Tot wijziging van meerdere decreten over het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, wat betreft de studietoelagen in het hoger onderwijs en de kinderdagverblijven en voor- en nabewaking in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad #759
Gemerged Vlaamse Regering voegde 2 artikels samen in decreet-2007-06-08 · 23 maart 2026 Alle checks geslaagd
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks; de aanvaarde amendementen zitten in de volgende tekst van het voorstel. Hieronder de tekst uit de PDF.
Zie de documentenfiche op vlaamsparlement.be
ingediend op 20 mei 2026 (2025-2026)
Amendementen
voorgesteld na indiening van het verslag
op het ontwerp van decreet
tot wijziging van meerdere decreten
over het beleidsdomein Onderwijs en Vorming,
wat betreft de studietoelagen in het hoger onderwijs
en de kinderdagverblijven en voor- en nabewaking
in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad
AMENDEMENT NR. 25
voorgesteld door Roosmarijn Beckers, Mercina Claesen, Bart Claes,
Jan Laeremans en Chris Janssens
na indiening van het verslag
Artikel 3
In de ontworpen tekst het getal “54” telkens vervangen door het getal “45”
en het getal “27” telkens vervangen door het getal “23”.
VERANTWOORDING
Dit amendement verlaagt de voorgestelde ondergrens om in aanmerking te komen voor een studietoelage van 54 studiepunten naar 45 studiepunten. Om de coherentie van de regeling te behouden, wordt
eveneens het getal 27 in de uitzonderingsbepaling voor inschrijvingen in het tweede semester vervangen door 23, zodat ook in dat geval de student minstens de helft van de nieuwe minimumgrens van 45
studiepunten op moet nemen.
Hoewel het verantwoord kan zijn om studenten te responsabiliseren en te verwachten dat zij een substantieel studieprogramma opnemen, is een minimumgrens van 54 studiepunten disproportioneel hoog.
Een modeltraject in het hoger onderwijs bedraagt immers 60 studiepunten. Een minimum van 54 studiepunten laat dus nauwelijks ruimte voor spreiding, heroriëntering, volgtijdelijkheid of curriculaire
flexibiliteit. In de praktijk betekent dit dat een student amper één vak minder kan opnemen zonder het
recht op een studietoelage te verliezen.
Een ondergrens van 45 studiepunten blijft daarentegen voldoende responsabiliserend. Dit vertegenwoordigt nog steeds drie vierde van een voltijds studieprogramma en kan bezwaarlijk beschouwd worden als een beperkte of louter symbolische studiebelasting.
Tegelijk biedt deze grens meer ruimte aan studenten die bewust een beperkter traject opnemen om
hun slaagkansen te verhogen, zonder daarom noodzakelijk onder een van de uitzonderingscategorieën
te vallen. Dat geldt onder meer voor studenten in schakel- of voorbereidingsprogramma’s, studenten
die geconfronteerd worden met volgtijdelijkheid binnen hun curriculum, of studenten die zich pas in het
tweede semester heroriënteren.
Bovendien blijven bepaalde opleidingen of trajecten ook onder de nieuwe uitzonderingsregeling moeilijk
verenigbaar met een minimumgrens van 54 studiepunten. Zo kan een verkorte bacheloropleiding van
90 studiepunten vandaag op een haalbare manier worden gespreid over twee academiejaren. Met een
minimumgrens van 54 studiepunten wordt die flexibiliteit in de praktijk grotendeels onmogelijk gemaakt
voor studenten die afhankelijk zijn van een studietoelage.
Een grens van 54 studiepunten dreigt bovendien contraproductief te werken. Studenten zouden bijkomende opleidingsonderdelen opnemen louter om hun studietoelage niet te verliezen, ook wanneer zij
zelf inschatten dat die bijkomende studiedruk niet haalbaar is. Dat verhoogt net het risico op extra
studie-uitval, bijkomende tekorten en verdere studievertraging.
Dit amendement beoogt daarom een evenwichtigere regeling die responsabilisering combineert met
redelijke flexibiliteit en rechtszekerheid voor studenten.
◼
AMENDEMENT NR. 26
voorgesteld door Roosmarijn Beckers, Mercina Claesen, Bart Claes,
Jan Laeremans en Chris Janssens
na indiening van het verslag
Artikel 16
Aan de ontworpen tekst een tweede lid toevoegen, dat luidt als volgt:
“In afwijking van het eerste lid blijven de bepalingen van artikel 6 en artikel 24
van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse
Gemeenschap, zoals zij van kracht waren vóór de inwerkingtreding van artikel 2
en 3 van dit decreet, van toepassing op studenten die op 1 juni 2026 ingeschreven
waren in een opleiding van het hoger onderwijs en die hun opleidingstraject in
dezelfde of een direct aansluitende opleiding voortzetten.”.
VERANTWOORDING
Dit amendement voorziet in een overgangsmaatregel voor studenten die reeds vóór de inwerkingtreding
van dit decreet een opleiding in het hoger onderwijs hebben aangevat.
De invoering van een leeftijdsgrens van 30 jaar voor het verkrijgen van een studietoelage en de nieuwe
voorwaarde om minstens 54 studiepunten op te nemen om in aanmerking te komen voor een studietoelage vormen ingrijpende wijzigingen van de bestaande regeling. Studenten die vandaag al een opleiding volgen, hebben hun studiekeuze en trajectplanning evenwel gemaakt binnen het bestaande
regelgevend kader en binnen het huidige flexibiliseringssysteem van het hoger onderwijs. Zij konden
redelijkerwijze niet voorzien dat er tijdens hun lopend traject bijkomende voorwaarden zouden worden
ingevoerd die een rechtstreekse impact hebben op hun recht op studiefinanciering.
Het volledig ontbreken van overgangsmaatregelen doet daarom afbreuk aan het rechtszekerheidsbeginsel en aan de gerechtvaardigde verwachtingen van betrokken studenten.
Bovendien dreigt het ontbreken van een overgangsregeling bijzonder problematisch te zijn voor studenten die hun traject bewust spreiden om hun slaagkansen te verhogen, voor studenten in schakelof voorbereidingsprogramma’s en voor studenten die door curriculaire volgtijdelijkheid niet steeds een
volledig modeltraject kunnen opnemen.
Vanuit een elementair beginsel van behoorlijk bestuur is het verantwoord dat studenten die al een
opleiding hebben aangevat, deze kunnen afwerken onder de voorwaarden die golden op het ogenblik
van hun inschrijving.
Dit amendement beoogt aldus een redelijke overgangsregeling die vermijdt dat studenten midden in
hun opleiding plots geconfronteerd worden met fundamenteel gewijzigde toelagevoorwaarden.
◼