Bij de aanpassing van de begroting 2023 #1699
Gemerged Vlaamse Regering voegde 18 artikels samen in decreet-2022-02-11decreet-2019-03-29codex-wonen · 12 mei 2023 Alle checks geslaagd
19 artikels gewijzigd
De instructies van dit stuk toegepast op de wet zoals die gold op 12 mei 2023. De officiële tekst blijft het document van het Parlement.
| 17 | De financiële vraag geldt voor de volledige beleidsperiode van vier jaar. Een tussentijdse bijsturing van de beleidsnota is alleen mogelijk bij een grondige wijziging van de werking of substantiële verhoging van de overnachtingscapaciteit van het jeugdverblijf of hostel. | 17 | De financiële vraag geldt voor de volledige beleidsperiode van vier jaar. Een tussentijdse bijsturing van de beleidsnota is alleen mogelijk bij een grondige wijziging van de werking of substantiële verhoging van de overnachtingscapaciteit van het jeugdverblijf of hostel. |
| 18 | De werkings- en personeelssubsidies, vermeld in dit hoofdstuk, worden jaarlijks gekoppeld aan de gezondheidsindex. | 18 | De werkings- en personeelssubsidies, vermeld in dit hoofdstuk, worden jaarlijks gekoppeld aan de gezondheidsindex. |
| 19 | De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden en de procedure bepalen voor: | ||
| 20 | 1° de indiening van de aanvraag; | ||
| 21 | 2° de jaarlijkse verantwoording; | ||
| 22 | 3° de beoordeling, de toekenning en de uitbetaling van de subsidies; | ||
| 23 | 4° het toezicht op de naleving van de algemene en specifieke subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 3, 11 en 13. | ||
| 1 | Het Eigen Vermogen van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, opgericht bij het koninklijk besluit van 22 september 1931 betreffende het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen - rechtspersoonlijkheid, dat rechtspersoonlijkheid geniet bij wet van 27 juni 1930, wordt geregeld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. |
| 1 | Het koninklijk besluit van 22 september 1931 Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen - rechtspersoonlijkheid, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 en 4 juli 2014, wordt opgeheven, met uitzondering van artikel 1. |
| 4 | 3° wooninfrastructuur aanleggen als vermeld in artikel 5.23; | 4 | 3° wooninfrastructuur aanleggen als vermeld in artikel 5.23; |
| 5 | 4° zelf woonprojecten realiseren die ofwel vernieuwend of experimenteel zijn, ofwel noodzakelijk zijn ter uitvoering van het investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.22, § 1, bij gebrek aan initiatieven van actoren als vermeld in artikel 4.13, of van initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29; | 5 | 4° zelf woonprojecten realiseren die ofwel vernieuwend of experimenteel zijn, ofwel noodzakelijk zijn ter uitvoering van het investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.22, § 1, bij gebrek aan initiatieven van actoren als vermeld in artikel 4.13, of van initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29; |
| 6 | 5° grondbeleidsmaatregelen uitvoeren die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen. | 6 | 5° grondbeleidsmaatregelen uitvoeren die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen; |
| 7 | 6° de subsidies, vermeld in artikel 4.42, §4 en in artikel 5.52/1, tweede lid uitbetalen. | ||
| 7 | De Vlaamse Regering legt een nadere omschrijving vast van het begrip "grondbeleidsmaatregelen die noodzakelijk worden geacht om een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen", vermeld in het eerste lid, 5°. | 8 | De Vlaamse Regering legt een nadere omschrijving vast van het begrip "grondbeleidsmaatregelen die noodzakelijk worden geacht om een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen", vermeld in het eerste lid, 5°. |
Art. 10. In artikel 46, §2, vijfde lid van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 8° wordt de zinsnede “in de heffingsjaren 2020, 2021 en 2022” vervangen door de zinsnede “in de heffingsjaren 2020 tot en met 2024”;
2° in de punten 9°, 10° en 11° worden de jaren 2023, 2024 en 2025 vervangen door respectievelijk de jaren 2025, 2026 en 2027.
Hoofstuk 4. Onderwijs en Vorming Afdeling 1. Aanpassing aanvullende werkingsmiddelen voor centra voor volwassenenonderwijs in het kader van EVC-trajecten
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (wijziging niet herkend). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 30 | Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %. | 30 | Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %. |
| 31 | Vanaf het schooljaar 2023-2024 wordt het totaal volume aan werkingsmiddelen vermeerderd met 1.953.622,94 euro. | 31 | Vanaf het schooljaar 2023-2024 wordt het totaal volume aan werkingsmiddelen vermeerderd met 1.953.622,94 euro. |
| 32 | § 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen en daarvoor een financiële bijdrage van minder dan 96 euro heeft ontvangen, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1. | 32 | § 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen bij een specifieke doelgroep die recht heeft op een verminderde financiële bijdrage zoals vermeld in artikel 8 van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1. |
| 33 | De aanvullende werkingstoelage bedraagt: | ||
| 34 | 1° 60 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie heeft betaald; | ||
| 35 | 2° 48 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een deelkwalificatie heeft betaald. | ||
| 33 | De aanvullende werkingstoelage bedraagt de helft van de volledige financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie of een deelkwalificatie, zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de uitvoering van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties. | ||
| 36 | Voor de berekening van de aanvullende werkingstoelage komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf zoals bedoeld in artikel 1, 48°. | 34 | Voor de berekening van de aanvullende werkingstoelage komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf zoals bedoeld in artikel 1, 48°. |
| 37 | De bedragen, vermeld in het tweede lid, worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2019. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. | ||
| 6 | Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 6 | Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 7 | Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 7 | Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 8 | De centra voor volwassenenonderwijs kunnen na een voorafgaand akkoord in het bevoegde lokale comité de toegekende leraarsuren ten laste van het begrotingsjaar 2023 omzetten in werkingsmiddelen voor contractuele aanwervingen ten belope van de lesopdracht tijdens de maanden juli en augustus. Voor de omzetting geldt één leraarsuur voor 63,64 euro. Uiterlijk twee maanden na de melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de om te zetten leraarsuren voor de aanwerving van contractuele personeelsleden worden 80% van deze omgezette werkingsmiddelen als voorschot aan de centra uitbetaald. | ||
| 9 | Het resterende saldo van 20% wordt uitbetaald uiterlijk in de loop van de maand december van het kalenderjaar 2023. Het centrum moet alle aangewende middelen bewijzen met facturen of betalingen die werden gedaan in het kader van deze contractuele aanstellingen. Niet-aangewende middelen worden na het einde van het kalenderjaar 2023 teruggestort. Daarvoor deelt het centrum het niet-aangewende bedrag mee aan de bevoegde administratie. | ||
| 8 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. | 10 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. |
| 9 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. | 11 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. |
Art. 13. In artikel 9, §2, eerste lid, 3°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, vervangen bij het decreet van 19 december 2014, wordt het bedrag “418.000 euro” vervangen door het bedrag
“354.000 euro”.
Afdeling 4. Invoegen mogelijkheid tot reserve-opbouw voor de accreditatieorganisatie voor het hoger onderwijs
Art. 30. In artikel 9, §2, eerste lid van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, gewijzigd door het decreet van 19 december 2014 en het decreet van 25 februari 2022, wordt de zin “De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015” vervangen door de zin “De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend”.
Art. 31. In artikel 9, §2, 1° van hetzelfde decreet, gewijzigd door het decreet van 19 december 2014 en het decreet van 25 februari 2022, wordt het bedrag
“4.007.000 euro” vervangen door de zinsnede “5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 8.014.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024”.
Art. 32. In artikel 9, §2, tweede lid van hetzelfde decreet, gewijzigd door het decreet van 19 december 2014 en het decreet van 25 februari 2022, wordt het jaartal “2016” vervangen door het jaartal “2025”.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden in het genoemde deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 4 | 2° het indexeerbaar gedeelte van de beschikbaarheidsvergoeding bedraagt maximaal 35%; | 4 | 2° het indexeerbaar gedeelte van de beschikbaarheidsvergoeding bedraagt maximaal 35%; |
| 5 | 3° in geen geval mag de jaarlijkse indexatie ertoe leiden dat in enige periode de beschikbaarheidsvergoeding meer bedraagt dan wanneer de oorspronkelijke beschikbaarheidsvergoeding jaarlijks zou aangepast worden aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen. | 5 | 3° in geen geval mag de jaarlijkse indexatie ertoe leiden dat in enige periode de beschikbaarheidsvergoeding meer bedraagt dan wanneer de oorspronkelijke beschikbaarheidsvergoeding jaarlijks zou aangepast worden aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen. |
| 6 | §3. AGION is er toe gemachtigd om verbintenissen aan te gaan die meebrengen dat het maximum zoals bedoeld in paragraaf 1 wordt overschreden, in dit geval wordt de reguliere begrotingsmachtiging van AGION of het Gemeenschapsonderwijs, naargelang het geval, geblokkeerd ten belope van het bedrag van de overschrijding. | ||
| 4 | 2° het indexeerbare gedeelte van de beschikbaarheidsvergoeding bedraagt maximaal 35%; | 4 | 2° het indexeerbare gedeelte van de beschikbaarheidsvergoeding bedraagt maximaal 35%; |
| 5 | 3° de jaarlijkse indexatie leidt er in geen geval toe dat in een bepaalde periode de beschikbaarheidsvergoeding meer bedraagt dan als de oorspronkelijke beschikbaarheidsvergoeding jaarlijks aangepast zou worden aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. | 5 | 3° de jaarlijkse indexatie leidt er in geen geval toe dat in een bepaalde periode de beschikbaarheidsvergoeding meer bedraagt dan als de oorspronkelijke beschikbaarheidsvergoeding jaarlijks aangepast zou worden aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. |
| 6 | AGION is er toe gemachtigd om verbintenissen aan te gaan die meebrengen dat het maximum zoals bedoeld in het eerste lid wordt overschreden, in dit geval wordt de reguliere begrotingsmachtiging van AGION of het Gemeenschapsonderwijs, naargelang het geval, geblokkeerd ten belope van het bedrag van de overschrijding. | ||
Art. 18. Aan artikel 2, 5°, van het decreet van 10 december 2021 over DBFM Scholen van Vlaanderen wordt de volgende zin toegevoegd:
“School Invest NV kan maximaal 10% van de aandelen van de DBFM- vennootschap aanhouden, mits akkoord van de Vlaamse Regering;”.
Dit is de eerste wijziging aan het decreet over DBFM-Scholen van Vlaanderen.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (wijziging niet herkend). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | Op basis van de selectiecriteria, vermeld in artikel 9, geeft AGION in een schriftelijk verslag zijn advies over de selectie en rangschikking van de aanvragen van het gesubsidieerd onderwijs. Het bezorgt dat verslag aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming. | 1 | Op basis van de selectiecriteria, vermeld in artikel 9, geeft AGION in een schriftelijk verslag zijn advies over de selectie en rangschikking van de aanvragen van het gesubsidieerd onderwijs. Het bezorgt dat verslag aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming. |
| 2 | Het GO! dient een aanvraag in bij de Vlaamse minister van Onderwijs, met inachtneming van de selectiecriteria, vermeld in artikel 9. | 2 | Het GO! dient een aanvraag in bij de Vlaamse minister van Onderwijs, met inachtneming van de selectiecriteria, vermeld in artikel 9. |
| 3 | De verdeling van de totale budgettaire investeringsruimte tussen de onderwijsnetten met het oog op de realisatie van de DBFM-programma's Scholen van Vlaanderen gebeurt op basis van de toepassing van artikel IX.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs. | 3 | De verdeling van de totale budgettaire investeringsruimte tussen de onderwijsnetten met het oog op de realisatie van de DBFM-programma's Scholen van Vlaanderen gebeurt in principe op basis van de toepassing van artikel IX.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, voor zover de ingediende en geselecteerde scholenbouwprojecten per onderwijsnet voormelde verdeling mogelijk maken. |