§ flandrepo

Decreet tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 en het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, wat betreft de afstemming op het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid

Staatsblad 15 mei 2019 NUMAC 2019012255
64 artikels gewijzigd
+3 −2 decreet-1997-02-25/art. 3
10552° schoolopdracht van het personeel: het geheel van taken die een personeelslid in schoolverband uitvoert;10552° schoolopdracht van het personeel: het geheel van taken die een personeelslid in schoolverband uitvoert;
10652° bis scholengemeenschap basisonderwijs: is een samenwerkingsverband dat beantwoordt aan de criteria van de artikelen 125sexies tot en met 125octies;10652° bis scholengemeenschap basisonderwijs: is een samenwerkingsverband dat beantwoordt aan de criteria van de artikelen 125sexies tot en met 125octies;
10752° bis/1 selectieve participatietoeslagen leerling: de selectieve participatietoeslagen, zoals opgenomen in boek 2, deel 2, titel 1, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;
10752° bis/1SES-lestijden : lestijden, toegekend op basis van de socio-economische status van leerlingen in het gewoon basisonderwijs die gevat wordt door leerlingkenmerken;10852° bis/1/1 SES-lestijden : lestijden, toegekend op basis van de socio-economische status van leerlingen in het gewoon basisonderwijs die gevat wordt door leerlingkenmerken;
10852° bis/1/1 systematisch contact: een periodiek contact waarop de leerling en het centrum voor leerlingenbegeleiding in persoon samenzitten en er een uniform aanbod voor populaties of doelgroepen wordt voorzien ter uitvoering van het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg;10952° bis/1/2 systematisch contact: een periodiek contact waarop de leerling en het centrum voor leerlingenbegeleiding in persoon samenzitten en er een uniform aanbod voor populaties of doelgroepen wordt voorzien ter uitvoering van het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg;
10952° bis/2 thuisloze : de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezin verband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten die gefinancierd of gesubsidieerd worden door het Departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse Gemeenschap of de leerling is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling als vermeld in artikel 479 van de programmawet I van 24 december 2002;11052° bis/2 thuisloze : de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezin verband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten die gefinancierd of gesubsidieerd worden door het Departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse Gemeenschap of de leerling is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling als vermeld in artikel 479 van de programmawet I van 24 december 2002;
11052° ter trekkende bevolking: binnenschippers, kermis- en circusexploitanten en -artiesten en woonwagenbewoners, bedoeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden;11152° ter trekkende bevolking: binnenschippers, kermis- en circusexploitanten en -artiesten en woonwagenbewoners, bedoeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden;
+3 −2 decreet-1997-02-25/art. 37septies
20§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan een schoolbestuur voor één of meer van zijn scholen voor buitengewoon onderwijs gelegen in het werkingsgebied van een LOP twee contingenten bepalen die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.20§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan een schoolbestuur voor één of meer van zijn scholen voor buitengewoon onderwijs gelegen in het werkingsgebied van een LOP twee contingenten bepalen die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.
21§ 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn:21§ 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn:
221° de leefeenheid als vermeld in artikel 5, 21°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of het gezin heeft een beperkt inkomen;221° het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen.
23Voor de schooljaren 2019-2020 en 2020-2021 komen eveneens in aanmerking voor voorrang: de leefeenheid ontving in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen. Met leefeenheid wordt bedoeld, een of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook een of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen of studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres;
232° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.242° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.
24§ 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.25§ 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.
25Voor de indicator, vermeld in § 3, 1°, gelden dan de inkomensgrenzen van de regeling inzake schooltoelagen als richtinggevend.26Voor de indicator, vermeld in § 3, 1°, gelden dan de inkomensgrenzen van de regeling inzake de selectieve participatietoeslagen leerling als richtinggevend.
+2 −1 decreet-1997-02-25/art. 78
21° leerlingenkenmerken :21° leerlingenkenmerken :
3a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingenkenmerk 1 te noemen;3a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingenkenmerk 1 te noemen;
4b) het krijgen van een schooltoelage : er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling, als vermeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap van 8 juni 2007 uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die in toepassing van voornoemd decreet, enkel omwille van ongewettigde afwezigheid of onvoldoende aanwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, eveneens meegerekend;4b) het krijgen van een selectieve participatietoeslag leerling: er wordt een selectieve participatietoeslag leerling uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die enkel door ongewettigde afwezigheid of onvoldoende aanwezigheid geen recht hadden op een selectieve participatietoeslag, ook meegerekend;
5c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingenkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd;5c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingenkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd;
6d) de leerling heeft zijn woonplaats in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd, hierna leerlingenkenmerk 4 te noemen. Onder schoolse vertraging wordt het aantal leerjaren vertraging verstaan die een leerling oploopt ten aanzien van het leerjaar waarin hij zich zou bevinden als hij normaal zou vorderen. Voor leerlingen woonachtig in het Vlaamse Gewest wordt onder « buurt » de statistische sector verstaan. De statistische sector is de territoriale basiseenheid zoals vastgelegd door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor leerlingen woonachtig in het Brussels Gewest wordt onder « buurt » de gemeente waar zij wonen verstaan;6d) de leerling heeft zijn woonplaats in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd, hierna leerlingenkenmerk 4 te noemen. Onder schoolse vertraging wordt het aantal leerjaren vertraging verstaan die een leerling oploopt ten aanzien van het leerjaar waarin hij zich zou bevinden als hij normaal zou vorderen. Voor leerlingen woonachtig in het Vlaamse Gewest wordt onder « buurt » de statistische sector verstaan. De statistische sector is de territoriale basiseenheid zoals vastgelegd door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor leerlingen woonachtig in het Brussels Gewest wordt onder « buurt » de gemeente waar zij wonen verstaan;
15h) het schoolbestuur organiseert, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, neutraal onderwijs, hierna voorafname 1 (V1) te noemen;15h) het schoolbestuur organiseert, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, neutraal onderwijs, hierna voorafname 1 (V1) te noemen;
16i) het schoolbestuur biedt, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde grondwet, de keuze aan tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, hierna voorafname 2 (V2) te noemen.16i) het schoolbestuur biedt, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde grondwet, de keuze aan tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, hierna voorafname 2 (V2) te noemen.
17In afwijking van het eerste lid, 1°, b), wordt voor het begrotingsjaar 2020 voor de scholen die tellen conform artikel 87, § 1, onder leerlingenkenmerk 2 begrepen, het krijgen van een schooltoelage: er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling, als vermeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die alleen door ongewettigde afwezigheid of onvoldoende aanwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, ook meegerekend;
17§ 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld :18§ 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld :
181° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging, is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een onderwijsinstelling, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd;191° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging, is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een onderwijsinstelling, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd;
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 133
1§ 1. Voor de toepassing van de subsecties 3, 4, 5 en 6 gelden de volgende leerlingkenmerken :1§ 1. Voor de toepassing van de subsecties 3, 4, 5 en 6 gelden de volgende leerlingkenmerken :
2a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingkenmerk 1 te noemen;2a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingkenmerk 1 te noemen;
3b) het krijgen van een schooltoelage : er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling, als vermeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die met toepassing van voornoemd decreet alleen door ongewettigde afwezigheid of onvoldoende aanwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, eveneens meegerekend;3b) het krijgen van een selectieve participatietoeslag leerling: er wordt een selectieve participatietoeslag leerling uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die alleen door ongewettigde afwezigheid of onvoldoende aanwezigheid geen recht op een selectieve participatietoeslag hadden, ook meegerekend;
4c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.4c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.
5§ 2. De regering bepaalt de wijze waarop de leerlingkenmerken worden vastgesteld en legt de procedure vast volgens welke de gegevens door het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming worden verzameld.5§ 2. De regering bepaalt de wijze waarop de leerlingkenmerken worden vastgesteld en legt de procedure vast volgens welke de gegevens door het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming worden verzameld.
+18 −11 codex-secundair-onderwijs/art. 3
143° basisoptie : een groep leervakken die in de eerste graad een bredere observatie en oriëntatie van de leerling mogelijk maakt;143° basisoptie : een groep leervakken die in de eerste graad een bredere observatie en oriëntatie van de leerling mogelijk maakt;
154° basisvorming : de vakken die aan elke leerling van een bepaald leerjaar zonder uitzondering dienen te worden onderwezen;154° basisvorming : de vakken die aan elke leerling van een bepaald leerjaar zonder uitzondering dienen te worden onderwezen;
165° beroepenveld : de combinatie van technische disciplines die onderwezen worden in het beroepsvoorbereidend leerjaar;
165° ...;
176° beroepsgerichte component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft één of meer beroepsopleidingen te realiseren;176° beroepsgerichte component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft één of meer beroepsopleidingen te realiseren;
186°/1 beroepskwalificatie: een beroepskwalificatie zoals gedefinieerd in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;
187° beroepsopleiding : een samenhangend geheel van beroepsgerichte opleidingsactiviteiten;197° beroepsopleiding : een samenhangend geheel van beroepsgerichte opleidingsactiviteiten;
198° bestuurspersoneel : de selectie- en bevorderingsambten van de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;208° bestuurspersoneel : de selectie- en bevorderingsambten van de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;
3413° doorstroomcomponent : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende voor te bereiden op de vereisten van vervolgonderwijs en/of -opleiding;3513° doorstroomcomponent : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende voor te bereiden op de vereisten van vervolgonderwijs en/of -opleiding;
3514° extra lesuren : een eenheid waarin de omkadering voor het voeren van een gelijke onderwijskansenbeleid in het buitengewoon secundair onderwijs uitgedrukt wordt;3614° extra lesuren : een eenheid waarin de omkadering voor het voeren van een gelijke onderwijskansenbeleid in het buitengewoon secundair onderwijs uitgedrukt wordt;
3714°/0 finaliteit: een begrip dat aangeeft waarop studierichtingen prioritair voorbereiden, namelijk op het hoger onderwijs, op de arbeidsmarkt of op beide;
3614°/1 gemeenschappelijk curriculum: de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven en de schoolgebonden planning voor het nastreven van de vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen;3814°/1 gemeenschappelijk curriculum: de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven en de schoolgebonden planning voor het nastreven van de vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen;
3714°/2 handelingsgericht advies: het centrum voor leerlingenbegeleiding geeft advies aan de leerling, de ouders of het schoolteam over keuzemogelijkheden en gedragsalternatieven of eventueel bepaalde hulp;3914°/2 handelingsgericht advies: het centrum voor leerlingenbegeleiding geeft advies aan de leerling, de ouders of het schoolteam over keuzemogelijkheden en gedragsalternatieven of eventueel bepaalde hulp;
6319° lokaal comité : het inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;6519° lokaal comité : het inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;
6419°/1 LOP : lokaal overlegplatform als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I;6619°/1 LOP : lokaal overlegplatform als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I;
6520° modulair stelsel : een onderwijssysteem waarin leerlingen door de overheid vastgestelde modules verwerven;
6621° module : het kleinste deel van een opleiding dat aanleiding geeft tot een certificaat op basis van eindtermen vastgelegd door de Vlaamse overheid;
6720° ...
6821° ...
6722° ...6922° ...
6823° ...7023° ...
6924° ondersteunend personeel : de ambten van de personeelscategorie van het ondersteunend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;7124° ondersteunend personeel : de ambten van de personeelscategorie van het ondersteunend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;
7024°/1 onderwijsinspectie : de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs of de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, voor zover belast met taken op het gebied van het secundair onderwijs;7224°/1 onderwijsinspectie : de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs of de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, voor zover belast met taken op het gebied van het secundair onderwijs;
7324°/1 onderwijskwalificatie: een onderwijskwalificatie als gedefinieerd in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;
7125° onderwijsnet :7425° onderwijsnet :
72- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;75- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;
7829° opleidingsprofiel : een geheel van vaardigheden, kennis en attitudes, geformuleerd als eindtermen, die binnen een opleiding verworven moeten worden;8129° opleidingsprofiel : een geheel van vaardigheden, kennis en attitudes, geformuleerd als eindtermen, die binnen een opleiding verworven moeten worden;
7930° opleidingsstructuur : het geheel van alle per studiegebied geordende opleidingen met bijhorende modules;8230° opleidingsstructuur : het geheel van alle per studiegebied geordende opleidingen met bijhorende modules;
8031° optie : -een leervak of een groep leervakken die, met uitzondering van de eerste graad, het karakteristieke van de opleiding bepalen en die bestaat uit het fundamenteel gedeelte dat de studierichting bepaalt en eventueel het complementair gedeelte;
81- voor het hoger beroepsonderwijs wordt onder optie, de opleiding verpleegkunde verstaan;8331° optie: de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs;
8232° ouders : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in recht of in feite de leerling onder hun bewaring hebben.8432° ouders : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in recht of in feite de leerling onder hun bewaring hebben.
83In het geval de leerling meerderjarig is, wordt onder dit begrip de meerderjarige leerling verstaan;85In het geval de leerling meerderjarig is, wordt onder dit begrip de meerderjarige leerling verstaan;
8433° overheveling : de overbrenging van een deel van het onderwijsaanbod van de ene naar de andere school, al dan niet op grond van onderlinge uitwisseling, in het kader van de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, eventueel onderbouwd door een lokaal structuurplan;
8633° ...
8733°/0 pakket: een of meerdere vakken waarmee de doelen van de overeenstemmende basisoptie worden gerealiseerd;
8533°/1 pedagogisch project : het geheel van de fundamentele uitgangspunten voor een school, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of, voor wat de opleiding in de leertijd betreft, een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, en haar werking;8833°/1 pedagogisch project : het geheel van de fundamentele uitgangspunten voor een school, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of, voor wat de opleiding in de leertijd betreft, een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, en haar werking;
8634° plage-uren : uren die zich situeren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren van de opdracht zoals bepaald in de onderwijsreglementering;8934° plage-uren : uren die zich situeren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren van de opdracht zoals bepaald in de onderwijsreglementering;
90b) hetzij de oprichting van een op 1 oktober van de twee voorafgaande schooljaren niet georganiseerd structuuronderdeel (dat niet onder toepassing van c) valt), met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Voor wat betreft een optie, georganiseerd als Se-n-Se, wordt evenwel 1 oktober en 1 maart van de twee voorafgaande schooljaren als datum vooropgesteld; De heroprichting van een structuuronderdeel na onderbreking ten gevolge van een tijdelijk project als bedoeld in het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, wordt evenwel niet als programmatie beschouwd;93b) hetzij de oprichting van een op 1 oktober van de twee voorafgaande schooljaren niet georganiseerd structuuronderdeel (dat niet onder toepassing van c) valt), met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Voor wat betreft een optie, georganiseerd als Se-n-Se, wordt evenwel 1 oktober en 1 maart van de twee voorafgaande schooljaren als datum vooropgesteld; De heroprichting van een structuuronderdeel na onderbreking ten gevolge van een tijdelijk project als bedoeld in het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, wordt evenwel niet als programmatie beschouwd;
91c) hetzij de oprichting van een op 1 oktober van de zes voorafgaande schooljaren niet georganiseerd structuuronderdeel met in de benaming de component « topsport », met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Opdat de heroprichting van een structuuronderdeel, conform deze definitie, niet als een programmatie wordt beschouwd, moet de betrokken school ten minste één sportdiscipline organiseren die eerder ook al aan die school werd toegewezen;94c) hetzij de oprichting van een op 1 oktober van de zes voorafgaande schooljaren niet georganiseerd structuuronderdeel met in de benaming de component « topsport », met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Opdat de heroprichting van een structuuronderdeel, conform deze definitie, niet als een programmatie wordt beschouwd, moet de betrokken school ten minste één sportdiscipline organiseren die eerder ook al aan die school werd toegewezen;
9236° project algemene vakken : de integratie van twee of meer leervakken in het eerste leerjaar B, het beroepsvoorbereidend leerjaar en het beroepssecundair onderwijs;
9536° ...
9336°/1 remediërende maatregelen: maatregelen waarbij de school effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het gemeenschappelijk curriculum;9636°/1 remediërende maatregelen: maatregelen waarbij de school effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het gemeenschappelijk curriculum;
9437° secundair onderwijs : het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs;9737° secundair onderwijs : het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
9837°/1 selectieve participatietoeslagen leerling: de selectieve participatietoeslagen, zoals opgenomen in boek 2, deel 2, titel 1, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;
9538° school : een autonome entiteit die voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs organiseert en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd en daartoe aan de hand van een uniek nummer wordt geïdentificeerd. Voor de toepassing van deel III, titel II, hoofdstuk 1/1, wordt onder school en school voor gewoon secundair onderwijs ook een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor wat de opleiding in de leertijd betreft ook een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen begrepen;9938° school : een autonome entiteit die voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs organiseert en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd en daartoe aan de hand van een uniek nummer wordt geïdentificeerd. Voor de toepassing van deel III, titel II, hoofdstuk 1/1, wordt onder school en school voor gewoon secundair onderwijs ook een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor wat de opleiding in de leertijd betreft ook een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen begrepen;
9639° scholengemeenschap : één school of een groep van scholen die binnen een geografische omschrijving gezamenlijk instaat voor de onderwijsvoorziening;10039° scholengemeenschap : één school of een groep van scholen die binnen een geografische omschrijving gezamenlijk instaat voor de onderwijsvoorziening;
9740° schoolbestuur: de rechtspersoon of natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor één of meer scholen; wat de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen betreft, kan het schoolbestuur ook worden vermeld onder de benaming centrumbestuur;10140° schoolbestuur: de rechtspersoon of natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor één of meer scholen; wat de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen betreft, kan het schoolbestuur ook worden vermeld onder de benaming centrumbestuur;
9840°/1 sociaal maatschappelijke training : een buitenschoolse training voor leerlingen van opleidingsvorm 1 met als doel ervaring op te doen met het oog op een zinvolle dagbesteding in het kader van wonen en vrije tijd, maar niet om beroepservaring op te doen gericht op latere betaalde of onbetaalde arbeid;10240°/1 sociaal maatschappelijke training : een buitenschoolse training voor leerlingen van opleidingsvorm 1 met als doel ervaring op te doen met het oog op een zinvolle dagbesteding in het kader van wonen en vrije tijd, maar niet om beroepservaring op te doen gericht op latere betaalde of onbetaalde arbeid;
9941° specifiek structuuronderdeel : een structuuronderdeel dat voorbereidt op zeer beperkte en sterk gespecialiseerde beroepen of beroepssectoren en/of dat om redenen van inhoudelijke validiteit slechts in beperkte mate aangeboden kan worden;
10042° structuuronderdeel : een onderverdeling in het onderwijsaanbod die gefinancierd of gesubsidieerd kan worden. Binnen de context van de overhevelingen wordt "structuuronderdeel" echter als een ruimer begrip gehanteerd vermits er ook een eerste graad en een studiegebied wordt onder verstaan;
10143° studiegebied : een groep van structuuronderdelen op basis van een inhoudelijke verwantschap en, in het technisch en beroepssecundair onderwijs, eveneens op basis van een behoefte aan eenzelfde onderwijsinfrastructuur en een uitweg naar eenzelfde beroepssector;
10341° ...
10442° structuuronderdeel: een onderverdeling in het onderwijsaanbod die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd kan worden;
10542°/1 studiedomein: een inhoudelijk samenhangend thematisch geheel van studierichtingen die van abstract tot praktisch geordend zijn;
10643° ...
10743°/0 studierichting: de combinatie van basisvorming, specifiek gedeelte en complementair gedeelte;
10243°/1 Syntra Vlaanderen: het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen";10843°/1 Syntra Vlaanderen: het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen";
10343°/1/1 systematisch contact: een periodiek contact waarop de leerling en het centrum voor leerlingenbegeleiding in persoon samenzitten en er een uniform aanbod voor populaties of doelgroepen wordt voorzien ter uitvoering van het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg;10943°/1/1 systematisch contact: een periodiek contact waarop de leerling en het centrum voor leerlingenbegeleiding in persoon samenzitten en er een uniform aanbod voor populaties of doelgroepen wordt voorzien ter uitvoering van het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg;
10544°/1 uitbreiding van zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school de maatregelen uit de fase van verhoogde zorg onverkort verderzet en het centrum voor leerlingenbegeleiding een proces van handelingsgerichte diagnostiek opstart. Het centrum voor leerlingenbegeleiding richt zich daarbij op een uitgebreide analyse van de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling en op de ondersteuningsbehoeften van de leerkracht(en) en ouders met het oog op het formuleren van adviezen voor het optimaliseren van het proces van afstemming van het onderwijs- en opvoedingsaanbod op de zorgvraag van de leerling. Het centrum voor leerlingenbegeleiding bepaalt in samenspraak met de school en de ouders welke bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise, hetzij ten aanzien van de school, de leerling, al dan niet in zijn context, wenselijk is alsook de omvang en de duur daarvan;11144°/1 uitbreiding van zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school de maatregelen uit de fase van verhoogde zorg onverkort verderzet en het centrum voor leerlingenbegeleiding een proces van handelingsgerichte diagnostiek opstart. Het centrum voor leerlingenbegeleiding richt zich daarbij op een uitgebreide analyse van de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling en op de ondersteuningsbehoeften van de leerkracht(en) en ouders met het oog op het formuleren van adviezen voor het optimaliseren van het proces van afstemming van het onderwijs- en opvoedingsaanbod op de zorgvraag van de leerling. Het centrum voor leerlingenbegeleiding bepaalt in samenspraak met de school en de ouders welke bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise, hetzij ten aanzien van de school, de leerling, al dan niet in zijn context, wenselijk is alsook de omvang en de duur daarvan;
10645° vacature : elke volledige of onvolledige betrekking die ofwel definitief vacant is ofwel tijdelijk vacant is voor een periode van ten minste tien werkdagen;11245° vacature : elke volledige of onvolledige betrekking die ofwel definitief vacant is ofwel tijdelijk vacant is voor een periode van ten minste tien werkdagen;
11345°/0 vakkencluster: een groep van twee of meer vakken die zijn vastgelegd in uitvoering van artikel 157/4;
10745°/1 verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school extra zorg voorziet onder de vorm van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, afgestemd op de specifieke onderwijsbehoeften van bepaalde leerlingen, en voorafgaand aan de fase van uitbreiding van zorg;11445°/1 verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school extra zorg voorziet onder de vorm van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, afgestemd op de specifieke onderwijsbehoeften van bepaalde leerlingen, en voorafgaand aan de fase van uitbreiding van zorg;
10846° vestigingsplaats : alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen die ingeplant zijn op eenzelfde kadastraal perceel of op aaneengesloten kadastrale percelen en die volledig of gedeeltelijk door personeelsleden van de betrokken school gebruikt worden voor onderwijsactiviteiten, met uitzondering van stages en buitenschoolse activiteiten.11546° vestigingsplaats : alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen die ingeplant zijn op eenzelfde kadastraal perceel of op aaneengesloten kadastrale percelen en die volledig of gedeeltelijk door personeelsleden van de betrokken school gebruikt worden voor onderwijsactiviteiten, met uitzondering van stages en buitenschoolse activiteiten.
10947° voltijds secundair onderwijs :11647° voltijds secundair onderwijs :
110- het onderwijs dat aan regelmatige leerlingen van het gewoon secundair onderwijs en van opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van ten minste 28 wekelijkse lesuren gedurende hetzij 40 weken per jaar hetzij 20 weken per jaar in die structuuronderdelen waarvoor de duurtijd in semesters wordt uitgedrukt en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;117- het onderwijs dat aan regelmatige leerlingen van het gewoon secundair onderwijs en van opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van ten minste 28 wekelijkse lesuren gedurende hetzij 40 weken per jaar hetzij 20 weken per jaar in die structuuronderdelen waarvoor de duurtijd in semesters wordt uitgedrukt;
111- het onderwijs dat aan regelmatige leerlingen van opleidingsvormen 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van ten minste 32 wekelijkse lesuren gedurende 40 weken per jaar en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;118- het onderwijs dat aan regelmatige leerlingen van opleidingsvormen 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van ten minste 32 wekelijkse lesuren gedurende 40 weken per jaar en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;
112- het onderwijs dat aan regelmatige cursisten van de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt verstrekt gedurende ten minste 36 wekelijkse lesuren en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;119- het onderwijs dat aan regelmatige cursisten van de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt verstrekt gedurende ten minste 36 wekelijkse lesuren en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 110/7
20§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan een schoolbestuur voor een of meer van zijn scholen voor buitengewoon secundair onderwijs gelegen in het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten bepalen die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.20§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan een schoolbestuur voor een of meer van zijn scholen voor buitengewoon secundair onderwijs gelegen in het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten bepalen die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.
21§ 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn:21§ 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn:
221° de leefeenheid, als vermeld in artikel 5, 21°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of het gezin heeft een beperkt inkomen;221° het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar, dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen.
23Voor de schooljaren 2019-2020 en 2020-2021 komen eveneens in aanmerking voor voorrang: de leefeenheid, ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of het gezin heeft een beperkt inkomen. Met leefeenheid wordt bedoeld, een of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook een of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen of studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres;
232° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.242° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.
24§ 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de in paragraaf 3 opgesomde indicatoren aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.25§ 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de in paragraaf 3 opgesomde indicatoren aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.
25Voor de indicator, vermeld in § 3, 1°, gelden de inkomensgrenzen van de regeling inzake schooltoelagen als richtinggevend.
+3 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 112
3715° de mededeling dat de school bij schoolverandering verplicht is een kopie van het eventueel gemotiveerd verslag, vermeld in artikel 352, en een kopie van het eventueel verslag, vermeld in artikel 294, § 2 tot en met § 10, over te dragen aan de nieuwe school;3715° de mededeling dat de school bij schoolverandering verplicht is een kopie van het eventueel gemotiveerd verslag, vermeld in artikel 352, en een kopie van het eventueel verslag, vermeld in artikel 294, § 2 tot en met § 10, over te dragen aan de nieuwe school;
3816° de contactgegevens van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs samenwerkt en de concrete afspraken over de dienstverlening van de leerlingenbegeleiding;3816° de contactgegevens van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs samenwerkt en de concrete afspraken over de dienstverlening van de leerlingenbegeleiding;
3917° de krachtlijnen inzake de visie en werking van de school of het centrum van deeltijds beroepssecundair onderwijs binnen het gevoerde beleid op leerlingenbegeleiding.3917° de krachtlijnen inzake de visie en werking van de school of het centrum van deeltijds beroepssecundair onderwijs binnen het gevoerde beleid op leerlingenbegeleiding;
4018° de vermelding dat de betrokken personen, in voorkomend geval, de school onmiddellijk op de hoogte brengen van het feit dat de medische toestand van de leerling die is ingeschreven in een opleiding waar voedingsmiddelen worden verwerkt, een risico inhoudt op (on)rechtstreekse verontreiniging van levensmiddelen, met als gevolg dat na beslissing van de school de leerling hetzij tijdelijk bepaalde programmaonderdelen niet mag volgen, hetzij de opleiding in zijn geheel niet langer mag volgen en naar een andere opleiding moet overstappen. Daarbij wordt eveneens vermeld dat de gegevens over de medische toestand worden verwerkt onder de verantwoordelijkheid van de schooldirecteur en dat de schooldirecteur en de personeelsleden van de school die deze gegevens over de medische toestand verwerken, gehouden zijn tot geheimhouding over deze gegevens.
40Met betrekking tot het positieve engagement van de betrokken personen ten aanzien van de onderwijstaal wordt alleszins vermeld dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren, maar kunnen andere bepalingen worden toegevoegd mits daarover een akkoord is bereikt in het bevoegde lokaal overlegplatform of, voor scholen en centra gelegen in een gemeente waar geen lokaal overlegplatform is opgericht, mits daarover een akkoord is bereikt met ten minste twee derde van de scholen en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.41Met betrekking tot het positieve engagement van de betrokken personen ten aanzien van de onderwijstaal wordt alleszins vermeld dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren, maar kunnen andere bepalingen worden toegevoegd mits daarover een akkoord is bereikt in het bevoegde lokaal overlegplatform of, voor scholen en centra gelegen in een gemeente waar geen lokaal overlegplatform is opgericht, mits daarover een akkoord is bereikt met ten minste twee derde van de scholen en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.
41Met betrekking tot regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid wordt gewezen op de koppeling aan schooltoelagen en de mogelijkheid tot niet-toekenning of terugvordering ervan. Met betrekking tot regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid wordt bovendien in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd ook vermeld dat de betrokken personen het principe van het voltijds engagement moeten naleven, wat enerzijds impliceert dat de leerling de gekozen opleiding daadwerkelijk en regelmatig volgt, behalve in geval van gewettigde afwezigheid, en anderzijds dat de leerling bereid is zich onvoorwaardelijk te schikken naar alle mogelijke maatregelen die door het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen worden genomen om de component werkplekleren ononderbroken een zinvolle invulling te geven.42Met betrekking tot regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid wordt gewezen op de koppeling aan de selectieve participatietoeslagen leerling en de mogelijkheid tot niet-toekenning of terugvordering ervan. Met betrekking tot regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid wordt bovendien in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd ook vermeld dat de betrokken personen het principe van het voltijds engagement moeten naleven, wat enerzijds impliceert dat de leerling de gekozen opleiding daadwerkelijk en regelmatig volgt, behalve in geval van gewettigde afwezigheid, en anderzijds dat de leerling bereid is zich onvoorwaardelijk te schikken naar alle mogelijke maatregelen die door het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen worden genomen om de component werkplekleren ononderbroken een zinvolle invulling te geven.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 225
1§ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :1§ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :
21° het gezin ontvangt één of meerdere schooltoelagen zoals bedoeld in artikel 5, 34°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;
21° het gezin ontvangt één of meerdere selectieve participatietoeslagen leerling;
32° de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake de bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten gefinancierd of gesubsidieerd door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming of de leerling is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling als vermeld in artikel 479 van de programmawet I van 24 december 2002;32° de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake de bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten gefinancierd of gesubsidieerd door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming of de leerling is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling als vermeld in artikel 479 van de programmawet I van 24 december 2002;
43° de ouders behoren tot de trekkende bevolking;43° de ouders behoren tot de trekkende bevolking;
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 233
1§ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :1§ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :
21° het gezin ontvangt één of meerdere schooltoelage(n) zoals bedoeld in artikel 5, 34°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;
21° het gezin ontvangt één of meerdere selectieve participatietoeslagen leerling;
32° de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten gefinancierd of gesubsidieerd door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming of de leerling is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling als vermeld in artikel 479 van de programmawet I van 24 december 2002;32° de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten gefinancierd of gesubsidieerd door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming of de leerling is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling als vermeld in artikel 479 van de programmawet I van 24 december 2002;
43° de ouders behoren tot de trekkende bevolking;43° de ouders behoren tot de trekkende bevolking;
+2 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 242
21° leerlingenkenmerken :21° leerlingenkenmerken :
3a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingenkenmerk 1 te noemen;3a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingenkenmerk 1 te noemen;
4b) het krijgen van een schooltoelage : er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling, als vermeld in betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die in toepassing van voornoemd decreet enkel omwille van ongewettigde afwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, eveneens meegerekend;4b) het krijgen van een selectieve participatietoeslag leerling: er wordt een selectieve participatietoeslag leerling gegeven aan de leerling als vermeld in het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die alleen door ongewettigde afwezigheid geen recht op een selectieve participatietoeslag leerling hadden, ook meegerekend;
5c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingenkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd;5c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingenkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd;
6d) de leerling heeft zijn woonplaats in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd, hierna leerlingenkenmerk 4 te noemen. Onder schoolse vertraging wordt het aantal leerjaren vertraging verstaan die een leerling oploopt ten aanzien van het leerjaar waarin hij zich zou bevinden als hij normaal zou vorderen. Voor leerlingen woonachtig in het Vlaamse Gewest wordt onder « buurt » de statistische sector verstaan. De statistische sector is de territoriale basiseenheid zoals vastgelegd door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor leerlingen woonachtig in het Brussels Gewest wordt onder « buurt » de gemeente waar zij wonen verstaan;6d) de leerling heeft zijn woonplaats in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd, hierna leerlingenkenmerk 4 te noemen. Onder schoolse vertraging wordt het aantal leerjaren vertraging verstaan die een leerling oploopt ten aanzien van het leerjaar waarin hij zich zou bevinden als hij normaal zou vorderen. Voor leerlingen woonachtig in het Vlaamse Gewest wordt onder « buurt » de statistische sector verstaan. De statistische sector is de territoriale basiseenheid zoals vastgelegd door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor leerlingen woonachtig in het Brussels Gewest wordt onder « buurt » de gemeente waar zij wonen verstaan;
11d) de organisatie van neutraal onderwijs, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 1 (V1) te noemen;11d) de organisatie van neutraal onderwijs, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 1 (V1) te noemen;
12e) het aanbod van de keuze tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 2 (V2) te noemen.12e) het aanbod van de keuze tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 2 (V2) te noemen.
13In afwijking van het eerste lid, 1°, b), wordt voor het begrotingsjaar 2020 voor de scholen die tellen conform artikel 169, onder leerlingenkenmerk 2 begrepen, het krijgen van een schooltoelage: er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling als vermeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die alleen door ongewettigde afwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, ook meegerekend.
13§ 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld :14§ 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld :
141° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een school, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd;151° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een school, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd;
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. III.17
4§3. Naast de in de vorige paragraaf toegekende forfaitaire werkingsbudget ontvangen de gesubsidieerde internaten 2.915.000 euro bijkomend werkingsbudget.4§3. Naast de in de vorige paragraaf toegekende forfaitaire werkingsbudget ontvangen de gesubsidieerde internaten 2.915.000 euro bijkomend werkingsbudget.
5Dit bedrag wordt jaarlijks vermenigvuldigd met aanpassingscoëfficiënt A2, zoals bedoeld in het artikel III.18.5Dit bedrag wordt jaarlijks vermenigvuldigd met aanpassingscoëfficiënt A2, zoals bedoeld in het artikel III.18.
6Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het aantal interne leerlingen per internaat in het secundair onderwijs die in het voorafgaande schooljaar een studietoelage bekwamen.6Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het aantal interne leerlingen per internaat in het secundair onderwijs die in het voorafgaande schooljaar een selectieve participatietoeslag leerling bekwamen.
+13 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 27
1§ 1. Aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, wordt geen selectieve participatietoeslag kleuteronderwijs toegekend in een van de volgende gevallen:
21° in het schooljaar in kwestie is hij niet ingeschreven in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 26;
32° gedurende het schooljaar in kwestie en het daaraan voorafgaande schooljaar is hij niet voldoende aanwezig geweest.
4§ 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn als:
51° hij 150 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 3 jaar bereikt. In afwijking hiervan moet de leerling die pas na 31 december van hetzelfde schooljaar de leeftijd van 3 jaar bereikt, 100 halve schooldagen aanwezig zijn op school;
62° hij 185 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 4 jaar bereikt;
73° hij 250 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 5 jaar bereikt;
84° hij niet meer dan 29 halve schooldagen ongewettigd afwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 6 of 7 jaar bereikt.
9§ 3. Een kleuter wordt geacht een halve dag aanwezig te zijn als dit blijkt uit de registratie in het aanwezigheidsregister van de school.
10Een leerplichtige kleuter is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs.
11§ 4. In afwijking van paragraaf 3, bepaalt de Vlaamse Regering wanneer een leerling geacht wordt voldoende aanwezig te zijn, wanneer de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt.
12§ 5. In afwijking van paragraaf 2 en paragraaf 3, eerste lid, wordt een kleuter tijdens het betrokken schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn, indien een attest van een arts, een paramedicus als vermeld in het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de lijst van de paramedische beroepen, of een houder van een diploma in kinesitherapie als vermeld in artikel 21bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitvoering van de gezondheidsberoepen, voorgelegd wordt. Het attest bevat een verklaring dat de in een school ingeschreven kleuter tijdens het betrokken schooljaar niet of slechts onregelmatig naar school kan gaan. Het attest wordt door de aanvrager of de wettelijke vertegenwoordiger van de leerling bij wie de betrokken leerling zijn hoofdverblijfplaats heeft, teruggestuurd naar de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering.
13§ 6. In afwijking van paragraaf 3 worden halve dagen aanwezigheid in de rijdende kleuterschool zoals bepaald in artikel 168 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 beschouwd als aanwezigheid in de erkende school waar de leerling ingeschreven is.
+5 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 28
1§ 1. Om het recht op een selectieve participatietoeslag kleuteronderwijs vast te stellen, meldt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming aan het agentschap Opgroeien regie:
21° welke leerlingen op de laatste schooldag van juni in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 26, zijn ingeschreven;
32° welke leerlingen in het kleuteronderwijs gedurende het schooljaar in kwestie en het daaraan voorafgaande schooljaar niet voldoende aanwezig zijn geweest als vermeld in artikel 27, § 2 tot en met § 6.
4§ 2. Het agentschap Opgroeien regie meldt aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming het aantal kinderen dat selectieve participatietoeslagen kleuteronderwijs ontvangt.
5§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2, moeten worden meegedeeld.
+8 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 30
1§ 1. Aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, wordt geen selectieve participatietoeslag lager onderwijs toegekend in een van de volgende gevallen:
21° in het schooljaar in kwestie is hij niet ingeschreven in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 29;
32° hij is ongewettigd afwezig geweest of niet voldoende aanwezig geweest;
43° uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving in het lager onderwijs is hij niet opnieuw in het lager onderwijs ingeschreven.
5§ 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest en het daaraan voorafgaande schooljaar hetzij eveneens 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest, hetzij minder dan 250 halve schooldagen aanwezig is geweest indien de leerling toen nog niet onderworpen was aan de leerplicht maar wel ingeschreven was in een kleuterschool.
6§ 3. Een leerling in het lager onderwijs wordt geacht aanwezig te zijn als hij niet als ongewettigd afwezig is geregistreerd in het aanwezigheidsregister van de school.
7Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs.
8§ 4. In afwijking van paragraaf 2 bepaalt de Vlaamse Regering het aantal halve schooldagen dat een leerling maximaal per schooljaar ongewettigd afwezig mag zijn, wanneer de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs, georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt.
+6 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 31
1§ 1. Om het recht op een selectieve participatietoeslag lager onderwijs vast te stellen, meldt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming aan het agentschap Opgroeien regie:
21° welke leerlingen op de laatste schooldag van juni in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 29, zijn ingeschreven;
32° welke leerlingen in het lager onderwijs ongewettigd afwezig zijn geweest of niet voldoende aanwezig zijn geweest als vermeld in artikel 30, § 2 tot en met § 4;
43° welke leerlingen uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving in het lager onderwijs niet opnieuw zijn ingeschreven in het lager onderwijs.
5§ 2. Het agentschap Opgroeien regie meldt aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming het aantal kinderen dat selectieve participatietoeslagen lager onderwijs ontvangt.
6§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2, moeten worden meegedeeld.
+3 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 33
1§ 1. De selectieve participatietoeslag secundair onderwijs is meeneembaar voor rechthebbende leerlingen van het secundair onderwijs die in het buitenland of in een andere gemeenschap secundair onderwijs volgen, op voorwaarde dat er voor de in het buitenland of in een andere gemeenschap gevolgde studierichting of opleiding geen equivalente opleiding bestaat in een onderwijsinstelling of een centrum als vermeld in artikel 32, en op voorwaarde dat de onderwijsinstelling, de studierichting of de opleiding erkend is door de bevoegde overheid in de gemeenschap of het land in kwestie. Onder meeneembaarheid wordt verstaan, het krijgen van een selectieve participatietoeslag secundair onderwijs voor een studieprogramma of opleiding, gevolgd in een andere gemeenschap of in het buitenland.
2Artikel 34, 35, tweede lid, en 48, § 3 en § 6, zijn niet van toepassing op rechthebbende leerlingen die in het buitenland secundair onderwijs volgen.
3§ 2. Om te bepalen of er een equivalente opleiding bestaat als vermeld in paragraaf 1, baseert de uitbetalingsactor zich op het bindende advies van NARIC-Vlaanderen, vermeld in artikel 5, 26°, van het decreet van 8 juni 2007.
+10 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 34
1§ 1. Aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, wordt geen selectieve participatietoeslag secundair onderwijs toegekend in een van de volgende gevallen:
21° in het schooljaar in kwestie is hij niet ingeschreven in een onderwijsinstelling of centrum als vermeld in artikel 32;
32° hij is ongewettigd afwezig geweest;
43° uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving uit een instelling voor secundair onderwijs of uit de leertijd in een centrum zoals bedoeld in artikel 32 is hij niet opnieuw ingeschreven in een instelling voor secundair onderwijs of in de leertijd in een centrum zoals bedoeld in artikel 32.
5In afwijking van het eerste lid, 3°, behoudt de rechthebbende leerling in het secundair onderwijs die op 30 juni van het schooljaar in kwestie niet langer ingeschreven is in een instelling voor secundair onderwijs of een centrum zoals bedoeld in artikel 32, zijn toelage, op voorwaarde dat hij in de loop van dat schooljaar zijn kwalificatie behaalde.
6§ 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni, en als hij gedurende het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar in kwestie 30, al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni.
7§ 3. Een leerling in het secundair onderwijs en het deeltijds leerplichtonderwijs wordt geacht aanwezig te zijn wanneer deze tijdens de lessen of het werkplekleren daadwerkelijk aanwezig is of niet ongewettigd afwezig is.
8Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van leerlingen in het secundair onderwijs of in het stelsel van leren en werken.
9In afwijking van het tweede lid is een leerling die met een erkende leerovereenkomst of -verbintenis in het kader van de leertijd een opleiding volgt in een erkend en gesubsidieerd centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, onwettig afwezig wanneer deze problematisch afwezig is als vermeld in de uitvoeringsreglementering aangenomen door de Vlaamse Regering in het kader van de leertijd krachtens artikelen 58 en 59 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.
10§ 4. In afwijking van paragraaf 2, bepaalt de Vlaamse Regering het aantal halve schooldagen dat een leerling in het voltijds secundair onderwijs maximaal per schooljaar ongewettigd afwezig mag zijn, wanneer de onderwijsinstelling in kwestie overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, over een afwijkende uurregeling beschikt.
+7 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 36
1§ 1. Om het recht op en het bedrag van een selectieve participatietoeslag in het secundair onderwijs vast te stellen, meldt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming aan het agentschap Opgroeien regie:
21° welke leerlingen in welk structuuronderdeel zijn ingeschreven in een onderwijsinstelling of een centrum als vermeld in artikel 32;
32° de datum van inschrijving;
43° de datum van eventuele uitschrijving;
54° welke leerlingen ongewettigd afwezig zijn geweest als vermeld in artikel 34, § 2 tot en met § 4,.
6§ 2. Het agentschap Opgroeien regie meldt aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming het aantal kinderen dat selectieve participatietoeslagen secundair onderwijs ontvangt.
7§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2, moeten worden meegedeeld. De Vlaamse Regering bepaalt ook welke instellingen aan het agentschap Opgroeien regie moeten melden dat een leerling een interne leerling is en de wijze waarop ze dat moeten melden.
+25 −0 groeipakketdecreet-van-2018/art. 48
1§ 1. Bij de berekening van het bedrag van de selectieve participatietoeslag in het secundair onderwijs wordt eerst nagegaan of de rechthebbende leerling in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs zit, vervolgens of de rechthebbende leerling, vermeld in artikel 24, voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling, vermeld in artikel 38, vervolgens of de leerling in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs of beroepsonderwijs zit.
2§ 2. Voor gehuwde, zelfstandige of alleenstaande rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, in het voltijds secundair onderwijs is het bedrag van de volledige selectieve participatietoeslag gelijk aan 3.268,73 euro.
3De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt 712,98 euro.
4§ 3. Voor rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, in het derde leerjaar van de derde graad van het voltijds technisch secundair onderwijs en het voltijds beroepssecundair onderwijs bedraagt de volledige selectieve participatietoeslag:
51° 1.861,09 euro voor interne leerlingen;
62° 1.132,07 euro voor externe leerlingen.
7De uitzonderlijke selectieve participatietoeslag voor externe leerlingen bedraagt 1.329,23 euro.
8De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt:
91° 725,16 euro voor interne leerlingen;
102° 280,60 euro voor externe leerlingen.
11§ 4. Voor andere rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, in het voltijds secundair onderwijs dan de leerlingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, bedraagt de volledige selectieve participatietoeslag:
121° 1550,86 euro voor interne leerlingen;
132° 943,30 euro voor externe leerlingen.
14De uitzonderlijke selectieve participatietoeslag voor externe leerlingen bedraagt 1107,57 euro.
15De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt:
161° 604,31 euro voor interne leerlingen;
172° 233,75 euro voor externe leerlingen.
18§ 5. Voor rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, in stelsel leren en werken zoals bedoeld in het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap bedraagt een volledige selectieve participatietoeslag 537,45 euro.
19De uitzonderlijke selectieve participatietoeslag bedraagt 693,34 euro.
20De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt 196,55 euro.
21§ 6. Voor rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, ingeschreven in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, bedraagt de volledige selectieve participatietoeslag:
221° 3.640,66 euro voor interne leerlingen;
232° 1.212,27 euro voor externe leerlingen.
24De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt 829,80 euro.
25§ 7. Het uiteindelijke bedrag van de selectieve participatietoeslag wordt afgerond tot twee cijfers na de komma.
+1 −1 decreet-2007-06-08/art. 2
1Dit decreet regelt de studiefinanciering in het kleuteronderwijs, het leerplichtonderwijs en het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, via een stelsel van schooltoelagen in het kleuteronderwijs en het leerplichtonderwijs, en via een stelsel van studietoelagen in het hoger onderwijs.1Dit decreet regelt de studiefinanciering in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, via een stelsel van studietoelagen.
+1 −1 decreet-2007-06-08/art. 3
1Schooltoelagen en studietoelagen hebben tot doel een bijdrage te leveren aan de democratisering van het onderwijs door financiële drempels weg te werken.1Studietoelagen hebben tot doel een bijdrage te leveren aan de democratisering van het hoger onderwijs door financiële drempels weg te werken.
+1 −2 decreet-2007-06-08/art. 4
1De Vlaamse Regering verleent schooltoelagen aan minvermogende leerlingen in het kleuteronderwijs en het leerplichtonderwijs, overeenkomstig de regelen die bij en krachtens dit decreet zijn vastgesteld.
2De Vlaamse Regering verleent studietoelagen aan minvermogende studenten in het hoger onderwijs, overeenkomstig de regelen die bij en krachtens dit decreet zijn vastgesteld.1De Vlaamse Regering verleent studietoelagen aan minvermogende studenten in het hoger onderwijs, overeenkomstig de regelen die bij en krachtens dit decreet zijn vastgesteld.
3De schooltoelagen en studietoelagen mogen alleen worden gebruikt om de kosten te dekken voor het onderhoud van de rechthebbende en het door hem gevolgde onderwijs. Op deze toelagen mag geen beslag worden gelegd wegens schulden die de leerling, de student of hun wettelijke vertegenwoordiger hebben aangegaan en die geen verband houden met deze doeleinden.2De studietoelagen mogen alleen worden gebruikt om de kosten te dekken voor het onderhoud van de rechthebbende en het door hem gevolgde onderwijs. Op deze toelagen mag geen beslag worden gelegd wegens schulden die de student of zijn wettelijke vertegenwoordiger hebben aangegaan en die geen verband houden met deze doeleinden.
+16 −15 decreet-2007-06-08/art. 5
1In dit decreet wordt verstaan onder :1In dit decreet wordt verstaan onder :
21° aanvrager : een leerling, student of de wettelijke vertegenwoordiger bij wie de leerling of student op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie zijn hoofdverblijfplaats heeft, die een aanvraag voor een toelage indient;21° aanvrager : een student of de wettelijke vertegenwoordiger bij wie de student op 31 december van het academiejaar in kwestie zijn hoofdverblijfplaats heeft, die een aanvraag voor een toelage indient;
32° academiejaar : periode van één jaar die op zijn vroegst op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en die eindigt op de dag voor het begin van het volgende academiejaar. Als conform de vigerende wetgeving uitzonderlijk wordt afgeweken van de bovenvermelde definitie, wordt voor de aanvraag van een studietoelage de opleiding die begint na 31 december en eindigt na 30 september beschouwd als behorend tot het academiejaar, zoals hierboven bepaald, waarin de opleiding eindigt;32° academiejaar : periode van één jaar die op zijn vroegst op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en die eindigt op de dag voor het begin van het volgende academiejaar. Als conform de vigerende wetgeving uitzonderlijk wordt afgeweken van de bovenvermelde definitie, wordt voor de aanvraag van een studietoelage de opleiding die begint na 31 december en eindigt na 30 september beschouwd als behorend tot het academiejaar, zoals hierboven bepaald, waarin de opleiding eindigt;
43° ...43° ...
65° ...;65° ...;
76° buitenland : gebied buiten het grondgebied van het rijk;76° buitenland : gebied buiten het grondgebied van het rijk;
87° deeltijds leerplichtonderwijs : het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd, gesubsidieerd of erkend deeltijds secundair onderwijs dat aan een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling gevolgd wordt, evenals de vormingsprogramma's aan instellingen die door de Vlaamse Gemeenschap zijn erkend voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in toepassing van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;
87° ...;
98° afdeling Studietoelagen : de afdeling Studietoelagen van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming die verantwoordelijk is voor de studiefinanciering;98° afdeling Studietoelagen : de afdeling Studietoelagen van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming die verantwoordelijk is voor de studiefinanciering;
109° diplomacontract : begrip als vermeld in artikel I.3, 20°, van de Codex Hoger Onderwijs;109° diplomacontract : begrip als vermeld in artikel I.3, 20°, van de Codex Hoger Onderwijs;
119° bis diplomajaar : het academiejaar waarin een student zich met een diplomacontract inschrijft voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 21, § 1, en dat academiejaar voor die opleiding een diploma kan behalen of zijn schakel- of voorbereidingsprogramma kan voltooien.119° bis diplomajaar : het academiejaar waarin een student zich met een diplomacontract inschrijft voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 21, § 1, en dat academiejaar voor die opleiding een diploma kan behalen of zijn schakel- of voorbereidingsprogramma kan voltooien.
1210° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs : begrip, gedefinieerd conform hoofdstuk VII van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, zoals gewijzigd;
1311° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds of deeltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs : begrip, gedefinieerd overeenkomstig de artikel 13 tot en met artikel 15 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs;
1210° ...;
1311° ...;
1412° Europese Hogeronderwijsruimte : alle Europese landen en regio's die de Bolognaverklaring, Joint Declaration of the European Ministers of Education Convened in Bologna on the 19th of June 1999, hebben ondertekend, of die de Bolognaverklaring na die datum hebben onderschreven en die op een Bolognafollow-upconferentie van Europese ministers, bevoegd voor het hoger onderwijs, als lid van het Bolognaproces zijn aanvaard;1412° Europese Hogeronderwijsruimte : alle Europese landen en regio's die de Bolognaverklaring, Joint Declaration of the European Ministers of Education Convened in Bologna on the 19th of June 1999, hebben ondertekend, of die de Bolognaverklaring na die datum hebben onderschreven en die op een Bolognafollow-upconferentie van Europese ministers, bevoegd voor het hoger onderwijs, als lid van het Bolognaproces zijn aanvaard;
1513° fiscaal ten laste : ten laste volgens artikelen 136 tot en met 145 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen;1513° fiscaal ten laste : ten laste volgens artikelen 136 tot en met 145 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen;
23d) een schakelprogramma;23d) een schakelprogramma;
24e) het hoger beroepsonderwijs;24e) het hoger beroepsonderwijs;
25f) een lerarenopleiding als vermeld in artikel II.111 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
2517° hoofdverblijfplaats : begrip zoals, bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;2617° hoofdverblijfplaats : begrip zoals, bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
2618° kadastraal inkomen : het kadastraal inkomen overeenkomstig titel IX van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen;2718° kadastraal inkomen : het kadastraal inkomen overeenkomstig titel IX van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen;
2819°/1 kadastraal inkomen voor eigen beroepsdoeleinden : het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die voor eigen beroepsdoeleinden gebruikt worden, vermeld op het aanslagbiljet van de personenbelasting;2919°/1 kadastraal inkomen voor eigen beroepsdoeleinden : het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die voor eigen beroepsdoeleinden gebruikt worden, vermeld op het aanslagbiljet van de personenbelasting;
2920° kalenderjaar : periode van 1 januari tot en met 31 december;3020° kalenderjaar : periode van 1 januari tot en met 31 december;
3021° leefeenheid : één of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook één of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen of studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel één of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres;3121° leefeenheid : één of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook één of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel één of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres;
3122° leerling : de persoon, ingeschreven in het kleuteronderwijs of het leerplichtonderwijs;
3223° leerplichtonderwijs : het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd, gesubsidieerd of erkend voltijds lager onderwijs en voltijds of deeltijds secundair onderwijs dat aan een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling gevolgd wordt, evenals de vormingsprogramma's aan instellingen die door de Vlaamse Gemeenschap zijn erkend voor de vervulling van de leerplicht in toepassing van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;
3222° ...;
3323° ...;
3324° ...;3424° ...;
3425° meeneembaarheid van de toelage : het krijgen van een schooltoelage in het secundair onderwijs of een studietoelage in het hoger onderwijs voor een studieprogramma of opleiding, gevolgd in een andere gemeenschap of in het buitenland;3525° meeneembaarheid van de toelage : het krijgen van een studietoelage in het hoger onderwijs voor een studieprogramma of opleiding, gevolgd in een andere gemeenschap of in het buitenland;
3526° NARIC-Vlaanderen : het National Academic (& Professional) Recognition and Information Centre, opgericht bij de Vlaamse Gemeenschap;3626° NARIC-Vlaanderen : het National Academic (& Professional) Recognition and Information Centre, opgericht bij de Vlaamse Gemeenschap;
3627° niet-verwanten : natuurlijke personen die noch bloedverwanten zijn in de rechte opgaande en nederdalende lijn, of in de zijlijn tot de vierde graad, noch aanverwanten zijn in dezelfde lijn en dezelfde graad;3727° niet-verwanten : natuurlijke personen die noch bloedverwanten zijn in de rechte opgaande en nederdalende lijn, of in de zijlijn tot de vierde graad, noch aanverwanten zijn in dezelfde lijn en dezelfde graad;
3728° opgenomen studiepunten : deel van de opleiding, uitgedrukt in het totaal aantal studiepunten dat het omvat, waarvoor een student zich met een diplomacontract aan een hogeronderwijsinstelling heeft ingeschreven voor het volgen van een opleiding, zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1;3828° opgenomen studiepunten : deel van de opleiding, uitgedrukt in het totaal aantal studiepunten dat het omvat, waarvoor een student zich met een diplomacontract aan een hogeronderwijsinstelling heeft ingeschreven voor het volgen van een opleiding, zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1;
3829° opleidingsonderdeel : begrip als vermeld in artikel I.3, 49°, van de Codex Hoger Onderwijs;3929° opleidingsonderdeel : begrip als vermeld in artikel I.3, 49°, van de Codex Hoger Onderwijs;
3930° rechthebbende : de leerling en student die overeenkomstig dit decreet recht hebben op een schooltoelage of een studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap;4030° rechthebbende : de student die overeenkomstig dit decreet recht hebben op een studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap;
4031° schakelprogramma : begrip als vermeld in artikel I.3, 56°, van de Codex Hoger Onderwijs;4131° schakelprogramma : begrip als vermeld in artikel I.3, 56°, van de Codex Hoger Onderwijs;
4132° schooldag : een kalenderdag waarop de leerling dient deel te nemen aan onderwijsactiviteiten, die zowel uit lessen als uit werkplekleren kunnen bestaan;
4233° schooljaar : de periode die begint op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;
4334° schooltoelage : financiële middelen, toegekend door de Vlaamse Gemeenschap, aan minvermogende leerlingen in het kleuteronderwijs en het leerplichtonderwijs;
4232° ...;
4333° ...;
4434° ...;
4435° ...;4535° ...;
4536° student : de persoon, ingeschreven in een onderwijsinstelling voor hoger onderwijs;4636° student : de persoon, ingeschreven in een onderwijsinstelling voor hoger onderwijs;
4637° ...4737° ...
4738° studietoelage : financiële middelen, toegekend door de Vlaamse Gemeenschap, aan minvermogende studenten in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap;4838° studietoelage : financiële middelen, toegekend door de Vlaamse Gemeenschap, aan minvermogende studenten in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap;
4839° toelage : een schooltoelage of een studietoelage;4939° toelage : een studietoelage;
4940° uitschrijven : het vroegtijdig stopzetten van dat deel van de opleiding waarvoor de aanvrager, leerling of student zich voor het school- of academiejaar in kwestie heeft ingeschreven, op verzoek van de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger;5040° uitschrijven : het vroegtijdig stopzetten van dat deel van de opleiding waarvoor de aanvrager, student zich voor het academiejaar in kwestie heeft ingeschreven, op verzoek van de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
5041° verworven studiepunten : studiepunten waarvoor aan de student een creditbewijs werd verleend voor het met een diplomacontract volgen van een opleiding zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1;5141° verworven studiepunten : studiepunten waarvoor aan de student een creditbewijs werd verleend voor het met een diplomacontract volgen van een opleiding zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1;
5142° voltijds studietraject : een studietraject in het hoger onderwijs met een studieprogramma van zestig studiepunten;5242° voltijds studietraject : een studietraject in het hoger onderwijs met een studieprogramma van zestig studiepunten;
5243° voorbereidingsprogramma : begrip als vermeld in artikel I.3, 76°, van de Codex Hoger Onderwijs, dat niet gevolgd wordt in voorbereiding op een bachelor-na-bacheloropleiding of een master-na-masteropleiding;5343° voorbereidingsprogramma : begrip als vermeld in artikel I.3, 76°, van de Codex Hoger Onderwijs, dat niet gevolgd wordt in voorbereiding op een bachelor-na-bacheloropleiding of een master-na-masteropleiding;
5343°/1 voortgezette opleiding : een bachelor-na-bacheloropleiding, een master-na-masteropleiding, een doctoraat, een doctoraatsopleiding of een postgraduaatsopleiding;5443°/1 voortgezette opleiding : een bachelor-na-bacheloropleiding, een master-na-masteropleiding, een doctoraat, een doctoraatsopleiding of een postgraduaatsopleiding;
5444° werkplekleren : elke vorm van activiteit, naast de leercomponent, die samen met die leercomponent het voltijds engagement uitmaakt;
5544° ...;
5545° wettig verblijf : de situatie van de vreemdeling die toegelaten is om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven of die gemachtigd is zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, alsook de situatie van personen die als slachtoffer van mensenhandel of -smokkel of als niet-begeleide minderjarige door middel van een attest van immatriculatie gemachtigd zijn tot een verblijf in het Rijk van maximaal drie maanden.5645° wettig verblijf : de situatie van de vreemdeling die toegelaten is om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven of die gemachtigd is zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, alsook de situatie van personen die als slachtoffer van mensenhandel of -smokkel of als niet-begeleide minderjarige door middel van een attest van immatriculatie gemachtigd zijn tot een verblijf in het Rijk van maximaal drie maanden.
+2 −2 decreet-2007-06-08/art. 7
1Om de nationaliteit, hoofdverblijfplaats en de toestand van de leefeenheid te bepalen, wordt bij de toepassing van dit decreet rekening gehouden met de toestand op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie.1Om de nationaliteit, hoofdverblijfplaats en de toestand van de leefeenheid te bepalen, wordt bij de toepassing van dit decreet rekening gehouden met de toestand op 31 december van het academiejaar in kwestie.
2Om de pedagogische toestand te bepalen, wordt bij de toepassing van dit decreet rekening gehouden met de toestand op 30 juni van het school- of academiejaar in kwestie.2Om de pedagogische toestand te bepalen, wordt bij de toepassing van dit decreet rekening gehouden met de toestand op 30 juni van het academiejaar in kwestie.
+1 −1 decreet-2007-06-08/art. 8
1De afdeling Studietoelagen kan alle inlichtingen inwinnen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit decreet. De afdeling Studietoelagen kan eveneens gegevens uitwisselen met de voor studiefinanciering bevoegde overheden uit het buitenland, voor zover deze informatieuitwisseling noodzakelijk is voor de toepassing van de buitenlandse regelgeving en berust op een schriftelijk afsprakenkader tussen de betrokken overheidsdiensten, met inachtname van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens.1De afdeling Studietoelagen kan alle inlichtingen inwinnen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit decreet. De afdeling Studietoelagen kan eveneens gegevens uitwisselen met de voor studiefinanciering bevoegde overheden uit het buitenland, voor zover deze informatieuitwisseling noodzakelijk is voor de toepassing van de buitenlandse regelgeving en berust op een schriftelijk afsprakenkader tussen de betrokken overheidsdiensten, met inachtname van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens.
2De aanvrager, de persoon die de toelage ontvangt of de persoon die in het onderhoud van de leerling of student voorziet, moet de afdeling Studietoelagen op de hoogte brengen van nieuwe gegevens die relevant zijn voor de behandeling van het dossier.2De aanvrager, de persoon die de toelage ontvangt of de persoon die in het onderhoud van de student voorziet, moet de afdeling Studietoelagen op de hoogte brengen van nieuwe gegevens die relevant zijn voor de behandeling van het dossier.
+9 −9 decreet-2007-06-08/art. 9
1§ 1. Een toelage kan worden toegekend aan leerlingen of studenten met de Belgische nationaliteit.1§ 1. Een toelage kan worden toegekend aan studenten met de Belgische nationaliteit.
2§ 2. In afwijking van § 1, kan een toelage worden toegekend aan de volgende categorieën van leerlingen of studenten :2§ 2. In afwijking van § 1, kan een toelage worden toegekend aan de volgende categorieën van studenten :
31° kinderen van onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op basis van een arbeidsovereenkomst gedurende een periode van twee jaar en uiterlijk op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie minstens twaalf maanden minstens 32 uur per maand in België werken of hebben gewerkt en die zich kunnen beroepen op artikel 12 van Verordening (EEG) 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, en kinderen van onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die gedurende een periode van twee jaar en uiterlijk op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie in België andere werkzaamheden dan werkzaamheden in loondienst verrichten of hebben verricht op basis van een inschrijving in de Kruispuntbank voor Ondernemingen of in het handelsregister;31° kinderen van onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op basis van een arbeidsovereenkomst gedurende een periode van twee jaar en uiterlijk op 31 december van het academiejaar in kwestie minstens twaalf maanden minstens 32 uur per maand in België werken of hebben gewerkt en die zich kunnen beroepen op artikel 12 van Verordening (EEG) 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, en kinderen van onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die gedurende een periode van twee jaar en uiterlijk op 31 december van het academiejaar in kwestie in België andere werkzaamheden dan werkzaamheden in loondienst verrichten of hebben verricht op basis van een inschrijving in de Kruispuntbank voor Ondernemingen of in het handelsregister;
42° onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op basis van een arbeidsovereenkomst gedurende een periode van twee jaar, onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het school- of academiejaar in kwestie, minstens twaalf maanden minstens 32 uur per maand in België werken of hebben gewerkt en die zich kunnen beroepen op artikel 7 van Verordening (EEG) 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, en onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die gedurende een periode van twee jaar, onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het school- of academiejaar in kwestie, in België andere werkzaamheden dan werkzaamheden in loondienst verrichten of hebben verricht op basis van een inschrijving in de Kruispuntbank voor Ondernemingen;42° onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op basis van een arbeidsovereenkomst gedurende een periode van twee jaar, onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het academiejaar in kwestie, minstens twaalf maanden minstens 32 uur per maand in België werken of hebben gewerkt en die zich kunnen beroepen op artikel 7 van Verordening (EEG) 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, en onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die gedurende een periode van twee jaar, onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het academiejaar in kwestie, in België andere werkzaamheden dan werkzaamheden in loondienst verrichten of hebben verricht op basis van een inschrijving in de Kruispuntbank voor Ondernemingen;
53° onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gedurende de periode, onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het school- of academiejaar in kwestie, gedurende vijf jaar onafgebroken in België zijn, waarbij de termijn wordt bewezen door de inschrijving in het Rijksregister of door een gelijkwaardig attest, uit te reiken door het gemeentebestuur;53° onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gedurende de periode, onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het academiejaar in kwestie, gedurende vijf jaar onafgebroken in België zijn, waarbij de termijn wordt bewezen door de inschrijving in het Rijksregister of door een gelijkwaardig attest, uit te reiken door het gemeentebestuur;
64° leerlingen of studenten met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van onbeperkte duur in België, zoals bepaald bij de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;64° studenten met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van onbeperkte duur in België, zoals bepaald bij de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
75° slachtoffers van mensenhandel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;75° slachtoffers van mensenhandel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;
86° leerlingen of studenten met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten zijn tot een verblijf van bepaalde duur in België op basis van de artikelen 49, § 1, of 49/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;86° studenten met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten zijn tot een verblijf van bepaalde duur in België op basis van de artikelen 49, § 1, of 49/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
97° onderdanen van een land dat niet tot de Europese Economische Ruimte behoort die op 31 december van het betrokken school- of academiejaar gedurende een onafgebroken periode van minstens twaalf maanden wettig verblijven in België, en dit wettig verblijf niet verleend werd om in België hoger onderwijs te volgen of te werken, noch verleend werd in afwachting van een uitspraak in een asielprocedure om erkend te worden als vluchteling of als persoon die recht heeft op de subsidiaire bescherming, overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;97° onderdanen van een land dat niet tot de Europese Economische Ruimte behoort die op 31 december van het betrokken academiejaar gedurende een onafgebroken periode van minstens twaalf maanden wettig verblijven in België, en dit wettig verblijf niet verleend werd om in België hoger onderwijs te volgen of te werken, noch verleend werd in afwachting van een uitspraak in een asielprocedure om erkend te worden als vluchteling of als persoon die recht heeft op de subsidiaire bescherming, overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
108° personen die op basis van de artikelen 10, 10bis, 40bis of 40ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de toelating hebben gekregen om een persoon zoals bedoeld in § 1 of § 2, 1° tot en met 7°, van onderhavig artikel, of een persoon die op 31 december van het betrokken school- of academiejaar minstens twaalf maanden wettig verblijft in België om hoger onderwijs te volgen of te werken, te begeleiden of vervoegen.108° personen die op basis van de artikelen 10, 10bis, 40bis of 40ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de toelating hebben gekregen om een persoon zoals bedoeld in § 1 of § 2, 1° tot en met 7°, van onderhavig artikel, of een persoon die op 31 december van het betrokken academiejaar minstens twaalf maanden wettig verblijft in België om hoger onderwijs te volgen of te werken, te begeleiden of vervoegen.
11§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan een toelage worden toegekend aan een pleegkind of pleeggast als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, op voorwaarde dat het pleegkind of de pleeggast langer dan een jaar onafgebroken bij hetzelfde pleeggezin verblijft.11§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan een toelage worden toegekend aan een pleegkind of pleeggast als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, op voorwaarde dat het pleegkind of de pleeggast langer dan een jaar onafgebroken bij hetzelfde pleeggezin verblijft.
+0 −1 decreet-2007-06-08/art. 10 opgeheven
1Een schooltoelage kan worden toegekend aan de leerling die is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs.
+0 −1 decreet-2007-06-08/art. 11 opgeheven
1Een schooltoelage kan worden toegekend aan leerlingen in het basisonderwijs die gerechtigd zijn om dat onderwijs te volgen overeenkomstig het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.
+0 −8 decreet-2007-06-08/art. 12 opgeheven
1§ 1. Om het recht op een toelage voor leerlingen in het kleuteronderwijs vast te stellen, meldt de onderwijsinstelling in kwestie aan de afdeling Studietoelagen :
21° welke leerlingen zijn ingeschreven op de laatste schooldag van juni;
32° het aantal halve schooldagen dat de leerlingen aanwezig waren op school;
43° welke leerlingen die onderworpen zijn aan de leerplicht, dertig of meer al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig zijn geweest.
5§ 2. Om het recht op een toelage voor leerlingen in het lager onderwijs vast te stellen, meldt de onderwijsinstelling in kwestie aan de afdeling Studietoelagen :
61° welke leerlingen zijn ingeschreven op de laatste schooldag van juni;
72° welke leerlingen in het lager onderwijs dertig of meer al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig zijn geweest.
8§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in §§ 1 en 2, moeten worden meegedeeld.
+0 −13 decreet-2007-06-08/art. 13 opgeheven
1§ 1. Een leerling heeft geen recht op een schooltoelage voor het kleuteronderwijs als hij :
21° in het schooljaar in kwestie niet ingeschreven is in een onderwijsinstelling, als vermeld in artikel 10;
32° gedurende het schooljaar in kwestie en het daaraan voorafgaande schooljaar niet voldoende aanwezig is geweest.
4§ 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn als :
51° hij honderd vijftig halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van drie jaar bereikt. In afwijking hiervan moet de leerling die pas na 31 december van hetzelfde schooljaar de leeftijd van drie jaar bereikt, honderd halve schooldagen aanwezig zijn op school;
62° hij honderd vijfentachtig halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van vier jaar bereikt;
73° hij tweehonderd twintig halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van vijf jaar bereikt;
84° hij niet meer dan 29 halve schooldagen ongewettigd afwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van zes of zeven jaar bereikt.
9§ 3. Een kleuter wordt geacht een halve dag aanwezig te zijn als dit blijkt uit de registratie in het aanwezigheidsregister van de school.
10Een leerplichtige kleuter is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs.
11§ 4. In afwijking van § 3, bepaalt de Vlaamse Regering wanneer een leerling geacht wordt voldoende aanwezig te zijn, wanneer de onderwijsinstelling, vermeld in artikel 10, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie erkend gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt.
12§ 5. In afwijking van § 2 en § 3, eerste lid, wordt een kleuter tijdens het betrokken schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn, indien een attest van een arts, een paramedicus, vermeld in het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de lijst van de paramedische beroepen, of een houder van een diploma in kinesitherapie, vermeld in artikel 21bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitvoering van de gezondheidsberoepen, voorgelegd wordt. Het attest bevat een verklaring dat de in een school ingeschreven kleuter tijdens het betrokken schooljaar niet of slechts onregelmatig naar school kan gaan. Het attest wordt door de aanvragerof de wettelijke vertegenwoordiger van de leerling bij wie de betrokken leerling zijn hoofdverblijfplaats heeft, teruggestuurd naar de bevoegde afdeling Studietoelagen van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming.
13§ 6. In afwijking van § 3 worden halve dagen aanwezigheid in de rijdende kleuterschool zoals bepaald in artikel 168 van het decreet basisonderwijs beschouwd als aanwezigheid in de erkende school waar de leerling ingeschreven is.
+0 −6 decreet-2007-06-08/art. 14 opgeheven
1§ 1. Een leerling heeft geen recht op een schooltoelage voor het lager onderwijs als hij :
21° in het schooljaar in kwestie niet ingeschreven is in een onderwijsinstelling, als vermeld in artikel 10;
32° gedurende het schooljaar in kwestie dertig al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest en het daaraan voorafgaande schooljaar hetzij eveneens dertig al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest, hetzij minder dan tweehonderd twintig halve schooldagen aanwezig is geweest indien de leerling toen nog niet onderworpen was aan de leerplicht maar wel ingeschreven was in een kleuterschool.
4§ 2. Een leerling in het lager onderwijs wordt geacht aanwezig te zijn als hij niet als ongewettigd afwezig is geregistreerd in het aanwezigheidsregister van de school.
5Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs.
6§ 3. In afwijking van § 1, 2°, bepaalt de Vlaamse Regering het aantal halve schooldagen dat een leerling maximaal per schooljaar ongewettigd afwezig mag zijn, wanneer de onderwijsinstelling, vermeld in artikel 10, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt.
+0 −2 decreet-2007-06-08/art. 15 opgeheven
1§ 1. Een schooltoelage voor het voltijds secundair onderwijs kan worden toegekend aan de leerling die is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs.
2§ 2. Een schooltoelage voor het deeltijdse leerplichtonderwijs kan worden toegekend aan de leerling die is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling voor deeltijds secundair onderwijs of in een door de Vlaamse Regering erkende instelling voor vormingsprogramma's die zijn erkend voor de vervulling van de leerplicht in toepassing van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.
+0 −8 decreet-2007-06-08/art. 16 opgeheven
1§ 1. Een leerling heeft geen recht op een schooltoelage voor het voltijds secundair onderwijs of het deeltijds leerplichtonderwijs als hij :
21° in het schooljaar in kwestie niet ingeschreven is in een onderwijsinstelling of instelling voor vormingsprogramma's, als vermeld in artikel 15;
3of
42° gedurende het schooljaar in kwestie dertig al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de onderwijsinstelling of de instelling voor vormingsprogramma's, vermeld in artikel 15, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni, en als hij gedurende het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar in kwestie dertig, al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de onderwijsinstelling of de instelling voor vormingsprogramma's, vermeld in artikel 15 of in artikel 10, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni.
5§ 2. Een leerling in het secundair onderwijs en het deeltijds leerplichtonderwijs wordt geacht aanwezig te zijn wanneer deze tijdens de lessen of het werkplekleren daadwerkelijk aanwezig is of niet ongewettigd afwezig is.
6Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van leerlingen in het secundair onderwijs.
7In afwijking van het tweede lid is een leerling die met een erkende leerovereenkomst of -verbintenis in het kader van de leertijd een opleiding volgt in een erkend en gesubsidieerd centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, onwettig afwezig wanneer deze problematisch afwezig is als vermeld in de uitvoeringsreglementering aangenomen door de Vlaamse Regering in het kader van de leertijd krachtens artikelen 58 en 59 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.
8§ 3. In afwijking van § 1, 2°, bepaalt de Vlaamse Regering het aantal halve schooldagen dat een leerling in het voltijds secundair onderwijs maximaal per schooljaar ongewettigd afwezig mag zijn, wanneer de onderwijsinstelling in kwestie overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, over een afwijkende uurregeling beschikt.
+0 −2 decreet-2007-06-08/art. 17 opgeheven
1Een leerling heeft recht op een schooltoelage voor het voltijds secundair onderwijs en het deeltijds leerplichtonderwijs tot en met het schooljaar waarin de betrokken leerling 22 jaar wordt.
2In afwijking van het eerste lid kan voor leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon secundair onderwijs , in de vierde graad van het voltijds secundair onderwijs en in de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, een schooltoelage worden toegekend zonder dat hierbij een leeftijdsbeperking geldt.
+0 −6 decreet-2007-06-08/art. 18 opgeheven
1§ 1. Om het recht op een toelage voor leerlingen in het voltijds secundair onderwijs of het deeltijds leerplichtonderwijs vast te stellen, meldt de onderwijsinstelling of de instelling voor vormingsprogramma's, zoals bedoeld in artikel 15, aan de afdeling Studietoelagen :
21° welke leerlingen zijn ingeschreven;
32° de datum van inschrijving;
43° de datum van eventuele uitschrijving;
54° welke leerlingen dertig of meer al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig zijn geweest tijdens de lessen en/of het werkplekleren in de periode van 1 september tot en met 30 juni. De werkgever van de leerling deelt hiertoe elke ongewettigde afwezigheid mee aan de onderwijsinstelling of de instelling voor vormingsprogramma's, zoals bedoeld in artikel 15.
6§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in § 1, moeten worden meegedeeld.
+0 −2 decreet-2007-06-08/art. 19 opgeheven
1Leerlingen die in het buitenland of in een andere gemeenschap secundair onderwijs volgen, komen in aanmerking voor een schooltoelage als er voor de in het buitenland of in een andere gemeenschap gevolgde studierichting of opleiding geen equivalente opleiding bestaat in een onderwijsinstelling of een instelling voor vormingsprogramma's, zoals bedoeld in artikel 15, en bovendien hetzij de onderwijsinstelling, hetzij de studierichting of opleiding erkend is door de bevoegde overheid in de gemeenschap of het land in kwestie.
2Artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 50, §§ 2 en 4, en artikel 66 zijn niet van toepassing op leerlingen die in het buitenland secundair onderwijs volgen.
+0 −1 decreet-2007-06-08/art. 19/1 opgeheven
1Voor het onderzoek of er een equivalente opleiding bestaat als vermeld in artikel 19, baseert de afdeling Studietoelagen zich op het advies van NARIc of op de informatie die NARIC ter beschikking stelt of op het advies van de betrokken overheid.
+1 −1 decreet-2007-06-08/art. 33
1Om te bepalen of een leerling of student in aanmerking komt voor een toelage, wordt uitgegaan van de leefeenheid van de betrokken leerling of student en het referentie-inkomen van zijn leefeenheid.1Om te bepalen of een student in aanmerking komt voor een toelage, wordt uitgegaan van de leefeenheid van de betrokken student en het referentie-inkomen van zijn leefeenheid.
2In afwijking van het eerste lid heeft een pleegkind of pleeggast als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg recht op een volledige toelage op voorwaarde dat het pleegkind of de pleeggast langer dan één jaar onafgebroken bij hetzelfde pleeggezin verblijft.2In afwijking van het eerste lid heeft een pleegkind of pleeggast als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg recht op een volledige toelage op voorwaarde dat het pleegkind of de pleeggast langer dan één jaar onafgebroken bij hetzelfde pleeggezin verblijft.
3Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 7, eerste lid van overeenkomstige toepassing.3Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 7, eerste lid van overeenkomstige toepassing.
+11 −11 decreet-2007-06-08/art. 34
1§ 1. Er wordt rekening gehouden met de volgende categorieën van leefeenheden :1§ 1. Er wordt rekening gehouden met de volgende categorieën van leefeenheden :
21° de leefeenheid waar de leerling of student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij één of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat;21° de leefeenheid waar de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij één of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat;
32° de leefeenheid waar de leerling of student ingevolge een gerechtelijke uitspraak of een tussenkomst van een publiekrechtelijke overheid of instelling zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een andere natuurlijke persoon dan de ouders van wie zijn afstamming vaststaat, of de leefeenheid waar de leerling of student minstens drie jaar zijn hoofdverblijfplaats heeft bij of zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een andere natuurlijke persoon dan een of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat;32° de leefeenheid waar de student ingevolge een gerechtelijke uitspraak of een tussenkomst van een publiekrechtelijke overheid of instelling zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een andere natuurlijke persoon dan de ouders van wie zijn afstamming vaststaat, of de leefeenheid waar de student minstens drie jaar zijn hoofdverblijfplaats heeft bij of zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een andere natuurlijke persoon dan een of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat;
43° gehuwde leerlingen of studenten;43° gehuwde studenten;
54° zelfstandige leerlingen of studenten;54° zelfstandige studenten;
65° alleenstaande leerlingen of studenten.65° alleenstaande studenten.
7§ 2. De bepaling van de categorie van de leefeenheid gebeurt voor elke leerling of student afzonderlijk.7§ 2. De bepaling van de categorie van de leefeenheid gebeurt voor elke student afzonderlijk.
8§ 3. De Vlaamse Regering geeft een nadere begripsomschrijving van de verschillende categorieën van leefeenheden op basis waarvan de toelage van de leerling of student wordt berekend, en bepaalt de persoon of personen van wie het referentie-inkomen in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de toelage.8§ 3. De Vlaamse Regering geeft een nadere begripsomschrijving van de verschillende categorieën van leefeenheden op basis waarvan de toelage van de student wordt berekend, en bepaalt de persoon of personen van wie het referentie-inkomen in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de toelage.
9§ 4. Bij het bepalen van de leefeenheid waartoe een leerling of student behoort, wordt eerst nagegaan of de leerling of student voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van gehuwde leerlingen of studenten, vermeld in § 1, 3°, zo niet of de leerling of student voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van zelfstandige leerlingen of studenten, vermeld in § 1, 4°, zo niet of de leerling of student voldoet aan de voorwaarden van de categorie van leefeenheid waar de leerling of student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij één of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat, vermeld in § 1, 1°, zo niet of de leerling of student voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van de leefeenheid waar de leerling of student verblijft bij een andere natuurlijke persoon, vermeld in § 1, 2°.9§ 4. Bij het bepalen van de leefeenheid waartoe een student behoort, wordt eerst nagegaan of de student voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van gehuwde studenten, vermeld in § 1, 3°, zo niet of de student voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van zelfstandige studenten, vermeld in § 1, 4°, zo niet of de student voldoet aan de voorwaarden van de categorie van leefeenheid waar de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij één of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat, vermeld in § 1, 1°, zo niet of de student voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van de leefeenheid waar de student verblijft bij een andere natuurlijke persoon, vermeld in § 1, 2°.
10Als wordt vastgesteld dat de leerling of student niet behoort tot een van de categorieën van leefeenheid, vermeld in § 1, 1°, 2°, 3° of 4°, wordt nagegaan of de leerling of student voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van alleenstaande leerling of student, vermeld in § 1, 5°.10Als wordt vastgesteld dat de student niet behoort tot een van de categorieën van leefeenheid, vermeld in § 1, 1°, 2°, 3° of 4°, wordt nagegaan of de student voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van alleenstaande student, vermeld in § 1, 5°.
11Als wordt vastgesteld dat de leerling of student niet behoort tot een van de categorieën van leefeenheden, vermeld in § 1, wordt de leerling of student beschouwd als een persoon die behoort tot de categorie van leefeenheid, vermeld in § 1, 1° of 2°, waarbij desgevallend wordt uitgegaan van de laatste hoofdverblijfplaats van de student of leerling bij een ouder van wie zijn afstamming vaststaat of bij een andere natuurlijke persoon, als vermeld in § 1, 2°.11Als wordt vastgesteld dat de student niet behoort tot een van de categorieën van leefeenheden, vermeld in § 1, wordt de student beschouwd als een persoon die behoort tot de categorie van leefeenheid, vermeld in § 1, 1° of 2°, waarbij desgevallend wordt uitgegaan van de laatste hoofdverblijfplaats van de student bij een ouder van wie zijn afstamming vaststaat of bij een andere natuurlijke persoon, als vermeld in § 1, 2°.
12§ 5. Als een leerling of student bij zijn aanvraag aangeeft dat hij behoort tot een leefeenheid als vermeld in § 1, 3°, 4° of 5°, maar overeenkomstig § 4 deel uitmaakt van een leefeenheid als vermeld in § 1, 1° of 2°, worden de gegevens over de inkomsten bij de toekenning of afwijzing van de aanvraag niet door de afdeling Studietoelagen meegedeeld aan de aanvrager.12§ 5. Als een student bij zijn aanvraag aangeeft dat hij behoort tot een leefeenheid als vermeld in § 1, 3°, 4° of 5°, maar overeenkomstig § 4 deel uitmaakt van een leefeenheid als vermeld in § 1, 1° of 2°, worden de gegevens over de inkomsten bij de toekenning of afwijzing van de aanvraag niet door de afdeling Studietoelagen meegedeeld aan de aanvrager.
+1 −1 decreet-2007-06-08/art. 36
1De leerling of student van wie het referentie-inkomen van de leefeenheid waartoe hij behoort de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, niet overschrijdt, wordt voor de toepassing van dit decreet beschouwd als rechthebbende op een toelage.1De student van wie het referentie-inkomen van de leefeenheid waartoe hij behoort de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, niet overschrijdt, wordt voor de toepassing van dit decreet beschouwd als rechthebbende op een toelage.
+1 −1 decreet-2007-06-08/art. 37
1De Vlaamse Regering bepaalt het in aanmerking te nemen kalenderjaar waarop het referentie-inkomen wordt bepaald, de uitzonderingen hierop als het inkomen van het kalenderjaar waarin het school- of academiejaar in kwestie begint vermoedelijk lager ligt dan het inkomen van het in aanmerking te nemen kalenderjaar of als de leerling of student pas na het in aanmerking te nemen kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden van de leefeenheid waartoe hij behoort, alsmede de attesten op basis waarvan het referentieinkomen wordt aangetoond.1De Vlaamse Regering bepaalt het in aanmerking te nemen kalenderjaar waarop het referentie-inkomen wordt bepaald, de uitzonderingen hierop als het inkomen van het kalenderjaar waarin het academiejaar in kwestie begint vermoedelijk lager ligt dan het inkomen van het in aanmerking te nemen kalenderjaar of als de student pas na het in aanmerking te nemen kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden van de leefeenheid waartoe hij behoort, alsmede de attesten op basis waarvan het referentieinkomen wordt aangetoond.
+4 −4 decreet-2007-06-08/art. 38
1Het kadastraal inkomen van de leefeenheid wordt gewogen om te bepalen of de leerling of student in aanmerking komt voor een toelage.1Het kadastraal inkomen van de leefeenheid wordt gewogen om te bepalen of de student in aanmerking komt voor een toelage.
2Indien het geïndexeerd kadastraal inkomen vreemd gebruik van de personen van wie het referentie-inkomen overeenkomstig artikel 34 als uitgangspunt wordt genomen voor de berekening van het referentie-inkomen hoger is dan 1250 euro, heeft een leerling of student geen recht op een toelage als het verdrievoudigd geïndexeerd kadastraal inkomen vreemd gebruik van de personen van wie het referentie-inkomen overeenkomstig artikel 34 als uitgangspunt wordt genomen voor de berekening van het referentie-inkomen hoger is dan twintig procent van het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, verminderd met tweemaal het geïndexeerd kadastraal inkomen vreemd gebruik en eenmaal het geïndexeerd kadastraal inkomen dat voor eigen beroepsdoeleinden wordt aangewend, vermeld in artikel 35, eerste lid, 4°.2Indien het geïndexeerd kadastraal inkomen vreemd gebruik van de personen van wie het referentie-inkomen overeenkomstig artikel 34 als uitgangspunt wordt genomen voor de berekening van het referentie-inkomen hoger is dan 1250 euro, heeft een student geen recht op een toelage als het verdrievoudigd geïndexeerd kadastraal inkomen vreemd gebruik van de personen van wie het referentie-inkomen overeenkomstig artikel 34 als uitgangspunt wordt genomen voor de berekening van het referentie-inkomen hoger is dan twintig procent van het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, verminderd met tweemaal het geïndexeerd kadastraal inkomen vreemd gebruik en eenmaal het geïndexeerd kadastraal inkomen dat voor eigen beroepsdoeleinden wordt aangewend, vermeld in artikel 35, eerste lid, 4°.
3Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het referentie-inkomen van de leefeenheid geheel of gedeeltelijk is samengesteld uit leefloon of het equivalent van leefloon, of voor minstens zeventig procent bestaat uit alimentatiegelden, vervangingsinkomsten, een overlevingspensioen of een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten.3Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het referentie-inkomen van de leefeenheid geheel of gedeeltelijk is samengesteld uit leefloon of het equivalent van leefloon, of voor minstens zeventig procent bestaat uit alimentatiegelden, vervangingsinkomsten, een overlevingspensioen of een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten.
4Het eerste en tweede lid zijn evenmin van toepassing op alleenstaande leerlingen en studenten, zoals bedoeld in artikel 34, § 1, 5°.4Het eerste en tweede lid zijn evenmin van toepassing op alleenstaande studenten, zoals bedoeld in artikel 34, § 1, 5°.
5De Vlaamse Regering bepaalt het in aanmerking te nemen kalenderjaar waarop het kadastraal inkomen wordt bepaald, de uitzonderingen hierop als het inkomen van het kalenderjaar waarin het school- of academiejaar in kwestie begint vermoedelijk lager ligt dan het inkomen van het in aanmerking te nemen kalenderjaar of als de leerling of student pas na het in aanmerking te nemen kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden van de leefeenheid waartoe hij behoort, alsmede de attesten op basis waarvan het kadastraal inkomen wordt aangetoond.5De Vlaamse Regering bepaalt het in aanmerking te nemen kalenderjaar waarop het kadastraal inkomen wordt bepaald, de uitzonderingen hierop als het inkomen van het kalenderjaar waarin het academiejaar in kwestie begint vermoedelijk lager ligt dan het inkomen van het in aanmerking te nemen kalenderjaar of als de student pas na het in aanmerking te nemen kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden van de leefeenheid waartoe hij behoort, alsmede de attesten op basis waarvan het kadastraal inkomen wordt aangetoond.
+4 −12 decreet-2007-06-08/art. 39
1§ 1. Een leerling of student heeft recht op een volledige toelage als het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, gelijk is aan of lager is dan de voor zijn leefeenheid in aanmerking te nemen minimuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.1§ 1. Een student heeft recht op een volledige toelage als het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, gelijk is aan of lager is dan de voor zijn leefeenheid in aanmerking te nemen minimuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.
2§ 2. Een leerling of student heeft geen recht op een toelage als het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, hoger is dan de voor zijn leefeenheid in aanmerking te nemen maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.2§ 2. Een student heeft geen recht op een toelage als het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, hoger is dan de voor zijn leefeenheid in aanmerking te nemen maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.
3§ 3. Als het in aanmerking te nemen referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, hoger is dan de mini-muminkomensgrens, vermeld in artikel 43, doch lager is dan de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, wordt een toelage verleend waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag van de volledige toelage, vermeld in artikel 49, eerste lid, artikel 50, of artikel 51, § 1, vermenigvuldigd met de coëfficiënt van de formule (maximuminkomensgrens min referentie-inkomen)/(maximuminkomensgrens min minimuminkomensgrens).3§ 3. Als het in aanmerking te nemen referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, hoger is dan de mini-muminkomensgrens, vermeld in artikel 43, doch lager is dan de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, wordt een toelage verleend waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag van de volledige toelage, vermeld in artikel 49, eerste lid, artikel 50, of artikel 51, § 1, vermenigvuldigd met de coëfficiënt van de formule (maximuminkomensgrens min referentie-inkomen)/(maximuminkomensgrens min minimuminkomensgrens).
4§ 4. De student ontvangt een uitzonderlijke toelage als het in aanmerking te nemen referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, gelijk is aan of lager is dan een tiende van de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, en als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden :4§ 4. De student ontvangt een uitzonderlijke toelage als het in aanmerking te nemen referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, gelijk is aan of lager is dan een tiende van de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, en als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden :
84° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit leefloon, toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of het equivalent van leefloon, toegekend in het raam van de wet van 2 april 1965;84° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit leefloon, toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of het equivalent van leefloon, toegekend in het raam van de wet van 2 april 1965;
95° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.95° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.
10§ 5. De leerling ontvangt een uitzonderlijke toelage als het in aanmerking te nemen referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, gelijk is aan of lager is dan een tiende van de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, en als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden :
111° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit vervangingsinkomsten;
122° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit alimentatiegelden;
133° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit leefloon, toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of het equivalent van leefloon, toegekend in het raam van de wet van 2 april 1965;
144° het referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.
15In afwijking van het eerste lid komt de leerling in het voltijds secundair onderwijs niet in aanmerking voor een uitzonderlijke toelage als hij aan een van volgende voorwaarden beantwoordt :
161° de leerling is intern, als vermeld in artikel 44, tweede lid;
172° de leerling zit in in het eerste of tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs of in de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs;
183° de leerling behoort tot een leefeenheid als vermeld in artikel 34, § 1, 3°, 4° en 5°.
10§ 5. ...
19§ 6. Een leerling of student heeft recht op de minimumtoelage als het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, gelijk is aan de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.11§ 6. Een student heeft recht op de minimumtoelage als het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, gelijk is aan de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.
+0 −1 decreet-2007-06-08/art. 40 opgeheven
1In afwijking van artikel 39 heeft een leerling in het kleuteronderwijs recht op een schooltoelage als het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, gelijk is aan of lager is dan de voor zijn leefeenheid in aanmerking te nemen maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.
+1 −1 decreet-2007-06-08/art. 41
1§ 1. Bij het vastleggen van de minimum- en maximuminkomensgrens wordt rekening gehouden met de volgende factoren :1§ 1. Bij het vastleggen van de minimum- en maximuminkomensgrens wordt rekening gehouden met de volgende factoren :
21° het aantal personen ten laste in de leefeenheid;21° het aantal personen ten laste in de leefeenheid;
32° het aantal studenten aanwezig in de leefeenheid die tijdens het school- of academiejaar in kwestie hoger onderwijs volgen;32° het aantal studenten aanwezig in de leefeenheid die tijdens het academiejaar in kwestie hoger onderwijs volgen;
43° het aantal personen aanwezig in de leefeenheid die fiscaal als gehandicapt worden aangemerkt.43° het aantal personen aanwezig in de leefeenheid die fiscaal als gehandicapt worden aangemerkt.
5§ 2. De waarde van elke factor wordt uitgedrukt in punten.5§ 2. De waarde van elke factor wordt uitgedrukt in punten.
+7 −7 decreet-2007-06-08/art. 42
1§ 1. De volgende personen en categorieën worden voor de berekening van de minimum- en maximuminkomensgrenzen gelijkgesteld met een punt :1§ 1. De volgende personen en categorieën worden voor de berekening van de minimum- en maximuminkomensgrenzen gelijkgesteld met een punt :
21° elke persoon in de leefeenheid die fiscaal ten laste is van de persoon of personen van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen;21° elke persoon in de leefeenheid die fiscaal ten laste is van de persoon of personen van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen;
32° elke leerling of student in de leefeenheid die niet meer fiscaal ten laste is van de persoon of personen van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen omdat hij bestaansmiddelen heeft gehad, op voorwaarde dat hij niet in aanmerking komt voor het statuut van gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling of student;32° elke student in de leefeenheid die niet meer fiscaal ten laste is van de persoon of personen van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen omdat hij bestaansmiddelen heeft gehad, op voorwaarde dat hij niet in aanmerking komt voor het statuut van gehuwde, zelfstandige of alleenstaande student;
43° elke persoon van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen, en die op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt;43° elke persoon van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen, en die op 31 december van het academiejaar in kwestie fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt;
54° de categorie van leefeenheid die valt onder het toepassingsgebied van artikel 34, § 1, 1°, 2° of 3°.54° de categorie van leefeenheid die valt onder het toepassingsgebied van artikel 34, § 1, 1°, 2° of 3°.
6De categorie van leefeenheid die valt onder het toepassingsgebied van artikel 34, § 1, 4° of 5°, levert een punt op, op voorwaarde dat het referentie-inkomen van de zelfstandige, respectievelijk alleenstaande leerling of student in aanmerking genomen kan worden voor de berekening van de toelage van de persoon, vermeld in § 1, 1° of 2°.6De categorie van leefeenheid die valt onder het toepassingsgebied van artikel 34, § 1, 4° of 5°, levert een punt op, op voorwaarde dat het referentie-inkomen van de zelfstandige, respectievelijk alleenstaande student in aanmerking genomen kan worden voor de berekening van de toelage van de persoon, vermeld in § 1, 1° of 2°.
7§ 2. In afwijking van § 1 wordt elke persoon die valt onder § 1, 1° of 2°, en die op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt, met twee punten gelijkgesteld.7§ 2. In afwijking van § 1 wordt elke persoon die valt onder § 1, 1° of 2°, en die op 31 december van het academiejaar in kwestie fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt, met twee punten gelijkgesteld.
8§ 3. Voor elke persoon die valt onder het toepassingsgebied van artikel 42, § 1, 1° of 2°, en die buiten de kandidaat hoger onderwijs volgt tijdens het school- of academiejaar in kwestie, wordt bij de aanvraag van een studietoelage hoger onderwijs één punt bijgeteld en worden bij de aanvraag van een school-toelage zo veel punten bijgeteld als er hogeronder-wijsstudenten aanwezig zijn in de leefeenheid, min een punt.8§ 3. Voor elke persoon die valt onder het toepassingsgebied van artikel 42, § 1, 1° of 2°, en die buiten de kandidaat hoger onderwijs volgt tijdens het academiejaar in kwestie, wordt bij de aanvraag van een studietoelage hoger onderwijs één punt bijgeteld en worden bij de aanvraag van een schooltoelage zo veel punten bijgeteld als er hogeronderwijsstudenten aanwezig zijn in de leefeenheid, min een punt.
9§ 4. Als er in de leefeenheid, vermeld in artikel 34, § 1, waarvan de leerling of student deel uitmaakt tevens één of meerdere niet-verwanten zijn, wordt er voor de berekening van de minimum- en de maximuminkomensgrenzen een punt afgetrokken, tenzij deze niet-verwanten niet beschikken over financiële middelen zoals vermeld in artikel 35, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 7°.9§ 4. Als er in de leefeenheid, vermeld in artikel 34, § 1, waarvan de student deel uitmaakt tevens één of meerdere niet-verwanten zijn, wordt er voor de berekening van de minimum- en de maximuminkomensgrenzen een punt afgetrokken, tenzij deze niet-verwanten niet beschikken over financiële middelen zoals vermeld in artikel 35, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 7°.
10§ 5. In afwijking van de §§ 1 tot en met 4, bedraagt het aantal punten van de leefeenheid waarvan de leerling of student deel uitmaakt nooit minder dan nul.10§ 5. In afwijking van de §§ 1 tot en met 4, bedraagt het aantal punten van de leefeenheid waarvan de student deel uitmaakt nooit minder dan nul.
11§ 6. ...11§ 6. ...
+1 −6 decreet-2007-06-08/art. 44
1Voor de berekening van het bedrag van de toelage in het voltijds secundair en hoger onderwijs wordt er een onderscheid gemaakt naargelang de leerling of student al dan niet in een internaat of op kamers verblijft.1Voor de berekening van het bedrag van de toelage in het hoger onderwijs wordt er een onderscheid gemaakt naargelang de student al dan niet op kamers verblijft.
2De volgende leerlingen worden beschouwd als interne leerlingen :
31° de leerling die gedurende het schooljaar in kwestie minstens vijf maanden verblijft in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd internaat;
42° de leerling die gedurende het schooljaar in kwestie een huurovereenkomst heeft gesloten voor minstens vijf maanden met betrekking tot een woonst die zich op een ander adres dan zijn hoofdverblijfplaats bevindt;
53° de leerling die in het buitenland een opleiding volgt;
64° de gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling.
7De volgende studenten worden beschouwd als kotstudenten :2De volgende studenten worden beschouwd als kotstudenten :
81° de student die zich overeenkomstig zijn diplomacontract heeft ingeschreven voor respectievelijk een volledig academiejaar of een semester en die een huurovereenkomst heeft gesloten voor respectievelijk minstens acht of vier maanden met betrekking tot een woonst die zich op een ander adres dan zijn hoofdverblijfplaats bevindt;31° de student die zich overeenkomstig zijn diplomacontract heeft ingeschreven voor respectievelijk een volledig academiejaar of een semester en die een huurovereenkomst heeft gesloten voor respectievelijk minstens acht of vier maanden met betrekking tot een woonst die zich op een ander adres dan zijn hoofdverblijfplaats bevindt;
+2 −2 decreet-2007-06-08/art. 46
1De bedragen, vermeld in artikelen 43, 48, 49, 50 en 51, worden jaarlijks voor de aanvang van het school- of academiejaar geïndexeerd op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen, vermeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.1De bedragen, vermeld in artikelen 43 en 51, worden jaarlijks voor de aanvang van het academiejaar geïndexeerd op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen, vermeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
2De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop die indexering wordt toegepast.2De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop die indexering wordt toegepast.
3De Vlaamse Regering onderzoekt minstens om de vijf jaar of de werkelijke kosten voor het onderhoud van de leerling en de student en het door hem gevolgde onderwijs aansluiten bij de uitgekeerde bedragen van de toelagen.3De Vlaamse Regering onderzoekt minstens om de vijf jaar of de werkelijke kosten voor het onderhoud van de student en het door hem gevolgde onderwijs aansluiten bij de uitgekeerde bedragen van de toelagen.
+1 −1 decreet-2007-06-08/art. 47
1Alle bedragen inzake inkomensgrenzen en toelagebedragen gelden voor een volledig school- of academiejaar, ongeacht het ogenblik waarop de betrokkene zijn aanvraag indient.1Alle bedragen inzake inkomensgrenzen en toelagebedragen gelden voor een volledig academiejaar, ongeacht het ogenblik waarop de betrokkene zijn aanvraag indient.
+0 −1 decreet-2007-06-08/art. 48 opgeheven
1Voor leerlingen in het kleuteronderwijs bedraagt de schooltoelage 80 euro.
+0 −4 decreet-2007-06-08/art. 49 opgeheven
1§ 1. Voor leerlingen in het lager onderwijs bedraagt een volledige schooltoelage 135 euro.
2De uitzonderlijke schooltoelage bedraagt voor leerlingen in het lager onderwijs 180 euro.
3De minimumschooltoelage bedraagt 90 euro.
4§ 2. Het uiteindelijke bedrag van de schooltoelage wordt afgerond tot twee cijfers na de komma.
+0 −25 decreet-2007-06-08/art. 50 opgeheven
1§ 1. Bij de berekening van het bedrag van de toelage in het voltijds secundair onderwijs wordt eerst nagegaan of de leerling in het eerste of tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs of in de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs zit, zo niet of hij voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling, vermeld in artikel 34, zo niet of de leerling in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs of beroepsonderwijs zit.
2§ 2. Voor leerlingen in het eerste of tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs of in de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs bedraagt de volledige schooltoelage :
31° 2683,03 euro voor interne leerlingen;
42° 714,32 euro voor externe leerlingen.
5De minimumschooltoelage voor externe en interne leerlingen bedraagt 595,10 euro.
6§ 3. Voor gehuwde, zelfstandige en alleenstaande leerlingen in het voltijds secundair onderwijs is het bedrag van de volledige toelage gelijk aan 2475,54 euro.
7De minimumschooltoelage bedraagt 493,83 euro.
8§ 4. Voor leerlingen in het derde leerjaar van de derde graad van het voltijds technisch secundair onderwijs en voltijds beroepssecundair onderwijs bedraagt de volledige schooltoelage :
91° 1187,49 euro voor interne leerlingen;
102° 595,67 euro voor externe leerlingen.
11De uitzonderlijke toelage bedraagt 753,23 euro.
12De minimumschooltoelage bedraagt :
131° 493,83 euro voor interne leerlingen;
142° 134,51 euro voor externe leerlingen.
15§ 5. Voor andere leerlingen in het voltijds secundair onderwijs dan de leerlingen vermeld in § 2 tot en met § 4, bedraagt de volledige schooltoelage :
161° 989,57 euro voor interne leerlingen;
172° 496,39 euro voor externe leerlingen.
18De uitzonderlijke toelage bedraagt 627,70 euro.
19De minimumschooltoelage bedraagt :
201° 411,52 euro voor interne leerlingen;
212° 112,09 euro voor externe leerlingen.
22§ 6. Voor leerlingen in het deeltijds leerplichtonderwijs, bedraagt de volledige schooltoelage 282,85 euro.
23De uitzonderlijke toelage bedraagt 392,85 euro.
24De minimumschooltoelage bedraagt 94,28 euro.
25§ 7. Het uiteindelijke bedrag van de schooltoelage wordt afgerond tot twee cijfers na de komma.
+2 −2 decreet-2007-06-08/art. 53
1De aanvraag voor een toelage wordt door de aanvrager bij de afdeling Studietoelagen ingediend vanaf 1 augustus en uiterlijk op 1 juni van het school- of academiejaar in kwestie.1De aanvraag voor een toelage wordt door de aanvrager bij de afdeling Studietoelagen ingediend vanaf 1 augustus en uiterlijk op 1 juni van het academiejaar in kwestie.
2De aanvraag die wordt ingediend na 1 juni van het school- of academiejaar in kwestie wordt niet meer behandeld.2De aanvraag die wordt ingediend na 1 juni van het academiejaar in kwestie wordt niet meer behandeld.
3De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de aanvraag voor een toelage moet worden ingediend.3De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de aanvraag voor een toelage moet worden ingediend.
+4 −4 decreet-2007-06-08/art. 53/1
1Voor de leerling of student die het voorgaande school- of academiejaar in aanmerking kwam voor een school- of studietoelage en waarvoor tijdens het lopende school- of academiejaar geen aanvraag werd ingediend, zal de afdeling Studietoelagen zelf het recht op een school- of studietoelage onderzoeken.1Voor de student die het voorgaande academiejaar in aanmerking kwam voor een school- of studietoelage en waarvoor tijdens het lopende academiejaar geen aanvraag werd ingediend, zal de afdeling Studietoelagen zelf het recht op een studietoelage onderzoeken.
2De afdeling Studietoelagen bepaalt de datum waarop het onderzoek, vermeld in het eerste lid, start. Het onderzoek kan ten vroegste op 1 augustus en uiterlijk op 1 meii van het lopende school- of academiejaar starten.2De afdeling Studietoelagen bepaalt de datum waarop het onderzoek, vermeld in het eerste lid, start. Het onderzoek kan ten vroegste op 1 augustus en uiterlijk op 1 meii van het lopende academiejaar starten.
3De afdeling Studietoelagen zal de start van het onderzoek melden aan de wettelijke vertegenwoordiger van de leerling of de student.3De afdeling Studietoelagen zal de start van het onderzoek melden aan de wettelijke vertegenwoordiger van de student.
4In afwijking van het eerste lid zal de afdeling Studietoelagen het onderzoek niet starten indien de wettelijke vertegenwoordiger van de leerling of de student dit weigert.4In afwijking van het eerste lid zal de afdeling Studietoelagen het onderzoek niet starten indien de wettelijke vertegenwoordiger van de student dit weigert.
5De wettelijke vertegenwoordiger van de leerling of de student reageert uiterlijk op 1 juni van het lopende schooljaar op de melding van de start van het onderzoek.5De wettelijke vertegenwoordiger van de leerling of de student reageert uiterlijk op 1 juni van het lopende schooljaar op de melding van de start van het onderzoek.
+2 −2 decreet-2007-06-08/art. 54
1Als een dossier voor de aanvraag van een toelage onvolledig werd ingediend, moeten de door de afdeling Studietoelagen gevraagde documenten op straffe van afsluiting zonder gevolg uiterlijk 31 december van het kalenderjaar waarin het school- of academiejaar in kwestie eindigt aan de afdeling Studietoelagen worden bezorgd, tenzij :1Als een dossier voor de aanvraag van een toelage onvolledig werd ingediend, moeten de door de afdeling Studietoelagen gevraagde documenten op straffe van afsluiting zonder gevolg uiterlijk 31 december van het kalenderjaar waarin het academiejaar in kwestie eindigt aan de afdeling Studietoelagen worden bezorgd, tenzij :
21° de in aanmerking te nemen inkomsten nog niet werden nagezien door de Federale Overheidsdienst Financiën;21° de in aanmerking te nemen inkomsten nog niet werden nagezien door de Federale Overheidsdienst Financiën;
32° een bezwaarschrift of een verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing van belasting werd ingediend overeenkomstig artikel 366 tot en met 376 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen, of een vordering voor de rechtbank werd ingeleid;32° een bezwaarschrift of een verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing van belasting werd ingediend overeenkomstig artikel 366 tot en met 376 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen, of een vordering voor de rechtbank werd ingeleid;
43° het een aanvraag betreft waarin de aanvrager deel uitmaakt van of aangeeft deel uit te maken van de leefeenheid, vermeld in artikel 34, § 1, 3°. In dit geval moeten de door de afdeling Studietoelagen gevraagde documenten op straffe van uitsluiting zonder gevolg uiterlijk 31 december van het kalenderjaar dat volgt op het einde van het school- of academiejaar in kwestie aan de afdeling Studietoelagen worden bezorgd.43° het een aanvraag betreft waarin de aanvrager deel uitmaakt van of aangeeft deel uit te maken van de leefeenheid, vermeld in artikel 34, § 1, 3°. In dit geval moeten de door de afdeling Studietoelagen gevraagde documenten op straffe van uitsluiting zonder gevolg uiterlijk 31 december van het kalenderjaar dat volgt op het einde van het academiejaar in kwestie aan de afdeling Studietoelagen worden bezorgd.
5In geval van de uitzonderingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, moeten de door de federale overheidsdienst Financiën in het kader van lid 1, nageziene inkomsten worden overgemaakt aan de afdeling Studietoelagen uiterlijk zes maanden na het verkrijgen ervan.5In geval van de uitzonderingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, moeten de door de federale overheidsdienst Financiën in het kader van lid 1, nageziene inkomsten worden overgemaakt aan de afdeling Studietoelagen uiterlijk zes maanden na het verkrijgen ervan.
+1 −1 decreet-2007-06-08/art. 55
1De toelage wordt op zijn vroegst uitbetaald vanaf de laatste maandag van augustus van het school- of academiejaar in kwestie.1De toelage wordt op zijn vroegst uitbetaald vanaf de laatste maandag van augustus van het academiejaar in kwestie.
+0 −2 decreet-2007-06-08/art. 56 opgeheven
1De toelage wordt uitbetaald op een rekening van de wettelijke vertegenwoordiger van de betrokken leerling bij wie de betrokken leerling op 31 december van het schooljaar in kwestie zijn hoofdverblijfplaats heeft, tenzij een meerderjarige leerling voorafgaand aan de uitbetaling van de toelage de afdeling Studietoelagen verzoekt de toelage uit te betalen op een andere rekening.
2De Vlaamse Regering kan gevallen bepalen waarin ter bescherming van de financiële belangen van de leerling kan worden afgeweken van het eerste lid.
+0 −4 decreet-2007-06-08/art. 56/1 opgeheven
1Als een voorschot op de studietoelage door een OCMW werd betaald aan de leerling, wordt dat bedrag op verzoek van het OCMW door de afdeling Studietoelagen terugbetaald aan het OCMW, voor zover de leerling recht heeft op een studietoelage.
2Dat bedrag kan, ongeacht het voorschot, nooit hoger zijn dan de studietoelage waarop de leerling recht heeft.
3Het eventuele positieve saldo ten voordele van de leerling wordt rechtstreeks aan de wettelijke vertegenwoordiger van de leerling die in de loop van het betrokken school- of academiejaar nog niet meerderjarig zal zijn, bij wie de betrokken leerling op 31 december van het schooljaar in kwestie zijn hoofdverblijfplaats heeft uitbetaald of rechtstreeks aan de meerderjarige leerling.
4Een OCMW kan de afdeling Studietoelagen verzoeken om het eerste lid tot en met het derde lid met betrekking tot de door haar betaalde voorschotten niet toe te passen.
+1 −1 decreet-2007-06-08/art. 59
1Als zich met betrekking tot de nationaliteitsvoorwaarde, de pedagogische voorwaarden of de financiële voorwaarden, vermeld in dit decreet, wijzigingen voordoen, kan de aanvrager tot zes maanden na de kennisname van de nieuwe feiten vragen aan de afdeling Studietoelagen om zijn dossier te herzien.1Als zich met betrekking tot de nationaliteitsvoorwaarde, de pedagogische voorwaarden of de financiële voorwaarden, vermeld in dit decreet, wijzigingen voordoen, kan de aanvrager tot zes maanden na de kennisname van de nieuwe feiten vragen aan de afdeling Studietoelagen om zijn dossier te herzien.
2De vraag tot herziening van een dossier, vermeld in het eerste lid, kan alleen betrekking hebben op het school- of academiejaar waarin de vraag gesteld werd, alsook op de vier school- of academiejaren die eraan voorafgaan.2De vraag tot herziening van een dossier, vermeld in het eerste lid, kan alleen betrekking hebben op het academiejaar waarin de vraag gesteld werd, alsook op de vier academiejaren die eraan voorafgaan.
+1 −1 decreet-2007-06-08/art. 60
32° als de toelage werd berekend op basis van een inkomen dat nog niet nagezien werd door de Federale Overheidsdienst Financiën en als nadien blijkt dat het vermoedelijke inkomen verschillend is van het nageziene inkomen;32° als de toelage werd berekend op basis van een inkomen dat nog niet nagezien werd door de Federale Overheidsdienst Financiën en als nadien blijkt dat het vermoedelijke inkomen verschillend is van het nageziene inkomen;
43° na de kennisneming van feiten waaruit blijkt dat een van de voorwaarden voor toekenning van een toelage niet was vervuld.43° na de kennisneming van feiten waaruit blijkt dat een van de voorwaarden voor toekenning van een toelage niet was vervuld.
5De herziening van een dossier kan alleen betrekking hebben op het school- of academiejaar waarin de afdeling Studietoelagen tot herziening beslist, alsook op de vier school- of academiejaren die eraan voorafgaan.5De herziening van een dossier kan alleen betrekking hebben op het academiejaar waarin de afdeling Studietoelagen tot herziening beslist, alsook op de vier academiejaren die eraan voorafgaan.
+0 −1 decreet-2007-06-08/art. 66 opgeheven
1In geval van uitschrijving in het lager onderwijs, het secundair onderwijs of in het deeltijds leerplichtonderwijs, wordt de toelage integraal teruggevorderd als de betrokken leerling uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving niet opnieuw is ingeschreven in het lager onderwijs, het secundair onderwijs of in het deeltijds leerplichtonderwijs, zoals bedoeld in artikel 10 en artikel 15, §§ 1 en 2.
+0 −1 decreet-2007-06-08/art. 66/1 opgeheven
1In afwijking van artikel 66, behoudt de leerling in het secundair onderwijs die op 30 juni van het schooljaar in kwestie niet langer ingeschreven is zijn toelage, op voorwaarde dat de leerling in de loop van dat schooljaar zijn opleiding reeds voltooid had.
+1 −1 decreet-2007-06-08/art. 68
21° de aanvrager die niet akkoord gaat met een negatieve beslissing over zijn aanvraag voor een toelage;21° de aanvrager die niet akkoord gaat met een negatieve beslissing over zijn aanvraag voor een toelage;
32° de aanvrager die vindt dat het bedrag van de toegekende toelage onjuist berekend is;32° de aanvrager die vindt dat het bedrag van de toegekende toelage onjuist berekend is;
43° de aanvrager die niet akkoord gaat met een terugvordering als vermeld in artikelen 62, 65 en 66.43° de aanvrager die niet akkoord gaat met een terugvordering als vermeld in artikel 62.
5Het beroep wordt aangetekend ingediend binnen een termijn van zestig kalenderdagen die ingaat op de dag na de dag waarop het definitieve bedrag of de weigering van de toelage meegedeeld is, en moet juridische en feitelijke argumenten vermelden die de betrokkene aanvoert tot staving van zijn aanspraak.5Het beroep wordt aangetekend ingediend binnen een termijn van zestig kalenderdagen die ingaat op de dag na de dag waarop het definitieve bedrag of de weigering van de toelage meegedeeld is, en moet juridische en feitelijke argumenten vermelden die de betrokkene aanvoert tot staving van zijn aanspraak.
6Beroepen worden beantwoord binnen vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst ervan door de afdeling Studietoelagen.6Beroepen worden beantwoord binnen vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst ervan door de afdeling Studietoelagen.
+0 −1 decreet-2007-06-08/art. 74 opgeheven
1Als een persoon in hetzelfde school- of academiejaar tegelijk voldoet aan de voorwaarden voor een school- en een studietoelage, heeft hij enkel recht op de hoogste toelage.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd