4° genderkamer van de Vlaamse Ombudsdienst: de afdeling binnen de Vlaamse Ombudsdienst die de opdracht vervult en de bevoegdheden uitoefent zoals bedoeld in artikel 3, §3, en artikel 17ter tot en met 17quinquies van het decreet van 7 juli 1998;
5
4° genderkamer van de Vlaamse Ombudsdienst: de afdeling binnen de Vlaamse Ombudsdienst die de opdracht vervult en de bevoegdheden uitoefent zoals bedoeld in artikel 3, §3, en artikel 17ter tot en met 17quinquies van het decreet van 7 juli 1998;
6
5° geschillenkamer: de geschillenkamer, vermeld in artikel 34;
6
5° geschillenkamer: de geschillenkamer, vermeld in artikel 34;
7
5°/1 meldpunt AJH: het meldpunt AJH, vermeld in artikel 5 van het decreet van [datum];
7
6° mensenrechten: alle rechten en vrijheden die zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de Grondwet en de internationale verdragen ter bescherming van de mensenrechten waarbij België partij is;
8
6° mensenrechten: alle rechten en vrijheden die zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de Grondwet en de internationale verdragen ter bescherming van de mensenrechten waarbij België partij is;
8
7° mensenrechteninstellingen: de onafhankelijke publiekrechtelijke instanties die over een mandaat beschikken voor de bescherming en de bevordering van de mensenrechten en die bij wet, decreet, ordonnantie of samenwerkingsakkoord zijn opgericht;
9
7° mensenrechteninstellingen: de onafhankelijke publiekrechtelijke instanties die over een mandaat beschikken voor de bescherming en de bevordering van de mensenrechten en die bij wet, decreet, ordonnantie of samenwerkingsakkoord zijn opgericht;
14
13° Unia: interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme, opgericht bij samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 tussen de federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen voor de oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980;
15
13° Unia: interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme, opgericht bij samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 tussen de federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen voor de oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980;
15
14° Vlaamse Ombudsdienst: de instelling verbonden aan het Vlaams Parlement zoals opgericht bij het decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse Ombudsdienst;
16
14° Vlaamse Ombudsdienst: de instelling verbonden aan het Vlaams Parlement zoals opgericht bij het decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse Ombudsdienst;
16
15° Vlaamse sectorale mensenrechteninstellingen: de bij Vlaams decreet opgerichte mensenrechteninstellingen die over een mandaat beschikken dat zich uitstrekt tot een of meerdere mensenrechten, tot een bepaald thema of die zich richten tot een bepaalde doelgroep.
17
15° Vlaamse sectorale mensenrechteninstellingen: de bij Vlaams decreet opgerichte mensenrechteninstellingen die over een mandaat beschikken dat zich uitstrekt tot een of meerdere mensenrechten, tot een bepaald thema of die zich richten tot een bepaalde doelgroep;
18
16° Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag: het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag, vermeld in artikel 3 van het decreet van [datum].
Het VMRI heeft tot doel om, overeenkomstig de Principes van Parijs, in een geest van samenwerking met de Vlaamse sectorale mensenrechteninstellingen, de mensenrechten te beschermen en te bevorderen in alle aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest vallen.
1
Het VMRI heeft tot doel om, overeenkomstig de Principes van Parijs, in een geest van samenwerking met de Vlaamse sectorale mensenrechteninstellingen, de mensenrechten te beschermen en te bevorderen in alle aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest vallen.
2
Het VMRI treedt op als orgaan voor de bevordering, analyse, monitoring en ondersteuning van de gelijke behandeling van alle personen.
2
Het VMRI treedt op als orgaan voor de bevordering, analyse, monitoring en ondersteuning van de gelijke behandeling van alle personen. In de voormelde hoedanigheid maakt het VMRI ook deel uit van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag.
3
Het VMRI staat in voor de bevordering, de bescherming en de opvolging van de uitvoering van het Verdrag van 13 december 2006 van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap.
3
Het VMRI staat in voor de bevordering, de bescherming en de opvolging van de uitvoering van het Verdrag van 13 december 2006 van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap.
Het VMRI is bevoegd om op eigen initiatief, of op verzoek van overheden van of die afhangen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap, onafhankelijke en gemotiveerde adviezen, aanbevelingen, voorstellen en verslagen op te stellen en te publiceren.
1
Het VMRI is bevoegd om op eigen initiatief, of op verzoek van overheden van of die afhangen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap, onafhankelijke en gemotiveerde adviezen, aanbevelingen, voorstellen en verslagen op te stellen en te publiceren.
2
Het VMRI kan een afschrift van adviezen, aanbevelingen, voorstellen en verslagen, vermeld in het eerste lid, bezorgen aan de minister bevoegd voor het beleidsdomein in kwestie, en aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de gelijke kansen, de integratie en de inburgering.
3
Als een advies of aanbeveling betrekking heeft op een mogelijke discriminatie als vermeld in het decreet van 10 juli 2008 en het decreet van 8 mei 2002, rapporteert de betrokken organisatie over de wijze waarop ze aan het advies of de aanbeveling is tegemoetgekomen. In de voormelde rapportering wordt de volgende informatie opgenomen:
4
1° welke acties zijn genomen voor elke aanbeveling uit het advies, zowel op korte als op lange termijn, en wat de resultaten van die acties zijn;
Als een melding als vermeld in artikel 12 van dit decreet, of een klacht als vermeld in artikel 13 van dit decreet, ook kan worden beschouwd als een melding over grensoverschrijdend gedrag als vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van [datum], wordt, in onderling overleg met de klager of melder of met het meldpunt AJH, beoordeeld of het wenselijk is of die klacht of melding, al dan niet gezamenlijk wordt behandeld met het meldpunt AJH.
2
Als een melding door het meldpunt AJH en het VMRI wordt opgenomen, geven ze, met het oog op een complementaire en efficiënte aanpak, inzage in elkaars dossier en stemmen ze op regelmatige basis af.
De geschillenkamer brengt de voormelde betrokken partijen minstens schriftelijk op de hoogte van het oordeel. Het oordeel wordt ook publiek bekendgemaakt na anonimisering van de voormelde betrokken partijen die natuurlijke personen zijn.
10
De geschillenkamer brengt de voormelde betrokken partijen minstens schriftelijk op de hoogte van het oordeel. Het oordeel wordt ook publiek bekendgemaakt na anonimisering van de voormelde betrokken partijen die natuurlijke personen zijn.
11
Rechtspersonen worden wel bij naam genoemd, tenzij de geschillenkamer ambtshalve of op verzoek van een van de partijen of beide partijen om gewichtige redenen anders beslist.
11
Rechtspersonen worden wel bij naam genoemd, tenzij de geschillenkamer ambtshalve of op verzoek van een van de partijen of beide partijen om gewichtige redenen anders beslist.
12
De geschillenkamer kan een afschrift van het oordeel bezorgen aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de gelijke kansen, de integratie en de inburgering, en aan de Vlaamse minister die bevoegd is voor het beleidsdomein in kwestie.
Het VMRI volgt de oordelen van de geschillenkamer actief en nauwgezet op. De opvolging wordt ook geregistreerd en deze informatie wordt, mits uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van de betrokken verweerder, ook toegevoegd in het oordeel.
1
Het VMRI volgt de oordelen van de geschillenkamer actief en nauwgezet op. De opvolging wordt ook geregistreerd en deze informatie wordt, mits uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van de betrokken verweerder, ook toegevoegd in het oordeel.
2
Eén jaar nadat de betrokken partijen het oordeel, vermeld in artikel 16, paragraaf 6, hebben ontvangen, rapporteert de verweerder over de wijze waarop aan de aanbevelingen van de geschillenkamer is tegemoetgekomen. In de voormelde rapportering wordt de volgende informatie opgenomen:
3
1° welke acties zijn genomen voor elke aanbeveling, zowel op korte als op lange termijn, en wat de resultaten van die acties zijn;
4
2° welke acties nog gepland zijn.
5
De geschillenkamer bezorgt een kopie van het oordeel, de aanbevelingen en de opvolging van het oordeel, vermeld in het tweede lid, aan de Vlaamse minister die bevoegd is voor het beleidsdomein waar de organisatie in kwestie onder valt, en aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de gelijke kansen, de integratie en de inburgering.
Het VMRI is bevoegd om alle personen te horen en alle nodige informatie en documentatie in te winnen als dat redelijkerwijze nodig is om zijn bevoegdheden uit te oefenen.
1
Het VMRI is bevoegd om alle personen te horen en alle nodige informatie en documentatie in te winnen als dat redelijkerwijze nodig is om zijn bevoegdheden uit te oefenen.
2
Wanneer het VMRI een verzoek tot informatie of documentatie richt tot overheden of openbare instellingen van of die afhangen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap, kan het een dwingende termijn opleggen om dit verzoek te beantwoorden.
2
Het VMRI kan bij een verzoek om informatie of om documentatie een dwingende termijn opleggen om aan dat verzoek te beantwoorden.
3
Het VMRI kan ter plaatse bij deze overheden en openbare instellingen gaan, met uitzondering van de bewoonde lokalen, om de nodige vaststellingen te doen en de overlegging te vragen van alle informatie en documentatie.
3
Het VMRI kan ter plaatse bij overheden, openbare instellingen en organisaties gaan, met uitzondering van de bewoonde lokalen, om de nodige vaststellingen te doen en de overlegging te vragen van alle informatie en documentatie.
4
De personen die worden gevraagd om informatie of documenten over te leggen zijn ten aanzien van het VMRI ontheven van hun plicht tot geheimhouding in verband met feiten waarvan zij kennis hebben en gegevens waarover zij beschik- ken door hun staat of beroep, met uitzondering van die welke door het medisch geheim beschermd zijn of waarvan ze kennis hebben genomen in hun hoedanigheid van noodzakelijke vertrouwenspersoon.
4
De personen die worden gevraagd om informatie of documenten over te leggen zijn ten aanzien van het VMRI ontheven van hun plicht tot geheimhouding in verband met feiten waarvan zij kennis hebben en gegevens waarover zij beschik- ken door hun staat of beroep, met uitzondering van die welke door het medisch geheim beschermd zijn of waarvan ze kennis hebben genomen in hun hoedanigheid van noodzakelijke vertrouwenspersoon.
5
In afwijking van het vierde lid, worden personen die worden gevraagd om informatie of documenten over te leggen, ontheven van hun plicht tot geheimhouding ten aanzien van het VMRI in verband met feiten en gegevens die betrekking hebben op intimidatie of seksuele intimidatie als vermeld in artikel 17 van het decreet van 10 juli 2008 en waarvan ze kennis hebben genomen in hun hoedanigheid van noodzakelijke vertrouwenspersoon.
Het VMRI werkt in het bijzonder structureel samen met alle mensenrechteninstellingen in België.
2
Het VMRI werkt in het bijzonder structureel samen met alle mensenrechteninstellingen in België.
3
Het VMRI sluit met elk van de Vlaamse sectorale mensenrechteninstellingen een samenwerkingsprotocol om deze samenwerking vorm te geven.
3
Het VMRI sluit met elk van de Vlaamse sectorale mensenrechteninstellingen een samenwerkingsprotocol om deze samenwerking vorm te geven.
4
Het VMRI werkt structureel samen met het meldpunt AJH om samen het Vlaams Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag te vormen. De voormelde samenwerking wordt vormgegeven in een samenwerkingsprotocol. In het samenwerkingsprotocol worden conform artikel 13, §3, vierde lid, onder meer afspraken gemaakt over het uitwisselen van meldingen en klachten tussen het meldpunt AJH en het VMRI en over de jaarlijkse rapportage over meldingen en klachten.
Art. 26. In artikel 28 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 4, 1°, wordt tussen het woord “melden” en de woorden “over wie” het woord “of” ingevoegd;
2 ° aan paragraaf 4 wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“3° de natuurlijke personen die melden of over wie een melding wordt gedaan, of die worden geïdentificeerd in het kader van de behandeling van een melding als vermeld in artikel 3, §3, van het decreet van [datum].”;
3° aan paragraaf 5 wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“7° politionele of gerechtelijke gegevens.”.
4° in paragraaf 8 wordt de zinsnede “bewaard tot vijf jaar nadat het VMRI de melding of de klacht, vermeld in artikel 12, eerste lid, en artikel 13, §1, heeft ontvangen.” vervangen door de zinsnede “bewaard tot tien jaar nadat het VMRI de behandeling van de melding of de klacht, vermeld in artikel 12, eerste lid, en artikel 13, §1, heeft afgesloten.”.
Brussel, De minister-president van de Vlaamse Regering, Jan JAMBON De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen, Gwendolyn RUTTEN De Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme, Zuhal DEMIR ADVIES VAN DE VLAAMSE TOEZICHTCOMMISSIE VOOR DE VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, autonome dienst met rechtspersoonlijkheid tekst Voorontwerp van decreet van van de Vlaamse Regering titel tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag.
roepnaam (decreet meldpunt GOG) datum zoals principieel goedgekeurd op 22 december 2023 trefwoorden toezichthoudende autoriteit;
De Vlaamse Toezichtcommissie (hierna "de VTC");
Gelet op het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer (hierna: “het egovdecreet”), inzonderheid artikel 10/4, §1;
Gelet op de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (hierna AVG), inzonderheid artikel 36, 4, artikel 57, 1, c) en artikel 58, 3;
Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna “WVG”);
Gelet op het verzoek om advies van de mevrouw Zuhal Demir, Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 22 december 2023, ontvangen door de VTC op 22 december 2023;
Gelet op de behandeling op de zitting van 16 januari 2024;
Brengt op 16 januari 2024 het volgend advies uit:
I. VOORWERP VAN DE ADVIESAANVRAAG 1. De Vlaamse minister bevoegd voor Justitie en Handhaving (hierna “de adviesvrager”) verzocht om het advies van de Vlaamse Toezichtcommissie (hierna “VTC”) over een ontwerp van besluit tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag1. (hierna “het Ontwerp”) zonder aanduiding van specifieke artikelen.
1 https://www.vlaanderen.be/vlaams-meldpunt-grensoverschrijdend-gedrag Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens Advies wetgeving VTC nr. 2024/013 van 16 januari 2024 over VTC/A/W/2024/013/AT 2. Aangezien de adviesbevoegdheid van de VTC op grond van artikel 10/4, § 1 van het e-govdecreet betrekking heeft op de verwerkingen van persoonsgegevens, is haar adviesverlening hiertoe beperkt.
Context 3. Het Ontwerp richt een Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag op. Dit meldpunt betreft een samenwerking tussen het Agentschap Justitie en Handhaving (AJH) en het Vlaams Mensenrechteninstituut (MRI). De doelstelling van het meldpunt is de aanpak van grensoverschrijdend gedrag in de Vlaamse sectoren door op een laagdrempelige wijze meldingen omtrent grensoverschrijdend gedrag mogelijk te maken. Het meldpunt is bevoegd voor meldingen over grensoverschrijdend gedrag in alle aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest vallen.
4. Grensoverschrijdend gedrag wordt gedefinieerd als “elke aantasting van de integriteit van een persoon wegens ongewenst seksueel gedrag, geweld, pesterijen of discriminerende intimidatie”. De begrippen “ongewenst seksueel gedrag”, “geweld”, “pesterijen” of “discriminerende intimidatie” worden ook gedefinieerd in artikel 2 van het Ontwerp. De term “integriteit” wordt niet gedefinieerd (zie ook infra).
5. Dit ontwerp van decreet vloeit voort uit de Beleidsnota’s 2019-2024 van Justitie en Handhaving en Gelijke Kansen, Integratie en Inburgering waar enerzijds slachtoffers centraal worden gesteld in het Vlaams beleid en anderzijds het engagement is genomen om alle vormen van gendergerelateerd geweld en grensoverschrijdend gedrag te bestrijden. Daarenboven past het volgens de toelichting binnen het engagement van de Vlaamse Regering om duurzaam werk te maken van beleidsacties die zowel de fysieke, psychische als seksuele integriteit beschermen.
6. Ondanks het belang en de meerwaarde van sectorale initiatieven is volgens de adviesvrager de nood aan een duurzame verankering via een sterk extern meldpunt dat de verschillende beleidsdomeinen overschrijdt, om verschillende redenen gebleken. Het is hierbij dus zeker niet de bedoeling om de werking van reguliere hulpverlening of interne meldpunten binnen de sectoren te ondergraven, maar wel om net maximaal complementair te werken.
7. In dit decreet wordt ook de juridische basis voorzien voor deze deelwerking van het meldpunt binnen het Agentschap Justitie en Handhaving, het ‘meldpunt AJH’. Dit meldpunt wordt met het Ontwerp opgericht (artikel 5 van het Ontwerp) en is geen op zich staand meldpunt, maar bestaat enkel als onderdeel van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag (opgericht met artikel 3 van het Ontwerp).
8. Het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag heeft een tweeledige opdracht:
- de kernopdracht van het meldpunt bestaat erin om meldingen van grensoverschrijdend gedrag te ontvangen en er een passend gevolg aan te verbinden;
- het monitoren en in kaart brengen van de meldingen van grensoverschrijdend gedrag binnen de Vlaamse sectoren bij het meldpunt.
9. Afdeling 2 van hoofdstuk 3 van het Ontwerp regelt de verwerking van persoonsgegevens:
- artikel 13 behandelt algemeen de verwerking van persoonsgegevens voor het meldpunt AJH;
- artikel 14 stelt een beroepsgeheim in;
- artikel 15 is een transparantiebepaling;
- artikel 17 voert een uitzondering op het beroepsgeheim in;
- artikel 26 wijzigt de regeling m.b.t. de verwerking van persoonsgegevens in artikel 28 van het VMRI-decreet.
II. ONDERZOEK VAN DE ADVIESAANVRAAG 1. Voorafgaande toelichting 10. De VTC stelt vast dat de personen van wie gegevens worden verzameld en uitgewisseld de volgende zijn (zie artikel 13, tweede lid):
VTC/A/W/2024/013/AT - melders van grensoverschrijdend gedrag: slachtoffers, verwanten, getuigen, derden en (zelfs) plegers;
- “personen die betrokkenheid vertonen met de context van het grensoverschrijdend gedrag dat wordt gemeld”;
en dat het minstens de volgende gegevens betreft:
- identificatiegegevens;
- contactgegevens;
- beroepsgegevens;
- persoonsgegevens die blijken uit de feitelijke omstandigheden van de melding van grensoverschrijdend gedrag;
- persoonsgegevens die blijken uit de opvolging van een melding.
11. Het betreft informatie over natuurlijke personen met onder meer identificatiegegevens en dus gaat het om de verwerking van informatie over geïdentificeerde natuurlijke personen, zijnde persoonsgegevens zoals bedoeld in de AVG. De VTC gaat daarom na in hoeverre het Ontwerp en de bestaande decreten in lijn liggen met de principes van het gegevensbeschermingsrecht.
12. In eerste instantie geldt dit advies voor het nieuwe meldpunt, in tweede orde voor het al bestaande VMRI. Tenzij anders gesteld, geldt de bespreking hierna voor de gegevensverwerking door het meldpunt 2. Kwaliteit van de regelgevende grondslag 13. Het decreet bevat expliciet regels voor de verwerking van persoonsgegevens.
14. Het komt de stellers van het Ontwerp toe om erover te waken dat elke verwerking die in onderhavige context zal plaatsvinden een rechtvaardigingsgrond vindt in artikel 6 AVG.
15. Het Ontwerp vermeldt in artikel 13, §2 expliciet op grond van welke rechtvaardigingsgrond in de AVG de verwerking van persoonsgegevens zal plaatsvinden:
“§2. De verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, gebeurt conform artikel 6, lid 1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming.
De verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan ook de verwerking omvatten van de bijzondere categorieën van persoonsgegevens, vermeld in artikel 9, lid 1, van de voormelde verordening. Die verwerkingen worden beschouwd als noodzakelijke verwerkingen om redenen van zwaarwegend algemeen belang als vermeld in artikel 9, lid 2, g), van de voormelde verordening.” 16. Wat de verwijzing naar punt e) betreft, moet verduidelijkt worden van welke taak van algemeen belang of openbaar gezag bedoeld wordt. Voor punt g) moet het zwaarwegend algemeen belang worden gemotiveerd. Dit wordt gedaan in de toelichting:
“Dat er sprake is van (zwaarwegend) algemeen belang is duidelijk op basis van de finaliteit van het meldpunt, met name het beschermen van slachtoffers en potentiële slachtoffers en het bevorderen van persoonlijk en professioneel herstel van melders.” 17. De VTC wenst in herinnering te brengen dat elke overheidsinmenging in de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zoals gewaarborgd door artikel 8 van het EVRM2, artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie samengelezen met artikel 52.1 van het Handvest en artikel 22 van de Grondwet moet worden voorgeschreven in een 'voldoende precieze wettelijke bepaling' die beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de nagestreefde doelstelling. In een dergelijke precieze wettelijke 2 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
VTC/A/W/2024/013/AT bepaling moeten de essentiële elementen3 van de met de overheidsinmenging gepaard gaande verwerkingen van persoonsgegevens omschreven zijn. 4 18. De impactanalyse in de memorie (p.4) stelt het volgende:
“Recht op het privéleven De mogelijkheid tot het verwerken van persoonsgegevens kan beschouwd worden als een maatregel die een impact heeft op het recht op privéleven. Deze maatregel streeft echter een legitiem doel na, met name de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van de betrokken personen, en meer bepaald de ondersteuning en begeleiding met betrekking tot grensoverschrijdend gedrag.
Zoals reeds aangehaald in de algemene toelichting, zal door de oprichting van het meldpunt een onafhankelijke en beleidsdomeinoverschrijdende aanpak van meldingen van grensoverschrijdend gedrag mogelijk worden.
De nadelen staan duidelijk in verhouding tot het nagestreefde doel. Aangezien het ontwerp van decreet een mogelijke impact heeft op het recht op privéleven, en meer bepaald op de privacy van de betrokken personen, zal het ontwerp van decreet aan de Vlaamse Toezichtcommissie voor verwerking van persoonsgegevens en de Gegevensbeschermingsautoriteit ter advies worden voorgelegd.” 19. De VTC wijst er op dat er een onderscheiden onderzoek dient te gebeuren met betrekking op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de verwerking van persoonsgegevens, die onderscheiden grondrechten zijn.
20. Voor verwerkingen op basis van artikel 6, lid 1, e), AVG5, die niet zozeer betrekking hebben op het privé-leven, maar eerder enkel op de bescherming van persoonsgegevens, moet het doeleinde voldoende duidelijk blijken uit de taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend door unierecht of lidstatelijk recht. Andere elementen van de verwerking die al duidelijk (eventueel impliciet) blijken uit de bestaande wetgeving moeten niet per se herhaald worden. De VTC vindt het niettemin een goede praktijk om dat wel te doen om een uniform kader te creëren waarop verschillende uitvoeringsbesluiten kunnen steunen. Bovendien maakt dit het veel gemakkelijker om de verwerkingen van persoonsgegevens te toetsen aan de AVG, zowel voor de toezichthouder als voor de betrokkenen. Er is dus een onderscheid te maken tussen de legaliteitstoets (eisen waaraan de wettelijke basis moet voldoen om geldig te zijn) en de conformiteitstoets aan de AVG.
21. Aangezien met de vermelding van de essentiële elementen ook minstens gedeeltelijk tegemoetgekomen wordt aan artikel 5, 1, a) AVG, dat bepaalt dat persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de 3 Artikel 6, AVG vermeldt de volgende elementen:
het doel van de verwerking;
de types of categorieën van te verwerken persoonsgegevens; Deze gegevens moeten bovendien beperkt zijn tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking”);
de betrokkenen;
de entiteiten waaraan en doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt;
de opslagperioden;
de aanduiding van de verwerkingsverantwoordelijke(n).
4 EHRM, arrest Rotaru c. Roumania, 4 mei 2000; GWH 23 april 2015, arrest nr. 44/2015, 63; GWH 5 oktober 2017, arrest nr.
100/2017, 17; GWH 15 maart 2018, arrest nr. 29/2018, 26; GwH 14 januari 2021, arrest nr. 2/2021, overw. B.22.1.e.e.; GwH 18 november 2021, arrest nr. 158/2021, overw. B.6; GwH 9 december 2021, B.53.1-B.53.2; R.v.St, adv. 68.936/AV van 7 april 2021 over een voorontwerp van wet betreffende maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie, Parl.St.
Kamer, 2020-2021, doc. nr. 551951/001, 94-98; SCHRAM, F., Privacy & persoonsgegevens. Handboek, Brussel, Politeia, 2023, 93- 116, 155-162; DEGRAVE, E., "L’é-gouvernement et la protection de la vie privée – Légalité, transparance et contrôle" , Collection du CRIDS, Larcier, Brussel, 2014, p. 161 e.v.
5 “e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;” VTC/A/W/2024/013/AT betrokkene behoorlijk en transparant is, zal het ontbreken van deze elementen zwaardere transparantiemaatregelen vragen. Er zal immers niet naar wetgeving waarin de verwerking uitdrukkelijk geregeld is, kunnen verwezen worden.
22. De opstellers van de wettelijke en reglementaire teksten zullen moeten inschatten of de beoogde verwerking een meer uitgewerkte rechtsgrond nodig heeft. Daarbij moet in eerste instantie gekeken worden naar de graad van inmenging van de overheid in het privé-leven.
23. Hierbij moet er op gelet worden dat in een eventueel uitvoeringsbesluit (mits delegatie aan de Vlaamse Regering) verdere modaliteiten kunnen worden bepaald, maar dat de essentie in het decreet zelf moet worden opgenomen.6 De machtiging aan de Vlaamse Regering moet voldoende nauwkeurig omschreven zijn en betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de decreetgever zijn vastgesteld. De VTC verwijst naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof inzake delegatie door de wetgever.7 24. Er is sprake van bijzondere categorieën van persoonsgegevens in de zin van de artikel 9 en categorieën persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 10, AVG waardoor er strengere beveiligingsmaatregelen vereist zijn. De VTC wijst op de toepasselijkheid van de artikelen 9 en 10, §2, WVG die aangeven welke bijkomende veiligheidsmaatregelen moeten voorzien worden:
de categorieën van personen aanwijzen die de persoonsgegevens kunnen raadplegen, waarbij hun hoedanigheid ten opzichte van de verwerking van de betrokken gegevens nauwkeurig moet worden omschreven;
de lijst van de aldus aangewezen categorieën van personen ter beschikking houden van de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor gegevensbescherming;
ervoor zorgen dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting, of door een evenwaardige contractuele bepaling ertoe gehouden zijn het vertrouwelijke karakter van de betrokken gegevens in acht te nemen.
25. Andere maatregelen kunnen geformuleerd worden op basis van een gegevensbeschermingseffectenbeoordeling (zie verder).
3. Doelbinding 26. Persoonsgegevens moeten voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt (artikel 5, 1, b) AVG).
27. Artikel 3 van het Ontwerp bepaalt de doelstelling van het nieuwe meldpunt:
“De doelstelling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag is, binnen de opdrachten van het meldpunt, de aanpak van grensoverschrijdend gedrag in de Vlaamse sectoren door op een laagdrempelige wijze meldingen omtrent grensoverschrijdend gedrag mogelijk te maken.” 28. Over de doelstelling van het meldpunt wordt het volgende gezegd in de toelichting (onderlijning VTC):
6 Advies Algemene Vergadering Afdeling Wetgeving Raad van State, 68.936/AV van 7 april 2021, opmerking 101 (Parl.St. Kamer 2020-21, nr. 55-1951/001, 119); In dat verband is de afdeling Wetgeving van oordeel dat ongeacht de aard van de betrokken aangelegenheid, de volgende elementen in beginsel ‘essentiële elementen’ uitmaken: 1°) de categorie van verwerkte gegevens; 2°) de categorie van betrokken personen; 3°) de met de verwerking nagestreefde doelstelling; 4°) de categorie van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens; en 5°) de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens”, in dezelfde zin GwH 10 maart 2022, nr. 33/2022, B.13.1; 22 september 2022, nr. 110/2022, B.11.2.
7 bv. GwH nr. 166/2011, 10 november 2011, overw. B.43.3 e.v., GwH nr. 158/2021, 18 november 2021, overw. B.8.4.2., GwH nr.
26/2023, 16 februari 2023, overw. B.74.1.
VTC/A/W/2024/013/AT
“De doelstelling van het meldpunt is om, binnen de opdrachten van het meldpunt, de aanpak van grensoverschrijdend gedrag in Vlaanderen te verbeteren. Het is echter niet de bedoeling om de reeds bestaande interne meldpunten te vervangen. Het meldpunt betreft een aanvullend aanbod voor organisaties en sectoren waar bijvoorbeeld dergelijk meldpunt niet bestaat of waar slachtoffers geen vertrouwen hebben in het interne meldpunt. Het meldpunt zet in op samenwerking en maximale complementariteit met al het reeds bestaande aanbod in het Vlaamse landschap rond grensoverschrijdend gedrag. Om die samenwerking verder vorm te geven kunnen samenwerkingsprotocollen worden afgesloten. In die protocollen kunnen bijvoorbeeld afspraken worden gemaakt rond doorverwijzing, centrale registratie van meldingen, het afstemmen van de procedures en informatie-uitwisseling.” 29. De volgende doeleinden van de verwerking worden in het Ontwerp vermeld (artikel 13, §1, eerste lid en derde lid):
“Art. 13. §1. Voor zover het noodzakelijk is om de doelstelling, vermeld in artikel 3, §1, tweede lid, van dit decreet, te realiseren, kan het meldpunt AJH de volgende persoonsgegevens verwerken: […]”.
30. De doeleinden voor de verwerking door het Agentschap Justitie en Handhaving worden verder gespecifieerd in het derde lid:
“De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen op de volgende wijzen worden verwerkt:
de personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die instaan voor de operationele werking van het meldpunt AJH, kunnen de persoonsgegevens verwerken om de opdrachten, vermeld in artikel 7, uit te voeren;
[…]”.
31. Artikel 7 van het Ontwerp bepaalt het volgende:
“Art. 7. Het meldpunt AJH vervult de volgende opdrachten:
1° in een individueel aanbod voorzien voor personen die een melding van grensoverschrijdend gedrag doen;
2° beleidsadviezen verstrekken aan en opvolgen en ondersteunen van organisaties die betrokken zijn bij meldingen van grensoverschrijdend gedrag.
De opdracht, vermeld in het eerste lid, 1°, omvat de volgende deelopdrachten:
1° meldingen van grensoverschrijdend gedrag ontvangen en op basis daarvan aan vraag- en aanbodverheldering doen;
2° gesprekken voeren met het oog op ondersteuning en erkenning;
3° ondersteuning bieden en een melding van grensoverschrijdend gedrag en de daaropvolgende procedure binnen een specifieke sector of organisatie opvolgen;
4° een warme doorverwijzing bieden naar een extern aanbod;
5° een kortdurend psychologisch ondersteunend traject aanbieden;
6° een juridisch consult aanbieden over de burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke mogelijkheden;
7° bemiddelingsgesprekken en herstelgesprekken voeren.
[…] Het verstrekken van beleidsadviezen als vermeld in het eerste lid, 2°, gebeurt op eigen initiatief van het meldpunt AJH of op verzoek van de organisatie die betrokken is bij meldingen van grensoverschrijdend gedrag of van overheden die afhangen van het Vlaams Gewest of de Vlaamse Gemeenschap.” 32. De VTC is van oordeel dat het doeleinde welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd zijn.
VTC/A/W/2024/013/AT 4. Verantwoordelijkheid 33. Artikel 4, 7), AVG bepaalt dat voor de verwerkingen waarvan de regelgeving het doel en de middelen vastlegt, de verwerkingsverantwoordelijke diegene is die daarin als dusdanig wordt aangewezen.
34. De toelichting zegt het volgende over de samenwerking die wordt opgezet tussen het VMRI en het meldpunt AJH:
“Artikel 3 bepaalt dat een onafhankelijk Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag wordt opgericht als zijnde een structurele samenwerking tussen het VMRI en het meldpunt AJH.
Het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag is geen op zich staand meldpunt, maar ontstaat vanuit een samenwerking tussen het meldpunt AJH en het Vlaams Mensenrechteninstituut (VMRI). Deze samenwerking is noodzakelijk omdat beide instanties, weliswaar vanuit een andere invalshoek, bevoegd zijn voor meldingen van grensoverschrijdend gedrag. Voor het VMRI gaat het dan meer concreet over de bevoegdheid voor meldingen over feiten van discriminerende en seksuele intimidatie die zich minder dan 5 jaar geleden hebben voorgedaan. Hoewel het meldpunt AJH en het VMRI een ander dienstverleningsaanbod hebben, bestaat er qua toepassingsgebied wel een overlap.
Om te vermijden dat slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag van het kastje naar de muur worden gestuurd, beslisten het Agentschap Justitie en Handhaving en het VMRI om de krachten te bundelen en een gezamenlijk Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag op te richten, met één toegangspoort voor de burger.
Bepaalde meldingen zullen dus ook zowel door het meldpunt AJH als het VMRI kunnen worden behandeld. Maar voor de burger bestaat er slechts één toegangspoort tot het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag en zal die de werking ook als één traject ervaren. De burger zal dus enkel het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag kennen, en niet het achterliggende meldpunt AJH, dat juridisch wel noodzakelijk is, bv. met het oog op de verwerking van persoonsgegevens. Een samenwerkingsprotocol tussen AJH en het VMRI zal de nadere afspraken bepalen.
Meldingen kunnen dus onder de bevoegdheid van zowel het VMRI als het meldpunt AJH vallen. In onderling overleg met de melder wordt beoordeeld of het wenselijk is of een melding al dan niet gezamenlijk wordt behandeld. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat er een bemiddelingstraject bij het VMRI loopt en gelijktijdig een traject met het oog op erkenning bij het meldpunt AJH wordt gevolgd.
Als een dossier gezamenlijk behandeld wordt, geven beide organisaties inzage in mekaars dossier en stemmen met het oog op een efficiënte aanpak op regelmatige basis af.
Als een melding enkel onder de bevoegdheid van een van beiden valt, wordt de melding intern doorgestuurd. Dit alles ten voordele van de melder, die in praktijk slechts één traject hoeft te doorlopen en niet opnieuw een melding moet doen.
De onafhankelijkheid van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag wordt gegarandeerd door het feit dat zowel het VMRI als het meldpunt AJH beiden decretaal als onafhankelijk worden benoemd.“ 35. Deze werkwijze wordt onder meer ook vastgelegd in artikel 21 en 25 die het VMRI-decreet wijzigen.
36. Artikel 19 van het Ontwerp bepaalt het volgende over de hoedanigheid van het VMRI:
“Art. 19. Aan artikel 6, tweede lid8, van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd:
“In de voormelde hoedanigheid maakt het VMRI ook deel uit van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag.” 8 Artikel 6, tweede lid: “Het VMRI treedt op als orgaan voor de bevordering, analyse, monitoring en ondersteuning van de gelijke behandeling van alle personen.” VTC/A/W/2024/013/AT 37. Volgens de toelichting wordt deze zin toegevoegd aan het VMRI-decreet om te benadrukken dat het Vlaams Mensenrechteninstituut, in de hoedanigheid van gelijkheidsorgaan, ook deel uitmaakt van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag.
38. De VTC kijkt naast de onderlinge verhoudingen vooral naar de effectieve verwerking van de persoonsgegevens.
Artikel 13, §3 van het Ontwerp legt vast wie de verwerkingsverantwoordelijke is voor het meldpunt:
“Artikel 13, §3. Het Agentschap Justitie en Handhaving treedt op als verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.
39. De decreetgever maakt hierbij een keuze voor het agentschap Justitie en Handhaving. Het is positief dat er daarmee duidelijkheid is voor de betrokkenen over tot wie zij zich moeten wenden.
40. De decreetgever, de Vlaamse Regering en de verwerkingsverantwoordelijken moeten nagaan of het uitvoeren van een gegevensbeschermingseffectenbeoordeling (GEB - artikel 35, AVG)9 al dan niet noodzakelijk is. De VTC verwijst naar de lijst van de VTC[10 met verwerkingen waarvoor een Vlaamse bestuursinstantie een GEB moet uitvoeren conform artikel 35,4 van de AVG.
41. De VTC meent alvast dat het uitvoeren van een GEB aangewezen zal zijn. Het betreft mogelijk geen grootschalige verwerkingen (tenzij ze worden gecombineerd met andere verwerkingen), maar de verwerking heeft betrekking op gegevens bedoeld in artikel 9 en 10, AVG en zeer gevoelige informatie in ruime zin.
42. De VTC wijst erop dat een GEB aan de VTC kan worden voorgelegd voor advies. Bij een hoog risico is de consultatie van de VTC verplicht.11 5. Minimale gegevensverwerking 43. Conform artikel 5.1, c), AVG, moeten de persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend en beperkt zijn tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.
44. De categorieën betrokkenen worden vermeld in artikel 13, §1, tweede lid van het Ontwerp:
“De personen van wie de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen worden verwerkt, zijn de melders van grensoverschrijdend gedrag en de personen die betrokkenheid vertonen met de context van het grensoverschrijdend gedrag dat wordt gemeld.” 45. De VTC merkt op dat de tweede genoemde categorie zeer ruim is. Het valt daarbij op dat de persoon of personen die in de melding vernoemd worden als daders, plegers, … niet als (aparte) categorie worden aangeduid, terwijl de 9 Voor meer uitleg over en model van GEB, zie:
- https://www.vlaanderen.be/vlaamse-toezichtcommissie/verplichtingen-bij-het-verwerken-vanpersoonsgegevens/gegevensbeschermingseffectbeoordeling-dpia - Info op website van de federale Gegevensbeschermingsautoriteit:
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/professioneel/avg/effectbeoordeling-geb - Aanbeveling CBPL nr. 01/2018 (https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/aanbeveling-nr.-01-2008.pdf) - Richtlijnen Groep 29 (WP 248) (https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/handleidinggegevensbeschermingseffectbeoordeling.pdf) 10 Beslissing VTC nr. O/2020/01 van 14 januari 2020 betreffende Aanname van de lijst met verwerkingen waarvoor een Gegevensbeschermingseffectbeoordeling dient te worden uitgevoerd conform artikel 35.4 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming door Vlaamse bestuursinstanties https://www.vlaanderen.be/vlaamse-toezichtcommissie/machtigingenen-adviezen-vlaamse-toezichtcommissie/lijst-vtc-criteria-geb-dpia 11 Artikel 36, AVG bepaalt dit als volgt: “Wanneer uit een gegevensbeschermingseffectbeoordeling krachtens artikel 35 blijkt dat de verwerking een hoog risico zou opleveren indien de verwerkingsverantwoordelijke geen maatregelen neemt om het risico te beperken, raadpleegt de verwerkingsverantwoordelijke voorafgaand aan de verwerking de toezichthoudende autoriteit.” VTC/A/W/2024/013/AT bescherming van hun persoonsgegevens ook van zeer groot belang is. Dat maakt het moeilijk om zo nodig bijzondere regels voor hen te bepalen.
46. Ook de definitie van “pesterijen” is zeer ruim. Dit staat in contrast met de waarborgen die (niet) geboden worden aan de mogelijke dader (zie infra).
47. De categorieën van persoonsgegevens worden aangeduid in artikel 13, §1, eerste lid van het Ontwerp:
1° identificatiegegevens, waaronder voor- en achternaam en het rijksregisternummer of het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2° contactgegevens;
3° beroepsgegevens;
4° persoonsgegevens die blijken uit de feitelijke omstandigheden van de melding van grensoverschrijdend gedrag;
5° persoonsgegevens die blijken uit de opvolging van een melding van grensoverschrijdend gedrag;
6° bijzondere categorieën van persoonsgegevens als vermeld in artikel 9 van de algemene verordening gegevensbescherming;
7° politionele en gerechtelijke gegevens.
48. De toelichting geeft geen uitleg bij de zeer ruime categorieën betrokkenen of gegevens.
49. In de mate dat de adviesvrager op de hoogte is van meer specifieke categorieën, adviseert de VTC om deze te vermelden. Er kan ook delegatie gegeven worden aan de Vlaamse Regering om de categorieën verder uit te werken.
In de toelichting kunnen voorbeelden worden toegevoegd, ook voor wat mogelijke cases betreft waarvoor het VMRI eveneens bevoegd is.
50. Wat de personen die toegang krijgen tot de gegevens betreft:
- dit zijn in eerste instantie de personeelsleden van het meldpunt AJH - in tweede instantie zijn het de personeelsleden van de organisaties waarmee gegevens worden gedeeld door van het meldpunt AJH, zoals opgesomd in artikel 13, §1, derde lid:
het openbaar ministerie als dat noodzakelijk is voor de afstemming, vermeld in artikel 10, §1, tweede lid. Deze bepaling stelt het volgende:
“Bij een lopend strafrechtelijk onderzoek of in geval van strafrechtelijke vervolging kan het meldpunt AJH de deelopdrachten, vermeld in artikel 7, tweede lid, 1° tot en met 6°, van dit decreet, uitvoeren. Om de deelopdracht, vermeld in artikel 7, tweede lid, 7°, van dit decreet, uit te voeren, verwijst het meldpunt AJH bij een lopend strafrechtelijk onderzoek of in geval van strafrechtelijke vervolging naar de organisaties die hiertoe gesubsidieerd worden conform hoofdstuk 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2019 houdende de subsidiëring van initiatieven die voorzien in een herstelgericht en constructief hulp- en dienstverleningsaanbod voor verdachten, in verdenking gestelde personen, beklaagden, veroordeelden of geïnterneerden, en voor slachtoffers van misdrijven, alsook voor hun onmiddellijke omgeving, dat niet wordt verstrekt ter uitvoering van een beslissing van een gerechtelijke of administratieve overheid. Als het meldpunt AJH het voornemen heeft om bepaalde acties te ondernemen met betrekking tot de melding van grensoverschrijdend gedrag, met uitzondering van acties naar de melder toe, stemt het meldpunt AJH voorafgaand en met akkoord van de melder af met het openbaar ministerie.” met het VMRI met het oog op de toepassing van artikel 3, §3 (zie hiervoor), en artikel 4 (monitoring – zie luik 9 van dit advies);
kunnen, met het oog op een doorverwijzing, de persoonsgegevens delen met de hulpverlening, op voorwaarde dat de persoon die wordt doorverwezen, minstens mondeling zijn akkoord heeft gegeven om die gegevens mee te delen;
VTC/A/W/2024/013/AT met het oog op de toepassing van artikel 8 en als dat noodzakelijk is om de nodige informatie te verkrijgen, gegevens over de melding van grensoverschrijdend gedrag bezorgen aan de organisatie of het interne meldpunt12 als de melder minstens mondeling zijn akkoord heeft gegeven om die gegevens te bezorgen. Artikel 8 bepaalt het volgende:
“Art. 8. Het meldpunt AJH is bevoegd om alle personen te horen en alle nodige informatie in te winnen en documentatie op te vragen als dat redelijkerwijze nodig is om de opdrachten, vermeld in artikel 7, uit te voeren.
Het meldpunt AJH kan bij een verzoek om informatie of om documenten een dwingende termijn opleggen om aan dat verzoek te beantwoorden.
Het meldpunt AJH kan ter plaatse gaan bij overheden, openbare instellingen en organisaties, met uitzondering van de bewoonde lokalen, om de nodige vaststellingen te doen en om te vragen alle informatie en documentatie te bezorgen.
De personen die worden gevraagd om informatie of documenten te bezorgen, zijn ten aanzien van het meldpunt ontheven van hun plicht tot geheimhouding over feiten waarvan ze op de hoogte zijn en over gegevens waarover ze beschikken door hun staat of beroep, met uitzondering van de gegevens die door het medisch geheim beschermd zijn.
[…]” 51. De VTC benadrukt dat de toegang tot de gevraagde gegevens enkel kan open gesteld worden voor de taken en het werkgebied waar iedere medewerker van de ontvangende organisaties voor bevoegd is.
52. Wat de gegevensdeling met het VMRI betreft, adviseert de VTC dat er bepaald wordt dat het meedelen van persoonsgegevens voor monitoringdoeleinden beperkt blijft tot door (of voor) het agentschap JH geanonimiseerde persoonsgegevens.
53. Ze beoordeelt het positief dat het akkoord van de betrokkene wordt gevraagd als beschermingsmaatregel. Het is volgens haar wel aangewezen om het akkoord schriftelijk te laten geven.
54. Het laatste lid van artikel 8 van het Ontwerp geeft volgende delegatie aan de Vlaamse Regering:
“De Vlaamse Regering kan met betrekking tot de activiteiten, vermeld in het eerste, tweede en derde lid de wijze van samenwerking van het meldpunt AJH met de bevoegde entiteiten voor toezicht en handhaving van het beleidsdomein waar de organisatie in kwestie onder valt, nader bepalen.” 55. Deze inspectiediensten kunnen dus ook ontvangers zijn van de persoonsgegevens. De VTC adviseert om dit uitdrukkelijker te bepalen in het Ontwerp (i.p.v. via een delegatiebepaling).
56. Het is de VTC niet duidelijk of Audit Vlaanderen ook onder deze omschrijving valt voor wat de Vlaamse (bestuurs)instanties betreft.
57. Voor zover de gegevensdelingen beantwoorden aan de definitie van mededeling zoals bedoeld in het e-govdecreet13, zal er rekening moeten gehouden worden met artikel 8 van het Vlaams e-govdecreet van 18 juli 2008, dat aan Vlaamse instanties de verplichting oplegt om protocollen af te sluiten voor de mededeling van persoonsgegevens aan andere overheden.
12 intern meldpunt: een sectoraal meldpunt of aanspreekpunt waar meldingen van grensoverschrijdend gedrag worden behandeld (artikel 2, 8° van het Ontwerp) 13 Artikel 2, 7: “mededeling : een of meer bewerkingen als vermeld in artikel 4, 2), van de algemene verordening gegevensbescherming, die slaan op het verstrekken van gegevens door middel van doorzending, het verspreiden, en het op welke andere wijze ook ter beschikking stellen van gegevens, voor zover dat op systematische en georganiseerde wijze gebeurt.[…]” VTC/A/W/2024/013/AT 58. De VTC wijst erop dat optioneel advies aan haar kan gevraagd worden over een ontwerpprotocol.
59. Aangezien er ook rijksregisternummers worden verwerkt, vestigt de VTC de aandacht op de artikelen 5 en 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen die een machtigingsvereiste instellen van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken voor het gebruik van het rijksregisternummer14;
60. Krachtens artikel 5.1, e), AVG mogen persoonsgegevens niet langer worden bewaard, in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.
61. Artikel 13 legt een bewaartermijn vast:
“§4. De persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor het doeleinde, vermeld in artikel 3, §1, tweede lid. De maximale bewaartermijn van de persoonsgegevens die verwerkt worden naar aanleiding van een melding van grensoverschrijdend gedrag, bedraagt tien jaar. De voormelde termijn vangt aan op de datum dat het dossier bij het meldpunt wordt afgesloten.“ 62. In de toelichting wordt hierover het volgende gezegd:
“De regels omtrent de bewaring van de persoonsgegevens worden vastgelegd. Sowieso geldt het principe van de minimale gegevensverwerking, waardoor persoonsgegevens niet langer dan noodzakelijk mogen worden bewaard. De maximale bewaartermijn wordt vastgelegd op tien jaar vanaf het afsluiten van het dossier. Deze bewaartermijn is noodzakelijk zodat er gedurende 10 jaar na het afsluiten van het dossier nog inzage kan zijn in het dossier wanneer er bijvoorbeeld nieuwe meldingen over eenzelfde organisatie/persoon binnenkomen of indien de melder nieuwe feiten wil melden of zijn/haar dossier wil inkijken in het kader van verdere gerechtelijke of tuchtprocedures. “ 63. De VTC is van oordeel dat deze termijn te ruim is, zowel waar het de gegevens van de melders als die van de eventuele daders betreft. Bovendien wordt er geen transparantie verzekerd naar de eventuele dader toe waardoor informatie over die persoon lang wordt bewaard zonder dat die mogelijk ergens weet van heeft. Aangezien de informatie mogelijk ook wordt doorgegeven aan justitie, kan bij een eventuele fout ook de strafrechtelijke procedure gehypothekeerd worden. De VTC verwijst naar de klokkenluidersregeling (zie ook verder) waarin er meer garanties worden opgenomen voor alle partijen. Er wordt terecht prioriteit gegeven aan de melder, maar (vooral) voor de eventuele dader moet het duidelijk zijn of het een permanente werking betreft met de nodige strenge garanties of een werking als doorgeefluik waarbij de gegevens niet zo lang moeten worden bijgehouden.
6. Juistheid 64. Persoonsgegevens moeten juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd (artikel 5, 1, d), AVG).
65. Het Ontwerp bevat geen bepalingen hierover. Gezien de gevoeligheid van de gegevens, in het bijzonder waar het beoordelingen betreft, beveelt de VTC aan om die op te nemen, eventueel door te verwijzen naar bestaande regelingen.
7. Rechten van de betrokkenen en transparantie 66. Artikel 12 AVG bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen neemt opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14, AVG bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 AVG bedoelde 14 Zie artikelen 5 en 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
VTC/A/W/2024/013/AT communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt.
67. In artikel 15 van het Ontwerp werden transparantiemaatregelen opgenomen:
“Art. 15. Het Agentschap Justitie en Handhaving neemt passende maatregelen met het oog op transparantie ten aanzien van melders en andere personen die betrokken zijn bij een melding van grensoverschrijdend gedrag.
De maatregelen, vermeld in het eerste lid, hebben onder meer tot doel dat de globale regeling voor de gegevensverwerking in het kader van het meldpunt AJH voldoende duidelijk is, en dat het voor de betrokkenen duidelijk is op welke wijze de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 21 van de algemene verordening gegevensbescherming, worden toegepast.” 68. De toelichting beklemtoont ook het belang van transparantie:
“Artikel 15 Het is van belang dat het voor personen die in aanraking komen met het meldpunt, duidelijk is wat met hun persoonsgegevens gebeurt. Concreet zou dit er kunnen in bestaan dat het Agentschap Justitie en Handhaving in haar privacyverklaring opneemt op welke wijze zij persoonsgegevens verwerkt in het kader van de werking van het meldpunt. Ook zal er moeten worden aangegeven op welke wijze de AVG-rechten zullen worden nageleefd.” 69. De VTC beoordeelt dit positief.
8. Vertrouwelijkheid 70. Het Ontwerp bevat bepalingen m.b.t. het beroepsgeheim.
71. Artikel 14 betreft het beroepsgeheim dat ingesteld wordt voor de personeelsleden van het agentschap:
“Art. 14. De personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die betrokken zijn bij de operationele werking van het meldpunt AJH, zijn onderworpen aan het beroepsgeheim conform artikel 458 van het Strafwetboek.” 72. De VTC wijst erop dat zo niet in een decretale uitzondering conform artikel 458 van het Strafwetboek wordt voorzien, de personeelsleden van het agentschap de gegevens niet kunnen delen.
73. Artikel 17 voert een algemene uitzondering in op het strafrechtelijk gesanctioneerde beroepsgeheim voor meldingen in het kader van dit decreet, maar niet voor de eigen personeelsleden van het agentschap (onderlijning VTC):
“Art. 17. Medewerkers in sectoren en van organisaties waarvoor de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bevoegd is, kunnen, met het oog op de bescherming van de integriteit van een slachtoffer, grensoverschrijdend gedrag waarvan ze bij de uitoefening van hun beroep kennis hebben gekregen, bij het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag melden zonder dat die medewerkers wegens eventuele miskenning van het beroepsgeheim strafbaar kunnen worden gesteld op basis van artikel 458 van het Strafwetboek. De medewerkers kunnen alleen de noodzakelijke informatie meedelen aan het meldpunt als ze de integriteit van het slachtoffer niet zelf of met behulp van anderen kunnen garanderen.” 74. De toelichting zegt hierover het volgende (onderlijning VTC):
“Artikel 17 bevat een uitzondering op de geheimhoudingsplicht en de voorwaarden daartoe. Op deze manier wordt decretaal een grond voorzien om de geheimhoudingsplicht te doorbreken. Iemand kan VTC/A/W/2024/013/AT immers enkel vertrouwelijke informatie bekend maken wanneer hij zich kan beroepen op een uitzondering op het beroepsgeheim.
De geheimhoudingsplicht bewaakt de toegangspoort tot een vertrouwensfunctie. Het beschermt de individuele melder en bestaat ook in het belang van de samenleving als geheel. Toch is de geheimhoudingsplicht niet absoluut en moet of kan het belang dat de melder, de samenleving en de beroepsbeoefenaar heeft bij het geheimhouden van de informatie aan de kant geschoven worden wanneer een hoger belang zich aandient. De veiligheid of integriteit van personen wordt als dergelijk belang algemeen erkend.
De finaliteit van de melding bij het meldpunt door een persoon die gehouden is tot een geheimhoudingsplicht, is de bescherming van de fysieke of psychische integriteit van een slachtoffer door op een efficiënte manier de nodige ondersteuning te kunnen aanbieden.
Het doorbreken van de geheimhoudingsplicht heeft steeds een subsidiair karakter. Enkel indien de geheimhoudingsplichtige de integriteit van het slachtoffer niet zelf of met behulp van anderen kan garanderen, is de uitzondering op het beroepsgeheim toegestaan. Het doorbreken van het beroepsgeheim moet immers op de minst ingrijpende manier gebeuren. Kan iemand zelf de nodige ondersteuning verlenen, dan moet hij daaraan voorrang geven.
Daar de fysieke integriteit van een persoon als het hoogste belang binnen onze rechtsorde wordt beschouwd, aanvaardde het Hof van Cassatie dat een schending van het beroepsgeheim gerechtvaardigd is wanneer het de enige manier is om het recht op fysieke integriteit van andere personen te vrijwaren.” 75. De VTC merkt op dat het ontwerpartikel niet duidelijk maakt of enkel de bescherming van de fysieke integriteit of ook de psychische integriteit bedoeld wordt. Ze beveelt aan om dit in het Ontwerp te verduidelijken (conform de rechtspraak).
9. Beveiligingsmaatregelen 76. Artikel 32 AVG verplicht de verwerkingsverantwoordelijke om gepaste technische en organisatorische maatregelen te treffen die nodig zijn voor de bescherming van de persoonsgegevens. Deze maatregelen moeten een passend beveiligingsniveau verzekeren rekening houdend, enerzijds, met de stand van de techniek ter zake en de kosten voor het toepassen van de maatregelen en, anderzijds, met de aard van de te beveiligen gegevens en de potentiële risico’s.
77. De VTC wijst erop dat aangezien de gegevens niet duidelijk afgebakend zijn en het delicate gegevens en categorieën van persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 9 en 10, AVG betreft een bijzondere aandacht vereist is inzake informatieveiligheid.
78. De VTC verwijst voor zover nuttig naar haar adviezen over klokkenluidersregelingen: advies VTC/A/W/2022/006 (onderwijs)15 en 109 (lokale besturen).
79. Artikel 32 AVG wijst op een aantal voorbeeldmaatregelen om, waar passend, een op het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen:
de pseudonimisering en versleuteling van persoonsgegevens;
het vermogen om op permanente basis de vertrouwelijkheid, integriteit, beschikbaarheid en veerkracht van de verwerkingssystemen te garanderen;
het vermogen om bij een fysiek of technisch incident de beschikbaarheid van en de toegang tot de persoonsgegevens tijdig te herstellen;
een procedure voor het op gezette tijdstippen testen, beoordelen en evalueren van de doeltreffendheid van de technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging van de verwerking.
15 https://www.eubelius.com/nl/nieuws/klokkenluidersregeling-voor-de-vlaamse-publieke-sector-het-advies-van-de-vtc-belicht VTC/A/W/2024/013/AT 80. Uit artikel 4 van het Ontwerp blijkt dat er aan anonimiseren wordt gedacht:
“Art. 4. Om een gericht beleid inzake grensoverschrijdend gedrag te kunnen voeren, bezorgt het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag geanonimiseerde gegevens over grensoverschrijdend gedrag aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement. De voormelde gegevens hebben betrekking op het aantal en de aard van de meldingen en het profiel van de melder.
Het rapport omvat ook de ontwikkelingen in de problematiek en de aanpak van grensoverschrijdend gedrag.
De Vlaamse Regering kan de vorm, de inhoud, de wijze en de periodiciteit van de rapportering, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.” 81. De toelichting verklaart het volgende:
“Artikel 4 handelt over de gezamenlijke rapportering door het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement, dit om een gericht beleid inzake grensoverschrijdend gedrag te kunnen voeren en de aanpak van grensoverschrijdend gedrag structureel te verbeteren.
De informatie in de rapporten betreffen geanonimiseerde gegevens en hebben onder meer betrekking op het profiel van de melder, dit om onder andere in kaart te brengen welke doelgroep wordt bereikt en welke niet, zodat indien nodig de aanpak van het meldpunt kan worden bijgestuurd.
De rapporten zijn openbare documenten en kunnen derhalve aan, bijvoorbeeld, lokale besturen worden bezorgd.” 82. Artikel 13 zegt hierover het volgende:
“§5. Met het oog op de rapportering, vermeld in artikel 4, verwerkt het meldpunt AJH persoonsgegevens als vermeld in paragraaf 1, eerste lid. De voormelde rapportering bevat geen informatie waaruit de identiteit van een betrokkene rechtstreeks of onrechtstreeks kan worden afgeleid. “ 83. Bij de bespreking van artikel 13:
“Met het oog op rapportering kunnen dossiers geanonimiseerd worden. Het is immers interessant om in het kader van beleidsondersteuning te beschikken over bijvoorbeeld geaggregeerde en anonieme gegevens. Op die manier kunnen er bepaalde trends worden vastgesteld en opgevolgd, zonder dat hierbij kan worden achterhaald om welke individuele personen het gaat. Aangezien de identiteit van de betrokkenen niet kan worden afgeleid, gaat het niet langer om persoonsgegevens, en zijn de bepalingen daaromtrent, zoals bijvoorbeeld de bewaartermijn, niet van toepassing.” 84. De VTC herinnert er aan dat de anonimisering zo kort mogelijk bij de bron moet gebeuren en dus niet pas bij de redactie van een rapport. Ze merkt op dat ook hier (zie infra) over de melder wordt gesproken (als voorbeeld) en niet over de mogelijke dader.
85. Voor de concrete uitwerking hiervan wijst de VTC op de aanbeveling16 ter voorkoming van gegevenslekken en op de referentiemaatregelen17 die bij elke verwerking van persoonsgegevens in acht zouden moeten worden genomen. De VTC benadrukt ook het belang van een behoorlijk gebruikers- en toegangsbeheer18 en een logging van de toegangen 16 Aanbeveling CBPL nr. 01/2013 (https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/aanbeveling-nr.-01-2013.pdf ) 17 Referentiemaatregelen CBPL voor de beveiliging van elke verwerking van persoonsgegevens, Versie 1.0 (https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/nota-inzake-de-beveiliging-van-persoonsgegevens.pdf) 18 Zie ook Aanbeveling CBPL nr. 01/2008 VTC/A/W/2024/013/AT zodat de functionaris en de toezichthouders kunnen controleren wie wanneer toegang had tot welke gegevens, wat zijn/haar acties waren en waarom19.
86. Voor zover er gedacht wordt aan het gebruik van cloudtoepassingen, verwijst de VTC naar haar adviezen en aanbevelingen daarover20.
87. In geval beroep wordt gedaan op een verwerker dan wijst de VTC op volgende vereisten::
sluiten van een verwerkersovereenkomst;
aanstellen van een DPO door de verwerker;
aanwijzen van categorieën personen die toegang hebben en lijst bijhouden.
88. In principe moet de specificering van maatregelen niet in de wetgeving worden opgenomen. Wanneer de decreetgever of in een later stadium (mits delegatie), de Vlaamse Regering echter vermoedt dat de gepaste maatregelen niet gerealiseerd zullen worden zonder dit aan de betrokken instanties expliciet op te leggen, dan moet dat wel gebeuren.21 10. Wijzingen aan VMRI-decreet 89. .De VTC heeft al advies gegeven bij de oprichting van het VMRI: advies VTC/2023/08622.
90. Artikel regelt de samenwerking vanuit de VMRI-context:
“Art. 25. Aan artikel 23 van hetzelfde decreet wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Het VMRI werkt structureel samen met het meldpunt AJH om samen het Vlaams Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag te vormen. De voormelde samenwerking wordt vormgegeven in een samenwerkingsprotocol. In het samenwerkingsprotocol worden conform artikel 13, §3, vierde lid, onder meer afspraken gemaakt over het uitwisselen van meldingen en klachten tussen het meldpunt AJH en het VMRI en over de jaarlijkse rapportage over meldingen en klachten.”.” 91. Met artikel 26 van het Ontwerp wordt de regeling m.b.t. de verwerking van persoonsgegevens aangepast:
Art. 26. In artikel 28 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 4, 1°, wordt tussen het woord “melden” en de woorden “over wie” het woord “of” ingevoegd;
2 ° aan paragraaf 4 wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“3° de natuurlijke personen die melden of over wie een melding wordt gedaan, of die worden geïdentificeerd in het kader van de behandeling van een melding als vermeld in artikel 3, §3, van het decreet van [datum].”;
3° aan paragraaf 5 wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
(https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/aanbeveling-nr.-01-2008.pdf ) Verschillende instanties kunnen hiervoor aangepaste technologische oplossingen bieden (zoals bijvoorbeeld de Kruispuntbank van de Sociale zekerheid).
19 Audit trailing of beveiligd controlespoor.
20 https://www.vlaanderen.be/vlaamse-toezichtcommissie/domeinen/cloud 21 Dit kan eventueel ook in een ministerieel besluit of een omzendbrief.
22 https://www.vlaanderen.be/vlaamse-toezichtcommissie/machtigingen-en-adviezen-vlaamse-toezichtcommissie/advieswetgeving-vtc-nr-2023-086 VTC/A/W/2024/013/AT
“7° politionele of gerechtelijke gegevens.”.
4° in paragraaf 8 wordt de zinsnede “bewaard tot vijf jaar nadat het VMRI de melding of de klacht, vermeld in artikel 12, eerste lid, en artikel 13, §1, heeft ontvangen.” vervangen door de zinsnede “bewaard tot tien jaar nadat het VMRI de behandeling van de melding of de klacht, vermeld in artikel 12, eerste lid, en artikel 13, §1, heeft afgesloten.”.
92. De VTC heeft geen commentaar bij deze aanpassingen die de twee decreten op elkaar afstemmen.
III. BESLUIT 93. De VTC is van oordeel dat het voorgelegde voorontwerp voldoende waarborgen zou kunnen bieden wat de bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkenen betreft, op voorwaarde dat volgende elementen bijkomend worden geïmplementeerd, inzonderheid:
- een GEB op te stellen en aan haar voor advies voor te leggen (luik 4);
- na te gaan of de categorieën betrokkenen en gegevens niet verder kunnen gespecifieerd worden (luik 5);
- het meedelen van persoonsgegevens voor monitoringdoeleinden beperken tot door (of voor) het agentschap JH geanonimiseerde persoonsgegevens (luik 5);
- het akkoord van de betrokkene schriftelijk laten geven (luik 5);
- de bewaartermijn herbekijken;
- verduidelijken of enkel de bescherming van de fysieke integriteit of ook de psychische integriteit bedoeld wordt in het kader van de uitzondering op het beroepsgeheim (luik 8);
- de beschermingsmaatregelen van de klokkenluidersregeling overwegen.
Hans Graux, Voorzitter VTC ADVIES VAN DE STRATEGISCHE ADVIESRAAD VOOR CULTUUR, JEUGD, SPORT EN MEDIA Advies over het voorontwerp van decreet tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag 19 januari 2024 Advies Algemene Raad i.s.m. de Sectorraad Kunsten en Erfgoed, de Sectorraad Sociaal-Cultureel Werk, de Vlaamse Sportraad en de Sectorraad Media 19 januari 2024 AAddvviieess oovveerr hheett vvoooorroonnttwweerrpp vvaann ddeeccrreeeett ttoott oopprriicchhttiinngg eenn rreeggeelliinngg vvaann hheett VVllaaaammss MMeellddppuunntt vvoooorr GGrreennssoovveerrsscchhrriijjddeenndd GGeeddrraagg De SARC werd op 22 december 2023 door Vlaams minister Zuhal Demir om advies gevraagd over het voorontwerp van decreet tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag.
II.. SSIITTUUEERRIINNGG Dit ontwerp van decreet vloeit voort uit de beleidsnota 2019-2024 Justitie en Handhaving waar slachtoffers centraal worden gesteld in het Vlaams beleid en past binnen het engagement van de Vlaamse regering om duurzaam werk te maken van beleidsacties die zowel de fysieke, psychische als seksuele integriteit beschermen.
Met dit voorontwerp van decreet wordt een Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag opgericht. Dit meldpunt betreft een samenwerking tussen het Agentschap Justitie en Handhaving en het Vlaams Mensenrechteninstituut. De doelstelling van het meldpunt is de aanpak van grensoverschrijdend gedrag mogelijk te maken. Het meldpunt is toegankelijk voor personen met een melding over grensoverschrijdend gedrag in alle aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest vallen.
Het meldpunt heeft een tweeledige opdracht:
De eerste en tevens kernopdracht van het meldpunt bestaat erin om meldingen van grensoverschrijdend gedrag te ontvangen en er een passend gevolg aan te verbinden.
De tweede opdracht van het meldpunt betreft het monitoren en in kaart brengen van de meldingen van grensoverschrijdend gedrag binnen de Vlaamse sectoren bij het meldpunt. Op basis hiervan kunnen aanbevelingen worden geformuleerd aan de organisaties waar het grensoverschrijdend gedrag plaatsvond. Anderzijds kunnen ook aanbevelingen naar de hele sector worden gericht, naar het beleid of zelfs over verschillende sectoren heen. Op die manier kan grensoverschrijdend gedrag ook structureel worden aangepakt.
Advies over het voorontwerp van decreet tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag 19 januari 2024 IIII.. AADDVVIIEESS De SARC adviseert positief bij initiatieven die de Vlaamse Regering neemt om de aanpak van grensoverschrijdend gedrag (GOG) te optimaliseren. Dit is inderdaad een belangrijk maatschappelijk thema en de raad vindt het initiatief om een centraal meldpunt op te richten waar slachtoffers terecht kunnen voor begeleiding en dat ook richting de Vlaamse overheid beleidsadviezen kan verstrekken op zich een positief signaal dat het belang van een aanpak van dit maatschappelijk probleem onderstreept.
Erkenning bestaande initiatieven en kanalen De SARC wil benadrukken dat er reeds verschillende initiatieven zijn binnen de CJSM-sectoren die inzetten op dezelfde problematiek, waar de raad ook al advies over heeft uitgebracht1. De structurele en laagdrempelige aanpak die al vroeg aanwezig was in de sportsector mag hierbij benadrukt worden. Ook in de mediasector hebben tal van spelers reeds zelf uitgebreid geïnvesteerd in een eigen werking zowel om GOG te voorkomen als meldingen in alle vertrouwen, met de nodige psychosociale ondersteuning efficiënt en krachtdadig te behandelen. Het is voor de SARC dan ook belangrijk dat de Vlaamse overheid de waarde en de credibiliteit van deze bestaande initiatieven onderstreept.
De SARC vindt het belangrijk dat er (nog) meer wordt ingezet op de bekendmaking en de toegankelijkheid van de bestaande kanalen. De nota aan de Vlaamse regering geeft dit zelf aan. Een Vlaams meldpunt kan een meerwaarde zijn, maar het is belangrijk dat dit nieuwe Vlaamse meldpunt laagdrempelig en breed gekend is. Het moet altijd duidelijk zijn waar melders/slachtoffers terecht kunnen met welk probleem.
Complementariteit en afstemming In eerdere adviezen van de SARC wordt tevens benadrukt dat afstemming tussen sectorspecifieke en breder opererende initiatieven die inzetten op grensoverschrijdend gedrag belangrijk is, en dat sectorspecifiek beleid m.b.t. dit onderwerp deel uitmaakt van en ingebed moet zijn in een breder en algemeen beleid in Vlaanderen2. Gevallen van grensoverschrijdend gedrag beperken zich namelijk vaak niet in zijn geheel binnen één specifieke sector.
De SARC stelt vast dat het algemeen meldpunt een melder kan doorverwijzen naar de sectorspecifieke meldpunten en/of na toestemming het dossier rechtstreeks kan doorgeven aan het sectorspecifieke meldpunt. De SARC stelt de vraag of dit ook andersom het geval kan zijn. De raad pleit met andere woorden voor een tweerichtingsverkeer tussen het meldpunt en de andere organisaties.
1 O.a. Sectorraad Media - 25 maart 2022. Advies bij het Actieplan tegen grensoverschrijdend gedrag in de Vlaamse mediasector. https://www.vlaanderen.be/sarc/sites/sarc/files/2022- 03/20220325_advies_grensoverschrijdendgedrag_mediasector.pdf Vlaamse Sportraad – 7 februari 2019. Advies bij de wijziging van het uitvoeringsbesluit bij het decreet georganiseerde sportsector, inzake het integriteitsbeleid van de sportfederaties.
https://www.vlaanderen.be/sarc/system/files/import20190207_Advies_integriteitsbeleid_sportfederaties.pdf 2 Vlaamse Sportraad - 10 oktober 2023. Advies over het voorontwerp van decreet veilig sportklimaat.
https://www.vlaanderen.be/sarc/sites/sarc/files/2023-10/20231012_advies_decreet_veilig_sportklimaat.pdf Advies over het voorontwerp van decreet tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag 19 januari 2024 Het Vlaams Meldpunt moet volgens de raad in bredere zin ondersteunend kunnen werken voor de sectorspecifieke meldpunten, door bv. de expertise van een medewerker van het Vlaams Meldpunt in te zetten voor dossiers van deze sectorspecifieke meldpunten. Deze medewerker kan fungeren als aanspreekpunt voor de onderscheiden sectoren.
De SARC vindt het belangrijk dat er voldoende duidelijkheid heerst over de rol en de rangorde van de verschillende niveaus. Daarnaast dient er gewaakt te worden over de verenigbaarheden van de diverse (al dan niet via andere wetgeving geregelde) procedures en dat het bestaan van verschillende meldpunten en procedures geen aanleiding geven tot inefficiënties, overlappingen, tegenstrijdigheden of (bijkomende) onduidelijkheden creëert. De SARC vraagt dan ook dat dit nader juridisch wordt bekeken met name voor die spelers/sectoren waar er reeds meldpunten bestaan.
Ofschoon met name de memorie bij het decreet de complementariteit van het meldpunt ten opzichte van bestaande meldpunten/procedures benadrukt, is dit in het decreet niet als dusdanig omschreven en is het dan ook onduidelijk wat dit concreet impliceert. Het is ook niet duidelijk hoe de verschillende meldpunten dit van elkaar kunnen weten, aangezien zij (vaak op basis van andere wetgeving) tot vertrouwelijke behandeling van de door hen ontvangen meldingen verplicht zijn.
Heldere procedures De memorie lijkt aan te geven dat bij een lopende procedure, het meldpunt haar rol zal beperken tot een opvolging van de lopende procedure, maar het is onduidelijk in hoeverre indien een procedure op sector of bedrijfsniveau is afgesloten, de melder nogmaals een procedure kan initiëren bij het Vlaams Meldpunt en hoe het Vlaams Meldpunt hiermee om zal gaan (als een soort beroepsinstantie? een inhoudelijke of vormelijke beoordeling?). En wat bijvoorbeeld met dadingen die werden gesloten (vaak met een vertrouwelijkheidsverplichting)? Het is belangrijk dat dit wordt opgehelderd en de credibiliteit van de bestaande meldpunten op sectoraal en bedrijfsniveau wordt bevestigd.
Vertrouwelijkheid Een van de pijlers van een goede vertrouwenswerking is ook dat de vertrouwelijkheid van het dossier en het beroepsgeheim van de vertrouwenspersonen en preventieadviseurs absoluut wordt gegarandeerd. Het huidige ontwerp geeft het meldpunt evenwel de bevoegdheid om zaken op te vragen bij instanties en vertrouwenspersonen en hen daarbij te ontslaan van hun beroepsgeheim (artikel 8). Daarnaast voorziet het ontwerp de mogelijkheid voor medewerkers van een bedrijf/entiteit (ook zij die gebonden zijn door een beroepsgeheim) om een dossier te melden aan het meldpunt (artikel 17). Beide artikelen vindt de SARC problematisch. Zelfs in het kader van een strafrechtelijke onderzoek wordt het beroepsgeheim van de vertrouwenspersonen en preventieadviseurs met reden volledig gerespecteerd. Zonder absolute garanties op vertrouwelijkheid zullen individuen geen meldingen meer doen bij het vertrouwensnetwerk en wordt net de drempel om meldingen te doen nodeloos verhoogd. En zullen ook derde partijen niet geneigd zijn om verklaringen af te leggen in een dossier. Het is ook niet omdat één melder de stap zet richting het meldpunt, dat andere betrokken partijen wensen af te zien van de vertrouwelijkheid van hun verklaringen.
Advies over het voorontwerp van decreet tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag 19 januari 2024 Rapportering, monitoring en advisering De SARC vindt het positief dat het monitoren en in kaart brengen van de meldingen van grensoverschrijdend gedrag binnen de Vlaamse sectoren als duidelijke opdracht wordt omschreven en wil het belang van kwalitatieve monitoring nogmaals benadrukken. Hierbij is opnieuw afstemming tussen het Vlaams Meldpunt en de interne meldpunten belangrijk.
Ofschoon het zeer interessant is om inzichten over verschillende sectoren, ondernemingen en instanties te bundelen en hieruit adviezen op te maken, blijft er eveneens onduidelijkheid over de rapporteringsverplichting die dit met zich mee zal brengen. Ook daarover is enige verduidelijking gewenst.
Namens de Algemene Raad, Annick Schramme, algemeen voorzitter Bart Dierick, algemeen secretaris Namens de Sectorraad Kunsten en Erfgoed, Bart Demuyt, voorzitter Sigrid Bosmans, ondervoorzitter Laura Van Wijnsberghe, secretaris Namens de Sectorraad Sociaal-Cultureel Werk, Frie De Greef, voorzitter Dirk Verbist, ondervoorzitter Liesbeth Lemiere, secretaris Namens de Vlaamse Sportraad, Astrid Vervaet, voorzitter Marc Vlogaert, ondervoorzitter Maarten Koolen, secretaris Namens de Sectorraad Media, Simon Delaere, voorzitter Tom Evens, ondervoorzitter Valerie Ansoms, secretaris ADVIES VAN DE VLAAMSE ONDERWIJSRAAD BIJLAGEN / DATUM 22/01/2024 ONS KENMERK AR-VAST BUREAU-COR-2324-003 CONTACT CARINE.DESMET@VLOR.BE/ 0496561806 BETREFT Antwoord op de adviesvraag voorontwerp van decreet tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag Mevrouw de minister Op vrijdagavond 22 december 2023 ontving de Vlor de adviesvraag bij het voorontwerp van decreet.
De Vlor onderschrijft de nood aan een gecoördineerde aanpak van grensoverschrijdend gedrag.
Het thema stond recent ook op onze agenda:
• De Raad Hoger Onderwijs bracht op 18 april 2023 advies uit over grensoverschrijdend gedrag in hoger onderwijs, en drukte zijn bezorgdheid uit over de verhouding tussen een (toen nog op te richten) extern meldpunt op Vlaams niveau en interne meldpunten in de instellingen.
• De leden van de commissie Onderwijs en Samenleving van de Vlor kregen informatie over het Vlaams Meldpunt, tijdens de vergadering van 28 november 2023. Samenwerking met het Meldpunt werd toen door het departement Onderwijs en Vorming toegelicht als een van de beleidsdomeinoverstijgende initiatieven waaraan onderwijs deelneemt.
Het Vast Bureau van de Vlor heeft op zijn vergadering van 11 januari 2024 beslist om af te zien van advies, en deze beslissing te motiveren via een brief.
De Vlor betreurt dat het ontwerpdecreet en de bijhorende adviesvraag ons nu pas heeft bereikt.
Het eigenlijke Meldpunt werd al gelanceerd eind september 2023, en het ontwerpdecreet ligt er pas drie maanden later. De coördinator en het personeel zijn intussen al enige tijd aan de slag, om klachten te behandelen en aanbevelingen te formuleren. Bovendien komt het ontwerpdecreet er op het einde van de legislatuur. Er is weinig tijd en ruimte om eventuele aanbevelingen uit een Vlor-advies mee te nemen.
Verder legt het ontwerpdecreet een decretale basis die op verschillende vlakken vaag is en verdere concretisering vraagt. Het Meldpunt wordt voorgesteld als één toegangspoort voor de burger. Achterliggend zijn er het Vlaams Mensenrechteninstituut en het Meldpunt Agentschap Justitie en Handhaving, Het samenwerkingsprotocol tussen beide instanties moet echter nog Mevrouw Zuhal Demir Vlaams minister Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Koning Albert II-laan 7, 6de verdieping 1210 Brussel geschreven worden. Bovendien wordt vooropgesteld dat het Vlaams Meldpunt maximaal complementair zal werken aan al het reeds bestaande aanbod (bijvoorbeeld reguliere hulpverlening, hulplijnen, koepelorganisaties, inspectiediensten, interne meldpunten, openbare instellingen en mensenrechteninstellingen), ook binnen het beleidsdomein onderwijs. De afspraken met deze organisaties moeten echter nog uitgewerkt worden.
Omdat zoveel aspecten van de regelgeving onduidelijk blijven, is het voor de Vlor op dit ogenblik onmogelijk om zinvolle aanbevelingen te formuleren.
De Vlor dringt aan op een verduidelijkte toekomstvisie. Zodra dat toekomstperspectief concreet en helder is, wil de Vlor graag meedenken over de implementatie ervan. We vragen ook om in een latere fase betrokken te worden bij de noodzakelijke evaluatie van het Meldpunt.
Wij bezorgen deze brief ter kennisgeving ook aan minister Weyts.
Met vriendelijke groeten ADVIES VAN DE VLAAMSE RAAD VOOR WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN VOORONTWERP VAN DECREET TOT OPRICHTING EN REGELING VAN HET VLAAMS MELDPUNT VOOR GRENSOVERSCHRIJDEND GEDRAGADVIES Advies van de Vlaamse Raad voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.vlaamseraadwvg.be – T +32 2 209 01 11 – E info@vlaamseraadwvg.be Adviesvraag Voorontwerp van decreet tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag Adviesvrager Zuhal Demir - Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Ontvangst adviesvraag 22 december 2023 Decretale opdracht adviesfunctie Goedkeuring Intersectorale kamer bij consensus op 29 januari 2024 Contactpersoon Gunter Naets – gnaets@serv.be Advies Situering De Vlaamse Regering hechtte op 22 december 2023 haar principiële goedkeuring aan het voorontwerp van decreet tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag (hierna: het decreet). Op 22 december 2023 ontving de Vlaamse Raad voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (hierna: de raad) een adviesvraag van Vlaams minister Zuhal Demir, bevoegd voor Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme over dit decreet. De adviestermijn bedraagt 30 dagen maar werd verlengd tot en met 2 februari 2024.
Dit advies werd behandeld in de Intersectorale kamer van de raad en werd er na schriftelijke stemming op 29 januari 2024 bij consensus aangenomen.
De Vlaamse Regering zegt over dit decreet dat het meldpunt een samenwerking is tussen het Agentschap Justitie en Handhaving en het Vlaams Mensenrechteninstituut. Het moet grensoverschrijdend gedrag aanpakken in de Vlaamse sectoren, door op een laagdrempelige manier meldingen rond grensoverschrijdend gedrag mogelijk te maken. Daarnaast zal het de meldingen monitoren en in kaart brengen. Op basis hiervan kunnen aanbevelingen worden geformuleerd en structureel worden aangepakt. […] De oprichting van het meldpunt past binnen het engagement van de Vlaams Regering om duurzaam werk te maken van beleidsacties die zowel de fysieke, psychische als seksuele integriteit beschermen.
Aanbevelingen De raad schaart zich achter de doelstelling die de Vlaamse Regering nastreeft met de installatie van een Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag (hierna Vlaams Meldpunt), met name de aanpak van grensoverschrijdend gedrag in de Vlaamse sectoren door op een laagdrempelige wijze meldingen omtrent grensoverschrijdend gedrag mogelijk te maken.
Het is voor de raad belangrijk om mensen die grensoverschrijdend gedrag ervaren op een zo laagdrempelig mogelijke manier de mogelijkheid te geven hiervan melding te maken en geholpen te worden. Het Vlaams Meldpunt kan hieraan bijdragen. Daarom doet de raad volgende aanbevelingen:
1. Er zijn vandaag in heel wat Vlaamse sectoren (interne) meldpunten met betrekking tot grensoverschrijdend gedrag. Soms zijn deze meldpunten ook gericht op een specifieke doelgroep, zoals bijvoorbeeld personen met een handicap. Het Vlaams Meldpunt kan volgens de raad op termijn een belangrijke rol spelen als het (1) zich in de eerste plaats aanvullend opstelt ten aanzien van de bestaande meldpunten en er in slaagt om (2) algemene bekendheid te verwerven en (3) voldoende expertise te ontwikkelen door onder andere een vlotte samenwerking op te zetten met het werkveld dat al heel wat ervaring en kennis heeft vergaard. De raad pleit er ook voor om in het decreet sterkere garanties (bv. bij art. 7) in te bouwen opdat medewerkers van het Vlaams Meldpunt voldoende kennis hebben van het bestaande hulp- en/of dienstverleningslandschap om een warme doorverwijzing te kunnen garanderen.
2. Bij het uitvoeren van de (deel)opdrachten (beschreven in artikel 7) moet voldoende expertise in het Vlaams Meldpunt aanwezig zijn. Zeker als het gaat over bijvoorbeeld het aanbieden van kortdurende psychologische ondersteuning en het voeren van bemiddelings- en herstelgesprekken. Dat is ook zo in het omgaan met verschillende doelgroepen (zoals bijvoorbeeld personen met een handicap). Daarom vraagt de raad om in elk geval ook de expertise te gebruiken van bestaande (doelgroepgerichte) meldpunten, door middel van een warme doorverwijzing of een goede samenwerking.
Het is goed dat hieraan aandacht besteed wordt in het decreet. Zo wordt in de memorie van toelichting bij artikel 7 het bieden van zulke warme doorverwijzing verduidelijkt. Wanneer een ander aanbod beter aansluit bij de vraag van de melder en als de melder hiermee akkoord gaat, hij/zij kan worden toegeleid naar een passend hulpaanbod zoals een CAW, lotgenotengroep, politie,… De raad steunt de wens van de regering om hierover een samenwerkingsprotocol op te maken (zoals in de memorie van toelichting bij artikel 3 naar voren wordt geschoven). De raad vraagt om dit protocol zo snel mogelijk op te maken in samenwerking - en op voet van gelijkwaardigheid - met de bestaande meldpunten. Aan de concrete uitwerking van de procedures moeten ook slachtoffers kunnen participeren.
3. Het Vlaams Meldpunt krijgt heel wat bevoegdheden, gaande van individuele begeleiding en ondersteuning van melders, bemiddeling, het ter plaatse gaan bij overheden en organisaties, tot het bieden van ondersteuning aan organisaties. Daarnaast moet het ook rapporteren en beleidsadviezen verstrekken aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement. De raad vraagt zich af of het realistisch is om al deze bevoegdheden bij één meldpunt onder te brengen.
De raad wenst duidelijkheid te krijgen over welke van deze bevoegdheden prioriteit zullen krijgen, zeker omdat het meldpunt voor de raad in de eerste plaats aanvullend, op basis van het subsidiariteitsprincipe, moet werken aan de bestaande meldpunten.
Aansluitend op de verschillende rollen die het Vlaams Meldpunt opneemt heeft de raad ook enkele vragen over de uitvoering ervan.
• Ten eerste neemt het Vlaams Meldpunt niet alleen de rol op van begeleider van de melder maar ook de rol van bemiddelaar. De raad vraagt zich af of deze twee rollen niet in conflict zullen komen, omdat de basishouding bij bemiddeling steeds een meerzijdige partijdigheid moet zijn.
• Ten tweede wordt het Meldpunt ingebed binnen het Agentschap Justitie en Handhaving. De raad uit zijn bezorgdheid over de afwezigheid van een deontologisch kader in deze setting.
• Ten derde is het mandaat van het Meldpunt niet duidelijk. Zal het Meldpunt zich hierarchisch opstellen ten aanzien van andere sectoren of overheidsinstellingen of eerder als een soort van ombudsdienst? Instellingen of personen die binnen de Vlaamse overheid een onafhankelijke rol vervullen, zoals de Vlaams ombudsdienst of de kinderrechtencommissaris, zijn doorgaans niet ingebed binnen een specifieke administratie of een agentschap.
4. Het Vlaams Meldpunt is toegankelijk voor personen met een melding over grensoverschrijdend gedrag in alle aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest vallen. De raad begrijpt waarom dit tot de Vlaamse aangelegenheden beperkt wordt. Het is voor melders natuurlijk niet altijd eenvoudig te vatten dat het meldpunt niet bevoegd is voor het grensoverschrijdend gedrag dat buiten de Vlaamse bevoegdheden valt. Hoewel het decreet vermeldt dat het meldpunt doorverwijst wanneer het niet bevoegd is, is dit mogelijk toch een zwakke schakel in het systeem. De raad vraagt om hieraan extra aandacht te besteden zodat er duidelijk en snel wordt doorverwezen naar andere meldpunten die wel bevoegd zijn.
5. Artikel 8 bepaalt dat het Vlaams Meldpunt mensen en organisaties kan ontheffen van de plicht tot geheimhouding. Dit is voor de raad een heikel punt. De raad roept op om deze bepaling beter te omschrijven en juridisch goed te onderbouwen. Zo vraagt de raad of die ontheffing van de geheimhouding ook geldt voor bijvoorbeeld een vertrouwenspersoon. In artikel 13 leest de raad ook dat het personeel van het Agentschap Justitie en Handhaving gegevens kan delen met het Openbaar Ministerie voor afstemming en ook met de hulpverlening als de cliënt instemt. De raad vraagt uit te klaren of dit in regel is met het beroepsgeheim.
6. De raad is van mening dat het delen van gegevens zeer uitgebreid is. De raad vraagt het principe te hanteren dat alleen die gegevens gedeeld worden die noodzakelijk zijn om de juiste begeleiding van een persoon te kunnen waarmaken. Alle andere gegevens kunnen niet gedeeld worden. De raad kijkt in deze ook met belangstelling uit naar het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
7. De raad stelt vast dat dit decreet niets zegt over het recht op betwisten van uitspraken/aanbevelingen van dit meldpunt. De raad beveelt aan hierover duidelijkheid te geven in het decreet.
8. Het Vlaams Meldpunt is een nieuwe organisatie. Het is nodig om de werking te evalueren en indien nodig bij te sturen. Daarom vraagt de raad om decretale garanties opdat de werking van het Vlaams meldpunt periodiek geëvalueerd wordt.
ADVIES VAN NOOZO – VLAAMSE ADVIESRAAD HANDICAP Advies ontwerpdecreet oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag Advies op vraag van Zuhal Demir, Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Datum van publicatie: 2 februari 2024 Contactpersoon: Veronique Deblon| veronique@noozo.be Noozo | info@noozo.be | 02 274 00 31 | www.noozo.be Vooruitgangstraat 323 bus 7, 1030 Brussel Ondernemingsnr. 0778291475 | RPR Brussel Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 2 van 24 Inhoud 1. Samenvatting .................................................. 3 2. Situering ......................................................... 5 2.1 Meldpunt Agentschap Justitie en Handhaving ............. 7 2.2 Vlaams Mensenrechteninstituut ................................ 8 3. Positieve punten .............................................. 9 4. Personen met een handicap ............................... 9 4.1 Personen met een handicap lopen verhoogd risico ...... 9 4.2 Melding maken ......................................................10 4.3 Rapportering .........................................................12 4.4 Toegankelijke hulp ................................................13 4.5 VN-Verdrag handicap .............................................15 5. Vrouwen met een handicap .............................. 16 5.1 Vrouwen met en verstandelijke handicap ..................16 Regelgeving ............................................................18 5.2 VN-Verdrag handicap .............................................20 6. Kinderen met een handicap.............................. 21 6.1 Op school .............................................................21 6.2 VN-verdrag handicap .............................................22 7. Begrippenlijst ................................................ 22 8. Eindnoten ..................................................... 23 Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 3 van 24 1. Samenvatting De Vlaamse regering richt een Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag op. Melders kunnen telefonisch, via mail of via chat contact zoeken en zo melding maken van een grensoverschrijdend voorval. Dit kan gaan over:
• geweld, • pesterijen, • ongewenst seksueel gedrag, • intimidatie.
NOOZO is tevreden dat er een Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag bestaat.
• Zo kunnen melders vanuit verschillende sectoren hun verhaal kwijt bij één onafhankelijke organisatie. We zijn tevreden met deze onafhankelijke aanpak over de beleidsdomeinen heen.
• We zien het meldpunt ook als een versterking van het antidiscriminatiebeleid. We zijn tevreden dat slachtoffers die te maken hebben met zowel discriminatie als grensoverschrijdend gedrag nu ook kunnen rekenen op herstelgesprekken, een kortdurend psychologisch ondersteunend traject en een juridisch consult.
NOOZO wil het Vlaams meldpunt aansporen om aandacht te hebben voor de specifieke kwetsbaarheden en noden van personen met een handicap en daarbij vrouwen en kinderen in het bijzonder. Zij lopen op dit moment een verhoogd risico om slachtoffer te worden van grensoverschrijdend gedrag. Gezien het veelvuldig voorkomen en de ernst van de feiten horen zij een topprioriteit te zijn voor het meldpunt. Daarbij vragen we om de toegankelijkheid van het traject bij het meldpunt te garanderen.
Veranker zowel de integrale toegankelijkheid van het meldpunt als de mogelijkheid tot materiële bijstand in het decreet.
Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 4 van 24 Zet in op eenvoudige, transparante informatie over het parcours bij het meldpunt.
Versterk de medewerkers met de juiste kennis en expertise over het thema handicap via opleidingen en vormingen.
Betrek organisaties van personen met een handicap en ervaringsdeskundigen. Zij hebben de nodige expertise over de noden van personen met een handicap.
Voor personen met een handicap is het niet eenvoudig om een melding over grensoverschrijdend gedrag te maken. Daardoor is er sprake van een sterke onderrapportage. NOOZO is bezorgd dat de kloof tussen dit formeel meldpunt en een slachtoffer nog steeds te groot blijft. Daarom adviseren we:
Werk uitreikend en ga op zoek naar plekken waar het risico op grensoverschrijdend gedrag groot is. We adviseren om daar toegankelijke informatie te verspreiden over hoe je grensoverschrijdend gedrag kan herkennen en detecteren.
Zorg ervoor dat slachtoffers op de hoogte zijn van de werking van het meldpunt. Werk aan de bekendheid van het meldpunt door rechtstreeks contact te zoeken met verschillende doelgroepen.
Maak meldingen over bijna grensoverschrijdende situaties mogelijk. Op die manier kunnen risicosituaties in kaart gebracht worden en kan er proactief gehandeld worden.
Zet in op preventie door toegankelijke informatie te verspreiden zodat personen met een handicap en hun omgeving grensoverschrijdend gedrag kunnen herkennen, melden en voorkomen.
Rapporteer jaarlijks zo uitgebreid mogelijk. Neem ook specifieke en complexe gegevens op. Zo kunnen voorspellers van grensoverschrijdend gedrag geïdentificeerd worden en kan er meer inzicht verworven worden in de complexe samenhang van risicofactoren.
Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 5 van 24 2. Situering De Vlaamse regering besluit een Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag op te richten. Dit doen ze via het Ontwerp van decreet tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag. NOOZO ontving hierover een adviesvraag op 22 december 2023. Ter voorbereiding van dit advies consulteerden we ook Persephone en Over de Grenzen Heen vzw.
Het meldpunt moet de aanpak van grensoverschrijdend gedrag in Vlaamse sectoren (cultuur, sport, onderwijs, …) mogelijk maken.
Het doel is dat melders op een toegankelijke en laagdrempelige manier contact kunnen zoeken. Je kan het meldpunt bereiken via telefoon, mail of chat en zo een melding doen van grensoverschrijdend gedrag.
Grensoverschrijdend gedrag kan verschillende vormen aannemen.
Het kan gaan om:
• Fysiek of psychisch geweld, bijvoorbeeld iemand slaan of vernederen, • Pesterijen, bijvoorbeeld iemand publiekelijk voor schut zetten, • Ongewenst seksueel gedrag, bijvoorbeeld iemand misbruiken, • Discriminerende intimidatie, bijvoorbeeld herhaaldelijk grapjes maken over iemands handicap.
Het meldpunt is een samenwerking tussen het Vlaams Mensenrechteninstituut (VMRI) en het meldpunt Agentschap Justitie en Handhaving (AJH). Dit laatste meldpunt wordt ook in dit decreet opgericht. In een samenwerkingsprotocol leggen ze hun samenwerkingsafspraken vast.
Bij het VMRI kan je bijvoorbeeld een klacht maken over discriminatie. Als je ongelijk wordt behandeld op basis van bepaalde kenmerken, zoals een handicap, is er sprake van discriminatie. Het Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag behandelt enkel meldingen over grensoverschrijdend gedrag. In sommige gevallen kan er in één melding sprake zijn van Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 6 van 24 grensoverschrijdend gedrag en discriminatie. Dan werken de twee organisaties samen.
Enkele voorbeelden:
• Je wil een appartement huren op de tweede verdieping. Het gebouw heeft een oude lift. Die heb je nodig omdat je door je handicap geen trappen kan lopen. De verhuurder wil zijn appartement niet aan jou verhuren omdat hij vreest dat de lift over enkele jaren niet meer zal werken. Hier is mogelijks sprake van discriminatie. Hiervoor kan je aankloppen bij het VMRI.
• Je dochter heeft een handicap en is aangesloten bij de jeugdbeweging. Ze vertelt dat ze daar gepest wordt. Ze werd ook al eens opgesloten door de leiders in het lokaal. Hier is mogelijks sprake van grensoverschrijdend gedrag en discriminatie. Hiervoor kan je hulp vragen bij het meldpunt.
Daar zullen het VMRI en het meldpunt AJH samenwerken om je te helpen.
Voor de burger is het meldpunt één toegangspoort. Die ervaart één traject. Het VMRI en het meldpunt werken achter de schermen samen.
Het meldpunt rapporteert aan de Vlaamse regering en het Vlaams parlement. Het gaat over:
• het aantal meldingen, • de aard van de meldingen, • het profiel van de melders, • de ontwikkeling in de problematiek van grensoverschrijdend gedrag, • ontwikkeling in de aanpak van grensoverschrijdend gedrag.
Het meldpunt is beschikbaar voor meldingen die vallen binnen de Vlaamse bevoegdheden: welzijn, cultuur, onderwijs, sport, gezondheidszorg, huisvesting, toerisme, tewerkstelling (enkel Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 7 van 24 arbeidsbemiddeling, individuele beroepsopleiding, stages en dienstencheques),… Het meldpunt zal volgens een aantal principes werken:
• De personeelsleden werken onafhankelijk, objectief, professioneel, vanuit verschillende disciplines en zorgvuldig.
• Het vertrekpunt is de behoefte van de melder.
• Veiligheid van de (potentiële) slachtoffers staat centraal.
Ze zetten in op samenwerking met dienstverlening die er al bestaat. Je kan bijvoorbeeld binnen het jeugdwerk al rekenen op een aanspreekpunt integriteit en inclusie. Het meldpunt vult dit bestaande aanbod aan.
2.1 Meldpunt Agentschap Justitie en Handhaving Binnen het Agentschap Justitie en Handhaving wordt een werking geïnstalleerd die onderdeel is van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag. Dit is het meldpunt Agentschap Justitie en Handhaving. Het meldpunt werkt onafhankelijk, zorgvuldig, onpartijdig en toegankelijk. Het meldpunt heeft verschillende opdrachten:
• Een individueel aanbod voorzien voor personen die een melding doen.
• Beleidsadviezen verstrekken aan organisaties die betrokken zijn bij meldingen. Ze volgen en ondersteunen organisaties ook. Dit doen ze op eigen initiatief, op vraag van de betrokken organisatie of op vraag van een overheid.
Als je een melding doet bij het meldpunt zullen de medewerkers je helpen om je vraag helder te formuleren. Ze lichten hun aanbod toe en luisteren naar jouw noden. Je kan kiezen voor verschillende soorten hulp:
• Ze voeren gesprekken met oog op ondersteuning en erkenning.
Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 8 van 24 • Ze bieden ondersteuning om je melding en de procedure binnen een sector of organisatie te doorlopen.
• Ze verwijzen je warm door naar een extern aanbod. Ze verwijzen je bijvoorbeeld door naar een dienst waarmee ze eerder contact hadden en waarvan ze zeker weten dat ze jou kunnen helpen.
• Ze bieden een kort psychologisch ondersteunend traject aan.
• Ze bieden een juridisch consult aan over de mogelijke burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke opties. Je kan bijvoorbeeld een rechtszaak starten als het gaat om strafbare feiten.
• Ze voeren bemiddelingsgesprekken en herstelgesprekken. Ze treden als bemiddelaar op in een gesprek waarbij beide partijen hun verhaal kunnen doen. Ze zoeken naar een oplossing.
• Ze kunnen ook ter plaatse gaan om de nodige vaststellingen te doen en om te vragen alle informatie en documentatie te bezorgen.
Het meldpunt AJH kan een advies formuleren aan een organisatie die genoemd wordt in een melding over grensoverschrijdend gedrag. Na een jaar moet de organisatie rapporteren aan het meldpunt AJH over de wijze waarop ze aan het advies tegemoet zijn gekomen. Ze rapporteren over de acties die ze genomen hebben voor elke beleidsaanbeveling (zowel op korte als lange termijn) en wat de resultaten van deze acties zijn. Ze rapporteren ook nog over de geplande acties.
2.2 Vlaams Mensenrechteninstituut De Vlaamse regering breidt de werking van de geschillenkamer van het Vlaams Mensenrechteninstituut uit. Een jaar na het oordeel moet de verweerder rapporteren over de wijze waarop deze aan het oordeel is tegemoetgekomen. Dit rapport bevat dezelfde elementen als het rapport bij het meldpunt (zie 2.1).
Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 9 van 24 3. Positieve punten NOOZO ziet een aantal goede punten in dit decreet:
• NOOZO is tevreden dat er een Vlaams meldpunt voor grensoverschrijdend gedrag is. Zo kunnen melders vanuit verschillende sectoren hun verhaal kwijt bij één onafhankelijke organisatie. We zijn tevreden met deze onafhankelijke aanpak over de beleidsdomeinen heen.
• We zien het meldpunt ook als een versterking van het antidiscriminatiebeleid. We zijn tevreden dat slachtoffers die te maken hebben met zowel discriminatie als grensoverschrijdend gedrag nu ook kunnen rekenen op herstelgesprekken, een kortdurend psychologisch ondersteunend traject en een juridisch consult.
• Een traject bij het meldpunt verloopt op tempo en maat van de melder. De noden van de melder zijn het vertrekpunt.
• Er wordt een aanvulling gedaan op de werking van de geschillenkamer van het Vlaams Mensenrechteninstituut. Een jaar na het oordeel moet de verweerder rapporteren over de wijze waarop deze aan het oordeel is tegemoetgekomen.
4. Personen met een handicap 4.1 Personen met een handicap lopen verhoogd risico Recent onderzoek van de UGent toont aan dat personen met een handicap meer risico lopen op fysiek seksueel geweld dan personen zonder een handicap. Dit risico is te verklaren door de algemene kwetsbare sociale positie van personen met een handicap. Er zijn een aantal risicofactoren voor (seksueel) geweld zoals:
• Vrouw zijni, • Een jongere leeftijdi, Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 10 van 24 • Zich identificeren als LGBTI+i, • Zich zorgen maken over de financiële situatiei, • Een slechte mentale gezondheidi, • Problematisch alcoholgebruiki, • Gebruik van kalmeringsmiddeleni , • Cannabisgebruiki, • Zelfbeschadigend gedragi, • Suïcidepogingeni, • Afhankelijkheid van anderenii, • Overbescherming of aangeleerde hulpeloosheidii, • Ontkennen of negeren van hun geslacht of seksualiteit.
Begeleiders die hen geslachtneutraal behandelen.ii • Machtsverschillenii, • Sociaal en/of fysiek isolementii, • Gebrek aan kennis over seksualiteit en grensoverschrijdend gedragii, • Vaak voorkomend lichamelijk contact met als gevolg minder privacy en zeggenschap over het eigen lichaamii • Hun verhaal wordt niet geloofd door de omgeving.ii Een groot deel van deze zaken komt vaker voor bij personen met een handicap. De verhoogde kwetsbaarheid van personen met een handicap heeft te maken met afhankelijkheid van anderen op het gebied van zorg, huisvesting, veiligheid, … Ze rekenen vaak op de assistentie van anderen voor hun basisnoden en dagdagelijkse activiteiten.i 4.2 Melding maken Je verhaal onthullen en hulp zoeken is zeer moeilijk. Dit geldt voor iedereen die te maken krijgt met grensoverschrijdend gedrag.
Voor personen met een handicap is dit vaak nog moeilijker. Het werkelijke cijfer van personen met een handicap die slachtoffer Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 11 van 24 zijn van grensoverschrijdend gedrag ligt daarom vermoedelijk nog hoger dan wat er nu gerapporteerd wordt. Personen met een handicap geven aan hun verhaal niet te willen onthullen omwille van verschillende redenen:
• Ze hebben vaker het gevoel niet geloofd te worden.i • De dader is een bekende.iii • In een groot aandeel van de gevallen is de dader een persoon met een ondersteunende rol voor het slachtoffer. Het gaat dan over een hulpverlener, mantelzorger, ouder, … Het slachtoffer bevindt zich in een afhankelijkheidsrelatie en is bang om de ondersteuning te verliezen. Of het slachtoffer is bang om hun plek in de voorziening te verliezen.
• Sommige slachtoffers voelen sympathie voor de dader of willen de dader beschermen.ii • Slachtoffers ervaarden zelf in het verleden of in hun omgeving dat een melding vaak niet leidt tot gerechtigheid. Klachten krijgen vaak geen juridisch gevolg omwille van ontbrekend bewijs. Dit ontmoedigt hen.iii • Een meldpunt kan aanvoelen als een te afstandelijk en te grote organisatie. Het voelt overweldigend om contact op te nemen met hét Vlaams meldpunt voor grensoverschrijdend gedrag.iii • Slachtoffers met een handicap geven aan angst te hebben nog meer betutteld of beschermd te worden na een melding.ii • Er is een sprake van een machtsverschil waardoor slachtoffers angst hebben voor de gevolgen van een melding. Ze verwachten niet dat het grensoverschrijdend gedrag stopt na een melding.
Je kan pas melding maken bij het meldpunt als je op de hoogte bent van het bestaan ervan. We moedigen het meldpunt aan om te werken aan een grootschalige bekendheid. Hiervoor kan niet enkel gerekend worden op de sectoren. Niet in alle sectoren of omgevingen is grensoverschrijdend gedrag een agendapunt.
Slachtoffers zijn nochtans wel overal aanwezig, ook op plekken Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 12 van 24 waar er geen beleid over grensoverschrijdend gedrag is. We vragen daarom om de bekendheid van het meldpunt niet te laten afhangen van de welwillendheid van sectoren of organisaties.
Maak ook meldingen over bijna grensoverschrijdende situaties mogelijk. Op die manier kunnen risicosituaties in kaart gebracht worden en kan er proactief gehandeld worden.
Aanbevelingen Zorg ervoor dat slachtoffers op de hoogte zijn van de werking van het meldpunt. Werk aan de bekendheid van het meldpunt door rechtstreeks contact te zoeken met verschillende doelgroepen.
Maak meldingen over bijna grensoverschrijdende situaties mogelijk.
4.3 Rapportering Het meldpunt zal jaarlijks geanonimiseerde gegevens over de meldingen verzamelen. Ze zullen rapporteren over:
• het aantal meldingen, • de aard van de meldingen, • het profiel van de melders, • de ontwikkeling in de problematiek van grensoverschrijdend gedrag, • de ontwikkeling in de aanpak van grensoverschrijdend gedrag.
NOOZO adviseert om het rapport zo uitgebreid mogelijk te maken.
Het is interessant om in de monitoring meer dan basale demografische gegevens zoals leeftijd, gender en opleidingsniveau op te nemen. Door meer specifieke gegevens te bewaren doorheen de tijd kunnen mogelijk voorspellers van grensoverschrijdend gedrag geïdentificeerd worden. Zo is bijvoorbeeld vaak voorkomend lichamelijk contact een voorspeller van mogelijk grensoverschrijdend gedrag. Er kan dan ook meer inzicht verworven worden in de complexe samenhang van verschillende risicofactoren. Zo kan het meldpunt gerichte en specifieke Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 13 van 24 aanbevelingen doen om grensoverschrijdend gedrag te voorkomen.
Aanbeveling Rapporteer jaarlijks zo uitgebreid mogelijk. Neem ook specifieke en complexe gegevens op. Zo kunnen voorspellers van grensoverschrijdend gedrag geïdentificeerd worden en kan er meer inzicht verworven worden in de complexe samenhang van risicofactoren.
4.4 Toegankelijke hulp Personen met een handicap ervaren drempels in hun zoektocht naar gepaste zorg om met de gevolgen van grensoverschrijdend gedrag om te gaan. Ze lopen daardoor extra risico om op lange termijn opnieuw slachtoffer te worden.i Op dit moment ontvangen personen met een handicap zelden gepaste ondersteuning. Dit is te wijten aan verschillende redenen.
• Het traject van de slachtofferhulp is ontoegankelijk. Er is bijvoorbeeld geen aangepaste communicatie.
• Er worden geen gepaste redelijke aanpassingen voorzien.
• Hulpverleners schatten een handicap verkeerd in. Ze hebben onbewuste vooroordelen en stereotypes.
• Er is sprake van handelingsverlegenheid. Medewerkers vinden dat ze onvoldoende op de hoogte zijn om te weten wat speelt bij personen met een handicap.
• Er wordt geen rekening gehouden met een handicap. De gestelde vragen zijn bijvoorbeeld niet altijd duidelijk voor personen met een verstandelijke handicap. Zij antwoorden soms niet correct omdat ze de vraag niet begrijpen of omdat ze bang zijn.
In het decreet wordt vermeld dat het traject bij het meldpunt op maat van de melder wordt gemaakt, maar wij zien in de praktijk nog veel drempels voor personen met een handicap. We vragen om in het decreet in te schrijven dat de integrale toegankelijkheid Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 14 van 24 wordt gegarandeerd. Het meldpunt moet zich inzetten om fysieke, organisatorische, sociale, culturele, emotionele, psychologische, talige, communicatieve en financiële drempels weg te werken. Het traject bij het meldpunt moet beschikbaar, bereikbaar, betaalbaar, bruikbaar, betrouwbaar, bekend en begrijpbaar zijn voor alle melders.
Daarnaast vragen we om in het decreet toe te voegen dat melders kunnen rekenen op kosteloze materiële bijstand. We verwijzen hierbij naar artikel 2 van het Besluit van de Vlaamse Regering over de samenstelling van en de procedure voor de geschillenkamer van het Vlaams Mensenrechteninstituut als voorbeeld. Hierin wordt de laagdrempeligheid van het traject bij het VMRI gegarandeerd.
Het meldpunt moet deze laagdrempeligheid ook garanderen. Alle melders moeten volwaardig kunnen deelnemen aan het hele traject van het meldpunt. Daarvoor moet het meldpunt alle nodige materiële bijstand kosteloos voorzien. De melders moeten kunnen aangeven welke aanpassingen ze nodig hebben. We geven enkele voorbeelden van redelijke aanpassingen mee:
• een tolk Vlaamse Gebarentaal, • een coach (een ondersteuner), • een assistent, • informatie in eenvoudige taal.
We vragen om ervoor te zorgen dat de medewerkers voldoende kennis hebben over basistoegankelijkheid. Ook moeten ze een correcte houding tegenover personen met een handicap hebben.
Men moet bijvoorbeeld ook een gevoeligheid hebben om nonverbale signalen op te vangen, ook al zegt de persoon met een handicap zelf nog niets concreet. Ervaringsdeskundigen geven bijvoorbeeld aan soms makkelijker hun verhaal te onthullen bij een persoon van hetzelfde gender. Hierbij zijn opleidingen of vormingen een belangrijk onderdeel. Ga hiervoor ten rade bij organisaties van personen met een handicap en ervaringsdeskundigen. Zij hebben de nodige expertise om de Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 15 van 24 toegankelijkheid van de procedure te optimaliseren. Dit geldt ook voor de vrijwilligers die het meldpunt zullen bemannen.
Garandeer de integrale toegankelijkheid van het traject bij het meldpunt. Zorg dat melders kunnen rekenen op materiële bijstand. Veranker dit in het decreet.
Zet in op eenvoudige, transparante informatie over het parcours bij het meldpunt.
Zorg voor een veilige omgeving. Luister hiervoor naar de noden van personen met een handicap en hun organisaties.
Versterk de medewerkers met de juiste kennis en expertise over het thema handicap via opleidingen en vormingen.
Betrek organisaties van personen met een handicap en ervaringsdeskundigen. Zij hebben de nodige experte over de noden van personen met een handicap.
4.5 VN-Verdrag handicap: bescherming tegen misbruik Het VN-Verdrag handicap besteedt veel aandacht aan het thema grensoverschrijdend gedrag. Alle staten verbinden zich via artikel 16 om wetgevende, administratieve, sociale, educatie en andere maatregelen te nemen om personen met een handicap te beschermen tegen alle vormen van uitbuiting, geweld en misbruik.
Zij moeten ook stappen ondernemen om dit grensoverschrijdend gedrag te voorkomen door aangepaste hulp en ondersteuning te voorzien voor personen met een handicap, hun gezin en verzorgers en ondersteuners. Ze moeten voldoende informatie en scholing hebben om het grensoverschrijdend gedrag te kunnen voorkomen, herkennen en melden. De staten waarborgen dat de dienstverlening die personen met een handicap beschermt tegen grensoverschrijdend gedrag aangepast is aan hun leeftijd, geslacht en handicap.
NOOZO vraagt daarom dat het meldpunt preventief optreedt. We vragen om toegankelijke informatie te verspreiden zodat personen met een handicap en hun omgeving grensoverschrijdend gedrag kunnen herkennen, melden en voorkomen.
Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 16 van 24 Aanbeveling Zet in op preventie door toegankelijke informatie te verspreiden zodat personen met een handicap en hun omgeving grensoverschrijdend gedrag kunnen herkennen, melden en voorkomen.
5. Vrouwen met een handicap Een vrouw met een handicap in Vlaanderen loopt een zeer hoog risico om slachtoffer te worden van seksueel geweld. Een onderzoek van Tina Goethals uit 2018 vond dat 93 procent van de 59 deelnemende vrouwen ooit een vorm van seksueel geweld ervaarde. Uit een onderzoek van de UGent blijkt dan weer dat 48 procent van alle vrouwen met een handicap in Vlaanderen al eerder slachtoffer van fysiek seksueel geweld was.
Vrouwelijke slachtoffers geven aan dat het niet gaat over een eenmalig geval. In sommige gevallen gaat het om een reeks van incidenten door verschillende daders. In andere gevallen gaat het om herhaaldelijk grensoverschrijdend gedrag door dezelfde dader.
In deze gevallen is de dader meestal een bekende. Het gaat vaak om een (ex)partner, vriend of familielid.i
“Als vrouw met een handicap bots ik op een muur van ongeloof. “Jij slachtoffer van geweld? Een man die zijn leven opoffert om met een vrouw met een handicap te leven, is toch doodbraaf! Dat besef je toch?”” (Bron: Persephone) 5.1 Vrouwen met een verstandelijke handicap Het onderzoek van Tina Goethals toont aan dat vrouwen met een verstandelijke handicap een kwetsbare groep zijn binnen de groep van vrouwen met een handicap. 6 op de 10 vrouwen met een verstandelijke handicap maakten ooit een vorm van seksueel geweld mee. Vrouwen met een verstandelijke handicap beschrijven ook opvallend gewelddadige feiten. Ze rapporteren in Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 17 van 24 het onderzoek van Goethals meermaals over groepsverkrachtingen, verkrachtingsdrugs en ontvoeringen.
Deelnemers uit dit onderzoek geven vaak aan in een gesloten context, zoals een voorziening, te wonen. Ze vertellen dat seksualiteit, relaties en grenzen aangeven er zelden gespreksonderwerpen zijn. De meerderheid van de deelnemers zegt geen vertrouwenspersoon binnen de woonorganisatie te hebben waarbij ze terecht kunnen om een melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag te maken. De meerderheid van hen kan ook niet rekenen op een breed sociaal netwerk buiten hun woonsituatie.ii Goethals ondervindt dat de deelneemsters een genormaliseerde visie op seksueel geweld hebben. De vrouwen stellen handelingen die ze onaangenaam vinden omdat ze denken dat dit “er nu eenmaal bij hoort”. Een grens aangeven is moeilijk voor hen. Dit komt deels door een gebrek aan kennis over seksueel geweld en de ervaring van seks zonder toestemming. Slachtoffers herkennen en erkennen een situatie van seksueel grensoverschrijdend gedrag zelf niet altijd. Hun (seksuele) grenzen worden dagelijks overschreden.ii Onderzoekers van de New York Times onthulden in 2023 dat gedwongen sterilisatie in de praktijk nog vaak gebeurt bij personen met een handicap. Ook in België, waar dit verboden is, worden vooral vrouwen met een verstandelijke beperking nog vaak zonder toestemming gesteriliseerd. Belgische verloskundigen verklaren dat ze vaak deze ingreep uitvoeren op vraag van familie of zorggevers.
Vaak wordt er gesproken met begeleiders, assistenten en ouders, maar minder met de persoon zelf. Dit wordt versterkt doordat deze personen vaak niet in het bezit zijn van een eigen postadres, mailadres of communicatiemiddelen zoals een computer. Dit bemoeilijkt de melding van grensoverschrijdend gedrag en de zoektocht naar ondersteuning bij onveilige situaties.ii NOOZO spoort het meldpunt aan om contact te zoeken met het slachtoffer Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 18 van 24 zelf en een evenwicht te zoeken in de betrekking van ondersteuners.
Deze elementen samengenomen maken dat seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld naar vrouwen met een verstandelijke handicap vaak niet (h)erkend wordt of ernstig genomen worden. De gebeurtenissen worden zelden gedeeld of gemeld. De meldingsbereidheid is laag waardoor we kunnen spreken van een sterke onderrapportage. Het grensoverschrijdend gedrag blijft onder de radar.iii NOOZO vindt het daarom belangrijk dat het meldpunt wel signalen kan herkennen.
Regelgeving
"Mijn dochter werd fel gepest in de voorziening waar ze woonde. Haar integriteit werd op verschillende vlakken in gevaar gebracht. Er was duidelijk sprake van discriminatie, uitbuiting, ontzegging van noodzakelijke medische hulp, vervalsing van medische papieren, ... Ook wij als haar ouders zijn niet gespaard gebleven van pesterijen. Bij de voorziening kregen we geen gehoor. We voelden ons in de steek gelaten.” (Bron: ervaringsdeskundige bij NOOZO) Een woonvoorziening moet verplicht een geschreven referentiekader over grensoverschrijdend gedrag bezitten. Ze moeten een procedure hebben waarmee ze grensoverschrijdend gedrag voorkomen en detecteren. Ze hebben ook verplicht een procedure waarin staat hoe ze reageren op grensoverschrijdend gedrag. In deze procedure is een registratiesysteem aanwezig waarmee ze alle incidenten loggen.iv Op dit vlak zijn de afgelopen jaren veel inspanningen gedaan. Er is een groter bewustzijn en alertheid.
Er is zeker nog ruimte voor verbeteringen. NOOZO ontvangt verschillende signalen:
• Het beleid over grensoverschrijdend gedrag in een voorziening is niet altijd samenhangend of kwalitatief.
Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 19 van 24 • De praktijk ontbreekt. Er blijkt vaak een gebrek aan een duidelijk uitgevoerd beleid over seksualiteit en seksueel misbruik binnen voorzieningen.
• Het beleid is te weinig gekend. De medewerkers of bewoners zijn niet op de hoogte van hun rechten en plichten.
• Voorzieningen hanteren soms de regel dat de directie van de voorziening bepaalt wanneer er sprake is van grensoverschrijdend gedrag. Het is problematisch dat zij hierbij zowel rechter als partij zijn.
• In andere gevallen schrijft het beleid van de voorziening voor dat grensoverschrijdend gedrag gemeld moet worden bij de directie van de voorziening. Ouders geven aan geen melding te doen uit angst voor de gevolgen van deze melding. Ze vrezen dat hun kind de voorziening zal moeten verlaten.
• De meerderheid van de vrouwen in een voorziening geven aan geen vertrouwenspersoon te hebben.ii • Ervaringsdeskundigen verklaren niet te kunnen rekenen op de steun van de directie van een voorziening om melding te maken van grensoverschrijdend gedrag.
Daarom is het belangrijk dat een onafhankelijk meldpunt zich focust op personen met een handicap. De afstand tussen een formeel meldpunt en een persoon die geïsoleerd woont in een voorziening is groot. We adviseren om uitreikend te werken en op zoek te gaan naar plekken waar het risico op grensoverschrijdend gedrag groot is. Betrek hierbij bijvoorbeeld ook de gebruikersraad van voorzieningen. We adviseren om daar informatie te verspreiden over hoe je grensoverschrijdend gedrag kan herkennen en detecteren. Het meldpunt moet op die plekken bekendheid vergaren. Ze moeten zich rechtstreeks laten zien en horen.
NOOZO moedigt woonvoorzieningen aan om een beleid rond positieve seksualiteit en seksuele gezondheid aan te bieden. Het thema moet bespreekbaar zijn. Door kwaliteitsvolle ondersteuning op maat te voorzien kunnen bewoners leren wat aanvaardbaar Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 20 van 24 gedrag is en welke afspraken en regels er zijn. Bewoners moeten zich bewust zijn van hun recht op seksualiteit en intimiteit, hun recht op een eigen plek, hun recht om te weigeren dat een hulpverlener op ieder moment zomaar hun kamer of woning binnenstapt, … Op dit moment ligt de nadruk nog te vaak op het voorkomen van grensoverschrijdend gedrag en te weinig op positieve educatie. Er is nood aan nauwe begeleiding op maat van de cliënten. Zo kan het risico op daderschap ook dalen.v Voorzieningen die een incident van grensoverschrijdend gedrag vaststellen, melden dit verplicht aan het Departement Zorg. Als ze een melding doen, krijgen ze inspectie over de vloer. Organisaties die geen meldingen doen, krijgen nooit controle over de vloer.
Grensoverschrijdend gedrag komt nochtans overal voor waar mensen samenleven. Aditi vzw maakt zich zorgen over deze organisaties. Zij hebben vaak geen kwalitatief beleid over grensoverschrijdend gedrag.v Dit ziet NOOZO als een extra reden voor het meldpunt om niet te wachten tot de meldingen binnenkomen, maar actief op zoek te gaan naar plaatsen waar het risico op grensoverschrijdend gedrag het grootst is.
Aanbeveling We adviseren om uitreikend te werken en op zoek te gaan naar plekken waar het risico op grensoverschrijdend gedrag groot is.
We adviseren om daar informatie te verspreiden over hoe je grensoverschrijdend gedrag kan herkennen en detecteren.
5.2 VN-Verdrag handicap In de inleidende tekst van het VN-Verdrag handicap wordt benadrukt dat het risico om slachtoffer te worden van geweld, verwonding of misbruik, verwaarlozing, nalatige behandeling, mishandeling of uitbuiting voor vrouwen en meisjes met een handicap groter is, zowel binnen- als buitenshuis.
Artikel 6 gaat dieper in op vrouwen met een handicap. Staten die het VN-verdrag aanvaard hebben, erkennen dat vrouwen en meisjes met een handicap te maken hebben met meervoudige Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 21 van 24 discriminatie. De staten moeten maatregelen nemen zodat al hun mensenrechten en fundamentele vrijheden toch gegarandeerd zijn.
België engageert zich om alle geschikte maatregelen die hun ontwikkeling en positie verbetert te nemen. Ze moeten maatregelen nemen die de autonomie van vrouwen met een handicap waarborgen.
6. Kinderen met een handicap Een jongere leeftijd is een risicofactor als het gaat over grensoverschrijdend gedrag. Tina Goethals wijst erop in haar onderzoek dat kinderen met een handicap anderhalf tot vijf keer meer risico hebben om misbruik te ervaren dan kinderen zonder een handicap. Slachtoffers van herhaald seksueel geweld worden vaak op jonge leeftijd al met grensoverschrijdende feiten geconfronteerd. Het gaat in sommige gevallen om meerdere daders en verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag.
In andere gevallen gaat het om éénzelfde dader die jonge slachtoffers kiest.
NOOZO wil het Vlaams meldpunt aansporen om aandacht te hebben voor de specifieke kwetsbaarheden en noden van kinderen met een handicap. Betrek en luister hiervoor naar organisaties van personen met een handicap en ervaringsdeskundigen.
Daarnaast vragen nieuwe maatschappelijke evoluties nieuwe inzichten. Kinderen en jongeren gebruiken bijvoorbeeld nieuwe technologie die verborgen communicatie toelaat. Online grensoverschrijdend gedrag is een reëel gevaar. We willen oproepen om hier oog voor te hebben, zonder hun privacy te schenden. We vragen daarom om samen te werken met Mediawijs.
Zij hebben bijvoorbeeld ook expertise opgebouwd over digitaal beleid binnen voorzieningen.
6.1 Op school Grensoverschrijdend gedrag bij kinderen en jongeren kan vanzelfsprekend overal plaatsvinden: thuis, bij de sportclub, bij Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 22 van 24 een jeugdwerking, … We focussen op de school omdat kinderen hier de meeste tijd spenderen. Af en toe vinden incidenten hun weg naar het nieuws. Zo kwam in 2022 aan het licht dat acht leerkrachten kinderen met autisme pestten en vernederden in een school in Ninove. Hoewel de directie op de hoogte was, bleven de leerkrachten les geven. Dit voorbeeld toont aan dat kinderen binnen hun schoolomgeving niet altijd kunnen rekenen op een vertrouwenspersoon of ondersteuning.
Ook het kinderrechtencommissariaatvi ontvangt geregeld meldingen over de aantasting van de integriteit van een leerling met een handicap door een leerkracht. Voorbeelden hiervan zijn overdreven sancties nemen, vernederingen, stigmatisering omwille van een handicap, intimidatie, … Soms is er ook sprake van fysiek geweld. Omdat er pas melding gemaakt wanneer het slachtoffer niet gesteund wordt door de school, is er sprake van grote onderrapportage.
Daarom vraagt NOOZO opnieuw dat het meldpunt actief op zoek gaat naar plekken waar het risico op grensoverschrijdend gedrag groot is. We vragen dat het meldpunt daar werkt aan naamsbekendheid. Als kinderen en hun ouders weten dat er een meldpunt bestaat, zullen ze zich hopelijk gesteund voelen en zal de meldingsbereidheid eventueel stijgen.
6.2 VN-verdrag handicap In artikel 7 van het VN-verdrag handicap wordt het belang van kinderen met een handicap beschreven. België moet alle nodige maatregelen nemen zodat kinderen met een handicap net zoals andere kinderen hun mensenrechten en fundamentele vrijheden kunnen beleven.
7. Begrippenlijst • Grensoverschrijdend gedrag: elke aantasting van de integriteit van een persoon door ongewenst seksueel gedrag, geweld, pesterijen of discriminerende intimidatie Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 23 van 24 • Pesterijen: geheel van verschillende gedragingen die tot doel of gevolg hebben dat de persoonlijkheid, de waardigheid, de fysieke of geestelijke integriteit van een persoon worden aangetast. De persoon wordt in gevaar gebracht of er wordt een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving gecreëerd. Bijvoorbeeld machtsmisbruik of toxisch leiderschap.
• VMRI: Vlaams Mensenrechteninstituut • Meldpunt AJH: meldpunt Agentschap Justitie en Handhaving • Seksueel geweld: iedere seksuele daad die tegen iemands wil is gesteld tegen gelijk welke persoon, in gelijk welke relatie tot het slachtoffer, in gelijk welke omgeving.
• Fysiek seksueel geweld: seksueel geweld waarbij fysiek contact aanwezig is, bijvoorbeeld (een poging tot) verkrachting of seksueel misbruik.
• LGBTI+: is een Engelse afkorting. De letters staan voor lesbisch, homoseksueel, biseksueel en transgender. De plus staat voor andere vormen van seksuele oriëntatie en genderidentiteit.
8. Eindnoten i Fomenko, L., De Schrijver, L., & Keygnaert, I. (2023). Personen met een beperking en seksueel geweld Eindrapport, UGent. Geraadpleegd op 18 januari 2024 via:
https://biblio.ugent.be/publication/01HDH1NGBEB6PP204JTV4AJ9 GC ii Goethals, T., Van Hove, G., & Vander Laenen, F. (2018). Seksueel georiënteerd geweld bij vrouwen met een beperking in Vlaanderen.
Gent: Universiteit Gent.
iii Bogaerts, J., & Verbruggen, E. (januari, 2024). Over Grenzen.
Kando Magazine, volume 1 jaargang 79, p. 9 tot 12.
Advies meldpunt grensoverschrijdend gedrag pagina 24 van 24 iv Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers v Uit mondeling gesprek met Aditi vzw, 23 januari 2024.
vi Jaarrapport Kinderrechtencommissariaat. Geraadpleegd op 17 januari 2024 via https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/61393 ADVIES VAN DE VLAAMSE JEUGDRAAD De Vlaamse Jeugdraad, in vergadering op 2 februari 2024, onder voorzitterschap van Amir Bachrouri, en met bovenvermelde aanwezigen, adviseert voorlopig het volgende:
Inhoud Inspraak en samenwerking met betrokken sectoren is cruciaal. Stem een wetgevende basis van een meldpunt niet pas af ná de inwerkingtreding ervan. 3 Erken de verschillen in integriteitsbeleid tussen verschillende sectoren en voorzie betere afstemming. 3 Dit ontwerpdecreet spreekt expliciet over álle domeinen waarin de Vlaamse Overheid een subsidiërende rol heeft. We vragen dan ook aan de voltallige Vlaamse Overheid om dit ontwerpdecreet ter harte te nemen in beleidsvoering, subsidiëring en implementatie. 4 Willen we integriteitsschendingen bij slachtoffers echt vermijden, dan moeten er ook binnen al die sectoren investeringen komen op vlak van een geïntegreerd integriteitsbeleid. ................................................ 4 We missen in dit decreet heel sterk de blik op kinderen en jongeren. Vanuit kinderrechten, psychosociale ontwikkelingsinzichten en pedagogische resocialisatie is het cruciaal dat er een specifiek integriteitsbeleid gevoerd wordt gericht op kinderen en jongeren. Binnen het reactiebeleid is een herstelgerichte aanpak cruciaal. We vragen dus om dat perspectief zowel in het ontwerpdecreet als bij de implementatie te expliciteren. 4 Waak te allen tijde over de gegevensbescherming van kinderen en jongeren, en garandeer transparantie aan de betrokkenen bij gegevensuitwisseling. 5 Vermijd het gevaar van rolverwarring en baken duidelijke rollen en mandaten af binnen dit meldpunt. Daar hoort het opleggen van regels en verantwoording vragen niet bij. 6 Leg decretaal vast dat de basis voor beleidsaanbevelingen een en-en-verhaal moet zijn. We vragen om steeds beleidsaanbevelingen te doen op basis van een breder plaatje. Hierbij kan monitoring van wat binnen komt bij verschillende meldpunten helpen, maar evengoed een breedschalig onderzoek op het terrein of klankenbevraging bij de vertegenwoordigers van deze thema’s. We pleiten voor sterke beleidsadviezen gestoeld op noden van alle betrokkenen bij een integriteitsschending. 7 Breng de beschuldigde personen sneller op de hoogte om herstelgericht werken alle kansen te geven. 7 Zet veel sterker in op de ondersteuning en begeleiding van jongvolwassenen rond het juiste leren inschatten van grenzen. Maak werk van blijvend inzetten op bestaande organisaties waarbij voorwaarden zoals doelpubliek of genomen justitiële stappen weggehaald worden voor extra aanbod of richt een nieuwe hulpverleningsinstantie op. 7 Hou rekening met kinderen en jongeren die slachtoffer zijn van grensoverschrijdend gedrag in Brussel. 8 Dit advies gaat over het ontwerp van decreet dat een Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag opricht. Dit meldpunt betreft een samenwerking tussen het Agentschap Justitie en Handhaving en het Vlaams Mensenrechteninstituut. Het ontwerp van decreet vloeit voort uit de beleidsnota 2019-2024 Justitie en Handhaving en past binnen het engagement van de Vlaamse regering om duurzaam werk te maken van beleidsacties die zowel de fysieke, psychische als seksuele integriteit beschermen.1 De Vlaamse Jeugdraad ontving de adviesvraag van minister Demir op 22 december 2023. Met het adviesvragende kabinet werd overeengekomen dat de adviestermijn kon worden verlengd tot vrijdag 2 februari.
Het Vlaams Meldpunt heeft een tweeledige opdracht: enerzijds meldingen ontvangen en een passend gevolg aan verbinden, anderzijds meldingen monitoren en in kaart brengen. Op basis hiervan worden aanbevelingen geformuleerd naar organisaties, sectoren en het Vlaams Parlement. Het meldpunt is bevoegd voor meldingen over grensoverschrijdend gedrag dat plaatsvindt op plekken die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest vallen. Grensoverschrijdend gedrag wordt daarbij gezien als elke aantasting van de integriteit van een persoon wegens ongewenst seksueel gedrag, geweld, pesterijen of discriminerende intimidatie.
Een duurzaam integriteitsbeleid zet zich volgens Grenswijs2 in op 3 verschillende niveaus: kwaliteit, preventie en reactie.
- Om de integriteit te bewaken, moet er een sterk kwaliteitsbeleid zijn, waarbij mensen goed omgaan met elkaar.
- Bij een sterk preventiebeleid wordt er ingezet wordt op risicofactoren; bijzondere aandacht en zorg gaan naar risicovolle situaties.
- Het integriteitsbeleid vereist ook een sterk reactiebeleid. Gestoeld op de juiste insteek moeten er stappen gezet worden om goed te reageren op een integriteitsschending.
- Een meldpunt kadert binnen het reactiebeleid ten aanzien van grensoverschrijdend gedrag. Via dit nieuw meldpunt wordt ingezet op:
- erkenning van slachtoffers via psychologische en/of juridische begeleiding - bemiddeling tussen partijen - beleidsaanbevelingen De Vlaamse Jeugdraad vindt het goed om te zien dat er aandacht gaat naar de integriteit en dus het welbevinden van kinderen, jongeren en jongvolwassenen. Een onafhankelijk meldpunt is dan ook een dankbaar gegeven als extra mogelijkheid om slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag te ondersteunen. We vinden het sterk dat hier ruime aandacht naartoe gaat en we zijn opgelucht dat er budget wordt vrijgemaakt met bijzondere aandacht voor slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag, want dat is cruciaal om van het meldpunt een succes van te maken.
_________________ 1 Het voorontwerp van decreet tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag, 22 december 2023.
2 Grenswijs kwam tot stand in een samenwerking tussen Sensoa, Icoba en Pimento en met steun van de Vlaamse Overheid. Meer dan 20 partners droegen bij. Grenswijs is er voor alle sectoren en niet beperkt in leeftijd (niet specifiek enkel gericht op kinderen en jongeren).
Om van het meldpunt een zo sterk mogelijk instrument te maken dat optimaal tegemoet komt aan de noden van slachtoffers en andere betrokken partijen geven we nog enkele bezorgdheden en aandachtspunten mee. Dit advies kwam tot stand met samen met jeugdwerkorganisaties die hier inhoudelijke expertise en praktijkkennis rond hebben opgebouwd: Tumult en Pimento, met inzichten van Sensoa.
Inspraak en samenwerking met betrokken sectoren is cruciaal. Stem een wetgevende basis van een meldpunt niet pas af ná de inwerkingtreding ervan.
We betreuren het dat dit meldpunt reeds in de praktijk in werking is getreden zonder een rechtsbasis en dus ook zonder input en participatie vanuit de betrokken sectoren. Het is een gemiste kans dat nu pas, ná de inwerkingtreding, het meldpunt een rechtsgrond krijgt, waar dan nu nog advies op komt. We vragen om participatie en betrokkenheid van kinderen en jongeren hoog in het vaandel te houden in beleidsopmaak en beleidsimplementatie.
In wat volgt, hebben we nog aandachtspunten en bezorgdheden over de verdere implementatie en vormgeving van dit meldpunt.
Erken de verschillen in integriteitsbeleid tussen verschillende sectoren en voorzie betere afstemming.
Het integriteitsbeleid (kwaliteit, preventie, reactie) kent sterke nuanceverschillen binnen de Vlaamse sectoren. Dit verschil is vooral ook zichtbaar bij het reactiebeleid, en dus de aanpak bij een integriteitsschending. Deze verschillen in aanpak en omgang met cases hebben een gefundeerde grond. Erken deze nuanceverschillen, laat hen in hun eigenheid, maar voorzie ook betere afstemming. Kennis over de verschillende aanpakken en insteken kan verduidelijkend en inspirerend werken. Vooral wat de uitbouw van dit meldpunt betreft moet er blijvend worden afgestemd met deze sectoren. Faciliteer hier ook een mogelijkheid om te leren van elkaars expertise.
De jeugdwerksector hecht enorm veel belang aan effectieve doelstellingen en inspanningen die ervoor zorgen dat hun organisaties veilige plekken voor kinderen en jongeren zijn. De integriteit en veiligheid van kinderen en jongeren is een topprioriteit voor onze sector. Zodat elk kind en elke jongere zichzelf kan zijn, zich kan ontplooien, kan spelen en gelukkig kan zijn. Elk geval van grensoverschrijdend gedrag is er één te veel en de veiligheid en integriteit van onze kinderen en jongeren staat centraal. Elk relevant initiatief dat bijdraagt tot de bescherming van de integriteit van kinderen en jongeren juichen we dan ook toe. We zetten als jeugdwerk al lange tijd in op een kwalitatief en sterk integriteitsbeleid en investeerden er hard in. Ondertussen is het hebben van een performant integriteitsbeleid ook een erkenningsvoorwaarde voor organisaties in het Vlaams jeugddecreet.3 Omdat we net zo sterk inzetten op integriteit, merken we zelfs dat jongeren door de vertrouwelijke sfeer in het jeugdwerk ook durven vertellen over integriteitsschendingen búiten de jeugdwerkcontext, bv. thuis of op school. Ook dan wordt vanuit het jeugdwerk blijvend gezocht naar manieren en antwoorden om ook in die situaties een rol op te nemen waarbij de integriteit van kinderen en jongeren centraal staat. Een grote uitdaging blijft dan ook om jonge mensen te ondersteunen in het omgaan met moeilijke thema’s. De rol van jeugdwerker vervaagt bijna in een rol van welzijnswerker _________________ 3 Vlaams Parlement, het Jeugddecreet van 23 november 2023.
waarbij er specifieke kennis wordt verwacht over welzijnsthema’s. Dit is een bezorgdheid die we ook aanhalen in ons advies over het geïntegreerd gezins- en jeugdhulpbeleid. We vragen dan ook een blijvende investering in het hulpverleningslandschap én in de ondersteuning voor het jeugdwerk.4 Zoals voorzien in artikel 6, is transparante informatie en optimale begeleiding voor het slachtoffer cruciaal. We vragen dan ook om bij de uitwerking van het meldpunt hier maximaal aandacht voor te hebben vanuit de eigenheid van de sectoren. Een grondige kennis en blijvende afstemming tussen sectoren is niet alleen belangrijk om dit waar te maken, maar ook om van elkaar intersectoraal bij te leren. De doelstelling is om maximaal complementair te zijn met het bestaande aanbod. Hiervoor is samenwerking nodig, maar ook heldere communicatie over verwachtingen bij slachtoffers en omgeving.
Zoals vermeld in artikel 3 en 5, vragen we om het samenwerkingsprotocol tussen het Vlaams Mensenrechteninstituut (VMRI) en het meldpunt Agentschap Justitie en Handhaving te blijven monitoren. Samen vormen ze namelijk het Vlaams Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag. Zorg bij de uitbouw van dit meldpunt voor een blijvende afstemming met de verschillende administraties, externe hulpverlening zoals de Vertrouwenscentra Kindermishandeling, met het Kinderrechtencommissariaat, maar ook met de verschillende sectoren.
Dit ontwerpdecreet spreekt expliciet over álle domeinen waarin de Vlaamse Overheid een subsidiërende rol heeft. We vragen dan ook aan de voltallige Vlaamse Overheid om dit ontwerpdecreet ter harte te nemen in beleidsvoering, subsidiëring en implementatie.
Willen we integriteitsschendingen bij slachtoffers echt vermijden, dan moeten er ook binnen al die sectoren investeringen komen op vlak van een geïntegreerd integriteitsbeleid.
Iedereen in Vlaanderen of Brussel die een integriteitsschending meemaakt vanuit een dienst van de Vlaamse Overheid moet (indien nodig) bij dit punt terechtkunnen. Iemand die een integriteitsschending meemaakt op de bus of trein, of in contact met de sociale huisvestingsmaatschappij, in contact met politie, ... Het zijn nog maar enkele voorbeelden hoe breed dit moet genomen worden. Hier hoort heel veel verantwoordelijkheid bij. Zowel voor het meldpunt, betreffende de afstemming, waarbij er zeker ook geld, tijd en energie moet gaan naar de minder belichte sectoren. Maar om integriteitsschendingen bij slachtoffers te vermijden moeten er binnen al die sectoren investeringen komen op kwaliteits-, preventie- en reactieniveau voor het brede begrip ‘integriteit’.
We missen in dit decreet heel sterk de blik op kinderen en jongeren. Vanuit kinderrechten, psychosociale ontwikkelingsinzichten en pedagogische resocialisatie is het cruciaal dat er een specifiek integriteitsbeleid gevoerd wordt gericht op kinderen en jongeren. Binnen het reactiebeleid is een herstelgerichte aanpak cruciaal. We vragen dus om dat perspectief zowel in het ontwerpdecreet als bij de implementatie te expliciteren.
Vanuit onze opgebouwde expertise rond integriteitsbeleid en werken met kinderen en jongeren vragen we om een aantal bijkomende aandachtspunten op te nemen in artikel 7:
- Integriteitsschendingen bestaan op een spectrum. Aan de ene kant vind je het experimentele aftasten van grenzen tussen jongeren, waarbij het onbedoeld overschrijden van een grens van de ene een leerkans kan zijn voor iedereen. Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich de duidelijke strafbare feiten, waarbij het element van invloed of macht zwaarder in de weegschaal ligt.
_________________ 4 Vlaamse Jeugdraad, Advies Geïntegreerd gezins- en jeugdhulpbeleid, 2023.
- De stem van kinderen en jongeren is een volwaardige stem, luister en respecteer deze stem. Bewaak ook de balans rond betrokkenheid van opvoedingsverantwoordelijken. Communiceer, informeer en betrek kinderen en jongeren op hun niveau mee. Om ook voor hen echt een verschil te maken moet er gewerkt worden aan een gerichte aanpak voor hen zodat de toegang zo laagdrempelig mogelijk is. We rekenen erop dat het daarbij niet alleen om een doorverwijsfunctie gaat, maar ook om een ondersteunende functie waarbij er samen met de betrokken kinderen of jongeren gekeken wordt hoe de beste ondersteuning kan worden geboden.
- Vertrek vanuit een groepsdynamische aanpak bij het reageren op grensoverschrijdend gedrag bij jongeren en jongvolwassenen, gestoeld op ontwikkelingspsychologisch standpunt en op basis van pedagogisch inzicht.
Maar reageer ook op basis van de opgebouwde expertise binnen de thema’s als omgaan met haatspraak, pesten, seksueel grensoverschrijdend gedrag, ... Vertrouw dus hierbij op de opgebouwde expertise binnen het jeugdwerk. Bekijk dit samen met de interne meldpunten, ondersteun hen in de juiste kind- en jongeren gerichte aanpak.
- Kinderen en jongeren leren door te doen, met de juiste kindaanpak bij grensoverschrijdend gedrag kan dit een leerproces zijn voor alle betrokkenen. Een kind of jongere onttrekken uit diens leefwereld mag slechts de allerlaatste stap zijn als de veiligheid niet gewaarborgd kan worden.
- Wat seksueel gezond is, is ook onderhevig aan maatschappelijke tendensen en sociobiologische evolutie.
Onze vraag is dan ook om dit blijvend te monitoren. We vragen hierbij om blijvend ook in contact te staan met de expertisecentra rond deze thema’s: Sensoa, Pimento, Alles Over Pesten.
- Kinderen zijn niet gelijkwaardig, vandaar is er een ook een fundamenteel verschil in de inschatting van iets wat grensoverschrijdend is als het van een volwassene met macht naar een kind of jongere is. Hier is de nodige fijngevoeligheid en kennis van zake nodig5. Kinderrechten vertrekken als enige van het unieke perspectief van kinderen en jongeren. Leg dat perspectief niet zomaar in de weegschaal ten opzichte van de algemene mensenrechten. Dat heeft alles te maken met de kwetsbare positie van kinderen en jongeren: die maakt het net essentieel dat er ook zuiver naar hun positie en hun belangen gekeken wordt. Meer dan terecht werd er vanuit verschillende hoeken meermaals op gewezen, zoals bijvoorbeeld door het Kinderrechtencommissariaat en de Kinderrechtencoalitie.
- We vragen ook om bij het reageren op een integriteitsschending waarbij kinderen, jongeren en jongvolwassenen betrokken zijn, rekening te houden met wie in een kwetsbare situatie opgroeit. Er is een extra zorg en fijngevoeligheid nodig bij kinderen en jongeren met een beperking, met een migratieachtergrond, met een psychische of socio-emotionele kwetsbaarheid, met een minder sterk netwerk of thuiscontext, ...
Waak te allen tijde over de gegevensbescherming van kinderen en jongeren, en garandeer transparantie aan de betrokkenen bij gegevensuitwisseling.
We staan achter de kritische bekommernissen van het JoKER die hiervoor verwijst naar de Vlaamse Toezichtcommissie wat de verwerking én bewaring van persoonsgegevens betreft. Vanuit dit ontwerpdecreet is nog niet volledig duidelijk waar gegevens verzameld zullen worden, hoelang en na hoeveel tijd die daadwerkelijk vernietigd zullen worden. We verwijzen ook daarbij graag naar het recht op privacy van het Kinderrechtenverdrag. Kinderen moeten worden beschermd tegen laster, tegen inbreuken op hun goede naam en eer. De overheid moet hen beschermen tegen het, in _________________ 5 Vlaamse Jeugdraad, Advies Vlaams Mensenrechteninstituut, 2022.
deze context van toepassing, onbedoelde of ongewilde verspreiden van privacygevoelige informatie. Hier gaat het dan over informatie naar organisaties, parlement, VMRI, andere instanties, ... Zorg voor duidelijkheid hieromtrent.
In het kader van de bescherming van kinderen en jongeren is het goed dat er gegevensdeling mogelijk wordt gemaakt.
Alleen vragen we de nodige deontologie en het subsidiariteitsprincipe te hanteren voor iedere betrokkene van een integriteitsschending. We vragen daarom dit op te nemen in de regelgeving alsook rekening mee te houden in de praktijk.
We willen benadrukken dat niet alleen voor slachtoffers uitgewerkt moet zijn wat met de gegevens gebeurt, maar ook voor de andere betrokkenen over wie gesproken wordt. We willen in het bijzonder opnieuw verwijzen naar het Kinderrechtenverdrag en de betreffende artikels zoals die over het belang van het kind alsook naar de privacywetgeving en de rechten van betrokkenen om te weten:
- dat hun casus wordt besproken;
- welke informatie over hen wordt gedeeld;
- dat ze het recht hebben de verwerkte informatie te verbeteren;
- dat ze het recht hebben om zich te verzetten tegen die verwerking.
Artikel 13 en 15 van dit ontwerpdecreet geven de mogelijkheid om aan die rechten te verzaken.
We willen met grote nadruk het nastreven van een informed consent van alle betrokken actoren onderstrepen en vragen dat het niet naleven van de rechten van de privacywetgeving een grote uitzondering vormt, als ze toegepast wordt. Bovendien blijft elke organisatie individueel verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens wat delen, registreren en verwerken betreft. Ook de mogelijke verlenging van de bewaartermijn van deze gegevens baart ons zorgen en we suggereren dat het louter heropenen van een nieuwe bespreking onvoldoende is om die gegevens te bewaren. We vragen daarom, net als bij het verlengen van de bewaartermijn naar vijf jaar, om een motivatie om de gegevens langer dan één jaar te bewaren. Er is ook nog extra duidelijkheid nodig over de persoon of instantie aan wie deze motivatie gericht moet worden als de gegevensverantwoordelijkheid verspreid zit. Een schriftelijke toestemming van het slachtoffer, ook kind of jongere, zou hierin een mogelijkheid kunnen zijn om mee te waken over het gevoelige luik van gegevensdeling.6 Vermijd het gevaar van rolverwarring en baken duidelijke rollen en mandaten af binnen dit meldpunt. Daar hoort het opleggen van regels en verantwoording vragen niet bij.
We zijn zeer kritisch over de verregaande rollen en mandaten die dit meldpunt zou kunnen innemen bij verschillende casussen zoals neergeschreven in Artikel 8 en 9. Vanuit de bescherming van het slachtoffer en preventief beleid, moet steeds zo dicht mogelijk gewerkt worden vanuit de eigenheid van een sector. Het meldpunt is er voor de ondersteuning van slachtoffers, mandaten ter sanctionering of opvolging van organisaties moeten hierbij door de betrokken administratie opgenomen worden. We willen het gevaar van rolverwarring vermijden en vinden dat de rechtsgrond voor een meldpunt dat dan nu ook regels kan opleggen en kan opvolgen ten aanzien van organisaties ter verantwoording te verregaand is. Het is volgens ons geen goed idee dat het meldpunt hier een onderzoekende rol heeft naar bepaalde organisaties binnen sectoren of en hoe zij hun integriteitsbeleid hebben uitgewerkt.
Wél vinden we het positief dat er gekeken kan worden hoe een organisatie beter ondersteund kan worden in de opmaak en implementatie van een sterk integriteitsbeleid. Het meldpunt is er voor de ondersteuning van slachtoffers, niet om organisaties en diens sectoren op te volgen, te evalueren, bij te sturen of sanctioneren.
_________________ 6 Vlaamse Jeugdraad, Advies ontwerpdecreet deelname Lokale Integrale Veiligheidscellen, 2020.
Het jeugddecreet zorgt er bv. voor dat elke jeugdwerkorganisatie een integriteitsbeleid heeft en daar ook over communiceert; dit is een voorwaarde ter erkenning. Bij de nodige zorgen is het dan ook aan de administratie om dit samen met de organisatie op te volgen.
Leg decretaal vast dat de basis voor beleidsaanbevelingen een en-en-verhaal moet zijn. We vragen om steeds beleidsaanbevelingen te doen op basis van een breder plaatje. Hierbij kan monitoring van wat binnen komt bij verschillende meldpunten helpen, maar evengoed een breedschalig onderzoek op het terrein of klankenbevraging bij de vertegenwoordigers van deze thema’s. We pleiten voor sterke beleidsadviezen gestoeld op noden van alle betrokkenen bij een integriteitsschending.
Zoals vernoemd in artikelen 4, 9, 11 en 20 kunnen meldingen geanonimiseerd overgemaakt worden aan het Vlaams Parlement om die te gebruiken als basis voor beleidsaanbevelingen.. Wat binnenkomt bij het meldpunt zegt iets, maar geeft nog niet het bredere plaatje mee. Beleidswerk op basis van een paar individuele cases moet vermeden worden.
Wat speelt er op het terrein in al die sectoren als het over grensoverschrijdend gedrag en de aanpak ervan gaat? Van het profiel van de melders, het aantal slachtoffers, de aard van de schendingen en hoe ermee wordt omgegaan, de nood van de mensen die aan de slag gaan met een slachtoffer, beschuldigde en betrokkenen, tot welke acties er sterk of minder goed zijn op kwaliteits-, preventie- en reactieniveau, … Dit alles vormt een ontzettend complex geheel. Net daarom is sterk beleid alleen mogelijk wanneer het bredere kader in rekening wordt gebracht.
Goede beleidsvoering kan pas gebeuren op basis van een juiste analyse waar iets kan voorkomen worden of hoe beter gereageerd kan worden. Het is dan ook de verantwoordelijkheid om per sector te kijken hoe je tot die analyse komt en wie daarvoor verantwoordelijk is. We vragen om hierrond ambitieuzer te zijn voor een sterk integriteitsbeleid op alle niveaus en dit voornemen ook decretaal vast te leggen.
Breng de beschuldigde personen sneller op de hoogte om herstelgericht werken alle kansen te geven.
We zijn verheugd dat bemiddeling als een volwaardig alternatief gezien wordt in dit ontwerpdecreet. Om deze bemiddeling alle kans te geven, ook wanneer er wél al een justitiële weg wordt gevolgd, vragen we om steeds bewust en vanuit een herstelgerichte benadering de afweging te maken om de beschuldigde sneller op de hoogte te brengen.
Zeker in het kader van jongeren en jongvolwassenen die elkaar kennen en waarbij een integriteitsschending en daarbovenop de trage politionele en justitiële weg een enorme druk leggen op alle betrokkenen.
Zet veel sterker in op de ondersteuning en begeleiding van jongvolwassenen rond het juiste leren inschatten van grenzen. Maak werk van blijvend inzetten op bestaande organisaties waarbij voorwaarden zoals doelpubliek of genomen justitiële stappen weggehaald worden voor extra aanbod of richt een nieuwe hulpverleningsinstantie op.
In het kader van belang voor slachtoffers blijft het gigantisch belangrijk om in te zetten op voorkomen en preventie.
Dit gebeurt door ook aan de slag te gaan met plegers van grensoverschrijdend gedrag op een manier dat er geen herhaling voorkomt. Er is een hiaat aan begeleiding van plegers van grensoverschrijdend gedrag. Stop It Now focust zich exclusief op kindermisbruik, Iter komt enkel in beeld voor hulpverlening wanneer er een justitieel traject wordt doorlopen. Onderzoek toont aan dat juiste therapie gebaat is bij plegers van grensoverschrijdend gedrag. Het gaat om juiste begeleiding in grenzen leren inschatten van zichzelf en de ander, van zien op welke manier bepaalde noden vertaald worden in destructief gedrag, ... Hier willen we nog benadrukken dat ook jongeren en jongvolwassenen nog lerende mensen in wording zijn en dus ook kansen verdienen én de juiste begeleiding. Het gaat vaak om jongvolwassenen die baat kunnen hebben bij het juist leren inschatten van grenzen en die via de vertrouwelijke rol zich willen laten begeleiden en net hier is op dit moment voor hen geen antwoord.
Hou rekening met kinderen en jongeren die slachtoffer zijn van grensoverschrijdend gedrag in Brussel.
We betreuren de versnippering van de rechts- en ondersteuningsmogelijkheden. Voor kinderen en jongeren in Brussel wordt de toegang tot recht en ondersteuning zo een stuk minder transparant (zo blijkt uit artikel 5). Bij de verdere uitwerking van dit meldpunt vragen we bijzondere aandacht voor de Brusselse situatie en in het bijzonder voor kinderen en jongeren die wonen, naar school gaan, deelnemen aan activiteiten, … in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
Op dit moment is het voor ons niet duidelijk hoe men de mensenrechtenbescherming en dus ook ondersteuning voor deze kinderen en jongeren zal garanderen. Deze hervorming mag op geen enkele manier een achteruitgang voor deze kinderen en jongeren zijn. We betreuren die verdere versnippering van bevoegdheden, terwijl aan de hand van dit meldpunt net het tegenovergestelde nagestreefd wordt.7 Tot slot Met dit advies roepen we alle sectoren op om een krachtdadig integriteitsbeleid te implementeren, bestaande uit een sterk kwaliteits-, preventie- en reactiebeleid. Hiervoor vragen we aan iedere Vlaamse minister om binnen diens specifieke relevante bevoegdheden hier specifiek financiering voor te voorzien. Om er zo vanuit de hele samenleving voor te zorgen dat kinderen, jongeren en (jong)volwassenen integer behandeld worden en er op een juiste manier gehandeld wordt indien er toch een integriteitsschending gebeurt.
We pleiten voor een sterk integriteitsbeleid waarbij de rechten van kinderen en jongeren gevrijwaard worden, waarbij er op niveau van kinderen en jongeren gekeken kan worden naar de noden. Waarbij er rekening wordt gehouden met de seksuele ontwikkeling die constant in verandering is, met maatschappelijke verschuivingen, met het gegeven van leven in groep. Een sterk integriteitsbeleid gaat deze uitdagingen niet uit de weg, waarborgt de veiligheid, én zorgt ervoor dat kinderen, jongeren en hun omgeving leren over samenleven zonder grenzen te overschrijden.
_________________ 7 Vlaamse Jeugdraad, Advies Vlaams Mensenrechteninstituut, 2022.
ADVIES VAN DE GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT 1/46 Advies nr. 21/2024 van 23 februari 2024 Betreft: Advies m.b.t. voorontwerp van decreet tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag (CO-A-2023-606) Het Kenniscentrum van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna: de Autoriteit), aanwezig mevrouw Cédrine Morlière, mevrouw Nathalie Ragheno en mevrouw Griet Verhenneman en de heren Yves-Alexandre de Montjoye en Bart Preneel;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, inzonderheid op artikelen 23 en 26 (hierna: WOG);
Gelet op de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (hierna: AVG);
Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna: WVG);
Gelet op het verzoek om advies van mevrouw Zuhal Demir, Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme, (hierna: de aanvrager) ontvangen op 26/12/2023;
brengt op 23 februari 2024 het volgend advies uit:
.
.
.
.
.
.
Advies 21/2024- 2/46 I. Kadering van de aandachtspunten:
1) Toepassingsgebied vereist verdere nauwkeurigheid
2) Vaststelling gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid
3) Onverenigbaarheid protocol voor de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken
4) Het beginsel van de minimale gegevensverwerking en de proportionaliteit is over de hele lijn onvoldoende in acht genomen
5) Binnen het kader van integriteit, vertrouwelijkheid en beveiliging is verdere aandacht vereist m.b.t.
verschillende graden van gemachtigde toegang, de uitzonderingen op het beroepsgeheim
6) Voorwaarden van een geldige toestemming en invoering van bewijsverplichting voor de verwerkingsverantwoordelijke
7) Rechten van de betrokkenen, m.n. de informatieverplichting
8) Bewaartermijn mag niet langer dan 1 jaar zijn, tenzij uitdrukkelijke motivering, en moet rekening houden met de aard van de gegevens II. VOORWERP VAN DE ADVIESAANVRAAG 1. Op 26 december 2023 verzocht de aanvrager het advies van de Autoriteit met betrekking tot een voorontwerp van decreet tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag (hierna: het ontwerp).
2. Het ontwerp beoogt grensoverschrijdend gedrag in de Vlaamse sectoren aan te pakken. Hiertoe wordt binnen het Agentschap Justitie en Handhaving (hierna: AJH) een onafhankelijke werking gecreëerd, het meldpunt AJH, als onderdeel van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag.1 Deze werking moet het mogelijk maken om grensoverschrijdend gedrag op een laagdrempelige wijze te kunnen melden. Om dit te bewerkstelligen wordt een samenwerking tussen het AJH en het Vlaams Mensenrechteninstituut (hierna: VMRI) voorzien.
3. Dit alles veronderstelt verwerking van persoonsgegevens door het AJH teneinde enerzijds meldingen van grensoverschrijdend gedrag te ontvangen en er passende gevolgen aan te verbinden en anderzijds aanbevelingen formuleren door het monitoren en in kaart brengen van de meldingen van grensoverschrijdend gedrag binnen de Vlaamse sectoren.
1 MvT art. 5, al. 1: “ Het meldpunt AJH is een onderdeel van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag binnen AJH en bestaat dus niet als afzonderlijk meldpunt noch aanspreekpunt, maar zal louter en alleen als onderdeel van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag handelen.” Advies 21/2024- 3/46 III. ONDERZOEK TEN GRONDE a. Rechtsgrond ➢ Algemene principes 4. Elke verwerking van persoonsgegevens moet een rechtsgrond of een rechtmatigheidsgrond hebben, zoals bepaald in artikel 6, lid 1, van de AVG. Gegevensverwerkingen die bij een normatieve maatregel zijn ingevoerd, zijn bijna altijd gebaseerd op artikel 6, lid 1, punt c) of e), van de AVG.2 5. Een norm die de verwerking van persoonsgegevens regelt (en die van nature een inmenging vormt in het recht op bescherming van persoonsgegevens) moet niet alleen noodzakelijk en evenredig zijn, maar ook voldoen aan de eisen van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid, zodat de betrokkenen, over wie gegevens worden verwerkt, een duidelijk beeld krijgen van de verwerking van hun gegevens. Krachtens artikel 6.3 van de AVG, gelezen in samenhang met artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM, moet dergelijke wettelijke norm de essentiële elementen van de met de overheidsinmenging gepaard gaande verwerkingen beschrijven. Het gaat hierbij minstens om:
- het (de) precieze en concrete doeleinde(n) van de gegevensverwerkingen;
- de aanduiding van de verwerkingsverantwoordelijke(n) (tenzij dit duidelijk is).
Voor zover de met de overheidsinmenging gepaard gaande verwerkingen van persoonsgegevens een belangrijke inmenging in de rechten en vrijheden van de betrokkenen vertegenwoordigen, omvat de wettelijke bepaling terzake tevens volgende (aanvullende) essentiële elementen:
- de (categorieën van) verwerkte persoonsgegevens die ter zake dienend en niet overmatig zijn;
- de categorieën van betrokkenen wiens persoonsgegevens worden verwerkt;
- de (categorieën van) bestemmelingen van de persoonsgegevens, evenals de omstandigheden waarin en de redenen waarom de gegevens worden verstrekt;
- de maximale bewaartermijn van de geregistreerde persoonsgegevens;
- de eventuele beperking van de verplichtingen en/of rechten vermeld in de artikelen 5, 12 tot 22 en 34 AVG.
2 Artikel 6, lid 1, van de AVG: “ De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: (...)
c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
(...)
e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen; (....).” Advies 21/2024- 4/46 ➢ Toepassing van deze principes 6. De verwerking van persoonsgegevens waartoe het voor advies voorliggende ontwerp aanleiding geeft, berust op artikel 6(1)(e) AVG.3 De doeleinden van de verwerking en de te verwerken categorieën van persoonsgegevens, in aanmerking genomen, is de Autoriteit van oordeel dat er sprake is van een belangrijke inmenging in de rechten en vrijheden van de betrokkenen. Het betreft immers een verwerking van persoonsgegevens van kwetsbare natuurlijke personen die tevens ook betrekking kan hebben op bijzondere categorieën van persoonsgegevens (gevoelige gegevens) in de zin van de artikelen 9 en/of 10 van de AVG en/of hoogstpersoonlijke gegevens.
7. Hierna gaat de Autoriteit na in hoeverre het ontwerp aan deze voorwaarden beantwoordt.
b. Doeleinden 8. Volgens artikel 5.1.b) AVG kan de verwerking van persoonsgegevens enkel uitgevoerd worden voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden.
9. Uit artikel 3, §1 lid 2, van het ontwerp volgt dat een onafhankelijk Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag wordt opgericht met het oog op de aanpak van grensoverschrijdend gedrag in de Vlaamse sectoren. Het bepalen van het toepassingsgebied, zorgt ipso facto voor een verdere afbakening van het doeleinde. Doch moet het toepassingsgebied voldoende nauwkeurig omschreven zijn, zodat er sprake kan zijn van een ‘welbepaalde’ omlijning. Bijgevolg wordt de aandacht gevestigd op het materiële en personele toepassingsgebied van het ontwerp.
10. Wat het materiële toepassingsgebied betreft volgt uit artikel 2, 7°, van het ontwerp, dat:
“
7° grensoverschrijdend gedrag: elke aantasting van de integriteit van een persoon wegens ongewenst seksueel gedrag, geweld, pesterijen of discriminerende intimidatie;” 11. Hieronder vallen consequent ook meldingen aangaande artikel 2, 5°, 6°, 10°, 11° van het ontwerp, zoals hiernavolgend weergeven:
“
5° discriminerende intimidatie: intimidatie als vermeld in artikel 17, §1, van het decreet van 10 juli 2008;
6° geweld: elke feitelijkheid waarbij iemand psychisch of fysiek wordt bedreigd of aangevallen;
3 Artikel 6(1)(e) AVG: “ de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen.” Advies 21/2024- 5/4610° ongewenst seksueel gedrag: seksuele intimidatie als vermeld in artikel 17, §2, van het decreet van 10 juli 2008;
11° pesterijen: onrechtmatig geheel van verschillende, vergelijkbare of uiteenlopende, gedragingen die plaatsvinden gedurende een bepaalde tijd, en die tot doel of gevolg hebben dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een persoon wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;”4 12. Voorts stipuleert artikel 5, lid 5, van het ontwerp, het volgende:
“ Het meldpunt AJH is toegankelijk voor elke persoon met een melding over grensoverschrijdend gedrag in alle aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest vallen.” 13. Het materiële toepassingsgebied moet aldus als volgt worden begrepen: meldingen over een
“ grensoverschrijdend gedrag” in “ alle aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest vallen.” 14. Terzake specifieert artikel 5, vierde en vijfde alinea, van de Memorie van Toelichting:
“ Het is niet noodzakelijk dat het grensoverschrijdend gedrag in het kader van een organisatie wordt gesteld, het is voldoende dat er een rechtstreekse link is met een bepaalde sector of organisatie. Op die manier wordt grensoverschrijdend gedrag door bijvoorbeeld een freelance fotograaf of door een student op kot niet uitgesloten bij het toepassingsgebied van het decreet.
Organisaties is een ruim begrip waarmee ook ondernemingen, instellingen, voorzieningen,… worden gevat.” 15. De Autoriteit interpreteert het materiële toepassingsgebied als zijnde elke melding:
• over een grensoverschrijdend gedrag (hetgeen gelet op de definities een uitermate verrijkende reikwijdte heeft);
• die een “rechtstreekse” link moet hebben (om maar niet te zeggen enige, gelet op de brede interpretatie);
• met “ […] organisaties en sectoren die […] onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaams Gewest [vallen],” waarbij expliciet aangegeven wordt dat organisaties geïnterpreteerd moet worden als een ruim begrip.
4 Vet toegevoegd door de Autoriteit.
Advies 21/2024- 6/46 16. Concreet wil dit zeggen dat zolang het betrekking heeft op een “grensoverschrijdend gedrag” en er enige link is met de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest, het geacht wordt ontvankelijk te zijn.
17. Het personele toepassingsgebied zoals voorzien in artikel 5, lid 5 van het ontwerp en weergeven in punt 12, draagt niet bij tot een nauwere omkadering. Aldus “ [is] het meldpunt toegankelijk voor elke persoon.” Zo specifieert de Memorie van Toelichting verder dat “ [h]et meldpunt […] zich in eerste instantie [richt] tot slachtoffers, maar de toegang […] daar niet toe beperkt [is]. In principe kunnen ook verwanten, getuigen, derden en organisaties en zelfs plegers een melding doen omtrent grensoverschrijdend gedrag.” Bovendien volgt uit de Memorie van Toelichting dat “ [h]et meldpunt […] zich niet specifiek of alleen tot kinderen en jongeren [richt], maar ook zij […] terecht [kunnen] […].” Met andere woorden iedereen, van kinderen, jongeren tot volwassenen, zonder enige vorm van onderscheid. Desalniettemin merkt de Autoriteit op dat hoewel het ontwerp en de Memorie van Toelichting nadrukkelijk aangeeft dat
“elke persoon” beoogd wordt, niet anders dan geopperd kan worden dat de insteek voornamelijk van kinderen en jongeren uit vertrekt. Dit volgt onder meer uit stellingen zoals “ [d]it ontwerp van decreet vertrekt vanuit verschillende kinderrechten en basisbeginselen, vermeld in het kinderrechtenverdrag […]” of nog
“vertrekt dus vanuit het belang van het kind en streeft een versterking van de hogervermelde kinderrechten na.” 18. Onder de aanpak van grensoverschrijdend gedrag in de Vlaamse sectoren valt enerzijds de meldingen en het passend gevolg en anderzijds de beleidsadviezen, zoals voorzien in artikel 7, van het ontwerp, die de twee kernopdrachten uitlicht.
19. Ten eerste, meldingen van grensoverschrijdend gedrag ontvangen en er een passend gevolg aan verbinden. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van het ontwerp, kaderen volgende deelopdrachten binnen deze eerste overkoepelende opdracht:
“
1° meldingen van grensoverschrijdend gedrag ontvangen en op basis daarvan aan vraag- en aanbodverheldering doen;
2° gesprekken voeren met het oog op ondersteuning en erkenning;
3° ondersteuning bieden en een melding van grensoverschrijdend gedrag en de daaropvolgende procedure binnen een specifieke sector of organisatie opvolgen;
4° een warme doorverwijzing bieden naar een extern aanbod;
5° een kortdurend psychologisch ondersteunend traject aanbieden;
6° een juridisch consult aanbieden over de burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke mogelijkheden;
7° bemiddelingsgesprekken en herstelgesprekken voeren.” Advies 21/2024- 7/46 20. Om dit te bewerkstelligen wordt een samenwerking voorzien tussen het meldpunt AJH en het VMRI – verdere bespreking in punten 104 t.e.m. 108.
21. Binnen dit kader verwerkt het meldpunt AJH en het VMRI overeenkomstig artikel 13, van het ontwerp, de gegevens van de “ melders” en van “ de personen die betrokkenheid vertonen met de context van het grensoverschrijdend gedrag” – verder toegelicht in punten 68 t.e.m. 71.
22. Het geheel in acht genomen, komt de Autoriteit tot het besluit dat het doeleinde uitdrukkelijk is en een gerechtvaardigd belang nastreeft. De aanvullende motivering van de aanvrager, m.b.t. het ruime toepassingsgebied, staaft de ruime invulling van het begrip “grensoverschrijdend gedrag” en bevestigt eerdere vaststelling omtrent het ruime kader van de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschappen en Gewesten.5 De Autoriteit, heeft begrip voor de beoogde opzet, m.n. het aanpakken van grensoverschrijdend gedrag. De ruime invulling van de definiëring van
“grensoverschrijdend gedrag,” kan gelet op de nauwkeurige en duidelijke motivering, in lijn met artikel 5(1)(b) AVG beschouwd worden. De Autoriteit is van mening dat de formulering "alle aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest vallen" niet volledig voldoet aan de vereiste van welbepaaldheid. Het feit dat de melding betrekking kan hebben op alle mogelijke aangelegenheden, zolang er maar een rechtstreekse link is, lijkt op een soort ‘catch all bepaling’. Hierbij wordt benadrukt dat de nauwkeurigheidsvereiste enerzijds een waarborg vormt voor de voorspelbaarheid en de rechtszekerheid van de betrokkenen, en anderzijds noodzakelijk is voor de toepassing van andere vereisten met 5 Op het verzoek van de Autoriteit voor een aanvullende motivering, naast het algemene doeleinde van ‘de aanpak van grensoverschrijdend gedrag in de Vlaamse sectoren’, die een dergelijk verreikend toepassingsgebied (materieel en personeel) rechtvaardigt, preciseerde de aanvrager het volgende: “ Het Meldpunt is bevoegd voor meldingen rond grensoverschrijdend gedrag in alle aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest vallen.
Grensoverschrijdend gedrag, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7° van het voorontwerp, maakt altijd een aantasting uit van de integriteit van een persoon. Het recht op eerbiediging van de fysieke en psychische integriteit is een grondrecht dat, onder meer, vervat ligt in artikel 3 van het EU Handvest en artikel 22 van de Grondwet. De doelstelling van het Meldpunt om meldingen, op een laagdrempelige wijze, mogelijk te maken in functie van de aanpak van grensoverschrijdend gedrag in de Vlaamse sectoren betreft derhalve de bescherming van een grondrecht.
Het Meldpunt kan meldingen ontvangen in alle aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest vallen.
Artikel 7, lid 3, 4° van het voorontwerp bakent het toepassingsgebied strikt af door te bepalen dat meldingen die buiten de aangelegenheden vallen die tot bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest behoren, niet ontvankelijk zijn. Deze bepaling bevestigt dat het toepassingsgebied van het voorontwerp bevoegdheidsconform moet worden gelezen (cf.
de afbakening van het Gelijkekansendecreet en de bevoegdheden van het VMRI). Uit deze bepaling volgt dat het Meldpunt casus per casus zal moeten controleren of er sprake is van een melding die binnen de Vlaamse bevoegdheden valt, zoals afgebakend in de Grondwet en de Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen.
Luidens de Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen is de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd voor onder meer sport, cultuur, onderwijs, media, welzijn, gezondheidszorg, …. Een gelijkaardige omschrijving werd ook opgenomen in andere decreten, onder meer het decreet houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers en het decreet houdende de machtiging van de Vlaamse deelnemers aan en de regeling van de modaliteiten van deelname aan de lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme.
Ook in het decreet tot oprichting van het Vlaams Mensenrechteninstituut wordt in artikel 6 verwezen naar het beschermen en bevorderen van mensenrechten in alle aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest vallen. Op die manier sluit de bevoegdheid van het meldpunt AJH aan bij de bevoegdheid van het VMRI, dit is immers noodzakelijk in het kader van hun samenwerking om uniform te kunnen handelen als Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag.” Advies 21/2024- 8/46 betrekking tot de kwaliteit van de gegevens, zoals het feit dat de verzamelde gegevens toereikend, ter zake dienend, evenredig en juist dienen te zijn, evenals voor de vereisten met betrekking tot de bewaartermijn. In het licht hiervan vraagt de Autoriteit om de reikwijdte nauwkeurig af te bakenen van hetgeen onder ‘rechtstreekse link’ en ‘alle aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest’ valt. Tevens is het noodzakelijk dat de reikwijdte ook nauwkeurig en gedetailleerd aan de burger gecommuniceerd wordt.
23. Ten tweede, op eigen initiatief of op verzoek, beleidsadviezen verstrekken aan organisaties.
Dit omvat het monitoren en in kaart brengen van de meldingen van grensoverschrijdend gedrag binnen de Vlaamse sectoren bij het meldpunt. Binnen dit kader is het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag belast met het rapporteren van anonieme gegevens6 aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement zoals gestipuleerd in artikel 4, van het ontwerp.
24. De Autoriteit verwijst naar de redenering uit punt 64, aangaande de aanbeveling om in het kader van het voorbereidend werk voor beleidsadviezen, reeds gebruik te maken van pseudonimisering of anonimiseringstechnieken.
25. Hoewel anonieme gegevens niet langer als persoonsgegevens beschouwd worden, en niet langer onderworpen zijn aan de AVG, wijst de Autoriteit erop dat zolang deze gegevens nog niet anoniem zijn, de AVG toepasselijk blijft. In dit verband herhaalt de Autoriteit dat de identificatie van een persoon niet enkel slaat op de mogelijkheid om zijn naam en/of adres te achterhalen maar eveneens op de mogelijkheid om hem te identificeren via een proces van individualisering, correlatie of gevolgtrekking. De Autoriteit wijst erop dat transparantie m.b.t. de gebruikte anonimiseringsmethode en een analyse van de risico’s verbonden aan heridentificatie elementen zijn die bijdragen tot een weloverwogen aanpak van het anonimisatieproces. Voor het overige verwijst de Autoriteit naar advies 05/2014 van de Werkgroep « Artikel 29 » over gegevensbescherming, voorganger van het Europees Comité voor gegevensbescherming, over de anonimiseringstechnieken.
26. In de mate dat hiernavolgend opgesomde artikelen betrekking hebben op anonieme gegevens, geldt punt 25 naar analogie.
• Artikel 7, lid 6 en 7, van het ontwerp, aangaande het verstrekken van beleidsadviezen en de aanwijzing van een coördinator;
• Artikel 9 van het ontwerp, aangaande beleidsadviezen;
• Artikel 13, §5, van het ontwerp, aangaande de rapportering.
6 Anonieme gegevens: informatie die niet aan een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon kan worden gekoppeld (art. 4.1) AVG, a contrario).
Advies 21/2024- 9/46 c. Verwerkingsverantwoordelijke(n) 27. De aanduiding van de verwerkingsverantwoordelijke moet overeenstemmen met de rol die deze actor in de praktijk zal opnemen en met de zeggenschap die hij heeft over de middelen die voor de verwerking zullen worden ingezet.7 28. Ofschoon het AJH in artikel 13, §3, van het ontwerp, expliciet als verwerkingsverantwoordelijk aangeduid wordt, volgt uit een analyse van het geheel van het ontwerp dat er een gezamenlijke doeleinde te verwezenlijken valt voor onderscheiden entiteiten, i.e., het AJH en het VMRI.
Waarbij deze laatste conform artikel 28, §2 van het decreet tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut (hierna: VMRI-decreet) als verwerkingsverantwoordelijke aangeduid wordt voor de verwerking van gegevens onder hun bevoegdheid. Met het oog op de verwezenlijking hiervan zullen ze ieder binnen hun bevoegdheid ‘structureel’ samenwerken en complementair zijn. Zoals aangegeven in de Memorie van Toelichting zullen beide instanties “ […] vanuit een andere invalshoek, bevoegd zijn voor meldingen van grensoverschrijdend gedrag.
[…].”8 Aldus wordt expliciet bevestigt dat
“[h]oewel het meldpunt AJH en het VMRI een ander dienstverleningsaanbod hebben, […] er qua toepassingsgebied wel een overlap [bestaat].”9 Dit staaft de veronderstelling dat t.a.v. de verwerking van persoonsgegevens ieder binnen eigen bevoegdheid10 zal samenwerken tot de bewerkstelliging van een gezamenlijk doeleinde11.
29. In het licht hiervan acht de Autoriteit het nuttig om het bestaande kader rond de gezamenlijke verwerkersverantwoordelijkheid, met name artikel 26 AVG en de rechtspraak van het Hof van Justitie, naar voren te brengen. De gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid vloeit voort uit 2 invalshoeken:
7 Zowel de Werkgroep 29 – voorganger van de EDPB – als de Autoriteit hebben benadrukt dat het concept verwerkingsverantwoordelijke vanuit een feitelijk perspectief moet worden benaderd. Zie: Werkgroep 29, Advies 1/2010 over de begrippen "verantwoordelijke voor de verwerking" en "verwerker", 16 februari 2010, blz. 9 (https://ec.europa.eu/justice/article-29/documentation/opinion-recommendation/files/2010/wp169_en.pdf en Gegevensbeschermingsautoriteit, Overzicht van de begrippen verwerkingsverantwoordelijke/verwerker in het licht van de Verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens (AVG) en enkele specifieke toepassingen voor vrije beroepen zoals advocaten, blz.1 (https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/sites/privacycommission/files/documents/Begrippen_VW_OA.pdf ).
8 Artikel 3, alinea 2, Memorie van Toelichting.
9 Artikel 3, alinea 2, Memorie van Toelichting.
10 Het meldpunt AJH is bevoegd voor al hetgeen ressorteert onder de definitie van “grensoverschrijdend gedrag,” (zie punten 9-11). Het VMRI is bevoegd voor meldingen over feiten van schendingen van mensenrechten en discriminatie die zich minder dan 5 jaar hebben voorgedaan.
11 Gezamenlijke bevoegdheid zullen meldingen zijn over feiten van discriminerende en seksuele intimidatie die zich minder dan 5 jaar geleden hebben voorgedaan.
Advies 21/2024- 10/46 • In eerste instantie, is er het kader die uit artikel 26 AVG12 en artikel 4(7) AVG13 voortvloeit, waarbij er sprake van gezamenlijke verantwoordelijke, wanneer verschillende partijen gezamenlijk14 het doel van en de essentiële middelen voor de verwerkingsactiviteit bepalen. Het gaat om complementaire voorwaarden die beoordeeld worden op basis van feitelijke omstandigheden. Aldus moet er sprake zijn van: i ) een gezamenlijke deelname van twee of meer entiteiten, aan de bepaling van ii) het doel en iii) de essentiële middelen van een verwerking.15 • In tweede instantie, is er de situatie van ‘gezamenlijke deelname’, die uit de rechtspraak van het Hof van Justitie voortvloeit. Het gaat met name om beslissingen, die hoewel ze niet tezamen genomen zijn, als samenvallend of convergerend beschouwd worden m.b.t.
de doeleinden en middelen. Zulks dat ze elkaar aanvullen en noodzakelijk zijn om de verwerking derwijze toe te laten dat het doel en de middelen van de verwerking tastbaar beïnvloed wordt. De vaststelling dat de verwerking niet mogelijk zou zijn geweest zonder de medewerking van beide partijen, in die zin dat de verwerking door elke partij onscheidbaar is, d.w.z. onlosmakelijk met elkaar verbonden, is doorslaggevend voor de kwalificering als samenlopende beslissing.16 30. Het is deze laatste situatie die, in casu, aanleiding geeft tot de vaststelling dat er de facto een situatie van gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid aanwezig is. Er is immers krachtens artikel 3, §2, van het ontwerp, sprake van een gezamenlijke doelstelling tussen verschillende entiteiten, zoals hiernavolgend gestipuleerd:
“Het meldpunt AJH en het VMRI werken structureel samen aan de verwezenlijking van de doelstelling, vermeld in paragraaf 1, tweede lid. In die voormelde samenwerking 12 Artikel 26 AVG: Gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken: “ 1.Wanneer twee of meer verwerkingsverantwoordelijken gezamenlijk de doeleinden en middelen van de verwerking bepalen, zijn zij gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken. Zij stellen op transparante wijze hun respectieve verantwoordelijkheden voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening vast, met name met betrekking tot de uitoefening van de rechten van de betrokkene en hun respectieve verplichtingen om de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie te verstrekken, door middel van een onderlinge regeling, tenzij en voor zover de respectieve verantwoordelijkheden van de verwerkingsverantwoordelijken zijn vastgesteld bij een Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepaling die op de verwerkingsverantwoordelijken van toepassing is. In de regeling kan een contactpunt voor betrokkenen worden aangewezen.
2.Uit de in lid 1 bedoelde regeling blijkt duidelijk welke rol de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken respectievelijk vervullen, en wat hun respectieve verhouding met de betrokkenen is. De wezenlijke inhoud van de regeling wordt aan de betrokkene beschikbaar gesteld.
3.Ongeacht de voorwaarden van de in lid 1 bedoelde regeling, kan de betrokkene zijn rechten uit hoofde van deze verordening met betrekking tot en jegens iedere verwerkingsverantwoordelijke uitoefenen.” 13 De begrippen verwerkingsverantwoordelijke en verwerker zijn gedefinieerd in artikelen 4, 7) en 8 van de AVG. Lees eveneens het Advies G29, 1/2010 over de begrippen “voor de verwerking verantwoordelijke” en “verwerker”, (WP169) 16 februari 2010.
In casu, moet “gezamenlijk” geïnterpreteerd worden als ‘samen met’ of ‘niet alleen’.
15 EDPB, richtsnoeren 07/2020 06/2014 over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker” in de AVG, 22.
16 HvJ (3e k.) 11 januari 2024, nr. C-231/22, ECLI:EU:C:2024:7, Belgische Staat / Gegevensbeschermingsautoriteit; EDPB, richtsnoeren 07/2020 06/2014 over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker” in de AVG, 23; S. De Smedt en M. Caproni, “[Inleiding] Toepassingsgebied van de AVG: wat u zeker moet weten” in, Praktische gids privacy in de onderneming, Mechelen, Kluwer, 29.
Advies 21/2024- 11/46werkt het VMRI binnen zijn bevoegdheden en mandaat, vermeld in titel 3 van het decreet van 28 oktober 2022, en werkt het meldpunt AJH binnen de bevoegdheden en opdrachten, vermeld in hoofdstuk 3 van dit decreet. […]”17 31. Het spreekt voor zich dat een gezamenlijke doelstelling, tot gevolg zal hebben dat elke entiteit voor zich en met betrekking tot haar bevoegdheden zal bepalen of een klacht of melding al dan niet samen zal worden behandeld. Dit komt de facto neer op een situatie waarbij twee verwerkingsverantwoordelijken enerzijds een gezamenlijk doel nastreven,18 en anderzijds een eigen beslissing, die als convergerend beschouwd kan worden en in praktijk tot gevolg heeft dat bepaald wordt welke persoonlijke gegevens verwerkt zullen worden. Met andere woorden “ de verwerking zou niet mogelijk zijn geweest zonder de medewerking van beide partijen aan het doel en de middelen, in die zin dat de verwerking door elke partij onscheidbaar is, d.w.z. onlosmakelijk met elkaar verbonden.”19 32. Dat de beslissing over het gezamenlijke doeleinde niet door de verwerkingsverantwoordelijken genomen is geweest, maar door een wetgevende norm bepaald is, doet hieraan geen afbreuk.20 Overeenkomstig een recent arrest van het Hof van Justitie, kan de “ vaststelling van de doelstellingen van en de middelen voor de verwerking en, in voorkomend geval, de aanwijzing van die verantwoordelijke in het nationale recht, niet alleen expliciet maar ook impliciet […] zijn.”21 Hieruit volgt dat de ‘doelstelling, ‘middelen’ en ‘verwerkingsverantwoordelijke’, zowel impliciet als expliciet uit een norm kunnen volgen.22 Bijgevolg kan de Autoriteit, niet anders dan vaststellen dat er, in casu, een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid is tussen het AJH en het VMRI. Derhalve zal met betrekking tot de gezamenlijke doelstelling en de samenlopende beslissingen over de verwerking van gegevens zowel het AJH als het VMRI gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de naleving van de AVG.23 Het AJH en het VMRI, zijn derhalve elk voor zich apart verwerkingsverantwoordelijken voor al hetgeen niet onder de gezamenlijke bevoegdheid valt.
17 Vet toegevoegd door de Autoriteit.
18 Concl. AG L. Medina, ECLI:EU:C:2023:468, bij HvJ (3e k.) 11 januari 2024, nr. C-231/22, ECLI:EU:C:2024:7, vn. 25: “ De in artikel 4, punt 7, juncto artikel 5, lid 1, onder b), AVG neergelegde verplichting om de doeleinden vast te stellen en te omschrijven, vereist evenwel ten minste dat elke indirecte vaststelling van de doeleinden van de verwerking voortvloeit uit de wettelijke bepalingen die ten grondslag liggen aan de activiteit van de betrokken autoriteit.” 19 EDPB, richtsnoeren 07/2020 06/2014 over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker” in de AVG, 23.
20 Zie voetnoot 18.
21 HvJ (3e k.) 11 januari 2024, nr. C-231/22, ECLI:EU:C:2024:7, Belgische Staat / Gegevensbeschermingsautoriteit, randnr. 30.
22 Concl. AG L. Medina, ECLI:EU:C:2023:468, bij HvJ (3e k.) 11 januari 2024, nr. C-231/22, ECLI:EU:C:2024:7, randnr. 51:
“ Het is ook mogelijk dat de wet een entiteit als verwerkingsverantwoordelijke aanwijst, zij het impliciet. Wanneer bijvoorbeeld de nationale wetgeving de entiteit in kwestie de verplichting oplegt om bepaalde gegevens onder zich te houden of te verstrekken, wordt deze entiteit beschouwd als verantwoordelijke voor de verwerking die noodzakelijk is voor de nakoming van die verplichting. Een dergelijke impliciete aanwijzing in de nationale wetgeving vindt plaats wanneer uit de rol, de taken en de bevoegdheden van deze autoriteit blijkt dat zij het doel van en de middelen voor de betrokken verwerking vaststelt […].” 23 Overweging 79 AVG.
Advies 21/2024- 12/46 33. Gelet op het beoogd doelpubliek, de gevoeligheid van gegevens en de voor een leek complexiteit van de materie, zou het de rechtszekerheid ten goede komen, als het ontwerp en het decreet VMRI verder zouden worden aangevuld zodat naast de verwerkingsverantwoordelijkheid, ook expliciet gewezen wordt op het bestaan van een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid. Meer concreet moet worden uitgeklaard wanneer, en onder welke voorwaarden de bevoegde autoriteiten optreden als verwerkingsverantwoordelijke, dan wel als verwerker of gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke.24 In lijn met andere adviezen van de Autoriteit wordt er ook sterk benadrukt dat er één enkel contactpunt25 beschikbaar moet zijn voor betrokkenen. Met het oog op een efficiënte en volledige bescherming van betrokkenen, wordt de decreetgever aangemoedigd om hier gehoor aan te geven. Op die manier is het voor betrokkenen duidelijk tot wie ze zich kunnen wenden om hun rechten uit te oefenen.26 34. Tenslotte noteert de Autoriteit dat dit ook implicaties zal hebben voor artikel 3, §2, lid 2, van het ontwerp, betreffende het samenwerkingsprotocol, zoals wordt uiteengezet in punten – 104 t.e.m.
108.
d. Minimale gegevensverwerking/ Proportionaliteit 35. Artikel 5.1.c), AVG bepaalt dat persoonsgegevens toereikend, terzake dienend en beperkt moeten zijn tot wat noodzakelijk is voor de beoogde doeleinden (principe van ‘minimale gegevensverwerking’).
36. Voorafgaand wenst de Autoriteit aan te geven dat artikel 13, van het ontwerp, een cluster is van alle te verwerken (categorieën van) persoonsgegevens, al de verwerkingswijzen, alle mogelijke betrokkenen, verwerkingsgronden en de bewaartermijn. Door de algemene beschrijving van de diverse elementen en het gebrek aan een link tussen de elementen, heeft de decreetgever er voor gezorgd dat het geheel ontransparant is. Tegen deze achtergrond ziet de Autoriteit zich genoodzaakt om het geheel van de procedure m.b.t. de gegevensverwerkingen in het kader van meldingen, te ontleden en stapsgewijs te begeleiden met observeringen. Terzake wordt
i) eerst het geheel van een melding besproken; ii) nadien wordt de aandacht gevestigd op de categorieën van persoonsgegevens die opgelijst zijn; iii) dit wordt opgevolgd door de meldingskanalen en de daarmee samenhangende persoonsgegevens; iv) voorts wordt ook ingegaan op het 24 Advies nr. 69/2022 van 22 april 2022, randnr. 34.
25 De oprichting van één enkel contactpunt impliceert uiteraard de invoering van de nodige procedures die deze centralisatie ook effectief doen functioneren.
26 Artikel 26(3) en art. 82(4) AVG; HvJ, (Gr. Kam.) 13 mei 2014, nr. C-132/12, GOOGLE SPAIN SL, GOOGLE INC. v/ AEPD, randnr.
34; HvJ (Gr. Kam.) 5 juni 2018, nr. C-210/16, UNABHÄNGIGES LANDESZENTRUM FÜR DATENSCHUTZ SCHLESWIG-HOLSTEIM v/ WIRTSCHAFTSAKADEMIE SCHLESWIG-HOLSTEIN GMBH), randnr. 28.
Advies 21/2024- 13/46 meldingsregister; v) waarna oog zal zijn voor de categorieën van betrokkenen; vi) dit wordt nagegaan door het onderdeel over anonieme meldingen en vii) ten slotte beëindigd met de wijze van verwerking.
➢ Proces van een melding 37. Uit de Memorie van Toelichting kan afgeleid worden, dat een melding bij het meldpunt AJH in verschillende fases onderverdeeld kan worden. Hetgeen de facto implicaties heeft voor de hoeveelheid gegevens die verwerkt worden. Zo wordt in de laatste alinea van artikel 5 uit de Memorie van Toelichting gesteld:
“ […] Dat wil echter niet zeggen dat er op basis van elke melding automatisch een volledig traject zal worden gestart […].” 38. Wat nadien nogmaals onderstreept wordt in de tweede alinea van artikel 6 van de Memorie van Toelichting die het volgende stelt:
“ […] Het meldpunt vertrekt vanuit de noden van de melder. Het aanbod verloopt vraaggestuurd, op maat en op het tempo van de melder. Na elke melding volgt een uitgebreide vraagverheldering. Op basis van de specifieke vragen van een melder wordt het passende aanbod besproken met de melder. […]” 39. Verder voorziet artikel 7, lid 3, van het ontwerp het volgende:
“ In de volgende gevallen is de melding niet ontvankelijk:
1° de melding is kennelijk ongegrond;
2° de melding is kennelijk roekeloos of tergend;
3° de melding is al behandeld door het meldpunt AJH;
4° de melding heeft geen betrekking op aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest vallen.” 40. Het geheel in acht genomen kan geconstateerd worden dat er in eerste instantie een melding moet zijn (eerste fase). In tweede instantie zal “ na elke melding […] een uitgebreide vraagverheldering [volgen],” (tweede fase). In derde instantie moet de ontvankelijkheid beoordeeld worden en een passend aanbod voorzien worden. Het onderscheid tussen deze verschillende fases is van belang, omdat het een invloed heeft op de hoeveelheid gegevens die noodzakelijk zijn voor de verwerking, maar ook meespeelt bij de beoordeling van de bewaartermijn.
41. Het is op heden onduidelijk of de beoordeling van de ontvankelijkheid van een melding, onmiddellijk in eerste fase of na de tweede fase, i.e., de vraagverheldering, plaatsvindt. Er kan Advies 21/2024- 14/46 aangenomen worden dat in bepaalde gevallen, reeds in de eerste fase, uitspraak gedaan kan worden over de (on)ontvankelijkheid. Dit zou onder meer mogelijk zijn wanneer uit de melding klaarblijkelijk volgt dat het geen grensoverschrijdend gedrag betreft of dat het buiten de bevoegdheid van de Vlaamse overheid is. Zoals verder toegelicht, kan de inhoud van een melding sterk variëren met als gevolg dat dergelijke beoordeling omwille van onvoldoende informatie in de eerste fase, pas mogelijk is na “ de uitgebreide vraagverheldering”. Dit uitgangspunt werd door de aanvrager bevestigd.27 Niettemin stemt het antwoord niet volledig overeen met hetgeen overeenkomstig artikel 6, tweede alinea van de Memorie van Toelichting gesteld wordt, namelijk dat er “ na elke melding […] een uitgebreide vraagverheldering [zou volgen].” Hoewel de keuze voor dergelijke werkwijze, verstaanbaar is in deze specifieke context en in het licht van het beoogd doel van algemeen belang, lijkt een systematische “ uitgebreide vraagverheldering” ook daar waar de melding klaarblijkelijk onontvankelijk is, verregaand omdat er meer gegevens verwerkt zullen worden dan hetgeen werkelijk noodzakelijk is. Zodoende lijkt het aangeraden om voor een geval per geval beoordeling te opteren, alvorens over te gaan tot een “uitgebreide vraagverheldering.” Om dubbelzinnigheden te vermijden adviseert de Autoriteit om de Memorie van Toelichting op één lijn te brengen met het antwoord van de aanvrager, zodat er niet systematisch na elke melding een “uitgebreide vraagverheldering” volgt.
➢ Categorieën van persoonsgegevens 42. Uit artikel 13, §1 van het ontwerp, volgt dat het meldpunt AJH hiernavolgende categorieën van gegevens kan verwerken:
“
1° identificatiegegevens, waaronder voor- en achternaam en het rijksregisternummer of het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2° contactgegevens;
3° beroepsgegevens;
4° persoonsgegevens die blijken uit de feitelijke omstandigheden van de melding van grensoverschrijdend gedrag;
5° persoonsgegevens die blijken uit de opvolging van een melding van grensoverschrijdend gedrag;
6° bijzondere categorieën van persoonsgegevens als vermeld in artikel 9 van de algemene verordening gegevensbescherming;
27 Op de vraag van de Autoriteit naar het tijdstip van de beoordeling van de ontvankelijkheid – bij ontvangst of na de vraagverheldering, preciseerde de aanvrager het volgende: “ De beoordeling vindt zo vroeg mogelijk plaats maar beide mogelijkheden zijn van toepassing. Als er bij de eerste contactname voldoende informatie wordt meegegeven door de melder om de ontvankelijkheidstoets te maken kan de beoordeling mbt ontvankelijkheid onmiddellijk gebeuren. Afhankelijk van het medium van de contactname, dient soms bijkomende informatie opgevraagd worden en kan de ontvankelijkheid maar later getoetst worden. Het is ook niet altijd meteen duidelijk of alle ontvankelijkheidsvoorwaarden voldaan zijn en dan moet extra opzoekwerk achter de schermen gebeuren.” Advies 21/2024- 15/467° politionele en gerechtelijke gegevens. […]”28 43. De Autoriteit merkt, vooreerst, op dat het gebruik van het begrip
"INSZ” (‘identificatienummer van de sociale zekerheid’) moet worden vermeden, aangezien het a priori geen wettelijk bestaan heeft.
Volgens artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid worden het Rijksregisternummer en het bisnummer (zijnde het uniek persoonlijk identificatienummer, bedoeld in artikel 8, § 1, 2° van de KSZ-wet, dat door de KSZ wordt toegekend aan elke persoon die niet in het Rijksregister is opgenomen, maar die in België socialezekerheidsrechten geniet) binnen het netwerk van de sociale zekerheid als identificatiemiddelen gebruikt. In plaats van te verwijzen naar het ‘INSZ’ moet bijgevolg worden verwezen naar het identificatienummer van het Rijksregister en het identificatienummer bis zoals bedoeld in artikel 8, § 1, 2° van de KSZ-wet.
44. Met betrekking tot het Rijksregisternummer, vestigt, de Autoriteit, de aandacht van de aanvrager op het feit dat het Rijksregisternummer alleen mag worden gebruikt/verwerkt onder de voorwaarden als bepaald in artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.29 Het verdient de aanbeveling om de rechtsgrond, nl. artikel 8 van voormelde wet, expliciet te vermelden in het ontwerp. De Autoriteit herinnert er ook in het algemeen aan dat unieke identificatienummers een bijzondere bescherming genieten. Artikel 87 AVG voorziet dat de lidstaten die een nationaal identificatienummer vaststellen, er moeten over waken dat dit alleen wordt gebruikt met passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkene. Zo vestigde de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de rechtsvoorganger van de Autoriteit, reeds eerder30 de aandacht op in acht name van volgende waarborgen terzake:
- het gebruik van een algemeen identificatienummer moet worden beperkt tot de gevallen waarin dit strikt noodzakelijk is aangezien dit gebruik risico's impliceert inzake koppeling van bestanden;
- de doeleinden moeten duidelijk en expliciet worden gepreciseerd zodat men de beoogde soorten verwerkingen kan vermoeden/voorzien;
- de bewaartermijn en de eventuele mededelingen aan derden moeten eveneens worden omkaderd;
28 Vet toegevoegd door Autoriteit.
29 “ De machtiging om het Rijksregisternummer te gebruiken, wordt door de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken toegekend aan de overheden, instellingen en personen, bedoeld in artikel 5, § 1, wanneer dit gebruik noodzakelijk is voor de uitvoering van taken van algemeen belang.
De machtiging om het Rijksregisternummer te gebruiken houdt de verplichting in dit Rijksregisternummer eveneens te gebruiken in de contacten met het Rijksregister van de natuurlijke personen.
Er is geen machtiging vereist om het Rijksregisternummer te gebruiken wanneer dit gebruik uitdrukkelijk voorzien is door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie”.
30 Zie advies nr. 19/2018 van 29 februari 2018 betreffende een voorontwerp van wet houdende diverse bepalingen “Binnenlandse Zaken”.
Advies 21/2024- 16/46 - technische en organisatorische maatregelen moeten het beveiligd gebruik passend omkaderen; en - de niet-naleving van de bepalingen die het gebruik omkaderen moeten worden gesanctioneerd aan de hand van effectieve, proportionele en ontradende sancties.
45. Terzake wijst de Autoriteit erop dat het ontwerp en de Memorie van Toelichting niet verduidelijken waarvoor het Rijksregisternummer of het of het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, gebruikt zullen worden. Er wordt enkel gesteld dat het verwerkt kan worden.
Ofschoon vermoed kan worden dat het ter identificering van de personen in kwestie gaat, kan het gebruik niet overgelaten worden aan het loutere feit van een vermoeden. Bovendien veronderstelt de Autoriteit bij gebrek aan verdere informatie dat het betrekking zal hebben op eender wie van de betrokkenen. De Autoriteit merkt voorts op dat het vaststaat dat er doorgiftes zullen zijn, doch wordt de inhoud niet gekaderd, ook niet voor het Rijksregisternummer. Daarnaast wijst de Autoriteit op het feit dat deze op een SharePoint bijgehouden zullen worden, hetgeen wederom te wensen laat in termen van technische en organisatorische maatregelen – zoals besproken in punt 57. Hoewel het beroepsgeheim een zeker kader met sancties verbindt, blijft het noodzakelijk om expliciete richtlijnen te voorzien voor het gebruik van het Rijksregisternummer, met daaraan gekoppelde sancties.
46. Voorts is het voor de Autoriteit, onduidelijk wat bedoeld wordt met “ persoonsgegeven die blijken […] ” in punten 4 en 5. Dergelijke ruime beschrijving, is een blanco cheque om eender welke gegevens te kunnen verwerken. Derhalve moet verdere duiding voorzien worden zodat concreet en ondubbelzinnig geconcludeerd kan worden welke soort gegevens hiermee bedoeld worden en er in een tweede fase enkel de absoluut noodzakelijke gegevens bewaard kunnen blijven.
47. Ten aanzien van artikel 13, §1, 7°, van het ontwerp, betreffende de “politionele en gerechtelijke” gegevens, wijst de Autoriteit op de toepassing van artikel 10 AVG. Terzake mag de verwerking van dergelijke gegevens enkel gebeuren onder toezicht van een overheid of andere daar waar door norm (nationaal of Europees) voorziet in passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen. Omvattende registers van strafrechtelijke veroordelingen mogen alleen worden bijgehouden onder toezicht van de overheid.
In casu, kwalificeert het AJH als een Vlaamse overheid en is ze bijgevolg bij machte om dergelijke verwerkingen uit te voeren.
Niettemin brengt de Autoriteit aan dat gelet op het karakter van deze gegevens enige voorzichtigheid geboden is. Aangezien – zoals besproken in punt 62 – in het ontwerp zelf, geen vermelding wordt gemaakt over een (melding)register of de inhoud ervan, raadt de Autoriteit ten stelligste af om deze gegevens in de vorm van een register bij te houden. Bovendien voorziet het ontwerp onvoldoende maatregelen die als “bijkomende passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen” kunnen kwalificeren. Zo wordt nergens allusie Advies 21/2024- 17/46 gemaakt naar een lijst van de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens, met een beschrijving van hun hoedanigheid ten opzichte van de verwerking van de beoogde gegevens.31 48. Voorts constateert de Autoriteit dat het VMRI, net zoals het meldpunt AJH als een Vlaamse overheid gekenmerkt kan worden. Krachtens artikel 28, §5, 7°, van het VMRI-decreet, kan het VMRI, in de mate dat het proportioneel is ook politionele of gerechtelijke gegevens verwerken. Doch wordt in tegenstelling met onderhavig ontwerp geen verwijzing gemaakt naar artikel 10 AVG. Niettemin zal het VMRI, net zoals het meldpunt AJH t.a.v. de gemeenschappelijke bevoegdheden, bij machte zijn om het toezicht te hebben over de verwerking van dergelijke gegevens. Desondanks onderstreept de Autoriteit dat dit toezicht duidelijker omkaderd moet worden. T.a.v. een register aangaande strafrechtelijke veroordelingen, geldt dezelfde aanbeveling als in punt 47, m.n., zich onthouden van strafrechtelijke gegevens bij te houden in de vorm van een register.
49. Zoals reeds toegelicht, moet een melding bij het meldpunt in verschillende fases beoordeeld worden. Enerzijds de eerste fase, betreffende de gegevens die in de eerste melding gedeeld worden. En Anderzijds, de tweede fase die betrekking heeft op het geheel van informatie na “ de uitgebreide vraagverheldering.” 50. Ten aanzien van de eerste melding merkt de Autoriteit op dat er nergens expliciet aangegeven is welke gegevens het moet bevatten. Afgaand op hetgeen wel vaststaat, namelijk de “ uitgebreide vraagverheldering” die in de tweede fase plaatsvindt, kan verondersteld worden dat de hoeveelheid van de gegevens uit de eerste fase, i.e., de melding zelf, in praktijk op twee manieren ingevuld kan worden:
• Enerzijds is de eerste melding vrij, zijnde dat de melder, naar eigen believen, zoveel of zo weinig informatie in de melding kan voorzien. In dit scenario kan de reikwijdte van de informatie die de melding bevat, een grotere omvang hebben dan hetgeen noodzakelijk is en omgekeerd. De tweede fase, zou hier bijdragen tot een beperking of specificering van de gegevens die werkelijk essentieel zijn of omgekeerd een aanvulling, daar waar onvoldoende informatie voorzien is, in de eerste fase.
• Anderzijds is er het scenario waarbij, de melder over een gerichte kader beschikt en in de eerste fase, op een gerichte wijze informatie gegeven wordt. Hierdoor zal de omvang van de informatie die verkregen wordt van een melder, gelimiteerd worden. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn, bij gebruik van een invulformulier. De tweede fase, zou neerkomen op een aanvulling van de informatie m.b.t. de essentiële elementen.
31 Artikel 10, §2, lid 1, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
Advies 21/2024- 18/46 51. Het onderscheid tussen beide situaties is dat de melder naargelang de situatie reeds in eerste fase potentieel meer of minder gegevens kan doorgeven dan hetgeen werkelijk noodzakelijk is.
52. Hoewel het noch uit de Memorie van Toelichting, noch het ontwerp voortvloeit, heeft de decreetgever door de vorm van de melding te bepalen, impliciet geopteerd voor een situatie waarbij de omvang van de informatie die de melding bevat vrijelijk door de melder bepaald wordt.
Zodoende leert verder onderzoek, op de website van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag, dat er 3 manieren zijn: telefonisch, per e-mail en per chat, waarbij enkel voor deze laatste op de website een beperkte indicatie is over hetgeen zeker vermeld of gevraagd zal worden:
a. Vooraleer je kan chatten, geef je je naam of nickname (schuilnaam).
b. We vragen je geslacht en leeftijd. Je vult in wat je zelf wilt.
c. Tijdens het eerste chatgesprek vragen we je naar algemene informatie over datgene dat je wil melden.
d. We proberen een chatgesprek na ongeveer een half uur af te ronden, zodat zoveel mogelijk mensen aan de beurt kunnen komen.
e. Is de chat bezet, probeer het later nog eens of bel of mail ons. 32 53. De keuze voor een systeem waarbij in de eerste fase geen beperking is voor de melder t.a.v. de (categorieën van) gegevens en hoeveelheid ervan, heeft tot gevolg dat er potentieel meer gegevens dan noodzakelijk doorgegeven zullen worden. Binnen dergelijk systeem is het onwaarschijnlijk dat de (categorieën van) persoonsgegevens die door een melder doorgegeven worden, in praktijk werkelijk beperkt zullen zijn tot hetgeen opgesomd is in artikel 13, §1, van het ontwerp. De Autoriteit herinnert, de decreetgever, eraan dat de verwerking van gegevens “ toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig [...] [hoort te] zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of waarvoor zij vervolgens worden verwerkt.”33 Het is van belang dat de decreetgever de nodige afweging maakt om niet in een situatie van ‘bovenmatige’ gegevensverwerking te belanden, maar ook niet in een situatie van ontoereikende gegevens – zoals aangekaart in punten 65 en 72.
54. In de tweede fase, kan er aangenomen worden dat alvorens een passend aanbod te kunnen voorzien, deze fase een antwoord moet hebben op een aantal gegevens. Hieruit volgt dat de tweede fase gericht gaat kijken naar informatie over een zeker aantal aspecten. Er kan dus gesteld worden dat hoewel er reeds in de eerste fase een verwerking kan zijn van opgesomde categorieën 32 s.n., Agentschap Justitie en Handhaving, Vlaams Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag is een officiële website van de Vlaamse overheid, laatst geraadpleegd op 15 februari 2024 van https://www.vlaanderen.be/vlaams-meldpuntgrensoverschrijdend-gedrag/chat-met-ons-over-grensoverschrijdend-gedrag.
33 HvJ 11 december 2019, nr. C-708/18, Asociaţia de Proprietari bloc M5A-ScaraA, EU:C:2019:1064, punt 48.
Advies 21/2024- 19/46 van gegevens uit artikel 13, §1, van het ontwerp, het pas in de tweede fase – of later bij kennisneming van nieuwe elementen – zal zijn dat het geheel aan informatie verzameld zal worden.
55. Voorgaande in acht genomen is het voor de Autoriteit onduidelijk hoe het meldpunt AJH bij de verwerking van de gegevens van een melding (beide fases), zich enkel zal beperken tot de verzameling van relevante gegevens. Zoals gesteld in punt 53 kan bij de melding in eerste fase, meer gegevens verzameld worden dan noodzakelijk, maar ook meer dan hetgeen mag verwerkt worden krachtens artikel 13, van het ontwerp. In die mate dat de tweede fase overeenkomt met een controle fase, waarbij nadien enkel noodzakelijke informatie m.b.t. de melding bijgehouden wordt, kan de Autoriteit hierin berusten.34 Niettemin wijst de Autoriteit erop dat de bijkomende redactie, vermeden of alleszins beperkter had kunnen zijn indien melders reeds bij aanvang een duidelijke omkadering zouden krijgen over de hetgeen in een melding voorzien moet zijn. Voorts vraagt de Autoriteit zich af, hoe dit in zijn werk zal gaan voor chatgesprekken en e-mails. Het is raadzaam om hierbij de lijn door te trekken van wat voorzien is voor telefoongesprekken: de chat zelf wordt niet bijgehouden, maar een samenvatting van de inhoud wel.
➢ Meldingskanalen en persoonsgegevens 56. In het verlengde hiervan en terugkoppelend naar de kanalen van een melding uit punt 52, stelt de Autoriteit vast dat wederom geen informatie voorzien is in het ontwerp en de Memorie van Toelichting over het medium en de vorm. Dat er een leemte is aangaande de inhoud van een melding werd reeds vastgesteld en besproken. Doch moet ook gewezen worden op een andere lacune die hieruit volgt, namelijk worden de gegevens die uit een meldingskanaal komen bijgehouden, hoe wordt dat gedaan en welke gegevens worden bijgehouden. Op vraag van de Autoriteit, specificeerde de aanvrager het volgende:
“ Dossiers worden bijgehouden in SharePoint (voorzien beveiligde toegang), in afwachting van een op maat gemaakt registratie- en dossieropvolgsysteem (procedure aanbesteding wordt gestart voorjaar 2024).
Telefoongesprekken worden niet opgenomen. In het inhoudelijk dossier wordt de inhoud van de melding samengevat. In het dossier wordt enkel informatie opgenomen die noodzakelijk is voor de opvolging en behandeling van de melding.” 57. Vooreerst wenst de Autoriteit nader in te gaan op het systeem dat gebruikt wordt voor de bewaring van de dossiers. Uit het antwoord van de aanvrager, leidt de Autoriteit af dat de (inhoudelijke) 34 Er wordt tevens onderstreept dat het beginsel van de juistheid van gegevens krachtens artikel 5(1)(d) AVG, dergelijke checkup vereist.
Advies 21/2024- 20/46 dossiers bijgehouden zullen worden in SharePoint (die voorzien is van een beveiligde toegang) en later vervangen wordt door een op maat gemaakte registratie- en dossieropvolgsysteem. Ten eerste, wat het gebruik van SharePoint betreft, begrijpt de Autoriteit, dat het om een tijdelijke situatie gaat en dat er in de nabije toekomst een ander systeem ingevoerd zal worden. Doch wordt onderstreept dat de overschakeling primordiaal is en binnen een redelijke termijn dient te gebeuren. In acht genomen dat dossiers ook persoonsgegevens kunnen bevatten die onder artikel 9 en artikel 10 AVG vallen, geeft het bewaarmiddel en het feit dat het slechts terloops wordt opgemerkt in een antwoord van de aanvrager, en niet eens het ontwerp of de Memorie van Toelichting, aanleiding tot bezorgdheid. Er wordt sterk betwijfeld dat een standaard product, zoals SharePoint, voldoende beveiliging biedt voor dergelijke gevoelige gegevens. Gezien de huidige stand van de techniek, zijn er systemen die hiervoor beter geschikt zijn.35 Bovendien wordt onderstreept dat de graad van bescherming in overeenstemming moet zijn met het risico en de aard van de gegevens. In dat verband wordt aanbevolen om naargelang de aard van gegevens, in een gepaste beveiliging te voorzien.
Dit betekent o.m. dat niet alle gegevens even toegankelijk horen te zijn. Met andere woorden, ook in de inhoudelijke dossiers moet de toegang en in het bijzonder het aantal personen dat er toegang toe heeft en de wijze waarop zij die toegang verkrijgen, beperkt worden naargelang bevoegdheid en de aard van de gegevens. Wat betreft de “beveiligde toegang,” moet minstens een multifactor authenticatie en logging van de activiteiten, geïmplementeerd zijn. Verder wordt ook aanbevolen om daarbovenop andere maatregelen te voorzien zoals, vervaldata op dossiers, Double Key Encryption voor de opslag van bestanden met zeer gevoelige of bijzondere persoonsgegevens, gradaties in toegang, hantering van trackchanges, het gebruik met toegang door een link vermijden (of beperken tot eenmalig gebruik).
58. Daarnaast vermoedt de Autoriteit, op grond van de voorziene commentaar in het ‘formulier voor het aanvragen van een advies over een ontwerp van normatieve tekst’, dat het gebruik van de SharePoint vermoedelijk niet eerst aan een gegevensbeschermingseffectenbeoordeling (GEB) onderworpen werd, zoals artikel 35 AVG het vereist. De Autoriteit benadrukt dat alle verplichtingen onder de AVG, nageleefd moeten worden, ook in het kader van het gebruik van SharePoint. Voor verdere informatie, verwijst de Autoriteit, de aanvrager naar de ‘2022 Coordinated Enforcement Action’, van de EDPB aangaande het gebruik van clouddiensten in de publieke sector.36 59. Ten tweede, wat het op maat gemaakte registratie- en dossieropvolgsysteem betreft, wordt benadrukt dat de betrokkenen van wie de gegevens zijn bewaard over voldoende garanties moeten beschikken zodat hun persoonsgegevens doeltreffend worden beschermd tegen het risico 35 Artikel 25(1) AVG.
36 EDPB, 2022 Coordinated Enforcement Action 17 January 2023, Use of cloud-based services by the public sector, laatste geraadpleegd op 14 februari 2024, van https://edpb.europa.eu/system/files/2023-01/edpb_20230118_cef_cloudbasedservices_publicsector_en.pdf.
Advies 21/2024- 21/46 van misbruik en tegen elke onrechtmatige raadpleging en elk onrechtmatig gebruik van deze gegevens.37 De Autoriteit benadrukt dat er passende technische en organisatorische maatregelen geïmplementeerd dienen te worden te om de veiligheid en vertrouwelijkheid van bewaarde informatie te waarborgen. Dit omvat minstens het gebruik van tweefactorauthenticatie, complexe wachtwoorden, logging van communicatie en fingerprinting voor elektronisch verstrekte bestanden. Voorts merkt de Autoriteit op dat, voor dergelijke gevoelige gegevens, de voorkeur gegeven wordt aan elektronische opeslag en gegevensuitwisseling via een beveiligd platform, overeenkomstig eerder geleverde adviezen.38 60. Tenslotte verduidelijkt de aanvrager dat telefoongesprekken niet opgenomen, maar samengevat en bijgehouden zullen worden in het inhoudelijke dossier. De Autoriteit herinnert de aanvrager eraan dat de melder reeds dan geïnformeerd moet worden over de verwerking van de gegevens en de wijze waarop de informatie bijgehouden wordt, namelijk een geschreven samenvatting van het telefoongesprek. De Autoriteit merkt op dat dit extra aandacht zal vergen voor de juistheid van de gegevens. Met betrekking tot e-mail en chat, verwijst de Autoriteit naar de observering in punt 55.
61. Terzake vraagt de Autoriteit om bij voorkeur in het ontwerp of minstens in de Memorie van Toelichting, kenbaar te maken langs welke kanalen de melder een melding kan maken. Daarnaast dienen deze documenten aangevuld te worden met de antwoorden van de aanvrager en de observaties van de Autoriteit.
➢ Meldingsregister 62. Het oogmerk om te voorzien in een adequate opvolging van een melding van grensoverschrijdend gedrag lijkt onlosmakelijk verbonden te zijn met het hebben van een register. Hetgeen in lijn ligt met de procedure van een melding bij het meldpunt AJH, die opgebouwd is uit verschillende fases.
Het risico op een ernstige inbreuk van de rechten en vrijheden van de betrokkenen, maakt het absoluut noodzakelijk dat het ontwerp zelf expliciet toelichting geeft over het bestaan van een meldingsregister, de inhoud en het gebruik. Terzake stelt de Autoriteit vast dat het ontwerp, behoudens een oppervlakkige vermelding over een verdere uitwerking in een samenwerkingsprotocol van een centraal register, verder niet verwijst naar een meldingsregister of een gelijkaardig register.39 Merk op dat het eerste betrekking heeft op klachten of meldingen die onder de bevoegdheid van zowel het VMRI als het meldpunt AJH vallen, terwijl het laatste 37 HvJ 8 april 2014, nrs. C-293/12 en C-594/12, Digital Rights Ireland e.a., EU:C:2014:238, punten 54 en 55.
38 Advies 160/2023, randnrs. 25 en 58.
39 Artikel 3, §3, lid 4 van het ontwerp; artikel 3, alinea 8 van de Memorie van Toelichting.
Advies 21/2024- 22/46 enkel betrekking heeft op klachten en meldingen die alleen onder het meldpunt AJH vallen. Op vraag van de Autoriteit, preciseerde de aanvrager het volgende:
“ Er wordt gebruik gemaakt van een meldingsregister waarbij limitatief volgende objectiveerbare gegevens worden bijgehouden voor beleidsdoeleinden: datum contactname, aard contactname, medium contactname, aard GOG, organisatie GOG, sector GOG, leeftijd en gender.
Enkel de medewerkers van het meldpunt hebben toegang tot het meldingsregister.
Dit meldingsregister staat los van het inhoudelijk dossier.
Ook anonieme meldingen worden in het meldingsregister opgenomen maar daarbij worden identificerende gegevens, indien deze al verstrekt worden, niet opgenomen.
Het Meldpunt zal geval per geval afwegen of de registratie van de gegevens in het meldingsregister de anonimiteit afdoende vrijwaart en de combinatie van de gegevens geen aanleiding geeft tot een 'identificeerbare' melding.” 63. De aanvrager, bevestigt dat er gebruik zal worden gemaakt van een meldingsregister. Het blijft echter onduidelijk of dit ‘meldingsregister’, hetzelfde register is als het ‘centraal register’. De Autoriteit vraagt om dit te verduidelijken in het ontwerp of minstens in de Memorie van Toelichting.40 Er wordt bovendien op gewezen dat dit register ongeacht de benaming ‘meldingsregister’, ‘incidenteel register’ of ‘centraal register’ niet gelijkstaat aan het intern register van de verwerkingsactiviteiten dat krachtens artikel 30 AVG verplicht is voor elke verwerkingsverantwoordelijke.
64. Hetgeen wel uitdrukkelijk wordt aangegeven is dat het meldingsregister voor beleidsdoeleinden bijgehouden zal worden. Zoals uiteengezet in punten 18 t.e.m. 26 heeft het meldpunt AJH twee opdrachten onder de koepel van ‘de aanpak van grensoverschrijdend gedrag’. Enerzijds meldingen ontvangen en er passend gevolg aan geven en anderzijds meldingen over “grensoverschrijdend gedrag” in kaart te brengen en hierover beleidsadviezen te verstrekken.
Tussen deze twee is er een duidelijke afbakening, die ook doorgetrokken moet worden naar de verwerking van de gegevens. Het is in dat verband merkwaardig dat de aanvrager expliciet stelt dat anonieme meldingen, die tevens in hetzelfde register opgenomen zullen worden, geen identificeerbare gegevens zullen bevatten. Dit houdt, a contrario, in dat niet-anonieme meldingen wel identificeerbare gegevens kunnen bevatten. De Autoriteit wijst erop dat met uitsluiting van de anonieme meldingen, persoonsgegevens bijgehouden kunnen worden voor de behandeling van een melding. Doch van zodra deze gegevens niet meer noodzakelijk 40 Noteer in dat verband een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid tot gevolg heeft dat een protocol in de zin van artikel 8 e-govdecreet uitgesloten is – besproken in punten 104 t.e.m. 108.
Advies 21/2024- 23/46 zijn, lees van zodra er een intern dossier is, mogen deze gegevens in het register niet meer bijgehouden worden of moeten deze gepseudonimiseerd of geanonimiseerd worden. In het kader van beleidsadviezen zijn er twee facetten: enerzijds het voorbereidend werk en anderzijds de aflevering van de adviezen. Aangezien de aanvrager specificeerde dat het meldingsregister bijgehouden zal worden voor beleidsdoeleinden, volgt dat de meldingen de facto behandeld zullen zijn geweest en de inhoud bijgevolg gepseudonimiseerd of anonimiseerd horen te zijn. De Autoriteit onderstreept dat dit onderscheiden moet worden van de aflevering van beleidsadviezen en rapporten krachtens de bepalingen besproken in punten 23 t.e.m. 26. Immers wordt krachtens die bepalingen in het ontwerp, uitdrukkelijk gesteld dat het geanonimiseerde gegevens betreft.
65. De verduidelijking dat “ [e]nkel de medewerkers van het meldpunt toegang [hebben] tot het meldingsregister,” is een vooruitgang op het gebrek aan informatie daaromtrent. Doch blijft de aanduiding van ‘medewerkers’ uitermate ruim. Het is aangeraden om te werken met gemachtigde personeelsleden, voornamelijk omdat ook de anonieme meldingen inbegrepen zijn in het ‘meldingsregister’. Bovendien moet dit register op continue wijze worden nagekeken zodat, stelselmatig persoonlijke gegevens van meldingen die behandeld zijn geweest, gepseudonimiseerd of geanonimiseerd worden en dat anonieme meldingen, gevrijwaardt worden van identificeerbare gegevens. De Autoriteit verwijst naar de observatie in punt 53, aangaande de afweging van de noodzakelijke gegevens voor de verwerking.
66. Voorts merkt de Autoriteit op dat de aanvrager vermelding maakt van het onderscheid tussen het meldingsregister en het inhoudelijk dossier. De vraag stelt zich of ook hier alle ‘medewerkers’ zonder onderscheid toegang krijgen tot alle inhoudelijk dossiers. Uit het geheel wordt afgeleid dat alle meldingen die binnenkomen, voor elke medewerker, die de opdracht toegekend gekregen heeft om in te staan voor de binnenkomende meldingen, toegankelijk is. Dit doet de Autoriteit vermoeden dat degenen bij ontvangst van een melding instaan om een intern dossier op te starten. Het opstarten, invoegen of aanmaken van dossiers, wilt zeggen dat de toegankelijkheid tot de dossiers voor de werknemers, hoogstwaarschijnlijk vrij ruim geïnterpreteerd moet worden.
Hetgeen problematisch is in het licht van de verwerking van de bijzondere categorieën van gegevens en de gevoeligheid die ermee gepaard gaat.
67. Hoewel het antwoord van de aanvrager enigermate van duidelijkheid schept, onderstreept de Autoriteit nogmaals dat het onontbeerlijk is dat het ontwerp zelf, zich uitspreekt over een meldingsregister, het doel, de inhoud ervan, het gebruik en de gemachtigde personeelsleden die er toegang tot hebben. Voorts wordt benadrukt dat de gegevens in een meldingsregister, beperkt moeten zijn tot het absoluut noodzakelijke voor de verwerking. In dat verband verwijst de Advies 21/2024- 24/46 Autoriteit naar eerdere adviezen die ingaan op de inhoud van registers, zoals o.m. advies 69/2022.41 ➢ Categorieën van betrokkenen 68. Met betrekking tot de categorieën van betrokkenen stipuleert artikel 13, §1, lid 2, van het ontwerp, het volgende:
“De personen van wie de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen worden verwerkt, zijn de melders van grensoverschrijdend gedrag en de personen die betrokkenheid vertonen met de context van het grensoverschrijdend gedrag dat wordt gemeld.” 69. Zoals reeds toegelicht in punt 17, wordt in de Memorie van Toelichting verduidelijkt dat melders een onderscheiden hoedanigheid kunnen hebben, namelijk dat van slachtoffers, plegers, verwanten, getuigen, derden en organisaties. De term heeft aldus betrekking op volwassen, jongeren en kinderen, in elke hoedanigheid. Door in het ontwerp op algemene wijze naar melders te verwijzen, rijst de indruk dat er voor de verwerking van persoonsgegevens geen rekening gehouden wordt met essentiële factoren die een verschillende behandeling, een verschillende hoeveelheid gegevens of andere gegevens vereisen. In het licht hiervan dringt de Autoriteit erop aan om verdere specificering te voorzien betreffende de melders, zodat duidelijk wordt dat persoonsgegevens proportioneel worden verwerkt, afhankelijk van hun hoedanigheid en leeftijd.
Dit is bovendien in lijn met de behandelingen van anonieme meldingen – zie punt 72 – die consequent ook onder de term ‘melder’ vallen.
70. Verder wijst de Autoriteit erop dat de omschrijving aangaande “ personen die betrokkenheid vertonen met de context van het grensoverschrijdend gedrag,” nietszeggend is. Eender wie met een minimale link in dergelijke situatie zou binnen dit toepassingsgebied kunnen vallen. Derwijze kan men bijvoorbeeld denken aan personen, die zelfs incidenteel in dergelijke context aanwezig zijn. Ergo, dergelijke omschrijving zou een vrijgeleide zijn om gegevens te verwerken over personen die in de feiten zelf redundant zijn. Bijgevolg is het onontbeerlijk dat hetgeen beoogd wordt met “ personen die betrokkenheid vertonen met de context van het grensoverschrijdend gedrag,” verder op nauwkeurige en duidelijk omlijnde wijze beschreven wordt zodat uit de omschrijving klaarblijkelijk en ondubbelzinnig voortvloeit wie bedoeld wordt.
41 Advies 69/2022, randnr. 51: “ Daarnaast stelt de Autoriteit vast dat het op heden niet duidelijk is wat het doel is van het register, noch welke gegevens erin zullen worden bewaard: wordt enkel de initiële melding geregistreerd, of tevens het volledige verloop van de opvolging; dient het register louter als ‘opslagplaats’ voor meldingen of is het als het ware het centrale platform binnen elke onderneming of bevoegde autoriteit voor de behandeling van meldingen;
welke personen hebben toegang tot de inhoud van het register; onder welke voorwaarden kan er een gegevensoverdracht plaatsvinden tussen de registers van de bevoegde autoriteiten, de federale coördinator en de private ondernemingen…Deze elementen moeten in het ontwerp worden gepreciseerd. Op basis daarvan kunnen naderhand bijkomende richtlijnen of werkingsmodaliteiten worden vastgesteld.” Advies 21/2024- 25/46 71. Verder koppelt de Autoriteit terug aan de preliminaire opmerking van punt 36, aangaande het verband tussen de verwerkingselementen. Zoals toegelicht in voorgaand punt 69, is het gevolg van een onderscheiden soort gegevens dat enerzijds gewerkt wordt met gegevens die gekwalificeerd worden als zeer gevoelig en daarom ook als dusdanig behandeld moeten worden.
Dit impliceert dat er bijkomende beveiligingsmaatregelen in acht genomen moeten worden. Maar anderzijds verantwoordt de hoedanigheid ook of er meer of minder gegevens vereist worden hetgeen onlosmakelijk verbonden is met de verwerking.
➢ Anonieme meldingen 72. Tenslotte wenst de Autoriteit nader in te gaan op de mogelijkheid van anonieme meldingen.
In eerste instantie wordt zoals reeds aangegeven in eerdere adviezen benadrukt dat een anonieme melding optioneel en uitzonderlijk moet blijven.42 Zo werd in voorgaande adviezen al aangegeven dat een dergelijke werkwijze “ de communicatie tussen de melder en de bestemmeling van de melding (dewelke nodig is voor een passende opvolging) [bemoeilijkt], bovendien kan dit aanleiding geven tot misbruiken in hoofde van de melders en daarmee gepaard gaande ongeoorloofde verwerking van persoonsgegevens.”43 De anonimiteit brengt het proces van een controle van de gegrondheid voorts ook in het gedrang. Hoewel de eindverantwoordelijkheid met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens steeds rust bij de respectieve verwerkingsverantwoordelijken, dient ook de melder de nodige verantwoordelijkheidszin aan de dag te leggen; een melding kan immers belangrijke gevolgen hebben voor de geviseerde personen.44 Tevens merkt de Autoriteit op dat dit ook aan de finaliteit van de gegevens raakt.
In casu, wordt verwezen naar de observatie in punt 53, aangaande de afweging van de noodzakelijke gegevens voor de verwerking.
73. In tweede instantie wordt op gewezen dat de mogelijkheid om een anonieme melding te maken terloops in de Memorie van Toelichting45 wordt vermeld en op de website. Onverminderd de aanbeveling van punt 72, is het aangewezen om de mogelijkheid van een anonieme melding in het ontwerp zelf vast te stellen. In het verlengde hiervan lijkt het aangeraden om in het ontwerp zelf te definiëren wat verstaan wordt onder “ anonieme melding,” zodat geen verwarring bestaat omtrent de betekenis ervan.46 Aansluitend is de Autoriteit van oordeel dat 42 Advies nr. 69/2022, randnr. 20; Advies nr. 142/2022, randnr. 19.
43 Advies nr. 69/2022, randnr. 20.
44 Advies nr. 142/2022, randnr. 19.
45 “Aangezien het meldpunt vertrekt vanuit de noden van de melder, kan een melder ook anoniem melden.” 46 Op vraag van de Autoriteit naar wat begrepen moet worden onder anonieme melding en hoe dit in praktijk zal worden omgezet, preciseerde de aanvrager het volgende: “ Een anonieme melding is een melding zonder identificatie van de melder.
Met de melder wordt heel duidelijk afgesproken wat al dan niet geregistreerd mag worden. Indien dit door omstandigheden niet gevraagd kan worden (omdat melder een anonieme mail stuurt of anoniem chat of een telefoongesprek afbreekt) worden een aantal vooraf bepaalde registratiegegevens opgenomen, indien deze worden meegedeeld, en waarbij is afgewogen dat de Advies 21/2024- 26/46 minstens uit de Memorie van Toelichting moet blijken op welke wijze de anonimiteit van de melder, verzekerd kan worden.
74. De bijzonderheid van een anonieme melding maakt deze niet onverenigbaar met reeds besproken punt 64 aangaande een meldingsregister. Doch is enige voorzichtigheid geboden aangaande hetgeen in een dergelijk register opgenomen wordt. Zo kan er gewerkt worden met een geanonimiseerde opname in een incidentenregister. Hoe dan ook dringt de Autoriteit erop aan om in het wetsontwerp of minstens de Memorie van Toelichting, verdere duiding te voorzien.
75. In ieder geval geldt dat waar toch nog contact opgenomen kan worden met een anonieme melder, de decreetgever, een bepaling moet opnemen in het ontwerp, die uitdrukkelijk aangeeft dat de verwerkingsverantwoordelijke steeds in staat moet zijn om het mondeling akkoord te bewijzen.47 ➢ Wijze van verwerking 76. Tenslotte gaat artikel 13, §1, lid 3, van het ontwerp, nader in op de wijze waarop de (categorieën van) persoonsgegevens verwerkt kunnen worden.
In casu, wordt het volgende gestipuleerd:
“ De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen op de volgende wijzen worden verwerkt:
1° de personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die instaan voor de operationele werking van het meldpunt AJH, kunnen de persoonsgegevens verwerken om de opdrachten, vermeld in artikel 7, uit te voeren;
2° de personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die instaan voor de operationele werking van het meldpunt AJH, kunnen de persoonsgegevens delen met het openbaar ministerie als dat noodzakelijk is voor de afstemming, vermeld in artikel 10, §1, tweede lid;
3° de personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die instaan voor de operationele werking van het meldpunt AJH, kunnen de persoonsgegevens delen met het VMRI met het oog op de toepassing van artikel 3, §3, en artikel 4;
4° de personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die instaan voor de operationele werking van het meldpunt AJH, kunnen, met het oog op een anonimiteit van de melder gevrijwaard blijft en de combinatie van de gegevens geen aanleiding geeft tot een 'identificeerbare' melding : datum van contactname, medium contactname, aard GOG, sector GOG, gender en leeftijd.” 47 Artikel 5(2) AVG; HvJ (Gr. Kamer) 4 juli 2023, ECLI:EU:C:2023:537, nr. C-252/21, Meta / Bundeskartellamt, randnr. 95.
Advies 21/2024- 27/46 doorverwijzing, de persoonsgegevens delen met de hulpverlening, op voorwaarde dat de persoon die wordt doorverwezen, minstens mondeling zijn akkoord heeft gegeven om die gegevens mee te delen;
5° de personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die instaan voor de operationele werking van het meldpunt AJH, kunnen, met het oog op de toepassing van artikel 8 en als dat noodzakelijk is om de nodige informatie te verkrijgen, gegevens over de melding van grensoverschrijdend gedrag bezorgen aan de organisatie of het interne meldpunt als de melder minstens mondeling zijn akkoord heeft gegeven om die gegevens te bezorgen.” 77. Ten aanzien van het eerste punt, stelt de Autoriteit zich – naar analogie met punten 65 en 66 – de vraag of alle personeelsleden toegang hebben tot en alle persoonsgegevens kunnen verwerken of dat er beperkingen zijn. Dat laatste zou in het licht van het principe van integriteit en vertrouwelijkheid aangewezen zijn. Voorts zou het de duidelijkheid ten goede komen indien minstens in de Memorie van Toelichting, een beschrijving gegeven wordt van hetgeen
“de operationele werking” omvat.
78. Ten aanzien van het tweede punt, verwijst de Autoriteit naar punten 107-110 aangaande de doorgifte van persoonsgegevens tussen overheden en het daarmee samenhangende protocol.
79. Ten aanzien van het derde punt, onderstreept de Autoriteit dat voor de doorgifte van persoonsgegevens die onder de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid kaderen er geen protocol vastgesteld moet worden, zoals verder besproken in punten 104 t.e.m. 108. De doorgifte van gegevens moet beperkt zijn tot wat noodzakelijk is voor het doeleinde.
80. Ten aanzien van het vierde punt, is de observatie uit punt 78 eveneens toepasselijk. Verder merkt de Autoriteit op dat er een voorafgaande (en minstens mondeling) akkoord van de doorverwezen persoon vereist wordt, alvorens over te gaan tot een doorgifte. Binnen dit kader kan een (minstens mondeling) akkoord, gelijkgesteld worden met een toestemming. Consequent is het kader van geldige toestemming hier toepasselijk. Zo dient toestemming vrij, geïnformeerd, specifiek en ondubbelzinnig te zijn.48 Terzake merkt de Autoriteit op dat het mondelinge akkoord een heikel punt is. Een mondeling akkoord kan
i) in een vlaag van emotie gegeven worden; ii) verkeerd geïnterpreteerd worden; kan betwist worden; is moeilijk aantoonbaar, etc. Tegen deze 48 De betrokkene die instemt moet een werkelijke keuze krijgen, zonder dat er enige sprake is van bedrog, intimidatie of dwang en geen aanzienlijke negatieve gevolgen loopt bij weigering. Alvorens toestemming te verlenen moet de betrokkene over informatie beschikken die kwalitatief, gemakkelijk toegankelijk is, begrijpbaar nauwkeurig en volledig is. Deze toestemming moet specifiek worden gegeven voor het doel van de verwerking, die duidelijk en op ondubbelzinnige wijze moet worden beschreven. Deze toestemming moet voorts ondubbelzinnig zijn, in die mate dat er geen redelijke twijfel mag bestaan over het feit dat de betrokkene zijn toestemming gegeven heeft.
Advies 21/2024- 28/46 achtergrond vraagt de Autoriteit, aan de decreetgever, om een bepaling in het ontwerp op te nemen die de verwerkingsverantwoordelijke verplicht om steeds aan te kunnen tonen dat een mondeling akkoord gegeven is geweest. Daarnaast moet minstens in de Memorie van Toelichting, gespecifieerd worden hoe de andere voorwaarden van een geldige toestemming in de zin van de AVG49 bewerkstelligd worden, en in het bijzonder t.a.v. minderjarigen (ouder en jonger dan 13 jaar).
81. Ten aanzien van het vijfde punt, gelden de observaties in punten 78 en 80 aangaande het protocol voor doorgifte en het kader van de geldige toestemming, naar analogie. De Autoriteit begrijpt dat om personen te horen, informatie in te winnen of documenten op te vragen, zoals gestipuleerd in artikel 8 van het ontwerp, er ook enige vorm van informatie gegeven moet worden om enerzijds te kaderen welke gegevens noodzakelijk zijn, en anderzijds dergelijke handelingen te verantwoorden. Niettemin gaat het desbetreffende artikel over het bekomen van bijkomende informatie en niet de doorgifte van gegevens. In de mate dat gegevens die verstrekt worden niet als algemeen beschouwd kunnen worden en de identiteit van de betrokkene uit blijkt, moet minstens de noodzakelijkheid gemotiveerd worden. Terzake vraagt de Autoriteit om in artikel 13, §1, lid 3, 5°, van het ontwerp, te preciseren dat de noodzakelijkheid steeds gemotiveerd moet worden. Gelet op de verregaande bevoegdheid die artikel 8, van het ontwerp, met zich meebrengt, wordt ook een kanttekening gemaakt bij het statuut dat samengaat met de opdracht. Het ontwerp geeft geen aanwijzing over het kader en de personen die dergelijke opdrachten mogen uitvoeren. Bijgevolg lijkt elke werknemer van het meldpunt AJH in aanmerking te kunnen komen om personen te horen, informatie in te winnen of documenten op te vragen.
Dergelijke ruime opdracht lijkt disproportioneel en vormt dusdanig onvoldoende waarborgen t.a.v.
de betrokkenen. De Autoriteit dringt erop aan om een onderscheid te maken in de categorieën personen die enerzijds toegang krijgen tot inhoudelijke dossiers, meldingsregister, maar ook die onder een bijzonder statuut vallen die de opdrachten onder artikel 8 verantwoorden. Daarnaast merkt de Autoriteit ook op dat er onvoldoende omkadering is in artikel 8, van het ontwerp, zodat eender welk gegeven opgevraagd lijkt te kunnen worden.
e. Authenticatie en beschikbaarheid 82. De in het ontwerp beoogde gegevensverwerking heeft gedeeltelijk betrekking op een bijzondere categorie van gegevens, waarvan de verwerking in principe verboden is.50 Dit verbod is echter niet van toepassing wanneer “ de verwerking noodzakelijk [is] om redenen van zwaarwegend 49 EDPB, Richtsnoeren 05/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679. Te raadplegen via:
https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb_guidelines_202005_consent_nl.pdf.
50 Artikel 9(1) AVG.
Advies 21/2024- 29/46 algemeen belang, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen51 worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene.”52 83. Deze passende en specifieke maatregelen kaderen binnen artikel 5(1)(f) AVG die bepaalt dat een passende beveiliging van de verwerking van gegevens gewaarborgd moet worden door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen, zodat bescherming geboden wordt tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging (principe van integriteit en vertrouwelijkheid).53 De draagwijdte van dit beginsel is niet alleen essentieel om duidelijk te bepalen welke persoonsgegevens kunnen of mogen worden verwerkt, maar ook hoe dat moet gebeuren en met name hoe dat die gegevens daarbij moeten worden beveiligd.54 84. Het beginsel van vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van persoonsgegevens kan bewerkstelligd worden met de invoering van beveiligingsmaatregelen in de zin van artikel 32 van de AVG, die de integriteit, authenticiteit en beschikbaarheid van persoonsgegevens garanderen en vermijden dat persoonsgegevens onrechtmatig vernietigd of ongeoorloofde bekendgemaakt zouden worden. Het is ook noodzakelijk om garanties te bieden met betrekking tot de mogelijkheid om de verwerking van persoonsgegevens te controleren (controle van wie wat heeft gedaan, met welke persoonsgegevens en op welk tijdstip). Deze maatregelen moeten een passend veiligheidsniveau waarborgen, rekening houdend met de aard van de te beschermen gegevens en de potentiële risico's.
85. Bovendien, in de mate dat het betrekking heeft op persoonsgegevens die strafbare feiten kunnen vormen als bedoeld in artikel 10 van de AVG, zijnde, "persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten,” moet de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, zijn verwerker ook een lijst opstellen van de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens, met een beschrijving van hun functie in het kader van de verwerking van de betrokken gegevens. Deze lijst wordt ter beschikking gehouden van de bevoegde toezichthoudende autoriteit. 55 51 Onderstreping toegevoegd door de Autoriteit.
52 artikel 9(2)(g) AVG.
53 Artikel 5(1)(f) AVG.
54 D., De Bot, De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit. Wolters Kluwer Belgium, 2020, 501.
55 artikel 10, § 2, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
Advies 21/2024- 30/46 ➢ Vertrouwelijkheid 86. In het ontwerp, heeft vertrouwelijkheid, twee invalshoeken, die in aanmerking genomen moeten worden voor de beoordeling. Zo stelt artikel 10, §2 van het ontwerp, het volgende:
“ De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van een bemiddelingsgesprek of herstelgesprek als vermeld in artikel 7, tweede lid, 7°, zijn vertrouwelijk. De voormelde vertrouwelijkheid is niet van toepassing op de documenten waarvoor de partijen instemming verlenen om de gerechtelijke instanties en de geschillenkamer van het VMRI, vermeld in artikel 34 van het decreet van 28 oktober 2022, ervan op de hoogte te brengen.” 87. Vooreerst wordt gevraagd, om in voormeld artikel, dat de term ‘instemming’ te vervangen met ‘toestemming’.
88. Hieruit volgt dat hetgeen aan bod komt in het kader van een bemiddelingsgesprek of herstelgesprek als vertrouwelijk bestempeld wordt. Het is onduidelijk voor de Autoriteit of het bemiddelingsgesprek die onder artikel 7, lid 2, 7°, van het ontwerp gelijkgesteld kan worden met een bemiddelingsprocedure onder het Gerechtelijk Wetboek. In het positieve geval, gelden al de bepalingen m.b.t. bemiddeling van het Gerechtelijk Wetboek onverminderd.
89. In het negatieve geval, is er ruimte voor interpretatie en invulling. Ofschoon verondersteld wordt dat de globale beginselen van bemiddeling, m.b.t. ‘vertrouwelijkheid’, hier nog een rol zullen spelen, zorgt de vrijere invulling voor ambiguïteit. Immers wordt expliciet gesteld dat vertrouwelijkheid uitgesloten is voor de documenten waarvoor “ de partijen instemming verlenen om ze […] [te delen].” Dit geeft aanleiding tot een aantal vragen, met name:
I. Wat omvat de term ‘partijen’? In het kader waar bemiddeling dezelfde invulling krijgt als onder het Gerechtelijk Wetboek, moeten alle partijen akkoord zijn. Doch zitten we hier in een situatie waar ruimere invulling mogelijk is. Bijgevolg zou idealiter vermeld moeten worden of alle partijen unaniem moeten instemmen of niet.
II. De besproken paragraaf betreft bemiddelingsgesprekken of herstelgesprekken. Bijgevolg wordt aangenomen dat de vrijstelling van vertrouwelijkheid alleen betrekking heeft op de documenten – waarvoor partijen toestemming geven, zoals uiteengezet in voorgaand punt en – die aan bod komen tijdens het bemiddelingsgesprek of herstelgesprek. Indien de uitzondering dusdanig is dat vertrouwelijkheid op eender welk document uitgesloten kan worden met instemming van de partijen, waarvan dat laatste ook verdere duiding vereist, vraagt de Autoriteit om dit afzonderlijk te kaderen en toe te lichten.
Advies 21/2024- 31/46 III. De impact die de invulling uit punten i en ii tot gevolg kan hebben, brengt de Autoriteit ertoe om een kanttekening te maken bij het determinerend gewicht dat verbonden kan worden aan de inhoud van dergelijke documenten, in gerechtelijke procedures. Hetgeen vragen doet rijzen t.a.v. de rechten van verdediging, het hoorrecht bij de vorming of opmaak van deze documenten.
IV. De rechten van de betrokkenen worden later besproken in punten 123 t.e.m. 133.
90. Samenhangend met het vertrouwelijkheidsbeginsel is het beroepsgeheim, die ingevoerd wordt door artikel 14, van het ontwerp, en het volgende stelt:
“ De personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die betrokken zijn bij de operationele werking van het meldpunt AJH, zijn onderworpen aan het beroepsgeheim conform artikel 458 van het Strafwetboek.” 91. Beroepsgeheim omvat in de eerste plaats alles wat wordt besproken met een persoon die wettelijk wordt geacht een beroepsgeheim te hebben vanuit zijn functie en/of beroep. Daarnaast valt ook informatie onder het beroepsgeheim die expliciet of impliciet aan een vertrouwenspersoon is toevertrouwd, evenals alle informatie die wordt gezien of gehoord tijdens de uitoefening van het beroep. Dit omvat ook informatie over derden en bedrijfsgeheimen.56 92. Niettemin worden ook een aantal uitzonderingen bepaald in het ontwerp. In eerste instantie een expliciet in de norm bepaalde vrijstelling van het beroepsgeheim in volgende artikelen:
• artikel 8, lid 4, van het ontwerp, stipulerend dat “ [d]e personen die […] gevraagd [worden] om informatie of documenten te bezorgen, […] ten aanzien van het meldpunt ontheven [zijn] van hun plicht tot geheimhouding over feiten waarvan ze op de hoogte zijn en over gegevens waarover ze beschikken door hun staat of beroep, met uitzondering van de gegevens die door het medisch geheim beschermd zijn.”57 • artikel 17, van het ontwerp, die het volgende stelt: “ Medewerkers in sectoren en van organisaties waarvoor de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bevoegd is, kunnen, met het oog op de bescherming van de integriteit van een slachtoffer, grensoverschrijdend gedrag waarvan ze bij de uitoefening van hun beroep kennis hebben gekregen, bij het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag melden zonder dat die medewerkers wegens eventuele miskenning van het beroepsgeheim strafbaar kunnen 56 V. Dooms, « Hoofdstuk 5. - Raakvlakken tussen privacy en beroepsgeheim » in Blockx, F.
et al. (ed.), De uitholling van het beroepsgeheim?, 1e editie, Bruxelles, Intersentia, 2018, 94-95.
57 De Memorie van Toelichting licht verder toe Deze personen die gevraagd worden informatie en documentatie over te leggen zijn ten aanzien van het meldpunt ontheven van hun plicht tot geheimhouding in verband met feiten waarvan zij kennis hebben en gegevens waarover zij beschikken door hun staat of beroep, met uitzondering van die welke door het medisch geheim beschermd. Deze bepaling heeft geen impact op de reeds bestaande concepten zoals het gedeeld beroepsgeheim, de noodtoestand en het gezamenlijk beroepsgeheim. Deze blijven van toepassing.
Advies 21/2024- 32/46 worden gesteld op basis van artikel 458 van het Strafwetboek. De medewerkers kunnen alleen de noodzakelijke informatie meedelen aan het meldpunt als ze de integriteit van het slachtoffer niet zelf of met behulp van anderen kunnen garanderen.”58 93. De Autoriteit wenst een kanttekening op te merken met betrekking tot de zeer ruime uitzondering die wordt geïntroduceerd in artikel 17 van het ontwerp. Uit dit artikel blijkt dat het beroepsgeheim kan worden doorbroken zonder dat er een vereiste van enige ernst aanwezig is. Dit roept considerabele bezorgdheid op, aangezien het beroepsgeheim cruciaal is voor het onderhouden van een vertrouwensrelatie. Als het beroepsgeheim zonder enige vorm van ernst kan worden doorbroken, kan dit de vertrouwensrelatie aantasten en ondermijnen. Het verdient de aanbeveling om hier rekening mee te houden bij de aanpassing van het ontwerp.
94. Daarnaast verdient het de aanbeveling om verdere duiding te geven omtrent hetgeen deel uitmaakt van “ noodzakelijke informatie.” 95. In tweede instantie de situaties waar de betrokken persoon akkoord gaat met de vrijgave van informatie.59 Het gaat desbetreffend om artikelen: 60 • artikel 13, §1, lid 3, 5°, van het ontwerp – zoals uiteengezet in punt 81 – waarbij een mondeling akkoord van de melder vereist is voor de doorgifte van gegevens;
• artikel 3, §3, van het ontwerp, stelt dat in overleg tussen het VMRI of het meldpunt AJH en in overleg met de melder of klager, beoordeeld wordt of een melding samen of afzonderlijk behandeld wordt door het VMRI of het meldpunt AJH;
• artikel 7, lid 2, 4°, van het ontwerp, betreffende de warme doorverwijzing naar een extern aanbod;61 • artikel 10, §2, van het ontwerp – zoals reeds besproken in punten 86 t.e.m. 89 – die de betrokkenen van een geheimhoudingsplicht ontslaat voor documenten waar de partijen instemmen om ze met gerechtelijke instanties of de geschillenkamer van het VMRI te delen.
58 Vet toegevoegd door de Autoriteit.
59 Zie hiervoor eerder geleverd advies nr. 142/2022 van 19 juli 2022, randnr. 45 betreffende een gelijkaardig kader en de vereiste van een uitdrukkelijke toestemming bij de bekendmaking van de identiteit van de melder aan anderen dan de gemachtigden personeelsleden die bevoegd zijn voor ontvangst en opvolging.
60 De Autoriteit koppelt terzake terug aan punt 80, aangaande het kader voor een geldige toestemming, die hier naar analogie ook geldt.
61 Memorie van Toelichting stelt dienaangaande het volgende: “ Het bieden van warme doorverwijzing houdt in dat wanneer een ander aanbod beter aansluit bij de vraag van de melder en als de melder hiermee akkoord gaat, hij/zij kan worden toegeleid naar een passend hulpaanbod zoals een CAW, lotgenotengroep, politie,… Afhankelijk van de noden van de melder worden contactgegevens bezorgd aan de melder, kan de dossierbehandelaar een afspraak maken voor de melder bij de dienst waarnaar verwezen wordt of kan gevraagd worden aan de dienst waarnaar verwezen wordt om actief contact te nemen met de melder.
Mits uitdrukkelijke toestemming van de melder kan info-overdracht plaatsvinden zodat de melder niet alles opnieuw moet vertellen.” Advies 21/2024- 33/46 96. In derde instantie de situaties die onder een noodsituatie kaderen of indien er een noodsituatie dreigt. Het ontwerp stelt met artikel 6, 3°, van het ontwerp, dat “ bij de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 7, […] de veiligheid van de slachtoffers of potentiële slachtoffers centraal geplaatst [wordt].” Terzake licht de Memorie van Toelichting verder toe dat dat het meldpunt acties kan ondernemen, conform de meldrechten en hulpverleningsverplichting, als een (potentieel) slachtoffer actueel en/of acuut gevaar loopt.62 De Autoriteit wijst in dat verband naar een mogelijke overlapping met de laatste zin uit artikel 10, §1, lid 2, van het ontwerp – die later in punten 111 t.e.m. 113 aan bod komt – aangaande het voorafgaande akkoord van de melder en het Openbaar Ministerie.
97. Informatie waarbij alle concrete namen en details zijn weggelaten, zodat het een situatiebeschrijving in algemene termen wordt, behoort niet tot het beroepsgeheim.63 In de mate dat artikel 10, §1, van het ontwerp, niet verder gaat, kan de vrijgave van informatie hieronder worden ingedeeld. In het tegengestelde geval moet de uitzondering van de kennisgeving worden opgenomen in het ontwerp. Hoe dan ook moet de doorgifte van gegevens beperkt blijven tot het absoluut noodzakelijke, aangezien het nog steeds om persoonsgegevens kan gaan.
98. Voorts wijst de Autoriteit op andere situaties die niet in het ontwerp opgenomen zijn, maar desgevallend ook een uitzondering op het beroepsgeheim kunnen rechtvaardigen o.m. bij ouders van een minderjarige, aangezien zij aansprakelijk zijn en beslissingsrecht hebben over fundamentele aspecten van de opvoeding zoals onderwijs en gezondheid of bij wilsonbekwaamheid.64 De Autoriteit leidt uit de precisering van de aanvrager dat deze uitzondering niet aanmerking genomen wordt.65 Gelet op de zeer brede definitie van
“grensoverschrijdend gedrag,” verdient de aanbeveling om in het ontwerp of minstens in de Memorie van Toelichting in te gaan op deze uitzonderingssituaties.
62 Dienaangaande stelt de Memorie van Toelichting het volgende: “De veiligheid van de slachtoffers of potentiële slachtoffers staat centraal. Als een (potentieel) slachtoffer actueel en/of acuut gevaar loopt, kan het meldpunt acties ondernemen, door bijvoorbeeld politie in te schakelen of een organisatie (al dan niet anoniem) op de hoogte te brengen van de melding. Ook als er kans is dat er in de toekomst andere personen slachtoffer kunnen worden van eenzelfde vermeende pleger of eenzelfde situatie, kan het meldpunt acties ondernemen, dit steeds conform bestaande meldrechten (bv. artikel 458bis Sw. of de noodtoestand) en de hulpverleningsplicht (o.b.v. artikel 422bis Sw.).” 63 V. Dooms, “Raakvlakken tussen privacy en beroepsgeheim” in F., Blockx , P., Hoet, B. Dejmeppe, V., Dooms, T., Goffin, P., Hoet en J. Van Malleghem (ed.), De uitholling van het beroepsgeheim?, 1e editie, Brussel, Intersentia, 2018, 94.
64 V. Dooms, “Raakvlakken tussen privacy en beroepsgeheim” in F., Blockx, et al. (ed.), De uitholling van het beroepsgeheim?, 1e editie, Brussel, Intersentia, 2018, 94.
65 Op de vraag van de Autoriteit betreffende gevallen met minderjarigen onder 13 jaar en meldingen door hen of over hen, en de wijze waarop dit zich verhoudt t.o.v. ouders, in zaken waar ouders niet als plegers gecategoriseerd kunnen worden antwoorde de aanvrager als volgt: “ We vertrekken vanuit de principes van het burgerlijk recht die stellen dat een minderjarige tot aan zijn/haar meerderjarigheid principieel onder het gezag van zijn/haar ouders valt en ouders als wettelijke vertegenwoordigers de rechten van hun minderjarige kinderen uitoefenen.
Een minderjarige, ook onder 13 jaar, kan een melding maken bij het Meldpunt. Ook hier zijn de dossierbehandelaars gebonden door het beroepsgeheim maar zullen ze zoveel mogelijk proberen de minderjarige aan te zetten om in gesprek te gaan met zijn/haar ouders.” Advies 21/2024- 34/46 99. Het geheel in acht genomen, komt de Autoriteit tot het besluit dat de passende en specifieke maatregelen die ingevoerd werden o.m. de vertrouwelijkheidsvereiste en het beroepsgeheim zijn.
Dat beroepsgeheim lijkt zonder uitzondering op alle personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die instaan voor de operationele werking van het meldpunt betrekking te hebben.
Doch zoals aangegeven in punten 66 en 77, kan niet exact afgeleid worden wie hieronder valt. Dienaangaande vraagt de Autoriteit om dit verder te specifiëren.
100. Buiten het feit dat inhoudelijke dossiers toegankelijk zijn voor werknemers, kan de Autoriteit nergens uit afleiden dat de toegang tussen de werknemers beperkt zou worden.66 Bijgevolg lijkt deze leemte te impliceren dat werknemers van het meldpunt AJH allemaal evenveel toegang krijgen tot interne dossiers – zoals ook eerder uiteengezet in punten 66 en 77. De Autoriteit wijst met het oog op de beveiliging dat ook intern gewerkt zou moeten worden met autorisaties. Op deze manier wordt de toegang tot de inhoudelijke dossiers enerzijds beperkt tot een kleinere groep mensen, maar anderzijds wordt er ook bijgehouden wie het dossier heeft kunnen bekijken of aanpassen. Hoe dan ook, geldt – zoals aangehaald in punt 85 – dat er opgelijst moet worden welke categorieën van personen toegang hebben tot de gegevens die onder artikel 10 AVG vallen.
101. De opgesomde uitzonderingen die uit het ontwerp blijken, dienen strikt geïnterpreteerd te worden en desgevallend verder toegelicht en / of gespecifieerd.
➢ Integriteit 102. Zoals aangehaald in punten 57 t.e.m. 59 is de Autoriteit van mening dat het huidige systeem, m.n. een SharePoint systeem, onvoldoende betrouwbaar is om het hoofd te bieden aan mogelijke ongeoorloofde of onopzettelijke wijzigingen van persoonsgegevens.67 Bovendien geldt overeenkomstig de observatie van punt 100, dat een open toegang risico’s met zich meebrengt t.a.v. de juistheid en volledigheid van de gegevens. In het licht hiervan wordt ten strengste aangedrongen om in afwachting van een nieuw systeem maatregelen te implementeren, zoals tweefactorauthenticatie, uitgebreide logging en encryptie. Vervolgens kan worden overwogen om een specifieke oplossing te selecteren die een hoger niveau van beveiliging kan bieden, afgestemd op de specifieke behoeften en vereisten van de gevoelige gegevens.
103. Ofschoon niet aangegeven wordt hoe een doorgifte van gegevens zal plaatsvinden, wenst de Autoriteit alvast op te merken dat het verzenden van een e-mail met het inhoudelijke dossier in bijlage of waarvan gegevens van het inhoudelijke dossier in verwerkt zijn, geen passende 66 Bijvoorbeeld tot eigen dossiers.
67 D., De Bot, De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit. Wolters Kluwer Belgium, 2020, 785.
Advies 21/2024- 35/46 beveiliging waarborgt. Naar analogie met eerder geleverd advies 160/2023 geldt dat een e-mail als medium onvoldoende veilig is volgens de maatstaven van de organisatorische maatregelen.68 In dat verband verwijst de Autoriteit naar de aanbevelingen en goede praktijken die aangekaart werden betreffende het gebruik van communicatiekanalen voor de verzending van gegevens die als bijzonder of uiterst gevoelig kwalificeren.69 f. Doorgifte ➢ De doorgifte van gegevens tussen het meldpunt AJH en het VMRI:
104. Krachtens artikel 3, §2, lid 2, van het ontwerp, zal de samenwerking van het meldpunt AJH en het VMRI aan de verwezenlijking van de aanpak van grensoverschrijdend gedrag vastgesteld worden in een samenwerkingsprotocol, zoals hiernavolgend weergeven:
“ De samenwerking, vermeld in het eerste lid, wordt vastgelegd in een samenwerkingsprotocol.” 105. Verdere vermeldingen van het samenwerkingsprotocol kan men vinden onder:
• artikel 3, §3, lid 4, van het ontwerp: “ In het samenwerkingsprotocol, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, worden nadere afspraken gemaakt over het overmaken en de centrale registratie van meldingen en klachten als vermeld in het eerste lid, tussen het VMRI en het meldpunt AJH”;
• artikel 6, lid 2, van het ontwerp: “ Met het oog op de toepassing van het werkingsprincipe, vermeld in het eerste lid, 4°, zal het meldpunt AJH een samenwerkingsprotocol sluiten met de betreffende overheden die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, voor zover deze laatste dit wenselijk achten”;
• artikel 25, van het ontwerp, die een vierde lid toevoegt aan het VMRI decreet: “ Het VMRI werkt structureel samen met het meldpunt AJH om samen het Vlaams Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag te vormen. De voormelde samenwerking wordt vormgegeven in een samenwerkingsprotocol. In het samenwerkingsprotocol worden conform artikel 13, §3, vierde lid, onder meer afspraken gemaakt over het uitwisselen van meldingen en klachten tussen het meldpunt AJH en het VMRI en over de jaarlijkse rapportage over meldingen en klachten.” 106. De Autoriteit vermoedt dat de decreetgever aan de term ‘samenwerkingsprotocol’, dezelfde invulling geeft als aan de term ‘protocol’ die respectievelijk uit artikel 20 van de wet van 30 juli 68 Terzake kan een e-mail gehackt worden, een bestaand e-mail kan nagemaakt worden, versturen van e-mails naar onbevoegde personen, zwakke wachtwoorden, etc.
69 Advies nr. 160/2023, randnrs. 17-28.
Advies 21/2024- 36/46 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens – die het beginsel van protocolplicht vastlegt voor de doorgifte van gegevens tussen overheden – en artikel 8 van het decreet betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer (hierna: e-govdecreet), volgt.
107. In het licht hiervan vestigt de Autoriteit de aandacht op artikel 8, §1 van de e-govdecreet dat het volgende stelt:
“ Elke elektronische mededeling van persoonsgegevens door een instantie naar een andere instantie of naar een externe overheid of naar een private organisatie vereist een protocol, gesloten tussen de betreffende verwerkingsverantwoordelijken. Tussen gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken worden geen protocollen gesloten.” 108. Doch werd eerder – in punten 27 t.e.m. 32 – reeds toegelicht dat uit de gezamenlijke doelstelling in het ontwerp, de overlappende bevoegdheden en de convergerende beslissingen die een verwerking tot gevolg hebben, impliciet afgeleid kan worden, dat er een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid is tussen het AJH en het VMRI. Bijgevolg stelt de Autoriteit vast dat de opzet van een samenwerkingsprotocol uit het ontwerp onverenigbaar is met het bestaande normatieve kader.
➢ De doorgifte tussen het meldpunt AJH en andere, dan het VMRI, organisaties of tuchtorganen:
109. Het ontwerp voorziet krachtens artikel 10, §1, lid 1, van het ontwerp, in de mogelijkheid voor het meldpunt AJH om na te gaan of er over de feiten die het voorwerp van de melding uitmaken, reeds een lopend traject is bij een andere instantie, zoals hiernavolgend weergeven:
“ Het meldpunt AJH gaat bij een melding na of er over de feiten die het voorwerp uitmaken van de melding, reeds een lopend traject is bij een andere instantie, waaronder een intern meldpunt binnen een organisatie of een tuchtorgaan.[…]” 110. Dit houdt onder meer in dat er een doorgifte van gegevens zal plaatsvinden. In dat verband verwijst de Autoriteit naar punt 107, en artikel 8 van het e-govdecreet, aangaande de verplichting van de invoering van een protocol voor de doorgifte van gegevens tussen overheden. In de mate dat de doorgifte plaatsvindt met een andere instantie, die niet het VMRI is in het kader van de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid of enige andere instantie waarmee het meldpunt AJH als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke gekwalificeerd kan worden, is het gebruik en vastlegging van een protocol aan de orde. Bovendien benadrukt de Autoriteit dat het protocol op zich geen wettelijke basis vormt voor de toelating van gegevensmededelingen. Elke uitwisseling op basis van artikel 6.1.e) AVG hoort hoe dan ook Advies 21/2024- 37/46 over een duidelijke wettelijke grondslag te beschikken vooraleer de gegevensuitwisseling en de daarbij horende afsluiting van een protocol mogelijk is. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer benadrukte dit trouwens ook in punt 154 van haar advies nr. 33/2018 van 11 april 2018.70 De Autoriteit is daarom van mening dat het voor advies voorgelegd ontwerp, een passend kader moet bieden voor deze gegevensuitwisseling overeenkomstig de vereiste voorspelbaarheidscriteria (artikel 6.3 van de AVG), zodat dit ontwerp de rechtsgrondslag daarvoor vormt.
111. Daar waar de feiten uit de melding het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijk onderzoek of vervolging stelt artikel 10, §1, lid 2, van het ontwerp het volgende:
“Bij een lopend strafrechtelijk onderzoek of in geval van strafrechtelijke vervolging kan het meldpunt AJH de deelopdrachten, vermeld in artikel 7, tweede lid, 1° tot en met 6°, van dit decreet, uitvoeren. Om de deelopdracht, vermeld in artikel 7, tweede lid, 7°, van dit decreet, uit te voeren, verwijst het meldpunt AJH bij een lopend strafrechtelijk onderzoek of in geval van strafrechtelijke vervolging naar de organisaties die hiertoe gesubsidieerd worden conform hoofdstuk 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2019 houdende de subsidiëring van initiatieven die voorzien in een herstelgericht en constructief hulp- en dienstverleningsaanbod voor verdachten, in verdenking gestelde personen, beklaagden, veroordeelden of geïnterneerden, en voor slachtoffers van misdrijven, alsook voor hun onmiddellijke omgeving, dat niet wordt verstrekt ter uitvoering van een beslissing van een gerechtelijke of administratieve overheid. Als het meldpunt AJH het voornemen heeft om bepaalde acties te ondernemen met betrekking tot de melding van grensoverschrijdend gedrag, met uitzondering van acties naar de melder toe, stemt het meldpunt AJH voorafgaand en met akkoord van de melder af met het openbaar ministerie.
112. Ook hier geldt naar analogie met punten 107 en 110, dat elke doorgifte aan de vastlegging van een protocol onderhevig is.
113. Met het oog op de voorzienbaarheid vraagt de Autoriteit om minstens in de Memorie van Toelichting verdere duiding te geven over hetgeen bedoeld wordt met “ bepaalde acties te ondernemen met betrekking tot de melding van grensoverschrijdend gedrag.” In dit verband is het onduidelijk of het betrekking heeft op i) alle acties; ii) acties die tot een strafrechtelijk onderzoek kunnen leiden; iii) acties m.b.t. het horen van andere personen of het inwinnen van informatie en opvragen van documenten, krachtens artikel 8 van het ontwerp. Bovendien volgt uit “ met uitzondering van acties naar de melder toe, stemt het meldpunt AJH voorafgaand en met 70 CBPL, advies van 11 april 2018, nr. 33/2018, randnr. 154.
Advies 21/2024- 38/46 akkoord van de melder af met het openbaar ministerie,” dat er eerst een toestemming van de melder moet zijn, alvorens het meldpunt AJH zich naar het Openbaar Ministerie mag richten, tenzij voor de acties die naar de melder toe gericht zijn.71 Voor acties naar de melder toe zal er consequent geen voorafgaand akkoord van de melder worden gevraagd, maar zal rechtstreeks overleg plaatsvinden met het Openbaar Ministerie.
g. Bewaartermijn 114. Krachtens artikel 5.1.e) AVG mogen persoonsgegevens niet langer worden bewaard, in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.
115. Ter zake bepaalt artikel 13, §4, van het ontwerp het volgende:
“ De persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor het doeleinde, vermeld in artikel 3 §1, tweede lid. De maximale bewaartermijn van de persoonsgegevens die verwerkt worden naar aanleiding van een melding van grensoverschrijdend gedrag, bedraagt tien jaar. De voormelde termijn vangt aan op de datum dat het dossier bij het meldpunt wordt afgesloten.”72 116. Op vraag naar de motivering van een bewaartermijn die beschreven wordt als ‘zolang als noodzakelijk’, stelde de aanvrager het volgende:73
“ Persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk en maximaal 10 jaar. Wat noodzakelijk is, hangt af van de specifieke casus. Noodzakelijk om de melding van grensoverschrijdend gedrag op een correcte manier te kunnen aanpakken, om duplicaten te vermijden, “veelmelders” te herkennen en informatie beschikbaar te houden zodat deze indien de melder dit wenst in de toekomst nog kan gebruikt worden.
We denken hier bijvoorbeeld aan slachtoffers van seksueel ongewenst gedrag. Zij moeten vaak al een grote drempel overwinnen om een melding te maken bij een officiële instantie en een heel traject van empowerment doorlopen vooraleer ze klaar zijn om naar de organisatie of vermeende pleger te stappen.” 71 Noteer dat het kader van geldige toestemming hier wederom van toepassing is, met de aanbeveling om te werken met een wettelijke bepaling die de verwerkingsverantwoordelijke verplicht om steeds een mondeling akkoord te kunnen bewijzen.
72 Onderstreping toegevoegd door de Autoriteit.
73 Op de vraag of een redelijk een redelijk termijn voor opvolging, beantwoording of reactie na melding of uitgebreide vraagverheldering voorzien wordt, beantwoorde de aanvrager het volgende: “ De doorlooptijden zijn moeilijk vooraf te bepalen gezien de gevoeligheid en complexiteit van de dossiers, denk bijvoorbeeld aan een casus over een universiteitsprofessor die al jaren zijn assistentes lastigvalt.” Advies 21/2024- 39/46 117. Het ontwerp zelf, stelt dat persoonsgegevens die verwerkt worden naar aanleiding van een melding, niet langer dan noodzakelijk en maximaal tien jaar bijgehouden worden na afsluiting van het dossier. De connotatie die in dergelijke formulering schuilt valt niet weg te cijferen. De bijkomende toelichting van de aanvrager, stelt terecht dat de noodzakelijkheid geval per geval beoordeeld moet worden. Dit neemt niettemin niet weg dat het nog steeds aan objectieve criteria van gegevensbewaring ontbreekt, op grond waarvan een exacte periode van bewaring van gegevens – die kan variëren tot maximum 10 jaar na afsluiten van het dossier – kan worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat een dergelijke periode tot het strikt noodzakelijke beperkt blijft.74 De Autoriteit herinnert eraan dat zelfs een “ oorspronkelijk rechtmatige verwerking van gegevens na verloop van tijd onverenigbaar kan worden met [de AVG], wanneer deze gegevens niet langer noodzakelijk zijn voor dergelijke doeleinden en dat de gegevens moeten worden gewist zodra deze doeleinden zijn bereikt.”75 Bovendien merkt de Autoriteit op dat het ontwerp niet expliciet in een afzonderlijke maximumbewaartermijn voorziet voor de verschillende categorieën van persoonsgegevens. De Autoriteit is van mening dat het disproportioneel is om alle gegevens, ongeacht hun aard, voor een gelijke maximumbewaartermijn bij te houden. In het licht hiervan moet het ontwerp dusdanig worden aangepast zodat het evenredige karakter van gegevensbewaring na de periode waarin de melding daadwerkelijk in behandeling is geweest, uitdrukkelijk gerechtvaardigd wordt.76 De afzonderlijke maximumtermijnen voor de verschillende gegevenscategorieën, waarvan de noodzaak en evenredigheid naar behoren worden gemotiveerd, moeten dan in het bijzonder vastgesteld worden. Zo niet, dan is de Autoriteit van mening dat de maximale bewaartermijn niet langer dan 1 jaar mag zijn na afsluiting van het dossier.77 118. De Autoriteit wijst erop dat, ongeacht een geval per geval beoordeling, er in bepaalde situaties geen twijfel bestaat over de interpretatie van ‘niet langer dan noodzakelijk’:
• gegevens die reeds bij de behandeling van de melding incidenteel blijken te zijn, horen niet bijgehouden te worden. Waar dergelijke gegevens voor beleidsdoeleinden relevant zouden zijn, hoort – zoals eerder aangekaart in punt 64 – toepassing gemaakt te worden van pseudonomisering of anonimisering technieken. De Autoriteit benadrukt dat 74 HvJ (gr. Kamer) 8 april 2014, gevoegde zaken nrs. C-293/12 en C-594/12, Digital Rights Ireland Ltd/Minister for Communications, Marine and Natural Resources e.a. en Kärntner Landesregiering e.a., randnrs. 63 en 64; FRA en RVA, Handboek Europese gegevensbeschermingswetgeving, editie 2018, Luxemburg, 2021, 155.
75 HvJ 20 oktober 2022, nr. C-77/21, Digi, randnr. 54.
76 De Autoriteit onderstreept dat de aanvullende motivering in punt 116 van onderhavig advies of een gelijkaardige motivering niet voldoet aan de vereiste.
In casu, hoort het om een proportionele bewaartermijn te gaan, rekening houdend met de aard van de gegevens die uitdrukkelijk gerechtvaardigd wordt, bijvoorbeeld omwille van andere wettelijk verplichte bewaartermijnen.
77 In dat verband wijst de Autoriteit, de decreetgever, erop dat een bewaartermijn van één jaar in lijn is met huidige regelgeving, denk bijvoorbeeld aan artikel 8 van het Koninklijk besluit houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan de ombudsfunctie in de ziekenhuizen moet voldoen.
Advies 21/2024- 40/46 gepseudonimiseerde gegevens nog steeds persoonlijke gegevens zijn en derhalve ook hier een motivering noodzakelijk is wanneer deze onder deze vorm bijgehouden worden;
• gegevens van meldingen die onterecht of onontvankelijk blijken te zijn – zoals verder uiteengezet in punt 120.
• ‘duplicaten vermijden’, vereist niet noodzakelijk dat alle gegevens van een melding bijgehouden worden.
119. De Autoriteit stelt zich voorts vragen bij de intentie om “’veelmelders’ te herkennen.” Hoewel het voor de goede werking van het meldpunt, noodzakelijk is om de valse meldingen eruit te kunnen halen, kan het niet de bedoeling zijn om melders te profileren of te categoriseren.
Bovendien kan dergelijke informatie niet als noodzakelijk bestempeld worden dat het langer dan een korte periode bijgehouden kan worden. Zo lijkt het bijhouden van dergelijke informatie voor langere periodes dan één jaar, aangaande meldingen die niet consecutief gedaan worden, disproportioneel.
120. Op vraag van de Autoriteit, specificeerde de aanvrager m.b.t. de onterechte en onontvankelijke meldingen het volgende:
“ In de meeste gevallen blijkt niet meteen uit de melding of een dossier onterecht of onontvankelijk is. Wanneer duidelijk is dat een melding onterecht of onontvankelijk is, wordt de informatie net zoals bij een ontvankelijke melding niet langer bewaard dan noodzakelijk en identificeerbare gegevens zullen zoveel als mogelijk worden weggelaten.” 121. De Autoriteit preciseert dat verwerkingen van persoonsgegevens over meldingen die onterecht of onontvankelijk zijn, verder gaat dan hetgeen noodzakelijk is voor de verwerking van het doeleinde. Bijgevolg, is de Autoriteit van mening dat vanaf het ogenblik van kennisneming over de onontvankelijkheid of onterechtheid, er geen grond is om dergelijke gegevens verder te bewaren of te verwerken. In het licht hiervan horen deze verwijderd, gepseudonimiseerd of geanonimiseerd te worden. Waar dergelijke gegevens bijgehouden worden in een andere vorm dan een geanonimiseerde, dient telkens een motivering te worden verstrekt die het behoud ervan verantwoordt voor dat specifieke geval.
122. Het geheel in aanmerking genomen is de Autoriteit niet overtuigd dat het in het ontwerp bepaalde bewaartermijn voldoende waarborgen biedt om gegevens niet langer dan noodzakelijk bij te houden voor het doeleinde waarvoor deze gegevens worden verwerkt. In tegendeel, de vaagheid omtrent wat “niet langer als noodzakelijk” in samenhang met een maximale bewaartermijn van 10 jaar na afsluiting van een dossier, wekt het vermoeden dat er een zeer ruime interpretatie toegepast zal worden. De Autoriteit wijst erop dat het niet de bedoeling is om de bewaartermijn van alle gegevens te strekken tot 10 jaar na afsluiten van dossiers. Zoals werd Advies 21/2024- 41/46 aangevuld door de aanvrager, hoort telkens een geval per geval beoordeling, waarbij op recurrente wijze gecontroleerd wordt of gegevens werkelijk nog dienend zijn voor het doel.
Terzake vraagt de Autoriteit, zoals reeds aangegeven in punt 117, om in het ontwerp, een proportionele maximale bewaartermijn voor de bewaring van gegevens na de behandeling en / of opvolging van een melding, te voorzien en deze, minstens in de Memorie van Toelichting, uitdrukkelijk te rechtvaardigen. En in het bijzonder te voorzien in een afzonderlijke bewaartermijn, rekening houdend met de aard van de gegevens. Bij gebrek hieraan geldt dat de bewaartermijn niet langer dan één jaar na afsluiten van het dossier, mag zijn.
h. Rechten van de betrokkenen 123. De betrokkene beschikt krachtens de AVG (de artikelen 12 tot en met 22)78 over verschillende rechten.
124. Dienaangaande bepaalt artikel 15, van het ontwerp, het volgende:
“ Het Agentschap Justitie en Handhaving neemt passende maatregelen met het oog op transparantie ten aanzien van melders en andere personen die betrokken zijn bij een melding van grensoverschrijdend gedrag.
De maatregelen, vermeld in het eerste lid, hebben onder meer tot doel dat de globale regeling voor de gegevensverwerking in het kader van het meldpunt AJH voldoende duidelijk is, en dat het voor de betrokkenen duidelijk is op welke wijze de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 21 van de algemene verordening gegevensbescherming, worden toegepast.”79 125. Vooreerst brengt de Autoriteit in herinnering dat de communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm, die bovendien in duidelijke en eenvoudige taal ontvangen dient te worden. Dit geldt in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is.80 Terzake komt de Autoriteit terug op punt 17 waar uiteengezet wordt dat voornamelijk, maar niet alleen, jongeren en kinderen, geviseerd worden. In de mate dat het uitreikt naar jongeren en kinderen, acht de Autoriteit dat de huidige algemene privacyverklaring onvoldoende afgemeten is op de uiteenlopende 78 Deze kunnen betrekking hebben op:
- de aanvang van de verwerking: recht op informatie (artt. 13-14 AVG) en recht op verzet (artt. 21-22 AVG);
- de duurtijd van de verwerking: recht op toegang / inzage (art. 15 AVG), recht op verzet (artt 21-22 AVG), recht op verbetering (art. 16 AVG), recht op overdraagbaarheid (art. 20 AVG), recht op beperking (art. 18 AVG);
- de beëindiging van de verwerking: recht op verzet (artt21-22 AVG), recht op wissing (art. 17 AVG), recht op beperking (art. 18 AVG), recht op overdraagbaarheid (art. 20 AVG).
79 Vet toegevoegd door de Autoriteit.
80 Artikel 12(1) AVG.
Advies 21/2024- 42/46 leeftijdscategorieën die hier potentieel onder kunnen vallen. Het gebruik van de in punt 127 toegelichte twee-stap procedure, zou hier hoofd aan kunnen bieden.
126. Met betrekking tot het recht op informatie krachtens artikelen 13 en 14 van de AVG, werd op vraag van de Autoriteit verduidelijkt dat:
“ [d]e melder of personen die betrokkenheid vertonen met de context van het grensoverschrijdend gedrag en over wie de persoonsgegevens worden verwerkt, […] recht [hebben] op informatie. Dit recht op informatie omvat onder andere dat de melder of andere betrokkene mag weten welke gegevens over hem worden verwerkt, door wie, hoe lang deze worden bewaard.
Binnen het meldpunt AJH wordt volgende aanpak gehanteerd:
- De privacyverklaring wordt via de website van het Meldpunt actief publiek gemaakt;
- Er wordt op de chat site verwezen naar de privacyverklaring;
- E-mails vanuit zowel de generieke mailbox als vanuit de persoonlijke mailbox van de dossierbehandelaars bevatten een disclaimer.”81 127. Hieruit volgt voor de situatie onder artikel 13 AVG, wanneer de persoonsgegevens bij de betrokkene zelf verzameld worden, dat het meldpunt AJH gebruik maakt van een algemene privacyverklaring en een disclaimer, die bij gebrek aan verdere duiding hieromtrent vermoedelijk een verwijzing naar de algemene privacyverklaring betreft. Gelet op de bijzondere context, meent de Autoriteit dat het behoedzamer is om gebruik te maken van een twee-stap procedure.
Enerzijds zoals reeds gesteld een algemene privacyverklaring op het moment dat de persoonsgegevens verkregen worden en voor verdere verwerking voor de verwerking plaatsvindt.
Anderzijds een op de individu afgestemde specifieke privacyverklaring, die rechtstreeks aan deze bezorgd wordt van zodra het praktisch haalbaar is. De Autoriteit vraagt om de Memorie van Toelichting aan te vullen met de verduidelijking van de aanvrager en met inbegrip van de aanbevolen twee-stap procedure.
128. Verder werd door de aanvrager t.a.v. artikel 14 AVG gepreciseerd dat:
“[o]vereenkomstig artikel 14 (5)(d) van de AVG dient de persoon van wie de persoonsgegevens onrechtstreeks worden verzameld, niet op de hoogte te worden gebracht van de verwerking in zoverre deze gegevens vertrouwelijk moeten blijven uit hoofde van een (wettelijk of statutair) beroepsgeheim. Het voorontwerp bepaalt in artikel 14 dat de medewerkers van het Meldpunt gebonden zijn door het beroepsgeheim voorzien in artikel 458 van het Strafwetboek. De personen die in een melding geïdentificeerd worden, zullen derhalve niet op de hoogte worden gebracht van de gegevensverwerking.
81 Uitlijning toegevoegd door de Autoriteit.
Advies 21/2024- 43/46 Door het actief publiek maken van de privacyverklaring via de website worden de rechten van de personen van wie de gegevens onrechtstreeks worden verzameld gevrijwaard.
In zoverre de voormelde persoonsgegevens echter niet langer als geheim worden behandeld, bijvoorbeeld omdat zij met de toestemming van de melder worden gedeeld met de betrokken organisatie (artikel 13, §1, derde lid, 5° van het voorontwerp), zal de betrokkene ten laatste op het ogenblik dat zijn persoonsgegevens worden gedeeld op de hoogte worden gebracht overeenkomstig artikel 14 (3)(c) AVG.” 129. Wat de uitzonderingsregel op de informatieplicht betreft, krachtens artikel 14(5)(d) AVG, deelt de Autoriteit hetzelfde uitgangspunt als de aanvrager.
130. Voorts verwijst de Autoriteit hier naar de twee-stap procedure uit punt 127, die ook toepassing vindt in een situatie waarbij de gegevens op onrechtstreeks wijze verkregen zijn, doch met dien verstande dat dit enkel aan de orde is wanneer de persoonsgegevens niet langer als geheim behandeld worden.
131. Ten aanzien van het recht op inzage krachtens artikel 15 van de AVG, verduidelijkt de aanvrager het volgende:
“ De melder of een andere betrokkene kan zich eveneens beroepen op de AVG om toegang te krijgen tot de persoonsgegevens die het meldpunt AJH over hem of haar verwerkt hebben.
Als de melder of andere betrokkene een aanvraag doet, dient het meldpunt AJH steeds contact op te nemen met de DPO van het agentschap om dit verder af te handelen.
De dossierbehandelaars zijn gebonden door het beroepsgeheim (artikel 14 voorontwerp), op basis hiervan zal geval per geval, rekening houdend met de rechten en vrijheden van de melder (cf. artikel 15 (4) AVG), moeten worden bekeken of en in welke mate er kan ingaan worden op de vraag tot informatie of inzage.” 132. In overeenstemming met de aanvrager, meent de Autoriteit, dat een geval per geval beoordeling gepast is. Doch onderstreept de Autoriteit dat er minstens interne regels voorhanden moet zijn. Bovendien moet steeds de proportionaliteit en noodzakelijkheid getoetst worden.
Vervolgens moet elke beslissing gepaard gaan met een motivatie naar de betrokkene toe.
133. Daarnaast vraagt de Autoriteit om minstens in de Memorie van Toelichting, verdere duiding te verschaffen aangaande de “passende maatregelen,” zodat enerzijds de antwoorden van de Advies 21/2024- 44/46 aanvrager dienaangaande inbegrepen worden en anderzijds de maatregelen op ondubbelzinnige wijze vastgesteld zijn.
134. De Autoriteit verwijst de aanvrager naar de aanbeveling van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, nr. 01 / 2006 van 29 november 2006, betreffende de verenigbaarheid van meldsystemen (klokkenluidersystemen) met de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, voor verdere inlichting aangaande de andere rechten van de betrokkenen.
OM DEZE REDENEN, de Autoriteit, formuleert de volgende opmerkingen met betrekking tot het ontwerp:
- voorzien in een duidelijke omkadering van het materiële toepassingsgebied, o.m. door af te grenzen wat een rechtstreekse link is, zodat het doeleinde werkelijk welbepaald is (punten 15, 22-Error! Reference source not found.);
- akte nemen van de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid en dit uitdrukkelijk aangeven in het ontwerp (punten 31-33);
- gelet op het tijdstip van de kennisneming van de (on)ontvankelijkheid van een melding is het aangeraden om te opteren voor een geval per geval beoordeling i.p.v. systematisch na elke melding een uitgebreide vraagverheldering uit te voeren. Het wordt aanbevolen om de Memorie van Toelichting op één lijn te brengen met het antwoord van de aanvrager (punt
41);
- de verwijzing naar het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, schrappen uit artikel 13, §1, lid 1 van het ontwerp schrappen (punt 43);
- voorzien in een correcte machtiging om het Rijksregister te raadplegen en te gebruiken overeenkomstig artikel 5 en 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen (punten 43-45);
- verdere duiding voorzien voor hetgeen bedoeld wordt met “persoonsgegevens die blijken” in artikel 13, §1, lid 1, 4°, 5°, van het ontwerp, zodat elke categorie van gegevens die hieronder valt concreet en ondubbelzinnig gespecifieerd is (punt 46);
- onthouden van het bijhouden van register van gegevens die onder artikel 10 AVG kaderen, het invoeren van een systeem met onderscheiden autorisaties voor de bijzondere categorieën van gegevens, voorzien in bijkomende waarborgen (punten 47-48);
- bij gebruik aan een systeem dat de melding in eerste fase duidelijk omkadert, helder aangeven wat de categorieën van gegevens zijn die in de twee fases van een melding kunnen zitten en Advies 21/2024- 45/46 aangeven dat de tweede fase als een controle fase dient, waar alle niet-essentiële gegevens verwijderd moeten worden (punt 55);
- bij voorkeur in het ontwerp, verduidelijken waar een melding kan gebeuren en onder welke vorm (punt 56);
- binnen redelijke termijn een overschakeling voorzien van SharePoint naar een adequater systeem (punt 57);
- uitvoeren van een GEB, inclusief voor de SharePoint systeem en het vervangend systeem (punt 57);
- verdere duiding voorzien omtrent de verschillende meldingskanalen en de inhoudelijke vorm (samenvatting) waarop de informatie bijgehouden wordt (punt 61);
- het ontwerp en de Memorie van Toelichting in lijn brengen met de aanvullende antwoorden van de aanvrager (punt 61);
- uitdrukkelijk duiding geven over het bestaan van een meldingsregister, de inhoud, het gebruik en de toegang, periodieke redactie, doel, bewaartermijn (punten 62-67);
- aangeven of het meldingsregister gelijk is aan het centraal register (punt 63);
- onder het kader van beleidsadviezen afleveren, rekening houden dat het voorbereidend werk bij voorkeur met geanonimiseerde of gepseudonimiseerde gegevens gebeurt (punt 64);
- in het ontwerp uitdrukkelijk specificeren of er verschillende categorieën van personen zijn met onderscheiden machtigingen en toegang tot het inhoudelijk dossier (punten 65-66, 77);
- categorieën van betrokkenen verder specificeren (punten 69-71);
- uitdrukkelijk in het ontwerp de mogelijkheid om een anonieme melding te maken te vermelden en anonieme melding definiëren (punten 72-75);
- in het ontwerp of minstens in de Memorie van toelichting een beschrijving geven van hetgeen onder operationele werking valt (punt 77);
- een bepaling invoeren die de verwerkingsverantwoordelijke verplicht om steeds in staat te zijn om het mondelinge akkoord te kunnen bewijzen (punten 80-81);
- artikel 13, §1, lid 3, 5°, van het ontwerp aanvullen zodat gepreciseerd wordt dat de noodzakelijkheid steeds gemotiveerd moet worden (punt 81);
- in artikel 10, §2, van het ontwerp, instemming vervangen met toestemming (punt 87);
- ontwerp aanvullen met de verplichting van het opstellen van een lijst van de categorieën van personen die toegang hebben tot de gegevens onder artikel 10 AVG en bij voorkeur werken met een systeem van diverse graden van autorisaties (punt 85);
- artikel 10, §2, van het ontwerp voorzien van verdere duiding zodat ingegaan wordt op de term partijen, de unanimiteit van instemming, de vrijstelling van vertrouwelijkheid en welke documenten het betrekking op heeft en de toepassing van de rechten van de betrokkenen (punt 89);
- in artikel 17, van het ontwerp verdere duiding voorzien voor hetgeen bedoeld wordt met
“noodzakelijke informatie” (punt 94);
Advies 21/2024- 46/46 - uitzonderingen van het beroepsgeheim uitdrukkelijk specificeren en verder kaderen (punten 95-101);
- gebruik van een onderlinge verwerkingsovereenkomst voor hetgeen onder de gezamenlijke bevoegdheid valt van het VMRI en het AJH (punten 104-108);
- in het ontwerp een passend kader voorzien voor de doorgifte van gegevens en het samenhangende protocol (punten 109-112);
- voorzien van verdere duiding aangaande hetgeen bedoeld wordt met “bepaalde acties te ondernemen met betrekking tot de melding van grensoverschrijdend gedraag” (punt 113);
- het ontwerp voorzien van een uitdrukkelijk gerechtvaardigde en proportionele maximumbewaartermijn en, rekening houdend met de aard van de gegevens, voorzien in afzonderlijke bewaartermijnen. Bij gebrek hieraan geldt dat de maximumbewaartermijn niet langer dan één jaar, na afsluiting van het dossier, mag zijn (punten 114-118 en 122);
- onthouden van ‘veelmelders’ te categoriseren of te profileren (punt 119);
- voorzien van een beperking op de bewaring van gegevens aangaande meldingen die onontvankelijk of onterecht blijken te zijn (punt 121-122);
- voorzien van een afgemeten privacyverklaring aan de diverse leeftijdscategorieën (punt 125);
- invoeren van een twee-stap procedure voor de kennisgeving (punten 125, 127 en 130);
- uitdrukkelijk in het ontwerp voorzien van een motivering aangaande beslissingen over de inzage (punt 132);
- duidelijk en op ondubbelzinnige wijze verdere duiding geven over “passende maatregelen” in artikel 15, van het ontwerp (punt 133).
Voor het Kenniscentrum, Cédrine Morlière, Directeur VOORONTWERP VAN DECREET van 7 juni 2024 Ontwerp van decreet tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen en de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme;
Na beraadslaging, DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:
De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen en de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme zijn ermee belast, in naam van de Vlaamse Regering, bij het Vlaams Parlement het ontwerp van decreet in te dienen, waarvan de tekst volgt:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Art. 2. In dit decreet wordt verstaan onder:
1° Agentschap Justitie en Handhaving: het Agentschap Justitie en Handhaving, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 september 2021 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap “Agentschap Justitie en Handhaving”;
2° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);
3° decreet van 10 juli 2008: het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid;
4° decreet van 28 oktober 2022: het decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut;
5° intimidatie: intimidatie als vermeld in artikel 17, §1, van het decreet van 10 juli 2008;
6° geweld: elke feitelijkheid waarbij iemand psychisch of fysiek wordt bedreigd of aangevallen;
7° grensoverschrijdend gedrag: elke aantasting van de integriteit van een persoon wegens seksuele intimidatie, geweld, pesterijen of intimidatie;
8° intern meldpunt: een sectoraal meldpunt of aanspreekpunt waar meldingen van grensoverschrijdend gedrag worden behandeld;
9° meldpunt AJH: het meldpunt AJH, vermeld in artikel 5;
10° seksuele intimidatie: seksuele intimidatie als vermeld in artikel 17, §2, van het decreet van 10 juli 2008;
11° pesterijen: onrechtmatig geheel van verschillende, vergelijkbare of uiteenlopende, gedragingen die plaatsvinden gedurende een bepaalde tijd, en die tot doel of gevolg hebben dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een persoon wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;
12° Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag: het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag, vermeld in artikel 3;
13° VMRI: het Vlaams Mensenrechteninstituut, vermeld in artikel 4 van het decreet van 28 oktober 2022.
Hoofdstuk 2. Het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag
Art. 3. §1. Er wordt een onafhankelijk Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag opgericht. Het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag is een samenwerking tussen het VMRI en het meldpunt AJH.
De doelstelling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag is de aanpak van grensoverschrijdend gedrag in de Vlaamse sectoren.
Het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag zet in op maximale toegankelijkheid door:
1° kosteloos elke melding te behandelen;
2° aan elke melder kosteloos alle redelijke en gepaste materiële bijstand aan te bieden;
3° te waken over de fysieke en digitale toegankelijkheid.
§2. Het meldpunt AJH en het VMRI werken structureel samen aan de verwezenlijking van de doelstelling, vermeld in paragraaf 1, met behoud van hun respectievelijke bevoegdheden en mandaat als vermeld in het decreet van 28 oktober 2022, en in hoofdstuk 3 van dit decreet.
De samenwerking, vermeld in het eerste lid, wordt nader uitgewerkt in een samenwerkingsprotocol tussen het meldpunt AJH en het VMRI. Dit samenwerkingsprotocol bevat, naast de afspraken vermeld in paragraaf 3, tweede tot en met vierde lid, van dit decreet en in artikel 23, vierde lid, van het decreet van 28 oktober 2022, eveneens afspraken met betrekking tot de afstemming tussen het meldpunt AJH en het VMRI bij het verstrekken van beleidsadvies door één van beide namens het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag.
§3. Als uit de feiten van de melding tijdens de gezamenlijke vraag- en aanbodverheldering blijkt dat de melding binnen de bevoegdheden van het meldpunt AJH en binnen de bevoegdheden van het VMRI valt, wordt, in overleg tussen het VMRI of het meldpunt AJH en in overleg met de melder, beoordeeld of de melding door beide of afzonderlijk wordt behandeld door het VMRI of het meldpunt AJH.
Als het meldpunt AJH en het VMRI de melding, vermeld in het eerste lid, beide behandelen, geven ze, met het oog op een complementaire werking en efficiënte aanpak, inzage in elkaars dossier en stemmen ze op regelmatige basis af.
Het meldpunt AJH en het VMRI brengen elkaar op de hoogte:
1° als beslist wordt om de melding, vermeld in het eerste lid, beide te behandelen conform het eerste lid;
2° als beslist wordt dat het meldpunt AJH of het VMRI de melding afzonderlijk behandelt conform het eerste lid;
3° als de instantie die de melding heeft ontvangen, niet bevoegd is om de melding te behandelen en de andere instantie wel bevoegd is om de melding te behandelen.
In het samenwerkingsprotocol, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, worden nadere afspraken gemaakt over het overmaken en de centrale registratie van meldingen als vermeld in het eerste lid, tussen het VMRI en het meldpunt AJH.
Art. 4. Om een gericht beleid inzake grensoverschrijdend gedrag te kunnen voeren, bezorgt het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag een jaarlijks rapport met geanonimiseerde gegevens over grensoverschrijdend gedrag aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement. De voormelde gegevens hebben betrekking op het aantal en de aard van de meldingen en het profiel van de melder. Het rapport omvat ook de ontwikkelingen in de problematiek en de aanpak van grensoverschrijdend gedrag.
De Vlaamse Regering kan de vorm, de inhoud, de wijze en de periodiciteit van de rapportering, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
Hoofdstuk 3. Oprichting van het meldpunt AJH
Art. 5. Binnen het Agentschap Justitie en Handhaving wordt een onafhankelijke werking geïnstalleerd als onderdeel van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag, hierna aangeduid als meldpunt AJH.
Het meldpunt AJH wordt opgericht in het kader van de verwezenlijking van de doelstelling, vermeld in artikel 3, §1, tweede lid.
Het meldpunt AJH werkt onafhankelijk van enige sector, organisatie, interne meldpunten of reguliere hulpverlening.
De medewerkers van het meldpunt AJH oefenen hun functie op onafhankelijke, zorgvuldige, onpartijdige en toegankelijke wijze uit. Ze worden aangestuurd door de coördinator van het meldpunt AJH.
De medewerkers van het meldpunt AJH krijgen met betrekking tot individuele dossiers geen instructies van de Vlaamse Regering, van het Vlaams Parlement of van een andere bestuurlijke of particuliere entiteit, noch op directe noch op indirecte wijze.
Het meldpunt AJH is toegankelijk voor elke persoon met een melding over grensoverschrijdend gedrag in alle aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest vallen.
Art. 6. Het meldpunt AJH past de volgende werkingsprincipes toe:
1° het meldpunt AJH en zijn personeelsleden voeren de opdrachten, vermeld in artikel 7, op onafhankelijke, objectieve, professionele, multidisciplinaire en zorgvuldige wijze uit;
2° bij de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 7, vertrekt het meldpunt AJH vanuit de behoeften van de melder;
3° bij de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 7, wordt de veiligheid van de slachtoffers of potentiële slachtoffers centraal geplaatst;
4° er wordt ingezet op samenwerking en maximale complementariteit met de dienstverlening en ondersteuning rond grensoverschrijdend gedrag die Vlaams, sectoraal, of op niveau van de beleidsdomeinen is uitgebouwd;
Met het oog op de toepassing van het werkingsprincipe, vermeld in het eerste lid, 4°, zal het meldpunt AJH een samenwerkingsprotocol sluiten met de betreffende overheden die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, voor zover die overheden dit wenselijk achten.
Conform het eerste lid, 2°, kan een melding op anonieme wijze gebeuren.
Een anonieme melding is een melding waarvan de identiteit van de melder niet gekend is.
Afdeling 1. Opdrachten en bevoegdheden
Art. 7. Het meldpunt AJH vervult de volgende opdrachten:
1° in een individueel aanbod voorzien voor personen die een melding van grensoverschrijdend gedrag doen;
2° beleidsadviezen verstrekken aan en opvolgen en ondersteunen van organisaties die betrokken zijn bij meldingen van grensoverschrijdend gedrag.
De opdracht, vermeld in het eerste lid, 1°, omvat de volgende deelopdrachten:
1° meldingen van grensoverschrijdend gedrag ontvangen en op basis daarvan aan vraag- en aanbodverheldering doen;
2° gesprekken voeren met het oog op ondersteuning en erkenning;
3° ondersteuning bieden en een melding van grensoverschrijdend gedrag en de daaropvolgende procedure binnen een specifieke sector of organisatie opvolgen;
4° een warme doorverwijzing bieden naar een extern aanbod;
5° een kortdurend psychologisch ondersteunend traject aanbieden;
6° een juridisch consult aanbieden over de burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke mogelijkheden;
7° herstelgesprekken voeren.
In de volgende gevallen is de melding niet ontvankelijk:
1° de melding is kennelijk ongegrond;
2° de melding is kennelijk roekeloos of tergend;
3° de melding is al behandeld door het meldpunt AJH, tenzij er voldoende nieuwe elementen voorliggen die een nieuwe behandeling verantwoorden;
4° de melding heeft geen betrekking op aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest vallen.
Als het meldpunt AJH beslist dat een melding niet ontvankelijk is, brengt het de melder daarvan gemotiveerd op de hoogte.
Als dat mogelijk is, verwijst het meldpunt AJH de melder warm door naar een organisatie die hem mogelijks wel verder kan bijstaan.
Het verstrekken van beleidsadviezen als vermeld in het eerste lid, 2°, gebeurt op eigen initiatief van het meldpunt AJH of op verzoek van de organisatie die betrokken is bij meldingen van grensoverschrijdend gedrag of van overheden die afhangen van het Vlaams Gewest of de Vlaamse Gemeenschap.
De coördinator, vermeld in artikel 5, vierde lid, is verantwoordelijk voor de inhoud van de beleidsadviezen die door het meldpunt AJH verstrekt worden.
Art. 8. Het meldpunt AJH is bevoegd om, mits instemming van de melder, alle personen te horen en alle nodige informatie in te winnen en documentatie op te vragen als dat redelijkerwijze nodig is om de opdrachten, vermeld in artikel 7, uit te voeren.
Het meldpunt AJH kan bij een verzoek om informatie of om documenten een dwingende termijn opleggen om aan dat verzoek te beantwoorden.
Het meldpunt AJH kan ter plaatse gaan bij overheden, openbare instellingen en organisaties, met uitzondering van de bewoonde lokalen, om de nodige vaststellingen te doen en om te vragen alle informatie en documentatie te bezorgen.
De personen die worden gevraagd om informatie of documenten te bezorgen, zijn ten aanzien van het meldpunt ontheven van hun plicht tot geheimhouding over feiten waarvan ze op de hoogte zijn en over gegevens waarover ze beschikken door hun staat of beroep, met uitzondering van de gegevens die door het medisch geheim beschermd zijn.
De Vlaamse Regering kan met betrekking tot de activiteiten, vermeld in het eerste, tweede en derde lid de wijze van samenwerking van het meldpunt AJH met de bevoegde entiteiten voor toezicht en handhaving van het beleidsdomein waar de organisatie in kwestie onder valt, nader bepalen.
Art. 9. Beleidsadviezen als vermeld in artikel 7, eerste lid, 2°, worden op schriftelijke wijze bezorgd aan de bevoegde personen binnen de organisatie en indien nuttig aan gelijkaardige organisaties. Een kopie van het beleidsadvies wordt bezorgd aan de administratie en de minister bevoegd voor het beleidsdomein waar de organisatie in kwestie onder valt.
Eén jaar nadat de bevoegde persoon, vermeld in het eerste lid, het beleidsadvies, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, rapporteert de organisatie aan het meldpunt AJH en in kopie aan de administratie en de minister die bevoegd is voor het beleidsdomein waar de organisatie in kwestie onder valt, over de wijze waarop ze aan het beleidsadvies zijn tegemoetgekomen. In de voormelde rapportering wordt de volgende informatie opgenomen:
1° welke acties zijn genomen voor elke aanbeveling uit het beleidsadvies, zowel op korte als op lange termijn, en wat de resultaten van die acties zijn;
2° welke acties nog gepland zijn.
De Vlaamse Regering kan met betrekking tot de beleidsadviezen, vermeld in het eerste en tweede lid, de wijze van samenwerking met de entiteit, bevoegd voor toezicht en handhaving van het beleidsdomein waar de organisatie in kwestie onder valt, nader bepalen.
Art. 10. §1. Het meldpunt AJH gaat bij een melding na of er over de feiten die het voorwerp uitmaken van de melding, reeds een lopend traject is bij een andere instantie, waaronder een intern meldpunt binnen een organisatie of een tuchtorgaan. Indien dat het geval is en indien de redelijke termijn voor behandeling van de melding niet verstreken is, zal de opdracht van het meldpunt AJH, vermeld in artikel 7, eerste lid, 1°, zich beperken tot de deelopdrachten, vermeld in artikel 7, tweede lid, die niet worden uitgevoerd door de andere instantie waar reeds een traject lopende is.
Wanneer een traject bij een andere instantie is afgesloten of wanneer de redelijke termijn voor behandeling van de melding bij de andere instantie is overschreden, kan het meldpunt AJH de deelopdrachten zoals vermeld in artikel 7, tweede lid, desgevallend uitvoeren.
Bij een lopend strafrechtelijk onderzoek of in geval van strafrechtelijke vervolging kan het meldpunt AJH de deelopdrachten, vermeld in artikel 7, tweede lid, 1° tot en met 6°, van dit decreet, uitvoeren. Om de deelopdracht, vermeld in artikel 7, tweede lid, 7°, van dit decreet, uit te voeren, verwijst het meldpunt AJH bij een lopend strafrechtelijk onderzoek of in geval van strafrechtelijke vervolging naar de organisaties die hiertoe gesubsidieerd worden conform hoofdstuk 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2019 houdende de subsidiëring van initiatieven die voorzien in een herstelgericht en constructief hulp- en dienstverleningsaanbod voor verdachten, in verdenking gestelde personen, beklaagden, veroordeelden of geïnterneerden, en voor slachtoffers van misdrijven, alsook voor hun onmiddellijke omgeving, dat niet wordt verstrekt ter uitvoering van een beslissing van een gerechtelijke of administratieve overheid.
Als het meldpunt AJH het voornemen heeft om bepaalde acties te ondernemen met betrekking tot de melding van grensoverschrijdend gedrag, met uitzondering van acties naar de melder toe, stemt het meldpunt AJH voorafgaand en met akkoord van de melder af met het openbaar ministerie.
§2. De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van een herstelgesprek als vermeld in artikel 7, tweede lid,
7°, zijn vertrouwelijk. De voormelde vertrouwelijkheid is niet van toepassing op de documenten waarvoor de partijen toestemming verlenen om de gerechtelijke instanties en de geschillenkamer van het VMRI, vermeld in artikel 34 van het decreet van 28 oktober 2022, ervan op de hoogte te brengen.
Art. 11. Het meldpunt AJH brengt jaarlijks een rapport met beleidsaanbevelingen over grensoverschrijdend gedrag uit aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement.
De Vlaamse Regering kan de vorm, de inhoud, de wijze en de periodiciteit van de voormelde beleidsaanbevelingen, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
Art. 12. Het Agentschap Justitie en Handhaving kan vrijwilligers als vermeld in artikel 3, 2°, van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, inschakelen voor de operationele werking van het meldpunt AJH. In dat geval bepaalt de Vlaamse Regering voor welke opdrachten, vermeld in artikel 7 van dit decreet, vrijwilligers kunnen worden ingezet en de voorwaarden voor de inzet van die vrijwilligers.
De Vlaamse Regering kan de wijze waarop vrijwilligers, vermeld in het eerste lid, kunnen worden ingezet, nader bepalen.
Afdeling 2. Verwerking van persoonsgegevens
Art. 13. §1. Voor zover het noodzakelijk is om de doelstelling, vermeld in artikel 3, §1, tweede lid, van dit decreet, te realiseren, kan het meldpunt AJH de volgende persoonsgegevens verwerken:
1° identificatiegegevens, waaronder voor- en achternaam, het Rijksregisternummer en het identificatienummer bis zoals bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° contactgegevens;
3° gegevens over beroep, werkcontext, beroepsbekwaamheid, opleiding en vorming;
4° leeftijd, gender of geslacht, nationaliteit, burgerlijke staat;
5° gegevens over vrijetijdsbesteding;
6° politionele en gerechtelijke gegevens;
7° gegevens over de gezondheid;
8° gegevens over risicosituaties -en gedragingen;
9° gegevens waaruit de herkomst of afkomst blijkt;
10° gegevens over seksueel gedrag of seksuele oriëntatie;
11° andere gegevens die noodzakelijk zijn om de doelstelling van het meldpunt te realiseren.
De personen van wie de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen worden verwerkt, zijn de melders van grensoverschrijdend gedrag en de personen die een relevante betrokkenheid vertonen met de context van het grensoverschrijdend gedrag dat wordt gemeld.
De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen op de volgende wijzen worden verwerkt:
1° de personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die instaan voor de operationele werking van het meldpunt AJH, kunnen de persoonsgegevens verwerken om de opdrachten, vermeld in artikel 7, uit te voeren;
2° de personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die instaan voor de operationele werking van het meldpunt AJH, kunnen de persoonsgegevens delen met het openbaar ministerie als dat noodzakelijk is voor de afstemming, vermeld in artikel 10, §1, tweede lid;
3° de personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die instaan voor de operationele werking van het meldpunt AJH, kunnen de persoonsgegevens delen met het VMRI met het oog op de toepassing van artikel 3, §3, en artikel 4;
4° de personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die instaan voor de operationele werking van het meldpunt AJH, kunnen, met het oog op een doorverwijzing, de persoonsgegevens delen met de hulpverlening, op voorwaarde dat de persoon die wordt doorverwezen, minstens mondeling zijn akkoord heeft gegeven om die gegevens mee te delen;
5° de personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die instaan voor de operationele werking van het meldpunt AJH, kunnen, met het oog op de toepassing van artikel 8 en als dat noodzakelijk is om de nodige informatie te verkrijgen, gegevens over de melding van grensoverschrijdend gedrag bezorgen aan de organisatie of het interne meldpunt of aan de entiteiten, bevoegd voor toezicht en handhaving, als de melder minstens mondeling zijn akkoord heeft gegeven om die gegevens te bezorgen.
6° de personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die instaan voor de operationele werking van het meldpunt AJH, kunnen, met het oog op de toepassing van artikel 10, §1, eerste en tweede lid, van dit decreet en als dat noodzakelijk is om de nodige informatie te verkrijgen, gegevens over de melding van grensoverschrijdend gedrag bezorgen aan de organisaties vermeld in artikel 10, §1, eerste en tweede lid, van dit decreet.
§2. Het Agentschap Justitie en Handhaving treedt op als verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming. Het Agentschap Justitie en Handhaving en het VMRI treden op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken als vermeld in artikel 26 van de algemene verordening gegevensbescherming voor verwerkingen die onder hun gezamenlijke bevoegdheid vallen bij de uitvoering van hun taken als Vlaams meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag.
§3. De persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor het doeleinde, vermeld in artikel 3, §1, tweede lid.
De maximale bewaartermijn van de persoonsgegevens die verwerkt worden naar aanleiding van een onontvankelijke melding, bedraagt één jaar. De voormelde termijn vangt aan op de datum van de melding.
De maximale bewaartermijn van de persoonsgegevens die verwerkt worden naar aanleiding van een melding met maximaal drie contactnames, bedraagt drie jaar. De voormelde termijn vangt aan op de datum van de laatste contactname.
De maximale bewaartermijn van de persoonsgegevens die verwerkt worden naar aanleiding van een melding van grensoverschrijdend gedrag met meer dan drie contactnames, bedraagt tien jaar. De voormelde termijn vangt aan op de datum dat het dossier bij het meldpunt wordt afgesloten.
§4. Met het oog op de rapportering, vermeld in artikel 4, verwerkt het meldpunt AJH persoonsgegevens als vermeld in paragraaf 1, eerste lid. De voormelde rapportering bevat geen informatie waaruit de identiteit van een betrokkene rechtstreeks of onrechtstreeks kan worden afgeleid.
Indien het noodzakelijk is om de persoonsgegevens conform artikel 13, §1, derde lid, 3°, te delen met het VMRI voor het opmaken van de rapportering beperkt deze informatiedeling zich tot het overmaken van geanonimiseerde gegevens.
Art. 14. §1. Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de algemene verordening gegevensbescherming kan het Agentschap Justitie en Handhaving beslissen de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 en artikel 34 van de voormelde verordening, te beperken bij de doorgifte van persoonsgegevens overeenkomstig artikel 13, §1, derde lid, 6°, van dit decreet, als voldaan wordt aan de voorwaarden vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.
Het Agentschap Justitie en Handhaving neemt voorafgaandelijk aan de doorgifte een gemotiveerde beslissing omtrent de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid. Deze beslissing wordt niet medegedeeld aan de betrokkene omdat dit het doel van de afwijking schaadt.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin het ter bescherming van de slachtoffers of de potentiële slachtoffers noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 en artikel 34 van de voormelde verordening, niet worden toegepast.
In afwijking van het derde lid, blijft de afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van de verklaringen afgelegd door de melder.
Dergelijke verklaringen vallen niet onder het inzagerecht, tenzij de melder hiertoe uitdrukkelijk zijn instemming geeft.
Zodra niet langer aan de voorwaarden vermeld in het eerste tot en met het derde lid wordt voldaan, worden de rechten en verplichtingen, vermeld in artikel 13 tot en met 22 en artikel 34 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast. De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming gaat jaarlijks na of aan deze verplichting wordt voldaan.
§ 2. Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het derde lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale opdrachten van het Meldpunt zou ondermijnen.
Art. 15. De personeelsleden van het Agentschap Justitie en Handhaving die betrokken zijn bij de operationele werking van het meldpunt AJH, zijn onderworpen aan het beroepsgeheim conform artikel 458 van het Strafwetboek.
Art. 16. Het Agentschap Justitie en Handhaving neemt passende maatregelen met het oog op transparantie ten aanzien van melders en andere personen die betrokken zijn bij een melding van grensoverschrijdend gedrag.
De maatregelen, vermeld in het eerste lid, hebben onder meer tot doel dat de globale regeling voor de gegevensverwerking in het kader van het meldpunt AJH voldoende duidelijk is, en dat het voor de betrokkenen duidelijk is op welke wijze de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 21 van de algemene verordening gegevensbescherming, worden toegepast.
Hoofdstuk 4. Algemene bepalingen betreffende grensoverschrijdend gedrag in Vlaamse sectoren en organisaties
Art. 17. De definitie van grensoverschrijdend gedrag, vermeld in artikel 2, 7°, wordt binnen de organisaties en sectoren die onder de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest vallen, als algemeen geldende definitie van grensoverschrijdend gedrag beschouwd. Verwijzingen naar grensoverschrijdend gedrag binnen de voormelde sectoren en organisaties worden altijd gelezen minstens als verwijzingen naar de definitie van grensoverschrijdend gedrag, vermeld in artikel 2, 7°.
Art. 18. Wanneer medewerkers in sectoren en van organisaties waarvoor de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bevoegd is, van oordeel zijn dat de integriteit van een persoon in het gedrang is, kunnen ze, met het oog op de bescherming van de fysieke of psychische integriteit van een slachtoffer, grensoverschrijdend gedrag waarvan ze bij de uitoefening van hun beroep kennis hebben gekregen, bij het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag melden zonder dat die medewerkers wegens eventuele miskenning van het beroepsgeheim strafbaar kunnen worden gesteld op basis van artikel 458 van het Strafwetboek. De medewerkers kunnen alleen de noodzakelijke informatie meedelen aan het meldpunt als ze de fysieke of psychische integriteit van het slachtoffer niet zelf of met behulp van anderen kunnen garanderen.
Hoofdstuk 5. Wijzigingen van het decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut
Art. 19. In artikel 2 van het decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“8° richtlijn (EU) 2024/1385 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.”
2° er wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“9° richtlijn (EU) 2024/1500 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende normen voor organen voor gelijke behandeling op het gebied van gelijke behandeling en gelijke kansen voor vrouwen en mannen in arbeid en beroep, en tot wijziging van de Richtlijnen 2006/54/EG en 2010/41/EU”
3° er wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“10° richtlijn (EU) 2024/1499 van de Raad van 7 mei 2024 betreffende normen voor organen voor gelijke behandeling op het gebied van gelijke behandeling van personen ongeacht hun ras of etnische afstamming, gelijke behandeling van personen in arbeid en beroep ongeacht hun godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele oriëntatie, gelijke behandeling van vrouwen en mannen op het gebied van sociale zekerheid en de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten, en tot wijziging van Richtlijnen 2000/43/EG en 2004/113/EG”
Art. 20. In artikel 3 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt een punt 3°/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“3°/1 decreet van [datum]: het decreet van (datum) tot oprichting en regeling van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag;”;
2° er wordt een punt 5°/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“5°/1 meldpunt AJH: het meldpunt AJH, vermeld in artikel 5 van het decreet van [datum];”;
3° er wordt een punt 16° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“16° Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag: het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag, vermeld in artikel 3 van het decreet van [datum].”.
Art. 21. Aan artikel 6, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd:
“In de voormelde hoedanigheid maakt het VMRI ook deel uit van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag.”.
Art. 22. Aan artikel 9 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Het VMRI kan een afschrift van adviezen, aanbevelingen, voorstellen en verslagen, vermeld in het eerste lid, bezorgen aan de minister bevoegd voor het beleidsdomein in kwestie, en aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de gelijke kansen, de integratie en de inburgering.
Op vraag van het VMRI rapporteert de bestemmeling van een advies of aanbeveling over de wijze waarop ze aan het advies of de aanbeveling is tegemoetgekomen. In de voormelde rapportering kan onder meer de volgende informatie worden opgevraagd:
1° welke acties zijn genomen voor elke aanbeveling uit het advies, zowel op korte als op lange termijn, en wat de resultaten van die acties zijn;
2° welke acties nog gepland zijn.”.
Art. 23. In hetzelfde decreet wordt een artikel 13/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“Art. 13/1. Als een melding als vermeld in artikel 12 van dit decreet, of een klacht als vermeld in artikel 13 van dit decreet, ook kan worden beschouwd als een melding over grensoverschrijdend gedrag als vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van [datum], wordt, in onderling overleg met de klager of melder of met het meldpunt AJH, beoordeeld of het wenselijk is of die klacht of melding, al dan niet gezamenlijk wordt behandeld met het meldpunt AJH.
Als een melding door het meldpunt AJH en het VMRI wordt opgenomen, geven ze, met het oog op een complementaire en efficiënte aanpak, inzage in elkaars dossier en stemmen ze op regelmatige basis af.” Het meldpunt AJH en het VMRI brengen elkaar op de hoogte:
1° als beslist wordt om de melding, vermeld in het eerste lid, beide te behandelen conform het eerste lid;
2° als beslist wordt dat het meldpunt AJH of het VMRI melding afzonderlijk behandelt conform het eerste lid;
3° als de instantie die de melding heeft ontvangen, niet bevoegd is om de melding te behandelen en de andere instantie wel bevoegd is om de melding te behandelen.
Art. 24. Aan artikel 18 van hetzelfde decreet worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
“Eén jaar nadat de betrokken partijen het oordeel, vermeld in artikel 16, paragraaf 6, hebben ontvangen, rapporteert de verweerder over de wijze waarop aan de aanbevelingen van de geschillenkamer is tegemoetgekomen. In de voormelde rapportering wordt de volgende informatie opgenomen:
1° welke acties zijn genomen voor elke aanbeveling, zowel op korte als op lange termijn, en wat de resultaten van die acties zijn;
2° welke acties nog gepland zijn."
Art. 25. In artikel 22 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
“Het VMRI kan bij een verzoek om informatie of om documentatie een dwingende termijn opleggen om aan dat verzoek te beantwoorden.”;
2° in het derde lid worden de woorden “bij deze overheden en openbare instellingen” vervangen door de zinsnede “bij overheden, openbare instellingen en organisaties”;
3° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“In afwijking van het vierde lid, worden personen die worden gevraagd om informatie of documenten over te leggen, ontheven van hun plicht tot geheimhouding ten aanzien van het VMRI in verband met feiten en gegevens die betrekking hebben op intimidatie of seksuele intimidatie als vermeld in artikel 17 van het decreet van 10 juli 2008 en waarvan ze kennis hebben genomen in hun hoedanigheid van noodzakelijke vertrouwenspersoon.”.
Art. 26. Aan artikel 23 van hetzelfde decreet wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Het VMRI werkt structureel samen met het meldpunt AJH om samen het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag te vormen. De voormelde samenwerking wordt nader uitgewerkt in een samenwerkingsprotocol. In het samenwerkingsprotocol worden conform artikel 13, §3, vierde lid, onder meer afspraken gemaakt over de behandeling van meldingen, de beleidsadviesverlening in naam van het Vlaams Meldpunt voor Grensoverschrijdend Gedrag en over de jaarlijkse rapportage over meldingen.”.
Art. 27. In artikel 28 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 4, 1°, wordt tussen het woord “melden” en de woorden “over wie” het woord “of” ingevoegd;
2 ° aan paragraaf 4 wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“3° de natuurlijke personen die melden of over wie een melding wordt gedaan, of die worden geïdentificeerd in het kader van de behandeling van een melding als vermeld in artikel 3, §3, van het decreet van [datum].”;
3° aan paragraaf 5 wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“7° politionele of gerechtelijke gegevens.”.
4° aan paragraaf 7 wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“3° de entiteiten, bevoegd voor toezicht en handhaving.”
5° in paragraaf 8 wordt de zinsnede “bewaard tot vijf jaar nadat het VMRI de melding of de klacht, vermeld in artikel 12, eerste lid, en artikel 13, §1, heeft ontvangen.” vervangen door de zinsnede “bewaard tot tien jaar nadat het VMRI de behandeling van de melding of de klacht, vermeld in artikel 12, eerste lid, en artikel 13, §1, heeft afgesloten.”.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Art. 28. Het decreet wordt uiterlijk binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding geëvalueerd door de Vlaamse Regering.
Brussel, De minister-president van de Vlaamse Regering, Jan JAMBON De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen, Gwendolyn RUTTEN De Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme, Zuhal DEMIR
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (aanhalingstekens niet in evenwicht). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.