in het administratief arrondissement Hasselt de educatieve masteropleiding Wetenschappen en Technologie aanbieden en de desbetreffende graad van master uitreiken in het studiegebied Wetenschappen. Zij sluit hiertoe een samenwerkingsovereenkomst af met een andere Vlaamse universiteit die bevoegd is om deze masteropleiding te organiseren.12§ 3. De Universiteit Hasselt kan in het administratief arrondissement Hasselt de educatieve masteropleiding Wetenschappen en Technologie aanbieden en de desbetreffende graad van master uitreiken in het studiegebied Wetenschappen. Zij sluit hiertoe een samenwerkingsovereenkomst af met een andere Vlaamse universiteit die bevoegd is om deze masteropleiding te organiseren.
13§ 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 en 3 kan de Universiteit Hasselt in het administratief arrondissement Hasselt de volgende academisch gerichte opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen:13§ 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 en 3 kan de Universiteit Hasselt in het administratief arrondissement Hasselt de volgende academisch gerichte opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen:
141° in het studiegebied Geneeskunde de opleiding master in de verpleegen vroedkunde en de daarop betrekking hebbende graad van master verlenen;
152° in het studiegebied Geneeskunde de opleiding master Systeemen procesinnovatie in de gezondheidszorg en de daarop betrekking hebbende graad van master verlenen;
141° ...;
152° ...;
163° in het studiegebied Wetenschappen de opleiding master in Materiomics en de daarop betrekking hebbende graad van master verlenen;163° in het studiegebied Wetenschappen de opleiding master in Materiomics en de daarop betrekking hebbende graad van master verlenen;
174° in het studiegebied Politieke en Sociale Wetenschappen de opleiding bachelor in de sociale wetenschappen en de daarop betrekking hebbende graad van bachelor verlenen.174° in het studiegebied Politieke en Sociale Wetenschappen de opleiding bachelor in de sociale wetenschappen en de daarop betrekking hebbende graad van bachelor verlenen;
185° in het studiegebied Politieke en Sociale Wetenschappen de oplei-ding master in de Sociale Wetenschappen.
19Voor de erkenning door de Vlaamse Regering van de opleiding, vermeld in het eerste lid, 5°, zijn de regels, vermeld in artikel II.153, §2 tot en met §6, niet van toepassing. De Universiteit Hasselt dient voor de opleiding, vermeld in het eerste lid, onmiddellijk een dossier in bij de accreditatieor-ganisatie.
20Voor de opleiding master in de Geneeskunde in het studiegebied Ge-neeskunde sluit de Universiteit Hasselt een samenwerkingsovereenkomst af met een andere Vlaamse universiteit die bevoegd is om die masteroplei-ding te organiseren.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.114/1
6Deel 2, titel 3, hoofdstuk 5, is voor deze erkenning niet van toepassing.6Deel 2, titel 3, hoofdstuk 5, is voor deze erkenning niet van toepassing.
7De Vlaamse Regering kan een masteropleiding voor basisonderwijs erkennen na ontvangst van een positief toetsingsbesluit van de accreditatieorganisatie, vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3/1, onderafdeling 4. De Vlaamse Regering neemt het besluit tot erkenning van de nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positief toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. De opleiding krijgt een erkenning als nieuwe opleiding tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang van de masteropleiding voor basisonderwijs voor de eerste keer geheel doorlopen werd.7De Vlaamse Regering kan een masteropleiding voor basisonderwijs erkennen na ontvangst van een positief toetsingsbesluit van de accreditatieorganisatie, vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3/1, onderafdeling 4. De Vlaamse Regering neemt het besluit tot erkenning van de nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positief toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. De opleiding krijgt een erkenning als nieuwe opleiding tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang van de masteropleiding voor basisonderwijs voor de eerste keer geheel doorlopen werd.
8De hogescholen en de universiteiten die de gezamenlijk georganiseerde masteropleiding voor basisonderwijs aanbieden, sluiten een overeenkomst die afspraken bevat omtrent het opleidingsprogramma, de wijze van administratie van de studenten en de financiële transacties tussen de instellingen. De financiering vanuit de werkingsenveloppe wordt als volgt verdeeld: de opgenomen studiepunten in een master basisonderwijs worden naar rato van de werklast verdeeld over de verschillende aanbieders, met minstens 30% voor de deelnemende hogescholen.8De universiteit en hogescholen die in de opleiding zijn betrokken sluiten een overeenkomst die afspraken bevat over het opleidingsprogramma, de wijze van administratie van de studenten en de financiële transacties tussen de instellingen. De overeenkomst legt ook vast op welke wijze de gegenereerde middelen, op basis van de vastgestelde financieringspunten van de opleiding, worden verdeeld. Bij deze verdeling wordt rekening gehouden met de werklast van de verschillende betrokken partners, en wordt minstens 30 procent van de gegenereerde middelen door de universiteit overgedragen aan de deelnemende hogescholen.
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.124/1
54° het tarief voor de opleidingsaccreditatie, vermeld in hoofdstuk 9/1, afdeling 4, bedraagt per opleiding ten minste 500 euro en ten hoogste 2000 euro.54° het tarief voor de opleidingsaccreditatie, vermeld in hoofdstuk 9/1, afdeling 4, bedraagt per opleiding ten minste 500 euro en ten hoogste 2000 euro.
65° het tarief voor de toets nieuwe opleiding, vermeld in artikel II.153/5, bedraagt per opleiding ten minste 500 euro en ten hoogste 2000 euro;65° het tarief voor de toets nieuwe opleiding, vermeld in artikel II.153/5, bedraagt per opleiding ten minste 500 euro en ten hoogste 2000 euro;
76° het tarief voor de opleidingsaccreditatie, vermeld in artikel II.170/12, vierde lid en II.170/17, § 3, bedraagt per opleiding ten minste 500 euro en ten hoogste 2000 euro.76° het tarief voor de opleidingsaccreditatie, vermeld in artikel II.170/12, vierde lid en II.170/17, § 3, bedraagt per opleiding ten minste 500 euro en ten hoogste 2000 euro;
87° het tarief voor de beperkte review, vermeld in artikel II.170/8, §1, 2°, bedraagt per instelling ten hoogste 80 procent van het tarief voor de instellingsreview.
8Vanaf 2020 worden de bedragen, vermeld in het eerste lid, en de bedragen die de Vlaamse minister bevoegd voor onderwijs bepaald heeft overeenkomstig dit lid, aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 september 2019. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal.9Vanaf 2020 worden de bedragen, vermeld in het eerste lid, en de bedragen die de Vlaamse minister bevoegd voor onderwijs bepaald heeft overeenkomstig dit lid, aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 september 2019. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal.
+2 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.124/2
1§ 1. De accreditatieorganisatie voert jaarlijkse systeembrede analyses uit in het hoger onderwijs. Deze analyses brengen goede praktijken inzake onderwijsbeleid en onderwijskwaliteit in beeld en bieden de mogelijkheid om van elkaar te leren.1§ 1. De accreditatieorganisatie voert systeembrede analyses uit in het hoger onderwijs. Deze analyses brengen goede praktijken inzake onderwijsbeleid en onderwijskwaliteit in beeld en bieden de mogelijkheid om van elkaar te leren.
2§ 2. De instellingen, vermeld in artikel II.2 en II.3, nemen tijdens een periode van zes jaar ten minste twee keer deel aan een systeembrede analyse.
3Voor de toepassing van het eerste lid worden de transnationale Universiteit Limburg en de Universiteit Hasselt als één instelling beschouwd.
4De VLUHR, de studentenkoepelverenigingen, de accreditatieorganisatie en de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering leggen samen de onderwerpen en de kalender vast. De eerste periode van zes jaar gaat van start in het academiejaar 2020-2021.
2§ 2. ...
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/2
2De accreditatieorganisatie organiseert voor elke instelling als vermeld in artikel II.2 en II.3, een instellingsreview in de periode die loopt vanaf het begin van het academiejaar 2020-2021 tot en met het einde van het academiejaar 2024-2025. Vervolgens organiseert de accreditatieorganisatie voor elke instelling als vermeld in artikel II.2 en II.3, elke zes jaar een instellingsreview.2De accreditatieorganisatie organiseert voor elke instelling als vermeld in artikel II.2 en II.3, een instellingsreview in de periode die loopt vanaf het begin van het academiejaar 2020-2021 tot en met het einde van het academiejaar 2024-2025. Vervolgens organiseert de accreditatieorganisatie voor elke instelling als vermeld in artikel II.2 en II.3, elke zes jaar een instellingsreview.
3De accreditatieorganisatie legt in overleg met de VLUHR als koepelorganisatie de kalender van de instellingsreviews vast.3De accreditatieorganisatie legt in overleg met de VLUHR als koepelorganisatie de kalender van de instellingsreviews vast.
4In afwijking van het eerste lid kan een instelling die onderwijsbevoegdheid heeft voor één studiegebied, beslissen om niet te worden onderworpen aan een instellingsreview. De instelling meldt die beslissing aan de accreditatieorganisatie en aan de Vlaamse minister bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk twee jaar voor de geldigheidsduur van het besluit instellingsreview afloopt. Voor de accreditatie van de opleidingen van die instelling wordt de procedure, vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 9/1, afdeling 4, gevolgd en gelden de rechtsgevolgen, vermeld in artikel II.170/18, §4. In afwijking van artikel II.170/15, eerste lid, moet de instelling in het kader van de organisatie van de externe beoordelingen, vermeld in artikel II.170/17, §1, een beroep doen op de accreditatieorganisatie als evaluatieorgaan.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.170/9
10De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma als vermeld in artikel II.171, wordt verleend op gezamenlijke aanvraag van de betrokken Vlaamse instellingsbesturen.10De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma als vermeld in artikel II.171, wordt verleend op gezamenlijke aanvraag van de betrokken Vlaamse instellingsbesturen.
11De accreditatieaanvraag wordt ingediend uiterlijk acht maanden voor de lopende accreditatie of de erkenning als nieuwe opleiding verstrijkt. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In die termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen.11De accreditatieaanvraag wordt ingediend uiterlijk acht maanden voor de lopende accreditatie of de erkenning als nieuwe opleiding verstrijkt. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In die termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen.
12De toelating voor de organisatie van de opleidingen, vermeld in het eerste lid, 7°, vervalt op het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die bepaald is voor de nieuwe opleiding, voor de eerste keer geheel doorlopen werd. De accreditatieaanvraag voor die opleidingen wordt ingediend uiterlijk elf maanden voor de toelating verstrijkt. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In die termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen.
12In afwijking van het tweede lid dient er voor het gezamenlijk organiseren door meerdere hogeronderwijsinstellingen van een verkort traject van opleidingen die geaccrediteerd zijn bij elk van de betrokken instellingen geen accreditatieaanvraag te worden ingediend.13In afwijking van het tweede lid dient er voor het gezamenlijk organiseren door meerdere hogeronderwijsinstellingen van een verkort traject van opleidingen die geaccrediteerd zijn bij elk van de betrokken instellingen geen accreditatieaanvraag te worden ingediend.
13§ 2. Als een instelling een negatief besluit instellingsreview heeft, dan kan de accreditatieorganisatie, in overleg met de betrokken instelling, de accreditatietermijn van de opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in de geldigheidsduur van het negatief besluit, aanpassen. In dat geval wordt ervoor gezorgd dat alle opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in deze geldigheidsduur van het negatieve besluit een nieuwe accreditatie aanvragen binnen de geldigheidsduur van dit negatief besluit.14§ 2. Als een instelling een negatief besluit instellingsreview heeft, dan kan de accreditatieorganisatie, in overleg met de betrokken instelling, de accreditatietermijn van de opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in de geldigheidsduur van het negatief besluit, aanpassen. In dat geval wordt ervoor gezorgd dat alle opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in deze geldigheidsduur van het negatieve besluit een nieuwe accreditatie aanvragen binnen de geldigheidsduur van dit negatief besluit.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.171
7§4. De hogescholen of de universiteiten die een gezamenlijk georganiseerde opleiding zoals bedoeld in paragraaf 1 en paragraaf 2 aanbieden, sluiten een overeenkomst die afspraken bevat omtrent het opleidingsprogramma, de wijze van administratie van de studenten en de financiële transacties tussen de instellingen.7§4. De hogescholen of de universiteiten die een gezamenlijk georganiseerde opleiding zoals bedoeld in paragraaf 1 en paragraaf 2 aanbieden, sluiten een overeenkomst die afspraken bevat omtrent het opleidingsprogramma, de wijze van administratie van de studenten en de financiële transacties tussen de instellingen.
8§5. Universiteiten of hogescholen kunnen voor de toepassing van dit artikel besluiten de uitreiking van gezamenlijke diploma’s te differentiëren per afstudeerrichting.8§5. Universiteiten of hogescholen kunnen voor de toepassing van dit artikel besluiten de uitreiking van gezamenlijke diploma’s te differentiëren per afstudeerrichting.
9§6. Als de aanvangsdatum van de erkenningen als nieuwe opleiding of van de accreditatie van de opleidingen die als een gezamenlijk verkort traject worden georganiseerd als vermeld in artikel II.170/9, §1, vierde lid, verschillend is, dan geldt als aanvangsdatum van de erkenning als nieuwe opleiding of van de accreditatie van dit gezamenlijk georganiseerd verkort traject de vroegste aanvangsdatum van de apart georganiseerde opleidingen van de betrokken instellingen.9§6. Als de aanvangsdatum van de erkenningen als nieuwe opleiding of van de accreditatie van de opleidingen die als een gezamenlijk verkort traject worden georganiseerd als vermeld in artikel II.170/9, §1, vijfde lid, verschillend is, dan geldt als aanvangsdatum van de erkenning als nieuwe opleiding of van de accreditatie van dit gezamenlijk georganiseerd verkort traject de vroegste aanvangsdatum van de apart georganiseerde opleidingen van de betrokken instellingen.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.210
62° voor het variabel gedeelte : 4 euro per opgenomen studiepunt.62° voor het variabel gedeelte : 4 euro per opgenomen studiepunt.
7De bepalingen in het eerste en tweede lid gelden niet voor een inschrijving in een bachelor-na-bacheloropleiding en een master-na-masteropleiding.7De bepalingen in het eerste en tweede lid gelden niet voor een inschrijving in een bachelor-na-bacheloropleiding en een master-na-masteropleiding.
8§2. Studenten die het laatste jaar secundair onderwijs volgen en die met een creditcontract voor maximaal 10 studiepunten ingeschreven zijn in het hoger onderwijs, betalen 52,5 euro8§2. Voor studenten van de derde graad secundair onderwijs die met een creditcontract voor maximaal twaalf studiepunten ingeschreven zijn in het hoger onderwijs, bedraagt het studiegeld 52,5 euro.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.378
3De Vlaamse Regering neemt de aanvullende maatregelen die nodig zijn voor de gelijkschakeling van de andere graden die in het hoger onderwijs werden verleend overeenkomstig de voorschriften zoals die op het ogenblik van de uitreiking luidden, met de graad van bachelor of master.3De Vlaamse Regering neemt de aanvullende maatregelen die nodig zijn voor de gelijkschakeling van de andere graden die in het hoger onderwijs werden verleend overeenkomstig de voorschriften zoals die op het ogenblik van de uitreiking luidden, met de graad van bachelor of master.
4§2. De graad van gegradueerde, die een Centrum voor Volwassenenonderwijs heeft uitgereikt ten aanzien van een op grond van artikel II.138 geaccrediteerde opleiding, in de periode voorafgaand aan de uitreiking van het nieuwe bachelordiploma door de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling of door het overdragende Centrum voor Volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling gezamenlijk in toepassing van artikel II.138, § 4, is gelijkgesteld met de graad van bachelor. De houders van die graden zijn gerechtigd tot het voeren van de titel van bachelor.4§2. De graad van gegradueerde, die een Centrum voor Volwassenenonderwijs heeft uitgereikt ten aanzien van een op grond van artikel II.138 geaccrediteerde opleiding, in de periode voorafgaand aan de uitreiking van het nieuwe bachelordiploma door de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling of door het overdragende Centrum voor Volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling gezamenlijk in toepassing van artikel II.138, § 4, is gelijkgesteld met de graad van bachelor. De houders van die graden zijn gerechtigd tot het voeren van de titel van bachelor.
5§3. De opleiding tot lijnpiloot georganiseerd door een door het Belgisch Bestuur van de Luchtvaart erkende privé-instelling wordt gelijkgesteld met een professionele bacheloropleiding.
5§3....
+1 −0 decreet-2007-06-15/art. 2
53° beroepsprofiel : een geordende opsomming van taken die door de ervaren beroepsbeoefenaar worden uitgeoefend en van de kwaliteitsnormen en beroepsvereisten die daarvoor gelden;53° beroepsprofiel : een geordende opsomming van taken die door de ervaren beroepsbeoefenaar worden uitgeoefend en van de kwaliteitsnormen en beroepsvereisten die daarvoor gelden;
63° bis bevolkingsdichtheid : het aantal inwoners per km² in de vestigingsplaats volgens de meest recente berekening van de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor de vestigingsplaats tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt de totale bevolking van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km². De in aanmerking te nemen bevolkingsdichtheid voor een centrum met meerdere vestigingsplaatsen wordt vastgesteld op grond van volgende berekening : de totale bevolking van deze gemeenten wordt gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km²;63° bis bevolkingsdichtheid : het aantal inwoners per km² in de vestigingsplaats volgens de meest recente berekening van de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor de vestigingsplaats tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt de totale bevolking van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km². De in aanmerking te nemen bevolkingsdichtheid voor een centrum met meerdere vestigingsplaatsen wordt vastgesteld op grond van volgende berekening : de totale bevolking van deze gemeenten wordt gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km²;
73° ter bewijs van deelkwalificatie: een studiebewijs dat van rechtswege is erkend. Het bewijs wordt door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die met goed gevolg een deelkwalificatietraject heeft beëindigd of aan een voormalige cursist die in het centrum maximaal vijf schooljaren eerder een deelcertificaat van de deelkwalificatie behaald heeft en heeft aangetoond dat hij alle competenties bereikt heeft;
74° centrum : een Centrum voor Volwassenenonderwijs of een Centrum voor Basiseducatie;84° centrum : een Centrum voor Volwassenenonderwijs of een Centrum voor Basiseducatie;
85° centrumbestuur : de inrichtende macht die ten aanzien van het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;95° centrumbestuur : de inrichtende macht die ten aanzien van het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;
+3 −2 decreet-2007-06-15/art. 41
102° de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een certificaat of een bewijs van een beroepskwalificatie van een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied in het secundair volwassenenonderwijs, een certificaat van een opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5 of een diploma of graad van gegradueerde;102° de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een certificaat of een bewijs van een beroepskwalificatie van een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied in het secundair volwassenenonderwijs, een certificaat van een opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5 of een diploma of graad van gegradueerde;
112° bis de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een of meer deelattesten als bewijs van slagen voor het specifiek gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het TSO of BSO voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs voor zover de onderverdeling overeenkomt met een opleiding als vermeld in artikel 42;112° bis de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een of meer deelattesten als bewijs van slagen voor het specifiek gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het TSO of BSO voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs voor zover de onderverdeling overeenkomt met een opleiding als vermeld in artikel 42;
122° ter de opleiding van het secundair volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 42, of de opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5, gecombineerd met een bewijs van slagen voor het algemeen gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het tso of bso voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs;122° ter de opleiding van het secundair volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 42, of de opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5, gecombineerd met een bewijs van slagen voor het algemeen gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het tso of bso of een bewijs van slagen voor de basisvorming van de derde graad van de doorstroomfinaliteit of dubbele finaliteit, uitgereikt door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs;
132° quater een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs als vermeld in artikel 42, of de opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5, gecombineerd met een bewijs van slagen voor de basisvorming van de derde graad van de doorstroomfinaliteit of dubbele finaliteit, uitgereikt door een school voor het voltijds secundair onderwijs;
133° een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied dan aanvullende algemene vorming of algemene vorming in het secundair volwassenenonderwijs, als de cursist bij zijn inschrijving houder is van een diploma van het secundair onderwijs .143° een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied dan aanvullende algemene vorming of algemene vorming in het secundair volwassenenonderwijs, als de cursist bij zijn inschrijving houder is van een diploma van het secundair onderwijs of een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4.
14§ 5. ....15§ 5. ....
15§ 6. ....16§ 6. ....
+0 −1 decreet-2007-06-15/art. 72bis opgeheven
1De Vlaamse Regering beschikt jaarlijks over een volume aan middelen ten bedrage van maximum 4 ambten of vte voor het ondersteunen en het stimuleren van de centra die opleidingen als gecombineerd onderwijs willen organiseren.
+0 −8 decreet-2007-06-15/art. 72ter opgeheven
1§ 1. Het centrumbestuur dat tijdens het schooljaar n/n+1 in aanmerking wil komen voor een aanvullende financiering of subsidiëring voor het gecombineerd onderwijs via de middelen, vermeld in artikel 72bis, dient hiertoe uiterlijk op 31 maart van het voorafgaande schooljaar een aanvraag in bij de Vlaamse Regering.
2Deze aanvraag voldoet aan volgende criteria om ontvankelijk te zijn :
31° het heeft betrekking op modules van een erkende en gefinancierde of gesubsidieerde opleiding waarvoor het centrumbestuur nog geen aanvullende financiering of subsidiëring via de middelen, vermeld in artikel 72bis, heeft gekregen;
42° het omvat een luik afstandsonderwijs dat minimaal 50 percent van het totale aantal lestijden van de volledige opleiding bedraagt en minstens 200 lestijden omvat;
53° er is een openleercentrum voorzien;
64° het protocol van de onderhandeling over het gecombineerd onderwijs in het lokaal comité is bij de aanvraag bijgevoegd.
7§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten voor de aanvraagprocedure.
8§ 3. De betrekking die met de middelen, vermeld in paragraaf 1, wordt ingericht, kan niet worden vacantverklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen of muteren in deze betrekking.
+0 −22 decreet-2007-06-15/art. 72quater opgeheven
1§ 1. De ingediende aanvragen worden beoordeeld door een selectiecommissie die bestaat uit :
21° ...;
32° twee ambtenaren van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming;
43° twee externe experten met onderzoeks- of praktijkervaring inzake afstandsleren in volwasseneneducatie;
54° één extern expert in pedagogische aangelegenheden.
6Een ambtenaar van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming is voorzitter van de selectiecommissie. De Vlaamse Regering wijst de commissieleden aan.
7§ 2. Bij de beoordeling van de ingediende aanvragen zal de selectiecommissie rekening houden met de volgende criteria :
81° de inbedding van het gecombineerd onderwijs binnen de totale onderwijskundige organisatie en de innovatieve draagkracht van de betrokken centra, publieke opleidingsverstrekkers of organisaties;
92° de organisatie van het gecombineerd onderwijs en de afstemming van het gedeelte afstandsonderwijs op het gedeelte contactonderwijs;
103° de effectiviteit van het gecombineerd onderwijs inzake overdraagbaarheid, visie- en materiaalontwikkeling;
114° de mate van betrokkenheid van het personeel;
125° ...;
136° de flexibiliteit van het aanbod;
147° de samenwerkingsverbanden en netwerken met centra, publieke opleidingsverstrekkers of organisaties;
158° de kwaliteitszorg.
16De selectiecommissie draagt aan de Vlaamse Regering de aanvragen voor die op basis van de criteria, vermeld in het eerste lid, gunstig zijn beoordeeld en het aantal toe te kennen leraarsuren of VTE per gunstig beoordeelde aanvraag.
17§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt aan welke door de selectiecommissie gunstig beoordeelde aanvragen een aanvullende financiering of subsidiëring wordt toegekend voor het gecombineerd onderwijs via de middelen, vermeld in artikel 72bis. Hierbij wordt voorrang verleend aan aanvragen die aan een of meer van de volgende voorwaarden voldoen :
181° aanvragen die betrekking hebben op opleidingen als vermeld in artikel 41, § 4, of onderwijs aan gedetineerden;
192° aanvragen die een integrale opleiding omvatten;
203° aanvragen die betrekking hebben op gecombineerd onderwijs dat minimaal 75 percent afstandsonderwijs omvat;
214° aanvragen die gegroeid zijn uit een samenwerking met andere centra, publieke opleidingsverstrekkers of andere organisaties.
22Per goedgekeurde aanvraag kan de Vlaamse Regering respectievelijk minimaal 400 en maximaal 1 000 leraarsuren of minimaal 2 en maximaal 1 VTE toekennen aan het centrumbestuur voor het schooljaar n/n+1.
+0 −10 decreet-2007-06-15/art. 72quinquies opgeheven
1§ 1. Het centrumbestuur gaat het engagement aan om het ontwikkelde gecombineerd onderwijs ook effectief te organiseren binnen een termijn van maximaal twee schooljaren.
2§ 2. Het centrumbestuur engageert er zich toe gedurende de looptijd van het gecombineerd onderwijs alle gegevens te verzamelen die de realisatie van de vooropgestelde doelstellingen kunnen aantonen. Deze gegevens betreffen minimaal :
31° het aantal ingeschreven cursisten;
42° het aantal financierbare of subsidieerbare cursisten;
53° de scholingsgraad van de cursisten;
64° het aantal cursisten dat deelneemt aan de evaluaties;
75° het aantal geslaagde cursisten;
86° het aantal en de aard van de uitgereikte studiebewijzen.
9§ 3. Het centrumbestuur gaat het engagement aan om onderling samen te werken met andere centrumbesturen die tijdens het schooljaar n/n+1 een aanvullende financiering of subsidiëring voor het gecombineerd onderwijs ontvangen via de middelen, vermeld in artikel 72bis, zodat de uitwisselbaarheid van de knowhow inzake cursusmateriaal en begeleiding van afstandsonderwijs gegarandeerd wordt.
10§ 4. Het centrumbestuur gaat het engagement aan tevredenheidsmetingen uit te voeren bij de cursisten en de leraars. De resultaten van de tevredenheidsmeting bij de leraars worden ter beschikking gesteld van het bevoegde lokale comité.
+0 −6 decreet-2007-06-15/art. 72sexies opgeheven
1Het centrumbestuur informeert de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten op regelmatige tijdstippen over de voortgang van het gecombineerd onderwijs.
2Uiterlijk twee maanden na het schooljaar n+1/n+2 dient het centrumbestuur een eindrapport in bij de Vlaamse Regering. Het eindrapport bevat ten minste :
31° een evaluatie;
42° een verslag van de activiteiten;
53° de gegevens, als vermeld in artikel 72quinquies, § 2;
64° de resultaten van de tevredenheidsmetingen als vermeld in artikel 72quinquies, § 4.
+0 −1 decreet-2007-06-15/art. 72septies opgeheven
1In 2012 worden de bepalingen van deze afdeling, geëvalueerd. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten voor de evaluatie.
+1 −1 decreet-2007-06-15/art. 189bis
1In afwijking van artikel 64, §4, kan een centrum voor volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor het studiegebied informatie- en communicatietechnologie tot en met schooljaar 2024-2025 na een melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, die onderwijsbevoegdheid uitoefenen in een vestigingsplaats waar onderwijsinstellingen liggen die middelen hebben ontvangen als vermeld in artikel 67/1, §1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 34/1, §1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 91, tweede lid, en artikel 101, tweede lid, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.1In afwijking van artikel 64, §4, kan een centrum voor volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor het studiegebied informatie- en communicatietechnologie tot en met schooljaar 2024-2025 na een melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, die onderwijsbevoegdheid uitoefenen in een vestigingsplaats waar onderwijsinstellingen liggen die middelen hebben ontvangen als vermeld in artikel 67/1, §1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 34/1, §1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 91, tweede lid, en artikel 101, tweede lid, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
2Centra voor volwassenenonderwijs die de onderwijsbevoegdheid, vermeld in het eerste lid, tijdens een van de schooljaren 2021-2022 tot en met 2024-2025 hebben uitgeoefend , kunnen deze onderwijsbevoegdheid verder uitoefenen tot en met schooljaar 2025-2026.2Centra voor volwassenenonderwijs die de onderwijsbevoegdheid voor het studiegebied informatie- en communicatietechnologie tijdens een van de schooljaren 2021-2022 tot en met 2024-2025 tijdelijk hebben uitgeoefend als vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° of 2°, van het decreet van 4 februari 2022 tot het nemen van dringende maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (IX), kunnen die onderwijsbevoegdheid verder uitoefenen tot en met het schooljaar 2025-2026.
3Centra voor volwassenenonderwijs die de onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel 17, 2°, van het decreet van 4 februari 2022 tot het nemen van dringende maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (IX), tijdens een van de schooljaren 2022-2023 of 2023-2024 hebben uitgeoefend, kunnen deze onderwijsbevoegdheid verder uitoefenen tot en met schooljaar 2024-2025.3Centra voor volwassenenonderwijs die de onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel 17, 2°, van het decreet van 4 februari 2022 tot het nemen van dringende maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (IX), tijdens een van de schooljaren 2022-2023 of 2023-2024 hebben uitgeoefend, kunnen deze onderwijsbevoegdheid verder uitoefenen tot en met schooljaar 2024-2025.
+5 −3 decreet-1997-02-25/art. 3
4716° gefinancierd onderwijs: gemeenschapsonderwijs dat voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 68;4716° gefinancierd onderwijs: gemeenschapsonderwijs dat voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 68;
4817° Gemeenschap: de Vlaamse Gemeenschap;4817° Gemeenschap: de Vlaamse Gemeenschap;
4917° bis gemeenschappelijk curriculum: de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven en de schoolgebonden planning voor het nastreven van de leergebiedoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen;4917° bis gemeenschappelijk curriculum: de leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de mini-mumdoelen na te streven of te bereiken;
5017° ter Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages (CEFR);5017° ter Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages (CEFR);
5118° gemeenschapsonderwijs: onderwijs georganiseerd door of namens de Gemeenschap;5118° gemeenschapsonderwijs: onderwijs georganiseerd door of namens de Gemeenschap;
6524° bis kadastraal perceel : een deel van het Belgisch grondgebied dat door een kadastraal perceelnummer wordt geïdentificeerd zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 20 september 2002 tot vaststelling van de vergeldingen en de nadere regels voor de afgifte van kadastrale uittreksels en inlichtingen;6524° bis kadastraal perceel : een deel van het Belgisch grondgebied dat door een kadastraal perceelnummer wordt geïdentificeerd zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 20 september 2002 tot vaststelling van de vergeldingen en de nadere regels voor de afgifte van kadastrale uittreksels en inlichtingen;
6625° klassenraad: team van personeelsleden dat onder leiding van de directeur of zijn afgevaardigde samen de verantwoordelijkheid draagt of zal dragen voor de begeleiding van en het onderwijs aan een bepaalde leerlingengroep of individuele leerling;6625° klassenraad: team van personeelsleden dat onder leiding van de directeur of zijn afgevaardigde samen de verantwoordelijkheid draagt of zal dragen voor de begeleiding van en het onderwijs aan een bepaalde leerlingengroep of individuele leerling;
6725° bis kleuterparticipatie : de inschrijving in en deelname aan het kleuteronderwijs van niet-leerplichtige leerlingen met het oog op het realiseren van de ontwikkelingsdoelen;6725° bis kleuterparticipatie : de inschrijving in en deelname aan het kleuteronderwijs van niet-leerplichtige leerlingen met het oog op het realiseren van de na te streven of te bereiken minimumdoelen;
6826° kleuterschool: school waar alleen kleuteronderwijs georganiseerd wordt;6826° kleuterschool: school waar alleen kleuteronderwijs georganiseerd wordt;
6927° lagere school: school waar alleen lager onderwijs georganiseerd wordt;6927° lagere school: school waar alleen lager onderwijs georganiseerd wordt;
12552° bis/1 selectieve participatietoeslagen leerling: de selectieve participatietoeslagen, zoals opgenomen in boek 2, deel 2, titel 1, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;12552° bis/1 selectieve participatietoeslagen leerling: de selectieve participatietoeslagen, zoals opgenomen in boek 2, deel 2, titel 1, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;
12652° bis/1/1 SES-lestijden : lestijden, toegekend op basis van de socio-economische status van leerlingen in het gewoon basisonderwijs die gevat wordt door leerlingkenmerken;12652° bis/1/1 SES-lestijden : lestijden, toegekend op basis van de socio-economische status van leerlingen in het gewoon basisonderwijs die gevat wordt door leerlingkenmerken;
12752° bis/1/1/1 slim apparaat: een elektronisch apparaat, dat verbonden kan worden met andere apparaten via telefoonnetwerken, netwerken of draadloze protocollen;
12752° bis/1/2 systematisch contact: een periodiek contact waarop de leerling en het centrum voor leerlingenbegeleiding in persoon samenzitten en er een uniform aanbod voor populaties of doelgroepen wordt voorzien ter uitvoering van het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg;12852° bis/1/2 systematisch contact: een periodiek contact waarop de leerling en het centrum voor leerlingenbegeleiding in persoon samenzitten en er een uniform aanbod voor populaties of doelgroepen wordt voorzien ter uitvoering van het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg;
12852° bis/2 taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal: een afdeling in een school voor het gewoon basisonderwijs waar leerlingen les krijgen in Vlaamse Gebarentaal en in het Nederlands;12952° bis/2 taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal: een afdeling in een school voor het gewoon basisonderwijs waar leerlingen les krijgen in Vlaamse Gebarentaal en in het Nederlands;
134b) in het buitengewoon onderwijs: het aantal uren toegekend aan een school om de gefinancierde of gesubsidieerde formatie voor het paramedisch, medisch, psychologisch, orthopedagogisch en sociaal personeel te bepalen. Dit pakket bestaat uit uren volgens de richtgetallen en aanvullende uren;135b) in het buitengewoon onderwijs: het aantal uren toegekend aan een school om de gefinancierde of gesubsidieerde formatie voor het paramedisch, medisch, psychologisch, orthopedagogisch en sociaal personeel te bepalen. Dit pakket bestaat uit uren volgens de richtgetallen en aanvullende uren;
13555° uren volgens de richtgetallen: resultaat van de verrekening van het aantal regelmatige leerlingen op een welbepaalde teldag of tijdens een welbepaalde telperiode aan de hand van de richtgetallen door de regering vastgelegd;13655° uren volgens de richtgetallen: resultaat van de verrekening van het aantal regelmatige leerlingen op een welbepaalde teldag of tijdens een welbepaalde telperiode aan de hand van de richtgetallen door de regering vastgelegd;
13755°/1 vakdiscipline: een specifiek wetenschappelijk kennisdomein van waaruit in leergebieden te implementeren minimumdoelen voor het basisonderwijs worden ontwikkeld;
13655° bis verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school extra zorg voorziet onder de vorm van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, afgestemd op de specifieke onder- wijsbehoeften van bepaalde leerlingen, en voorafgaand aan de fase van uitbreiding van zorg;13855° bis verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school extra zorg voorziet onder de vorm van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, afgestemd op de specifieke onder- wijsbehoeften van bepaalde leerlingen, en voorafgaand aan de fase van uitbreiding van zorg;
13756° vestigingsplaats: gebouw of gebouwencomplex waarin een school of een gedeelte van een school gehuisvest is;13956° vestigingsplaats: gebouw of gebouwencomplex waarin een school of een gedeelte van een school gehuisvest is;
13856° bis de Vlaamse toetsen: gestandaardiseerde, genormeerde en gevalideerde, net- en koepeloverschrijdende toetsen die worden afgenomen in bepaalde leerjaren van het basisonderwijs in alle scholen over een selectie van eindtermen;14056° bis de Vlaamse toetsen: gestandaardiseerde, genormeerde en gevalideerde, net- en koepeloverschrijdende toetsen die worden afgenomen in bepaalde leerjaren van het basisonderwijs in alle scholen over een selectie van te bereiken minimumdoelen;
13957° vrij onderwijs: onderwijs georganiseerd door een natuurlijk persoon of een private rechtspersoon;14157° vrij onderwijs: onderwijs georganiseerd door een natuurlijk persoon of een private rechtspersoon;
14058° ziekenhuisschool: school voor buitengewoon basisonderwijs van type 5 verbonden aan een ziekenhuis waar kinderen omwille van ernstige medische redenen worden opgenomen;14258° ziekenhuisschool: school voor buitengewoon basisonderwijs van type 5 verbonden aan een ziekenhuis waar kinderen omwille van ernstige medische redenen worden opgenomen;
+8 −5 decreet-1997-02-25/art. 11quater
1§ 1. Vanaf het schooljaar 2021-2022 voert de school voor elke leerling in het gewoon onderwijs bij het begin van de leerplicht een verplichte screening uit, die nagaat wat het niveau van de leerling inzake de onderwijstaal is. Deze screening kan nooit voor de inschrijving van de leerling uitgevoerd worden.1§ 1. Vanaf het schooljaar 2021-2022 voert de school voor elke leerling in het gewoon onderwijs bij het begin van de leerplicht een verplichte screening uit, die nagaat wat het niveau van de leerling inzake de onderwijstaal is. Deze screening kan nooit voor de inschrijving van de leerling uitgevoerd worden.
2De regering bepaalt met welk instrument de screening bij het begin van de leerplicht gebeurt, alsook het moment en de manier van afname.2De regering bepaalt met welk instrument de screening bij het begin van de leerplicht gebeurt, alsook het moment en de manier van afname.
3Een school voor buitengewoon basisonderwijs kan in overleg met de ouders beslissen een of meerdere leerlingen te laten deelnemen aan de screening, vermeld in het eerste lid.
3§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is de screening niet verplicht voor anderstalige nieuwkomers zoals bepaald in artikel 3, 4° quater. Deze leerlingen krijgen vanaf het schooljaar 2021-2022 in elk geval een actief taalintegratietraject Nederlands, met in beginsel een taalbad zoals bedoeld in paragraaf 4, of een volwaardig alternatief dat dezelfde resultaten bereikt. Ook voor leerlingen die na de periode van afname van de taalscreening in het basisonderwijs instromen en onvoldoende het Nederlands beheersen om de lessen te kunnen volgen, kan de school beslissen dat zij een taalintegratietraject moeten volgen.4§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is de screening niet verplicht voor anderstalige nieuwkomers zoals bepaald in artikel 3, 4° quater. Deze leerlingen krijgen vanaf het schooljaar 2021-2022 in elk geval een actief taalintegratietraject Nederlands, met in beginsel een taalbad zoals bedoeld in paragraaf 4, of een volwaardig alternatief dat dezelfde resultaten bereikt. Ook voor leerlingen die na de periode van afname van de taalscreening in het basisonderwijs instromen en onvoldoende het Nederlands beheersen om de lessen te kunnen volgen, kan de school beslissen dat zij een taalintegratietraject moeten volgen.
4§2/1. In afwijking van paragraaf 1 hoeft geen screening te worden uitgevoerd voor een leerling die doof of slechthorend is als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven is in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal of voor een leerling die speciale onderwijsmiddelen in de vorm van tolken ter beschikking krijgt als vermeld in artikel 91, §1 en §2.5§2/1. In afwijking van paragraaf 1 hoeft geen screening te worden uitgevoerd voor een leerling die doof of slechthorend is als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven is in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal of voor een leerling die speciale onderwijsmiddelen in de vorm van tolken ter beschikking krijgt als vermeld in artikel 91, §1 en §2.
6§2/2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de school in overleg met de ouders beslissen om een leerling met een IAC-verslag niet te laten deelnemen aan de screening.
7§2/3. Leerlingen die recht hebben op redelijke aanpassingen of speciale onderwijsleermiddelen gedurende het schooljaar waarin de screening, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt afgenomen, hebben recht op het behoud en het gebruik van die aanpassingen en leermiddelen als ze die screening afleggen.
5§ 3. Op basis van de resultaten van de taalscreening, moeten leerlingen die het Nederlands onvoldoende beheersen vanaf het schooljaar 2021-2022 een actief taalintegratietraject Nederlands volgen met in beginsel een taalbad, zoals bedoeld in paragraaf 4, of een volwaardig alternatief dat dezelfde resultaten bereikt. 8§ 3. Op basis van de resultaten van de taalscreening, moeten leerlingen die het Nederlands onvoldoende beheersen vanaf het schooljaar 2021-2022 een actief taalintegratietraject Nederlands volgen met in beginsel een taalbad, zoals bedoeld in paragraaf 4, of een volwaardig alternatief dat dezelfde resultaten bereikt. De resultaten van de screening kunnen voor leerlingen met een IAC-verslag niet leiden tot een verplichting voor het volgen van een actief taalintegratietraject Nederlands.
6§ 4. Met taalbad wordt vanaf het schooljaar 2021-2022 bedoeld intensieve onderwijsactiviteiten die tot doel hebben de leerling door onderdompeling in de onderwijstaal deze onderwijstaal te laten verwerven in functie van een snelle integratie in de reguliere onderwijsactiviteiten. Dit kan een voltijds traject zijn. Een leerling kan gedurende het basisonderwijs maximaal één schooljaar een voltijds taalbad of voltijds gelijkwaardig alternatief volgen.9§ 4. Met taalbad wordt vanaf het schooljaar 2021-2022 bedoeld intensieve onderwijsactiviteiten die tot doel hebben de leerling door onderdompeling in de onderwijstaal deze onderwijstaal te laten verwerven in functie van een snelle integratie in de reguliere onderwijsactiviteiten. Dit kan een voltijds traject zijn. Een leerling kan gedurende het basisonderwijs maximaal één schooljaar een voltijds taalbad of voltijds gelijkwaardig alternatief volgen.
7§ 5. Schoolbesturen kunnen elk taalintegratietraject, dus ook het taalbad, individueel of gezamenlijk organiseren. Het kan ook netoverschrijdend georganiseerd worden.
8§ 6. In het geval scholen het taalintegratietraject gezamenlijk organiseren, is er wederzijdse samenwerking tussen de school van inschrijving en de school die het taalintegratietraject aan de leerling verstrekt. Dat houdt onder andere in het organiseren van het vervoer van de ingeschreven leerling naar de school waar het taalintegratietraject wordt georganiseerd, de communicatie tussen de school van inschrijving en de school waar het taalintegratietraject wordt georganiseerd, alsook het opvolgen van de leerling die het taalintegratietraject volgt door de school waar de leerling is ingeschreven.
10§ 5. ....
11§ 6. ....
9§ 7. De leerkracht die het onderwijs in het taalintegratietraject verstrekt, wordt betrokken bij de beslissing over de duur en intensiteit van het taalintegratietraject.12§ 7. De leerkracht die het onderwijs in het taalintegratietraject verstrekt, wordt betrokken bij de beslissing over de duur en intensiteit van het taalintegratietraject.
10§ 8. Na het taalintegratietraject integreert de leerling zich desgevallend in de school van inschrijving waar hij de reguliere onderwijsactiviteiten volgt.
13§ 8. ...
11§ 9. In afwijking van artikel 3, 22°, a), wordt het inrichten van een taalintegratietraject niet beschouwd als een herstructurering.14§ 9. In afwijking van artikel 3, 22°, a), wordt het inrichten van een taalintegratietraject niet beschouwd als een herstructurering.
12§ 10. De leerlingen die een taalintegratietraject volgen, tellen alleen mee voor financiering of subsidiering in de school waar ze zijn ingeschreven op de teldag.
15§ 10. ...
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 13/1
16De schriftelijke mededeling aan de ouders van een negatief advies of negatieve beslissing bevat tevens de motivatie.16De schriftelijke mededeling aan de ouders van een negatief advies of negatieve beslissing bevat tevens de motivatie.
17§ 4. Met uitzondering van de eerste zin van paragraaf 2 is dit artikel niet van toepassing op leerlingen die worden ingeschreven in scholen voor Franstalig onderwijs in de randen taalgrensgemeenten die deel uitmaken van het Nederlandse taalgebied.17§ 4. Met uitzondering van de eerste zin van paragraaf 2 is dit artikel niet van toepassing op leerlingen die worden ingeschreven in scholen voor Franstalig onderwijs in de randen taalgrensgemeenten die deel uitmaken van het Nederlandse taalgebied.
18§4/1. In afwijking van paragraaf 2 hoeft er bij de adviezen en beslissingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, a) en b), 2°, a) en b), en 3°, voor een leerling die doof of slechthorend is als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven is in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal of voor een leerling die speciale onderwijsmiddelen in de vorm van tolken ter beschikking krijgt als vermeld in artikel 91, §1 en §2, geen advies te worden gegeven over de beheersing van het Nederlands en is er geen verplichting voor de klassenraad om een taalintegratietraject op te leggen.18§4/1. In afwijking van paragraaf 2 hoeft er bij de adviezen en beslissingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, a) en b), 2°, a) en b), en 3°, voor een leerling die doof of slechthorend is als vermeld in artikel 37/8, §5, of 37/45, §5, en die ingeschreven is in de taalafdeling Nederlands-Vlaamse Gebarentaal of voor een leerling die speciale onderwijsmiddelen in de vorm van tolken ter beschikking krijgt als vermeld in artikel 91, §1 en §2, of voor een leerling die beschikt over een IAC-verslag, geen advies te worden gegeven over de beheersing van het Nederlands en is er geen verplichting voor de klassenraad om een taalintegratietraject op te leggen.
19§ 5. Om toegelaten te worden tot het buitengewoon lager onderwijs vanaf het schooljaar 2021-2022 moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar.19§ 5. Om toegelaten te worden tot het buitengewoon lager onderwijs vanaf het schooljaar 2021-2022 moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar.
+10 −7 decreet-1997-02-25/art. 26bis/1
1§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs moeten uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar waarin de leerplichtige huisonderwijs volgt, een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs, indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.1§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs moeten uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar waarin de leerplichtige huisonderwijs volgt, een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
2De informatie over het huisonderwijs moet minstens de volgende elementen bevatten :
2In de verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs, vermeld in het eerste lid, worden de plichten van de ouders om het onderwijs te verstrekken of te laten verstrekken dat voldoet aan de minimumeisen, vermeld in artikel 26bis, en de plichten, vermeld in artikel 26bis/2, artikel 26ter en artikel 6, §4, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding opgenomen. De verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs moet verder minstens de volgende elementen bevatten:
31° de persoonsgegevens van de ouders en de leerplichtige die het huisonderwijs volgt;31° de persoonsgegevens van de ouders en de leerplichtige die het huisonderwijs volgt;
41°/1 de contactgegevens van de ouders: e-mailadres en telefoonnummer;
51°/2 de keuze van CLB, vermeld in artikel 6, §4, vijfde lid, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
42° de gegevens van wie het huisonderwijs zal geven, met inbegrip van het opleidingsniveau van de lesgever(s) van het huisonderwijs;62° de gegevens van wie het huisonderwijs zal geven, met inbegrip van het opleidingsniveau van de lesgever(s) van het huisonderwijs;
53° de taal waarin het huisonderwijs zal worden verstrekt;73° de taal waarin het huisonderwijs zal worden verstrekt;
75° de onderwijsdoelen die met het huisonderwijs zullen worden nagestreefd;95° de onderwijsdoelen die met het huisonderwijs zullen worden nagestreefd;
86° de afstemming van het huisonderwijs op de leerbehoeften van de leerplichtige;106° de afstemming van het huisonderwijs op de leerbehoeften van de leerplichtige;
116°/1 de wijze waarop de sociale participatie van de leerplichtige wordt nagestreefd;
97° en, de bronnen en leermiddelen die zullen worden gebruikt voor het huisonderwijs.127° en, de bronnen en leermiddelen die zullen worden gebruikt voor het huisonderwijs.
10In het geval dat voor twee of meerdere leerplichtige kinderen gezamenlijk huisonderwijs wordt georganiseerd en de plaats waar dit huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het adres waar de kinderen gedomicilieerd zijn, dan kan voor deze leerplichtige kinderen één gezamenlijke verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over huisonderwijs ingediend worden door de organisator van het huisonderwijs. De bijhorende informatie over het huisonderwijs moet naast de elementenvermeld in het tweede lidook het adres bevatten waarop het huisonderwijs effectief wordt verstrekt .13In het geval dat voor twee of meerdere leerplichtige kinderen gezamenlijk huisonderwijs wordt georganiseerd en de plaats waar dit huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het adres waar de kinderen gedomicilieerd zijn, dan kan voor deze leerplichtige kinderen één gezamenlijke verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs ingediend worden door de organisator van het huisonderwijs. De verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs moet naast de elementen, vermeld in het tweede lid, ook het adres bevatten waar het huisonderwijs effectief wordt verstrekt en de persoonsgegevens en contactgegevens, e-mailadres en telefoonnummer van de organisator van huisonderwijs.
11De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zullen hiertoe een document ter beschikking stellen.14De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zullen hiertoe een model van verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs ter beschikking stellen.
12In afwijking van het eerste lid dienen ouders die hun leerplichtige kinderen inschrijven in één van volgende scholen, geen verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie in te dienen :15In afwijking van het eerste lid dienen ouders die hun leerplichtige kinderen inschrijven in één van volgende scholen, geen verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs in te dienen :
131° Europese scholen ;161° Europese scholen en geaccrediteerde Europese scholen;
142° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;172° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
153° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;183° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
164° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.194° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.
17§ 2. In afwijking van de termijn, vermeld in paragraaf 1, kunnen de ouders van volgende leerplichtigen steeds een verklaring van huisonderwijs en bijhorende informatie over het huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap :20§ 2. In afwijking van de termijn, vermeld in paragraaf 1, kunnen de ouders van volgende leerplichtigen steeds een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap :
181° leerplichtigen die zich in de loop van een schooljaar domiciliëren in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;211° leerplichtigen die zich in de loop van een schooljaar domiciliëren in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;
192° leerplichtigen die in de loop van een schooljaar naar het buitenland gaan, maar gedomicilieerd blijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;222° leerplichtigen die in de loop van een schooljaar naar het buitenland gaan, maar gedomicilieerd blijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;
+3 −2 decreet-1997-02-25/art. 26bis/2
1§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs zijn verplicht de leerplichtige in te schrijven bij de examencommissie met het oog op het verkrijgen van een getuigschrift Basisonderwijs als vermeld in artikel 56, uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige elf jaar is geworden voor 1 januari.1§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs zijn verplicht de leerplichtige in te schrijven bij de examencommissie met het oog op het verkrijgen van een getuigschrift Basisonderwijs als vermeld in artikel 56, uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige elf jaar is geworden voor 1 januari.
2Als de leerplichtige zich niet tijdig aandient bij de examencommissie of na maximaal twee pogingen en uiterlijk in het schooljaar waarin hij of zij dertien jaar is geworden voor 1 januari het getuigschrift Basisonderwijs niet verkrijgt, moeten de ouders de leerplichtige inschrijven, hetzij in een school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :2Als de leerplichtige zich niet tijdig aandient bij de examencommissie of na maximaal twee pogingen en uiterlijk in het schooljaar waarin hij of zij dertien jaar is geworden voor 1 januari het getuigschrift Basisonderwijs niet verkrijgt, moeten de ouders de leerplichtige inschrijven, hetzij in een school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :
31° Europese scholen ;31° Europese scholen en geaccrediteerde Europese scholen;
42° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;42° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
53° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;53° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
92° indien de leerplichtige in het bezit is van een individuele gelijkwaardigheidsbeslissing met minstens het niveau van het basisonderwijs;92° indien de leerplichtige in het bezit is van een individuele gelijkwaardigheidsbeslissing met minstens het niveau van het basisonderwijs;
103° leerplichtigen die ingeschreven zijn in één van volgende scholen :103° leerplichtigen die ingeschreven zijn in één van volgende scholen :
11a) Europese scholen ;11a) Europese scholen en geaccrediteerde Europese scholen;
12b) internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;12b) internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
13c) internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;13c) internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
14d) scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.14d) scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.
15Alleen het CLB dat conform artikel 26bis/1, §1, tweede lid, 1°/2, is aangeduid in de verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs, is bevoegd om te beslissen over de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 1°.
+5 −4 decreet-1997-02-25/art. 26ter
1§ 1. De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs be-antwoordt aan de doelstellingen omschreven in artikel 26bis. De regering legt de criteria vast op basis waarvan deze controle gebeurt.1§ 1. De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs be-antwoordt aan de doelstellingen omschreven in artikel 26bis. De regering legt de criteria vast op basis waarvan deze controle gebeurt.
2§ 2. De ouders zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de controle op het huisonderwijs. 2§ 2. De ouders zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de controle op het huisonderwijs. De regering bepaalt de verdere modaliteiten van de medewerkingsplicht van de ouders.
3§ 2bis. De onderwijsinspectie controleert de deelname aan systematische contacten en de medewerking aan profylactische maatregelen zoals vermeld artikel 6, § 4, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. 3§ 2bis. De onderwijsinspectie controleert de deelname aan systematische contacten en de medewerking aan profylactische maatregelen zoals vermeld artikel 6, § 4, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. De onderwijsinspectie neemt de niet-deelname aan de systematische contacten mee als een element bij de prioritering van de controles op huisonderwijs, vermeld in het eerste lid.
4§ 3. Wanneer de controle van de onderwijsinspectie niet aanvaard wordt of wanneer de onderwijsinspectie bij twee op-eenvolgende controles vaststelt dat het verstrekte onderwijs kennelijk niet beantwoordt aan de in artikel 26bis bedoelde doelstellingen, schrijven de ouders de leerling in hetzij in een school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :4§ 3. Wanneer de controle van de onderwijsinspectie niet aanvaard wordt of wanneer de onderwijsinspectie bij twee op-eenvolgende controles vaststelt dat het verstrekte onderwijs kennelijk niet beantwoordt aan de in artikel 26bis bedoelde doelstellingen, schrijven de ouders de leerling in hetzij in een school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :
51° Europese scholen ;51° Europese scholen en geaccrediteerde Europese scholen;
62° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;62° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
73° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;73° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
84° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.84° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.
9Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht voor de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend mits de onderwijsinspectie voorafgaandelijk toestemming verleent. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt. De regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast.9Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht voor de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend als de leerling voorafgaand aan het hervatten van het huisonderwijs zes maanden ingeschreven was in een van de scholen, vermeld in het eerste lid, in die school voldoende aanwezig was, behoudens gewettigde afwezigheid en mits de onderwijsinspectie voorafgaandelijk toestemming verleent. De termijn van zes maanden wordt geschorst tijdens de zomervakantie. De toestemming van de onderwijsinspectie kan door de ouders worden aangevraagd vanaf twee maanden voor het einde van zes maanden. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt. De regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast.
10Een leerling wordt tijdens de zes maanden, vermeld in het tweede lid, geacht niet voldoende aanwezig als vermeld in het tweede lid te zijn, hetzij als de leerling gedurende 15 al dan niet gespreide halve dagen problematisch afwezig is geweest, hetzij minder dan 145 halve dagen aanwezig of aanvaardbaar afwezig voor leerlingen in het kleuteronderwijs als vermeld in artikel 26, §1.
+4 −2 decreet-1997-02-25/art. 37
1712° een korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding, waarmee de school haar visie en werking in verband met leerlingenbegeleiding verduidelijkt. Als de school een beleid op afzondering en fixatie als vermeld in artikel 33/1 heeft, wordt dat beleid uitdrukkelijk opgenomen in de korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding.1712° een korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding, waarmee de school haar visie en werking in verband met leerlingenbegeleiding verduidelijkt. Als de school een beleid op afzondering en fixatie als vermeld in artikel 33/1 heeft, wordt dat beleid uitdrukkelijk opgenomen in de korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding.
1813° richtlijnen over aanwezigheden, in het bijzonder voor de leerplichtige kleuters, en te laat komen;1813° richtlijnen over aanwezigheden, in het bijzonder voor de leerplichtige kleuters, en te laat komen;
1914° dat er leersteun kan worden geboden voor leerlingen met een GC-verslag of IAC-verslag en bij welk leersteuncentrum de school aangesloten is.1914° dat er leersteun kan worden geboden voor leerlingen met een GC-verslag of IAC-verslag en bij welk leersteuncentrum de school aangesloten is;
2015° de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen opgelegde verbod op slimme apparaten, vermeld in artikel 37/0, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding van het verbod op het gebruik van slimme apparaten.
20§ 3. Voor het lager onderwijs bevat het schoolreglement ten minste de volgende elementen:21§ 3. Voor het lager onderwijs bevat het schoolreglement ten minste de volgende elementen:
211° het reglement inzake tucht en schending van de leefregels van de leerlingen met inbegrip van een preventieve schorsing, een tijdelijke uitsluiting of een definitieve uitsluiting en inzake de beroepsprocedure zoals vermeld in onderafdeling F van deze afdeling, inbegrepen het hanteren van redelijke en haalbare termijnen;221° het reglement inzake tucht en schending van de leefregels van de leerlingen met inbegrip van een preventieve schorsing, een tijdelijke uitsluiting of een definitieve uitsluiting en inzake de beroepsprocedure zoals vermeld in onderafdeling F van deze afdeling, inbegrepen het hanteren van redelijke en haalbare termijnen;
4116° de contactgegevens van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school samenwerkt, en de concrete afspraken over de dienstverlening tussen de school en het centrum voor leerlingenbegeleiding;4216° de contactgegevens van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school samenwerkt, en de concrete afspraken over de dienstverlening tussen de school en het centrum voor leerlingenbegeleiding;
4217° een korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding, waarmee de school haar visie en werking in verband met leerlingenbegeleiding verduidelijkt. Als de school een beleid op afzondering en fixatie als vermeld in artikel 33/1 heeft, wordt dit beleid uitdrukkelijk opgenomen in de korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding;4317° een korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding, waarmee de school haar visie en werking in verband met leerlingenbegeleiding verduidelijkt. Als de school een beleid op afzondering en fixatie als vermeld in artikel 33/1 heeft, wordt dit beleid uitdrukkelijk opgenomen in de korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding;
4318° dat er leersteun kan worden geboden voor leerlingen met een GC-verslag of IAC-verslag en bij welk leersteuncentrum de school aangesloten is.4418° dat er leersteun kan worden geboden voor leerlingen met een GC-verslag of IAC-verslag en bij welk leersteuncentrum de school aangesloten is;
4519° de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen opgelegde verbod op slimme apparaten, vermeld in artikel 37/0, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding van het verbod op het gebruik van slimme apparaten.
44§ 4. ...46§ 4. ...
45§ 5. Voor materies waarbij ouders een individuele keuze kunnen maken, die door een regelgeving gegarandeerd wordt, kan die individuele keuze niet via het schoolreglement geregeld worden.47§ 5. Voor materies waarbij ouders een individuele keuze kunnen maken, die door een regelgeving gegarandeerd wordt, kan die individuele keuze niet via het schoolreglement geregeld worden.
+6 −0 decreet-1997-02-25/art. 37/0 nieuw
1Het is leerlingen verboden om slimme apparaten te gebruiken tijdens de periode van de normale aanwezigheid van de leerlingen op school.
2In afwijking van artikel 3, 43°, is voor de toepassing van dit artikel de normale aanwezigheid van de leerlingen op school, de volledige periode voor de aanvang van de lessen 's morgens tot het einde van de laatste les van de lesdag.
3In afwijking van het eerste lid, kunnen slimme apparaten worden gebruikt in de volgende gevallen:
41° voor onderwijsdoeleinden die de school bepaalt;
52° in het kader van redelijke aanpassingen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of om medische redenen;
63° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, tijdens extra-murosactiviteiten.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 54quater nieuw
1Bij een beslissing van de klassenraad over het getuigschrift basisonderwijs, bepaalt een klassenraad ook of de leerling in zijn eerste schooljaar van het voltijds gewoon secundair onderwijs drie uren extra taallessen Nederlands per week moet volgen. De klassenraad baseert zich voor die beslissing op de eindtermen Nederlands.
+1 −0 decreet-1997-02-25/art. 55
1De beslissing omtrent het toekennen van het getuigschrift wordt uiterlijk op 30 juni aan de ouders meegedeeld. De ouders worden geacht die beslissing uiterlijk op 1 juli in ontvangst te hebben genomen. Indien de ouders niet akkoord gaan met de genomen beslissing volgt er, op vraag van de ouders, een overleg met de directeur of zijn afgevaardigde, binnen een termijn vastgelegd in het schoolreglement. De school kan dit overleg niet weigeren. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Dit overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen om het niet toekennen van het getuigschrift basisonderwijs te bevestigen of te wijzigen. De ouders nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen schriftelijk in ontvangst. Bij het niet in ontvangst nemen van deze beslissing door de ouders op de voorziene datum wordt ze toch geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum. Indien de ouders niet akkoord gaan met de beslissing, wijst de school de ouders schriftelijk op de mogelijkheid tot beroep zoals bepaald in hoofdstuk IV, afdeling 2, onderafdeling E.1De beslissing omtrent het toekennen van het getuigschrift wordt uiterlijk op 30 juni aan de ouders meegedeeld. De ouders worden geacht die beslissing uiterlijk op 1 juli in ontvangst te hebben genomen. Indien de ouders niet akkoord gaan met de genomen beslissing volgt er, op vraag van de ouders, een overleg met de directeur of zijn afgevaardigde, binnen een termijn vastgelegd in het schoolreglement. De school kan dit overleg niet weigeren. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Dit overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen om het niet toekennen van het getuigschrift basisonderwijs te bevestigen of te wijzigen. De ouders nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen schriftelijk in ontvangst. Bij het niet in ontvangst nemen van deze beslissing door de ouders op de voorziene datum wordt ze toch geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum. Indien de ouders niet akkoord gaan met de beslissing, wijst de school de ouders schriftelijk op de mogelijkheid tot beroep zoals bepaald in hoofdstuk IV, afdeling 2, onderafdeling E.
2Samen met de beslissing over de toekenning van het getuigschrift, wordt aan de ouders van de leerling die in zijn eerste schooljaar van het secundair onderwijs drie uren extra taallessen Nederlands per week moet volgen, zoals bepaald in artikel 54quater, de beslissing meegedeeld.
2In afwijking van het eerste lid moeten de ouders van kinderen die een beslissing van de examencommissie, vermeld in artikel 56, over het toekennen van het getuigschrift basisonderwijs hebben ontvangen geen overleg met de directeur of zijn afgevaardigde vragen als de ouders niet akkoord gaan met de beslissing. Indien er toch overleg wordt gevraagd door de ouders, kan de directeur of zijn afgevaardigde dit overleg niet weigeren. Bij het mededelen aan de ouders van de beslissing om het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen, wordt op de mogelijkheid tot beroep zoals bepaald in hoofdstuk IV, afdeling 2, onderafdeling E, gewezen.3In afwijking van het eerste lid moeten de ouders van kinderen die een beslissing van de examencommissie, vermeld in artikel 56, over het toekennen van het getuigschrift basisonderwijs hebben ontvangen geen overleg met de directeur of zijn afgevaardigde vragen als de ouders niet akkoord gaan met de beslissing. Indien er toch overleg wordt gevraagd door de ouders, kan de directeur of zijn afgevaardigde dit overleg niet weigeren. Bij het mededelen aan de ouders van de beslissing om het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen, wordt op de mogelijkheid tot beroep zoals bepaald in hoofdstuk IV, afdeling 2, onderafdeling E, gewezen.
+4 −3 decreet-1997-02-25/art. 62
87° de controle van de onderwijsinspectie mogelijk maakt;87° de controle van de onderwijsinspectie mogelijk maakt;
98° de reglementering inzake vakantieperioden en de aanwending van de onderwijstijd, zoals bedoeld in artikel 50 in acht neemt,98° de reglementering inzake vakantieperioden en de aanwending van de onderwijstijd, zoals bedoeld in artikel 50 in acht neemt,
109° de reglementering betreffende eindtermen, ontwikkelingsdoelen of met ingang van een datum te bepalen door de Vlaamse Regering de erkende onderwijskwalificaties, leerplannen en individueel aangepaste curricula naleven;109° de reglementering betreffende na te streven of te bereiken minimumdoelen of met ingang van een datum te bepalen door de Vlaamse Regering de erkende onderwijskwalificaties, leerplannen en individueel aangepaste curricula naleven;
1110° samenwerkingsafspraken maakt met een centrum voor leerlingenbegeleiding en een beleid op leerlingenbegeleiding voert;1110° samenwerkingsafspraken maakt met een centrum voor leerlingenbegeleiding en een beleid op leerlingenbegeleiding voert;
1211° in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigt.1211° in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigt.
1312° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school- of arbeidsreglement.1312° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school- of arbeidsreglement;
1413° een doeltreffend beleid voert om het verbod op het gebruik van slimme apparaten bekend te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid dat is opgenomen in het schoolreglement.
14§ 2. Een officiële school beantwoordt onverminderd § 1 aan volgende erkenningsvoorwaarden:15§ 2. Een officiële school beantwoordt onverminderd § 1 aan volgende erkenningsvoorwaarden:
151° een open karakter hebben door open te staan voor alle leerlingen, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdien-stige opvattingen van de ouders en de leerling;161° een open karakter hebben door open te staan voor alle leerlingen, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdien-stige opvattingen van de ouders en de leerling;
162° de leerplannen volgen van het gemeenschapsonderwijs, OVSG of POV, of eigen leerplannen ermee verenigbaar;
172° ...;
173° een schoolwerkplan, schoolreglement en schoolboeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter bedoeld in 1°;183° een schoolwerkplan, schoolreglement en schoolboeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter bedoeld in 1°;
184° begeleid worden door de begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs, OVSG of POV;194° begeleid worden door de begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs, OVSG of POV;
+2 −2 decreet-1997-02-25/art. 125quinquies
92° er is geen beslissing of overeenkomst om de scholengemeenschap niet te verlengen of te wijzigen;92° er is geen beslissing of overeenkomst om de scholengemeenschap niet te verlengen of te wijzigen;
103° de samenstelling van de scholengemeenschap blijft ongewijzigd;103° de samenstelling van de scholengemeenschap blijft ongewijzigd;
114° geen enkel schoolbestuur meldt voor 1 mei voorafgaand aan de start van een periode van zes schooljaren aan de andere schoolbesturen dat ze de beslissing of overeenkomst niet wil verlengen.114° geen enkel schoolbestuur meldt voor 1 maart voorafgaand aan de start van een periode van zes schooljaren aan de andere schoolbesturen dat ze de beslissing of overeenkomst niet wil verlengen.
12Scholengemeenschappen die op 31 augustus 2020 bestaan, kunnen op 1 september 2020 onder de voorwaarden van het derde lid van rechtswege worden verlengd voor een periode van zes schooljaren.12Scholengemeenschappen die op 31 augustus 2020 bestaan, kunnen op 1 september 2020 onder de voorwaarden van het derde lid van rechtswege worden verlengd voor een periode van zes schooljaren.
13§ 3. In afwijking van paragraaf 2 eindigen de overeenkomsten of beslissingen, vermeld in paragraaf 1, die in werking treden in de loop van een periode van zes schooljaren als vermeld in paragraaf 2, tweede lid, op het einde van de zes schooljaren in kwestie.13§ 3. In afwijking van paragraaf 2 eindigen de overeenkomsten of beslissingen, vermeld in paragraaf 1, die in werking treden in de loop van een periode van zes schooljaren als vermeld in paragraaf 2, tweede lid, op het einde van de zes schooljaren in kwestie.
183° een school wordt overgenomen door een schoolbestuur van dezelfde groep, vermeld in artikel 3, 21°, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt en op voorwaarde dat er een school deel uitmaakt van de scholengemeenschap wiens schoolbestuur betrokken is bij een fusie van gemeenten in het lopende schooljaar.183° een school wordt overgenomen door een schoolbestuur van dezelfde groep, vermeld in artikel 3, 21°, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt en op voorwaarde dat er een school deel uitmaakt van de scholengemeenschap wiens schoolbestuur betrokken is bij een fusie van gemeenten in het lopende schooljaar.
19Wijzigingen van een beslissing of overeenkomst treden in werking op 1 september na de datum waarop de wijziging tot stand is gekomen.19Wijzigingen van een beslissing of overeenkomst treden in werking op 1 september na de datum waarop de wijziging tot stand is gekomen.
20§ 5. Elke beslissing of overeenkomst met betrekking tot de vorming of de wijziging van een scholengemeenschap wordt, voor 15 juni van het schooljaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding, aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en bezorgd aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid. Ook een verlenging van rechtswege wordt uiterlijk op voormelde datum aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en bezorgd aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid.20§ 5. Elke beslissing of overeenkomst met betrekking tot de vorming of de wijziging van een scholengemeenschap wordt, voor 1 april van het schooljaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding, aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en bezorgd aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid. Ook een verlenging van rechtswege wordt uiterlijk op voormelde datum aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en bezorgd aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 125decies
54° ...54° ...
65° het gebruik van de infrastructuur;65° het gebruik van de infrastructuur;
76° de overdracht naar een andere scholengemeenschap van punten voor het voeren van een zorgbeleid verkregen op basis van artikel 125duodecies1, § 1, op voorwaarde dat een school op basis van 125quinquies, § 4, 1° en 2°, de scholengemeenschap verlaat en toetreedt tot de scholengemeenschap naar waar de punten voor het voeren van een zorgbeleid worden overgedragen.
76° de overdracht naar een andere scholengemeenschap van punten ter ondersteuning van de werking, die verkregen zijn op basis van artikel 125duodecies, §1, of van punten voor het voeren van een zorgbeleid, die verkregen zijn op basis van artikel 125duodecies1, §1, op voorwaarde dat een school op basis van artikel 125quinquies, §4, de scholengemeenschap verlaat en toetreedt tot de scholengemeenschap waarnaar de punten worden overgedragen. Een overdracht naar een andere scholengemeenschap van punten ter ondersteuning van de werking kan evenwel niet in het schooljaar 2025-2026. De overdacht van de punten mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk gereaffecteerd of wedertewerkgesteld kunnen worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap voor de duur van het volledige schooljaar.
+8 −8 codex-secundair-onderwijs/art. 2
1§1. De bepalingen van deel III van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs.1§1. De bepalingen van deel III van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs.
2In afwijking van het eerste lid:2In afwijking van het eerste lid:
31° ...31° ...
42° gelden artikel 96 tot en met 99, 115/1 en 116 tot en met 120 niet voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs;42° gelden artikel 96 tot en met 99, 115/1 en 116 tot en met 120 niet voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
53° gelden artikel 110/1 tot en met 110/18, 111 en 112, 122/2 tot en met 122/6, 123/2 tot en met 123/4, 123/6 tot en met 123/24/5 ook voor de leertijd.53° gelden artikel 110/1 tot en met 110/18, 111 en 112, 122/2 tot en met 122/6, 123/2 tot en met 123/4, 123/6 tot en met 123/24/5 ook voor de leertijd.
6§2. De bepalingen van deel IV van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs.6§2. De bepalingen van deel IV van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs.
7De artikelen 216 en 242 tot en met 251/1 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs.7De artikelen 216 en 242 tot en met 251/1 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs.
8De artikelen 253/1 tot en met 253/31 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het Nederlandse taalgebied. De artikelen 253/33 tot en met 253/63 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.8De artikelen 253/1 tot en met 253/31 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het Nederlandse taalgebied. De artikelen 253/33 tot en met 253/63 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
9Artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, en artikel 253/52 tot en met 253/61 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd.9Artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, en artikel 253/52 tot en met 253/61 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd.
10Artikel 253/1 tot en met 253/61 zijn niet van toepassing op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs.10Artikel 253/1 tot en met 253/61 zijn niet van toepassing op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs.
11§2/1. De bepalingen van deel III en deel IV van de codificatie zijn ook van toepassing op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld en met behoud van toepassing van de bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.11§2/1. De bepalingen van deel III en deel IV van de codificatie zijn ook van toepassing op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld en met behoud van toepassing van de bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.
12§ 3. De bepalingen van deel V van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van artikel 357, dat niet van toepassing is op het buitengewoon secundair onderwijs, maar enkel op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs.12§ 3. De bepalingen van deel V van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van artikel 357, dat niet van toepassing is op het buitengewoon secundair onderwijs, maar enkel op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs.
13De artikelen 295/1 tot en met 295/15 zijn niet van toepassing op de ziekenhuisscholen.13De artikelen 295/1 tot en met 295/15 zijn niet van toepassing op de ziekenhuisscholen.
14De artikelen 351 tot en met 356 gelden ook voor het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs.14De artikelen 351 tot en met 356 gelden ook voor het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs.
15§3/1. De bepalingen van deel V/1 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.15§3/1. De bepalingen van deel V/1 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
16De bepalingen van deel V/2 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.16De bepalingen van deel V/2 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
17§3/2. De bepalingen van deel V/3 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 3 en 4 met duale structuuronderdelen.".17§3/2. De bepalingen van deel V/3 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 3 en 4 met duale structuuronderdelen.".
18§4. Deel VI bevat een overzicht van de uitwerkingsdatum van de artikelen van de codificatie en deel VII wijzigt de verwijzingen naar artikelen die opgenomen zijn in de codificatie betreffende het secundair onderwijs.18§4. Deel VI bevat een overzicht van de uitwerkingsdatum van de artikelen van de codificatie en deel VII wijzigt de verwijzingen naar artikelen die opgenomen zijn in de codificatie betreffende het secundair onderwijs.
19§5. De codificatie is niet van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde onderwijsinternaten en semi-internaten. (1)19§5. De codificatie is niet van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde onderwijsinternaten en semi-internaten. (1)
20§6. Op duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen, ingericht door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, zijn de volgende artikelen van toepassing: artikel 4 tot en met 10, artikel 12, artikel 14, § 1 en § 3, artikel 15, uitgezonderd paragraaf 1, 16°, artikel 35 tot en met 38, artikel 41 tot en met 43, artikel 47, 48, artikel 70, artikel 100 tot en met 103, artikel 106 tot en met 108, artikel 110/1 tot en met 110/18, artikel 111, 112, artikel 115 tot en met 117/1, artikel 122 tot en met 123/19, artikel 136 tot en met 136/6, artikel 150, artikel 157/1, artikel 169 tot en met 173, artikel 252, 252/1, 253, artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, artikel 253/54 tot en met 253/63 en 256/11.20§6. Op duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen, ingericht door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, zijn de volgende artikelen van toepassing: artikel 4 tot en met 10, artikel 12, artikel 14, § 1 en § 3, artikel 15, uitgezonderd paragraaf 1, 16°, artikel 35 tot en met 38, artikel 41 tot en met 43, artikel 47, 48, artikel 70, artikel 100 tot en met 103, artikel 106 tot en met 108, artikel 110/1 tot en met 110/18, artikel 111 tot en met 117/1, artikel 122 tot en met 123/19, artikel 134/2, artikel 136 tot en met 136/6, artikel 150, artikel 157/1, artikel 169 tot en met 173, artikel 252, 252/1, 253, artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, artikel 253/54 tot en met 253/63 en 256/11.
+2 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 3
4614°/1 gemeenschappelijk curriculum: de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven en de schoolgebonden planning voor het nastreven van de vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen;4614°/1 gemeenschappelijk curriculum: de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven en de schoolgebonden planning voor het nastreven van de vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen;
4714°/2 ...;4714°/2 ...;
4814°/3 Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages (CEFR).4814°/3 Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages (CEFR);
4915° hoofdvestigingsplaats : vestigingsplaats waar de administratieve zetel van de school wordt ondergebracht;4915° hoofdvestigingsplaats : vestigingsplaats waar de administratieve zetel van de school wordt ondergebracht;
5015°/1 huisonderwijs :5015°/1 huisonderwijs :
12339°/1 scholengemeenschapsinstelling: een scholengemeenschapsinstelling is een instelling die geen onderwijsinstelling is en die uitsluitend opgericht kan worden binnen één scholengemeenschap en zich beperkt tot en als enige doel heeft daar personeelsleden, die werken ter ondersteuning van de scholen van de scholengemeenschap aan te stellen, te affecteren, toe te laten tot de proeftijd en vast te benoemen indien ze daarvoor in aanmerking komen.12339°/1 scholengemeenschapsinstelling: een scholengemeenschapsinstelling is een instelling die geen onderwijsinstelling is en die uitsluitend opgericht kan worden binnen één scholengemeenschap en zich beperkt tot en als enige doel heeft daar personeelsleden, die werken ter ondersteuning van de scholen van de scholengemeenschap aan te stellen, te affecteren, toe te laten tot de proeftijd en vast te benoemen indien ze daarvoor in aanmerking komen.
12440° schoolbestuur: de rechtspersoon of natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor één of meer scholen; wat de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen betreft, kan het schoolbestuur ook worden vermeld onder de benaming centrumbestuur;12440° schoolbestuur: de rechtspersoon of natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor één of meer scholen; wat de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen betreft, kan het schoolbestuur ook worden vermeld onder de benaming centrumbestuur;
12540°/0 slim apparaat: een elektronisch apparaat, dat verbonden kan worden met andere apparaten via telefoonnetwerken, netwerken of draadloze protocollen;
12540°/1 sociaal maatschappelijke training : een buitenschoolse training voor leerlingen van opleidingsvorm 1 met als doel ervaring op te doen met het oog op een zinvolle dagbesteding in het kader van wonen, werken en vrije tijd, maar niet om beroepservaring op te doen gericht op latere betaalde arbeid;12640°/1 sociaal maatschappelijke training : een buitenschoolse training voor leerlingen van opleidingsvorm 1 met als doel ervaring op te doen met het oog op een zinvolle dagbesteding in het kader van wonen, werken en vrije tijd, maar niet om beroepservaring op te doen gericht op latere betaalde arbeid;
12641° ...12741° ...
+2 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 15
2519° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren;2519° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren;
2620° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school-, centrum- of arbeidsreglement;2620° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school-, centrum- of arbeidsreglement;
2721° beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen betreffende de organisatie van het onderwijs.2721° beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen betreffende de organisatie van het onderwijs;
2822° een doeltreffend beleid voert om het verbod op het gebruik van slimme apparaten bekend te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid opgenomen in het school- of centrumreglement.
28§ 2. Alleen voor een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat wordt opgericht in het kader van de oprichting van een school die niet het gevolg is van een herstructurering van bestaande scholen, dient het schoolbestuur, uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de oprichting, een aanvraag tot financiering of subsidiëring in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de voormelde aanvraag vast.29§ 2. Alleen voor een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat wordt opgericht in het kader van de oprichting van een school die niet het gevolg is van een herstructurering van bestaande scholen, dient het schoolbestuur, uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de oprichting, een aanvraag tot financiering of subsidiëring in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de voormelde aanvraag vast.
29De onderwijsinspectie gaat na of het structuuronderdeel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 9° en 11°. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 augustus voorafgaand aan de oprichting een van de volgende beslissingen :30De onderwijsinspectie gaat na of het structuuronderdeel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 9° en 11°. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 augustus voorafgaand aan de oprichting een van de volgende beslissingen :
+1 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 24
1In het secundair onderwijs wordt elk schooljaar aan een scholengemeenschap respectievelijk aan een school doch enkel indien deze niet tot een scholengemeenschap behoort, een globale puntenenveloppe toegekend. Bij toekenning aan een scholengemeenschap wordt de globale puntenenveloppe, na eventuele voorafname bedoeld in artikel 29, § 1, door de scholengemeenschap verdeeld over de scholen die ertoe behoren.1In het secundair onderwijs wordt elk schooljaar aan een scholengemeenschap respectievelijk aan een school doch enkel indien deze niet tot een scholengemeenschap behoort, een globale puntenenveloppe toegekend. Bij toekenning aan een scholengemeenschap wordt de globale puntenenveloppe, na eventuele voorafname bedoeld in artikel 29, § 1, door de scholengemeenschap verdeeld over de scholen die ertoe behoren.
2De globale puntenenveloppe strekt ertoe enerzijds om op het niveau van de school het kader bestuurspersoneel en ondersteunend personeel in te vullen en anderzijds om op het niveau van de school en van de scholengemeenschap een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.2De globale puntenenveloppe strekt ertoe enerzijds om op het niveau van de school het kader bestuurspersoneel en ondersteunend personeel in te vullen en anderzijds om op het niveau van de school en van de scholengemeenschap een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.
3Voor de berekening van de globale puntenenveloppe wordt de uitstap uit een scholengemeenschap en de toetreding tot een andere scholengemeenschap, overeenkomstig artikel 51, geacht al op 1 februari van het voorafgaande schooljaar te hebben plaatsgevonden.
3Op het resultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe als vermeld in, naargelang van het geval, artikel 25, 26, 27 of 28, wordt een aanwendings-percentage toegepast dat wordt vastgesteld op 96,57%. De Vlaamse Regering kan op basis van de budgettaire mogelijkheden dit aanwendingspercentage wijzigen.4Op het resultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe als vermeld in, naargelang van het geval, artikel 25, 26, 27 of 28, wordt een aanwendings-percentage toegepast dat wordt vastgesteld op 96,57%. De Vlaamse Regering kan op basis van de budgettaire mogelijkheden dit aanwendingspercentage wijzigen.
+9 −9 codex-secundair-onderwijs/art. 48/3
1Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onder- wijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden:1Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden:
21° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste dertig regelmatige leerlingen meer dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in de eerste graad B-stroom, alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen;21° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste dertig regelmatige leerlingen meer dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in de eerste graad B-stroom, alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3 samen;
32° de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom, alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.32° de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom, alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3 samen het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.
4Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotings- jaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onder- wijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan een van de volgende voorwaarden: 1° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste 30 procent meer regelmatige leerlingen dan op de eerste schooldag4Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
5van februari van 20TT-1 in de eerste graad B-stroom;
51° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste 30 procent meer regelmatige leerlingen dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in de eerste graad B-stroom;
62° de school of centrum had op de eerste schooldag van februari 20TT-1 nog geen aanbod eerste graad B-stroom, en heeft wel een aanbod eerste graad B-stroom op de eerste schooldag van oktober 20TT-1.62° de school of centrum had op de eerste schooldag van februari 20TT-1 nog geen aanbod eerste graad B-stroom, en heeft wel een aanbod eerste graad B-stroom op de eerste schooldag van oktober 20TT-1.
7Een school die aan een van de in het tweede lid bepaalde voorwaarden voldoet, komt slechts in aanmerking indien de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.7Een school die aan een van de in het tweede lid bepaalde voorwaarden voldoet, komt slechts in aanmerking indien de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.
8Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onder- wijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden:8Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden:
91° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste 30 procent meer regelmatige leerlingen dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen;91° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste 30 procent meer regelmatige leerlingen dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3 samen;
102° de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.102° de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3 samen het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.
11Voor de maatregelen, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt vanaf 2024 jaarlijks in een bedrag van 10 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, §3, derde lid, 2°.11Voor de maatregelen, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt vanaf 2024 jaarlijks in een bedrag van 10 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, §3, derde lid, 2°.
12Het extra werkingsbudget per school of centrum voor het betrokken schooljaar is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal bijkomende regelmatige leerlingen in de school of het centrum in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in de school of het centrum in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 met het binnen de begroting voorziene werkingsbudget, vermeld in dit artikel, gedeeld door het totale aantal bijkomende regelmatige leerlingen in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 in alle scholen en centra die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle scholen en centra die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid.12Het extra werkingsbudget per school of centrum voor het betrokken schooljaar is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal bijkomende regelmatige leerlingen in de school of het centrum in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3 samen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in de school of het centrum in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3 samen op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 met het binnen de begroting voorziene werkingsbudget, vermeld in dit artikel, gedeeld door het totale aantal bijkomende regelmatige leerlingen in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3 samen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 in alle scholen en centra die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3 samen op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle scholen en centra die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid.
13Het bedrag dat een school of centrum ontvangt per bijkomende regelmatige leerling kan niet meer bedragen dan 11.000 euro. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, §3, derde lid, 2°.13Het bedrag dat een school of centrum ontvangt per bijkomende regelmatige leerling kan niet meer bedragen dan 11.000 euro. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, §3, derde lid, 2°.
14Scholen en centra die voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT de eerste schooldag van oktober hanteren als teldatum als vermeld in artikel 86, §2, derde lid, van het decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap en in artikel 171 en 172, §1, komen voor het betrokken schooljaar niet in aanmerking voor het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel.14Scholen en centra die voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT de eerste schooldag van oktober hanteren als teldatum als vermeld in artikel 86, §2, derde lid, van het decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap en in artikel 171 en 172, §1, komen voor het betrokken schooljaar niet in aanmerking voor het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel.
+9 −6 codex-secundair-onderwijs/art. 110/29
1§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs moeten uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar waarin de leerplichtige huisonderwijs volgt, een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs, indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Die informatie over het huisonderwijs moet minstens de volgende elementen bevatten:1§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs moeten uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar waarin de leerplichtige huisonderwijs volgt, een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. In de verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs worden de plichten van de ouders om het onderwijs te verstrekken of te laten verstrekken dat voldoet aan de minimumeisen, vermeld in artikel 110/28, en de plichten, vermeld in artikel 110/30, artikel 110/31 en artikel 6, §4, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding opgenomen. De verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs moet verder minstens de volgende elementen bevatten:
21° de persoonsgegevens van de ouders en de leerplichtige die het huisonderwijs volgt;21° de persoonsgegevens van de ouders en de leerplichtige die het huisonderwijs volgt;
31°/1 de contactgegevens van de ouders: e-mailadres en telefoonnummer;
41°/2 de keuze van CLB, vermeld in artikel 6, §4, vijfde lid, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
32° de gegevens van wie het huisonderwijs zal geven, met inbegrip van het opleidingsniveau van de lesgever(s) van het huisonderwijs;52° de gegevens van wie het huisonderwijs zal geven, met inbegrip van het opleidingsniveau van de lesgever(s) van het huisonderwijs;
43° de taal waarin het huisonderwijs zal worden verstrekt;63° de taal waarin het huisonderwijs zal worden verstrekt;
65° de onderwijsdoelen die met het huisonderwijs zullen worden nagestreefd;85° de onderwijsdoelen die met het huisonderwijs zullen worden nagestreefd;
76° de afstemming van het huisonderwijs op de leerbehoeften van de leerplichtige;96° de afstemming van het huisonderwijs op de leerbehoeften van de leerplichtige;
106°/1 de wijze waarop de sociale participatie van de leerplichtige wordt nagestreefd;
87° de bronnen en leermiddelen die zullen worden gebruikt voor het huisonderwijs.117° de bronnen en leermiddelen die zullen worden gebruikt voor het huisonderwijs.
9In het geval dat voor twee of meerdere leerplichtige kinderen gezamenlijk huisonderwijs wordt georganiseerd en de plaats waar dit huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het adres waar de kinderen gedomicilieerd zijn, dan kan voor deze leerplichtige kinderen één gezamenlijke verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over huisonderwijs ingediend worden door de organisator van het huisonderwijs. De bijhorende informatie over het huisonderwijs moet naast de elementenvermeld in het tweede lidook het adres bevatten waarop het huisonderwijs effectief wordt verstrekt .12In het geval dat voor twee of meerdere leerplichtige kinderen gezamenlijk huisonderwijs wordt georganiseerd en de plaats waar dit huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het adres waar de kinderen gedomicilieerd zijn, dan kan voor deze leerplichtige kinderen één gezamenlijke verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs ingediend worden door de organisator van het huisonderwijs. De verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs moet naast de elementen, vermeld in het eerste lid, ook het adres bevatten waar het huisonderwijs effectief wordt verstrekt en de persoonsgegevens en contactgegevens, e-mailadres en telefoonnummer van de organisator van het huisonderwijs.
10De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zullen hiertoe een document ter beschikking stellen.13De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zullen hiertoe een model van verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs ter beschikking stellen.
11In afwijking van het eerste lid dienen ouders die hun leerplichtige kinderen inschrijven in één van volgende scholen, geen verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie in te dienen :14In afwijking van het eerste lid dienen ouders die hun leerplichtige kinderen inschrijven in één van volgende scholen, geen verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs in te dienen :
121° Europese scholen ;151° Europese scholen en geaccrediteerde Europese scholen;
132° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;162° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
143° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;173° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
154° scholen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.184° scholen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.
16§ 2. In afwijking van de termijn, vermeld in paragraaf 1, kunnen de ouders van volgende leerplichtigen steeds een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap :19§ 2. In afwijking van de termijn, vermeld in paragraaf 1, kunnen de ouders van volgende leerplichtigen steeds een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap :
171° leerplichtigen die zich in de loop van een schooljaar domiciliëren in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;201° leerplichtigen die zich in de loop van een schooljaar domiciliëren in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;
182° leerplichtigen die in de loop van een schooljaar naar het buitenland gaan, maar gedomicilieerd blijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;212° leerplichtigen die in de loop van een schooljaar naar het buitenland gaan, maar gedomicilieerd blijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;
+3 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 110/30
1§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs zijn verplicht de leerplichtige in te schrijven bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap van het secundair onderwijs uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige vijftien jaar is geworden voor 1 januari.1§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs zijn verplicht de leerplichtige in te schrijven bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap van het secundair onderwijs uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige vijftien jaar is geworden voor 1 januari.
2Als de leerplichtige uiterlijk binnen het schooljaar waarin hij zestien jaar is geworden voor 1 januari, via de examencommissie geen enkel getuigschrift of diploma van het secundair onderwijs behaalt, dienen de ouders de leerplichtige in te schrijven hetzij in een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :2Als de leerplichtige uiterlijk binnen het schooljaar waarin hij zestien jaar is geworden voor 1 januari, via de examencommissie geen enkel getuigschrift of diploma van het secundair onderwijs behaalt, dienen de ouders de leerplichtige in te schrijven hetzij in een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :
31° Europese scholen ;31° Europese scholen en geaccrediteerde Europese scholen;
42° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;42° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
53° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;53° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
102° indien de leerplichtige in het bezit is van een individuele gelijkwaardigheidsbeslissing met minstens het niveau van de eerste graad secundair onderwijs;102° indien de leerplichtige in het bezit is van een individuele gelijkwaardigheidsbeslissing met minstens het niveau van de eerste graad secundair onderwijs;
113° indien de leerplichtige ingeschreven is in één van de volgende scholen :113° indien de leerplichtige ingeschreven is in één van de volgende scholen :
12a) Europese scholen ;12a) Europese scholen en geaccrediteerde Europese scholen;
13b) internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;13b) internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
14c) internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;14c) internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
15d) scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.15d) scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.
16Alleen het CLB dat conform artikel 110/29, §1, eerste lid, 1°/2, is aangeduid in de verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs, is bevoegd om te beslissen over de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 1°.
+5 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 110/31
1§ 1. De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen, vermeld in artikel 110/28. De Vlaamse Regering legt de criteria vast op basis waarvan deze controle gebeurt.1§ 1. De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen, vermeld in artikel 110/28. De Vlaamse Regering legt de criteria vast op basis waarvan deze controle gebeurt.
2§ 2. De ouders zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de controle op het huisonderwijs. 2§ 2. De ouders zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de controle op het huisonderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere modaliteiten van de medewerkingsplicht van de ouders.
3§ 2/1. De onderwijsinspectie controleert de deelname aan systematische contacten en de medewerking aan profylactische maatregelen als vermeld in artikel 6, § 4, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. 3§ 2/1. De onderwijsinspectie controleert de deelname aan systematische contacten en de medewerking aan profylactische maatregelen als vermeld in artikel 6, § 4, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. De onderwijsinspectie neemt de niet-deelname aan de systematische contacten mee als een element bij de prioritering van de controles op huisonderwijs, vermeld in het eerste lid.
4§ 3. Wanneer de controle van de onderwijsinspectie niet aanvaard wordt of wanneer de onderwijsinspectie bij twee opeenvolgende controles vaststelt dat het verstrekte onderwijs kennelijk niet beantwoordt aan de doelstellingen, vermeld in het artikel 110/28, moeten de ouders de leerling inschrijven in hetzij een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :4§ 3. Wanneer de controle van de onderwijsinspectie niet aanvaard wordt of wanneer de onderwijsinspectie bij twee opeenvolgende controles vaststelt dat het verstrekte onderwijs kennelijk niet beantwoordt aan de doelstellingen, vermeld in het artikel 110/28, moeten de ouders de leerling inschrijven in hetzij een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :
51° Europese scholen ;51° Europese scholen en geaccrediteerde Europese scholen;
62° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;62° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
73° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;73° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
84° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.84° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.
9Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht van de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend mits voorafgaande toestemming van de onderwijsinspectie. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen die worden aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt.9Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht van de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend als de leerling voorafgaand aan het hervatten van het huisonderwijs zes maanden ingeschreven was in een van de scholen, vermeld in het eerste lid, in die school voldoende aanwezig was, behoudens gewettigde afwezigheid en mits voorafgaande toestemming van de onderwijsinspectie. De termijn van zes maanden wordt geschorst tijdens de zomervakantie. De toestemming van de onderwijsinspectie kan door de ouders worden aangevraagd vanaf twee maanden voor het einde van de termijn van zes maanden. De toestemming van de onderwijsinspectie kan door de ouders worden aangevraagd vanaf twee maanden voor het einde van de zes maanden. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen die worden aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt.
10Een leerling wordt tijdens de zes maanden, vermeld in het tweede lid, geacht niet voldoende aanwezig als vermeld in het tweede lid te zijn als de leerling 15 al dan niet gespreide halve dagen problematisch afwezig is geweest.
10De Vlaamse Regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast.11De Vlaamse Regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast.
+1 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 112
32b) de plicht voor de leerling om zich te onthouden van iedere daad van geweld, pesterij of ongewenst seksueel gedrag;32b) de plicht voor de leerling om zich te onthouden van iedere daad van geweld, pesterij of ongewenst seksueel gedrag;
33c) de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen en centra opgelegde rookverbod, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding;33c) de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen en centra opgelegde rookverbod, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding;
34d) de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen en centra opgelegde verbod op slimme apparaten, vermeld in artikel 113, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding van het verbod op het gebruik van slimme apparaten;
3411° de eventuele beroepsmogelijkheden voor de betrokken personen ten aanzien van betwiste beslissingen buiten beslissingen in verband met definitieve uitsluiting of leerlingenevaluatie;3511° de eventuele beroepsmogelijkheden voor de betrokken personen ten aanzien van betwiste beslissingen buiten beslissingen in verband met definitieve uitsluiting of leerlingenevaluatie;
3512° de basisprincipes van het schoolbeleid met betrekking tot reclame en sponsoring;3612° de basisprincipes van het schoolbeleid met betrekking tot reclame en sponsoring;
+12 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 113 nieuw
1§1. Het is leerlingen in de eerste en tweede graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en van het buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 4, in opleidingsvorm 1 buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 2 buitengewoon secundair onderwijs en de observatiefase en opleidingsfase van opleidingsvorm 3 buitengewoon secundair onderwijs verboden om slimme apparaten te gebruiken tijdens de periode van de normale aanwezigheid van de leerlingen op school.
2Voor de toepassing van dit artikel is de normale aanwezigheid van de leerlingen op school, de volledige periode voor de aanvang van de lessen 's morgens tot het einde van de laatste les van de lesdag.
3In afwijking van het eerste lid is het gebruik van slimme apparaten toegestaan in de volgende gevallen:
41° voor onderwijsdoeleinden die de school bepaalt;
52° in het kader van redelijke aanpassingen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of omwille van medische redenen;
63° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, tijdens extra-murosactiviteiten;
74° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, voor individuele leerlingen, in de tweede graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, omwille van persoonlijke omstandigheden.
8§2. Het is leerlingen van de derde graad van het voltijds gewoon en opleidingsvorm 4 buitengewoon secundair onderwijs, de kwalificatiefase en facultatieve integratiefase van opleidingsvorm 3 buitengewoon secundair onderwijs en in de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, verboden om slimme apparaten te gebruiken tijdens de lessen.
9In afwijking van het eerste lid is het gebruik van slimme apparaten toege-staan in de volgende gevallen:
101° voor onderwijsdoeleinden die de school bepaalt;
112° in het kader van redelijke aanpassingen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of omwille van medische redenen;
123° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, voor individuele leerlingen, omwille van persoonlijke omstandigheden.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 123/25 opgeheven
1De bepalingen van deze afdeling houden progressief, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, op uitwerking te hebben met ingang van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019.
+0 −11 codex-secundair-onderwijs/art. 124 opgeheven
1Het voltijds secundair onderwijs bestaat uit:
21° ...;
32° ...;
43° de derde graad, opgebouwd uit:
5a) een eerste leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;
6b) een tweede leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;
7c) uitsluitend in het algemeen en het kunstsecundair onderwijs: een derde leerjaar, dat wordt aangeduid als 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs, waarin opties worden onderscheiden;
8d) uitsluitend in het technisch en het kunstsecundair onderwijs: een derde leerjaar, dat wordt aangeduid als 7de leerjaar, waarin opties worden onderscheiden;
9e) uitsluitend in het beroepssecundair onderwijs: een derde leerjaar, dat wordt aangeduid als 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt, waarin opties worden onderscheiden, en een derde leerjaar, dat wordt aangeduid als 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs;
104° ...
11Vanaf het schooljaar 2009-2010 wordt de opleiding verpleegkunde aangeduid als hoger beroepsonderwijs, behorend tot het niveau hoger onderwijs. Ze kan evenwel uitsluitend worden ingericht door scholen voor voltijds secundair onderwijs.
+0 −34 codex-secundair-onderwijs/art. 126 opgeheven
1Het aanbod in het secundair onderwijs, met uitzondering van de eerste graad, wordt ingedeeld in studiegebieden.
2De studiegebieden zijn :
31) algemeen secundair onderwijs;
42) sport;
53) auto;
64) bouw;
75) chemie;
86) decoratieve technieken;
97) fotografie;
108) glastechnieken;
119) grafische communicatie en media;
1210) handel;
1311) hout;
1412) juwelen;
1513) koeling en warmte;
1614) land- en tuinbouw;
1715) lichaamsverzorging;
1816) maatschappelijke veiligheid;
1917) maritieme opleidingen;
2018) mechanica-elektriciteit;
2119) mode;
2220) muziekinstrumentenbouw;
2321) optiek;
2422) orthopedische technieken;
2523) personenzorg;
2624) tandtechnieken;
2725) textiel;
2826) toerisme;
2927) voeding;
3028) ballet;
3129) beeldende kunsten;
3230) podiumkunsten.
33De Vlaamse Regering rangschikt elk structuuronderdeel in één van desbetreffende studiegebieden.
34Voor de toepassing van deze bepaling wordt met structuuronderdeel bedoeld : een optie van de derde graad en de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. (125)
+0 −5 codex-secundair-onderwijs/art. 127/1 opgeheven
1Structuuronderdelen met in de benaming de term "duaal" die organiek in het studieaanbod worden opgenomen, zijn structuuronderdelen van het voltijds gewoon secundair onderwijs.
2De volgende bepalingen zijn niet van toepassing op structuuronderdelen met in de benaming de term "duaal" die op 1 september 2018 in het studieaanbod worden opgenomen:
31° artikel 15 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur met betrekking tot de procedure voor erkenning van onderwijskwalificaties;
42° artikel 129, § 1, van deze codex met betrekking tot de indienings- en adviseringsprocedure voor voorstellen van nieuwe structuuronderdelen;
53° de uitvoeringsbepalingen van punt 1° en 2°.
+0 −5 codex-secundair-onderwijs/art. 128 opgeheven
1De Vlaamse Regering kan beslissen om bestaande structuuronderdelen om te zetten. De omzetting houdt in dat het structuuronderdeel hetzij wordt opgeheven, hetzij wordt gewijzigd op één of meer van volgende onderdelen:
2a) de benaming;
3b) de graad, de onderwijsvorm, het studiegebied of het leerjaarniveau waarin het wordt ondergebracht;
4c) de duurtijd, doch uitsluitend wat 7de leerjaren van het technisch en kunstsecundair onderwijs betreft;
5d) de goedkeuring van leerplannen.
+0 −15 codex-secundair-onderwijs/art. 130 opgeheven
1§1. 7de leerjaren van het technisch en kunstsecundair onderwijs hebben een duurtijd van een semester, twee aansluitende semesters of drie aansluitende semesters en kunnen voor de leerlingen op 1 september of op 1 februari starten.
27de leerjaren van het technisch en kunstsecundair onderwijs zijn sterk beroepsgericht, bestaan uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 4, en worden bekrachtigd met een certificaat. Ze bevatten een relevant aandeel werkplekleren, namelijk leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene en/of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is. Onder eenzelfde benaming kan een optie maar aan één welbepaalde duurtijd worden gekoppeld.
3§2. Voor de organisatie van een 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs kan een school voor voltijds secundair onderwijs samenwerken met:
41° een of meer andere scholen voor secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs of hogescholen;
52° een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;
63° andere organisaties of bedrijven uit de publieke of private sector.
7Binnen het samenwerkingsverband, vermeld in het eerste lid, is de eerst vermelde school voor voltijds secundair onderwijs altijd de coördinerende school. Alleen de coördinerende school is bevoegd en verantwoordelijk voor de inschrijving van een leerling voor het geheel van een optie van het 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs, de programmatie, de evaluatie, de studiebekrachtiging en de kwaliteitszorg, terwijl op het vlak van de financiering of subsidiëring de geldende decretale en regelgevende bepalingen alleen van toepassing zijn op de coördinerende school.
8De samenwerking, vermeld in het eerste lid, wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin ten minste de volgende elementen worden opgenomen:
91° de partners waarmee wordt samengewerkt;
102° de coördinerende school;
113° de invulling van de samenwerking;
124° de looptijd van de samenwerking;
135° de afspraken over de evaluatie en de kwaliteitszorg;
146° de afspraken over het inzetten van personeel. Het protocol van de onderhandelingen ter zake in de bevoegde lokale comités wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd.
15Een coördinerende school kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen aan een partner waarmee wordt samengewerkt. Tenzij de voormelde overdracht plaatsvindt naar een andere school voor secundair onderwijs of naar een centrum voor volwassenenonderwijs, worden de betrokken uren-leraar beschouwd als uren-leraar aangewend voor gastleraren en gelden de bepalingen van artikel 211, §3.
+0 −10 codex-secundair-onderwijs/art. 133/5 opgeheven
1De Vlaamse Regering legt voor structuuronderdelen die onder de toepassing van de volgende artikelen vallen, de concordantie vast naar basisopties respectievelijk structuuronderdelen van de matrix als vermeld in deze afdeling:
21° artikel 124 en 126 van deze codex, voor het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4;
32° artikel 335 van deze codex, voor het buitengewoon secundair onderwijs;
43° artikel 22 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd.
5De concordantie kan de volgende vormen aannemen:
61° een structuuronderdeel wordt opgeheven zonder omzetting;
72° één structuuronderdeel wordt omgezet in één basisoptie of structuuronderdeel;
83° verschillende structuuronderdelen worden omgezet in één basisoptie of structuuronderdeel;
94° één structuuronderdeel wordt omgezet in verschillende basisopties of structuuronderdelen.
10Voor de school is de omzetting in één basisoptie of structuuronderdeel een recht en geen programmatie. Als er verschillende omzettingsmogelijkheden zijn, kiest het schoolbestuur één omzetting die een recht en geen programmatie is. Als de omzetting door alle betrokken scholen samen ertoe kan leiden dat niet is voldaan aan de beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan een bepaalde niche-basisoptie of een bepaalde niche-studierichting zijn gekoppeld én een school afziet van die omzetting, mag ze twee andere basisopties of structuuronderdelen, die geen niche zijn, zonder programmatie oprichten.
+3 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 133/6
2De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die aan een eventuele wijziging voorafgaat en kan daarbij, met toepassing van de decreetgeving op de kwalificatiestructuur, een onderscheid maken tussen structuuronderdelen die wel en structuuronderdelen die niet tot een bewijs van onderwijskwalificatie leiden.2De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die aan een eventuele wijziging voorafgaat en kan daarbij, met toepassing van de decreetgeving op de kwalificatiestructuur, een onderscheid maken tussen structuuronderdelen die wel en structuuronderdelen die niet tot een bewijs van onderwijskwalificatie leiden.
3Uiterlijk om de vijf schooljaren vanaf het tweede schooljaar van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019 worden alle structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B en het onthaaljaar, gescreend op actualiteitswaarde en worden zo nodig bijsturingen doorgevoerd. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor die screening en bijsturing.3Uiterlijk om de vijf schooljaren vanaf het tweede schooljaar van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019 worden alle structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B en het onthaaljaar, gescreend op actualiteitswaarde en worden zo nodig bijsturingen doorgevoerd. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor die screening en bijsturing.
4Als een basisoptie of structuuronderdeel wordt vervangen als vermeld in het eerste lid, heeft dat voor de organiserende school een van de volgende gevolgen:
51° een vervanging van rechtswege als de basisoptie of het structuuronderdeel door één basisoptie of structuuronderdeel wordt vervangen;
62° een vervanging door één basisoptie of structuuronderdeel naar keuze van het schoolbestuur als de basisoptie of het structuuronderdeel door verschillende basisopties of structuuronderdelen wordt vervangen. Het eventuele aanbod van de overige basisopties of structuuronderdelen verloopt via de programmatieregeling.
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 136
4a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;4a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
5b) worden de vrijgekomen uren besteed aan een door de toelatingsklassenraad samengesteld individueel lesprogramma.5b) worden de vrijgekomen uren besteed aan een door de toelatingsklassenraad samengesteld individueel lesprogramma.
62° Het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een optie, aangeduid als 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties.62° Het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties.
73° Het spreiden van de vorming van een optie, aangeduid als 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs, over het dubbele van de gebruikelijke studieduur. In voorkomend geval wordt enerzijds bij het einde van de gebruikelijke studieduur slechts een attest van regelmatige lesbijwoning uitgereikt en anderzijds voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën, de bepaling van de werkingsmiddelen en de toepassing van het programmatie- of rationalisatieplan, de regelmatige leerling niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke studieduur. (135)73° Het spreiden van de vorming van een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt, over het dubbele van de gebruikelijke studieduur. In voorkomend geval wordt enerzijds bij het einde van de gebruikelijke studieduur slechts een attest van regelmatige lesbijwoning uitgereikt en anderzijds voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën, de bepaling van de werkingsmiddelen en de toepassing van het programmatie- of rationalisatieplan, de regelmatige leerling niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke studieduur. (135)
+8 −5 codex-secundair-onderwijs/art. 136/4
1§ 1. Een schoolbestuur kan voor leerlingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs die door een onvoldoende kennis van de onderwijstaal niet in staat zijn om de lessen in voldoende mate te volgen en al of niet uit het onthaalonderwijs, vermeld in artikel 135, komen, tot maximaal drie uren extra taallessen Nederlands per week organiseren. Deze extra taallessen Nederlands komen bovenop het leerprogramma van het structuuronderdeel waarin de leerling is ingeschreven en beogen de taalachterstand op een zo kort mogelijke termijn weg te werken.
2De toelatingsklassenraad of de begeleidende klassenraad, al naargelang het geval, beslist om een leerling te verplichten tot maximaal drie uren extra taallessen Nederlands per week. In afwijking op de geldende regelgeving is die klassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, ten minste samengesteld uit de leraars belast met de basisvorming.
3§ 2. Voor de leerlingen die verplicht worden tot maximaal drie uren extra taallessen Nederlands per week voorziet de school in een doelgericht aanbod. De school kan dat aanbod zelf organiseren of daarvoor samenwerken met andere scholen waarbij leerlingen van verschillende scholen kunnen worden samengebracht.
1Onder de volgende voorwaarden volgt een leerling in het voltijds gewoon secundair onderwijs extra taallessen Nederlands, boven op de lessentabel van het gevolgde structuuronderdeel, om taalachterstand op een zo kort mogelijke termijn weg te werken:
21° de beslissing hiertoe kan worden genomen door:
3a) de klassenraad van het lager onderwijs, die voor elke leerling hierover een beslissing neemt samen met de beslissing over de toekenning van het getuigschrift basisonderwijs. In dat geval start de leerling in zijn eerste schooljaar in het secundair onderwijs met drie extra wekelijkse uren taal-lessen Nederlands;
4b) de klassenraad van het door de leerling gevolgde structuuronderdeel van het secundair onderwijs, met uitzondering van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers. Die klassenraad is ten minste samengesteld uit de leraars die belast zijn met de basisvorming. In dat geval volgt de leerling maximaal drie extra wekelijkse uren taallessen Nederlands. De klassenraad kan geen bijkomende taallessen opleggen aan een leerling die al verplicht is om drie uur extra taallessen Nederlands te volgen als gevolg van een beslissing van de klassenraad van het lager onderwijs;
4De duur van de extra taallessen Nederlands tijdens een schooljaar is afhankelijk van de evaluatie door de begeleidende klassenraad van de studievoortgang van de betrokken leerling.52° de vermindering of beëindiging van de extra wekelijkse uren taallessen, vermeld in punt 1°, a) of b), is afhankelijk van de evaluatie van de studievoortgang van de leerling door de klassenraad in de loop of bij het einde van een schooljaar;
63° de school voorziet in een doelgericht aanbod dat ze zelf organiseert of waarvoor ze samenwerkt met andere scholen waarbij leerlingen van verschillende scholen worden samengebracht.
7De extra taallessen Nederlands behoren, in voorkomend geval, tot de vorming, vermeld in artikel 252, §1, a), 2).
5§ 3. De Vlaamse Regering kan verdere voorwaarden bepalen waaronder leerlingen de extra taallessen Nederlands, vermeld in paragraaf 1, moeten volgen alsook verdere voorwaarden voor de praktische organisatie van deze extra taallessen.8De Vlaamse Regering kan verdere voorwaarden bepalen waaronder leerlingen de extra taallessen moeten volgen en ook verdere voorwaarden voor de praktische organisatie ervan.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 147/1 opgeheven
1De bepalingen van deze afdeling houden progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, op uitwerking te hebben met ingang van 1 september 2019.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 150 opgeheven
1Een school kan in elk structuuronderdeel inhaallessen organiseren als vermeld in afdeling 5, van dit hoofdstuk, van deze codex.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 151 opgeheven
1De toepassing van de bepalingen van deze afdeling mag niet tot gevolg hebben dat de school gedurende minder dan negen halve dagen per week zou open zijn. (150)
+0 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 152 opgeheven
1Onverminderd de bepalingen inzake minimum lessenrooster stelt de Vlaamse Regering de benamingen van de vakken vast en bepaalt ze de indeling in algemene vakken, kunstvakken, technische vakken en praktische vakken.
2Zijn ook algemene vakken : alle levende talen.
+0 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 155 opgeheven
1§ 1. In het onthaaljaar bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
21° godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
32° Nederlands voor nieuwkomers.
4§ 2. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van § 1 godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie. (154)
+0 −39 codex-secundair-onderwijs/art. 157 opgeheven
1§ 1. In het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
2- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
3- Nederlands;
4- Frans;
5- Engels of Duits;
6- wiskunde;
7- geschiedenis;
8- aardrijkskunde;
9- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie;
10- lichamelijke opvoeding.
11§ 2. In het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
12- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
13- Nederlands;
14- Frans of Engels en vervangen vanaf 1 september 2014 door Frans en Engels in het eerste leerjaar van de derde graad en vanaf 1 september 2015 in het tweede leerjaar van de derde graad;
15- wiskunde;
16- geschiedenis;
17- aardrijkskunde;
18- lichamelijke opvoeding.
19- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm, vanaf 1 september 2017 in het eerste leerjaar van de derde graad en vanaf 1 september 2018 in het tweede leerjaar van de derde graad.
20§ 3. In het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
21- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
22- Nederlands;
23- maatschappelijke vorming of natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde;
24- lichamelijke opvoeding.
25- Frans of Engels vanaf 1 september 2012 in het eerste leerjaar van de derde graad en vanaf 1 september 2013 in het tweede leerjaar van de derde graad;
26Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd als "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken vanaf 1 september 2012 in het eerste leerjaar en vanaf 1 september 2013 in het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs.
27§ 4. In een derde leerjaar in de derde graad van het beroepssecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit algemene vakken, waaronder alleszins :
28- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
29- Nederlands;
30- maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde;
31- lichamelijke opvoeding;
32- Frans of Engels vanaf 1 september 2014 in het derde leerjaar van de derde graad;
33Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd als "project algemene vakken".
34De integratie van het vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord vanaf 1 september 2014 van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs.
35Indien dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt worden ten minste twaalf wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming. Indien dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs worden ten minste achtentwintig wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming.
36Indien dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt worden ten minste veertien wekelijkse lesuren besteed aan het onderricht in technische en/of praktische vakken.
37§ 5. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van § 1 tot en met § 4 :
38« - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie; ».
39§ 6. ...
+1 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 157/7
1Het lessenrooster van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B omvat, naast de lesuren basisvorming, ten minste vijf lesuren differentiatie.1Het lessenrooster van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B omvat, naast de lesuren basisvorming, ten minste vijf lesuren differentiatie.
2Het lessenrooster van het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B omvat, naast de lesuren basisvorming en de lesuren basisoptie, ten minste twee lesuren differentiatie.2Het lessenrooster van het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B omvat, naast de lesuren basisvorming en de lesuren basisoptie, ten minste twee lesuren differentiatie.
3De lesuren differentiatie kunnen worden ingevuld als een verdieping of een remediëring van onderdelen van de basisvorming of als een verdieping in klassieke talen. De school biedt enerzijds ten minste twee verdiepende differentiatiepakketten aan en anderzijds die remediërende differentiatiepakketten waaraan de leerlingen behoefte hebben. 3De lesuren differentiatie kunnen worden ingevuld als een remediëring van onderdelen van de basisvorming of als een verdieping of verbreding in vakken die zijn vastgelegd ter uitvoering van artikel 157/4. De school biedt ten minste twee verdiepende of verbredende differentiatiepakketten aan waaruit de leerlingen kunnen kiezen en ook de remediërende differentiatiepakketten waaraan de leerlingen behoefte hebben. Leerlingen zijn altijd verplicht om de remediërende pakketten te volgen die de klassenraad oplegt. De lesuren differentiatie kunnen evenwel nooit volledig aan remediëring worden besteed.
4In het tweede leerjaar A en in het tweede leerjaar B kiest de leerling, binnen het aanbod van de school, een of meer verdiepende differentiatiepakketten, ermee rekening houdend dat de klassenraad bij het begin of in de loop van het schooljaar een of meer remediërende differentiatiepakketten aan de leerling kan opleggen. De lesuren differentiatie kunnen evenwel nooit volledig aan remediëring worden besteed.
+10 −17 codex-secundair-onderwijs/art. 157/7/1
1§1. In de volgende structuuronderdelen, met uitzondering van aanloop- en duale structuuronderdelen, omvat het lessenrooster een aantal uren leerlingenstage:
21° alle structuuronderdelen van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad technisch secundair onderwijs van de dubbele finaliteit;
1Werkplekleren voldoet aan al de volgende voorwaarden:
21° het omvat leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is en leerlingen al dan niet deelnemen aan het arbeidsproces;
32° het vindt plaats in een bedrijf of organisatie en niet op een vestigingsplaats van de school;
43° de leerlingen zijn fysiek aanwezig in het bedrijf of de organisatie, vermeld in punt 2°.
5De structuuronderdelen van de leerjaren van de derde graad, vermeld in het derde lid, bevatten een component werkplekleren die, omgerekend naar schooljaarbasis, overeenkomt met minimaal achttien halve, al dan niet opeenvol-gende, lesdagen.
6Het werkplekleren wordt georganiseerd:
32° alle structuuronderdelen van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs van de arbeidsmarktfinaliteit ;71° in de vorm van een leerlingenstage: in het tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs van de arbeidsmarktfinaliteit en in alle 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt;
43° alle 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt.
5De leerlingenstage wordt op het lessenrooster aangeduid met toepassing van artikel 157/4. Het aantal uren ervan komt, omgerekend naar schooljaarbasis, overeen met minimaal achttien halve dagen. Die halve dagen zijn al dan niet opeenvolgend.
6Als er geen of onvoldoende stageplaatsen beschikbaar zijn, moet de school maximaal inzetten op observatieactiviteiten in een organisatie of onderneming waarbij de leerling, zonder effectief aan het arbeidsproces te participeren, kennismaakt met een beroep of een specifieke werkplek.
7De school kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de stageverplichting. In dat geval is een goed onderbouwde motivering vereist. Deze motivering bevat minstens objectieve factoren die de stageverplichting onmogelijk maken. De onderwijsinspectie kan desgevallend deze motivering controleren.
8§2. Worden eveneens verstaan onder paragraaf 1, eerste lid:
91° in het schooljaar 2023-2024:
10a) het technisch secundair onderwijs van het tweede leerjaar van de derde graad binnen het niet-gemoderniseerd secundair onderwijs waarvan de structuuronderdelen na concordantie overgaan naar de dubbele finaliteit of arbeidsmarktfinaliteit;82° al dan niet in de vorm van een leerlingenstage: in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad technisch secundair onderwijs van de dubbele finaliteit en in het eerste leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs van de arbeidsmarktfinaliteit.
11b) het technisch secundair onderwijs van het derde leerjaar van de derde graad, aangeduid als 7de leerjaar, binnen het niet-gemoderniseerd secundair onderwijs;
12c) het beroepssecundair onderwijs van het tweede leerjaar van de derde graad binnen het niet­gemoderniseerd secundair onderwijs;
13d) het beroepssecundair onderwijs van het derde leerjaar van de derde graad, aangeduid als 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt, binnen het niet­gemoderniseerd secundair onderwijs;
142° in het schooljaar 2024-2025:
15a) het technisch secundair onderwijs van het derde leerjaar van de derde graad, aangeduid als 7de leerjaar, binnen het niet-gemoderniseerd secundair onderwijs;
16b) het beroepssecundair onderwijs van het derde leerjaar van derde graad, aangeduid als 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt, binnen het niet-gemoderniseerd secundair onderwijs.
17§3. In afwijking van artikel 157/2 treden de bepalingen van paragraaf 1 in werking: 1° per 1 september 2023: in het tweede en derde leerjaar van de derde graad; 2° per 1 september 2024: in het eerste leerjaar van de derde graad.
9Met toepassing van artikel 157/4 wordt alleen in geval van een leerlingenstage het werkplekleren expliciet op het lessenrooster aangeduid.
10Dit artikel is niet van toepassing op aanloop- en duale structuuronderdelen.
+0 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 158 opgeheven
1Voltijds gewoon secundair onderwijs kan modulair worden georganiseerd conform de bepalingen van deze afdeling. In voorkomend geval zijn decretale en reglementaire bepalingen die in strijd zijn met de bepalingen van deze afdeling, niet van toepassing. Geen enkel structuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd als er een inhoudelijk verwant structuuronderdeel kan worden georganiseerd dat onder de toepassing van de bepalingen van afdeling 1/1 valt.
2De Vlaamse Regering beslist over het tijdstip van de beëindiging van het experimenteel modulair onderwijs, dat niet later kan vallen dan de volledige uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019. Dit lid is niet van toepassing op de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs die wordt georganiseerd in scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs.
3Het experiment heeft enkel betrekking op het beroepssecundair onderwijs en op het hoger beroepsonderwijs van het voltijds gewoon secundair onderwijs en kan enkel worden ingericht door scholen die gedurende het schooljaar 2007-2008 modulair onderwijs organiseerden overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel. Laatst vermelde voorwaarde geldt niet voor de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs.
4Het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs is niet van toepassing op dit experiment. (157)
+0 −16 codex-secundair-onderwijs/art. 159 opgeheven
1§ 1. Modulair onderwijs wordt georganiseerd per studiegebied zonder opdeling in graden of leerjaren. De betrokken studiegebieden zijn : auto, bouw, grafische communicatie en media, handel, hout, koeling en warmte, lichaamsverzorging, mechanica-elektriciteit, personenzorg, textiel, voeding. Elk studiegebied bundelt een reeks opleidingen. Eenzelfde opleiding kan in verschillende studiegebieden voorkomen.
2§ 2. Elke opleiding omvat algemene vorming, beroepsgerichte vorming en gedifferentieerde onderwijsactiviteiten. In afwijking op deze bepaling is in de opleiding verpleegkunde de algemene vorming facultatief.
3De algemene vorming, waaronder de basisvorming bedoeld in de artikelen 156, § 3, en 157, § 3 en § 4, wordt hetzij niet-modulair hetzij gedeeltelijk modulair georganiseerd.
4De beroepsgerichte vorming wordt modulair georganiseerd. In elke opleiding komen een of meer modules voor. Een module is het kleinste te certificeren deel van een opleiding, dat overeenstemt met een bepaalde inhoud. In modules komen geen afzonderlijke vakken voor. Eenzelfde module kan in verschillende opleidingen voorkomen.
5Gedifferentieerde onderwijsactiviteiten omvatten individuele begeleiding, ondersteuning of remediëring, afgestemd op de specifieke noden van de leerling.
6§ 3. De Vlaamse Regering legt de opleidingenstructuur vast. Onder opleidingenstructuur wordt verstaan :
71° het geheel van de opleidingen per studiegebied;
82° de modules per opleiding;
93° de duurtijd per module uitgedrukt in uren per week en uitgedrukt in weken per schooljaar;
104° de aanduiding dat de modules zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden; als de modules in een sequentieel verband staan, moeten zij in een eveneens vastgelegde volgorde worden gevolgd;
115° het minimum of de minima inzake aantal uren per week voorbehouden voor gedifferentieerde onderwijsactiviteiten.
12Voor zover de opleidingenstructuur afwijkt van die, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende opleidingenstructuur ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.
13§ 4. Programmatie respectievelijk opname in de erkennings-, financierings- of subsidiëringsregeling gebeurt per studiegebied.
14In een school kan een studiegebied niet gelijktijdig modulair en niet-modulair worden georganiseerd, tenzij tijdens het geleidelijke omzettingsproces van de ene naar de andere structuur.
15§ 5. Het modulair onderwijsaanbod van een school moet waarborgen dat te minste één van volgende studiebewijzen kan worden behaald : een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, een diploma van secundair onderwijs, een diploma van gegradueerde, doch uitsluitend in de HBO5-opleiding verpleegkunde.
16§ 6. Een school kan de door de Vlaamse Regering vastgestelde duurtijd van een module van de opleiding verpleegkunde, uitgedrukt in weken per schooljaar als vermeld in § 3, 3°, verdubbelen om aan de specifieke opleidingsbehoeften van een bepaalde doelgroep tegemoet te komen. In afwijking van artikel 169, § 2, worden in voorkomend geval de cursisten niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke duurtijd. (158)
+0 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 160 opgeheven
1Voor de modulair georganiseerde leerinhouden van een opleiding worden competenties door de Vlaamse Regering bepaald.
2De Vlaamse Regering leidt de competenties af uit erkende beroepskwalificaties. Als die er niet zijn, leidt de Vlaamse Regering de competenties af uit een referentiekader in nauw overleg met de beroepssectoren.
3Voor zover de competenties afwijken van die, bepaald bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende competenties ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.
4Competenties kunnen ook door middel van stages worden gerealiseerd. (159)
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 161 opgeheven
1Een opleiding kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren. Een module kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren.
+0 −7 codex-secundair-onderwijs/art. 162 opgeheven
1§ 1. In het modulair onderwijs, met uitzondering van de HBO5-opleiding verpleegkunde, gelden als gezamenlijke toelatingsvoorwaarden voor regelmatige leerlingen :
21° de reglementaire toelatingsvoorwaarden tot het eerste leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs;
32° de volgorde waarin modules dienen gevolgd zoals bepaald in de opleidingenstructuur;
43° eventueel : de specifieke toelatingsvoorwaarden tot een module zoals vastgelegd door de toelatingsklassenraad, onverminderd het in 1° en 2° gestelde;
54° eventueel : de vrijstelling van toelatingsvoorwaarden tot een module op grond van een geattesteerde beslissing van de toelatingsklassenraad, onverminderd het in 1° gestelde.
6Een leerling kan slechts één module tezelfdertijd volgen.
7§ 2. De overstap van een leerling van het modulair naar het niet-modulair onderwijs vindt plaats op basis van een beslissing van de toelatingsklassenraad, tenzij een leerling aan de reglementaire toelatingsvoorwaarden voldoet op basis van het bezit van een eindstudiebewijs. (161)
+0 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 164 opgeheven
1§ 1. De delibererende klassenraad beslist of een regelmatige leerling hetzij geslaagd is zonder beperkingen hetzij niet geslaagd is. Deze beslissing wordt genomen :
21° op het ogenblik dat de leerling een module heeft beëindigd. In voorkomend geval wordt, voor wat betreft het onderwijzend personeel, de klassenraad beperkt tot die leden die effectief aan de leerling in de desbetreffende module onderricht hebben verstrekt;
32° op het ogenblik dat de leerling aan alle opleidingsvoorwaarden voldoet die toelaten een beslissing te nemen over de toekenning van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs ingericht onder de vorm van een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt, een diploma van secundair onderwijs.
4§ 2. Tegen beslissingen van delibererende klassenraden die door de betrokken personen worden betwist, kan beroep worden ingesteld overeenkomstig de procedure van toepassing in het niet-modulair onderwijs, met dien verstande dat het schoolbestuur van de betrokken school, rekening houdend met het principe van de redelijkheid, de termijnen bepaalt die inherent zijn aan deze procedure. (163)
+0 −24 codex-secundair-onderwijs/art. 165 opgeheven
1De studiebekrachtiging, al dan niet op het einde van het schooljaar, wordt als volgt vastgesteld.
21° Attest van verworven competenties : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een module van een opleiding niet met vrucht heeft gevolgd; het attest vermeldt die competenties die de jongere wel heeft bereikt.
32° Deelcertificaat : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een module van een opleiding met vrucht heeft gevolgd.
43° Certificaat : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een opleiding met vrucht heeft gevolgd.
54° Getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die :
6a) ten minste twee schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
7b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor de tweede graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.
85° Studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs : wordt uitgereikt aan de regelmatige leerling die :
9a) ten minste vier schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
10b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor het tweede leerjaar van de derde graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van de eerste twee leerjaren van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.
116° Studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt : wordt, voor zover de leerling niet in aanmerking komt voor het diploma van secundair onderwijs, uitgereikt aan de regelmatige leerling die :
12a) ten minste vijf schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
13b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor het derde leerjaar van de derde graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.
147° Diploma van secundair onderwijs (derde graad) : wordt uitgereikt aan de regelmatige leerling die :
15a) na het behalen van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs ten minste drie schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
16b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor de derde graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.
178° ...
189° ...
1910° Getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer : wordt uitgereikt aan de regelmatige leerling die :
20a) met uitzondering van de eerste graad, ten minste vier schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
21b) voldaan heeft aan de voorwaarden opgenomen in de federale wet- en regelgeving inzake de basiskennis van het bedrijfsbeheer.
22Voor de toepassing van deze bepalingen wordt een module waarvoor de leerling bij beslissing van de toelatingsklassenraad is vrijgesteld, geacht met vrucht gevolgd te zijn.
23Diegene aan wie overeenkomstig de codificatie betreffende het secundair onderwijs het diploma van gegradueerde (in het Engels vertaald als associate degree) is verleend met of zonder nadere specificatie, is gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van gegradueerde met of zonder nadere specificatie.
24De Vlaamse Regering stelt de modellen en de invulonderrichtingen van de hiervoor vermelde studiebewijzen vast .(164)
+0 −5 codex-secundair-onderwijs/art. 166 opgeheven
1§ 1. In het modulair onderwijs geldt als coëfficiënt uren-leraar per leerling voor een bepaalde opleiding, de reglementair vastgestelde coëfficiënt voor de inhoudelijk overeenkomstige opleiding van het niet-modulair onderwijs.
2De Vlaamse Regering legt de inhoudelijk overeenkomstige opleidingen vast.
3§ 2. Modulair onderwijs wordt georganiseerd op basis van uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden, meer bepaald onder vorm van bijzondere pedagogische taken. De gelijkstelling vindt plaats met een opdracht in de tweede graad of in de derde graad van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs of, doch uitsluitend voor wat betreft de HBO5-opleiding verpleegkunde, met een opdracht in het hoger beroepsonderwijs.
4De organisatie van modulair onderwijs mag er niet toe leiden dat de verhouding tussen praktische vakken en niet-praktische vakken kennelijk onredelijk verschilt van de verhouding tussen praktische vakken en niet-praktische vakken zoals die zich, onmiddellijk voorafgaand aan de organieke invoering van modulair onderwijs, in het betrokken studiegebied en de betrokken school voordoet.
5Met praktische vakken gelijkgestelde uren komen in aanmerking voor de vaststelling van betrekkingen in de ambten van technisch adviseur-coördinator en technisch adviseur. (165)
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 168 opgeheven
1De onderwijsinspectie is belast met de evaluatie van het experiment. De scholen die aan het experiment deelnemen, zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de evaluatie. De evaluatie moet, inzonderheid wat de timing betreft, derwijze worden georganiseerd dat ze toelaat om beleidsconclusies te trekken met het oog op de geplande hervormingsmaatregelen voor het secundair onderwijs waarvan sprake in artikel 158. (167)
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 168/4
24In afwijking van het derde lid, 1° tot en met 5°, bestaat bij wijze van uitdoofscenario voor de cursisten die de opleiding zijn gestart tijdens de schooljaren 2023-2024 of 2024-2025, tijdens de schooljaren 2023-2024 tot en met 2026-2027 het opleidingsprogramma van de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs uit het modulaire opleidingsprogramma van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, vastgelegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 houdende organisatie van het experimenteel voltijds gewoon secundair onderwijs volgens een modulair stelsel. Het schoolbestuur oriënteert zich evenwel maximaal naar de bepalingen van het derde lid, en is daartoe gemachtigd om voor de opleiding Basisverpleegkunde af te wijken van de leerinhouden van het voormelde besluit. Voor de cursisten in dat uitdoofscenario is artikel 253/62, §2, van toepassing.24In afwijking van het derde lid, 1° tot en met 5°, bestaat bij wijze van uitdoofscenario voor de cursisten die de opleiding zijn gestart tijdens de schooljaren 2023-2024 of 2024-2025, tijdens de schooljaren 2023-2024 tot en met 2026-2027 het opleidingsprogramma van de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs uit het modulaire opleidingsprogramma van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, vastgelegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 houdende organisatie van het experimenteel voltijds gewoon secundair onderwijs volgens een modulair stelsel. Het schoolbestuur oriënteert zich evenwel maximaal naar de bepalingen van het derde lid, en is daartoe gemachtigd om voor de opleiding Basisverpleegkunde af te wijken van de leerinhouden van het voormelde besluit. Voor de cursisten in dat uitdoofscenario is artikel 253/62, §2, van toepassing.
25§2. De opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs heeft een duurtijd van drie jaar, verdeeld over zes semesters, en kan starten op 1 september of op 1 februari.25§2. De opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs heeft een duurtijd van drie jaar, verdeeld over zes semesters, en kan starten op 1 september of op 1 februari.
26De opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt experimenteel modulair georganiseerd als vermeld in artikel 159 en 160.
26De opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt experimenteel georganiseerd op basis van een modulaire structuur, een duurtijd en volgorde van modules, en competenties die de Vlaamse Regering bepaalt.
27Met inachtneming van de voorwaarde voor de studieomvang, vermeld in richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, legt de school, buiten de wekelijkse lessentabel, aan de cursisten Verpleegkunde gedurende de volledige duur van de opleiding en naar rata van ten minste vier wekelijkse lestijden, opleidingsgebonden persoonlijke activiteiten op. De klassenraad beslist autonoom over de vorm en de inhoud van die activiteiten. De resultaten van de door de cursist uitgevoerde activiteiten worden in aanmerking genomen bij evaluatie door de klassenraad.27Met inachtneming van de voorwaarde voor de studieomvang, vermeld in richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, legt de school, buiten de wekelijkse lessentabel, aan de cursisten Verpleegkunde gedurende de volledige duur van de opleiding en naar rata van ten minste vier wekelijkse lestijden, opleidingsgebonden persoonlijke activiteiten op. De klassenraad beslist autonoom over de vorm en de inhoud van die activiteiten. De resultaten van de door de cursist uitgevoerde activiteiten worden in aanmerking genomen bij evaluatie door de klassenraad.
+8 −5 codex-secundair-onderwijs/art. 175
1§1. Een school kan worden gefinancierd of gesubsidieerd indien 300 % van de toepasbare rationalisatienorm wordt bereikt.1§1. Een school kan worden gefinancierd of gesubsidieerd indien 300 % van de toepasbare rationalisatienorm wordt bereikt.
2§2. In afwijking van § 1 dient slechts 150 % van de toepasbare rationalisatienorm te worden bereikt voor :2§2. In afwijking van § 1 dient slechts 150 % van de toepasbare rationalisatienorm te worden bereikt voor :
31° de enige school van het gemeenschapsonderwijs in één der 44 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage I;31° de enige school van het gemeenschapsonderwijs in één der 44 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage I;
42° de enige school van het gesubsidieerd officieel onderwijs in één der bedoelde onderwijszones;42° de enige school van het gesubsidieerd officieel onderwijs in één der bedoelde onderwijszones;
9Bij de toepassing van 3° worden de scholen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten.9Bij de toepassing van 3° worden de scholen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten.
10Indien een schoolbestuur in één der bedoelde onderwijszones meer dan één school organiseert, dan kunnen desbetreffende scholen nooit onder toepassing van 4° vallen.10Indien een schoolbestuur in één der bedoelde onderwijszones meer dan één school organiseert, dan kunnen desbetreffende scholen nooit onder toepassing van 4° vallen.
11§2/1. In afwijking van paragraaf 1 en 2 komt een school niet in aanmerking voor financiering of subsidiëring als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
121° de toepasbare rationalisatienorm wordt bereikt maar gelijktijdig is er een daling van de schoolbevolking in een of meer andere secundaire scholen van hetzelfde schoolbestuur die in dezelfde of een aangrenzende gemeente liggen als de gemeente waarin een vestigingsplaats van de nieuwe school is ligt;
132° de daling, vermeld in punt 1°, bedraagt, in voorkomend geval voor alle scholen samen, ten minste 50 % van de toepasbare rationalisatienorm.
11§3. Scholen kunnen ook door splitsing van bestaande scholen ontstaan voor zover de volgende gezamenlijke voorwaarden zijn vervuld :14§3. Scholen kunnen ook door splitsing van bestaande scholen ontstaan voor zover de volgende gezamenlijke voorwaarden zijn vervuld :
121° de splitsing wordt onmiddellijk voorafgegaan door een fusie van scholen die elk de toepasbare rationalisatienorm bereiken en past op die manier in een herstructurering die niet resulteert in een groter aantal scholen;151° de splitsing wordt onmiddellijk voorafgegaan door een fusie van scholen die elk de toepasbare rationalisatienorm bereiken en past op die manier in een herstructurering die niet resulteert in een groter aantal scholen;
132° alle bij de splitsing betrokken scholen moeten, in afwijking van § 1 en § 2, na de splitsing 100 % bereiken van de toepasbare rationalisatienorm;162° alle bij de splitsing betrokken scholen moeten, in afwijking van § 1 en § 2, na de splitsing 100 % bereiken van de toepasbare rationalisatienorm;
143° de splitsing kan slechts één van de volgende vormen aannemen :173° de splitsing kan slechts één van de volgende vormen aannemen :
15a) hetzij een afsplitsing van de eerste graad;18a) hetzij een afsplitsing van de eerste graad;
16b) hetzij een afsplitsing van een of meer studiegebieden of studiedomeinen;19b) hetzij een afsplitsing van een of meer studiedomeinen;
17c) hetzij een combinatie van beide voorgaande;20c) hetzij een combinatie van beide voorgaande;
184° de splitsing moet, voor een school die tot een scholengemeenschap behoort, in overeenstemming zijn met de afspraken die de scholengemeenschap maakt over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod.214° de splitsing moet, voor een school die tot een scholengemeenschap behoort, in overeenstemming zijn met de afspraken die de scholengemeenschap maakt over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod.
19§ 4. Onder toepasbare rationalisatienorm, vermeld in § 1, § 2 en § 3, wordt verstaan :22§ 4. Onder toepasbare rationalisatienorm als vermeld in dit artikel wordt verstaan :
20a) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191, 2° en 195 : voor de scholen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijven;23a) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191, 2° en 195 : voor de scholen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijven;
21b) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191,1° en 195 : voor de scholen die niet onder toepassing van a) vallen.24b) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191,1° en 195 : voor de scholen die niet onder toepassing van a) vallen.
+0 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 189 opgeheven
1Voor de toepassing van de rationalisatienorm worden niet in aanmerking genomen :
21° de leerlingen van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers;
32° de leerlingen van het derde leerjaar van de derde graad, ingericht als een 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs in het algemeen en kunstsecundair onderwijs;
43° de leerlingen van de 7de leerjaren van het technisch en kunstsecundair onderwijs. (188)
+5 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 196
1§1. In afwijking van artikel 190, §2, wordt per graad de rationalisatienorm voor een school die uitsluitend maritiem onderwijs organiseert als volgt vastgesteld:1§1. In afwijking van artikel 190, §2, wordt de rationalisatienorm voor een school die uitsluitend maritiem onderwijs organiseert, op de volgende wijze vastgesteld:
21° eerste graad: 37;21° met enkel een eerste graad: 37;
32° tweede graad: 30;32° met een eerste + tweede graad: 67;
43° derde graad: 20.43° met een tweede + derde graad: 50;
54° met een eerste + tweede + derde graad: 87.
5§2. De rationalisatienormen, vermeld in paragraaf 1, zijn niet vereist als de school de enige is die in het onderwijsnet in kwestie maritiem onderwijs en, eventueel, inhoudelijk naar maritiem onderwijs gerichte structuuronderdelen natuurwetenschappen (tweede graad aso) en wetenschappen-wiskunde (derde graad aso) organiseert.6§2. De rationalisatienormen, vermeld in paragraaf 1, zijn niet vereist als de school de enige is die in het onderwijsnet in kwestie maritiem onderwijs en, eventueel, inhoudelijk naar maritiem onderwijs gerichte structuuronderdelen natuurwetenschappen (tweede graad aso) en wetenschappen-wiskunde (derde graad aso) organiseert.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 197
1In afwijking van artikel 190, §1, geldt geen rationalisatienorm voor een school die, behoudens een eventuele eerste graad, enkel het studiegebied ballet organiseert. (196)1In afwijking van artikel 190, §1, geldt geen rationalisatienorm voor een school die enkel structuuronderdelen Ballet organiseert behoudens, eventueel, structuuron-derdelen van de eerste graad en het structuuronderdeel 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs Bijzondere vorming Dans.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/5
1Elke inschrijving vóór 1 september voor het daaropvolgende schooljaar voor een bepaalde administratieve groep in een bepaalde school voor gewoon onderwijs maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep en hetzelfde schooljaar in een andere school van rechtswege ongedaan.1Elke inschrijving vóór 1 september voor het daaropvolgende schooljaar voor een bepaalde administratieve groep in een bepaalde school voor gewoon onderwijs maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep en hetzelfde schooljaar in een andere school van rechtswege ongedaan.
2Elke inschrijving vóór 1 februari voor een administratieve groep, ingericht als 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs dat op 1 februari start, in een bepaalde school maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep in een andere school voor gewoon onderwijs van rechtswege ongedaan.2Elke inschrijving vóór 1 februari voor een administratieve groep, ingericht als 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt dat op 1 februari start, in een bepaalde school maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep in een andere school voor gewoon onderwijs van rechtswege ongedaan.
3Elke inschrijving in de loop van het schooljaar in kwestie voor een bepaalde administratieve groep maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor dezelfde administratieve groep of een andere administratieve groep voor datzelfde schooljaar in een andere school voor gewoon onderwijs ongedaan vanaf de start van de effectieve, tenzij gewettigde afwezigheid, lesbijwoning.3Elke inschrijving in de loop van het schooljaar in kwestie voor een bepaalde administratieve groep maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor dezelfde administratieve groep of een andere administratieve groep voor datzelfde schooljaar in een andere school voor gewoon onderwijs ongedaan vanaf de start van de effectieve, tenzij gewettigde afwezigheid, lesbijwoning.
+2 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/20
82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in artikel 253/13, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit;82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in artikel 253/13, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit;
93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;
104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente.104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vesti-gingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maxi-maal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.
11Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.12Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
12In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13.13In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13.
+2 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/24
7d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie;7d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie;
8e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294.8e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294.
93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente.93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de volzetverklaring is vastgelegd. Dit vastgelegd aantal leerlingen waarop volzet is verklaard mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend structuuronderdeel op de gebrui-kelijke teldatum van het vorige schooljaar.
10§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na volzetverklaring, vermeld in artikel 253/22, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of het centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na volzetverklaring, vermeld in artikel 253/22, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of het centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.
11§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van volzetverklaring.12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van volzetverklaring.
+2 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/51
82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in artikel 253/42, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit;82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in artikel 253/42, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit;
93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/40, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;93° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/40, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;
104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente.104° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
115° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaci-teit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.
11§ 2. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.12§ 2. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.
12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/42.13§ 3. In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/42.
+2 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 253/55
7e) hetzij beschikken over een IAC-verslag of OV4-verslag;7e) hetzij beschikken over een IAC-verslag of OV4-verslag;
82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de bereikte capaciteit;82° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de bereikte capaciteit;
93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente.93° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente;
104° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.
10§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na het bereiken van de capaciteit, zoals bepaald in artikel 253/53, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.11§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na het bereiken van de capaciteit, zoals bepaald in artikel 253/53, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.
11§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van de bereikte capaciteit.12§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van de bereikte capaciteit.
+0 −17 codex-secundair-onderwijs/art. 256 opgeheven
1§ 1. Het diploma van secundair onderwijs wordt uitgereikt aan de leerlingen van het secundair onderwijs :
21° die hun studies volbracht hebben overeenkomstig de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen;
32° die houder zijn van :
4a) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school, door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding in de leertijd, of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap en die het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs en het tweede leerjaar van de derde graad van het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs met vrucht volbracht hebben;
5b) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school , door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding in de leertijd, of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap en die het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen, technisch, kunst- of beroepssecundair onderwijs en het tweede en het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs met vrucht volbracht hebben;
6c) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school , door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding in de leertijd, of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, en die het eerste en tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs met vrucht volbracht hebben;
7d) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school, door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding in de leertijd, of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, en die het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en het eerste leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs met vrucht volbracht hebben;
8e) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school, door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding in de leertijd, of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, en die het hoger beroepsonderwijs van het secundair onderwijs met vrucht volbracht hebben.
9§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt met het diploma van secundair onderwijs gelijkgesteld :
101° het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs;
112° het diploma van hoger secundair technisch onderwijs;
123° het diploma van hoger secundair kunstonderwijs;
134° de bekwaamheidsbewijzen, die vóór 1 september 1975 gelijkgesteld waren met die vermeld onder punt 1°, 2° of 3°;
145° het getuigschrift van hoger secundair onderwijs.
15§ 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt met het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs gelijkgesteld :
161° het getuigschrift van lager secundair onderwijs;
172° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt in de schooljaren 1996-1997 tot en met 1998-1999. (255)
+6 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 256/2
1De examencommissie is bevoegd voor uitreiking van de hiernavolgende, van rechtswege geldende, studiebewijzen :1De examencommissie is bevoegd voor uitreiking van de volgende studiebewijzen die van rechtswege gelden:
21° het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs;21° het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs;
32° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;32° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
43° het diploma van secundair onderwijs.43° het diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3;
54° het diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4;
65° een bewijs van slagen voor de basisvorming van de derde graad van de doorstroomfinaliteit, dubbele finaliteit of arbeidsmarktfinaliteit;
76° een bewijs van beroepskwalificatie.
8In het eerste lid, 5°, wordt verstaan onder basisvorming: het deel van het examenprogramma dat gemeenschappelijk is voor alle studierichtingen van de derde graad doorstroomfinaliteit, dubbele finaliteit respectievelijk arbeidsmarktfinaliteit.
5De examencommissie organiseert daartoe op permanente basis examens.9De examencommissie organiseert daartoe op permanente basis examens.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 256/3
1§ 1. De examencommissie bepaalt over welke structuuronderdelen van het voltijds secundaironderwijsaanbod, zoals dat door de Vlaamse Regering is vastgelegd, examens kunnen worden afgelegd. De examencommissie houdt daarbij per structuuronderdeel ten minste rekening met de hiernavolgende criteria:1§ 1. Onverminderd de examens die leiden tot het bewijs, vermeld in artikel 256/2, eerste lid, 5°, bepaalt de examencommissie over welke structuuronderdelen en onderliggende beroepskwalificaties van het voltijds secundair onderwijsaanbod, die de Vlaamse Regering vastlegt, examens kunnen worden afgelegd. De examencommissie houdt daarbij per structuuronderdeel en per onderliggende beroepskwalificatie ten minste rekening met de hiernavolgende criteria:
21° de technische en praktische haalbaarheid van de organisatie van de examens;21° de technische en praktische haalbaarheid van de organisatie van de examens;
32° de financiële kost van de organisatie van de examens;32° de financiële kost van de organisatie van de examens;
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 260/1
15d) de afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg.15d) de afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg.
16De samenwerkingsovereenkomst ligt steeds in de scholen ter inzage met het oog op administratieve controle en externe kwaliteitscontrole;16De samenwerkingsovereenkomst ligt steeds in de scholen ter inzage met het oog op administratieve controle en externe kwaliteitscontrole;
177° de leerling kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in de andere school van het buitengewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven, en dat gedurende maximum een gedeelte van één lopend schooljaar;177° de leerling kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in de andere school van het buitengewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven;
188° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 136/1 is opgenomen.188° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 136/1 is opgenomen.
19Leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag die ingeschreven zijn in het gewoon secundair onderwijs, kunnen op schooljaarbasis gemiddeld gedurende maximaal de helft van de wekelijkse uren van het structuuronderdeel waarvoor de leerling is ingeschreven, lessen of activiteiten volgen in een school voor buitengewoon secundair onderwijs, die de opleidingsvorm aanbiedt volgens het IAC-verslag of OV4-verslag. Daarbij moet voldaan worden aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 6°, en 8°, vastgelegd in het eerste lid. De inzet van omkadering vanuit het leersteunmodel is in de school voor buitengewoon secundair onderwijs niet mogelijk.19Leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag die ingeschreven zijn in het gewoon secundair onderwijs, kunnen op schooljaarbasis gemiddeld gedurende maximaal de helft van de wekelijkse uren van het structuuronderdeel waarvoor de leerling is ingeschreven, lessen of activiteiten volgen in een school voor buitengewoon secundair onderwijs, die de opleidingsvorm aanbiedt volgens het IAC-verslag of OV4-verslag. Daarbij moet voldaan worden aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 6°, en 8°, vastgelegd in het eerste lid. De inzet van omkadering vanuit het leersteunmodel is in de school voor buitengewoon secundair onderwijs niet mogelijk.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 260/2
52° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken school;52° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken school;
63° de leraars van de andere administratieve groep die aan de leerling vorming geven, maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden;63° de leraars van de andere administratieve groep die aan de leerling vorming geven, maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden;
74° de leerling kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in de andere administratieve groep van het buitengewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven, en dit gedurende maximum een gedeelte van 1 lopend schooljaar;74° de leerling kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in de andere administratieve groep van het buitengewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven;
85° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 136/1 is opgenomen.85° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 136/1 is opgenomen.
+3 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 335/1
13De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die aan een eventuele wijziging voorafgaat.13De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die aan een eventuele wijziging voorafgaat.
14Uiterlijk om de vijf schooljaren vanaf het derde schooljaar van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019 worden alle opleidingen gescreend op actualiteitswaarde en worden zo nodig bijsturingen doorgevoerd. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor die screening en bijsturing.14Uiterlijk om de vijf schooljaren vanaf het derde schooljaar van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019 worden alle opleidingen gescreend op actualiteitswaarde en worden zo nodig bijsturingen doorgevoerd. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor die screening en bijsturing.
15Als een opleiding wordt vervangen als vermeld in het vierde lid, heeft dat een van de volgende gevolgen voor de organiserende school:
161° een vervanging van rechtswege als de opleiding door één opleiding wordt vervangen;
172° een vervanging door één opleiding naar keuze van het schoolbestuur als de opleiding door verschillende opleidingen wordt vervangen. Het eventuele aanbod van de overige opleidingen verloopt via de programmatieregeling.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 341 opgeheven
1Buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3, met uitzondering van de observatiefase, kan modulair worden georganiseerd conform de bepalingen van deze afdeling. In voorkomend geval zijn decretale en reglementaire bepalingen die in strijd zijn met de bepalingen van deze afdeling, niet van toepassing. Geen enkel structuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd als er een inhoudelijk verwant structuuronderdeel kan worden georganiseerd dat onder de toepassing van artikel 335/1 valt. De Vlaamse Regering beslist over het tijdstip van de beëindiging van het experimenteel modulair onderwijs, dat niet later kan vallen dan de volledige uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019.
+0 −14 codex-secundair-onderwijs/art. 342 opgeheven
1§ 1. Modulair onderwijs wordt georganiseerd per studiegebied zonder opdeling in fasen of leerjaren. De betrokken studiegebieden zijn : auto, bouw, grafische communicatie en media, handel, hout, koeling en warmte, lichaamsverzorging, mechanica-elektriciteit, personenzorg, textiel, voeding.
2Elk studiegebied bundelt een reeks opleidingen. Eenzelfde opleiding kan in verschillende studiegebieden voorkomen.
3§ 2. Elke opleiding omvat algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming.
4De algemene en sociale vorming wordt hetzij niet-modulair hetzij gedeeltelijk modulair georganiseerd.
5De beroepsgerichte vorming wordt modulair georganiseerd. In elke opleiding komen een of meer modules voor. Een module is het kleinste te certificeren deel van een opleiding, dat overeenstemt met een bepaalde inhoud. In modules komen geen afzonderlijke vakken voor. Eenzelfde module kan in verschillende opleidingen voorkomen.
6§ 3. De Vlaamse Regering legt de opleidingenstructuur vast. Onder opleidingenstructuur wordt verstaan :
71° het geheel van de opleidingen per studiegebied;
82° de modules per opleiding;
93° de duurtijd per module uitgedrukt in uren per week;
104° de aanduiding dat de modules zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden; als de modules in een sequentieel verband staan, moeten zij in een eveneens vastgelegde volgorde worden gevolgd.
11Voor zover de opleidingenstructuur afwijkt van die, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende opleidingenstructuur ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.
12§ 4. Programmatie respectievelijk opname in de erkennings-, financierings- of subsidiëringsregeling gebeurt per studiegebied.
13In een school kan een studiegebied niet gelijktijdig modulair en niet-modulair worden georganiseerd, tenzij tijdens het geleidelijke omzettingsproces van de ene naar de andere structuur.
14§ 5. Het modulair onderwijsaanbod van een school moet waarborgen dat een certificaat of een getuigschrift van een opleiding kan worden behaald.(341)
+0 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 343 opgeheven
1Voor de modulair georganiseerde leerinhouden van een opleiding worden competenties door de Vlaamse Regering bepaald. Die leerinhouden zijn niet onderworpen aan de voorwaarde van door de Vlaamse Regering vastgestelde opleidingsprofielen.
2De Vlaamse Regering leidt de competenties af uit erkende beroepskwalificaties. Als die er niet zijn, leidt de Vlaamse Regering de competenties af uit een referentiekader in nauw overleg met de beroepssectoren.
3Voor zover de competenties afwijken van die bepaald bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende competenties ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.
4Competenties kunnen ook door middel van stages of werkervaring worden gerealiseerd. (342)
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 344 opgeheven
1Een opleiding kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren. Een module kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren. (343)
+0 −7 codex-secundair-onderwijs/art. 345 opgeheven
1§ 1. In het modulair onderwijs gelden als gezamenlijke toelatingsvoorwaarden voor regelmatige leerlingen :
21° de reglementaire toelatingsvoorwaarden tot de opleidingsfase van opleidingsvorm 3;
32° de volgorde waarin modules dienen gevolgd zoals bepaald in de opleidingenstructuur;
43° eventueel : de specifieke toelatingsvoorwaarden tot een module zoals vastgelegd door de klassenraad, onverminderd het in 1° en 2° gestelde;
54° eventueel : de vrijstelling van toelatingsvoorwaarden tot een module op grond van een geattesteerde beslissing van de klassenraad, onverminderd het in 1° gestelde.
6Een leerling kan slechts één module tezelfdertijd volgen.
7§ 2. De overstap van een leerling van het modulair naar het niet-modulair onderwijs vindt plaats op basis van een beslissing van de klassenraad. (344)
+0 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 346 opgeheven
1De klassenraad beslist of een regelmatige leerling hetzij geslaagd is zonder beperkingen hetzij niet geslaagd is. Deze beslissing wordt genomen :
21° op het ogenblik dat de leerling een module heeft beëindigd. In voorkomend geval wordt, voor wat betreft het onderwijzend personeel, de klassenraad beperkt tot die leden die effectief aan de leerling in de desbetreffende module onderricht hebben verstrekt;
32° op het ogenblik dat de leerling aan alle opleidingsvoorwaarden voldoet die toelaten een beslissing te nemen over de toekenning van een attest van verworven competenties, een getuigschrift van verworven competenties, een getuigschrift van een opleiding of een getuigschrift van alternerende beroepsopleiding.
4In het modulair onderwijs worden geen kwalificatieproeven ingericht. (345)
+0 −9 codex-secundair-onderwijs/art. 347 opgeheven
1De studiebekrachtiging, al dan niet op het einde van het schooljaar, wordt als volgt vastgesteld :
21° attest van verworven competenties : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een module van een opleiding niet met vrucht heeft gevolgd; het attest vermeldt die competenties die de jongere wel heeft bereikt;
32° deelcertificaat : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een module van een opleiding met vrucht heeft gevolgd;
43° getuigschrift van verworven competenties : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een afgerond geheel binnen een opleiding met vrucht heeft gevolgd;
54° certificaat : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een opleiding met vrucht heeft gevolgd;
65° getuigschrift van een opleiding : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een opleiding van assistentniveau met vrucht heeft gevolgd;
76° getuigschrift van alternerende beroepsopleiding : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die de integratiefase met vrucht heeft gevolgd.
8Voor de toepassing van deze bepalingen wordt een module waarvoor de leerling bij beslissing van de klassenraad is vrijgesteld, geacht met vrucht gevolgd te zijn.
9De Vlaamse Regering stelt de modellen en de invulonderrichtingen van de hiervoor vermelde studiebewijzen vast. (346)
+0 −6 codex-secundair-onderwijs/art. 348 opgeheven
1§ 1. In het modulair onderwijs gelden als richtgetallen de reglementair vastgestelde richtgetallen van de overeenkomstige types van opleidingsvorm 3.
2Het lesurenpakket dat op basis van het voorgaande wordt berekend, wordt voor wat betreft de schooljaren 2008-2009 en 2009-2010 als volgt netto verhoogd :
3a) per studiegebied dat tijdens het betrokken schooljaar volledig modulair wordt georganiseerd, worden 4 lesuren toegekend;
4b) per leerling in het experiment die op de gebruikelijke teldatum in aanmerking wordt genomen voor financiering of subsidiëring worden 0,10 lesuren toegekend.
5§ 2. Modulair onderwijs wordt georganiseerd op basis van uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden, meer bepaald onder vorm van bijzondere pedagogische taken.
6Met beroepsgerichte vorming gelijkgestelde uren komen in aanmerking voor de vaststelling van betrekkingen in de ambten van technisch adviseur-coördinator en technisch adviseur. (347)
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 349 opgeheven
1De onderwijsinspectie is belast met de evaluatie van het experiment. De scholen die aan het experiment deelnemen, zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de evaluatie. De evaluatie moet, inzonderheid wat de timing betreft, derwijze worden georganiseerd dat ze toelaat om beleidsconclusies te trekken met het oog op een vlotte, eventuele, organieke implementatie. (348)
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 350
1Artikel 123/21, 124, 126, 128, 133/1 tot en met 133/7, 134, 134/1, 134/2, 136, 136/3 tot en met 136/6, 150, 151, 152, 157 en 157/2 tot en met 157/9, zijn ook van toepassing voor opleidingsvorm 4 in de scholen met opleidingsvorm 4, behalve voor het onthaalonderwijs dat er niet kan worden georganiseerd.1Artikel 123/21, 133/1 tot en met 133/7, 134, 134/1, 134/2, 136, 136/3 tot en met 136/6,157/2 tot en met 157/9, 170 en 252, §1, a), en §1/1, zijn ook van toepassing voor opleidingsvorm 4 in de scholen met opleidingsvorm 4, behalve voor het onthaalonderwijs dat er niet kan worden georganiseerd.
2In opleidingsvorm 4 wordt een gemeenschappelijk curriculum van het gewoon voltijds secundair onderwijs gevolgd. Dat gemeenschappelijk curriculum wordt aangepast volgens de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerlingen, rekening houdend met de bepalingen van artikel 122/1/1.2In opleidingsvorm 4 wordt een gemeenschappelijk curriculum van het gewoon voltijds secundair onderwijs gevolgd. Dat gemeenschappelijk curriculum wordt aangepast volgens de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerlingen, rekening houdend met de bepalingen van artikel 122/1/1.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 357/6
1Een aanbieder duaal leren kan een duaal structuuronderdeel opstarten tot en met de eerste lesdag van oktober. Een structuuronderdeel 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs kan ook opgestart worden op de eerste lesdag van februari van het lopende schooljaar. Als een aanbieder duaal leren ten minste één regelmatige leerling in een duaal structuuronderdeel of aanloopstructuuronderdeel als vermeld in 357/43, eerste lid, 1° of 2°, die zijn opgenomen in hetzelfde standaardtraject, heeft ingeschreven op de eerste lesdag van oktober, is de duale opleiding opgenomen in het studieaanbod van de aanbieder.1Een aanbieder duaal leren kan een duaal structuuronderdeel opstarten tot en met de eerste lesdag van oktober. Een structuuronderdeel 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt kan ook opgestart worden op de eerste lesdag van februari van het lopende schooljaar. Als een aanbieder duaal leren ten minste één regelmatige leerling in een duaal structuuronderdeel of aanloopstructuuronderdeel als vermeld in 357/43, eerste lid, 1° of 2°, die zijn opgenomen in hetzelfde standaardtraject, heeft ingeschreven op de eerste lesdag van oktober, is de duale opleiding opgenomen in het studieaanbod van de aanbieder.
2In afwijking van het eerste lid kan een duaal structuuronderdeel ook opstarten na de eerste lesdag van oktober als de instroom in dat structuuronderdeel op dat moment al voorbehouden wordt voor leerlingen die bij dezelfde aanbieder duaal leren kunnen overstappen van een aanloopstructuuronderdeel als vermeld in deel V/2, naar een duaal structuuronderdeel dat aan dat aanloopstructuuronderdeel gekoppeld is. In voorkomend geval wordt de eerste lesdag van juni als tweede referentiedatum beschouwd voor de vaststelling of het aanloopstructuuronderdeel of het duale structuuronderdeel in het schooljaar in kwestie al dan niet in het studieaanbod van de aanbieder duaal leren in kwestie voorkomt.2In afwijking van het eerste lid kan een duaal structuuronderdeel ook opstarten na de eerste lesdag van oktober als de instroom in dat structuuronderdeel op dat moment al voorbehouden wordt voor leerlingen die bij dezelfde aanbieder duaal leren kunnen overstappen van een aanloopstructuuronderdeel als vermeld in deel V/2, naar een duaal structuuronderdeel dat aan dat aanloopstructuuronderdeel gekoppeld is. In voorkomend geval wordt de eerste lesdag van juni als tweede referentiedatum beschouwd voor de vaststelling of het aanloopstructuuronderdeel of het duale structuuronderdeel in het schooljaar in kwestie al dan niet in het studieaanbod van de aanbieder duaal leren in kwestie voorkomt.
+3 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 357/52/1 nieuw
1Met behoud van de aanwendingsmogelijkheden van het pakket uren-leraar, zoals respectievelijk bepaald in of krachtens deze codex en het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, gelden de volgende afwijkende bepalingen voor aanloopstructuuronderdelen:
21° onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kunnen uren-leraar door een aanbieder aan een andere aanbieder, ook van een ander net, worden overgedragen voor de organisatie van een deel van aanloopstructuuronderdelen. Bij de overdracht van een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs aan een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen worden de uren-leraar in kwestie omgezet in een krediet volgens parameters die de Vlaamse Regering vastlegt. Dezelfde parameters worden toegepast als een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen uren uitbesteedt aan een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;
32° onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kunnen uren-leraar door een aanbieder aan een centrum voor volwassenenonderwijs, ook van een ander net, worden overdragen voor de organisatie van een deel van aanloopstructuuronderdelen.
+6 −4 decreet-2018-04-27/art. 6
3§ 3. In het kader van de controle op de leerplicht begeleiden de centra in afwijking van paragraaf 1 ook leerplichtigen die, behalve in geval van huisonderwijs, niet zijn ingeschreven in een school als vermeld in paragraaf 1, of die zijn ingeschreven maar die de school niet regelmatig bezoeken. Die begeleiding heeft tot doel leerplichtigen opnieuw in te schakelen in het onderwijsproces zodat ze opnieuw voldoen aan de bepalingen over de leerplicht.3§ 3. In het kader van de controle op de leerplicht begeleiden de centra in afwijking van paragraaf 1 ook leerplichtigen die, behalve in geval van huisonderwijs, niet zijn ingeschreven in een school als vermeld in paragraaf 1, of die zijn ingeschreven maar die de school niet regelmatig bezoeken. Die begeleiding heeft tot doel leerplichtigen opnieuw in te schakelen in het onderwijsproces zodat ze opnieuw voldoen aan de bepalingen over de leerplicht.
4§ 4. Leerplichtigen die huisonderwijs volgen, kunnen zich, al dan niet samen met hun ouders, aanmelden bij een centrum voor de kernactiviteiten onthaal en vraagverheldering.4§ 4. Leerplichtigen die huisonderwijs volgen, kunnen zich, al dan niet samen met hun ouders, aanmelden bij een centrum voor de kernactiviteiten onthaal en vraagverheldering.
5Leerplichtigen die huisonderwijs volgen, waarvoor een verklaring huisonderwijs moet ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering, kunnen zich, al dan niet samen met hun ouders, aanmelden bij een centrum voor vaccinaties.5Leerplichtigen die huisonderwijs volgen, waarvoor een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs als vermeld in artikel 26/1 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en als vermeld in artikel 110/29 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 moet ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering, kunnen zich, al dan niet samen met hun ouders, aanmelden bij een centrum voor vaccinaties.
6Leerplichtigen die huisonderwijs volgen, waarvoor een verklaring huisonderwijs moet ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering, zijn verplicht deel te nemen aan de systematische contacten die een centrum organiseert, en melden zich daarvoor aan. Deze leerplichtigen en hun ouders kunnen zich niet verzetten tegen de uitvoering van systematische contacten, maar wel tegen de uitvoering ervan door een bepaalde medewerker van een centrum. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het voormelde verzet.6Leerplichtigen die huisonderwijs volgen, waarvoor een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs als vermeld in het tweede lid moet ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering, zijn verplicht deel te nemen aan de systematische contacten die een centrum organiseert, en melden zich daarvoor aan. Deze leerplichtigen en hun ouders kunnen zich niet verzetten tegen de uitvoering van systematische contacten, maar wel tegen de uitvoering ervan door een bepaalde medewerker van een centrum. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het voormelde verzet.
7In afwijking van artikel 2, 16°, geldt voor het tweede en derde lid volgende definitie voor ouders: de personen die titularis zijn van het ouderlijk gezag of, bij ontstentenis van deze personen, de wettelijke vertegenwoordiger.7In afwijking van artikel 2, 16°, geldt voor het tweede en derde lid volgende definitie voor ouders: de personen die titularis zijn van het ouderlijk gezag of, bij ontstentenis van deze personen, de wettelijke vertegenwoordiger.
8Ouders en leerplichtigen die huisonderwijs volgen, kiezen bij het indienen van de verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs, vermeld in het tweede lid, één centrum van dezelfde provincie waar de leerling zijn hoofdverblijfplaats heeft uit, dat instaat voor de kernactiviteiten onthaal en vraagverheldering, de uitvoering van systematische contacten en vaccina-ties, vermeld in het eerste, tweede en derde lid.
8De organisator van huisonderwijs voor leerplichtigen die huisonderwijs volgen, is verplicht mee te werken aan de profylactische maatregelen die een centrum neemt bij besmettelijke ziekten. Het gaat daarbij over zij die een verklaring huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering, waarbij het huisonderwijs wordt georganiseerd voor twee of meer leerplichtige kinderen samen en waarbij de plaats waar het huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het domicilie adres van de leerplichtigen.9De organisator van huisonderwijs voor leerplichtigen die huisonderwijs volgen, is verplicht mee te werken aan de profylactische maatregelen die een centrum neemt bij besmettelijke ziekten. Het gaat daarbij over zij die een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs als vermeld in het tweede lid indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering, waarbij het huisonderwijs wordt georganiseerd voor twee of meer leerplichtige kinderen samen en waarbij de plaats waar het huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het domicilie adres van de leerplichtigen.
9De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering brengen de leerplichtigen in huisonderwijs, waarvoor de ouders een verklaring huisonderwijs moeten indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering, en hun ouders op de hoogte van hun rechten en plichten met betrekking tot bovenstaande aspecten van leerlingenbegeleiding. 10De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering brengen de leerplichtigen in huisonderwijs, waarvoor de ouders een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs als vermeld in het tweede lid moeten indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering, en hun ouders op de hoogte van hun rechten en plichten met betrekking tot bovenstaande aspecten van leerlingenbegeleiding. De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering bezorgen aan het gekozen centrum, vermeld in het vijfde lid, de identificatiegegevens, vermeld in artikel 10, tweede lid, 1° en 2°, en contactgegevens, e-mailadres en telefoonnummer van de ouders en de leerplichtige leerling.
10Een centrum ontvangt specifieke werkingsmiddelen voor de uitvoering van een systematisch contact en vaccinatie bij leerplichtigen in huisonderwijs zoals bepaald in het tweede en het derde lid. Deze werkingsmiddelen worden berekend op basis van het aantal leerplichtigen in huisonderwijs die een systematisch contact of vaccinatie laten uitvoeren door een centrum. De Vlaamse Regering bepaalt de grootorde van deze werkingsmiddelen en hoe de middelen worden toegekend.11Een centrum ontvangt specifieke werkingsmiddelen voor de uitvoering van een systematisch contact en vaccinatie bij leerplichtigen in huisonderwijs zoals bepaald in het tweede en het derde lid. Deze werkingsmiddelen worden berekend op basis van het aantal leerplichtigen in huisonderwijs die een systematisch contact of vaccinatie laten uitvoeren door een centrum. De Vlaamse Regering bepaalt de grootorde van deze werkingsmiddelen en hoe de middelen worden toegekend.
12Als het centrum ernstige twijfels heeft bij het functioneren van de leerplichtige of de ouders in het kader van huisonderwijs, dan meldt het centrum verhoogde waakzaamheid bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering en de onderwijsinspectie. De melding verhoogde waakzaamheid bevat enkel de identificatiegegevens, vermeld in artikel 10, tweede lid, 1° en 2°, en contactgegevens van de leerplichtige en zijn ouders.
+33 −0 decreet-2018-04-27/art. 10/1 nieuw
1§1. Indien bij schoolverandering, als vermeld in artikel 6 een leerling wordt ingeschreven in een school die samenwerkingsafspraken heeft met een ander centrum dan het centrum van de school waar de leerling is uitgeschreven, draagt het centrum het multidisciplinaire dossier van die leerling over aan het ander centrum van de andere school waar de leerling is ingeschreven, tenzij daartegen verzet wordt aangetekend door:
21° de bekwame leerling;
32° de ouders, namens de niet-bekwame leerling;
43° de ouders, met toestemming van de bekwame leerling.
5Het verzet wordt schriftelijk ingediend binnen tien werkdagen na de mededeling waarin de leerling en de ouders op de hoogte worden gebracht van de geplande overdracht door de directeur van het nieuwe centrum waartoe de leerling behoort. Voor het berekenen van de tien werkdagen wordt rekening gehouden met de sluitingsperiodes van het CLB, vermeld in artikel 11.
6§2. Het verzet, vermeld in paragraaf 1, kan geen betrekking hebben op de overdracht van:
71° de identificatiegegevens, vermeld in artikel 10, derde lid, 1° en 2°;
82° de gegevens in het kader van de verplichte begeleiding van leerlingen met leerplichtproblemen, vermeld in artikel 26 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 123/3 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
93° de gegevens in het kader van de systematische contacten, vermeld in artikel 4, §2, vijfde lid, 1°;
104° het IAC-verslag en het GC-verslag, vermeld in artikel 31, §1, eerste lid, 4°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en het IAC-verslag, het GC-verslag en het OV-4 verslag, vermeld in artikel 123/6, eerste lid, 4°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
115° de gegevens met betrekking tot een verontrustende situatie waarmee het CLB-team van het centrum zich op basis van een teambeslissing wil richten tot of zich gericht heeft tot een gemandateerde voorziening, vermeld in artikel 32 van het decreet betreffende de integrale jeugdhulpverlening van 12 juli 2013. Bij elke overdracht van het multidisciplinaire dossier bepaalt het CLB-team op basis van een teambeslissing of er nog verontrusting aanwezig is of niet. Indien op basis van een teambeslissing het CLB-team oordeelt dat er geen verontrusting meer is, wordt de eerder verzamelde informatie over de verontrusting niet mee overgedragen naar het ander centrum bij verzet van de overdracht van het multidisciplinaire dossier.
12§3. Indien een leerplichtige leerling de overstap maakt naar huisonderwijs met een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs en zich vervolgens, al dan niet samen met de ouders, aanmeldt als vermeld in artikel 6, §4, eerste, tweede en derde lid, bij een ander centrum dan het centrum van de school waar de leerplichtige het laatst was ingeschreven, wordt het multidisciplinaire dossier van die leerplichtige met een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs overgedragen naar het centrum van aanmelding, tenzij daartegen verzet wordt aangetekend door:
131° de bekwame leerplichtige met een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs;
142° de ouders, namens de niet-bekwame leerplichtige met een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs;
153° de ouders, met toestemming van de bekwame leerplichtige met een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs.
16Het verzet wordt schriftelijk ingediend binnen tien werkdagen na de mededeling waarin de leerplichtige en de ouders op de hoogte worden gebracht van de geplande overdracht door de directeur van het nieuwe centrum. Voor het berekenen van de tien werkdagen wordt rekening gehouden met de sluitingsperiodes van het centrum, vermeld in artikel 11.
17§4. Het verzet, vermeld in paragraaf 3, kan geen betrekking hebben op de overdracht van:
181° de identificatiegegevens, vermeld in artikel 10, derde lid, 1° en 2°;
192° de gegevens in het kader van de verplichte begeleiding van leerlingen met leerplichtproblemen, vermeld in artikel 26 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 123/3 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
203° de gegevens in het kader van de systematische contacten, vermeld in artikel 4, §2, vijfde lid, 1°;
214° het IAC-verslag en het GC-verslag, vermeld in artikel 31, §1, eerste lid, 4°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en het IAC-verslag, het GC-verslag en het OV-4 verslag, vermeld in artikel 123/6, eerste lid, 4°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
225° de gegevens met betrekking tot een verontrustende situatie waarmee het CLB-team van het centrum zich op basis van een teambeslissing wil richten tot of zich gericht heeft tot een gemandateerde voorziening, vermeld in artikel 32 van het decreet betreffende de integrale jeugdhulpverle-ning van 12 juli 2013. Bij elke overdracht van het multidisciplinaire dossier bepaalt het CLB-team op basis van een teambeslissing of er nog verontrusting aanwezig is of niet. Indien op basis van een teambeslissing het CLB-team oordeelt dat er geen verontrusting meer is, wordt de eerder verzamelde informatie over de verontrusting niet mee overgedragen naar het ander centrum bij verzet van de overdracht van het multidisciplinaire dossier.
23§5. Indien de leerplichtige met een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs zich vanuit huisonderwijs inschrijft in een in school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap, wordt het multidisciplinaire dossier van die leerling overgedragen van het centrum waar de leerplichtige het laatst contact mee had naar het centrum waarmee de school samenwerkingsafspraken heeft. Hierbij kan verzet aangetekend worden door:
241° de bekwame leerling;
252° de ouders, namens de niet-bekwame leerling;
263° de ouders, met toestemming van de bekwame leerling.
27Het verzet wordt schriftelijk ingediend binnen tien werkdagen na de mededeling waarin de leerling en de ouders op de hoogte worden gebracht van de geplande overdracht door de directeur van het nieuwe centrum waartoe de leerling behoort. Voor het berekenen van de tien werkdagen wordt rekening gehouden met de sluitingsperiodes van het centrum, vermeld in artikel 11.
28§6. Het verzet, vermeld in paragraaf 5, kan geen betrekking hebben op de overdracht van:
291° de identificatiegegevens, vermeld in artikel 10, derde lid, 1° en 2°;
302° de gegevens in het kader van de verplichte begeleiding van leerlingen met leerplichtproblemen, vermeld in artikel 26 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 123/3 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
313° de gegevens in het kader van de systematische contacten, vermeld in artikel 4, §2, vijfde lid, 1°;
324° het IAC- verslag en het GC-verslag, vermeld in artikel 31, §1, eerste lid, 4°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en het IAC-verslag, het GC-verslag en het OV-4 verslag, vermeld in artikel 123/6, eerste lid, 4°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
335° de gegevens met betrekking tot een verontrustende situatie waarmee het CLB-team van het centrum zich op basis van een teambeslissing wil richten tot of zich gericht heeft tot een gemandateerde voorziening, vermeld in artikel 32 van het decreet betreffende de integrale jeugdhulpverle-ning van 12 juli 2013. Bij elke overdracht van het multidisciplinaire dossier bepaalt het CLB-team op basis van een teambeslissing of er nog verontrusting aanwezig is of niet. Indien op basis van een teambeslissing het CLB-team oordeelt dat er geen verontrusting meer is, wordt de eerder verzamelde informatie over de verontrusting niet mee overgedragen naar het ander centrum bij verzet van de overdracht van het multidisciplinaire dossier.
+1 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. IV.35/2
1De scholen die betrokken zijn bij de organisatie van het zonaal leerlingenvervoer georganiseerd krachtens de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer, verlenen hun medewerking aan de organisatie van het collectief zonaal leerlingenvervoer.1De scholen die betrokken zijn bij de organisatie van het zonaal leerlingenvervoer georganiseerd krachtens de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer, verlenen hun medewerking aan de organisatie van het collectief zonaal leerlingenvervoer.
2Zij stellen busbegeleiders aan en ontvangen hiervoor een toelage lastens de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van die toelage, de wijze van toekenning en de controlemaatregelen, en bepaalt de minimale loon­ en arbeidsvoorwaarden voor de busbegeleiders.2Zij stellen busbegeleiders aan en ontvangen hiervoor een toelage lastens de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van die toelage, de wijze van toekenning en de controlemaatregelen, en bepaalt de minimale loon­ en arbeidsvoorwaarden voor de busbegeleiders.
3Na voorafgaande goedkeuring door het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen de scholen, vermeld in het eerste lid, parkingwachters aanstellen en daarvoor een toelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangen. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van die toelage, de wijze van toekenning en de controlemaatregelen, en bepaalt de minimale loon- en arbeidsvoorwaarden voor de parkingwachters.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. IV.35/3
1Aan het personeel dat door middel van een arbeidsovereenkomst tewerkgesteld is als busbegeleider bij een basisschool of een secundaire school kan tijdens de maanden juli en augustus een bestaanszekerheidsvergoeding worden toegekend. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor de modaliteiten.1Aan het personeel dat door middel van een arbeidsovereenkomst tewerkgesteld is als busbegeleider of als parkingwachter bij een basisschool of een secundaire school kan tijdens de maanden juli en augustus een bestaanszekerheidsvergoeding worden toegekend. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor de modaliteiten.
+19 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. X/3.1 nieuw
1§1. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, bevoegd voor de leerplichtcontrole en de financiële ondersteuning van instellingen, verwerken persoonsgegevens van leerplichtigen die vallen onder het stelsel van huisonderwijs en hun ouders.
2De voormelde gegevens worden verwerkt voor de volgende doeleinden:
31° de controle op de leerplicht en op huisonderwijs;
42° het ondersteunen van het onderwijsbeleid;
53° de registratie van studiebewijzen en het opvolgen van de studievoortgang en onderwijsloopbaantrajecten;
64° het ondersteunen van de lokale overlegplatformen, vermeld in deel VIII, hoofdstuk 1.
7De verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 2, zijn verwerkingen die noodzakelijk zijn voor het algemeen belang, vermeld in artikel 6.1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming. Uit de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 2, kan ook de verwerking van gegevens over gezondheid, ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen als de bijzondere categorieën van persoonsgegevens, vermeld in artikel 9, eerste lid, van de algemene verordening gegevensbescherming volgen. De voormelde verwerkingen zijn noodzakelijke verwerkingen om redenen van zwaarwegend algemeen belang als vermeld in artikel 9, tweede lid, g), van de algemene verordening gegevensbescherming. De redenen van algemeen belang en zwaarwegend algemeen belang betreffen het garanderen van het recht op onderwijs van de leerplichtigen en de gezondheid en integriteit van de leerplichtigen.
8§2. Voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, verwerken de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap de volgende gegevens van leerplichtigen die vallen onder het stelsel van huisonderwijs:
91° de identificatiegegevens: de voor- en achternaam, het geslacht, de geboortedatum, de geboorteplaats, de nationaliteit, het identificatienum-mer van het Rijksregister of het identificatienummer van de Kruispunt-bank, vermeld in artikel 8, §1, 1° en 2°, van de Wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
102° woonplaats: domicilieadres, hoofdverblijfplaats en informatie betreffende tijdelijke afwezigheid;
113° onderwijsloopbaangegevens: voorafgaande onderwijsloopbaan en studiebewijzen, deelname en resultaten van deelname aan examencom-missie basis- en secundair onderwijs, vrijstelling van de examencommissie als vermeld in artikel 26bis/2, §2, eerste lid, 1°, van het decreet basison-derwijs van 25 februari 1997 en als vermeld in artikel 110/30, §2, eerste lid, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
124° gezondheid: gegevens over de deelname aan systematische contacten en de medewerking aan profylactische maatregelen als vermeld artikel 6, §4, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
135° huisonderwijsgegevens: gegevens als vermeld in artikel 26bis/1, §1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 110/29, §1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
146° de voor- en achternaam, het opleidingsniveau en het vakgebied van de lesgevers en het adres waar huisonderwijs wordt gegeven als er gezamen-lijk huisonderwijs georganiseerd wordt, conform artikel 26bis/1, §1, derde lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 110/29, §1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
15Voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, verwerken de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap de volgende gegevens van ouders van leerplichtigen die huisonderwijs volgen: de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, de contactgegevens, e-mailadres en telefoonnummer en, in zoverre de ouders ook optreden als lesgever als vermeld in artikel 26bis/1, §1, 2°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 110/29, §1, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 5°.
16Voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, verwerken de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap de volgende gegevens van de organisator van het gezamenlijk huisonderwijs en de lesgevers, vermeld in artikel 26bis/1, §1, derde lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en 110/29, §1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010: de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 5° en 6°, en de contactgegevens, e-mailadres en telefoonnummer.
17Voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, verwerken de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap de volgende gegevens van andere personen uit het sociale netwerk rond de leerplichtige die een rol opnemen in het voldoen aan de voorwaarden van huisonderwijs: de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 1° en 5°.
18§3. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zijn verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2. De personeelsleden van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap hebben toegang tot de verwerkte gegevens als dat noodzakelijk is voor de taken die zij uitvoeren.
19§4. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap verstrekken de gegevens, vermeld in dit artikel, aan andere overheidsdiensten bevoegd voor onderwijs, jeugdhulp, justitie, binnenlandse zaken en welzijn wanneer dat noodzakelijk is voor de uitoefening van hun opdrachten.
+19 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. X/3.2 nieuw
1§1. De onderwijsinspectie verwerkt persoonsgegevens van leerplichtigen die vallen onder het stelsel van huisonderwijs en hun ouders.
2De voormelde gegevens worden verwerkt voor de controle op het huisonderwijs, vermeld in artikel 26ter van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in artikel 110/31 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
3De verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 2, zijn verwerkingen die noodzakelijk zijn voor het algemeen belang, vermeld in artikel 6.1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming. Uit de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 2, kan ook de verwerking van gegevens over gezondheid, ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen als de bijzondere categorieën van persoonsgegevens, vermeld in artikel 9, eerste lid, van de algemene verordening gegevensbescherming volgen. De voormelde verwerkin-gen zijn noodzakelijke verwerkingen om redenen van zwaarwegend algemeen belang als vermeld in artikel 9, tweede lid, g), van de algemene verordening gegevensbescherming. De redenen van algemeen belang en zwaarwegend algemeen belang betreffen het garanderen van het recht op onderwijs van de leerplichtigen en de gezondheid en integriteit van de leerplichtigen.
4§2. Voor het doeleinde, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, verwerkt de onderwijsinspectie de volgende gegevens van leerplichtigen die vallen onder het stelsel van huisonderwijs:
51° de identificatiegegevens: de voor- en achternaam, het geslacht, de geboortedatum, de geboorteplaats, de nationaliteit, het identificatienum-mer van het Rijksregister of het identificatienummer van de Kruispunt-bank, vermeld in artikel 8, §1, 1° en 2°, van de Wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
62° woonplaats: domicilieadres, hoofdverblijfplaats en informatie betreffende tijdelijke afwezigheid;
73° onderwijsloopbaangegevens: voorafgaande onderwijsloopbaan en studiebewijzen, deelname en resultaten van deelname aan examencom-missie basis- en secundair onderwijs, vrijstelling van de examencommissie als vermeld in artikel 26bis/2, §2, eerste lid, 1°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en als vermeld in artikel 110/30, §2, eerste lid, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
84° gezondheid: gegevens over de deelname aan systematische contacten en de medewerking aan profylactische maatregelen als vermeld artikel 6, §4, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
95° huisonderwijsgegevens: gegevens als vermeld in artikel 26bis/1, §1, van het decreet basisonderwijs en artikel 110/29, §1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
106° de voor- en achternaam, het opleidingsniveau en het vakgebied van de lesgevers en het adres waar huisonderwijs wordt gegeven als er gezamen-lijk huisonderwijs georganiseerd wordt, conform artikel 26bis/1, §1, derde lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 110/29, §1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
11Voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 1, verwerkt de onderwijsinspectie de volgende gegevens van ouders van de leerplichtigen die huisonderwijs volgen: de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, de contactgegevens, e-mailadres en telefoonnummer en in zoverre de ouders ook optreden als lesgever als vermeld in artikel 26bis/1, §1, 2°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 110/29, §1, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 5°.
12Voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 1, verwerkt de onderwijsinspectie de volgende gegevens van de organisator van het gezamenlijk huisonderwijs en de lesgevers, vermeld in artikel 26bis/1, §1, derde lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en 110/29, §1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010: de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 5° en 6°, en de contactgegevens, e-mailadres en telefoonnummer.
13Voor de doeleinden, vermeld in paragraaf 1, verwerkt de onderwijsinspectie de volgende gegevens van andere personen uit het sociale netwerk rond de leerplichtige die een rol opnemen in het voldoen aan de voorwaarden van huisonderwijs: de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 1° en 5°.
14§3. De onderwijsinspectie is verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2. De personeelsleden van onderwijsinspectie hebben toegang tot de verwerkte gegevens als dat noodzakelijk is voor de taken die zij uitvoeren.
15§4. De onderwijsinspectie verstrekt de gegevens, vermeld in dit artikel, aan andere overheidsdiensten bevoegd voor onderwijs, jeugdhulp, justitie, binnenlandse zaken en welzijn wanneer dat noodzakelijk is voor de uitoefening van hun opdrachten, in overeenstemming met artikel 8 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer.
16§5. De onderwijsinspectie verstrekt de gegevens over haar bevindingen bij de controle, vermeld in artikel 26ter van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in artikel 110/31 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, aan bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
17De onderwijsinspectie en bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zijn verwerkingsverantwoordelijke voor deze gegevens. De onderwijsinspectie zorgt ervoor dat de overgedragen persoonsgegevens correct zijn.
18§6. Als de onderwijsinspectie inschat dat de ontwikkelingskansen of de integriteit van een leerplichtige die onder het stelsel van huisonderwijs valt, niet gevrijwaard zijn, dan verstrekt de onderwijsinspectie de persoonsgege-vens, vermeld in paragraaf 2, aan de gemandateerde voorzieningen, vermeld in hoofdstuk 8, afdeling 2, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp.
19De onderwijsinspectie en de gemandateerde voorzieningen zijn verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens. De onderwijsinspectie zorgt ervoor dat de overgedragen persoonsgegevens correct zijn.
+1 −1 decreet-2016-06-10/art. 2bis
18Het secretariaat wordt opgenomen door het Departement Werk en Sociale Economie en het Departement Onderwijs en Vorming.18Het secretariaat wordt opgenomen door het Departement Werk en Sociale Economie en het Departement Onderwijs en Vorming.
19De Vlaamse Regering regelt op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor het werk, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, de werking van het secretariaat.19De Vlaamse Regering regelt op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor het werk, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, de werking van het secretariaat.
20De instanties, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 11°, duiden een effectieve en een plaatsvervangende vertegenwoordiger aan.20De instanties, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 14°, duiden een effectieve en een plaatsvervangende vertegenwoordiger aan.
21Met uitzondering van de leden, vermeld in het eerste lid, 1°, 12°, 13° en 14°, hebben alle leden, vermeld in het eerste lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen.21Met uitzondering van de leden, vermeld in het eerste lid, 1°, 12°, 13° en 14°, hebben alle leden, vermeld in het eerste lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen.
22Met uitzondering van de leden, vermeld in het eerste lid, 1°, 4°, 5°, 6° en 9°, hebben alle leden, vermeld in het eerste lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de duale opleidingen.22Met uitzondering van de leden, vermeld in het eerste lid, 1°, 4°, 5°, 6° en 9°, hebben alle leden, vermeld in het eerste lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de duale opleidingen.
+3 −3 decreet-2016-06-10/art. 2sexies
152° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs namens het volwassenenonderwijs;152° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs namens het volwassenenonderwijs;
163° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming namens het volwassenenonderwijs.163° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming namens het volwassenenonderwijs.
17De instanties, vermeld in het tweedelid, duiden hun effectieve en plaatsvervangende vertegenwoordiger(s) aan.17De instanties, vermeld in het tweede, het derde en het vierde lid, duiden hun effectieve en plaatsvervangende vertegenwoordiger(s) aan.
18De leden, vermeld in het tweedelid, kiezen onder elkaar een voorzitter en een ondervoorzitter, die niet tot dezelfde geleding behoren.18De leden, vermeld in het tweede, het derde en het vierde lid, kiezen onder elkaar een voorzitter en een ondervoorzitter, die niet tot dezelfde geleding behoren.
19Met uitzondering van de secretaris en de leden, vermeld in het vierde lid, hebben alle leden, vermeld in het tweede lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen.19Met uitzondering van de secretaris en de leden, vermeld in het vierde lid, hebben alle leden, vermeld in het tweede lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen.
20Met uitzondering van de secretaris en de leden, vermeld in het tweede lid, 4°, 5° en 7°, hebben alle leden, vermeld in het tweede lid en het vierde lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de duale opleidingen.20Met uitzondering van de secretaris en de leden, vermeld in het tweede lid, 3°, 4°, 5° en 7°, hebben alle leden, vermeld in het tweede lid en het vierde lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de duale opleidingen.
21Met uitzondering van de secretaris hebben alle leden, vermeld in het tweede lid en het vierde lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen en de duale opleidingen.21Met uitzondering van de secretaris hebben alle leden, vermeld in het tweede lid en het vierde lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen en de duale opleidingen.
22Als het samenwerkingsakkoord met het Vlaams Partnerschap Duaal Leren ook de bevoegdheden, vermeld in artikel 2bis, § 3, eerste lid, 1°, 2° en 3°, omvat, hebben, in afwijking van het zevende lid, voor die bevoegdheden alleen de leden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, stemrecht.22Als het samenwerkingsakkoord met het Vlaams Partnerschap Duaal Leren ook de bevoegdheden, vermeld in artikel 2bis, § 3, eerste lid, 1°, 2° en 3°, omvat, hebben, in afwijking van het zevende lid, voor die bevoegdheden alleen de leden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, stemrecht.
+2 −2 decreet-2016-06-10/art. 16
1§ 1. Als de leerling bij de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding de onderneming of derden schade berokkent of gebrekkig werk levert, is hij alleen aansprakelijk in geval van bedrog of zware schuld.1§ 1. Als de leerling bij de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding de onderneming of derden schade berokkent of gebrekkig werk levert, is hij alleen aansprakelijk in geval van bedrog of zware schuld.
2Voor lichte schuld is hij alleen aansprakelijk als die schuld eerder gewoonlijk dan toevallig bij hem voorkomt.2Voor lichte schuld is hij alleen aansprakelijk als die schuld eerder gewoonlijk dan toevallig bij hem voorkomt.
3De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek geldt enkel wanneer de minderjarige leerling overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.
3De aansprakelijkheid van titularissen van het gezag over de persoon van minderjarigen, vermeld in artikel 6.12 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de minderjarige leerling conform de gevallen, vermeld in het eerste en tweede lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. De aansprakelijkheid van personen belast met het toezicht op anderen, vermeld in artikel 6.13 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de leerling conform de gevallen, vermeld in het eerste en tweede lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld..
4De onderneming is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.4De onderneming is een aansteller als vermeld in artikel 6.14, §1, van het Burgerlijk Wetboek.
5Alle met de bepalingen van deze paragraaf strijdige bedingen zijn nietig.5Alle met de bepalingen van deze paragraaf strijdige bedingen zijn nietig.
6§ 2. De leerling is niet verantwoordelijk voor de beschadigingen of de sleet die toe te schrijven zijn aan het regelmatige gebruik van het voorwerp, noch voor het toevallige verlies ervan.6§ 2. De leerling is niet verantwoordelijk voor de beschadigingen of de sleet die toe te schrijven zijn aan het regelmatige gebruik van het voorwerp, noch voor het toevallige verlies ervan.
+2 −2 decreet-2016-06-10/art. 26
4Als de partijen tot een verzoening komen, wordt de uitvoering van de overeenkomst voortgezet.4Als de partijen tot een verzoening komen, wordt de uitvoering van de overeenkomst voortgezet.
5Als de partijen niet tot een verzoening komen, kan de partij die de wens tot beëindiging heeft geuit, ook effectief overgaan tot de beëindiging van de overeenkomst. De beëindiging gaat in de dag na de ontvangst van de schriftelijke mededeling.5Als de partijen niet tot een verzoening komen, kan de partij die de wens tot beëindiging heeft geuit, ook effectief overgaan tot de beëindiging van de overeenkomst. De beëindiging gaat in de dag na de ontvangst van de schriftelijke mededeling.
6§ 3. De onderneming of de leerling of zijn wettelijke vertegenwoordiger, naargelang het geval, kan beroep aantekenen bij het Vlaams Partnerschap Duaal Leren als hij van oordeel is dat de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding niet wettigt .6§ 3. De onderneming of de leerling of zijn wettelijke vertegenwoordiger, naargelang het geval, kan beroep aantekenen bij het Vlaams Partnerschap Duaal Leren als hij van oordeel is dat de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van alternerende opleiding niet wettigt of als hij van oordeel is dat de overeenkomst niet conform paragraaf 2 of artikel 25 is beëindigd.
7De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het beroep.7De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het beroep.
8Als het Vlaams Partnerschap Duaal Leren oordeelt dat de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding door de onderneming niet wettigt , is aan de leerling die beroep heeft aangetekend een schadevergoeding verschuldigd conform artikel 17, § 4.8Als het Vlaams Partnerschap Duaal Leren oordeelt dat de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van de overeen-komst van alternerende opleiding door de onderneming niet wettigt of als het oordeelt dat de overeenkomst niet conform paragraaf 2 of artikel 25 is beëindigd, is aan de leerling die beroep heeft aangetekend een schadevergoeding verschuldigd conform artikel 17, § 4.
+2 −2 decreet-2022-03-25/art. 16
1§ 1. Als de cursist bij de uitvoering van de overeenkomst de onderneming of derden schade berokkent of gebrekkig werk levert, is hij alleen aansprakelijk in geval van bedrog of zware schuld.1§ 1. Als de cursist bij de uitvoering van de overeenkomst de onderneming of derden schade berokkent of gebrekkig werk levert, is hij alleen aansprakelijk in geval van bedrog of zware schuld.
2Voor lichte schuld is hij alleen aansprakelijk als die schuld eerder gewoonlijk dan toevallig bij hem voorkomt.2Voor lichte schuld is hij alleen aansprakelijk als die schuld eerder gewoonlijk dan toevallig bij hem voorkomt.
3De aansprakelijkheid van de vader en de moeder, vermeld in artikel 1384, tweede lid, van het Oud Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de minderjarige cursist conform het eerste en tweede lidpersoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.3De aansprakelijkheid van titularissen van het gezag over de persoon van minderjarigen, vermeld in artikel 6.12 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de minderjarige cursist conform de gevallen, vermeld in het eerste en tweede lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. De aansprakelijkheid van personen belast met het toezicht op anderen, vermeld in artikel 6.13 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de cursist conform de gevallen, vermeld in het eerste en tweede lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.
4De onderneming is een aansteller als vermeld in artikel 1384, derde lid, van het Oud Burgerlijk Wetboek.4De onderneming is een aansteller als vermeld in artikel 6.14, §1, van het Burgerlijk Wetboek.
5Alle bedingen die met de bepalingen van deze paragraaf strijdig zijn, zijn nietig.5Alle bedingen die met de bepalingen van deze paragraaf strijdig zijn, zijn nietig.
6§ 2. De cursist is niet verantwoordelijk voor de beschadigingen of de sleet die toe te schrijven zijn aan het regelmatige gebruik van het voorwerp, noch voor het toevallige verlies ervan.6§ 2. De cursist is niet verantwoordelijk voor de beschadigingen of de sleet die toe te schrijven zijn aan het regelmatige gebruik van het voorwerp, noch voor het toevallige verlies ervan.
+2 −2 decreet-2022-03-25/art. 24
7Als de partijen tot een verzoening komen, wordt de uitvoering van de overeenkomst voortgezet.7Als de partijen tot een verzoening komen, wordt de uitvoering van de overeenkomst voortgezet.
8Als de partijen niet tot een verzoening komen, kan de partij die de wens tot beëindiging heeft geuit, de overeenkomst ook daadwerkelijk beëindigen. De beëindiging gaat in de dag na de dag waarop de andere partij de schriftelijke beëindiging heeft ontvangen.8Als de partijen niet tot een verzoening komen, kan de partij die de wens tot beëindiging heeft geuit, de overeenkomst ook daadwerkelijk beëindigen. De beëindiging gaat in de dag na de dag waarop de andere partij de schriftelijke beëindiging heeft ontvangen.
9§ 3. De onderneming of de cursist of zijn wettelijke vertegenwoordiger, naargelang het geval, kan beroep aantekenen bij het Vlaams Partnerschap Duaal Leren als de onderneming of de cursist of zijn wettelijke vertegenwoordiger meent dat de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van de overeenkomst niet wettigt.9§ 3. De onderneming of de cursist of zijn wettelijke vertegenwoordiger, naargelang het geval, kan beroep aantekenen bij het Vlaams Partnerschap Duaal Leren als hij van oordeel is dat de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van alternerende opleiding niet wettigt of als hij van oordeel is dat de overeenkomst niet conform paragraaf 2 of artikel 23 is beëindigd.
10De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het beroep.10De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het beroep.
11Als het Vlaams Partnerschap Duaal Leren oordeelt dat de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van de overeenkomst door de onderneming niet wettigt , is aan de cursist die beroep heeft aangetekend, een schadevergoeding verschuldigd conform artikel 17, § 4.11Als het Vlaams Partnerschap Duaal Leren oordeelt dat de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van de overeen-komst door de onderneming niet wettigt of als het oordeelt dat de overeenkomst niet conform paragraaf 2 of artikel 23 is beëindigd, is aan de cursist die beroep heeft aangetekend, een schadevergoeding verschuldigd conform artikel 17, § 4.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd