§ flandrepo

Tot wijziging van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, wat betreft de harmonisatie in functie van het nieuwe Strafwetboek en overige wijzigingen #896

Gemerged Vlaamse Regering voegde 20 artikels samen in woonzorgdecreet-van-15-februari-2019decreet-2024-04-19-1039685 · 15 juni 2026 19 checks vragen aandacht
Aangenomen tekst
10 juli 2026 · 12 blz.
896/5 Officiële PDF
20 artikels gewijzigd

De instructies van dit stuk toegepast op de wet zoals die gold op 10 jul 2026. De officiële tekst blijft het document van het Parlement.

woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 2 wijzigt · 2°/1
Art. 2. In artikel 2, 2°/1, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, ingevoegd bij het decreet van 19 april 2024, wordt de zinsnede “artikel 458ter” vervangen door de zinsnede “artikel 353, §2,”.

We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden in het genoemde deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.

woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 5 wijzigt · eerste lid, 2°
Art. 3. In artikel 5, eerste lid, 2°, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede “de artikelen 418, 419 en 420” vervangen door de zinsnede “artikel 106, 107, 107/1, 217 en 218”.

We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden in het genoemde deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.

woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 20 wijzigt · §2
Art. 4. In artikel 20, §2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2020 en 19 april 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid, 3°/2, wordt het woord “maximaal” opgeheven; 2° in het derde lid wordt tussen de woorden “tot en met” en de zinsnede “5°” de zinsnede “3/1°, 4° en” ingevoegd.

We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden in het genoemde deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.

woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 21 wijzigt · §2, eerste lid, 2°
Art. 5. In artikel 21, §2, eerste lid, 2°, van hetzelfde decreet worden de woorden “een opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf” vervangen door de zinsnede “een straf van niveau 4 of hoger”.

We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden in het genoemde deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.

woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 25/0 wijzigt
Art. 6. In artikel 25/0 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 2024, worden het eerste tot en met het derde lid vervangen door wat volgt: “De jeugdrechter kan een elektronische monitoring, gecombineerd met begeleiding, opleggen nadat de sociale dienst de opdracht heeft gekregen om een gemotiveerde inhoudelijke en technische inschatting over de uitvoerbaarheid van elektronische monitoring te maken. De elektronische monitoring kan ook als modaliteit of ter ondersteuning van een maatregel als vermeld in artikel 20, §2, eerste lid, 1° tot en met 3°, worden opgelegd. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid zijn de voorwaarden, vermeld in artikel 26, §2, eerste lid, 1° en 2°, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van een minderjarige verdachte die tussen twaalf en veertien jaar oud is op het ogenblik van de feiten, zijn de voorwaarden, vermeld in artikel 26, §3, eerste lid, 1° en 2°, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Een elektronische monitoring kan niet worden opgelegd als het jeugddelict een van de volgende feiten betreft: 1° een feit als vermeld in titel 3, hoofdstuk 1, van boek II van het Strafwetboek; 2° een feit dat de dood tot gevolg heeft als vermeld in artikel 118, 126, 197, 198, 4°, artikel 199, eerste lid, 4°, artikel 200, eerste lid, 4°, artikel 201, eerste lid, 4°, artikel 202, 4°, artikel 209, 210, eerste lid, derde zin, artikel 215, 222, 225, 228, 260, §2, 1°, artikel 274, §2, 1°, artikel 280, §2, 1°, artikel 284, §2, 1°, artikel 301, 308, 321, 330, 335, 337, 413, §2, artikel 414, eerste lid, 1°, artikel 415, eerste lid, 1°, artikel 416, eerste lid, 1°, artikel 469, §3, 2°, artikel 473, §3, 2°, artikel 509, 521, 553, 555, 557 of 600 van het Strafwetboek; 3° een feit als vermeld in artikel 134, 136 tot en met 149, 151 tot en met 168, 171 tot en met 174, 177 tot en met 179, 182 of 183 van het Strafwetboek; 4° een feit als vermeld in titel 4, hoofdstuk 1, van boek II van het Strafwetboek; 5° een feit als vermeld in artikel 82, 83, 85 tot en met 90 van het Strafwetboek; 6° een feit, strafbaar op grond van artikel 2bis, §4, b), van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover dat feit betrekking heeft op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de middelen en stoffen, vermeld in artikel 2bis van de voormelde wet, en voor zover dat feit een daad is van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging als vermeld in artikel 405 van het Strafwetboek, of van een criminele organisatie als vermeld in artikel 409 van het Strafwetboek, in de hoedanigheid van leidend persoon; 7° een feit als vermeld in artikel 117, 125, 130 of 201 van het Strafwetboek.”.

We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.

woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 25/2 wijzigt
Art. 7. In artikel 25/2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt het woord “maximaal” opgeheven; 2° in het eerste lid wordt de zinsnede “artikel 26, §2, 1°, 2° en 3°” vervangen door de zinsnede “artikel 26, §2, eerste lid, 1° tot en met 3°, en tweede lid”; 3° in het tweede lid wordt de zinsnede “artikel 26, §3, 1°, 2° en 3°” vervangen door de zinsnede “artikel 26, §3, eerste lid, 1° tot en met 3°, en tweede lid”.

We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.

woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 26 wijzigt
Art. 8. In artikel 26 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2020, 15 juli 2022 en 19 april 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, eerste lid, 2°, worden de woorden “een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf” vervangen door de zinsnede “een straf van niveau 3 of hoger”; 2° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt: “In afwijking van het eerste lid, 2°, kan de jeugdrechter ten aanzien van de minderjarige ook een plaatsing bevelen als de minderjarige ervan verdacht wordt een jeugddelict te hebben gepleegd dat een feit betreft als vermeld in artikel 109, 166, 168, 174, 179, 185, 195, 196 juncto 9, 202, 1°, artikel 218, 232, 2°, artikel 258 juncto 9, 259 juncto 9, 265 juncto 9, 293 juncto 9, 294 juncto 9, 333, 337, 362, 404, derde lid, artikel 465, 466 juncto 9, 467 juncto 9, 468 juncto 9, 479 juncto 9, 488 juncto 9, 502 juncto 9, 505, 517, tweede lid, artikel 518, 1°, artikel 524, 525, 528, 530, 531, 533, 558, tweede lid, 3°, artikel 562, 610, 613, 644, derde lid, artikel 662, 684 of 685/2 van het Strafwetboek of een feit als vermeld in artikel 23, vijfde lid, van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens.”; 3° in paragraaf 3, 2°, worden de woorden “een straf van vijf tot tien jaar opsluiting of een zwaardere straf” vervangen door de zinsnede “een straf van niveau 4 of hoger”; 4° aan paragraaf 3 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt: “In afwijking van het eerste lid, 2°, kan de jeugdrechter ten aanzien van de minderjarige ook een plaatsing bevelen als het jeugddelict waarvoor de minderjarige vervolgd wordt een feit betreft als vermeld in artikel 109, 110, 120, 129, 146, tweede lid, tweede streepje, artikel 147, eerste lid, tweede streepje, artikel 148, tweede streepje, artikel 149, tweede streepje, artikel 171, 173, 177 tot en met 179, 183, 195, 196, 198, 2°, artikel 199, eerste lid, 2°, artikel 200, eerste lid, 2°, artikel 201, eerste lid, 2°, artikel 202, 1° en 2°, artikel 233, 301, 319, 334, 362, 371, §3, 6°, a), artikel 376, 383, §1, eerste streepje, artikel 384, 393, 402, 412, 417, 466, 467, 468, 470, 505, 506, 507, tweede lid, artikel 509, 510, 517, 518, 543, 558, tweede lid, 2° en 3°, artikel 559, tweede lid, 3°, artikel 562, 597, 605, 608, 610, 611, 615 of 645 van het Strafwetboek of een feit als vermeld in artikel 2bis, §2, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.”.

We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden in het genoemde deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.

woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 34/0 wijzigt
Art. 9. In artikel 34/0 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 2024, worden het eerste tot en met het derde lid vervangen door wat volgt: “De jeugdrechtbank kan een elektronische monitoring, gecombineerd met begeleiding, opleggen nadat de sociale dienst de opdracht heeft gekregen om een gemotiveerde inhoudelijke en technische inschatting over de uitvoerbaarheid van elektronische monitoring te maken. De elektronische monitoring, vermeld in het eerste lid, kan ook als modaliteit of ter ondersteuning van een sanctie als vermeld in artikel 29, §2, eerste lid, 3° tot en met 5°, worden opgelegd. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid zijn de voorwaarden, vermeld in artikel 26, §2, eerste lid, 2°, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van een minderjarige delictpleger die tussen twaalf en veertien jaar oud is op het ogenblik van de feiten, zijn de voorwaarden, vermeld in artikel 26, §3, eerste lid, 2°, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Een elektronische monitoring kan niet worden opgelegd als het jeugddelict een van de volgende feiten betreft: 1° een feit als vermeld in titel 3, hoofdstuk 1, van boek II van het Strafwetboek; 2° een feit dat de dood tot gevolg heeft als vermeld in artikel 118, 126, 197, 198, 4°, artikel 199, eerste lid, 4°, artikel 200, eerste lid, 4°, artikel 201, eerste lid, 4°, artikel 202, 4°, artikel 209, 210, eerste lid, derde zin, artikel 215, 222, 225, 228, 260, §2, 1°, artikel 274, §2, 1°, artikel 280, §2, 1°, artikel 284, §2, 1°, artikel 301, 308, 321, 330, 335, 337, 413, §2, artikel 414, eerste lid, 1°, artikel 415, eerste lid, 1°, artikel 416, eerste lid, 1°, artikel 469, §3, 2°, artikel 473, §3, 2°, artikel 509, 521, 553, 555, 557 of 600 van het Strafwetboek; 3° een feit als vermeld in artikel 134, 136 tot en met 149, 151 tot en met 168, 171 tot en met 174, 177 tot en met 179, 182 of 183 van het Strafwetboek; 4° een feit als vermeld in titel 4, hoofdstuk 1, van boek II van het Strafwetboek; 5° een feit als vermeld in artikel 82, 83, 85 tot en met 90 van het Strafwetboek; 6° een feit, strafbaar op grond van artikel 2bis, §4, b), van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover dat feit betrekking heeft op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de middelen en stoffen, vermeld in artikel 2bis van de voormelde wet, en voor zover dat feit een daad is van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging als vermeld in artikel 405 van het Strafwetboek, of van een criminele organisatie als vermeld in artikel 409 van het Strafwetboek, in de hoedanigheid van leidend persoon; 7° een feit als vermeld in artikel 117, 125, 130 of 201 van het Strafwetboek.”.

We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.

woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 35 wijzigt
Art. 10. In artikel 35 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 april 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt de zinsnede “artikel 26, §2, 1°, 2° en 3°” vervangen door de zinsnede “artikel 26, §2, eerste lid, 2° en 3°, en tweede lid”; 2° in het tweede lid wordt het woord “maatregel” vervangen door het woord “sanctie”; 3° in het tweede lid wordt de zinsnede “artikel 26, §3, 1°, 2° en 3°” vervangen door de zinsnede “artikel 26, §3, eerste lid, 2° en 3°, en tweede lid”; 4° het derde lid wordt opgeheven.

We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden in het genoemde deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.

woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 36 wijzigt
Art. 11. In artikel 36 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 april 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° aan het eerste lid wordt de volgende zin toegevoegd: “De voorwaarden, vermeld in artikel 26, §2, eerste lid, 2° en 3°, en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.”; 2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt: “Ten aanzien van een minderjarige delictpleger die tussen twaalf en veertien jaar oud is op het ogenblik van de feiten, kan de sanctie, vermeld in het eerste lid, worden uitgesproken onder de voorwaarden, vermeld in artikel 26, §3, eerste lid, 2° en 3°, en tweede lid.”; 3° er wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt: “Artikel 27, §3, is van overeenkomstige toepassing.”.

We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (het te vervangen deel niet gevonden). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.

woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 37 wijzigt
Art. 12. In artikel 37 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 november 2021, 15 juli 2022 en 19 april 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt: “§2. De sanctie, vermeld in paragraaf 1, wordt uitgesproken met een bijzonder met redenen omkleed vonnis, en kan alleen worden uitgesproken als aan al de volgende voorwaarden cumulatief voldaan is: 1° de minderjarige delictpleger is zestien jaar of meer op het ogenblik van het plegen van het jeugddelict; 2° er is een vermoeden van schuldbekwaamheid aanwezig. Het betreft een weerlegbaar vermoeden, rekening houdend met de persoonlijkheid en maturiteit van voormelde minderjarige en zijn sociale context; 3° elke andere sanctie is ongepast of heeft gefaald; 4° het jeugddelict dat de voormelde minderjarige gepleegd heeft, betreft een van de volgende feiten: a) een feit als vermeld in artikel 96 tot en met 102 van het Strafwetboek, voor zover dat feit strafbaar is met een straf van niveau 4 of hoger; b) een feit als vermeld in titel 4, hoofdstuk 1, van boek II van het Strafwetboek; c) een feit dat de dood tot gevolg heeft als vermeld in artikel 107/1, 118, 126, 197, 198, 4°, artikel 199, eerste lid, 4°, artikel 200, eerste lid, 4°, artikel 201, eerste lid, 4°, artikel 202, 4°, artikel 209, 210, eerste lid, derde zin, artikel 215, 222, 225, 228, 260, §2, eerste lid, 1°, artikel 274, §2, 1°, artikel 280, §2, 1°, artikel 284, §2, 1°, artikel 308, 321, 330, 335, 413, §2, artikel 414, eerste lid, 1°, artikel 415, eerste lid, 1°, artikel 416, eerste lid, 1°, artikel 473, §3, 2°, artikel 509, 521, 553, 555, 557 of 600 van het Strafwetboek, voor zover dat feit strafbaar is met een straf van niveau 4 of hoger; d) een feit als vermeld in artikel 82, 83, 85 tot en met 90, 112 tot en met 117, 121 tot en met 125, 138 tot en met 149, 152 tot en met 164, 172, 198, 3°, artikel 408, 409 of 469 van het Strafwetboek, voor zover dat feit strafbaar is met een straf van niveau 4 of hoger; e) een poging om een feit als vermeld in artikel 96 tot en met 102 van het Strafwetboek te plegen; f) een feit als vermeld in artikel 120, 134, 165 tot en met 168, 196, 467 of 468 van het Strafwetboek; 5° de fysieke en psychische integriteit van voormelde minderjarige of van derden is in gevaar; 6° een gesloten begeleiding is noodzakelijk.”; 2° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt: “§4. In afwijking van paragraaf 2, 1°, kan de jeugdrechtbank de sanctie, vermeld in paragraaf 1, bevelen ten aanzien van minderjarige delictplegers die nog geen zestien jaar waren op het ogenblik van het plegen van het jeugddelict. Als de cumulatieve voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 2°, 3°, 5° en 6°, vervuld zijn, en als het jeugddelict gepleegd is door een minderjarige die op het ogenblik van de feiten minstens twaalf jaar was en de volle leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt, kan de sanctie, vermeld in paragraaf 1, alleen worden opgelegd als het jeugddelict dat de voormelde minderjarige gepleegd heeft een van de volgende feiten betreft: 1° een feit als vermeld in artikel 96 tot en met 102 van het Strafwetboek, voor zover dat feit strafbaar is met een straf van niveau 5 of hoger; 2° een feit als vermeld in titel 4, hoofdstuk 1, van boek II van het Strafwetboek; 3° een feit dat de dood tot gevolg heeft als vermeld in artikel 118, 126, 198, 4°, artikel 199, eerste lid, 4°, artikel 200, eerste lid, 4°, artikel 201, eerste lid, 4°, artikel 202, 4°, artikel 209, 210, eerste lid, derde zin, artikel 215, 222, 225, 228, 260, §2, 1°, artikel 274, §2, 1°, artikel 280, §2, 1°, artikel 284, §2, 1°, artikel 321, 413, §2, artikel 414, eerste lid, 1°, artikel 469, §3, 2°, artikel 473, §3, 2°, artikel 509, 521, 553, 555, 557 of 600 van het Strafwetboek, voor zover dat feit strafbaar is met een straf van niveau 5 of hoger; 4° een feit als vermeld in artikel 82, 83, 85 tot en met 90, 139 tot en met 149 of 409 van het Strafwetboek, voor zover dat feit strafbaar is met een straf van niveau 5 of hoger; 5° een poging om een feit als vermeld in artikel 96 tot en met 102 van het Strafwetboek te plegen; 6° een feit als vermeld in artikel 138, 144, eerste, derde en vierde streepje, of artikel 408 van het Strafwetboek. De maximale duur van de sanctie bedraagt twee jaar. De minderjarige delictpleger wordt geplaatst in de voorbehouden capaciteit, vermeld in artikel 40, §3, eerste lid. Als de cumulatieve voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 2°, 3°, 5° en 6°, vervuld zijn, en als het jeugddelict gepleegd is door een minderjarige die op het ogenblik van de feiten minstens veertien jaar was en de volle leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, kan de sanctie, vermeld in paragraaf 1, alleen worden opgelegd als het jeugddelict dat de voormelde minderjarige gepleegd heeft een van de volgende feiten betreft: 1° een feit als vermeld in artikel 96 tot en met 102 van het Strafwetboek, voor zover dat feit strafbaar is met een straf van niveau 5 of hoger; 2° een feit als vermeld in titel 4, hoofdstuk 1, van boek II van het Strafwetboek; 3° een feit dat de dood tot gevolg heeft als vermeld in artikel 118, 126, 198, 4°, artikel 199, eerste lid, 4°, artikel 200, eerste lid, 4°, artikel 201, eerste lid, 4°, artikel 202, 4°, artikel 209, 210, eerste lid, derde zin, artikel 215, 222, 225, 228, 260, §2, 1°, artikel 274, §2, 1°, artikel 280, §2, 1°, artikel 284, §2, 1°, artikel 321, 413, §2, artikel 414, eerste lid, 1°, artikel 469, §3, 2°, artikel 473, §3, 2°, artikel 509, 521, 553, 555, 557 of 600 van het Strafwetboek, voor zover dat feit strafbaar is met een straf van niveau 5 of hoger; 4° een feit als vermeld in artikel 82, 83, 85 tot en met 90, 139 tot en met 149 of 409 van het Strafwetboek, voor zover dat feit strafbaar is met een straf van niveau 5 of hoger; 5° een poging om een feit als vermeld in artikel 96 tot en met 102 van het Strafwetboek te plegen; 6° een feit als vermeld in artikel 138, 144, eerste, derde en vierde streepje, of artikel 408 van het Strafwetboek. De maximale duur van de sanctie bedraagt vijf jaar.”; 3° in paragraaf 5 wordt de zinsnede “paragraaf 4, tweede en derde lid” vervangen door de zinsnede “paragraaf 4, tweede en vierde lid”; 4° paragraaf 6, tweede lid, wordt vervangen door wat volgt: “De jeugdrechtbank kan echter: 1° de sanctie ook opleggen zonder dat zij over het verslag van het medisch-psychologisch onderzoek beschikt, als zij constateert dat de minderjarige delictpleger zich aan dat onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen; 2° de sanctie ook opleggen zonder dat zij een maatschappelijk onderzoek en een medisch-psychologisch onderzoek heeft laten uitvoeren, als bij vonnis al een sanctie genomen is ten aanzien van een minderjarige delictpleger en die een of meer van de volgende feiten betreft nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt, en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer een of meer van de volgende feiten heeft gepleegd: a) een feit als vermeld in artikel 96 tot en met 102 van het Strafwetboek, voor zover dat feit strafbaar is met een straf van niveau 4 of hoger; b) een feit als vermeld in titel 4, hoofdstuk 1, van boek II van het Strafwetboek; c) een feit dat de dood tot gevolg heeft als vermeld in artikel 107/1, 118, 126, 197, 198, 4°, artikel 199, eerste lid, 4°, artikel 200, eerste lid, 4°, artikel 201, eerste lid, 4°, artikel 202, 4°, artikel 209, 210, eerste lid, derde zin, artikel 215, 222, 225, 228, 260, §2, eerste lid, 1°, artikel 274, §2, 1°, artikel 280, §2, 1°, artikel 284, §2, 1°, artikel 308, 321, 330, 335, 413, §2, artikel 414, eerste lid, 1°, artikel 415, eerste lid, 1°, artikel 416, eerste lid, 1°, artikel 473, §3, 2°, artikel 509, 521, 553, 555, 557 of 600 van het Strafwetboek, voor zover dat feit strafbaar is met een straf van niveau 4 of hoger; d) een feit als vermeld in artikel 82, 83, 85 tot en met 90, 112 tot en met 117, 121 tot en met 125, 138 tot en met 149, 152 tot en met 164, 172, 198, 3°, artikel 408, 409 of 469 van het Strafwetboek, voor zover dat feit strafbaar is met een straf van niveau 4 of hoger; e) een poging om een feit als vermeld in artikel 96 tot en met 102 van het Strafwetboek te plegen; f) een feit als vermeld in artikel 120, 134, 165 tot en met 168, 196, 467 of 468 van het Strafwetboek; 3° onder dezelfde voorwaarden, vermeld in punt 2°, de sanctie opleggen ten aanzien van een minderjarige delictpleger die een feit, waarop een straf staat van niveau 6 of hoger, heeft gepleegd nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en pas wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.”; 5° aan paragraaf 6 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: “In het geval, vermeld in het tweede lid, 2°, worden de stukken van de vorige procedure bij die van de nieuwe procedure gevoegd.”.

We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (het te vervangen deel niet gevonden). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.

+22 −0 woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 37/1 nieuw
1§1. De sancties, vermeld in artikel 36 en 37, die zijn opgelegd aan de minderjarige delictpleger met toepassing van dit decreet, worden in voorkomend geval gecombineerd met een terbeschikkingstelling van de jeugdrechtbank van maximaal tien of vijftien jaar, na het einde van de voormelde sanctie. De jeugdrechtbank legt de terbeschikkingstelling op en bepaalt de duur ervan uiterlijk op het moment van de uitspraak van de voormelde sanctie.
2De terbeschikkingstelling, vermeld in het eerste lid, kan alleen worden uitgesproken als aan de volgende voorwaarden cumulatief voldaan is:
31° het jeugddelict dat de minderjarige delictpleger gepleegd heeft, betreft een van de volgende feiten:
4a) een feit als vermeld in titel 3, hoofdstuk 1, afdeling 1, van boek II van het Strafwetboek;
5b) een feit als vermeld in titel 4, hoofdstuk 1, van boek II van het Strafwetboek;
6c) een feit dat de dood tot gevolg heeft als vermeld in artikel 107, 107/1, 118, 126, 197, 198, 4°, artikel 199, eerste lid, 4°, artikel 200, eerste lid, 4°, artikel 201, eerste lid, 4°, artikel 202, 4°, artikel 209, 210, eerste lid, derde zin, artikel 215, 222, 225, 228, 260, §2, 1°, artikel 274, §2, 1°, artikel 280, §2, 1°, artikel 284, §2, 1°, artikel 301, 308, 321, 330, 335, 413, §2, artikel 414, eerste lid, 1°, artikel 415, eerste lid, 1°, artikel 416, eerste lid, 1°, artikel 469, §3, 2°, artikel 473, §3, 2°, artikel 521, 553, 555, 557 of 600 van het Strafwetboek;
7d) een feit als vermeld in artikel 82, 83, 85 tot en met 90, 112 tot en met 117, 120 tot en met 125, 138 tot en met 149, 152 tot en met 164, 172, 198, 3°, artikel 260 of 509 van het Strafwetboek;
82° een verdere opvolging is noodzakelijk na het aflopen van de sanctie met het oog op de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van de minderjarige delictpleger of van derden en gelet op de ernst van de strafbare feiten met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen een hoog risico op recidive.
9Aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, is cumulatief voldaan op het ogenblik van de beslissing van de jeugdrechtbank tot terbeschikkingstelling en op het ogenblik dat de duur van de opgelegde sanctie is verstreken.
10De terbeschikkingstelling, vermeld in het eerste lid, kan worden opgelegd voor een duur van ten hoogste tien jaar voor de feiten, vermeld in het tweede lid, 1°, die, als ze door een meerderjarige gepleegd zouden zijn, strafbaar zijn met een straf van niveau 3 tot en met 5, met uitzondering van de feiten, vermeld in artikel 140, 141, 144 tot en met 149, 153, 155, 157, 159, 161, 163, 260 of 509 van het Strafwetboek.
11De terbeschikkingstelling, vermeld in het eerste lid, kan worden opgelegd voor een duur van ten hoogste vijftien jaar voor de feiten, vermeld in het tweede lid, 1°, die, als ze door een meerderjarige gepleegd zouden zijn, strafbaar zijn met een straf van niveau 6 of hoger, of de feiten, vermeld in artikel 140, 141, 144 tot en met 149, 153, 155, 157, 159, 161, 163, 260 of 509 van het Strafwetboek.
12De jeugdrechtbank kan de terbeschikkingstelling alleen opleggen nadat ze een maatschappelijk en medisch-psychologisch onderzoek heeft laten verrichten door een multidisciplinair samengesteld team. Het voormelde medisch-psychologisch onderzoek is erop gericht de situatie te evalueren in functie van de persoonlijkheid, de omgeving en de maturiteitsgraad van de minderjarige delictpleger, en omvat ook een advies over de voorwaarde, vermeld in het tweede lid, 2°.
13Op zijn vroegst drie maanden en uiterlijk één maand voor de duur van de opgelegde sanctie is verstreken, spreekt de jeugdrechtbank zich uit over de handhaving, de vermindering van de duur of de opheffing van de terbeschikkingstelling en legt zij in voorkomend geval de sanctie op in uitvoering van de terbeschikkingstelling, overeenkomstig paragraaf 3. De jeugdrechtbank kan de voormelde beslissing alleen nemen op basis van een geactualiseerd maatschappelijk en medisch-psychologisch verslag dat niet ouder dan één maand is.
14§2. De terbeschikkingstelling die ten aanzien van de minderjarige delictpleger is uitgesproken, vermeld in paragraaf 1, neemt een aanvang als de termijn van de opgelegde sanctie is verstreken.
15§3. De jeugdrechtbank kan in de uitvoering van de terbeschikkingstelling, vermeld in paragraaf 1, de minderjarige delictpleger de volgende sancties opleggen:
161° voorwaarden;
172° een elektronische monitoring met begeleiding, overeenkomstig artikel 34/0, in voorkomend geval ter ondersteuning van voorwaarden als vermeld in punt 1°.
18De duur van de sanctie, vermeld in het eerste lid, 1°, kan niet meer bedragen dan de maximale duur van de terbeschikkingstelling, vermeld in paragraaf 1, vierde en vijfde lid. De jeugdrechtbank bepaalt de duur van de sanctie in haar vonnis.
19De jeugdrechtbank voorziet tegelijk in een vervangende sanctie voor het geval dat de minderjarige delictpleger de opgelegde sanctie, vermeld in het eerste lid, niet naleeft. Als vervangende sanctie kunnen de in het eerste lid, 1° en 2°, vermelde sancties worden opgelegd.
20§4. De minderjarige delictpleger verschijnt uiterlijk binnen het jaar nadat de terbeschikkingstelling, vermeld in paragraaf 1, een aanvang heeft genomen, en vervolgens jaarlijks, voor de jeugdrechtbank op basis van een geactualiseerd medischpsychologisch verslag dat niet ouder mag zijn dan één maand, met het oog op de handhaving, de wijziging of de opheffing ervan.
21De voormelde terbeschikkingstelling aan de jeugdrechtbank eindigt in elk geval als de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van vijfentwintig jaar heeft bereikt. Uiterlijk drie maanden voor de leeftijd van vijfentwintig jaar is bereikt, of, in voorkomend geval, onmiddellijk na de uitspraak van de jeugdrechtbank, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, bezorgt de jeugdrechtbank het gerechtelijke dossier aan de territoriaal bevoegde strafuitvoeringsrechtbank met het oog op de verdere uitvoering van de terbeschikkingstelling die op grond van dit decreet is uitgesproken, conform titel XIbis, hoofdstuk I, afdeling 5 en 6, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. De jeugdrechtbank kan alleen op basis van een geactualiseerd maatschappelijk en medisch-psychologisch verslag dat niet ouder dan een maand is, beslissen om het dossier aan de strafuitvoeringsrechtbank te bezorgen.
22§5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak en inhoud van het medisch-psychologisch onderzoek, vermeld in paragraaf 1, zesde en zevende lid, en paragraaf 4.
woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 38 wijzigt
woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 41/2 wijzigt · §2, zesde lid
woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 41/3 wijzigt
woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 41/4 wijzigt
woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 41/5 wijzigt · eerste lid
woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 41/6 wijzigt · §1
woonzorgdecreet-van-15-februari-2019/art. 44/1 wijzigt · §1, vierde lid
+0 −0 decreet-2024-04-19-1039685/art. 29 opgeheven
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd