§ flandrepo

Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2021

Vlaamse Regering #812 Staatsblad 20 augustus 2021 NUMAC 2021032223
39 artikels gewijzigd
+4 −1 codex-wonen/art. 3.20
1De woningen, vermeld in artikel 3.19, § 1, 1°, worden ingeschreven op de inventarislijst op de datum van het besluit van de burgemeester, vermeld in artikel 3.12, § 1, of, in geval van een beslissing tot ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring in beroep , op de datum van het besluit, vermeld in artikel 3.16, eerste lid.1De woningen, vermeld in artikel 3.19, § 1, 1°, worden ingeschreven op de inventarislijst op de datum van het besluit van de burgemeester, vermeld in artikel 3.12, § 1. In geval van een beslissing tot ongeschiktof onbewoonbaarverklaring in beroep als vermeld in artikel 3.16, eerste lid, worden de woningen ook ingeschreven op de inventarislijst op de datum van het besluit, vermeld in artikel 3.12, § 1, tenzij:
21° het besluit, vermeld in artikel 3.12, § 1, niet tot stand gekomen is volgens de procedure, vermeld in artikel 3.12 en 3.13;
32° het een beslissing betreft als vermeld in artikel 3.15, tweede lid.
4In deze gevallen worden de woningen ingeschreven op de inventarislijst op de datum van het besluit, vermeld in artikel 16, eerste lid..
2De woningen, vermeld in artikel 3.19, §1, 2°, worden ingeschreven op de inventarislijst op de datum van het besluit van de burgemeester.5De woningen, vermeld in artikel 3.19, §1, 2°, worden ingeschreven op de inventarislijst op de datum van het besluit van de burgemeester.
3Dit artikel geldt ook voor de afsplitsbare woningen en voor de bedrijfsruimten waarvan de woning van de eigenaar als verblijfplaats wordt benut en een niet-afsplitsbaar onderdeel uitmaakt als vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten.6Dit artikel geldt ook voor de afsplitsbare woningen en voor de bedrijfsruimten waarvan de woning van de eigenaar als verblijfplaats wordt benut en een niet-afsplitsbaar onderdeel uitmaakt als vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten.
+1 −1 energiedecreet/art. 8.2.2
6De Vlaamse Regering kan bij het verstrekken van de leningen, vermeld in het eerste lid, gebruikmaken van de diensten van het Participatiefonds-Vlaanderen.6De Vlaamse Regering kan bij het verstrekken van de leningen, vermeld in het eerste lid, gebruikmaken van de diensten van het Participatiefonds-Vlaanderen.
7§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale voorwaarden waaraan de energiehuizen, vermeld in § 1, eerste lid, 1°, dienen te voldoen. Tussen het Vlaamse Gewest en elke energiehuis wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten. De Vlaamse Regering kan een tegemoetkoming geven in de personeels- en werkingskosten van de energiehuizen.7§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale voorwaarden waaraan de energiehuizen, vermeld in § 1, eerste lid, 1°, dienen te voldoen. Tussen het Vlaamse Gewest en elke energiehuis wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten. De Vlaamse Regering kan een tegemoetkoming geven in de personeels- en werkingskosten van de energiehuizen.
8§ 3. De Vlaamse Regering kan op voorstel van de Vlaamse minister bevoegd voor Energie schulden die door een energiehuis ten aanzien van het Vlaamse Gewest in het kader van de uitvoering van dit artikel werden gemaakt geheel of gedeeltelijk kwijtschelden. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels met betrekking tot de modaliteiten en de voorwaarden waaronder deze kwijtschelding kan geschieden.
8§ 3. ...
+1 −1 energiedecreet/art. 8.3.1/1
6De Vlaamse Regering kan bij het verstrekken van de leningen, vermeld in het eerste lid, gebruikmaken van de diensten van het Participatiefonds-Vlaanderen.6De Vlaamse Regering kan bij het verstrekken van de leningen, vermeld in het eerste lid, gebruikmaken van de diensten van het Participatiefonds-Vlaanderen.
7§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale voorwaarden waaraan de energiehuizen, vermeld in § 1, eerste lid, 1°, dienen te voldoen. Tussen het Vlaamse Gewest en elke energiehuis wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten. De Vlaamse Regering kan een tegemoetkoming geven in de personeels- en werkingskosten van de energiehuizen.7§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale voorwaarden waaraan de energiehuizen, vermeld in § 1, eerste lid, 1°, dienen te voldoen. Tussen het Vlaamse Gewest en elke energiehuis wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten. De Vlaamse Regering kan een tegemoetkoming geven in de personeels- en werkingskosten van de energiehuizen.
8§ 3. De Vlaamse Regering kan op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, schulden die door een energiehuis ten aanzien van het Vlaamse Gewest in het kader van de uitvoering van dit artikel werden gemaakt geheel of gedeeltelijk kwijtschelden. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels met betrekking tot de modaliteiten en de voorwaarden waaronder deze kwijtschelding kan geschieden.
8§ 3. ...
+1 −1 energiedecreet/art. 8.4.2
6De Vlaamse Regering kan bij het verstrekken van de leningen, vermeld in het eerste lid, gebruikmaken van de diensten van het Participatiefonds-Vlaanderen.6De Vlaamse Regering kan bij het verstrekken van de leningen, vermeld in het eerste lid, gebruikmaken van de diensten van het Participatiefonds-Vlaanderen.
7§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale voorwaarden waaraan de energiehuizen, vermeld in § 1, eerste lid, 1°, dienen te voldoen. Tussen het Vlaamse Gewest en elke energiehuis wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten. De Vlaamse Regering kan een tegemoetkoming geven in de personeels- en werkingskosten van de energiehuizen.7§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale voorwaarden waaraan de energiehuizen, vermeld in § 1, eerste lid, 1°, dienen te voldoen. Tussen het Vlaamse Gewest en elke energiehuis wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten. De Vlaamse Regering kan een tegemoetkoming geven in de personeels- en werkingskosten van de energiehuizen.
8§ 3. De Vlaamse Regering kan op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, schulden die door een energiehuis ten aanzien van het Vlaamse Gewest in het kader van de uitvoering van dit artikel werden gemaakt geheel of gedeeltelijk kwijtschelden. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels met betrekking tot de modaliteiten en de voorwaarden waaronder deze kwijtschelding kan geschieden.
8§ 3. ...
+1 −0 energiedecreet/art. 8.6.1
1De Vlaamse Regering kan op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, schulden die door een energiehuis ten aanzien van het Vlaamse Gewest in het kader van de uitvoering van artikel 8.2.2, artikel 8.3.1/1 of artikel van dit decreet werden gemaakt geheel of gedeeltelijk kwijtschelden. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de modaliteiten en de voorwaarden waaronder deze kwijtschelding kan geschieden.
+1 −0 energiedecreet/art. 8.6.2 nieuw
1De Vlaamse Regering kan op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, schulden die ten aanzien van het Vlaamse Gewest in het kader van de toekenning van steun voor energetische renovatieprojecten van noodkoopwoningen werden gemaakt geheel of gedeeltelijk kwijtschelden. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de modaliteiten en de voorwaarden waaronder deze kwijtschelding kan geschieden.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.25/1 nieuw
1Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1 Een toekomstbestendig en wendbaar Vlaams opleidingsportfolio uitbouwen, het speerpunt 2 Veel meer mogelijkheden aanreiken om levenslang te leren binnen het hoger onderwijs en het speerpunt 3 Kwaliteitsvol verduurzamen van nieuwe werkvormen in het hoger onderwijs, binnen de maatregel VV112 Voorsprongfonds Hoger Onderwijs, van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals beschreven in de visienota Voorsprongfonds Hoger Onderwijs, goedgekeurd op de Vlaamse Regering van 26 februari 2021 (VR 2021 2602 VV DOC.0011/2BIS), kan de Vlaamse Regering voor de academiejaren 2021-2022 en 2022-2023, binnen de perken van de beschikbare enveloppe van 60 miljoen euro, naast de bepalingen in artikel III.25, een bijkomende werkingstoelage of projecttoelage toekennen aan de hogescholen en universiteiten.De Vlaamse Regering bepaalt de verdeling van die bijkomende middelen over de hogescholen en universiteiten en stelt de aanwending ervan vast.
+7 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.119
26§ 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016 en van 400.000 euro vanaf 2018 niet in rekening gebracht.26§ 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016 en van 400.000 euro vanaf 2018 niet in rekening gebracht.
27§ 7. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 met 265.000 euro verminderd.27§ 7. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 met 265.000 euro verminderd.
28§ 8. De toelage, vermeld in paragraaf 1 en berekend overeenkomstig dit artikel, wordt in het begrotingsjaar 2021 als volgt verdeeld over de hogere instituten voor schone kunsten en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren:
291° de toelage voor P.A.R.T.S. (Performing Arts, Research and Training Studies) wordt vastgesteld op 1.297.000 euro;
302° de toelage voor het HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten) wordt vast- gesteld op 1.178.000 euro;
313° de toelage voor het Orpheus Instituut wordt vastgesteld op 750.000 euro;
324° de toelage voor de IOA (International Opera Academy) wordt vastgesteld op 497.000 euro;
335° de toelage voor PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) wordt vastgesteld op 457.000 euro.
34De bedragen vermeld in het eerste lid, worden in het begrotingsjaar 2021 geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen in paragraaf 1 van dit artikel.
+2 −0 decreet-2009-05-08/art. 19/1 nieuw
1De pedagogische begeleidingsdiensten van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen, de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten, het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen en het Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, GO! ontvangen in begrotingsjaar 2021 3,5 miljoen euro aan aanvullende werkingsmiddelen voor de ondersteuning van scholen voor gewoon basisen secundair onderwijs in de versterking van hun brede basiszorg en verhoogde zorg.
2De aanvullende werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst.
+1 −0 decreet-2009-05-08/art. 27/4 nieuw
1In het kader van de uitvoering van de speerpunten in de maatregelen VV15 Digisprong, met deelenveloppe van 375 miljoen euro binnen de relanceprovisie en VV17 Van kwetsbaar naar weerbaar, van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, met deelenveloppe van 90 miljoen euro binnen de relanceprovisie, zoals opgenomen in de visienota's Digisprong. Van achterstand naar voorsprong, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 11 december 2020 (VR 2020 1112 DOC.1425/2QUATER) en Van kwetsbaar naar weerbaar, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 en 2), voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 bijkomendewerkingsbudgetten, investeringsmiddelen of omkadering toekennen aan de pedagogische begeleidingsdiensten. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
+1 −0 decreet-2009-02-20/art. 2/1 nieuw
1Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1 Een toekomstbestendig en wendbaar Vlaams opleidingsportfolio uitbouwen, het speerpunt 2 Veel meer mogelijkheden aanreiken om levenslang te leren binnen het hoger onderwijs en het speerpunt 3 Kwaliteitsvol verduurzamen van nieuwe werkvormen in het hoger onderwijs, binnen de maatregel VV112 Voorsprongfonds Hoger Onderwijs van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals beschreven in de visienota Voorsprongfonds Hoger Onderwijs, goedgekeurd op de Vlaamse Regering van 26 februari 2021 (VR 2021 2602 VV DOC.0011/2BIS), kan de Vlaamse Regering voor de academiejaren 2021-2022 en 2022-2023, binnen de perken van de beschikbare enveloppe van 60 miljoen euro, naast de bepalingen in artikel 2, een bijkomende werkingstoelage of projecttoelage toekennen aan de Hogere Zeevaartschool. De Vlaamse Regering bepaalt de aanwending van deze bijkomende middelen.
+1 −0 decreet-2007-06-15/art. 91
1De Vlaamse Regering kan binnen de perken van een daartoe bepaald budget en op basis van samenwerkingsovereenkomsten aanvullende VTE en werkingstoelagen toekennen aan de Centra voor Basiseducatie.1De Vlaamse Regering kan binnen de perken van een daartoe bepaald budget en op basis van samenwerkingsovereenkomsten aanvullende VTE en werkingstoelagen toekennen aan de Centra voor Basiseducatie.
2Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1 We sensibiliseren elke Vlaming om levenslang te blijven leren via het volwassenenonderwijs, het speerpunt 2 Versterken van arbeidsmarktkansen via omen bijscholen, het speerpunt 3 Versterking van digitale competenties en het speerpunt 4 Gericht inzetten op kwalificatie, binnen de maatregel VV 19 Edusprong voor volwassenen: het volwassenenonderwijs versterkt, van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Edusprong, kan de Vlaamse Regering tijdens de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 60 miljoen euro bijkomende VTE, punten en werkingstoelagen toekennen aan de centra voor basiseducatie. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
+1 −0 decreet-2007-06-15/art. 101
1De Vlaamse Regering kan binnen de perken van een daartoe bepaald budget en op basis van samenwerkingsovereenkomsten aanvullende leraarsuren toekennen aan de Centra voor Volwassenenonderwijs.1De Vlaamse Regering kan binnen de perken van een daartoe bepaald budget en op basis van samenwerkingsovereenkomsten aanvullende leraarsuren toekennen aan de Centra voor Volwassenenonderwijs.
2Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1 We sensibiliseren elke Vlaming om levenslang te blijven leren via het volwassenenonderwijs, het speerpunt 2 Versterken van arbeidsmarktkansen via omen bijscholen, het speerpunt 3 Versterking van digitale competenties en het speerpunt 4 Gericht inzetten op kwalificatie binnen de maatregel VV 19 Edusprong voor volwassenen: het volwassenenonderwijs versterkt, van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Edusprong (VR 2021 1202 VV DOC.0007/2BIS), kan de Vlaamse Regering tijdens de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 60 miljoen euro bijkomende leraarsuren, punten en werkingsmiddelen toekennen aan de centra voor volwassenenonderwijs. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
+2 −2 decreet-2001-07-06/art. 33
10§ 7. Aan het fonds bij het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur worden alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten toegewezen met betrekking tot personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.10§ 7. Aan het fonds bij het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur worden alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten toegewezen met betrekking tot personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.
11§ 8. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur, verkregen op basis van paragraaf 7, dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.11§ 8. De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie Kanselarij en Bestuur, verkregen op basis van paragraaf 7, dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden die naar het agentschap Facilitair Bedrijf worden overgedragen zonder kredietoverdracht of hun vervangers.
12§ 9. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media worden alle inkomsten toegewezen die verkregen worden uit de kandidaatstellingen voor netwerkradio's en lokale radio's die in het jaar 2017 bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media worden ingediend.12§ 9. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media worden alle inkomsten toegewezen die verkregen worden uit de kandidaatstellingen voor landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's die bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media worden ingediend.
13De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, verkregen op basis van het eerste lid, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de tijdelijke personeelsleden die worden aangeworven voor het behandelen van de aanvragen inzake netwerkradio's en lokale radio's .13De middelen van het fonds van het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, verkregen op basis van het eerste lid, dienen aangewend te worden voor de betaling van de wedden en weddentoelagen van de tijdelijke personeelsleden die worden aangeworven voor het behandelen van de aanvragen inzake landelijke radio's, netwerkradio's en lokale radio's alsook voor de werkingsuitgaven naar aanleiding van de behandeling van de genoemde aanvragen.
+1 −1 vlaamse-codex-overheidsfinancien-van-29-maart-2019/art. 6
1Op de Vlaamse openbare instellingen, vermeld in artikel I.3, 4°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 die niet behoren tot de Vlaamse deelstaat-overheid, zijn alleen artikel 42, § 1, tweede lid, 1°, 2° en 4°, artikel 43, artikel 60 tot en met 65, hoofdstuk 8, artikel 80, derde lid, en artikel 110 van toepassing.1Als ze niet behoren tot de Vlaamse deelstaatoverheid zijn op de publiekrechtelijke vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen, vermeld in artikel I.3, 2°, d), van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, en de Vlaamse openbare instellingen, vermeld in artikel I.3, 4°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, alleen artikel 42, § 1, tweede lid, 1°, 2° en 4°, artikel 43, artikel 60 tot en met 65, hoofdstuk 8, artikel 80, derde lid, en artikel 110 van toepassing.
+1 −1 vlaamse-codex-overheidsfinancien-van-29-maart-2019/art. 80
53° de Vlaamse openbare instellingen, vermeld in artikel I.3, 4°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018;53° de Vlaamse openbare instellingen, vermeld in artikel I.3, 4°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018;
64° de strategische adviesraden, vermeld in artikel I.3, 3°, a), van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.64° de strategische adviesraden, vermeld in artikel I.3, 3°, a), van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
7De andere Vlaamse rechtspersonen dan die vermeld in het eerste en tweede lid en de Vlaamse openbare instellingen, vermeld in artikel 6, kunnen zich altijd vrijwillig aan de toepassing van afdeling 5 onderwerpen, mits aanvaarding door de Vlaamse Regering.7De andere Vlaamse rechtspersonen dan die vermeld in het eerste en tweede lid en de Vlaamse openbare instellingen, vermeld in artikel 6, kunnen zich altijd vrijwillig aan de toepassing van hoofdstuk 10 onderwerpen, mits aanvaarding door de Vlaamse Regering.
+2 −0 decreet-1990-12-21/art. 19
2§ 2. Aan het Fonds Onroerende Goederen worden toegewezen alle ontvangsten voortvloeiend uit daden van beheer en beschikking met betrekking tot gebouwen en aanhorigheden bestemd voor de huisvesting van de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.2§ 2. Aan het Fonds Onroerende Goederen worden toegewezen alle ontvangsten voortvloeiend uit daden van beheer en beschikking met betrekking tot gebouwen en aanhorigheden bestemd voor de huisvesting van de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
3Aan het Fonds Onroerende Goederen worden tevens toegewezen de opbrengsten voortvloeiend uit financieel technische transacties met betrekking tot gebouwen en aanhorigheden bestemd voor de huisvesting van de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.3Aan het Fonds Onroerende Goederen worden tevens toegewezen de opbrengsten voortvloeiend uit financieel technische transacties met betrekking tot gebouwen en aanhorigheden bestemd voor de huisvesting van de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
4Aan het Fonds Onroerende Goederen worden tevens toegewezen de middelen ontvangen vanuit het Vlaams Klimaatfonds, vermeld in artikel 14, § 5, tweede lid, van het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012.
4§ 3. De middelen van het Fonds Onroerende Goederen dienen aangewend te worden voor verwerving, onderhoud en instandhouding van gebouwen en aanhorigheden, bestemd voor de huisvesting van de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.5§ 3. De middelen van het Fonds Onroerende Goederen dienen aangewend te worden voor verwerving, onderhoud en instandhouding van gebouwen en aanhorigheden, bestemd voor de huisvesting van de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
5De middelen van het Fonds Onroerende Goederen mogen tevens aangewend worden voor het beheer, de aankoop, de bouw, de studie, de uitrusting en geschiktmaking van gebouwen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest en alle publiekrechtelijke rechtspersonen die onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest vallen met inbegrip van de Vlaamse Openbare Instellingen, de universiteiten, de diensten met afzonderlijk beheer.6De middelen van het Fonds Onroerende Goederen mogen tevens aangewend worden voor het beheer, de aankoop, de bouw, de studie, de uitrusting en geschiktmaking van gebouwen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest en alle publiekrechtelijke rechtspersonen die onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest vallen met inbegrip van de Vlaamse Openbare Instellingen, de universiteiten, de diensten met afzonderlijk beheer.
6De middelen van het Fonds Onroerende Goederen mogen tevens aangewend worden voor de betaling van huur, huurlasten en belastingen met betrekking tot vastgoed.7De middelen van het Fonds Onroerende Goederen mogen tevens aangewend worden voor de betaling van huur, huurlasten en belastingen met betrekking tot vastgoed.
8De middelen van het Fonds Onroerende Goederen mogen tevens aangewend worden voor uitgaven in het kader van het Actieplan Mobiliteit en het Actieplan Gebouwen van de Vlaamse overheid in het kader van het klimaatbeleid.
+2 −0 decreet-1990-12-21/art. 19
2§ 2. Aan het Fonds Onroerende Goederen worden toegewezen alle ontvangsten voortvloeiend uit daden van beheer en beschikking met betrekking tot gebouwen en aanhorigheden bestemd voor de huisvesting van de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.2§ 2. Aan het Fonds Onroerende Goederen worden toegewezen alle ontvangsten voortvloeiend uit daden van beheer en beschikking met betrekking tot gebouwen en aanhorigheden bestemd voor de huisvesting van de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
3Aan het Fonds Onroerende Goederen worden tevens toegewezen de opbrengsten voortvloeiend uit financieel technische transacties met betrekking tot gebouwen en aanhorigheden bestemd voor de huisvesting van de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.3Aan het Fonds Onroerende Goederen worden tevens toegewezen de opbrengsten voortvloeiend uit financieel technische transacties met betrekking tot gebouwen en aanhorigheden bestemd voor de huisvesting van de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
4Aan het Fonds Onroerende Goederen worden tevens toegewezen de middelen ontvangen vanuit het Vlaams Klimaatfonds, vermeld in artikel 14, § 5, tweede lid, van het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012.
4§ 3. De middelen van het Fonds Onroerende Goederen dienen aangewend te worden voor verwerving, onderhoud en instandhouding van gebouwen en aanhorigheden, bestemd voor de huisvesting van de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.5§ 3. De middelen van het Fonds Onroerende Goederen dienen aangewend te worden voor verwerving, onderhoud en instandhouding van gebouwen en aanhorigheden, bestemd voor de huisvesting van de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
5De middelen van het Fonds Onroerende Goederen mogen tevens aangewend worden voor het beheer, de aankoop, de bouw, de studie, de uitrusting en geschiktmaking van gebouwen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest en alle publiekrechtelijke rechtspersonen die onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest vallen met inbegrip van de Vlaamse Openbare Instellingen, de universiteiten, de diensten met afzonderlijk beheer.6De middelen van het Fonds Onroerende Goederen mogen tevens aangewend worden voor het beheer, de aankoop, de bouw, de studie, de uitrusting en geschiktmaking van gebouwen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest en alle publiekrechtelijke rechtspersonen die onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest vallen met inbegrip van de Vlaamse Openbare Instellingen, de universiteiten, de diensten met afzonderlijk beheer.
6De middelen van het Fonds Onroerende Goederen mogen tevens aangewend worden voor de betaling van huur, huurlasten en belastingen met betrekking tot vastgoed.7De middelen van het Fonds Onroerende Goederen mogen tevens aangewend worden voor de betaling van huur, huurlasten en belastingen met betrekking tot vastgoed.
8De middelen van het Fonds Onroerende Goederen mogen tevens aangewend worden voor uitgaven in het kader van het Actieplan Mobiliteit en het Actieplan Gebouwen van de Vlaamse overheid in het kader van het klimaatbeleid.
+12 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 4.2.2.1.4
21Als het ingediende dossier op de datum van de eerste aanvraag nog niet hoefde te voldoen aan de inhoudelijke voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt het dosser aangevuld met de gegevens, vermeld in die paragraaf.21Als het ingediende dossier op de datum van de eerste aanvraag nog niet hoefde te voldoen aan de inhoudelijke voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt het dosser aangevuld met de gegevens, vermeld in die paragraaf.
22Uiterlijk één maand voordat de vaststellingen voor het voormeld attest met het oog op de hernieuwing van het nullozerstatuut ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, per e-mail of per fax op de hoogte van het geplande plaatsbezoek. Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.22Uiterlijk één maand voordat de vaststellingen voor het voormeld attest met het oog op de hernieuwing van het nullozerstatuut ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, per e-mail of per fax op de hoogte van het geplande plaatsbezoek. Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.
23Indien de heffingsplichtige waterverontreiniging, in afwijking van wat wordt bepaald in het eerste en tweede lid, een laattijdige hernieuwingsaanvraag indient, kan de Vlaamse Milieumaatschappij na onderzoek van het dossier beslissen de verlenging van het statuut met terugwerkende kracht toe te staan vanaf de vervaldatum van het oorspronkelijke statuut. De toepassing van de overige bepalingen van dit artikel blijft daarbij onverkort.
24Het met terugwerkende kracht toekennen van de verlenging geeft aanleiding tot het opleggen van een boete conform artikel 5.4.2.2, tweede lid.
23§6. Als de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens over enige onvergunde lozing uit dat productieproces, wordt de heffing op de vuilvracht, veroorzaakt door die lozing, bepaald conform artikel 4.2.2.1.10, §1.25§6. Als de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens over enige onvergunde lozing uit dat productieproces, wordt de heffing op de vuilvracht, veroorzaakt door die lozing, bepaald conform artikel 4.2.2.1.10, §1.
24Voor de daaropvolgende jaren van de nog resterende looptijd van het dossier of het attest, vermeld in paragraaf 4 of 5, wordt het statuut van nullozer alleen behouden als voor die jaren de onregelmatige lozingssituatie is geremedieerd en de heffingsplichtige daarvan het bewijs levert.26Voor de daaropvolgende jaren van de nog resterende looptijd van het dossier of het attest, vermeld in paragraaf 4 of 5, wordt het statuut van nullozer alleen behouden als voor die jaren de onregelmatige lozingssituatie is geremedieerd en de heffingsplichtige daarvan het bewijs levert.
25§7. Als de totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces in afwijking van paragraaf 1 en 2 pas in de loop van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, wordt verwezenlijkt en/of vastgesteld, wordt de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1 evenwel toegekend vanaf de maand die volgt op de maand waarin de Vlaamse Milieumaatschappij vaststelt dat aan alle overige bepalingen van paragraaf 1 en 2 is voldaan.27§7. Als de totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces in afwijking van paragraaf 1 en 2 pas in de loop van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, wordt verwezenlijkt en/of vastgesteld, wordt de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1 evenwel toegekend vanaf de maand die volgt op de maand waarin de Vlaamse Milieumaatschappij vaststelt dat aan alle overige bepalingen van paragraaf 1 en 2 is voldaan.
26§8. Alle vermeldingen en bepalingen opgenomen in paragrafen 2, 3, 4 en 5 zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.28§8. Alle vermeldingen en bepalingen opgenomen in paragrafen 2, 3 en 4 zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.
29§9. Het onderzoek, vermeld in paragraaf 5, zesde lid, kan worden uitgevoerd op heffingsdossiers waarin voorafgaand aan de inwerkingtreding van paragraaf 5, zesde en zevende lid, een laattijdige hernieuwingsaanvraag werd ingediend, en waarvoor op het ogenblik van de bekendmaking van het programmadecreet van 9 juli 2021 bij de aanpassing van de begroting 2021 waarbij deze bepalingen worden ingevoegd:
301° een bezwaarschrift hangende is of reeds een beslissing over het bezwaarschrift werd genomen waartegen nog een beroepsmogelijkheid openstaat;
312° een vordering in rechte hangende is;
323° een aanvraag tot ambtshalve ontheffing als vermeld in artikel 376 van het WIB ingediend werd bij en aanvaard wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij;
334° een navordering gevestigd werd als vermeld in artikel 4.2.4.5, § 2;
345° een aansprakelijkheidsvordering werd ingeleid voor hoven en rechtbanken.
35De heffingsplichtige dient de Vlaamse Milieumaatschappij hiertoe te verzoeken met een per post aangetekende brief, die ten laatste één jaar na de bekendmaking van het programmadecreet van 9 juli 2021 bij de aanpassing van de begroting 2021 wordt verstuurd.
36Indien de Vlaamse Milieumaatschappij na onderzoek de verlenging van het nullozersstatuut met terugwerkende kracht toekent kan, in afwijking van artikel 418 WIB, enkel het verschil tussen het oorspronkelijke heffingsbedrag vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging en het heffingsbedrag na toepassing van de vrijstelling voor nullozing, eventueel rekening houdend met de toepassing van paragraaf 6, terugbetaald worden aan de heffingsplichtige. De toekenning met terugwerkende kracht geeft eveneens aanleiding tot het opleggen van de boete, zoals bepaald in artikel 5.4.2.2, tweede lid.
37Alle kosten verbonden aan eerdere betwistingen in dit verband blijven ten laste van de heffingsplichtige.
+2 −1 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. 5.4.2.2
1De ambtenaren van de Maatschappij, bedoeld in artikel 5.4.1.2., § 1, kunnen een geldboete van 50 tot 1250 euro opleggen voor elke overtreding van hoofdstuk II van titel IV evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.1De ambtenaren van de Maatschappij, bedoeld in artikel 5.4.1.2, § 1, kunnen een geldboete van 50 tot 1250 euro opleggen voor elke overtreding van hoofdstuk II van titel IV evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
2Bij het met terugwerkende kracht toekennen van de verlenging van het nullozersstatuut, conform artikel 4.2.2.1.4, § 5, zesde en zevende lid, wordt een geldboete opgelegd van 1000 euro per heffingsjaar waarvoor de vrijstelling met terugwerkende kracht wordt toegestaan.
+3 −1 decreet-2014-12-19-1024826/art. 107
6-de bijdrage voor de identificatie en registratie van honden en katten bedoeld in artikel 7;6-de bijdrage voor de identificatie en registratie van honden en katten bedoeld in artikel 7;
7-de administratieve boetes bedoeld in artikel 41bis;7-de administratieve boetes bedoeld in artikel 41bis;
8- de retributie, bedoeld in artikel 13, § 1, tweede lid;
9- de retributie, bedoeld in artikel 34ter, § 2, tweede lid.
82° schenkingen, legaten en sponsoring.102° schenkingen, legaten en sponsoring.
93° vrijwillige bijdragen van de proefdiergebruikers voor onderzoek naar en promotie van alternatieven voor dierproeven;113° vrijwillige bijdragen van de proefdiergebruikers voor onderzoek naar en promotie van alternatieven voor dierproeven;
104° rechtsplegingsvergoedingen die in het kader van rechtszaken opgelegd kunnen worden;124° rechtsplegingsvergoedingen die in het kader van rechtszaken opgelegd kunnen worden;
115° de inning van bij de eigenaar of voormalige eigenaar teruggevorderde onkosten die voortvloeien uit de inbeslagname van zijn verwaarloosde dieren.135° de inning van bij de eigenaar of voormalige eigenaar teruggevorderde onkosten die voortvloeien uit de inbeslagname van zijn verwaarloosde dieren.
12§ 3. De inkomsten van het Fonds mogen aangewend worden voor de financiering van administratie- en werkingskosten, kosten voor juridische bijstand kosten voor sensibilisering, kosten voor studies en wetenschappelijk onderzoek, investeringen, toezicht, en de toepassing en controle van de bepalingen van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren en de uitvoeringsbesluiten, waaronder ook de kosten die gepaard gaan met de inbeslagname van verwaarloosde dieren, alsook het verlenen van subsidies voor het dekken van de kosten voortvloeiend uit het gesubsidieerd wetenschappelijk onderzoek in het kader van dierenwelzijntoegekend voor 1 juli 2014 door de FOD Volksgezondheid.14§ 3. De inkomsten van het Fonds mogen aangewend worden voor de financiering van administratie- en werkingskosten, kosten voor juridische bijstand kosten voor sensibilisering, kosten voor studies en wetenschappelijk onderzoek, de Vlaamse Dierenwelzijnsprijs, investeringen, toezicht, en de toepassing en controle van de bepalingen van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren en de uitvoeringsbesluiten, waaronder ook de kosten die gepaard gaan met de inbeslagname van verwaarloosde dieren, alsook het verlenen van subsidies voor het dekken van de kosten voortvloeiend uit het gesubsidieerd wetenschappelijk onderzoek in het kader van dierenwelzijn, inclusief de onderzoeksprojecten toegekend voor 1 juli 2014 door de FOD Volksgezondheid, en deze bestemd ter uitvoering van projecten in het kader van het Klimaatbeleid.
+2 −0 decreet-1997-02-25/art. 67/1 nieuw
1§ 1. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: een toekomstgerichte en veilige ICT-infrastructuur, speerpunt 2: een sterk ondersteunend en doeltreffend ICT-schoolbeleid, speerpunt 3: ICT-competente leerkrachten en lerarenopleiders en aangepaste digitale leermiddelen en speerpunt 4: een kennisen adviescentrum Digisprong ten dienste van het onderwijsveld binnen de maatregel VV 15 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Digisprong. Van achterstand naar voorsprong, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 11 december 2020 (VR 2020 1112 DOC.1425/2QUATER), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 375 miljoen euro binnen de relanceprovisie bijkomende werkingsbudgetten, investeringsmiddelen of omkadering toekennen aan de scholen of scholengemeenschappen in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs of, wat speerpunten 3 en 4 betreft middelen toekennen ter ondersteuning van deze scholen. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
2§ 2. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: van achterstand naar voorsprong, speerpunt 2: versterking van leraren, lerarenopleiders en schoolleiders en speerpunt 3: bevorderen van het mentaal welzijn van leerlingen, scholieren en studenten binnen de maatregel VV 17 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Van kwetsbaar naar weerbaar, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 en 2), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 20212022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 90 miljoen euro binnen de relanceprovisie, desgevallend aangevuld met middelen uitde provisie versterking onderwijs en/of de AGODI-provisie, bijkomende werkingsbudgetten, investeringsmiddelen of omkadering toekennen aan de scholen of scholengemeenschappen in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 79
176° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4;176° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4;
187° het bedrag voor begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 8.101.000 euro;187° het bedrag voor begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 8.101.000 euro;
198° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van paragraaf 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 70.282.000 euro.198° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van paragraaf 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 69.545.000 euro.
20De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.20De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.
21§ 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 486.000 euro.21§ 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 486.000 euro.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 85bis
176° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4;176° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4;
187° het bedrag voor begrotingsjaar 2015, verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 731.000 euro;187° het bedrag voor begrotingsjaar 2015, verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 731.000 euro;
198° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van § 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 994.000 euro.198° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van § 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 983.000 euro.
20De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.20De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.
21§ 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 53.000 euro.21§ 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 53.000 euro.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 153quaterdecies
1Tijdens het schooljaar 2018-2019 en het schooljaar 2019-2020 wordt een pilootproject `lerarenplatform' opgezet om tijdelijk aangestelde personeelsleden werkzekerheid te bieden. Tijdens het schooljaar 2020-2021 wordt het lerarenplatform voor één schooljaar verlengd.1Vanaf het schooljaar 2021-2022 tot en met het schooljaar 2023-2024 wordt een lerarenplatform opgezet om tijdelijk aangestelde personeelsleden werkzekerheid te bieden.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 153quinquiesdecies
1Alle scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs die deel uitmaken van een samenwerkingsplatform kunnen deelnemen aan het pilootproject.1Alle scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs die deel uitmaken van een samenwerkingsplatform kunnen deelnemen aan het lerarenplatform.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 153sexiesdecies
2- de deelname aan het lerarenplatform;2- de deelname aan het lerarenplatform;
3- de criteria van aanstelling van de betrokken personeelsleden;3- de criteria van aanstelling van de betrokken personeelsleden;
4- de criteria van inzetbaarheid van de betrokken personeelsleden in pedagogisch zinvolle taken;
4- de criteria om de betrokken personeelsleden taken te laten vervullen voor het wegwerken van de leerachterstand of niet-reguliere vervangingen te laten doen;
5- de inzetbaarheid in de verschillende scholengemeenschappen indien het samenwerkingsplatform bestaat uit meerdere scholengemeenschappen of in de scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap.5- de inzetbaarheid in de verschillende scholengemeenschappen indien het samenwerkingsplatform bestaat uit meerdere scholengemeenschappen of in de scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 153septiesdecies
1Het aantal beschikbare voltijdse equivalenten bedraagt 2500 voor alle scholen van het basisonderwijs. Tijdens het schooljaar 2020-2021 bedraagt het aantal beschikbare voltijdse equivalenten uitzonderlijk 2291 voor alle scholen van het basisonderwijs. Indien niet alle scholen deelnemen wordt dit aantal proportioneel verminderd. De omzetting van voltijds equivalenten naar lestijden gebeurt door het aantal voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 23,79.1Het aantal beschikbare voltijdse equivalenten bedraagt 1621 voor alle scholen van het basisonderwijs. Indien niet alle scholen deelnemen wordt dit aantal proportioneel verminderd. De omzetting van voltijds equivalenten naar lestijden gebeurt door het aantal voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 23,77.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 153undevicies
1De lestijden voor het lerarenplatform worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsplatform. Deze lestijden kunnen niet worden overgedragen naar het volgende schooljaar of naar een ander samenwerkingsplatform.1De lestijden voor het lerarenplatform worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsplatform. Deze lestijden kunnen niet worden overgedragen naar het volgende schooljaar of naar een ander samenwerkingsplatform.
2Het personeelslid in het lerarenplatform krijgt een aanstelling die ten vroegste aanvangt op 1 oktober en uiterlijk eindigt op het einde van het schooljaar. Tijdens het schooljaar 2020-2021 kan deze aanstelling al ten vroegste aanvangen op 1 september. De aanstelling is alleen mogelijk in een wervingsambt van het onderwijzend personeel.2Het personeelslid in het lerarenplatform krijgt een aanstelling die ten vroegste aanvangt op 1 september en uiterlijk eindigt op het einde van het schooljaar. De aanstelling is alleen mogelijk in een wervingsambt van het onderwijzend personeel.
3De decreten Rechtspositie zijn van toepassing voor wat betreft de tijdelijke aanstelling, maar de betrekking komt niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren, muteren, reaffecteren of wedertewerkstellen in deze betrekkingen.3De decreten Rechtspositie zijn van toepassing voor wat betreft de tijdelijke aanstelling, maar de betrekking komt niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren, muteren, reaffecteren of wedertewerkstellen in deze betrekkingen.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 153viciesbis
1Als het personeelslid niet kan worden ingezet voor reguliere vervangingen, wordt het op basis van zijn bekwaamheidsbewijs ingezet in zinvolle pedagogische taken .1Als het personeelslid niet kan worden ingezet voor reguliere vervangingen, vervult het taken voor het wegwerken van de leerachterstand of doet het een niet-reguliere vervanging.
+2 −2 decreet-1997-02-25/art. 153viciester
1De personeelsleden aangesteld in het lerarenplatform moeten op het niveau van het samenwerkingsplatform samen een inzetbaarheidspercentage van 85 procent bereiken.1De personeelsleden aangesteld in het lerarenplatform moeten op het niveau van het samenwerkingsplatform samen een inzetbaarheidspercentage van 80 procent bereiken.
2Als het bereikte inzetbaarheidspercentage op positieve of negatieve wijze afwijkt van dit vooropgesteld percentage, zal dit verschil - op positieve of negatieve wijze - worden verrekend op de middelen lerarenplatform die in voorkomend geval in het daarop volgend schooljaar worden toegekend aan het samenwerkingsplatform. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage lager lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lestijden dat wordt toegekend aan een samenwerkingsplatform verminderd met het aantal lestijden dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage hoger lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lestijden vermeerderd met het aantal lestijden dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken.2Als het bereikte inzetbaarheidspercentage op negatieve wijze afwijkt van dit vooropgesteld percentage, zal dit verschil - op negatieve wijze - worden verrekend op de middelen lerarenplatform die in voorkomend geval in het daarop volgend schooljaar worden toegekend aan het samenwerkingsplatform. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage lager lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lestijden dat wordt toegekend aan een samenwerkingsplatform verminderd met het aantal lestijden dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 153viciesquater
1Het pilootproject lerarenplatform wordt opgevolgd en gemonitord in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners, met het oog op een mogelijke verdere implementatie van de maatregel.
1Het lerarenplatform wordt geëvalueerd tijdens het schooljaar 2022-2023 met het oog op eventuele bijsturingen.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 153viciesquinquies
1Deze afdeling treedt in werking op 1 oktober 2018 en houdt op uitwerking te hebben op het einde van het schooljaar 2020-2021.1Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2021 en houdt op uitwerking te hebben op het einde van het schooljaar 2023-2024.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 83
82° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-2.82° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-2.
9De A-coëfficiënt wordt voor 100% in rekening gebracht.9De A-coëfficiënt wordt voor 100% in rekening gebracht.
10Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale werkingsbudget verminderd met 170.000 euro. Dit bedrag wordt over de academies gespreid a rato van het aantal toegekende lestijden zoals hierboven vermeld.10Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale werkingsbudget verminderd met 170.000 euro. Dit bedrag wordt over de academies gespreid a rato van het aantal toegekende werkingsmiddelen zoals hierboven vermeld.
+2 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 34/1 nieuw
1§ 1. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: een toekomstgerichte en veilige ICT-infrastructuur, speerpunt 2: een sterk ondersteunend en doeltreffend ICT-schoolbeleid, speerpunt 3: ICT-competente leerkrachten en lerarenopleiders en aangepaste digitale leermiddelen en speerpunt 4: een kennisen adviescentrum Digisprong ten dienste van het onderwijsveld binnen de maatregel VV 15 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Digisprong. Van achterstand naar voorsprong, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 11 december 2020 (VR 2020 1112 DOC.1425/2QUATER), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 375 miljoen euro bijkomende omkadering toekennen aan de scholen voor gewoon secundair onderwijs, scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroeps secundair onderwijs, centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat duaal leren en de leertijd betreft of, wat speerpunten 3 en 4 betreft, ter ondersteuning van deze scholen en centra. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
2§ 2. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: van achterstand naar voorsprong, speerpunt 2: versterking van leraren, lerarenopleiders en schoolleiders en speerpunt 3: bevorderen van het mentaal welzijn van leerlingen, scholieren en studenten binnen de maatregel VV 17 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Van kwetsbaar naar weerbaar, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 en 2), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 90 miljoen euro desgevallend aangevuld met middelen uit de provisie versterking onderwijs en/of de AGODI-provisie bijkomende omkadering toekennen aan de scholen voor gewoon secundair onderwijs, scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroeps secundair onderwijs, centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat duaal leren en de leertijd betreft. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
+2 −0 codex-secundair-onderwijs/art. 48/1 nieuw
1§ 1. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: een toekomstgerichte en veilige ICT-infrastructuur, speerpunt 2: een sterk ondersteunend en doeltreffend ICT-schoolbeleid, speerpunt 3: ICT-competente leerkrachten en lerarenopleiders en aangepaste digitale leermiddelen en speerpunt 4: een kennisen adviescentrum Digisprong ten dienste van het onderwijsveld binnen de maatregel VV 15 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Digisprong. Van achterstand naar voorsprong, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 11 december 2020 (VR 2020 1112 DOC.1425/2QUATER), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 375 miljoen euro bijkomende werkingsbudgetten of investeringsmiddelen toekennen aan de scholen voor gewoon secundair onderwijs, scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroeps secundair onderwijs, centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat duaal leren en de leertijd betreft of, wat speerpunten 3 en 4 betreft, ter ondersteuning van deze scholen en centra. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
2§ 2. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: van achterstand naar voorsprong, speerpunt 2: versterking van leraren, lerarenopleiders en schoolleiders en speerpunt 3: bevorderen van het mentaal welzijn van leerlingen, scholieren en studenten binnen de maatregel VV 17 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Van kwetsbaar naar weerbaar, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 en 2), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 90 miljoen euro desgevallend aangevuld met middelen uit de provisie versterking onderwijs en/of de AGODI-provisie bijkomende werkingsbudgetten of investeringsmiddelen toekennen aan de scholen voor gewoon secundair onderwijs, scholen voor buitengewoon secundair onder- wijs, centra voor deeltijds beroeps secundair onderwijs, centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat duaal leren en de leertijd betreft. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
+1 −0 decreet-2018-04-27/art. 16
17Binnen de beschikbare begrotingskredieten kent de Vlaamse Regering jaarlijks middelen toe voor de personeelsomkadering en het werkingsbudget van de netoverstijgende regionale ondersteuningscellen. Deze middelen worden berekend en toegekend per centrum zoals bepaald in artikel 41. Het centrum draagt vervolgens de middelen over aan de cel waartoe het behoort.17Binnen de beschikbare begrotingskredieten kent de Vlaamse Regering jaarlijks middelen toe voor de personeelsomkadering en het werkingsbudget van de netoverstijgende regionale ondersteuningscellen. Deze middelen worden berekend en toegekend per centrum zoals bepaald in artikel 41. Het centrum draagt vervolgens de middelen over aan de cel waartoe het behoort.
18Bij de doorlichting van een centrum wordt ook de netoverstijgende regionale ondersteuningscel waaraan het deelneemt betrokken.18Bij de doorlichting van een centrum wordt ook de netoverstijgende regionale ondersteuningscel waaraan het deelneemt betrokken.
19§ 2/1. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: van achterstand naar voorsprong en speerpunt 3: bevorderen van het mentaal welzijn van leerlingen, scholieren en studenten binnen de maatregel VV 17 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Van kwetsbaar naar weerbaar, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 en 2), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021- 2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 90 miljoen euro desgevallend aangevuld met middelen uit de provisie versterking onderwijs en/of de AGODI-provisie bijkomende omkadering, werkingsbudgetten of investeringsmiddelen toekennen aan de netoverstijgende regionale ondersteuningscellen. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
19§ 3. De centra maken netoverstijgend afspraken om onafhankelijke bemiddeling mogelijk te maken voor leerlingen of ouders over het ondersteuningsaanbod in functie van de leerling met specifieke onderwijsbehoeften.20§ 3. De centra maken netoverstijgend afspraken om onafhankelijke bemiddeling mogelijk te maken voor leerlingen of ouders over het ondersteuningsaanbod in functie van de leerling met specifieke onderwijsbehoeften.
20De bemiddeling wordt ingezet op verzoek van leerlingen of ouders als ze klachten hebben over:21De bemiddeling wordt ingezet op verzoek van leerlingen of ouders als ze klachten hebben over:
+1 −0 decreet-2018-04-27/art. 32/1 nieuw
1Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: van achterstand naar voorsprong en speerpunt 3: bevorderen van het mentaal welzijn van leerlingen, scholieren en studenten binnen de maatregel VV 17 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Van kwetsbaar naar weerbaar, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 en 2), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 90 miljoen euro desgevallend aangevuld met middelen uit de provisie versterking onderwijs en/of de AGODI-provisie bijkomende werkingsbudgetten of investeringsmiddelen toekennen aan de centra. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
+1 −0 decreet-2018-04-27/art. 41/2 nieuw
1Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: van achterstand naar voorsprong en speerpunt 3: bevorderen van het mentaal welzijn van leerlingen, scholieren en studenten binnen de maatregel VV 17 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Van kwetsbaar naar weerbaar, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 en 2), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare enveloppe van 90 miljoen euro bijkomende omkadering toekennen aan de centra. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd